| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Drinkwaterwet
REGELING
MATERIALEN EN CHEMICALIËN LEIDINGWATERVOORZIENING
Tekst zoals deze geldt op
30 juni 2011
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2011
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 december 2002, nr. BWL/2002095022,
houdende nadere regels met betrekking tot bij de leidingwatervoorziening
te gebruiken materialen en chemicaliën en de wijze waarop deze worden
toegepast
De
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op Richtlijn nr.
98/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 november 1998
betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG
L 330);
Gelet op Beschikking 2002/359/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei 2002 betreffende de
procedure voor de conformiteitsverklaring van de voor de bouw bestemde
producten die met voor menselijke consumptie bestemd water in contact
komen, overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van Richtlijn nr.
89/106/EEG van de Raad van de Europese Unie;
Gelet op de artikelen 4,
tweede en tiende lid, 15a, tweede lid, en 15e, vierde lid,
van de Waterleidingwet en artikel 17h van het
Waterleidingbesluit;
Gelet op artikel 3.107 van het Bouwbesluit
2003;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
besluit:
Waterleidingbesluit;
chemicaliën:
vaste en vloeibare stoffen of daaruit samengestelde producten, niet
zijnde bestrijdingsmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder f, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, die ten behoeve van de
leidingwatervoorziening in contact worden gebracht met te behandelen
water of leidingwater, dan wel daaraan worden toegevoegd met het doel
een kwaliteitsverandering van dat water te bewerkstelligen;
commissie:
commissie van deskundigen als bedoeld in artikel 17h, tweede lid,
van het besluit;
conversiefactor:
omrekenfactor voor de toetsing van de resultaten van de
migratietest als bedoeld in bijlage 3, onderdeel B;
drempeldosis:
toegediende of ingenomen hoeveelheid van een stof per eenheid
lichaamsmassa, uitgedrukt in mg/kg, waarbij geen nadelige gevolgen
voor de gezondheid optreden;
erkende certificeringsinstelling:
door de Raad voor Accreditatie erkende instelling die bevoegd is
tot afgifte van een kwaliteitsverklaring;
erkende kwaliteitsverklaring:
door de Minister overeenkomstig artikel 12 erkende
kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 17h, eerste lid, onder a,
van het besluit, of artikel 1.6 van het Bouwbesluit, bestaande uit een
schriftelijk bewijs, afgegeven door een erkende
certificeringsinstelling, waaruit blijkt dat materialen of
chemicaliën voldoen aan de op grond van deze regeling gestelde eisen;
Inspectierichtlijn 92-04:
Richtlijn voor de beoordeling uit een oogpunt van volksgezondheid
van de kwaliteit van materialen en chemicaliën voor de
drinkwatervoorziening van de Hoofdinspectie van de Volksgezondheid
voor de milieuhygiëne, publicatie 92-04;
leidingwatervoorziening:
de winning, de bereiding, de behandeling, de opslag, het transport
of de distributie van leidingwater;
materialen:
industrieel gevormde vaste stoffen of daaruit samengestelde
producten, niet zijnde chemicaliën, die gebruikt worden voor het
vervaardigen en verwerken van producten die in contact kunnen komen
met te behandelen water of leidingwater en daarbij kunnen worden
afgegeven aan dat water;
migratie:
verplaatsing van stoffen vanuit materialen naar te behandelen water
of leidingwater;
migratietest:
onderzoekmethode voor het afleiden van de migratielimiet, opgenomen
in bijlage 2;
Minister:
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
NOAEL (No Observed Adverse Effect Level):
in onderdeel A van bijlage 3 bedoelde hoogste blootstellingsniveau
van toxische stoffen, waarbij in proefdieren of bij mensen geen
nadelige, aan de blootstelling van deze stoffen toe te schrijven
gevolgen voor de gezondheid zijn waargenomen;
positieve lijsten:
overeenkomstig artikel 11 in bijlage A opgenomen lijsten die
kwaliteitseisen voor de daarin opgenomen stoffen bevatten;
product:
door de mens vervaardigd object in afgewerkte staat of een
bestanddeel daarvan, samengesteld uit materialen of chemicaliën, dat
in contact kan komen met te behandelen water of leidingwater;
smaakdrempel:
concentratie van een stof, waarbij geen verandering van de smaak
van leidingwater wordt waargenomen;
SML (specifieke migratielimiet):
ten hoogste toegestane gemiddelde concentratie van een stof in
leidingwater als bedoeld in bijlage 1;
stoffen:
stoffen en preparaten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
de Wet milieubeheer;
TDI (Tolerable Daily Intake):
toelaatbare dagelijkse dosis van een stof, afgeleid van het voor
die stof vastgestelde NOAEL.
Hoofdstuk 2. De commissie
Artikel 2
1. De commissie bestaat uit tenminste zeven leden en ten hoogste
elf leden, de voorzitter daaronder begrepen.
2. De leden van de commissie worden voor een periode van vier jaar
door de Minister benoemd. Deze periode kan ten hoogste twee maal met
eenzelfde periode worden verlengd.
3. In bijzondere gevallen kunnen de leden van de commissie door de
Minister in hun functie worden geschorst en uit hun functie worden
ontslagen.
Artikel 3
1. De commissie heeft een secretaris. Deze is belast met de
ondersteuning van de commissie en met het beheer van door de commissie
ten behoeve van de uitvoering van haar taken gevormde
gegevensbestanden.
2. De secretaris wordt voor een periode van vier jaar door de
Minister benoemd. Deze periode kan telkens met een periode van vier
jaar worden verlengd.
3. In bijzondere gevallen kan de secretaris door de Minister in
zijn functie worden geschorst en uit zijn functie worden ontslagen.
Artikel 4
1. De commissie is belast met het adviseren van de Minister
omtrent:
a. met het oog op de bescherming van de gezondheid te stellen
eisen aan bij de leidingwatervoorziening te gebruiken materialen
en chemicaliën,
b. het onderzoek en de beoordeling van materialen en
chemicaliën overeenkomstig hoofdstuk 3,
c. de afgifte van erkende kwaliteitsverklaringen overeenkomstig
hoofdstuk 4,
d. de gevallen, bedoeld in de artikelen 10 en 18, derde lid.
2. Voorts is de commissie belast met:
a. het overeenkomstig de richtlijnen, bedoeld in artikel 5,
tweede lid, onderzoeken en beoordelen van mogelijke nadelige
gevolgen voor de gezondheid van materialen of chemicaliën
voorzover daarvoor geen onderzoeksmethode en beoordelingsmethode
zijn opgenomen in de bijlagen dan wel van toepassing zijn op grond
van artikel 19, derde lid;
b. het overeenkomstig de bedoelde richtlijnen beoordelen van de
mate waarin een kwaliteitsverklaring op grond van artikel 16 als
gelijkwaardig aan een erkende kwaliteitsverklaring kan worden
beschouwd;
c. het beheer van positieve lijsten.
3. Bij de uitvoering van de in het eerste en tweede lid genoemde
taken kan de commissie zich laten bijstaan door een subcommissie. De
benoeming en het ontslag van de leden van een subcommissie worden
geregeld in het reglement, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
Artikel 5
1. De commissie stelt bij reglement haar werkwijze vast en de
werkwijze van een subcommissie als bedoeld in artikel 4, derde lid. De
commissie stelt daarbij regels vast met betrekking tot de vergoeding
van gemaakte kosten. Het Vacatiegeldenbesluit 1988 is van toepassing.
2. De commissie stelt bij het in het eerste lid bedoelde reglement
tevens de werkwijze en richtlijnen vast die zij hanteert bij het
onderzoek en de beoordeling, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a
en b.
3. De vaststelling van het reglement of een wijziging daarvan
behoeft de instemming van de Minister. Na vaststelling of wijziging
wordt het reglement bekendgemaakt in de Staatscourant.
Hoofdstuk 3. Onderzoek en eisen aan materialen en chemicaliën
Artikel 6
1. Materialen en chemicaliën voldoen aan de in de artikelen 7 tot
en met 9 bedoelde eisen. Met het oog daarop worden materialen en
chemicaliën alsmede de stoffen waaruit deze zijn samengesteld, dan
wel die worden gebruikt in het productieproces ervan, op de in die
artikelen aangegeven wijze onderzocht en beoordeeld op mogelijke
nadelige gevolgen voor de gezondheid.
2. Indien overeenkomstig een onderzoek en beoordeling als bedoeld
in het eerste lid voor een stof een SML dan wel een maximaal
restgehalte in het product is vastgesteld en de stof bij de
leidingwatervoorziening in contact kan komen met te behandelen water
of leidingwater, wordt de migratie van de stof of het restgehalte
hiervan in het product bepaald overeenkomstig de in bijlage 2 bedoelde
methoden, waarbij wordt voldaan aan de in de artikelen 7 tot en met 9
bedoelde eisen.
3. Het onderzoek van een stof, bedoeld in het eerste lid, tweede
volzin, is niet vereist voorzover een stof is opgenomen in een
positieve lijst.
Artikel 7
1. Voor de stoffen waaruit materialen of chemicaliën zijn
samengesteld, dan wel die zijn gebruikt in het productieproces ervan,
gelden de volgende eisen:
a. de stoffen dragen tot maximaal 10% van de parameterwaarden,
opgenomen in tabel II van bijlage A, behorend bij het besluit, bij
aan de concentratie van die stoffen in leidingwater of het te
behandelen water, met uitzondering van acrylamide, vinylchloride
en epichloorhydrine, en
b. indien de waarde voor de smaakdrempel van een stof als
bedoeld onder a lager is dan de waarde vastgesteld volgens het
tweede of derde lid, geldt voor de migratielimiet de waarde voor
de smaakdrempel, bedoeld in onderdeel A van bijlage 2.
2. Voor stoffen als bedoeld in het eerste lid met een drempeldosis
wordt uit de gegevens, genoemd in bijlage 4, een
NOAEL-onzekerheidsfactorbenadering toegepast, waarmee de TDI en de
migratielimiet worden vastgesteld op de wijze, bedoeld in onderdeel A
van bijlage 3. Voor deze stoffen geldt tevens de eis, naast de in het
eerste lid bedoelde eisen, dat de bijdrage die leidingwater levert aan
de inname van deze stoffen niet meer bedraagt dan 10% van de TDI, bij
een consumptie van twee liter leidingwater per dag.
3. Voor stoffen zonder drempeldosis geldt, naast de in het eerste
lid bedoelde eisen, tevens de eis dat, indien het gebruik van die
stoffen niet vermeden kan worden, de migratie uit het product onder
redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden kleiner is dan 0,1
µg/l.
Artikel 8
1. Voor materialen gelden de volgende eisen:
a. de verwachte concentratie van de op grond van artikel 7
onderzochte stoffen in leidingwater, bepaald met de migratietest,
na omrekening als bedoeld in onderdeel B van bijlage 3, is kleiner
dan de migratielimiet,
b. de totale migratie van bestanddelen, bepaald met de
migratietest, na omrekening als bedoeld in onderdeel B van bijlage
3, bedraagt ten hoogste 3 mg/l,
c. het maximaal toegelaten restgehalte van een stof in het
materiaal, voor zover van toepassing, is kleiner dan de aangegeven
limiet, en
d. de migratie neemt gedurende de migratietest niet toe.
2. Voor materialen die worden gebruikt bij het vervaardigen en
verwerken van producten met een klein contactoppervlak, voor zover
deze producten zijn genoemd in bijlage 5, gelden in afwijking van
artikel 7 en het eerste lid de in die bijlage bedoelde eisen.
Artikel 9
Voor chemicaliën geldt de eis dat de ten hoogste toelaatbare
gehaltes aan verontreinigingen bij een maximale dosering kleiner zijn
dan de limieten, bedoeld in de artikelen 7 en 8, eerste lid.
Artikel 10
Het onderzoek en de beoordeling, bedoeld in de artikelen 6 tot en met
9, worden uitgevoerd volgens de laatste stand van de wetenschap en
techniek. De Minister kan nadere aanwijzingen geven.
Artikel 11
1. Stoffen waarvan na het onderzoek en de beoordeling, bedoeld in
de artikelen 6 tot en met 9, wordt vastgesteld dat deze voldoen aan de
in die artikelen bedoelde eisen, worden opgenomen in de positieve
lijsten. Voorzover bedoeld onderzoek en beoordeling heeft plaatsgehad
op grond van een aanvraag tot afgifte van een erkende
kwaliteitsverklaring wordt een stof niet, dan met toestemming van de
aanvrager, opgenomen in de positieve lijsten.
2. De positieve lijsten worden jaarlijks herzien.
Hoofdstuk 4. Erkende kwaliteitsverklaring
Artikel 12
De Minister kan een door een erkende certificeringsinstelling af te
geven kwaliteitsverklaring op verzoek van die instelling erkennen,
indien die kwaliteitsverklaring en de daarop betrekking hebbende
procedures zijn gebaseerd op:
a. een keuring van het prototype van een product overeenkomstig
hoofdstuk 3 door, of onder verantwoordelijkheid van, de
certificeringsinstelling,
b. een op het product en het productieproces van toepassing zijnd
intern kwaliteitsbewakingsschema als bedoeld artikel 14, eerste lid,
onder a,
c. controle-onderzoek van het product ter vaststelling van de
uniformiteit van product en prototype door, of onder
verantwoordelijkheid van, de certificeringsinstelling, op basis van
steekproeven genomen in de fabriek, op de markt of op de plaats van
toepassing, en
d. een bij de aanvraag over te leggen en door de
certificeringsinstelling toe te passen certificeringsreglement, dat
voldoet aan deze regeling.
Artikel 13
1. Bij de aanvraag van een erkende kwaliteitsverklaring worden
tenminste de gegevens, bedoeld in bijlage 4, door de aanvrager
overgelegd in een door de erkende certificeringsinstelling gewenste
vorm.
2. De certificeringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, zendt
terstond na ontvangst van de aanvraag een afschrift daarvan en van de
in dat lid bedoelde gegevens aan de commissie.
3. De bij een aanvraag van een erkende kwaliteitsverklaring
overgelegde productgegevens worden, voor zover het betreft door de
aanvrager aangeduide, concurrentiegevoelige gegevens, vertrouwelijk
behandeld.
Artikel 14
1. Ter verkrijging van een erkende kwaliteitsverklaring en
onverminderd de eisen bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9 geldt
voor de producent de eis dat deze beschikt over een kwaliteitssysteem.
Dit omvat ten minste:
a. een intern kwaliteitsbewakingsschema met een beschrijving
van de tot het kwaliteitssysteem behorende keuringen, en
b. de procedures die voor de afgifte van een erkende
kwaliteitsverklaring van belang kunnen zijn. Daartoe behoren in
elk geval de maatregelen die worden genomen bij gesignaleerde
tekortkomingen en de behandeling van klachten over geleverde
producten.
2. In het kwaliteitsbewakingsschema, bedoeld in het eerste lid,
onder a, worden in elk geval de volgende onderdelen opgenomen:
a. de toegeleverde grondstoffen of de samenstellende
materialen,
b. het productieproces,
c. de eindproducten,
d. de status van meet- en beproevingsmiddelen, en
e. het intern transport, de opslag en de identificatie of
merktekens van de half- en eindproducten.
3. Met betrekking tot de in het tweede lid genoemde onderdelen a
tot en met e legt de aanvrager van een erkende kwaliteitsverklaring
schriftelijk vast:
a. de te controleren aspecten van het productieproces, waartoe
ten minste behoren de zuiverheid van de te gebruiken grond- en
hulpstoffen, de temperatuur, menging en applicaties tijdens de
productie, de wanddikte en diameter van buizen, het ijken van
meetapparaten, de wijze van afdichting van buizen tijdens
transport,
b. de gebruikte controlemethoden, en
c. de controlefrequenties en de wijze waarop de
controleresultaten worden geregistreerd en bewaard.
4. Het kwaliteitsbewakingsschema en de van belang zijnde procedures
worden vastgelegd in een bijlage behorend bij de erkende
kwaliteitsverklaring.
5. Voor zover het ter waarborging van de vervaardiging van
materialen of chemicaliën van constante kwaliteit noodzakelijk is om
eisen te stellen aan het productieproces worden deze eisen opgenomen
in een bijlage bij de erkende kwaliteitsverklaring.
6. Voor zover het voor een juiste verwerking van materialen of
chemicaliën van belang is eisen te stellen aan de wijze van
verwerking of aan daarvoor door de aanvrager van een erkende
kwaliteitsverklaring gestelde richtlijnen, waarbij in het bijzonder
wordt gelet op de uitvoerbaarheid daarvan, worden daartoe strekkende
eisen opgenomen in een bijlage bij die kwaliteitsverklaring.
7. In een bijlage bij de erkende kwaliteitsverklaring wordt tevens
vastgelegd op welke wijze een certificeringsinstelling overeenkomstig
het door deze toegepaste certificeringsreglement een periodieke
controle van het productieproces en het kwaliteitssysteem van de
producent kan uitvoeren. De producent is gehouden tot medewerking aan
deze controle.
Artikel 15
1. Een erkende kwaliteitsverklaring wordt afgegeven indien wordt
voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9, 13, eerste lid, en 14.
2. Een certificeringsinstelling stelt de commissie terstond in
kennis van de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring dan wel van
een weigering daartoe, met een beschrijving van de gevolgde procedure
en de resultaten.
Artikel 16
Een kwaliteitsverklaring afgegeven door een onafhankelijke
certificeringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of
in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, is gelijkwaardig aan een erkende
kwaliteitsverklaring, voorzover naar het oordeel van de commissie uit
eerstgenoemde kwaliteitsverklaring blijkt dat voldaan wordt aan
tenminste gelijkwaardige eisen als bedoeld in deze regeling.
Artikel 17
De Minister kan in de Staatscourant kennis geven dat voor daarbij
genoemde materialen of chemicaliën een erkende kwaliteitsverklaring dan
wel een daaraan gelijkwaardige kwaliteitsverklaring als bedoeld in
artikel 16 is afgegeven.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18
1. De artikelen 6 tot en met 9 blijven buiten toepassing ten
aanzien van materialen voorzover deze zijn toegepast in op het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling bestaande
woninginstallaties, bestaande collectieve leidingnetten en bestaande
installaties en leidingnetten van collectieve watervoorzieningen en
waterleidingbedrijven.
2. Ten aanzien van materialen of chemicaliën waarvoor op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling nog geen
onderzoeksmethode en beoordelingsmethode zijn vastgesteld in deze
regeling, noch onderzoeksmethoden en beoordelingsmethoden als bedoeld
in artikel 19, derde lid, van toepassing zijn, blijven de artikelen 6
tot en met 9 buiten toepassing gedurende twee jaar na het tijdstip
waarop voor die materialen of chemicaliën methoden als bedoeld zijn
vastgesteld in deze regeling.
3. In het geval en gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid,
kan de Minister beperkingen stellen aan de toepassing van de in dat
lid bedoelde materialen of chemicaliën bij de
leidingwatervoorziening, indien die toepassing naar zijn oordeel
nadelige gevolgen voor de gezondheid kan hebben.
Artikel 19
1. Indien voor materialen of chemicaliën voor het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze regeling een Kiwa-ATA certificaat of een
daaraan gelijkwaardig certificaat is afgegeven wordt dat certificaat
voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als een erkende
kwaliteitsverklaring.
2. Voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling
opgestelde positieve lijsten in de zin van de Inspectierichtlijn 92-04
worden voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als positieve
lijsten, totdat en voorzover positieve lijsten zijn vastgesteld
overeenkomstig artikel 11.
3. Het gebruik van op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
regeling bestaande en overeenkomstig de Inspectierichtlijn 92-04
toegepaste onderzoeksmethoden en beoordelingsmethoden wordt na dat
tijdstip voortgezet, totdat en voorzover onderzoeksmethoden en
beoordelingsmethoden als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 zijn
vastgesteld in deze regeling.
Artikel 20
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling materialen en
chemicaliën leidingwatervoorziening.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 7 december 2002.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel.
Bijlagen behorend bij de Regeling materialen en chemicaliën
leidingwatervoorziening
Bijlage 1, behorend bij artikel 11 (positieve lijsten)
Bijlage 2, behorend bij de artikelen 6 tot en met 9
(onderzoeksmethoden)
Bijlage 3, behorend bij de artikelen 6 tot en met 10
(beoordelingsmethoden)
Bijlage 4, behorend bij artikel 13 (gegevens die verstrekt moeten
worden bij de aanvraag van een erkende kwaliteitsverklaring)
Bijlage 5, behorend bij artikel 8, tweede lid (lijst van producten
met een klein contactoppervlak en daaraan gestelde eisen)
Bijlage 1
Positieve lijsten
De lijsten in deel B van de Inspectierichtlijn 92-04, pagina's 40 tot
en met 88, opgenomen lijsten worden aangemerkt als positieve lijsten.
Bijlage 2
Onderzoeksmethoden
A. Migratietest voor organische, fabrieksmatig geproduceerde
producten
Overeenkomstig artikel 19, derde lid, is de CEN-norm prEN 12873/1
van toepassing.
B. Migratietest voor `site-applied materials'
Overeenkomstig artikel 19, derde lid, is de CEN-norm prEN 12873/2
van toepassing.
C. Migratietest voor membranen
1. Achtergrond
De voorbehandeling van de proefstukken in de
standaardmigratieproef en de conversiefactoren voor de
berekening bleken bij de behandeling van aanvragen voor het
productcertificaat Attest Toxicologische Aspecten (ATA) in het
midden van de jaren `90 niet geschikt voor de beoordeling van
membranen op hun toxicologische eigenschappen conform de
Inspectierichtlijn 92-04. In het belang van de watersector en de
producenten van membraansystemen is de standaardmigratieproef
aangepast en is een nieuwe conversiefactor opgesteld, om te
beschikken over een operationele beoordelingsmethode voor
membranen. Deze beoordelingsmethode voor membranen is door de
Commissie Gezondheidsaspecten Chemicaliën en Materialen
Drinkwatervoorziening (CGCMD) in haar overleg van 29 mei 1997
geaccordeerd.
2. Voorbehandeling van de membranen
De voorbehandeling betreft complete membranen. De membranen
worden hiervoor in een testopstelling geplaatst waarin de
procescondities kunnen worden gesimuleerd, zoals die in de
praktijk in een membraanfiltratie-installatie voorkomen. De
voorbehandeling vindt plaats aan de hand van de instructies van
de producent (of leverancier) voor het in gebruik nemen van
membranen in een membraanfiltratie-installatie. In verband met
de benodigde grote hoeveelheid water wordt de voorbehandeling
uitgevoerd met Milli-Q water.
3. De migratietest voor membranen
Met uitzondering van de voorbehandeling van de membranen
wordt verder de standaardmigratieproef gevolgd. Dit betekent dat
alle relevante onderdelen van het membraan aan extractiewater
worden blootgesteld gedurende drie opeenvolgende periodes van 72
uur bij 23°C. Dit blootstellen aan extractiewater start direct
na de voorbehandeling van de membranen en de demontage van de
onderdelen.
4. De conversiefactoren voor de berekening
Een conversiefactor (factor f uitgedrukt in dm-1) is een
omrekenfactor voor toetsing van de onderzoekresultaten
(migratiewaarde M uitgedrukt in mg/dm² per dag) aan de
migratielimiet (uitgedrukt in mg/l). In de Inspectierichtlijn
92-04 is de omrekenfactor samengesteld uit een factor f1 voor de
oppervlakte-volumeverhouding en een correctiefactor f2 voor de
afname van de migratie na langere tijd. De factor f1 bedraagt
voor leidingen 3 en voor tanks en reservoirs 0,1. Indien in de
migratieproef een afname van de migratie in de tijd wordt
vastgesteld geldt bovendien een factor f2 die 0,1 bedraagt.
In het algemeen zijn membranen in een
membraanfiltratie-installatie in serie in een element geplaatst
en zijn deze elementen in serie of parallel geschakeld. Gevolg
hiervan kan zijn dat de druk over het membraan per membraan
significant kan verschillen, en daarmee de contacttijd. Om deze
reden is een conversiefactor opgesteld op basis van het
oppervlak van de relevante onderdelen van het membraan en de
flux door het betreffende membraan (uitgedrukt in l/m²•h)
middels de volgende formule:
fmembranen = (24/72 × 100 × S1) / (F × S2 × 24)
In deze formule staat:
S1 = het oppervlak (in m²) van het geteste membraanonderdeel
S2 = het oppervlak (in m²) van het membraan
F = de flux door het betreffende membraan (in l/m²•h)
De conversiefactor voor membranen, fmembranen, die met de
bovenstaande formule wordt berekend, mag eveneens met de
correctiefactor f2 van 0,1 worden gecorrigeerd indien een afname
van de migratie in de tijd wordt vastgesteld.
D. Migratietest voor ionenwisselaars
E. Migratietest voor metalen
F. Migratietest voor cementproducten
G. Migratietest voor het verkrijgen van testwater voor de
organoleptische test
H. Meetmethode voor organoleptische aspecten
I. Meetmethode voor het vaststellen van nagroei (microbiologische
test)
J. Meetmethode voor het vaststellen van de specifieke en totale
migratie
K. Meetmethode voor het vaststellen van de zuiverheid van
chemicaliën
Bijlage 3
Beoordelingsmethoden:
A. Afleiding NOAEL, MTC en TDI en SML
Overeenkomstig artikel 19, derde lid, is Hoofdstuk 2, Grondslagen
voor de beoordeling van chemicaliën en materialen voor de
drinkwatervoorziening (pagina's 11 tot en met 13) van de
Inspectierichtlijn 92-04 van toepassing.
B. Bepaling van de verwachte concentratie in leidingwater met
behulp van conversiefactoren
Overeenkomstig artikel 19, derde lid, is bijlage 5.4 van de
Inspectierichtlijn 92-04 (Grenswaarden, migratie-eisen en
omrekenfactoren voor toelating van materialen (pagina's 26 tot en
met 38)) van toepassing.
C. Risicobeoordeling
Bijlage 4
Gegevens die verstrekt moeten worden bij de aanvraag voor een erkende
kwaliteitsverklaring
Bij een aanvraag te verstrekken productspecificatie:
1. Algemene gegevens met betrekking tot:
Het product:
-
De handelsna(a)m(en)
-
Het toepassingsgebied
-
De chemische naam
-
De bruto- en structuurformule
-
De zuiverheid (een kwalitatieve en kwantitatieve opgave van
de verontreinigingen)
-
De fysische eigenschappen, zoals: smeltpunt (traject),
kookpunt (traject), vluchtigheid, oplosbaarheid, troebelheid
(helderheid), kleur, etc.
-
De chemische eigenschappen, zoals stabiliteit en
reactiviteit
-
Een korte beschrijving van het fabricageproces met een
volledige kwantitatieve opgave van alle tijdens de fabricage
toegepaste grond- en hulpstoffen
-
Gegevens over stoffen die mogelijkerwijs kunnen ontstaan
tijdens de vervaardiging (fabricage), de verwerking en de
toepassing van het product
Grond- en hulpstoffen:
-
De handelsna(a)m(en)
-
De fabrikant en de leverancier
-
De chemische naam
-
De bruto- en structuurformule
-
Het CAS-nummer (indien beschikbaar)
-
De analysemethode(n)
-
De zuiverheid (een kwalitatieve en kwantitatieve opgave van
de verontreinigingen)
2. Bijzondere gegevens
Voor materialen die met leidingwater in contact komen, gegevens
omtrent de aard en de hoeveelheid van de stoffen welke uit het
eindproduct in het leidingwater kunnen migreren, in het bijzonder
van stoffen waarvoor in de van toepassing zijnde positieve lijsten
migratielimieten zijn gesteld. Het migratieonderzoek dient
uitgevoerd te zijn overeenkomstig deze regeling, evenals de
analyses.
Voor chemicaliën die bij de drinkwatervoorziening worden
toegepast:
-
De maximale dosering
-
Het gedrag in water (mogelijke vorming van
ontledingsproducten, reactie met reeds aanwezige stoffen)
-
Het restgehalte dat maximaal in het leidingwater kan
voorkomen.
Bij een aanvraag te verstrekken toxiciteitgegevens ten behoeve van de
toxicologische beoordeling:
1. Materialen
Grond- en hulpstoffen die bij de vervaardiging van materialen
gebruikt worden en niet op de van toepassing zijnde positieve lijsten
voorkomen worden op hun toxiciteit beoordeeld. De benodigde
toxiciteitgegevens dienen door de aanvrager te worden verstrekt.
Het onderzoek dient overeenkomstig deze regeling te worden
uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde regels, bijvoorbeeld
OECD-methoden, en overeenkomstig de beginselen van `Good Laboratory
Practice' (GLP). De onderzoekrapporten dienen overeenkomstig de GLP
overzichtelijk gerangschikte, gedetailleerde resultaten te bevatten,
die zijn gedateerd en zijn ondertekend door de verantwoordelijke
onderzoekers.
Ten minste dienen gegevens overlegd te worden ter zake van:
• Acute toxiciteit:
De orale LD50 dient te worden bepaald bij de rat en de hierbij
waargenomen effecten dienen te worden vermeld.
• Semi-chronische toxiciteit.
De stof wordt hierbij dagelijks toegediend aan ratten (ten
minste 3 doseringsgroepen en 1 controlegroep) gedurende een
periode van 90 dagen. Dit onderzoek geeft in het algemeen een goed
beeld van de aard en de mate van orale toxiciteit bij herhaalde
toediening en kan de basis vormen voor het bepalen van de `no-effect-level'.
In bepaalde gevallen (klein contactoppervlak, geringe migratie,
chemische verwantschap met verbindingen met een geringe
toxiciteit) kan worden volstaan met een beperkt onderzoek
(minimaal een vierweeks oraal onderzoek).
• Genotoxiteit
Vergelijkbaar aan de eisen, die voor verpakkingsmaterialen in
contact met levensmiddelen gelden, dienen drie testen naar
genotoxiciteit te worden uitgevoerd, te weten:
-
- één test voor de detectie van genmutaties bij
bacteriën (Bacterial Reverse Mutation test). Hiervoor komt de
Amestest met de Salmonella stammen TA 1535, TA 1537, TA 98 en
TA 100 het meest in aanmerking. Voor bepaalde klassen van
stoffen kunnen ook E.coli stammen worden gebruikt. De testen
dienen met en zonder metabole activering te worden uitgevoerd;
-
- twee testen in een eukaryotisch systeem: één test voor
detectie van genmutaties en één test voor de detectie van
structurele chromosoomafwijkingen.
-
Bij de in vitro test naar genmutaties in zoogdiercellen
verdient de `Mouse lymphoma TK test' de voorkeur.
Indien de resultaten van bovenomschreven onderzoekingen of de
chemische structuur van de stof daartoe aanleiding geven, kan
nader toxicologisch onderzoek worden geëist, zoals een langdurig
toxiciteits- of carcinogeniteitsonderzoek, een onderzoek naar de
huidirriterende of sensibiliserende werking van een stof of een
onderzoek naar de teratogene werking en de effecten op
reproductie.
Een wijdverbreide toepassing en/of een hoge, niet afnemende
migratie kan eveneens uitvoerig onderzoek noodzakelijk maken.
In bepaalde gevallen (verdachte structuur, groot
contactoppervlak, duidelijke migratie) kan informatie omtrent de
toxiciteit van ontledingsproducten noodzakelijk zijn.
2. Chemicaliën (minimum eisenpakket)
Gezien de aard van de toepassing direct aan het water dient met een
langdurige blootstelling aan de toegepaste chemicaliën en de daarin
aanwezige verontreinigingen rekening te worden gehouden. Voor de
beoordeling van het toxicologische risico is derhalve in principe een
uitgebreid onderzoekprogramma, zoals onder andere voor
voedseladditieven, op zijn plaats.
Naast de voor materialen vastgestelde minimumeisen is chronisch
onderzoek (carcinogeniteit/toxiciteit), reproductie- en
teratogeniteitstesten, alsmede onderzoek naar farmacokinetiek en
biotransformatie aangewezen. Dit pakket aan toxiciteitsgegevens komt
overeen met het pakket aan gegevens dat in het kader van de titel 9.2
van de Wet milieubeheer voor chemicaliën waarvan meer dan 1000 ton
per jaar wordt geproduceerd, moet worden overgelegd.
Indien de aard van de toepassing in de drinkwatervoorziening of het
doseringsniveau een zodanig lage concentratie van de chemicaliën en
de aanwezige verontreinigingen in het leidingwater veroorzaakt dat een
laag risico bestaat, kan eventueel in bepaalde gevallen evaluatie
plaatsvinden op basis van een beperkter pakket van onderzoek.
Voor de beoordeling van desinfectantia geldt dat hiervoor een
toelating door het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen
(CTB) op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is vereist.
Bijlage 5
Lijst van producten met een klein contactoppervlak en daaraan
gestelde eisen.
A. Lijst van producten
B. Eisen gesteld aan deze producten
|
|
|