BESLUIT van 21 maart 2007 tot het stellen van
veiligheidsvoorschriften bij het tatoeëren en piercen (Warenwetbesluit
tatoeëren en piercen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
14 november 2006, kenmerk VGP/PSL 2728403, gedaan in overeenstemming met
Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Justitie;
Gelet op de artikelen 5, eerste lid, onderdeel a
en b, 14, 24, derde en vierde lid, 25, vierde lid, 32b,
eerste lid, en 33, eerste lid, onderdeel b, van de Warenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 4 januari
2007, nr. W13.06.0488/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 maart 2007, VGP/PSL 2756009,
uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken
en Onze Minister van Justitie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. tatoeëren: huidpenetrerende handeling waarmee een kleurstof of
pigment intradermaal wordt geïnjecteerd;
b. tatoeagemateriaal: waren die bestemd zijn of gebruikt worden
voor het tatoeëren;
c. piercing: de waar die bestemd is of gebruikt wordt om als
sieraad in een doorboring van de huid, slijmvliezen, kraakbeen of
spierweefsel te worden achtergelaten;
d. piercen: het doorboren van de huid, slijmvliezen, kraakbeen of
spierweefsel waardoor het mogelijk wordt in de doorboring een piercing
achter te laten;
e. piercingmateriaal: waren die bestemd zijn of gebruikt worden
voor het piercen;
f. veiligheidscode: een richtlijn voor het veilig gebruik van
tatoeage- en piercingmateriaal;
g. ondernemer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een
onderneming in stand houdt waarin tatoeage- of piercingmateriaal wordt
gebruikt.
2. Dit besluit is niet van toepassing indien tatoeagemateriaal
door een arts wordt gebruikt in een op grond van artikel 5 van de Wet
toelating zorginstellingen toegelaten instelling.
§ 2. Verbodsbepaling
Artikel 2
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften gesteld
bij of krachtens artikel 3, 6 en 9.
§ 3. Vergunning
Artikel 3
1. Een ondernemer beschikt over een vergunning van Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het gebruik van
tatoeage- en piercingmateriaal voor de ruimte waar het gebruik
plaatsvindt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op de ondernemer, die een onderneming in stand houdt waarin
uitsluitend piercingmateriaal wordt gebruikt om een oorlel te piercen;
b. op de ondernemer, die ter gelegenheid van een onderzoek dat
plaatsvindt in het kader van een vergunningaanvraag ten overstaan van
de met het toezicht op de naleving van dit besluit belaste ambtenaar,
tatoeage- of piercingmateriaal gebruikt.
Artikel 4
1. De vergunning, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt op
aanvraag verleend.
2. De aanvrager van de vergunning is een retributie verschuldigd
aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3. Een besluit tot verlening van een vergunning wordt niet
genomen voordat is onderzocht of er een gegronde reden bestaat om aan te
nemen dat die ondernemer voor de ruimte waarvoor de vergunning wordt
gevraagd, niet zal voldoen aan de voorschriften gesteld bij of krachtens
dit besluit, dan wel aan de voorschriften gesteld bij of krachtens
artikel 24 van de Warenwet.
4. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport weigert de
vergunning indien:
a. de ondernemer zijn medewerking weigert aan het onderzoek,
bedoeld in het derde lid, of
b. er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de ondernemer
voor de ruimte waarvoor de vergunning wordt gevraagd, niet zal voldoen
aan de voorschriften gesteld bij of krachtens dit besluit, dan wel aan
de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 24 van de Warenwet.
5. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt ter
uitvoering van het eerste tot en met derde lid nadere regels. Deze
regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de geldigheidsduur van de vergunning;
b. de hoogte van de retributies;
c. de wijze en de termijn waarop de vergunning wordt aangevraagd;
d. de inhoud van de aanvraag;
e. de intrekking van de vergunning;
f. de registratie van de vergunning;
g. de activiteiten waarvoor de vergunning wordt verleend.
Artikel 5
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan de
vergunning, bedoeld in artikel 3, eerste lid, intrekken indien een
voorschrift, gesteld bij of krachtens dit besluit, een voorschrift
verbonden aan de vergunning, dan wel artikel 24, eerste lid, van de
Warenwet is overtreden.
§ 4. Veilig tatoeëren en piercen
Artikel 6
1. Een ondernemer draagt er zorg voor dat:
a. het gebruik van tatoeage- en piercingmateriaal op zodanige wijze
geschiedt, dat daardoor geen gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of
de gezondheid van de mens;
b. het gebruik van tatoeage- en piercingmateriaal geschiedt in een
ruimte die in zodanige staat is en zodanig is ingericht, dat daardoor
geen gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van de
mens;
c. de personen die werkzaam zijn in de ruimte, bedoeld in onderdeel
b, een zeer goede persoonlijke hygiëne betrachten en waar nodig met
het oog op de veiligheid en gezondheid van de mens, beschermende
kleding dragen;
d. personen, als bedoeld in onderdeel c, tatoeage- en
piercingmateriaal niet gebruiken, indien daarbij ten gevolge van
verwondingen of huidziekten gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan;
e. de voorschriften worden nageleefd, die zijn gesteld bij of
krachtens artikel 24, derde lid, onderdeel b en c, van de Warenwet.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan met
betrekking tot het eerste lid nadere regels stellen.
Artikel 7
1. Een veiligheidscode kan slechts als zodanig worden gebruikt,
indien die veiligheidscode door Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport is aangewezen.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan een
veiligheidscode aanwijzen indien die code als leidraad kan dienen voor
de naleving van artikel 6.
Artikel 8
1. Een ondernemer wordt bij controle, dan wel ter gelegenheid
van het onderzoek dat plaatsvindt in het kader van de
vergunningaanvraag door een met het toezicht op de naleving van dit
besluit belaste ambtenaar, vóóraf door die ambtenaar in de
gelegenheid gesteld te kennen te geven of voor die ruimte gewerkt
wordt volgens een aangewezen veiligheidscode als bedoeld in artikel 7.
2. Een ondernemer die te kennen heeft gegeven te werken volgens
een aangewezen veiligheidscode:
a. voldoet aan de bij of krachtens artikel 6 gestelde voorschriften
indien hij heeft gehandeld volgens de voorschriften in die
veiligheidscode die daarop betrekking hebben;
b. dient, indien hij niet volgens de voorschriften in die
veiligheidscode blijkt te hebben gehandeld, alsnog ten overstaan van
de in het eerste lid bedoelde ambtenaar, aannemelijk te maken dat zijn
bedrijfsvoering en de door hem gehanteerde werkwijze voldoen aan de
bij of krachtens artikel 6 gestelde voorschriften.
3. Een ondernemer die te kennen heeft gegeven niet te werken
volgens een aangewezen veiligheidscode, dient ten overstaan van de in
het eerste lid bedoelde ambtenaar, aannemelijk te maken dat zijn
bedrijfsvoering en de door hem gehanteerde werkwijze voldoen aan de bij
of krachtens artikel 6 gestelde voorschriften.
§ 5. Overige bepalingen
Artikel 9
Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de schriftelijke informatie over de mogelijke gevolgen
verbonden aan het aanbrengen van een tatoeage of piercing;
b. het voorhanden zijn en bijhouden van documenten, die de
voorlichting over gevolgen, bedoeld in onderdeel a, en het toezicht
op de naleving van de regels gesteld bij of krachtens artikel 24 van
de Warenwet, kunnen bevorderen.
Artikel 10
Artikel 24, tweede lid, van de Warenwet is niet van toepassing:
a. bij het aanbrengen van een tepelpiercing bij meisjes;
b. bij het aanbrengen van een genitale piercing;
c. bij het aanbrengen van een tatoeage op hoofd, hals, polsen of
handen.
Artikel 11
[Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten.]
§ 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12
Artikel 3, eerste lid, is niet van toepassing:
a. gedurende de eerste twee maanden na inwerkingtreding van dit
besluit, indien de ruimte waar het tatoeage- en piercingmateriaal
worden gebruikt op het moment waarop dit besluit in werking treedt,
reeds voor dat doel in gebruik was; en
b. aansluitend aan de periode, bedoeld onder a, indien in die
periode ten aanzien van die ruimte een vergunning is aangevraagd,
tot het tijdstip waarop door Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport op de aanvraag voor een vergunning voor die ruimte
is beslist.
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit tatoeëren en
piercen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 maart 2007
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink
Uitgegeven de negenentwintigste maart 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin