| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Warenwet (WaW)
WARENWETBESLUIT
LIFTEN
Tekst zoals deze geldt op
7 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 22 augustus 1996 tot vaststelling van een algemene
maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet op de gevaarlijke
werktuigen, de Mijnwet 1903, de Mijnwet continentaal plat en de
Woningwet met betrekking tot liften
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 23 april 1996, Directie Arbeidsomstandigheden, nr.
ARBO/APM/96/00974, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op Richtlijn nr. 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing
van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften (PbEG L
213);
Gelet op de artikelen 1, eerste lid, aanhef en
onder a
en b, 2, 3, eerste en tweede lid, 6, 12, derde lid, en 25a
van de Wet op de gevaarlijke werktuigen, artikel 9, eerste lid, onderdeel a,
van de Mijnwet 1903 en artikel 26, eerste lid, onderdeel b, van de
Mijnwet continentaal plat, alsmede de artikelen 2 en 120 van de
Woningwet;
De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 1996, nr. W12.96.0174);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 15 augustus 1996, Directie Arbeidsomstandigheden,
nr. ARBO/APM/96/01500, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister
van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. wet: Warenwet;
b. richtlijn: richtlijn nr. 95/16/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften (PbEG
L 213);
c. lift: een vast opgesteld werktuig in gebouwen of bouwwerken dat
bepaalde stopplaatsen van een gebouw of bouwwerk bedient, met behulp
van een kooi die langs vaste, ten opzichte van het horizontale vlak
meer dan 15 graden hellende leiders beweegt, en die bestemd is voor
vervoer van
– personen,
– personen en goederen,
– uitsluitend goederen indien de kooi betreedbaar is en
uitgerust met bedieningsorganen die in de kooi of binnen het bereik
van een zich aldaar bevindende persoon zijn gesitueerd;
d. modellift: een representatieve lift waarvan het technisch
dossier laat zien hoe de in bijlage I van de richtlijn opgenomen
essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in acht worden genomen
voor liften die zijn afgeleid van het met behulp van objectieve
parameters gedefinieerde model en in welke liften identieke
veiligheidscomponenten worden gebruikt;
e. veiligheidscomponenten: de in bijlage IV van de richtlijn
genoemde onderdelen van liften die essentieel zijn voor de veilige
werking;
f. Europese Economische Ruimte: het grondgebied waarop de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing
is;
g. aangewezen aangemelde instelling: een krachtens artikel 7a van
de wet in het kader van de richtlijn aangewezen en bij de Commissie
van de Europese Gemeenschappen aangemelde instelling, dan wel een door
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte in het kader van de richtlijn aangewezen
en bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde
instantie;
h. aangewezen instelling: een krachtens artikel 7a van de wet met
betrekking tot de keuring van liften aangewezen instelling;
i. bouwlift voor personenvervoer: tijdelijk op een bouwwerk
opgesteld hefwerktuig dat bepaalde stopplaatsen bedient, dat voorzien
is van een kooi die langs vaste, ten opzichte van het horizontale vlak
meer dan 15 graden hellende leiders beweegt, en die bestemd is voor
het vervoer van personen en goederen;
j. transportsteiger: tijdelijk opgesteld hefwerktuig uitgerust met
een geleid bewogen hefvlak, ontworpen voor het vervoer van goederen
onder begeleiding van personen dat vaste stopplaatsen bedient, niet
zijnde een bouwlift voor personenvervoer;
k. N, NEN of NEN-EN: door de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut uitgegeven norm, onderscheidenlijk Europese
norm.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder liften: vast opgestelde hefwerktuigen als bedoeld in het
eerste lid, onder c, die een vaste baan in de ruimte volgen, maar
niet langs vaste leiders bewegen.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit besluit is een kooi betreedbaar indien een
persoon er zonder moeite kan binnengaan.
Artikel 3
Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van
toepassing op liften, veiligheidscomponenten, bouwliften voor
personenvervoer en transportsteigers indien deze onroerend zijn.
Artikel 4
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. kabelbaaninstallaties, met inbegrip van kabelsporen, voor
openbaar of niet-openbaar personenvervoer;
b. liften die speciaal zijn ontworpen en gebouwd voor militaire
doeleinden of het handhaven van de orde;
c. mijnliften;
d. toneelhefwerktuigen;
e. liften die in vervoermiddelen zijn ingebouwd;
f. liften die met een machine zijn verbonden en uitsluitend
bestemd zijn om de toegang tot de werkplek mogelijk te maken;
g. tandradbanen.
Artikel 4a. Wederzijdse erkenning
1. Met de in dit besluit bedoelde bouwliften voor
personenvervoer en transportsteigers worden gelijkgesteld bouwliften
voor personenvervoer en transportsteigers die rechtmatig zijn
vervaardigd of in de handel gebracht in een andere lidstaat van de
Europese Unie, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de
Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die een
beschermingsniveau bieden dat gelijkwaardig is aan het in dit besluit
gewaarborgde niveau.
2. Met het in dit besluit bedoelde certificaat van goedkeuring
voor een bouwlift voor personenvervoer of een transportsteiger wordt
gelijkgesteld een certificaat van goedkeuring afgegeven door een
onafhankelijke instelling in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welk certificaat is
afgegeven op basis van onderzoekingen die aan ten minste gelijkwaardige
eisen voldoen.
HOOFDSTUK IA. Verbodsbepalingen
Artikel 4b
1. Het is verboden liften en veiligheidscomponenten, bouwliften
voor personenvervoer en transportsteigers te verhandelen, in bedrijf
te stellen of te gebruiken, die niet voldoen aan de ten aanzien van de
desbetreffende hefwerktuigen bij of krachtens dit besluit gestelde
vervaardigingsvoorschriften.
2. Het is verboden liften en veiligheidscomponenten, bouwliften
voor personenvervoer en transportsteigers te verhandelen of te gebruiken
anders dan met inachtneming van de ten aanzien van de desbetreffende
hefwerktuigen bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften met
betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen.
3. Het is verboden liften en veiligheidscomponenten, bouwliften
voor personenvervoer en transportsteigers te verhandelen of te
gebruiken, indien de bij of krachtens dit besluit ten aanzien van de
desbetreffende hefwerktuigen voorgeschreven overeenstemmingsbeoordelings-
en keuringsprocedures niet in acht zijn genomen.
4. Het is verboden liften en veiligheidscomponenten, bouwliften
voor personenvervoer en transportsteigers te gebruiken anders dan met
inachtneming van de ten aanzien van de desbetreffende hefwerktuigen bij
of krachtens dit besluit gestelde voorschriften met betrekking tot het
voorhanden zijn van documenten.
HOOFDSTUK II. VERVAARDIGING
Artikel 5
1. Liften en veiligheidscomponenten zijn zodanig ontworpen en
vervaardigd, hebben zodanige eigenschappen en zijn van zodanige
vermeldingen voorzien dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid
of gezondheid van de mens of voor de veiligheid van zaken, met
uitzondering van huisdieren, wanneer zij op passende wijze zijn
geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming worden
gebruikt.
2. Liften voldoen aan de in bijlage I van de richtlijn opgenomen
essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.
3. Veiligheidscomponenten voldoen aan de in bijlage I van de
richtlijn opgenomen essentiële veiligheids- en gezondheidseisen of zijn
zodanig dat de liften, waarop zij zijn aangebracht, aan deze veiligheids-
en gezondheidseisen voldoen.
Artikel 6
1. Liften en veiligheidscomponenten die voldoen aan de door
Onze Minister aangewezen geharmoniseerde normen worden in zoverre
vermoed te voldoen aan artikel 5, tweede, respectievelijk, derde lid.
2. De onderlinge overeenkomst tussen een serie voorzieningen of
inrichtingen die aan de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, voldoen, mag met behulp van
berekeningen of aan de hand van het ontwerp worden aangetoond.
Artikel 6a
1. Bouwliften voor personenvervoer voldoen aan de
vervaardigingsvoorschriften van NEN-EN 12 159:2000.
2. Transportsteigers voldoen aan de volgende voorschriften:
a. zij voldoen aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen
betreffende het ontwerp en de bouw van machines en
veiligheidscomponenten van bijlage I van richtlijn nr. 98/37/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
van de lidstaten betreffende machines (PbEG L 207). In aanvulling
op deze eisen zijn gevaar bij overstappen op hoogte van en naar de
laad- en losplaats en gevaar onder de baan van het hefvlak bij de
onderste stopplaats op afdoende wijze tegengegaan;
b. de snelheid, waarmee zij worden verplaatst, bedraagt ten hoogste
0,2 m/s;
c. de bediening vindt plaats door middel van zogenaamde
vasthoudbesturing;
d. zij zijn overeenkomstig een kenmerkend type dat onderworpen is
aan een typeonderzoek door een keuringsinstelling die door een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte is aangewezen en aangemeld bij de Commissie van de Europese
Gemeenschappen voor hijs- en hefwerktuigen voor het heffen van
personen waarbij een gevaar voor een vrije val van meer dan 3 meter
bestaat.
Artikel 7
Degene die verantwoordelijk is voor de verwezenlijking van het gebouw
of het bouwwerk en degene die de lift in of aan het gebouw of bij het
bouwwerk installeert stellen elkaar in kennis van de nodige gegevens en
treffen passende maatregelen teneinde de goede werking van de lift te
waarborgen.
HOOFDSTUK III. KEURING EN CERTIFICERING
Artikel 8
1. Liften worden onderworpen aan een
overeenstemmingsbeoordelingsprocedure overeenkomstig dit artikel, zijn
voorzien van de in bijlage III van de richtlijn bedoelde CE-markering,
in voorkomend geval gevolgd door het identificatienummer van de
aangewezen aangemelde instelling, en gaan vergezeld van de in bijlage
II, onder B, van de richtlijn bedoelde EG-verklaring van
overeenstemming, die de in evengenoemde bijlage II, onder B, genoemde
gegevens bevat.
2. De in het eerste lid bedoelde CE-markering mag uitsluitend
worden aangebracht op:
a. liften die zijn ontworpen in overeenstemming met een lift of
model-lift waarvoor een certificaat van EG-typeonderzoek als bedoeld
in bijlage V, onder B, van de richtlijn is afgegeven, of in
overeenstemming met een lift waarvoor een kwaliteitsborgingssysteem is
gehanteerd dat voldoet aan de eisen genoemd in bijlage XIII van de
richtlijn, aangevuld met een controle van het ontwerp, wanneer dit
niet geheel voldoet aan de geharmoniseerde normen, bedoeld in artikel
6, eerste lid, en waarvoor tevens bij de bouw, installatie en keuring
een van de volgende procedures is gevolgd:
1° de procedure van de eindcontrole, bedoeld in bijlage VI van
de richtlijn, of
2° de procedure van het kwaliteitsborgingssysteem, bedoeld in
bijlage XII van de richtlijn, of
3° de procedure van het kwaliteitsborgingssysteem, bedoeld in
bijlage XIV van de richtlijn;
b. liften die de eenheidskeuring, bedoeld in bijlage X van de
richtlijn, hebben ondergaan;
c. liften waarvoor het kwaliteitsborgingssysteem is gehanteerd,
bedoeld in bijlage XIII van de richtlijn, aangevuld met een controle
van het ontwerp wanneer dit niet geheel voldoet aan de geharmoniseerde
normen, bedoeld in artikel 6, eerste lid.
3. In het technisch dossier van een modellift als bedoeld in het
tweede lid, onder a, moeten alle variaties tussen de modellift en
de daarvan af te leiden liften duidelijk met vermelding van de maximale
en minimale waarden worden aangegeven.
Artikel 9
1. Veiligheidscomponenten worden onderworpen aan een
overeenstemmingsbeoordelingsprocedure overeenkomstig het in dit
artikel bepaalde, zijn voorzien van de in bijlage III van de richtlijn
bedoelde CE-markering, in voorkomend geval gevolgd door het
identificatienummer van de aangewezen aangemelde instelling, en gaan
vergezeld van de in bijlage II, onder A, van de richtlijn bedoelde
EG-verklaring van overeenstemming, die de in evengenoemde bijlage II,
onder A, genoemde gegevens bevat.
2. De in het eerste lid bedoelde CE-markering mag uitsluitend
worden aangebracht op:
a. veiligheidscomponenten die zijn ontworpen in overeenstemming met
een model van een veiligheidscomponent waarvoor een certificaat van
EG-typeonderzoek als bedoeld in bijlage V, onder A, van de richtlijn
is afgegeven en waarvoor de procedure van produktiecontroles, bedoeld
in bijlage XI van de richtlijn, is gevolgd;
b. veiligheidscomponenten die zijn ontworpen in overeenstemming met
een model van een veiligheidscomponent waarvoor een certificaat van
EG-typeonderzoek als bedoeld in bijlage V, onder A, van de richtlijn
is afgegeven en waarvoor de procedure van het
kwaliteitsborgingssysteem, bedoeld in bijlage VIII van de richtlijn,
is gehanteerd;
c. veiligheidscomponenten waarvoor de procedure van volledige
kwaliteitsborging, bedoeld in bijlage IX van de richtlijn, is
gehanteerd.
Artikel 10
1. Degene die een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld
in artikel 9, eerste lid, afgeeft, bewaart een afschrift daarvan
gedurende tien jaar nadat de vervaardiging van de veiligheidscomponent
wordt stopgezet.
2. Degene die een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld
in artikel 8, eerste lid, afgeeft, bewaart een afschrift daarvan
gedurende tien jaar na het in de handel brengen van de lift.
3. Afschriften van de EG-verklaring van overeenstemming, alsmede
van de verslagen van de proeven in verband met de eindcontrole, bedoeld
in bijlage VI van de richtlijn, worden desgevraagd door de fabrikant aan
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de lid-staten of andere
aangewezen aangemelde instellingen ter beschikking gesteld.
Artikel 11
1. Van voorgenomen wijzigingen in een lift, het model van een
lift of het model van een veiligheidscomponent waarvoor een
certificaat van EG-typeonderzoek is afgegeven, wordt de aangewezen
aangemelde instelling die dit certificaat heeft afgegeven onverwijld
in kennis gesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde aangewezen aangemelde instelling
beoordeelt de wijzigingen en deelt mee of het certificaat van
EG-typeonderzoek voor de gewijzigde lift of het gewijzigde model geldig
is dan wel aanvullingen behoeft.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde aangewezen aangemelde
instelling van oordeel is dat de wijzigingen van invloed kunnen zijn op
de overeenstemming met de in bijlage I van de richtlijn opgenomen
essentiële veiligheids- en gezondheidseisen, wordt de gewijzigde lift
of het gewijzigde model aan het in bijlage V van de richtlijn bedoelde
EG-typeonderzoek onderworpen en wordt bij goedkeuring een aanvulling op
het oorspronkelijke certificaat afgegeven.
Artikel 12 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 13
De verplichtingen van de artikelen 8, 9 en 11 rusten tevens op degene
die voor eigen gebruik een lift of veiligheidscomponent bouwt.
Artikel 14
Liften en veiligheidscomponenten die zijn voorzien van de
CE-markering en vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming
worden vermoed te voldoen aan artikel 5, tweede, respectievelijk derde
lid.
Artikel 15
1. De CE-markering, in voorkomend geval gevolgd door het
identificatienummer van de aangewezen aangemelde instelling, en de
minimumaanwijzingen, plaat en instructies, bedoeld in punt 5 van
bijlage I van de richtlijn, worden duidelijk zichtbaar in iedere kooi
aangebracht.
2. De CE-markering, in voorkomend geval gevolgd door het
identificatienummer van de aangewezen aangemelde instelling, wordt op
elke veiligheidscomponent aangebracht. Indien dit niet mogelijk is,
wordt de CE-markering aangebracht op een etiket dat vast met de
veiligheidscomponent is verbonden.
3. Op liften en veiligheidscomponenten worden geen merktekens
aangebracht die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of
grafische vorm van de CE-markering. Andere merktekens mogen worden
aangebracht op voorwaarde dat de zichtbaarheid en leesbaarheid van de
CE-markering er niet door worden verminderd.
Artikel 16. Intrekking certificaat van EG-typeonderzoek
De aangewezen aangemelde instelling trekt een door haar afgegeven
certificaat van EG-typeonderzoek in, indien de essentiële veiligheids-
en gezondheidseisen van bijlage I van de richtlijn zodanig zijn
gewijzigd dat het model niet voldoet aan de gewijzigde eisen op het
tijdstip waarop deze volgens de richtlijn van toepassing zijn.
Artikel 17
1. Liften worden ten hoogste twaalf maanden na de eerste
ingebruikneming en vervolgens telkens na verloop van ten hoogste
achttien maanden door een aangewezen instelling gekeurd.
2. Liften als bedoeld in het eerste lid, die zullen worden
gebruikt tijdens de bouwfase van het gebouw of bouwwerk worden vóór de
eerste ingebruikneming en vervolgens telkens na verloop van ten hoogste
drie maanden door een aangewezen instelling gekeurd.
3. Bouwliften voor personenvervoer worden vóór de eerste
ingebruikneming op de plaats van gebruik door een aangewezen instelling
gekeurd. Bouwliften voor personenvervoer en transportsteigers worden ten
hoogste zes maanden na de eerste ingebruikneming en vervolgens telkens
na verloop van ten hoogste zes maanden, op de plaats van gebruik door
een aangewezen instelling gekeurd.
4. Liften, bouwliften voor personenvervoer en transportsteigers
worden vóór de ingebruikneming na elke herstelling of wijziging door
een aangewezen instelling gekeurd.
5. Bij de keuring vóór de eerste ingebruikneming, bedoeld in
het tweede lid, wordt gecontroleerd of de documenten van de
voorgeschreven procedures, bedoeld in artikel 8, aanwezig zijn en juist
zijn. Bij de keuring vóór de eerste ingebruikneming of de
ingebruikneming na herstelling of wijziging, bedoeld in het derde lid,
respectievelijk vierde lid, wordt getoetst of ten minste is voldaan aan
de voor het desbetreffende hefwerktuig geldende
vervaardigingsvoorschriften, bedoeld in de artikelen 5 en 6a.
6. Bij de vervolgkeuringen, bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid, wordt getoetst of nog ten minste is voldaan aan de voor het
desbetreffende hefwerktuig geldende vervaardigingsvoorschriften van de
artikelen 5 of 6a en, voor wat betreft liften als bedoeld in het
eerste lid, aan artikel 7.21, eerste lid, van het
Arbeidsomstandighedenbesluit.
7. Indien bij de keuring blijkt dat is voldaan aan de
toetsingsmaatstaven, bedoeld in het vijfde of zesde lid, wordt een
certificaat van goedkeuring afgegeven. Op dit certificaat wordt tevens
de herkeuringstermijn, genoemd in het eerste, tweede en derde lid,
aangegeven.
8. Als blijk van goedkeuring brengt de instelling, bedoeld in het
eerste tot en met vierde lid, op een duidelijk zichtbare plaats in de
kooi of op het hefwerktuig een kenmerk aan, waarop tevens de
herkeuringstermijn, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, wordt
aangegeven.
HOOFDSTUK IV. VERKEER EN GEBRUIK
Artikel 17a
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder lift mede verstaan:
bouwlift voor personenvervoer en transportsteiger. In afwijking van
artikel 18, eerste lid, gaat een transportsteiger vergezeld van een
onderhoudsboek als bedoeld in punt 4.4.2b van bijlage I van richtlijn
nr. 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998
inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten
betreffende machines (PbEG L 207).
Artikel 18
1. Een lift gaat vergezeld van een instructieboek en een
liftboek als bedoeld in punt 6.2 van bijlage I van de richtlijn. Deze
zijn gesteld in de Nederlandse taal.
2. Een veiligheidscomponent gaat vergezeld van een instructieboek
als bedoeld in punt 6.1 van bijlage I van de richtlijn.
3. Het certificaat van goedkeuring, bedoeld in artikel 17,
zevende lid en het liftboek, bedoeld in het eerste lid, of een afschrift
daarvan worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in
artikel 25 van de wet.
Artikel 18a
Een lift die niet geschikt is voor gebruik is op zodanige wijze
buiten gebruik gesteld, dat deze niet door een liftgebruiker weer in
gebruik te stellen is. Alle nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen
om de bescherming van personen te waarborgen.
Artikel 19
1. Degene die een lift voorhanden heeft, die in gebruik of voor
gebruik gereed is, of die een lift aflevert of tentoonstelt, zorgt
ervoor dat die lift en de daarop aangebrachte veiligheidscomponenten
in goede staat van onderhoud verkeren.
2. Degene die een lift voorhanden heeft of gebruikt zorgt ervoor
dat die lift en de daarop aangebrachte veiligheidscomponenten
overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover
de lift hetzij is afgekeurd hetzij is onklaar gemaakt hetzij anderszins
kennelijk niet meer voor gebruik is bestemd.
Artikel 19a
Degene die een lift zonder kooiafsluiting voorhanden heeft, welke
bestemd is voor het vervoer van goederen onder begeleiding van een
persoon, zorgt ervoor dat de lift slechts wordt bediend door mensen die
met die bediening vertrouwd zijn.
Artikel 19b
Degene die een lift bedient, bestuurt of belaadt, zorg ervoor dat:
a. de toelaatbare belasting en het aantal toe te laten mensen,
aangegeven op opschriften in de kooi, niet worden overschreden;
b. bij vervoer van goederen de belasting zo gelijkmatig mogelijk
over het vloeroppervlak van de kooi wordt verdeeld;
c. ingeval van liften zonder kooiafsluiting, wagens voor het
vervoer van goederen, benevens beweegbare onderdelen van die wagens,
in de kooi zijn vastgezet.
Artikel 20
1. Degene die een lift voorhanden heeft, zorgt ervoor dat:
a. in liftschachten geen leidingen of installaties worden
aangebracht die niet voor de werking of veiligheid van de lift zijn
vereist;
b. machinekamers, schijvenruimten en schachtputten niet worden
gebruikt als bergruimte van voorwerpen, welke niet tot de lift
behoren;
c. machinekamers, schijvenruimten en luiken, bestemd voor inspectie
en onderhoud, zijn afgesloten met slot en sleutel;
d. de onder c bedoelde sleutels zijn voorzien van aanduidingen en
op een uitsluitend voor bevoegden toegankelijke plaats worden bewaard;
e. nabij de tornmiddelen een aanwijzing is opgehangen, waarin is
aangegeven, op welke wijze de machine kan worden getornd.
2. Een bouwlift voor personenvervoer of een transportsteiger
wordt bediend door personen die met de bediening vertrouwd zijn.
Artikel 21
Degene die een lift voorhanden heeft, welke is voorzien van een merk
van afkeuring zorgt ervoor dat de schachtdeuren van de lift niet zonder
bijzondere hulpmiddelen kunnen worden geopend en op of nabij elke
schachtdeur van de lift duidelijk en opvallend een opschrift is
aangebracht waaruit blijkt dat de lift buiten dienst is gesteld.
Artikel 21a
Een transportsteiger wordt slechts gebruikt indien:
a. deze zodanig is opgesteld dat de afstand tussen de baan van
het hefvlak en enig deel van het gebouw, de installatie of
dergelijke niet minder dan 0,5 m bedraagt;
b. het aantal personen niet meer bedraagt dan voor het begeleiden
van de goederen noodzakelijk is met een maximum van drie personen;
c. de bedienende persoon tijdens het verplaatsen van het hefvlak
goed zicht heeft op alle personen die zich op het hefvlak bevinden.
Artikel 22
Artikel 4b, eerste tot en met derde lid, is niet van toepassing op
het tentoonstellen en demonstreren op (jaar-)beurzen, exposities en bij
demonstraties van liften of veiligheidscomponenten die niet in
overeenstemming zijn met dit besluit, mits op een zichtbaar bord
duidelijk is aangegeven dat zij niet in overeenstemming zijn met dit
besluit en niet te koop zijn voordat zij door de fabrikant of zijn in de
Europese Economische Ruimte gevestigde gemachtigde, in overeenstemming
zijn gebracht met dit besluit. Bij demonstraties worden alle nodige
veiligheidsmaatregelen genomen om de bescherming van de mens te
waarborgen.
HOOFDSTUK V. AANWIJZING INSTELLINGEN
Artikel 23. Criteria voor aanwijzing
1. Als aangewezen instelling of als aangewezen aangemelde
instelling kan worden aangewezen een instelling die:
a. rechtspersoonlijkheid heeft;
b. haar zetel of een vestiging in Nederland heeft;
c. onafhankelijk is van degenen die bij het resultaat van de
uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen belang hebben;
d. beschikt over voldoende deskundigheid en outillage om de
uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren te
kunnen vervullen;
e. beschikt over een behoorlijke administratie, waarin de gegevens
die samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van haar
taken, op een systematische wijze zijn vastgelegd. Aan de hand van
deze gegevens zijn de gekeurde liften, bouwliften voor personenvervoer
en transportsteigers alsmede de onderzochte kwaliteitssystemen
afdoende te identificeren;
f. naar behoren functioneert.
2. In aanvulling op het eerste lid komen voor een aanwijzing als
aangewezen aangemelde instelling slechts in aanmerking instellingen die
ten minste voldoen aan de in bijlage VII van de richtlijn neergelegde
voorwaarden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Artikel 24. Verstrekken gegevens
De instelling verstrekt jaarlijks aan Onze Minister een afschrift van
de polis van de afgesloten verzekering tegen wettelijke
aansprakelijkheid tegen alle risico's die voortvloeien uit de
uitoefening van de taken waarvoor zij is aangewezen.
Artikel 25. Wijziging, beëindiging werkzaamheden
1. Indien een wijziging plaatsvindt in de gegevens op grond
waarvan de instelling is aangewezen, doet de instelling hiervan
terstond mededeling aan Onze Minister.
2. Indien een instelling voornemens is een of meer van de taken
waarvoor zij is aangewezen, te beëindigen, doet de instelling hiervan
terstond mededeling aan Onze Minister en de certificaathouders. In dat
geval worden door de instelling de gegevens, bedoeld in artikel 23,
eerste lid, onder e, overgedragen aan Onze Minister dan wel, na
toestemming van Onze Minister en de certificaathouders, een andere
instelling die voor dezelfde taken is aangewezen.
Artikel 26. Aanvraag om aanwijzing
1. Een aanvraag om aanwijzing gaat vergezeld van het bewijs dat
is voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 23, eerste lid, dan wel
in geval van artikel 23, tweede lid, tevens van bewijs dat is voldaan
aan de voorwaarden, bedoeld in dat lid, dan wel van een verklaring
waaruit de bereidheid blijkt om voor eigen rekening een onderzoek naar
het voldoen aan deze criteria dan wel voorwaarden te ondergaan.
2. Een aanwijzing kan worden geweigerd dan wel worden gewijzigd
of ingetrokken indien niet of niet volledig is voldaan aan de bij de wet
of bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften. Een aanwijzing
kan worden ingetrokken indien de instelling gedurende een aaneengesloten
periode van twee jaar geen werkzaamheden, waarvoor zij is aangewezen,
heeft uitgevoerd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste en tweede lid.
HOOFDSTUK VI. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 27
Een wijziging van een van de bijlagen van de richtlijn waarnaar in
dit besluit wordt verwezen, treedt voor de toepassing van dit besluit en
de daarop gebaseerde bepalingen in werking met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
HOOFDSTUK VII. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 27a
Dit besluit is mede van toepassing op het voorhanden hebben en het
gebruiken van een lift in de particuliere huishouding.
Artikel 28
1. Dit besluit is niet van toepassing op veiligheidscomponenten
die zijn voorzien van het EEG-merkteken en vergezeld gaan van het
certificaat van overeenstemming, bedoeld in artikel 6 van de regeling
van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
16 juni 1987 ter uitvoering van de EEG-richtlijnen 84/528/EEG en
84/529/EEG (hef- en verladingsapparatuur; liften met elektrische
aandrijving) (Stcrt. 1987, 124) en voor 1 juli 1999 in de
handel zijn gebracht en in bedrijf zijn gesteld, voor zover zij niet
alsnog in overeenstemming zijn gebracht met artikel 5.
2. Met betrekking tot de veiligheidscomponenten, bedoeld in het
eerste lid, waarop dit besluit niet wordt toegepast en waarop krachtens
een of meer andere wettelijke regelingen de CE-markering wordt
aangebracht, worden op de bij die veiligheidscomponenten gevoegde
documenten, handleidingen of gebruiksaanwijzingen de in het Publicatieblad
van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte referenties van de aan
die wettelijke regelingen ten grondslag liggende richtlijnen vermeld.
Artikel 28a
1. De artikelen 5 en 8 zijn niet van toepassing op liften die
zijn vervaardigd in overeenstemming met de vervaardigingsvoorschriften,
bedoeld in artikel 28b en die voor 1 juli 1999 in de handel zijn
gebracht en in bedrijf zijn gesteld, voor zover zij niet alsnog in
overeenstemming zijn gebracht met artikel 5.
2. Met betrekking tot de liften, bedoeld in het eerste lid,
waarop de artikelen 5 en 8 niet worden toegepast en waarop krachtens een
of meer andere wettelijke regelingen de CE-markering wordt aangebracht,
worden op de bij die liften gevoegde documenten, handleidingen of
gebruiksaanwijzingen de in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen bekendgemaakte referenties van de aan die wettelijke
regelingen ten grondslag liggende richtlijnen vermeld.
Artikel 28b
De artikelen 5 en 8 zijn niet van toepassing op liften die tussen
16 augustus 1991 en 1 juli 1999 in bedrijf zijn gesteld en die
geheel voldoen aan hetgeen ten aanzien van de vervaardiging is bepaald
in de hoofdstukken 0 tot en met 16 en bijlage Z van NEN-EN 81-1, tweede
druk, uitgegeven in september 1986, zoals gewijzigd in december 1989, in
onderscheidenlijk NEN-EN 81-2, eerste druk, uitgegeven in mei 1989, met
dien verstande dat in plaats van punt 13.1.1.4 van die normen het
volgende geldt:
«De elektrische installatie van liften dient te voldoen aan de eisen
vermeld in de geharmoniseerde documenten van het Europees Comité voor
elektrotechnische normalisatie (CENELEC) welke zijn goedgekeurd door de
nationale comités voor de elektrotechniek van de landen van de Europese
Economische Gemeenschap».
Artikel 28c
1. De artikelen 5 en 8 zijn niet van toepassing ten aanzien van
liften die vóór 16 augustus 1991 in bedrijf zijn gesteld en die
a. geheel voldoen aan de hoofdstukken II tot en met X en XII van N
1081, uitgegeven in december 1950, dan wel
b. voldoen aan de hoofdstukken II tot en met X en XII van N 1081,
uitgegeven in december 1950, met uitzondering van de artikelen 5,
derde lid, 8, tweede lid, 12, vijfde lid, 13, tweede lid, eerste
volzin, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, tweede en derde lid, 19,
eerste lid, 20, derde lid, 21, laatste volzin, 22, tweede lid, 26,
derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 27, derde lid, 28, eerste
lid, onder a, en tweede lid, onder e, 32, 34, eerste
lid, onder c, en tweede lid, onder a en b, 41,
derde lid, onder b2, en vierde lid, 42, tweede lid, 43, eerste
lid, 48, derde lid, en 49, tweede en vierde lid, vanaf de tweede
volzin, mits zij voldoen aan de met de hiervoor genoemde bepalingen
van N 1081 overeenkomende bepalingen van NEN 1081, uitgegeven in
december 1971, zoals gewijzigd in februari 1989, met dien verstande
dat, indien de kooiafsluitingen van een lift mechanisch worden
aangedreven, de blokkeerinrichting in de kooi achterwege mag blijven,
dan wel
c. geheel voldoen aan de hoofdstukken II tot en met X en XII van
NEN 1081, uitgegeven in december 1971, zoals gewijzigd in februari
1989, dan wel
d. geheel voldoen aan de hoofdstukken 0 tot en met 16 van NEN-EN
81-1, eerste druk, uitgegeven in juni 1979.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en
c, moeten de daar bedoelde liften die in bedrijf zijn gesteld op of na
24 januari 1978 ten aanzien van kooitoegangen en de vloeroppervlakte van
de kooi voldoen aan hetgeen daaromtrent is bepaald in NEN-EN 81-1,
eerste druk, uitgegeven in juni 1979, met dien verstande dat voor liften
met hydraulische aandrijving in punt 8.2.1 van die norm, in noot c
onder tabel 1.1 in plaats van «0,16 m2», geldt:
0,50 m2.
Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet ten aanzien van liften
voor de levering waarvan opdracht is gegeven vóór 24 oktober 1978
en die voor eerste keuring zijn gereed gekomen vóór 24 juli 1979.
Artikel 28d
De artikelen 5 en 8 zijn niet van toepassing op liften die tussen
16 augustus 1991 en 1 juli 1997 in bedrijf zijn gesteld,
indien voor de levering daarvan opdracht is gegeven vóór
16 augustus 1991, mits zij voldoen aan artikel 28c, eerste lid,
onderdeel c en tevens aan het tweede lid van dat artikel, dan wel in het
geval van een lift met elektrische aandrijving aan artikel 28c, eerste
lid, onderdeel d.
Artikel 28e
Door de Arbeidsinspectie op grond van artikel 11 van de Wet op de
gevaarlijke werktuigen verleende ontheffingen van het Liftenbesluit I
ten aanzien van liften en bouwliften voor personenvervoer berusten na de
inwerkingtreding van dit besluit op artikel 16, tweede lid, van de wet.
Artikel 29
Dit besluit berust op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14,
16 en 32b, eerste lid, van de wet en de artikelen 2 en 120 van de
Woningwet.
Artikel 30 [Vervallen per 01-04-2006]
Artikel 31 [Vervallen per 01-04-2006]
Artikel 32 [Vervallen per 01-04-2006]
Artikel 33
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1997 met dien
verstande dat:
a. artikel 29, onderdeel A, in werking treedt met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit
besluit wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 1995,
b. artikel 29, onderdeel B, in werking treedt met ingang van 1
januari 1997.
Artikel 34
Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit liften.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 augustus 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de tiende september 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|