|
BESLUIT van 10 december 1992, houdende vaststelling van het
Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur van 16 juli 1992, nr. VVP/L U-921434, gedaan in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Overwegende dat uitvoering moet worden gegeven aan de Richtlijn van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juli 1976 betreffende de
vaststelling van het maximumgehalte aan erucazuur in oliën en vetten,
die als zodanig voor menselijke consumptie zijn bestemd, alsmede in
levensmiddelen waaraan oliën en vetten zijn toegevoegd (76/621/EEG) (PbEG
L 202);
Overwegende dat een basis moet worden gelegd voor de definitieve
uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake voor menselijke voeding bestemde
diepvriesprodukten (89/108/EEG) (PbEG L 40), alsmede voor de op
die richtlijn gebaseerde Richtlijnen van de Commissie van 13 januari
1992 betreffende de temperatuurcontrole in vervoermiddelen en in
opslagruimten van voor menselijke voeding bestemde diepvriesprodukten
(92/1/EEG) (PbEG L 34) en tot vaststelling van de
monsternemingsprocedure en de communautaire analysemethode voor de
officiële controle van de temperatuur van diepvriesprodukten die voor
de menselijke voeding zijn bestemd (92/2/EEG) (PbEG L 34), voor
zover het betreft de daar bedoelde analysemethode;
Overwegende dat eveneens een basis moet worden gelegd voor de
definitieve uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 13 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gebruik van extractiemiddelen
bij de produktie van levensmiddelen en bestanddelen daarvan (88/344/EEG)
(PbEG L 157);
Overwegende dat het voor de inzichtelijkheid van de wetgeving
gewenst is dat de regels met betrekking tot de bereiding en behandeling
van levensmiddelen worden geconcentreerd in één Warenwetbesluit;
Gelet op de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, onderdeel a,
en zesde lid, 6, onderdeel a, 8, onderdeel c, 12, 14, 16, tweede
lid, en 22, eerste en tweede lid, van de Warenwet (Stb. 1988,
360);
Gehoord de Adviescommissie Warenwet (adviezen van 12 september 1990,
nr. 14255/(13)5, en van 9 oktober 1991, nr. 14267/(4)5);
De Raad van State gehoord (advies van 12 november 1992,
nr.
W13.92.0362);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur van 30 november 1992 nr. DGVgz/VVP/L 922882,
uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken
en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. behandelen: het bewerken van eet- en drinkwaren na het
bereiden en vóór het verpakken ervan, met welke handelingen de
aard van de betrokken waar geen verandering ondergaat;
b. bedrijfsruimte: de ruimte kennelijk bestemd voor het
bereiden, behandelen, verpakken of het bewaren van eet- of
drinkwaren, alsmede de bij bereiders van eet- of drinkwaren in
gebruik zijnde ruimte voor het bewaren van grondstoffen;
c. bereidplaats: het gedeelte van de bedrijfsruimte kennelijk
bestemd voor het bereiden van eet- of drinkwaren, of voor het
behandelen of verpakken van niet door verpakkingsmateriaal omhulde
eet- of drinkwaren, met dien verstande dat niet als bereidplaats
wordt beschouwd een verkoopruimte waarin eet- en drinkwaren worden
behandeld of verpakt op een wijze die gebruikelijk is in zodanige
ruimte;
d. grondstoffen: grondstoffen, halffabrikaten en ingrediënten,
bestemd voor de bereiding van eet- en drinkwaren;
e. decontaminatie-middel: een proceshulpstof die:
1°. uitsluitend bedoeld is om in direct contact met eet-
of drinkwaren levende micro-organismen die op of in de waar
aanwezig zijn, te doden; en
2°. geen ingrediënt wordt van die waar, maar daarin
uitsluitend aanwezig is als onbedoeld maar technisch
onvermijdelijk residu;
f. richtlijn 98/83/EG: richtlijn nr. 98/83/EG van de Raad van
de Europese Unie van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van
voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330);
g. voor menselijke consumptie bestemd water: al het water, niet
zijnde natuurlijk mineraalwater, bronwater of een geneesmiddel,
dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de
vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel
brengen van voor menselijke consumptie bestemde waren of stoffen;
h. pluimveevlees: vlees van kippen, ganzen, kalkoenen of
parelhoenders;
i. verordening (EG) 1881/2006: verordening (EG) nr. 1881/2006
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 december
2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde
verontreinigingen in levensmiddelen (PbEU L 364);
j. richtlijn 2001/22/EG: richtlijn nr. 2001/22/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 2001 tot
vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de
officiële controle op de maximumgehalten aan lood, cadmium, kwik
en 3-MCPD in levensmiddelen (PbEG L 77);
k. kinine: kinine en de zouten van kinine als omschreven in de
Nederlandse Pharmacopee, achtste uitgave, deel II, pagina 502 tot
en met 504;
l. kininegehalte: de som van de gehaltes aan de onder k
bedoelde stoffen, berekend als kininebase (C20H24N2 O2);
m. cafeïne: coffeïne of coffeïnemonohydraat (cafeïnemonohydraat)
zoals omschreven in de Nederlandse Pharmacopee, achtste uitgave,
deel II, pagina 535 en 536;
n. cafeïnegehalte: de som van de gehaltes van de onder m
bedoelde stoffen, berekend als coffeïne (cafeïne);
o. verordening (EG) 178/2002: verordening (EG) nr. 178/2002 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28
januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en
voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van
een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling
van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31);
p. verordening (EG) 37/2005: verordening (EG) nr. 37/2005 van
de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2005
betreffende de temperatuurcontrole in vervoermiddelen en in
opslagruimten van voor menselijke voeding bestemde
diepvriesproducten (PbEU L 10);
q. verordening (EG) 396/2005: verordening (EG) nr. 396/2005 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23
februari 2005 (PbEU L 70) tot vaststelling van maximumgehalten aan
bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en
diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende
wijziging van richtlijn 91/414/EG van de Raad;
r. bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel of biocide,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
s. EU-noodmaatregel: een in het Publicatieblad van de Europese
Unie bekendgemaakte maatregel van de Commissie van de Europese
Unie, vastgesteld krachtens artikel 53, eerste lid, onder a, of
tweede lid, van verordening (EG) 178/2002, voor zover die
maatregel strekt tot bescherming van de gezondheid van de mens;
t. verordening (EG) 124/2009: verordening (EG) nr. 124/2009 van
de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 februari 2009
tot vaststelling van maximumgehalten voor coccidiostatica en
histomonostatica in levensmiddelen als gevolg van niet te
voorkomen versleping van die stoffen naar niet-doeldiervoeders (PbEU
L 40);
u. verordening (EG) 1333/2008: verordening (EG) nr. 1333/2008
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16
december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (PbEU L 354).
Artikel 2
1. Het is verboden eet- en drinkwaren te bereiden, te behandelen,
te verpakken, te bewaren of te vervoeren, anders dan met
inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde
voorschriften.
2. Het is verboden voor de bereiding van eet- en drinkwaren
grondstoffen te bezigen die niet voldoen aan de bij of krachtens dit
besluit gestelde eisen.
3. Het is verboden eet- en drinkwaren te verhandelen met
betrekking tot welke in afwijking van het bepaalde bij of krachtens
dit besluit is gehandeld.
4. Het is verboden eet- en drinkwaren te verhandelen die in een
toestand verkeren, welke niet voldoet aan de bij of krachtens dit
besluit gestelde eisen.
5. Het is verboden eet- en drinkwaren te verhandelen anders dan
met inachtneming van de voorschriften, bij of krachtens dit besluit
gesteld, met betrekking tot het bezigen van vermeldingen.
6. Het is verboden extractiemiddelen te verhandelen anders dan
met inachtneming van de voorschriften, krachtens dit besluit gesteld
met betrekking tot het bezigen van aanduidingen en vermeldingen.
7. Het is verboden eet- of drinkwaren te verhandelen die
afkomstig zijn van dieren waarop diergeneesmiddelen zijn beproefd,
tenzij overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 houdende een
communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor
residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in
levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG L 224) maximumwaarden
aan residuen en een passende wachttijd zijn vastgesteld om te
waarborgen dat deze maximumwaarden aan residuen in die eet- of
drinkwaren niet worden overschreden, en die bepalingen in acht zijn
genomen.
8. Het is verboden pluimveevlees te verhandelen anders dan met
inachtneming van artikel 4a inzake de verpakking van de waar.
9. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 1,
eerste lid, 3, en 5, van verordening (EG) 1881/2006.
10. Het is verboden ten aanzien van eet- en drinkwaren te
handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, artikel 18, eerste
tot en met vierde lid, en artikel 19, van verordening (EG) 178/2002.
11. Het is verboden eet- of drinkwaren te verhandelen na de
uiterste consumptiedatum, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d,
van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen.
12. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van
verordening (EG) 37/2005.
13. Het is verboden ten aanzien van eet- en drinkwaren te
handelen in strijd met de artikelen 18, eerste lid, 19 en 20, eerste
lid, van verordening (EG) 396/2005.
14. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3.
15. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1, eerste
lid, eerste en derde alinea, van verordening (EG) 124/2009.
§ 2. Hygiëne bij de bereiding en behandeling
Artikel 2a
De Voedsel en Waren Autoriteit is:
a. bevoegde autoriteit, bedoeld in verordening (EG) 178/2002,
wat betreft levensmiddelen;
b. bevoegde autoriteit, bedoeld in verordening (EG) 37/2005;
c. nationale autoriteit, bedoeld in artikel 38 van verordening
(EG) 396/2005, wat betreft levensmiddelen.
Artikel 3
Eet- en drinkwaren, van oorsprong uit de Europese Unie, worden
verhandeld met inachtneming van de bij of krachtens een
EU-noodmaatregel gestelde voorschriften.
Artikel 4
1.Pathogene micro-organismen zijn in eet- en drinkwaren afwezig
in hoeveelheden die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid,
met dien verstande dat:
a. Salmonella niet aantoonbaar is in 25 g of ml;
b. Campylobacter niet aantoonbaar is in 25 g of ml;
c. het aantal kweekbare Staphylococcus aureus niet meer
bedraagt dan 100.000 per g of ml;
d. het aantal kweekbare Clostridium perfringens niet meer
bedraagt dan 100.000 per g of ml;
e. het aantal kweekbare Bacillus cereus niet meer bedraagt
dan 100.000 per g of ml.
2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover ter zake
microbiologische criteria zijn vastgesteld bij verordening (EG)
2073/2005.
3.Het eerste lid is voorts niet van toepassing op:
a. onbewerkte, rauwe eet- en drinkwaren; en
b. bewerkte eet- en drinkwaren die:
1°. geen kiemreducerende behandeling hebben ondergaan;
en
2°. bij normaal gebruik pas na verhitting door de
eindgebruiker geschikt zijn voor consumptie door de mens.
§ 3. Bereiding
Artikel 4a
1. Pluimveevlees wordt uitsluitend in een verpakking aan de
consument verkocht of afgeleverd.
2. Op een in het eerste lid bedoelde verpakte eetwaar wordt in
een apart kader met contrasterende kleuren eenvoudig leesbaar de
navolgende vermelding gebezigd:
«Let op, geef schadelijke bacteriën geen kans. Zorg daarom dat
deze bacteriën niet via de verpakking, uw handen of het keukengerei
in uw eten terecht komen. Maak dit vlees door en door gaar om deze
bacteriën uit te schakelen.»
Deze vermelding wordt aangebracht:
a. voor zover de waar is voorverpakt, in het zelfde
gezichtsveld als de aanduiding van de waar; of
b. voor zover de waar niet is voorverpakt, op de voor- en
achterzijde van de verpakking van de waar.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 5a
1. Bij de bereiding van eet- en drinkwaren en grondstoffen mag
uitsluitend een door Onze Minister goedgekeurd veilig en effectief
decontaminatie-middel gebruikt worden indien daarvoor een dwingende
technologische noodzaak bestaat, onder de voorwaarde dat ter zake
een door Onze Minister goedgekeurde procesbeschrijving in acht wordt
genomen.
2. Een in het eerste lid bedoelde procesbeschrijving wordt
opgesteld door een of meer sectoren van de levensmiddelenbranche.
3. Onze Minister maakt de in het eerste lid bedoelde goedgekeurde
proces-beschrijving bekend in de Staatscourant.
4. Dit artikel heeft geen betrekking op producten van dierlijke
oorsprong, bedoeld in bijlage I, punt 8.1, van verordening (EG) nr.
853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke
hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU
L 139 en 226).
Artikel 6
Onze Minister stelt ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1988 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gebruik van
extractiemiddelen bij de produktie van levensmiddelen en bestanddelen
daarvan (88/344/EEG) (PbEG L 157) nadere regels vast ter zake van:
a. de aard en de goede hoedanigheid van extractiemiddelen;
b. de ten hoogste toegestane hoeveelheden van extractiemiddelen
in eet- of drinkwaren; en
c. de te bezigen aanduidingen of vermeldingen op verpakkingen
of recipiënten van extractiemiddelen.
Artikel 7
1. Voor zover het kennelijk technisch noodzakelijk is bij de
bereiding van eetwaren minerale olie als los- of smeermiddel te
gebruiken, mag uitsluitend vloeibare paraffine worden gebruikt. Als
los- of smeermiddel gebruikte vloeibare paraffine mag in eetwaren
aanwezig zijn tot een hoeveelheid van ten hoogste 50 mg/kg.
2. Vloeibare paraffine moet voldoen aan de krachtens artikel 4,
tweede lid, van het Warenwetbesluit verpakkingen en
gebruiksartikelen aan die stof gestelde specificatie.
Artikel 8
1. Het roken van eetwaren mag uitsluitend geschieden met rook,
verkregen uit hout of houtachtige gewassen in onbehandelde staat,
onder de voorwaarde dat de waar hierdoor de kenmerkende geur-,
kleur- en smaakeffecten van het rookproces verkrijgt.
2. De verhandeling van hout of houtachtige gewassen aan bereiders
van eet- of drinkwaren ten behoeve van het roken van eetwaren mag
uitsluitend geschieden indien dat hout, of die houtachtige gewassen,
in onbehandelde staat verkeert, onderscheidenlijk verkeren.
3. In bedrijfsruimten mogen, ten behoeve van het roken van
eetwaren, uitsluitend hout of houtachtige gewassen in voorraad of
voorhanden worden gehouden indien dat hout, onderscheidenlijk die
houtachtige gewassen, in natuurlijke of onbehandelde staat verkeert,
onderscheidenlijk verkeren.
4. In bereidplaatsen, kennelijk bestemd voor het roken van
eetwaren, mag onderscheidenlijk mogen geen ander hout of houtachtige
gewassen in voorraad of voorhanden worden gehouden dan hout of
houtachtige gewassen, bedoeld in het derde lid.
Artikel 9
1. Olie of vet, aanwezig in de bereidplaats en kennelijk bestemd
voor het bakken of frituren van eetwaren, moet, onverminderd andere
op die grondstof van toepassing zijnde wettelijke bepalingen,
voldoen aan de eis dat het gehalte aan dimere en polymere
triglyceriden niet hoger is dan 16%.
2. Voor de bereiding of verwerking van eet- of drinkwaren mag
geen gebruik worden gemaakt van oliën en vetten welke:
a. zijn bereid uit afval, ontstaan:
1°. bij de raffinage van vetten; of
2°. in afvalwater-reinigingsinstallaties;
b. zijn verkregen bij de destructie van dierlijk materiaal;
of
c. zijn verontreinigd met stoffen die bij de normale
raffinage niet verwijderbaar zijn dan wel met vetten of oliën
reageren.
3. In bereidplaatsen, kennelijk bestemd voor het bakken of
frituren van eetwaren, mag geen andere olie of ander vet voorhanden
of in voorraad worden gehouden dan olie of vet, dat voldoet aan het
eerste en tweede lid.
Artikel 10
1. In eet- of drinkwaren mogen vitamines, fluor- en
jodiumverbindingen, aminozuren of hun zouten niet aanwezig zijn,
tenzij deze naar aard en hoeveelheid van nature aanwezig zijn in die
eet- of drinkwaren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. verrijkte eet- of drinkwaren als bedoeld in het
Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan
levensmiddelen, voor wat betreft de aanwezigheid van vitamines;
b. eet- of drinkwaren waarvoor in enig wettelijk voorschrift
anders is bepaald.
Artikel 11
Het gehalte aan erucazuur in eet- of drinkwaren, berekend op het
totale gehalte aan vetzuren in de vet-fase, mag niet meer bedragen dan
5%.
Artikel 11a
1. Het cafeïnegehalte onderscheidenlijk het kininegehalte van
een als limonade of frisdrank aangeduide drinkwaar is ten hoogste:
a. 350 mg/l cafeïne, indien de waar planten- of
vruchtenextract bevat;
b. 85 mg/l kinine; of
c. 40 mg/l kinine, indien de waar vruchtensap bevat.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op drinkwaren die in een
andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte rechtmatig zijn bereid en in het verkeer gebracht.
3. De vermelding «cafeïnevrij» mag bij een als koffie of thee
aangeduide waar die bestemd is voor aflevering aan de eindverbruiker
of een instelling, uitsluitend worden gebezigd voor zover het
cafeïnegehalte van die waar ten hoogste 0,1% bedraagt, berekend op
de droge stof.
§ 4. Verontreinigingen en residuen van bestrijdingsmiddelen
Artikel 12
1. Schimmeltoxinen en bacteriële toxinen in hoeveelheden die
schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid, moeten afwezig zijn
in eet- of drinkwaren en grondstoffen.
2. In bereidplaatsen, alsmede in de gedeeltes van bedrijfsruimten
van bereiders van eet- of drinkwaren, die kennelijk in gebruik zijn
voor het bewaren van grondstoffen, mogen grondstoffen die niet
voldoen aan het eerste lid, niet in voorraad of voorhanden worden
gehouden, tenzij de bergplaats of de recipiënt voorzien is van een
duidelijke vermelding waaruit blijkt dat die grondstof niet geschikt
is voor de bereiding van eet- of drinkwaren.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nadere regels stellen met
betrekking tot het in het eerste lid gestelde.
Artikel 13
In eet- en drinkwaren mogen door Onze Minister aangewezen
verontreinigingen, andere dan bedoeld in artikel 12, die uit oogpunt
van gezondheid schadelijk kunnen zijn, niet in een grotere hoeveelheid
aanwezig zijn dan door Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voor de betrokken
stof is vastgesteld. De hoeveelheid kan voor de onderscheiden eet- of
drinkwaren verschillend worden bepaald.
Artikel 13a
1. In of op eet- en drinkwaren zijn slechts resten, bestanddelen
of omzettingsproducten van bestrijdingsmiddelen aanwezig als gevolg
van goed landbouwkundig gebruik van bestrijdingsmiddelen en in
hoeveelheden die niet schadelijk kunnen zijn voor de
volksgezondheid.
2. De aan Nederland opgedragen werkzaamheden, bedoeld in
hoofdstuk V van verordening (EG) 396/2005, worden verricht door:
a. de Voedsel en Waren Autoriteit; en
b. de Algemene Inspectiedienst, voor zover het betreft het
telen van plantaardige producten tot en met de oogst.
3. Bij regeling van Onze Minister en van Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kunnen nadere regels worden
gesteld:
a. inzake het eerste lid;
b. voor zover noodzakelijk voor de goede uitvoering van de
bij of krachtens verordening (EG) 396/2005 gestelde
voorschriften.
4. De aanvrager, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
verordening (EG) 396/2005, dient zijn aanvraag in bij het College
voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
§ 5. Bewaring en vervoer
Artikel 14
Onze Minister stelt ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake voor
menselijke voeding bestemde diepvriesprodukten (89/108/EEG) (PbEG L
40) en van de krachtens die richtlijn getroffen maatregelen nadere
regels vast ter zake van:
a. de aard en de goede hoedanigheid van het diepvries-procédé;
b. de daarbij te gebruiken koelmiddelen;
c. de verpakkingen van en de te bezigen aanduidingen of
vermeldingen op eet- of drinkwaren; en
d. de bewaar- en vervoersomstandigheden van diepgevroren eet-
of drinkwaren.
Artikel 15
1. Eet- of drinkwaren of grondstoffen, welke gekoeld moeten
worden bewaard teneinde microbiologisch bederf of de uitgroei van
pathogene bacteriën tegen te gaan, moeten:
a. voor zover het betreft voorverpakte eet- of drinkwaren of
grondstoffen, zodanig worden vervoerd of in voorraad worden
gehouden dat de temperatuur van de waar ten hoogste de door de
bereider aangegeven temperatuur bedraagt; of,
b. voor zover door de bereider geen bijzondere
bewaartemperatuur op de voorverpakking is vermeld of de waar
niet is voorverpakt, zodanig worden vervoerd of in voorraad
worden gehouden dat de temperatuur van de waar ten hoogste 7°C
bedraagt;
behoudens indien krachtens het zesde of zevende lid, of bij een
verordening van een (hoofd-) produkt- of bedrijfschap die reeds van
kracht is op het moment van inwerkingtreding van dit besluit, regels
zijn vastgesteld waarbij een andere temperatuur is voorgeschreven.
2. Indien op de verpakking van een in het eerste lid bedoelde
eet- of drinkwaar:
a. in een bewaarvoorschrift is vermeld dat de waar bewaard
dient te worden tussen de 0°C en 6°C; of
b. een houdbaarheidstermijn is vermeld die korter is dan 5
dagen;
is artikel 17 van het Warenwetbesluit Etikettering van
levensmiddelen (Stb. 1992, 14) van toepassing.
3. Onverminderd de ter zake geldende eisen ten aanzien van de
etikettering van levensmiddelen moet op de verpakking van de in het
tweede lid, onder a, bedoelde eet- of drinkwaar een
bewaarvoorschrift worden gebezigd waaruit onder andere blijkt dat de
waar binnen een bepaald aantal dagen na aankoop dient te worden
geconsumeerd, echter nooit later dan de reeds vermelde datum.
4. In afwijking van het eerste lid mogen de daar bedoelde
bederfelijke eet- of drinkwaren, die zodanig verhit zijn dat zij
geschikt zijn voor onmiddellijke consumptie door de eindverbruiker,
tevens ter rechtstreekse aflevering aan de eindverbruiker voorhanden
worden gehouden indien de temperatuur van de waar ten minste 60°C
bedraagt.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van
Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nadere
regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
6. Het bestuur van een produkt-, een hoofdbedrijf- of een
bedrijfschap kan nadere regels stellen of andere besluiten nemen ten
aanzien van het eerste, tweede en derde lid.
7. De op grond van een in het zesde lid bedoelde verordening
vastgestelde nadere voorschriften of genomen besluiten behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
8. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op het vervoer
of het in voorraad houden van niet-voorverpakte eet- of drinkwaren
of grondstoffen gedurende een nader te bepalen periode van ten
hoogste 24 uur na de bereiding daarvan, voor zover de ter zake in
een krachtens het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen door
Onze Minister goedgekeurde hygiënecode vastgestelde voorschriften
in acht worden genomen. De desbetreffende hygiënecode zal slechts
worden goedgekeurd indien voldaan is aan de volgende voorschriften:
a. de uitzondering heeft slechts betrekking op eet- of
drinkwaren of grondstoffen waarvan koeling met het oog op de
smaak ongewenst is, of die bij de bereiding direct voorafgaand
aan de ongekoelde bewaar- of vervoerperiode een intensieve
hittebehandeling hebben ondergaan;
b. de desbetreffende hygiënecode schrijft voor dat bij
onverpakte verkoop van de waar aan de koper duidelijk wordt
gemaakt dat de waar een (zeer) beperkte houdbaarheid heeft, en
werkt uit hoe dat voorschrift kan worden toegepast;
c. in de hygiënecode is de periode van ongekoeld opslaan of
vervoeren nauwkeurig vastgesteld; en
d. de ongekoelde bewaring of opslag leidt niet tot een uit
microbiologisch oogpunt onveiliger waar.
§ 6. Verpakking
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 17
1. In bedrijfsruimten mogen levensmiddelenadditieven uitsluitend
in een verpakking of recipiënt voorhanden zijn of in voorraad
worden gehouden. Op die verpakking of recipiënt moet een aanduiding
overeenkomstig verordening (EG) 1333/2008 worden gebezigd, alsmede,
voor zover van toepassing, de volgende vermeldingen:
a. het gehalte of de gehaltes van de levensmiddelenadditieven
indien zij aanwezig zijn in mengsels van deze stoffen, al dan
niet met andere grondstoffen, voor zover regels zijn gesteld ten
aanzien van de ten hoogste toegelaten hoeveelheid van een of
meer van de desbetreffende levensmiddelenadditieven;
b. het gebruiksdoel, voor zover regels zijn gesteld ten
aanzien van de ten hoogste toegelaten hoeveelheid in de eet- of
drinkwaar, voor de bereiding waarvan het betrokken
levensmiddelenadditief bestemd is.
2. De vermeldingen, bedoeld in het eerste lid, mogen worden
aangebracht in een code, die zodanig moet zijn dat onjuist gebruik
ter zake bij de bereiding wordt voorkomen.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 18
1. Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend
zijn voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de bij of
krachtens dit besluit gestelde regels, worden aangewezen
microbiologische onderzoekingsmethoden, chromatografische en andere
scheidingsmethoden, organoleptische bepalingsmethoden en
detectiemethoden, alsmede de daartoe door een andere Lid-Staat van
de Europese Economische Gemeenschap aangewezen methoden.
2. Onverminderd het eerste lid worden bij de vaststelling of al
dan niet is voldaan aan artikel 5, eerste lid, de specificaties in
acht genomen die zijn omschreven in bijlage III van richtlijn
98/83/EG, met dien verstande dat:
a. andere dan in bijlage III, deel 1, van die richtlijn
vermelde methoden gebruikt mogen worden voor zover kan worden
aangetoond dat de daarmee verkregen resultaten ten minste even
betrouwbaar zijn als die van de gespecificeerde methoden;
b. voor de in bijlage III, delen 2 en 3, van die richtlijn
genoemde parameters elke methode van onderzoek mag worden
gebruikt die aan de aldaar gestelde eisen voldoet.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, omtrent de in het eerste lid
bedoelde methoden nadere regels stellen.
4. Onverminderd het eerste lid wordt de in artikel 2 juncto
bijlage II, punten 3.1 tot en met 3.6, van richtlijn 2001/22/EG,
beschreven methode, aangewezen als methode van onderzoek die bij
uitsluiting beslissend is voor de vaststelling of met betrekking tot
de maximumgehalten aan lood, cadmium, kwik en
3-monochloorpropaan-1,2-diol in eet- en drinkwaren al dan niet is
voldaan aan bijlage I, deel 3 en deel 4, van verordening (EG)
466/2001.
Artikel 19
1. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
2. Op waren waarvoor krachtens artikel 10bis, eerste lid, van het
Algemeen Besluit (Warenwet), toestemming is verleend voor de
aanwezigheid van een der in dat artikel-lid bedoelde stoffen,
blijft, in afwijking van het eerste lid, genoemd artikel 10bis,
eerste lid, van toepassing:
a. voor zover in de desbetreffende toestemming een termijn is
genoemd waarvoor die toestemming is verleend, welke afloopt
binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit
besluit, gedurende drie maanden na afloop van die termijn;
b. voor zover in de desbetreffende toestemming een termijn is
genoemd waarvoor die toestemming is verleend, welke afloopt
vanaf drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit
besluit, tot de afloop van die termijn;
een en ander behoudens indien de toestemming op een eerder
tijdstip wordt ingetrokken.
3. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
4. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 20
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de derde maand na
de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt
geplaatst.
2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 2, 14 en
18 in werking met ingang van 10 januari 1993.
3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15, eerste lid,
voor zover het betreft het vervoer van de daar bedoelde eet- of
drinkwaar, en tweede en derde lid, in werking met ingang van de
achttiende maand na de in het eerste lid bedoelde datum.
4. Een wijziging van bijlage III van richtlijn 98/83/EG gaat voor
de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 21
Dit besluit kan worden aangehaald als: Warenwetbesluit Bereiding en
behandeling van levensmiddelen.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 10 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|