|
BESLUIT van 29 november 2007, houdende regels met
betrekking tot de waterschappen (Waterschapsbesluit)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 15
augustus 2007, nr. HDJZ/I&O/2007-904, Hoofddirectie Juridische
Zaken;
Gelet op de artikelen 18, vierde lid, 19,
tweede en derde lid, 20, tweede en vierde lid, 21, eerste en vijfde lid,
24, tweede en derde lid, 25, 29, eerste lid, 32a, 44, eerste lid,
49, eerste en tweede lid, 98a, eerste en tweede lid, 109, zesde
lid, 120, vierde lid, 122g, 122k, tweede lid, en 126a
van de Waterschapswet;
De Raad van State gehoord (advies van 8 oktober
2007, nr. W09.07.0306/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2007, nr.
HDJZ/WAT/2007-1514, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
wet: Waterschapswet.
Hoofdstuk 2. De verkiezing van leden van het algemeen bestuur
§ 1. Het stembureau
Artikel 2.1
1.Het stembureau is gevestigd in de plaats van vestiging van het
waterschap.
2.Het dagelijks bestuur stelt de vergoeding vast van de leden van
stembureau, niet zijnde leden van het dagelijks bestuur of medewerkers
van het waterschap.
3.Het tijdstip en de plaats van de openbare zittingen van het stembureau
worden tijdig door de voorzitter van het stembureau ter openbare kennis
gebracht.
Artikel 2.2
1.Gedurende een zitting van het stembureau zijn steeds de voorzitter en
tenminste twee leden van het stembureau aanwezig.
2.Bij ontstentenis van de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter
treedt het oudste lid naar benoeming als voorzitter op, dan wel, indien
verscheidene leden even oud naar benoeming zijn, het oudste lid.
3.Bij ontstentenis van een lid treedt een plaatsvervangend lid op. De
leden die verhinderd zijn een zitting bij te wonen, geven hiervan
onverwijld kennis aan de voorzitter. Deze zorgt voor de oproeping van de
plaatsvervangende leden.
4.Van de wisselingen in de samenstelling van het stembureau wordt in het
proces-verbaal aantekening gehouden met opgave van de tijd van de
vervanging.
5.De voorzitter is belast met de handhaving van de orde tijdens de
zitting.
Artikel 2.3
Het stembureau neemt zijn beslissingen bij meerderheid van stemmen.
Indien bij het nemen van een beslissing door het stembureau de stemmen
staken, beslist de stem van de voorzitter.
Artikel 2.4
De leden van het stembureau geven tijdens de uitoefening van hun functie
geen blijk van hun gezindheid ten aanzien van de aan de verkiezing
deelnemende belangengroeperingen.
Artikel 2.5
1.Het stembureau kan zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden laten
bijstaan door daartoe door hem aangewezen personen.
2.Het stembureau wijst tenminste twee gekwalificeerde personen aan die
gedurende de stemopneming aanwezig zijn om de voorziening briefstemmen
als bedoeld in artikel 2.44 te bedienen, om in opdracht van het
stembureau handelingen te verrichten aan de voorziening en om te
controleren of de voorziening functioneert. Van de wisseling van de
personen en van alle handelingen en controles wordt aantekening gehouden
in een logboek.
Artikel 2.6
1.Van de zittingen van het stembureau wordt proces-verbaal opgemaakt.
Het proces-verbaal van een openbare zitting wordt voor een ieder ter
inzage gelegd op het kantoor van het waterschap.
2.De bij de openbare zittingen aanwezige kiezers kunnen mondeling
bezwaren inbrengen. Van deze bezwaren wordt in het proces-verbaal
melding gemaakt.
3.Het proces-verbaal wordt door alle aanwezige leden van het stembureau
ondertekend.
4.De terinzagelegging van de processen-verbaal wordt beëindigd zodra
over de toelating van de gekozen leden onherroepelijk is beslist.
Artikel 2.7
1.Indien de mogelijkheid wordt geboden de stem uit te brengen met
toepassing van paragraaf 12 is gedurende de stemperiode artikel 2.5,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
2.Indien de voorziening om met behulp van internet te stemmen wordt
verstoord of dreigt te worden verstoord, wordt het stembureau zo spoedig
mogelijk in zitting bijeengeroepen. Indien de omstandigheden geen
voorafgaande bijeenroeping van het stembureau toelaten, kan een daartoe
bij toerbeurt aangewezen lid of plaatsvervangend lid namens het
stembureau besluiten de stemming met behulp van internet te schorsen.
§ 2. Het tijdstip van de kandidaatstelling
Artikel 2.8
De kandidaatstelling voor de verkiezing vindt plaats op de dinsdag in de
periode van 11 tot en met 17 september, onverminderd artikel 2.16,
tweede lid.
§ 3. De registratie van de aanduiding van een belangengroepering
Artikel 2.9
1. Een belangengroepering verzoekt het stembureau schriftelijk de
aanduiding waarmee zij voor die verkiezing op de kandidatenlijst wenst
te worden vermeld, in te schrijven in een register dat door het
stembureau wordt bijgehouden. Verzoeken ontvangen na de
drieënveertigste dag voor de kandidaatstelling, blijven voor de
daaropvolgende verkiezing buiten behandeling.
2. Vóór het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoek om
registratie wordt een waarborgsom van € 225,– betaald aan het
waterschap. Deze waarborgsom dient te worden overgemaakt naar de door
het dagelijks bestuur aangewezen rekening van het waterschap bij een
bank, onder vermelding van de woorden «waarborgsom registratie» en met
vermelding van de naam van de belangengroepering. Na inlevering van een
geldige kandidatenlijst voor de eerstkomende verkiezing na de beslissing
op het verzoek wordt hem de waarborgsom zo spoedig mogelijk
teruggegeven. Over de terug te betalen waarborgsommen wordt geen rente
vergoed.
3. Bij het verzoek worden overgelegd:
a. een afschrift van de notariële akte waarin de statuten van de
belangengroepering zijn opgenomen en een uiterlijk zes maanden voor de
indiening van het verzoek afgegeven bewijs van inschrijving in het
handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996;
b. een bewijs van betaling;
c. een verklaring van de belangengroepering, houdende aanwijzing van
haar gemachtigde en ten hoogste drie plaatsvervangend gemachtigden bij
het stembureau, welke geldt zolang zij niet door een andere is
vervangen.
Artikel 2.10
Het stembureau beslist slechts afwijzend op het verzoek, indien:
a. de belangengroepering geen aanwijsbaar belang heeft bij de
taakuitoefening van het waterschap;
b. de aanduiding strijdig is met de openbare orde;
c. de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een reeds op de
voet van dit artikel geregistreerde aanduiding van een andere
belangengroepering of met een aanduiding waarvoor reeds eerder op grond
van dit artikel een registratieverzoek is ingediend, en daardoor
verwarring te duchten is;
d. de aanduiding anderszins misleidend is voor de kiezers;
e. de aanduiding meer dan 35 letters of andere tekens, dan wel meer dan
40 posities bevat;
f. de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met die van een
rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak verboden is
verklaard en ontbonden; of
g. het verzoek op dezelfde dag bij het stembureau is ingekomen als een
ander verzoek, strekkende tot inschrijving van een geheel of in
hoofdzaak gelijkluidende aanduiding, tenzij dat andere verzoek reeds
wordt afgewezen op een van de gronden, genoemd in de onderdelen a tot en
met f.
Artikel 2.11
1.De beslissing van het stembureau op het verzoek wordt aan de
gemachtigde bekendgemaakt. Van de beslissing wordt mededeling gedaan in
een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad.
2.Een belangengroepering waarvan de aanduiding is ingeschreven in het
register, kan schriftelijk een verzoek tot wijziging van deze aanduiding
indienen bij het stembureau. Artikel 2.9, eerste lid, laatste volzin,
derde lid, onderdeel a, artikel 2.10 en het eerste lid zijn op verzoeken
tot wijziging van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.12
Het stembureau schrapt de aanduiding in het register en doet hiervan
mededeling in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad, wanneer:
a. de belangengroepering heeft opgehouden te bestaan;
b. de belangengroepering een verzoek daartoe heeft gedaan;
c. de belangengroepering als vereniging of stichting bij onherroepelijke
rechterlijke uitspraak verboden is verklaard en ontbonden;
d. voor de laatstgehouden verkiezing van de leden van het algemeen
bestuur geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel
2.16.
Artikel 2.13
Uiterlijk op de veertiende dag voor de kandidaatstelling brengt het
stembureau de door hem geregistreerde aanduidingen van
belangengroeperingen, voor zover de registratie daarvan onherroepelijk
is, alsmede de namen van de gemachtigden en hun plaatsvervangers ter
openbare kennis.
Artikel 2.14
1.Tegen een beschikking als bedoeld in deartikelen 2.10, 2.11 of 2.12,
kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
een beroepschrift ingevolge die wet tegen een beschikking als bedoeld in
het eerste lid ingediend uiterlijk op de zesde dag na de dagtekening van
het dag- of nieuwsblad waarin de beschikking is opgenomen.
Artikel 2.15
Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld voor de
registers waarin de aanduidingen voor belangengroeperingen worden
vermeld, de openbare kennisgevingen inzake de geregistreerde
aanduidingen en de namen van de gemachtigden en hun plaatsvervangers.
§ 4. De inlevering van de kandidatenlijsten
Artikel 2.16
1.Op de dag van de kandidaatstelling kunnen bij de voorzitter van het
stembureau of bij een van de door deze aan te wijzen leden van dat
bureau, op het kantoor van het waterschap, van negen tot negentien uur,
kandidatenlijsten worden ingeleverd. Ten minste drie weken voor de
kandidaatstelling brengt de voorzitter van het waterschap dit ter
openbare kennis. Het dagelijks bestuur stelt een formulier voor de
kandidaatstelling vast.
2.Het dagelijks bestuur kan een of meer tijdvakken voorafgaande aan de
dag van kandidaatstelling aanwijzen binnen welke de kandidatenlijsten
eveneens bij de voorzitter van het stembureau, of bij een van de door
deze aan te wijzen leden van het stembureau, op het kantoor van het
waterschap kunnen worden ingeleverd. Van de aanwijzing van een of meer
tijdvakken wordt melding gemaakt bij de in het eerste lid bedoelde
kennisgeving.
3.De formulieren voor de kandidatenlijsten en voor de verklaringen
bedoeld in de artikelen 2.19 en 2.25 worden uiterlijk drie weken vóór
de dag van kandidaatstelling toegezonden aan de geregistreerde
belangengroeperingen, en zijn ook kosteloos verkrijgbaar bij het kantoor
van het waterschap.
Artikel 2.17
1.Een kandidaat wordt op de kandidatenlijst vermeld met naam,
voorletters, geboortedatum, adres en woonplaats. Achter de voorletters
kan tussen haakjes de roepnaam van de kandidaat worden vermeld.
2.Nadere aanduidingen van de naam, mits op de gebruikelijke wijze
afgekort, mogen aan de naam worden toegevoegd.
3.Een persoon die gehuwd is of gehuwd is geweest, dan wel wiens
partnerschap geregistreerd is of geregistreerd is geweest, wordt op de
lijst vermeld hetzij met de eigen geslachtsnaam, hetzij, voor zover hij
daartoe op grond van artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
bevoegd is, met de geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerde
partner, dan wel met de eigen geslachtsnaam door middel van een liggend
streepje gevolgd door of voorafgegaan door de geslachtsnaam van de
echtgenoot of geregistreerde partner.
4.Achter de voorletters of, indien vermeld, de roepnaam, mag ter
aanduiding van het geslacht van de kandidaat de toevoeging «(m)» of
«(v)»worden geplaatst.
5.Indien het betreft de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur
van een waterschap geheel of gedeeltelijk in de provincie Friesland
gelegen, mogen aanduidingen op de kandidatenlijst in de Friese taal
worden vermeld.
Artikel 2.18
1.De inlevering van de lijst geschiedt persoonlijk door een gemachtigde
van de belangengroepering. De voorzitter van het stembureau of een van
de door deze aangewezen leden van dat bureau kan verlangen dat deze van
zijn identiteit doet blijken. De kandidaten kunnen bij de inlevering
aanwezig zijn.
2.De gemachtigde die de lijst inlevert, plaatst daarboven een
aanduiding, gevormd door samenvoeging van voor de desbetreffende
verkiezing geregistreerde aanduidingen of afkortingen daarvan, indien
hem daartoe de bevoegdheid is verleend door de gemachtigden van de
onderscheidene belangengroeperingen. Verklaringen van de gemachtigden
waaruit deze bevoegdheid blijkt, worden bij de lijst overgelegd. Een
aldus gevormde aanduiding voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.10.
3.De gemachtigde die de lijst heeft ingeleverd, ontvangt van de
voorzitter van het stembureau of van een van de door deze aangewezen
leden van dat bureau een bewijs daarvan.
Artikel 2.19
1.Bij de lijst worden overgelegd schriftelijke verklaringen van ten
minste twintig kiezers dat zij de lijst ondersteunen. Op deze
verklaringen worden de kandidaten op dezelfde wijze en in dezelfde
volgorde vermeld als op de lijst. Het dagelijks bestuur stelt een
formulier voor deze verklaringen vast.
2.Verklaringen van ondersteuning kunnen slechts worden afgelegd door
personen die kiesgerechtigd zijn.
3.De kiezer die een verklaring van ondersteuning wenst af te leggen,
ondertekent deze verklaring en voegt daarbij een kopie van een geldig
legitimatiebewijs waaruit zijn identiteit blijkt.
4.Een kiezer ondertekent niet meer dan één verklaring van
ondersteuning.
5.Een overgelegde verklaring van ondersteuning kan niet worden
ingetrokken.
Artikel 2.20
De in heteerste lid van artikel 2.19 bedoelde verplichting geldt niet
voor een kandidatenlijst van een belangengroepering aan wier
kandidatenlijst bij de laatstgehouden verkiezing een of meer zetels zijn
toegekend. De vorige volzin is mede van toepassing ten aanzien van:
a. samenvoeging van aanduidingen van twee of meer belangengroeperingen,
indien bij de laatstgehouden verkiezing, hetzij aan de gezamenlijke
belangengroeperingen, hetzij aan tenminste één daarvan, één of meer
zetels zijn toegekend;
b. een nieuwe aanduiding indien twee of meer belangengroeperingen als
één belangengroepering onder een nieuwe naam samen aan de verkiezingen
deelnemen en bij de laatstgehouden verkiezingen, aan ieder van de
afzonderlijke groeperingen één of meer zetels zijn toegekend.
Artikel 2.21
Op de lijst kunnen een gemachtigde en desgewenst diens plaatsvervangers
worden aangewezen, die bevoegd zijn tot het verbinden van de lijst met
andere lijsten tot een lijstencombinatie. Voorts worden op de lijst een
of meer personen vermeld die bij verhindering van de gemachtigde die de
lijst heeft ingeleverd bevoegd zijn tot het herstel van verzuimen,
bedoeld in artikel 2.29.
Artikel 2.22
1.De namen van de kandidaten worden op de lijsten geplaatst in de
volgorde waarin aan hen de voorkeur wordt gegeven.
2.Op een lijst mogen de namen van ten hoogste twintig kandidaten worden
geplaatst.
Artikel 2.23
Op dezelfde lijst van een belangengroepering aan wier kandidatenlijst
bij de laatst gehouden verkiezing van de leden van het algemeen bestuur
meer dan tien zetels zijn toegekend, mag een aantal namen worden
geplaatst dat ten hoogste twee maal het aantal zetels bedraagt, doch
nimmer meer dan veertig. De vorige volzin is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of
meer belangengroeperingen.
Artikel 2.24
1.De naam van een kandidaat mag niet voorkomen op een lijst, indien de
kandidaat tijdens de zittingsperiode van het algemeen bestuur, niet de
voor het zitting nemen in dat bestuur vereiste leeftijd zal bereiken.
2.De naam van een kandidaat mag niet voorkomen op meer dan één van de
lijsten welke bij een stembureau zijn ingeleverd.
3.Indien op een lijst de naam voorkomt van een kandidaat die geen
ingezetene is van het waterschap, dient bij de lijst te worden
overgelegd een door die kandidaat ondertekende verklaring, waaruit
blijkt, dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in het
gebied van het waterschap.
Artikel 2.25
1.Bij de lijst wordt overgelegd een schriftelijke verklaring van iedere
daarop voorkomende kandidaat dat hij instemt met zijn kandidaatstelling
op deze lijst. Het dagelijks bestuur stelt een formulier voor deze
verklaring vast.
2.Een overgelegde verklaring van instemming kan niet worden ingetrokken.
3.Bij de lijst wordt van iedere kandidaat die geen zitting heeft in het
algemeen bestuur een kopie van een geldig legitimatiebewijs overgelegd.
Indien van een dergelijke kandidaat een kopie van een geldig
legitimatiebewijs ontbreekt, is de verklaring van instemming van de
betreffende kandidaat niet geldig.
Artikel 2.26
1.Voor elke lijst wordt een waarborgsom van€ 225,– betaald aan het
waterschap. Deze waarborgsom dient uiterlijk op de veertiende dag voor
de kandidaatstelling te zijn ontvangen op de rekening van het waterschap
bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onder vermelding van«waarborgsom
kandidaatstelling» en met vermelding van de naam van de
belangengroepering.
2.De in het eerste lid bedoelde verplichting tot betaling geldt niet
voor een kandidatenlijst van een belangengroepering aan wier
kandidatenlijst bij de laatstgehouden verkiezing een of meer zetels zijn
toegekend. De vorige volzin is mede van toepassing ten aanzien van
samenvoeging van aanduidingen van twee of meer belangengroeperingen,
indien bij de laatstgehouden verkiezing, hetzij aan de gezamenlijke
groeperingen, hetzij aan ten minste één daarvan, één of meer zetels
zijn toegekend.
3.Degene die de in het eerste lid bedoelde betaling heeft verricht,
ontvangt een bewijs daarvan. Dit bewijs wordt bij de indiening van de
lijst ingeleverd.
4.Indien geen lijst wordt ingeleverd, wordt na de vaststelling van de
uitslag van de verkiezing door het stembureau de waarborgsom
teruggegeven aan degene die de betaling heeft verricht.
5.Na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing door het
stembureau wordt de waarborgsom zo spoedig mogelijk teruggegeven aan
degene die de betaling heeft verricht, tenzij het stemcijfer van de
lijst lager is dan 75 procent van de kiesdeler, bedoeld in artikel 2.77.
In dat geval vervalt de waarborgsom aan het waterschap. Over de terug te
geven waarborgsommen wordt geen rente vergoed.
§ 5. Het onderzoek van de kandidatenlijsten
Artikel 2.27
Op de tweede dag na de kandidaatstelling, om tien uur, houdt het
stembureau een zitting tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten.
Kandidatenlijsten waarvoor de verplichting tot het betalen van een
waarborgsom geldt, blijven buiten behandeling indien bij de aanvang van
de zitting een bewijs dat deze betaling is verricht, ontbreekt.
Artikel 2.28
Indien bij het onderzoek blijkt van een of meer van de volgende
verzuimen, geeft het stembureau onverwijld bij aangetekende brief of
tegen gedagtekend ontvangstbewijs kennis aan degene die de lijst heeft
ingeleverd:
a. dat, indien bij de lijst verklaringen van ondersteuning moeten worden
overgelegd, niet ten minste het aantal verklaringen, genoemd in artikel
2.19 is overgelegd, waarbij niet meetellen de verklaringen die niet aan
artikel 2.19, tweede lid, voldoen en de verklaringen van een kiezer die
meer dan één verklaring heeft ondertekend;
b. dat, indien zich het geval voordoet, bedoeld in artikel 2.24, derde
lid, de verklaring dat de kandidaat voornemens is zich bij benoeming te
vestigen in het gebied van het waterschap ontbreekt;
c. dat een kandidaat niet is vermeld overeenkomstig artikel 2.17;
d. dat ten aanzien van een kandidaat ontbreekt de verklaring dat hij
instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst;
e. dat de lijst niet persoonlijk is ingeleverd door een gemachtigde van
de belangengroepering;
f. dat verklaringen als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, ontbreken.
Artikel 2.29
1.Uiterlijk tot op de zevende dag na de kandidaatstelling kan degene die
de lijst heeft ingeleverd, het verzuim of de verzuimen, in de
kennisgeving aangeduid, herstellen bij de voorzitter van het stembureau
of bij een van de door deze aan te wijzen leden van dat bureau op het
kantoor van het waterschap, op werkdagen van negen tot zeventien uur.
2.In het geval, bedoeld in artikel 2.28, onderdeel e, kan een
gemachtigde die tot het inleveren van de lijst bevoegd zou zijn geweest,
door persoonlijke verschijning op het kantoor van het waterschap zich
alsnog in de plaats van de onbevoegde inleveraar stellen en aldus het
verzuim herstellen.
3.Bij verhindering of ontstentenis van de gemachtigde die de lijst heeft
ingeleverd, treedt in diens plaats een op de lijst vermelde vervanger.
Artikel 2.30
Onmiddellijk nadat de lijsten door het stembureau zijn onderzocht,
worden deze en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning,
tesamen met het proces-verbaal van de zitting door de voorzitter van het
stembureau op het kantoor van het waterschap voor een ieder ter inzage
gelegd.
Artikel 2.31
Op de achtste dag na de kandidaatstelling beslist het stembureau in een
openbare zitting die om tien uur aanvangt, over de geldigheid van de
lijsten en over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten.
Artikel 2.32
Ongeldig is de lijst:
a. die niet op de dag van de kandidaatstelling tussen negen en negentien
uur, dan wel binnen de tijdvakken bedoeld in artikel 2.16, tweede lid,
bij de voorzitter van het stembureau of een van de door deze aangewezen
leden is ingeleverd;
b. waarbij, indien bij de lijst verklaringen van ondersteuningen moeten
worden overgelegd, niet ten minste het aantal geldige verklaringen,
genoemd in artikel 2.19, is overgelegd;
c. die niet voldoet aan het vastgestelde model;
d. die niet persoonlijk is ingeleverd door een gemachtigde;
e. waarop door toepassing van artikel 2.33 alle kandidaten zijn
geschrapt.
Artikel 2.33
1.Het stembureau schrapt, in de volgorde in dit lid aangewezen, van de
lijst de naam van de kandidaat:
a. die niet is vermeld overeenkomstig artikel 2.17;
b. van wie niet is overgelegd de verklaring dat hij instemt met zijn
kandidaatstelling op de lijst;
c. die tijdens de zittingsperiode van het algemeen bestuur, niet de voor
het zitting nemen in dat orgaan vereiste leeftijd bereikt;
d. die geen ingezetene is van het waterschap en ten aanzien van wie de
verklaring dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in het
gebied van het waterschap, ontbreekt;
e. die heeft verklaard dat hij voornemens is zich bij benoeming te
vestigen in het gebied van het waterschap en die tevens een zodanige
verklaring heeft afgelegd voor de verkiezing van de leden van het
algemeen bestuur van een ander waterschap;
f. die voorkomt op meer dan één van de bij een stembureau ingeleverde
lijsten;
g. van wie een uittreksel uit het register van overlijden dan wel een
afschrift van de akte van overlijden is overgelegd;
h. die op de lijst voorkomt na het ten hoogste toegelaten aantal.
2.Het stembureau schrapt de aanduiding gevormd door samenvoeging van
voor de desbetreffende verkiezingen geregistreerde aanduidingen of
afkortingen daarvan, indien een daarop betrekking hebbende verklaring
als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, ontbreekt.
Artikel 2.34
Indien de aanduiding van een belangengroepering niet in overeenstemming
is met die waaronder zij is geregistreerd, brengt het stembureau deze
ambtshalve daarmee in overeenstemming.
Artikel 2.35
1.Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 2.31 kan een
belanghebbende en iedere kiezer beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier dagen.
3.De Afdeling doet uitspraak uiterlijk op de zesde dag nadat het
beroepschrift is ontvangen.
4.Indien de uitspraak van de Afdeling strekt tot gegrondverklaring van
het beroep, bepaalt zij dat haar uitspraak in de plaats treedt van de
vernietigde beschikking.
5.De voorzitter van de Afdeling stelt partijen en de voorzitter van het
stembureau onverwijld in kennis van de uitspraak.
Artikel 2.36
1.Indien beroep is ingesteld tegen een beschikking waarbij het
stembureau een lijst ongeldig heeft verklaard of de naam van een
kandidaat dan wel de aanduiding als bedoeld inartikel 2.33, tweede lid,
heeft geschrapt op grond van een of meer van de verzuimen, vermeld in
artikel 2.28, zonder dat het stembureau tevoren overeenkomstig het in
dat artikel bepaalde kennis heeft gegeven van het bestaan daarvan aan
degene die de lijst heeft ingeleverd, kan deze het verzuim of de
verzuimen alsnog herstellen ter secretarie van de Raad van State.
Artikel 2.29, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Indien een verzuim overeenkomstig het eerste lid is hersteld, houdt de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij haar uitspraak
daarmee rekening.
§ 6. De verbinding van kandidatenlijsten tot een lijstencombinatie
Artikel 2.37
1.Op de dag van de kandidaatstelling, tussen negen en negentien uur,
kunnen kandidatenlijsten van verschillende belangengroeperingen tot een
lijstencombinatie worden verbonden door inlevering bij het stembureau
van een daartoe strekkende schriftelijke gemeenschappelijke verklaring
van de op de lijsten vermelde gemachtigden.
2.Het dagelijks bestuur stelt voor de in het eerste lid bedoelde
verklaring een model vast.
Artikel 2.38
Het stembureau beslist over de geldigheid van de lijstencombinaties in
de zitting, bedoeld in artikel 2.31.
§ 7. De nummering van de kandidatenlijsten
Artikel 2.39
In de zitting, bedoeld in artikel 2.31, nummert het stembureau de
ingediende kandidatenlijsten, waarbij de kandidatenlijsten die kennelijk
ongeldig zijn, buiten beschouwing blijven.
Artikel 2.40
1.Eerst worden genummerd de lijsten van de belangengroeperingen waaraan
bij de laatstgehouden verkiezingen een of meer zetels zijn toegekend.
Aan deze lijsten worden de nummers 1 en volgende toegekend in de
volgorde van de op de desbetreffende lijsten uitgebrachte aantallen
stemmen, met dien verstande dat aan de lijst van de belangengroepering
met het hoogste aantal stemmen het nummer 1 wordt toegekend. Bij
gelijkheid van het aantal beslist het lot.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
samenvoeging van aanduidingen van twee of meer belangengroeperingen,
indien bij de laatstgehouden verkiezing, hetzij aan de gezamenlijke
belangengroeperingen, hetzij aan tenminste één daarvan, één of meer
zetels zijn toegekend. In het geval waarbij aan tenminste één van de
betrokken belangengroeperingen één of meer zetels zijn toegekend,
worden voor de toepassing van de tweede volzin van het eerste lid, de op
de lijsten uitgebrachte aantallen stemmen van de belangengroeperingen
waaraan zetels zijn toegekend, bij elkaar opgeteld.
3.Vervolgens worden, met de nummers volgende op het laatste krachtens
het tweede lid toegekende nummer, genummerd de overige lijsten in de
volgorde door het lot aangewezen.
4.Het dagelijks bestuur bepaalt de wijze van loting.
Artikel 2.41
Onmiddellijk nadat de nummering heeft plaatsgevonden, brengt de
voorzitter van het stembureau ter openbare kennis welk nummer aan de
onderscheidene lijsten is toegekend.
Artikel 2.42
Een beslissing tot het ongeldig verklaren van een kandidatenlijst heeft
geen gevolg ten aanzien van de nummers, toegekend aan de overige
kandidatenlijsten.
§ 8. De openbaarmaking van de kandidatenlijsten
Artikel 2.43
1.De voorzitter van het stembureau maakt de lijsten zo spoedig mogelijk
openbaar. Daarbij vermeldt hij tevens welke lijsten tot een
lijstencombinatie zijn verbonden.
2.De openbaarmaking geschiedt door de van de nummers en de aanduidingen
van de belangengroeperingen voorziene lijsten op het kantoor van het
waterschap voor een ieder ter inzage te leggen. Van de terinzagelegging
geschiedt tegelijk openbare kennisgeving door de voorzitter van het
stembureau.
§ 9. Algemene bepalingen omtrent de stemming
Artikel 2.44
In deparagrafen 9 tot en met 16 en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
blanco enveloppe: enveloppe die duidelijk te onderscheiden is van een
gecodeerde retourenveloppe;
gecodeerde retourenveloppe: enveloppe als bedoeld in artikel 2.53,
tweede lid;
de voorziening briefstemmen: de voorziening die het stembureau in staat
stelt de per brief uitgebrachte stemmen te verwerken en de uitslag van
de verkiezing vast te stellen;
de voorziening internetstemmen: de voorziening die de kiesgerechtigde in
staat stelt om zijn stem uit te brengen met behulp van internet en die
het stembureau in staat stelt de uitslag van de verkiezing vast te
stellen.
Artikel 2.45
1. Een voorziening als bedoeld in artikel 2.44, voldoet aan de volgende
vereisten:
a. het geheime karakter van de stemming is voldoende gewaarborgd;
b. de betrouwbaarheid van de voorziening is voldoende gewaarborgd;
c. de voorziening is zodanig ingericht, dat het stembureau in staat
wordt gesteld de stemopneming, alsmede de hertelling van de stemmen
overeenkomstig de voor die stemming geldende regels te verrichten;
d. de voorziening is zodanig ingericht, dat de telling of hertelling van
de uitgebrachte stemmen desgewenst kan plaatsvinden met behulp van een
systeem dat geen onderdeel is van de voorziening;
e. de voorziening is beveiligd tegen inbreuken, zowel van buitenaf als
van binnenuit, die de integriteit van de voorziening in gevaar brengen
of kunnen brengen.
2. Ten aanzien van de voorziening zijn technische en organisatorische
maatregelen getroffen om de integriteit en de betrouwbaarheid van de
stemming te waarborgen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de toe te passen voorziening. Daarbij kan tevens de eis worden
gesteld dat de voorziening wordt goedgekeurd door een daartoe door Onze
Minister aangewezen instantie.
4. Teneinde te waarborgen dat wordt voldaan aan de in de vorige leden
bedoelde eisen en voorschriften stelt het dagelijks bestuur een protocol
op. In dit protocol wordt tevens beschreven:
a. de procedure van het vervaardigen van de stembescheiden;
b. de wijze waarop de code, bedoeld in artikel 2.48, eerste lid, wordt
vastgesteld;
c. de procedure voor het scheiden van de retourenveloppen en het
deponeren van het stembiljet in de stembus;
d. de procedure voor het handmatig tellen van de stemmen.
5. Het protocol, bedoeld in het vierde lid, wordt tenminste twee weken
voor het begin van de stemming ter inzage gelegd op het kantoor van het
waterschap en wordt toegezonden aan gedeputeerde staten.
Artikel 2.45a
1.Tegen een beschikking die is genomen op grond van de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 2.45, derde lid, kan een belanghebbende
beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
2.Artikel 2.35, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 2.46
De stemming vangt aan op de dag na de verzending van de stembescheiden
om acht uur en eindigt op de zeventigste dag na de kandidaatstelling om
twaalf uur.
Artikel 2.47
De stemming geschiedt over de kandidaten wier namen voorkomen op de
geldig verklaarde kandidatenlijsten. Bij de stemming wordt de
mogelijkheid geboden een blanco stem uit te brengen.
Artikel 2.48
1. Het stembureau voorziet in een unieke code voor elke kiesgerechtigde.
2. Bij de voorziening internetstemmen voorziet het stembureau in een
referentiebestand van alle mogelijk uit te brengen stemmen.
3. Het referentiebestand wordt ten minste vierentwintig uur voor de
aanvang van de stemming openbaar gemaakt door plaatsing van het bestand
op internet. Om de kiezer in staat te stellen de integriteit van het
referentiebestand vast te stellen wordt een controlewaarde berekend. Het
stembureau maakt deze controlewaarde bekend.
§ 10. De oproeping voor de stemming
Artikel 2.49
Ten minste zeven dagen, maar niet eerder dan veertien dagen, voor het
einde van de stemming ontvangt elke kiezer die bevoegd is aan de
stemming deel te nemen van de voorzitter van het waterschap waar hij op
de dag van de kandidaatstelling kiesgerechtigd is, de stembescheiden.
Artikel 2.50
1.Aan de tot deelneming aan de stemming bevoegde kiezer wiens
stembescheiden in het ongerede zijn geraakt of die geen stembescheiden
heeft ontvangen, worden op zijn aanvraag door of vanwege de voorzitter
van het stembureau vervangende stembescheiden uitgereikt, mits de
aanvraag uiterlijk op de vierde dag voorafgaande aan het einde van de
stemming om twaalf uur is ontvangen en de aanvrager bij zijn aanvraag
van zijn identiteit doet blijken. Daarnaast kan de kiesgerechtigde tot
op de laatste dag van de stemming tot elf uur dertig, zich met zijn
aanvraag in persoon vervoegen op het kantoor van het waterschap en de
aanvrager doet bij deze aanvraag van zijn identiteit blijken.
2.Het stembureau houdt aantekening van de verstrekte vervangende
stembescheiden. De oorspronkelijke stembescheiden worden door deze
verstrekking ongeldig.
3.Per kiesgerechtigde worden slechts eenmaal vervangende stembescheiden
verstrekt.
Artikel 2.51
1. De stembescheiden omvatten:
a. het stembiljet;
b. een blanco enveloppe;
c. een gecodeerde retourenveloppe, en
d. instructies voor de kiezer.
2. Indien de mogelijkheid wordt geboden de stem uit te brengen
overeenkomstigparagraaf 12 van dit hoofdstuk, omvatten de stembescheiden
tevens een stemkaart met stemcode en het internetadres.
3. Het dagelijks bestuur verzorgt het stembiljet met de kandidaten voor
het desbetreffende waterschap overeenkomstig het model, bedoeld in
artikel 2.53, derde lid.
Artikel 2.52
1. De voorzitter van het waterschap brengt de periode waarbinnen de
stembescheiden worden toegezonden en de dag en het tijdstip waarop de
stemming eindigt, ten minste eenentwintig dagen voor deze dag ter
openbare kennis. Hij maakt daarbij melding van dag, tijdstip en plaats
van de in artikelen 2.54, vijfde lid, 2.54a, 2.64, 2.65, 2.66, 2.69 en
2.74 bedoelde zittingen van het stembureau en van de terinzagelegging
van het in artikel 2.45, vierde lid, bedoelde protocol.
2. Bij een ernstige externe verstoring van de stemming kan het dagelijks
bestuur het tijdstip waarop de stemming eindigt met maximaal twee dagen
verlengen. Dit besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.
§ 11. Stemmen per brief
Artikel 2.53
1. Op het bij de verkiezing te bezigen stembiljet zijn eenzijdig in een
rij geprint de lijstnummers met de aanduidingen van de
belangengroeperingen die aan de verkiezingen deelnemen en, in voorkomend
geval de nummers van de lijsten waarmee die lijsten tot een
lijstencombinatie zijn verbonden. Voorts worden onder de aanduiding van
de belangengroepering met het lijstnummer, de daarbij behorende
kandidaten kolomsgewijs weergegeven, met weglating van het adres en de
geboortedatum, en per lijst doorlopend genummerd in de volgorde van de
toegekende nummers. Voor elke naam van een kandidaat wordt een stemvak
geprint. Tevens kunnen op het stembiljet de naam van het waterschap, het
jaartal van de verkiezingen en, indien van toepassing, een aanduiding
van het kiesdistrict worden vermeld, en kan op het stembiljet een
echtheidskenmerk worden aangebracht.
2. Op de bij de stembescheiden behorende gecodeerde retourenveloppe
worden, ten behoeve van de registratie van het ontvangst van de
stembescheiden van de kiesgerechtigde, een of meer machineleesbare codes
geprint om te waarborgen dat de kiesgerechtigde hoogstens één geldige
stem kan uitbrengen. De code of codes bevatten de code, bedoeld in
artikel 2.48, eerste lid, indien van toepassing aangevuld met een
gecodeerde weergave van de naam van het desbetreffende kiesdistrict.
3. Bij ministeriële regeling worden voor de stembescheiden, bedoeld
inartikel 2.51, eerste lid, modellen vastgesteld.
Artikel 2.54
1. De kiesgerechtigde brengt zijn stem uit door op het stembiljet het
stemvak geplaatst voor de naam van de kandidaat van zijn keuze aan te
kruisen of anderszins te markeren.
2. Daarna vouwt hij het stembiljet dicht op zodanige wijze dat de namen
van de kandidaten niet zichtbaar zijn en doet hij het stembiljet in de
blanco enveloppe.
3. Vervolgens doet hij de blanco enveloppe met het stembiljet in de
gecodeerde retourenveloppe en verzendt hij deze gesloten naar het
voorgedrukte adres.
4. In afwijking van het derde lid kan de kiesgerechtigde de gecodeerde
retourenveloppe in de brievenbus van het waterschap deponeren of tijdens
kantooruren in een daartoe in het kantoor van het waterschap geplaatste
stembus, die is voorzien van een slot en van een sleuf waardoor de
stembiljetten in de bus kunnen worden gestoken.
5. De in de stembus, bedoeld in het vorige lid, of brievenbus van het
waterschap gedeponeerde gecodeerde retourenveloppen, worden door of
vanwege het stembureau, gedurende de stemperiode in een dagelijkse
openbare zitting overgebracht naar de ruimte waar de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 2.54a, plaatsvinden.
Artikel 2.54a
1. Het stembureau stelt in dagelijkse openbare zitting gedurende de
stemperiode vast of de machineleesbare code op de gecodeerde
retourenveloppe correspondeert met een nummer in het kiesregister.
2. Het stembureau houdt aantekening van deze vaststelling door de code
te registreren.
3. De leden van het stembureau openen onverwijld na de vaststelling de
gecodeerde retourenveloppen en deponeren de blanco enveloppen met de
stembiljetten in de stembus, die is voorzien van een slot en van een
sleuf waardoor de enveloppen in de bus kunnen worden gestoken. De leden
kunnen zich bij deze werkzaamheden doen bijstaan door plaatsvervangende
leden of andere personen die zijn aangewezen door het dagelijks bestuur.
De leden kunnen een voorziening voor het machinematig openen van de
gecodeerde retourenveloppen gebruiken.
4. Indien het stembiljet zich niet in de blanco enveloppe bevindt,
steekt een lid of plaatsvervangend lid van het stembureau het
stembiljet, zonder het in te zien, dichtgevouwen in de stembus.
5. Indien het stembureau de handelingen, bedoeld in het eerste lid,
opdraagt aan de in artikel 2.5, tweede lid, bedoelde personen, gaat het
stembureau na of deze handelingen met goed gevolg zijn verricht.
Artikel 2.55
Stembiljetten die na het tijdstip waarop de stemming eindigt zijn
ontvangen, worden bij de stemopneming buiten beschouwing gelaten.
Artikel 2.56
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
betreffende de gang van zaken bij de stemming per brief.
§ 12. Stemmen per internet
Artikel 2.57
Deze paragraaf is van toepassing indien het waterschap de
kiesgerechtigde in de gelegenheid stelt de stem uit te brengen met
behulp van internet.
Artikel 2.58
1.Onverminderd artikel 2.45, eerste lid, voldoet de voorziening
internetstemmen aan de volgende vereisten:
a. indien de voorziening de vermelding van kandidatenlijsten omvat,
dienen deze lijsten, het aan elke lijst toegekende nummer en de
aanduiding van de belangengroepering, alsmede de mogelijkheid een blanco
stem uit te brengen, op duidelijke wijze te kunnen worden vermeld;
b. een voorziening is zodanig ingericht dat de kiezer in staat wordt
gesteld zijn stem op de wijze als bedoeld in deze paragraaf uit te
brengen;
c. de voorziening is toegankelijk en gebruikersvriendelijk voor de
kiezers;
d. de voorziening is zodanig ingericht, dat het stembureau in staat
wordt gesteld op het verloop van de stemming toe te zien;
e. de identiteit van de kiezer wordt door de voorziening geanonimiseerd
geregistreerd;
f. de voorziening stelt de kiezer mede in de gelegenheid een blanco stem
uit te brengen.
2.Er worden maatregelen getroffen om te kunnen controleren of de
voorziening tot en met het einde van de stemperiode functioneert.
Artikel 2.59
Alvorens de mogelijkheid om te stemmen te openen voert het stembureau de
handelingen uit die nodig zijn om vast te stellen dat de voorziening
gereed is voor de stemming en dat er geen stemmen in het geheugen van de
voorziening zijn opgeslagen. Indien het stembureau de handelingen,
bedoeld in de eerste volzin, opdraagt aan de in artikel 2.7, eerste lid,
bedoelde personen, gaat het stembureau na of deze handelingen met goed
gevolg zijn verricht.
Artikel 2.60
1.Het stembureau en de in artikel 2.7, eerste lid, bedoelde personen
zijn bevoegd zich, op te houden in de ruimte waar de voorziening zich
bevindt, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak.
2.Het bedienen van de voorziening geschiedt te allen tijde door ten
minste twee personen gezamenlijk.
Artikel 2.61
Bij ministeriële regeling worden de opmaak en functionaliteit
vastgesteld van de stembiljetten die worden gebruikt bij het stemmen per
internet. Hierbij wordt zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de
systematiek van het stembiljet, bedoeld in artikel 2.53.
Artikel 2.62
1.De kiezer brengt zijn stem als volgt uit:
a. nadat de kiezer verbinding heeft gekregen met de voorziening, voert
hij zijn stemcode, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, in;
b. nadat aan de hand van de stemcode de kiesgerechtigdheid is
vastgesteld, maakt de kiezer zijn keuze, door:
1°. eerst te kiezen voor een kandidatenlijst uit het getoonde overzicht
van alle nummers en aanduidingen van de lijsten van de
belangengroeperingen, en vervolgens een kandidaat te kiezen uit de
getoonde geselecteerde kandidatenlijst; of
2°. het uitbrengen van een blanco stem;
c. indien het waterschap gebruik maakt van een beveiligingssysteem als
bedoeld inartikel 2.53, derde lid, dient de kiezer het bedoelde gegeven
in te vullen;
d. nadat de inhoud van zijn keuze aan de kiezer is getoond brengt de
kiezer zijn stem uit, die wordt verzonden naar de voorziening;
e. nadat de stem is ontvangen door de voorziening wordt deze stem
opgeslagen in het geheugen van de voorziening en ontvangt de kiezer
digitaal een ontvangstbevestiging.
2.Tot de kiezer zijn stem heeft uitgebracht, biedt de voorziening de
kiezer de gelegenheid:
a. een gemaakte keuze te wijzigen;
b. de verbinding te verbreken en op een later tijdstip alsnog te
stemmen.
3.De kiezer die voor de sluiting van de stemperiode verbinding heeft
gekregen met de voorziening en zijn stemcode heeft ingevoerd, heeft nog
tot vijf minuten na de sluiting van de stemperiode de mogelijkheid zijn
stem uit te brengen.
Artikel 2.63
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
betreffende de gang van zaken bij het stemmen per internet.
§ 13. De stemopneming
Artikel 2.64
1. Onmiddellijk na de sluiting van de stemperiode gaat het stembureau
over tot stemopneming.
2. Het stembureau verricht, indien van toepassing, onverwijld de
handelingen die nodig zijn om de stemming met behulp van internet te
beëindigen. De tweede volzin van artikel 2.59 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.65
1. Bij aanvang van de stemopneming wordt de stembus geleegd in de ruimte
waar de stemopneming plaatsvindt en door leden van het stembureau wordt
vastgesteld dat er zich geen enveloppen of stembiljetten meer in de
stembus bevinden. Vervolgens stelt het stembureau vast dat de getroffen
voorziening voor het opnemen van de per brief uitgebrachte stemmen
gereed is. Van deze vaststellingen wordt melding gemaakt in het
proces-verbaal, bedoeld in artikel 2.73.
2. De leden van het stembureau openen de blanco enveloppen met de
stembiljetten en tellen handmatig de stemmen in een openbare zitting. De
leden van het stembureau kunnen zich bij deze werkzaamheden doen
bijstaan door plaatsvervangende leden of andere personen die zijn
aangewezen door het dagelijks bestuur. Tevens kan een voorziening voor
het machinematig openen van de blanco enveloppen worden gebruikt.
3. Het stembureau beslist over de geldigheid van de stembiljetten die
niet als overeenkomstig dit besluit ingevulde stembiljetten zijn aan te
merken. De beslissingen omtrent de geldigheid van de uitgebrachte
stemmen worden genomen in de zitting, bedoeld in het vorige lid.
Artikel 2.66
1. Het stembureau komt de dag na de sluiting van de stemming om veertien
uur in openbare zitting bijeen om aan de hand van de gegevens die de
voorziening weergeeft het aantal stemmen vast te stellen dat met behulp
van internet is uitgebracht.
2. De voorzitter maakt deze aantallen, alsmede het aantal
kiesgerechtigden bekend.
Artikel 2.66a
1. De volgende stemmen worden bij de openbare zitting, bedoeld in
artikel 2.54a, terzijde gelegd:
a. stemmen waarvan meerdere stembiljetten in één gecodeerde
retourenveloppe zijn ingesloten;
b. een stem waarvan de machineleesbare code op de gecodeerde
retourenveloppe, waarin hij gesloten is, niet correspondeert met een
kiesgerechtigde in het kiesgebied waarin de stem is uitgebracht;
c. een stem waarbij de machineleesbare code op de bijbehorende
gecodeerde retourenveloppe onleesbaar is gemaakt of gewijzigd, en
d. een stem waarvoor niet het door het desbetreffende waterschap
uitgereikte stembiljet en de bijbehorende gecodeerde retourenveloppe
zijn gebruikt.
2. Opgestuurde gecodeerde retourenveloppen die geen stembiljet bevatten
of stembescheiden die op grond van artikel 2.50, tweede lid, ongeldig
zijn, worden terzijde gelegd. Het stembureau houdt aantekening van het
aantal lege gecodeerde retourenveloppen en ongeldige stembescheiden.
Artikel 2.67
Als ongeldige stem wordt aangemerkt:
a. een stem waarbij de kiezer niet op ondubbelzinnige wijze heeft
kenbaar gemaakt op welke kandidaat hij zijn stem uitbrengt, doordat de
kiezer geen, of bij meerdere kandidaten, op het stembiljet een stemvak
heeft aangekruist of anderszins gemarkeerd en de stem niet als blanco is
aan te merken;
b. een stem waaraan gegevens zijn toegevoegd waardoor de kiezer kan
worden geïdentificeerd, en
c. een stem waarbij een ander stembiljet is gebruikt dan het verstrekte
stembiljet.
Artikel 2.67a
Blanco is de stem die is uitgebracht op een stembiljet dat door de
kiezer is ingeleverd zonder dat hij geheel of gedeeltelijk een stemvak
heeft aangekruist of anderszins gemarkeerd en zonder dat hij anderszins
op het stembiljet heeft geschreven of getekend.
Artikel 2.68
Indien de mogelijkheid is geboden de stem uit te brengen met toepassing
vanparagraaf 12 van dit hoofdstuk, wordt voorts als ongeldige stem
aangemerkt:
a. op één na alle stemmen van een kiezer die in de voorziening zijn
opgeslagen en die zijn uitgebracht op dezelfde kandidaat;
b. de stemmen van een kiezer die stemmen heeft uitgebracht op
verschillende kandidaten;
c. een stem waarvan de stemcode ongeldig is;
d. een per brief ontvangen stem, indien de kiezer per internet een
geldige stem heeft uitgebracht op dezelfde kandidaat.
Artikel 2.69
1. Het stembureau komt de tweede dag na de sluiting van de stemming om
negentien uur in openbare zitting bijeen om, ten behoeve van de
voorlopige uitslag van de stemopneming, de volgende gegevens vast te
stellen:
a. ten aanzien van iedere lijst het aantal op iedere kandidaat
uitgebrachte stemmen en de som van deze aantallen;
b. het aantal kiezers dat een blanco stem heeft uitgebracht;
c. het aantal ongeldige stemmen, en
d. het aantal terzijde gelegde stemmen, bedoeld in artikel 2.66a, eerste
lid.
2. De leden van het stembureau verrichten de benodigde handelingen om de
vastgestelde gegevens, bedoeld in het eerste lid, op schrift te stellen.
Artikel 2.70
De voorzitter deelt de uitkomsten genoemd in artikel 2.69, eerste lid,
mede. Door de aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren worden
ingebracht.
Artikel 2.71
Het stembureau verricht vervolgens de handelingen die nodig zijn om het
geheugen van de voorziening internetstemmen veilig te stellen. Detweede
volzin van artikel 2.59 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.72
1. Het stembureau stelt iedere kiezer na de stemopneming in de
gelegenheid om na te gaan of zijn per internet uitgebrachte stem correct
is meegeteld. Het stembureau maakt na de sluiting van de stemming de
daarvoor benodigde referentiebestanden zo spoedig mogelijk openbaar door
plaatsing op de in artikel 2.48, derde lid, bedoelde internetpagina. Bij
ministeriële regeling kunnen hierover regels worden gesteld.
2. De kiesgerechtigde die van oordeel is dat zijn per internet
uitgebrachte stem niet correct is meegeteld, kan tot twaalf uur op de
zesde dag na het einde van de stemming aan het stembureau bezwaren
hierover kenbaar maken.
Artikel 2.73
Nadat alle werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 2.64 tot en met 2.72,
zijn beëindigd, wordt onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt van de
stemming en de stemopneming. Alle ingebrachte bezwaren worden in het
proces-verbaal vermeld. De op schrift gestelde gegevens, bedoeld in
artikel 2.69, tweede lid, worden aan het proces-verbaal gehecht.
§ 14. De vaststelling van de verkiezingsuitslag
Artikel 2.74
Het stembureau houdt zeven dagen na het einde van de stemming, om tien
uur een openbare zitting. Het stembureau beoordeelt de ingebrachte
bezwaren, bedoeld in artikel 2.72, tweede lid.
Artikel 2.75
1.Het stembureau stelt ten aanzien van iedere lijst vast het aantal op
iedere kandidaat uitgebrachte geldige stemmen en de som van deze
aantallen. Deze som wordt stemcijfer genoemd.
2.De voorzitter maakt de aldus verkregen uitkomsten bekend.
Artikel 2.76
1.Een lijstencombinatie als bedoeld in artikel 2.21 geldt voor het
bepalen van het aantal daaraan toe te wijzen zetels als één lijst, met
een stemcijfer gelijk aan de som van de stemcijfers van de lijsten
waaruit die combinatie bestaat.
2.Een lijstencombinatie wordt slechts in aanmerking genomen, indien aan
ten minste twee van de verbonden lijsten een zetel zou zijn toegewezen,
indien geen lijstencombinaties zouden zijn gevormd. Verbonden lijsten
die zelfstandig geen zetel zouden hebben verworven, worden buiten
beschouwing gelaten.
Artikel 2.77
1.Het stembureau deelt de som van de stemcijfers van alle lijsten door
het aantal te verdelen zetels.
2.Het aldus verkregen quotiënt wordt kiesdeler genoemd.
Artikel 2.78
Zoveel maal als de kiesdeler is begrepen in het stemcijfer van een lijst
wordt aan die lijst een zetel toegewezen.
Artikel 2.79
1.De overblijvende zetels, die restzetels worden genoemd, worden
toegewezen aan de lijsten waarvan de stemcijfers bij deling door de
kiesdeler de grootste overschotten hebben. Hierbij worden lijsten die
geen overschot hebben, geacht lijsten te zijn met het kleinste
overschot. Indien overschotten gelijk zijn, beslist het lot.
2.Bij deze toewijzing komen niet in aanmerking lijsten met een
stemcijfer dat lager is dan 75% van de kiesdeler.
3.Wanneer alle lijsten die daarvoor in aanmerking komen een restzetel
hebben ontvangen en er nog zetels te verdelen blijven, worden deze
zetels toegewezen aan de lijsten die het grootste gemiddelde aantal
stemmen per toegewezen zetel hebben, met dien verstande, dat bij deze
toewijzing aan geen van de lijsten meer dan één zetel wordt
toegewezen.
Artikel 2.80
Indien aan een lijst die de volstrekte meerderheid van de uitgebrachte
geldige stemmen heeft verkregen, een aantal zetels is toegewezen, minder
dan de helft van het aantal toe te wijzen zetels, wordt aan die lijst
alsnog één zetel toegewezen en vervalt daartegenover één zetel,
toegewezen aan de lijst die voor het kleinste gemiddelde of het kleinste
overschot een zetel heeft verworven. Indien twee of meer lijsten voor
hetzelfde kleinste gemiddelde of hetzelfde kleinste overschot een zetel
hebben verworven, beslist het lot.
Artikel 2.81
Indien bij de toepassing van de vorige bepalingen aan een lijst meer
zetels worden toegewezen dan er kandidaten zijn, gaan de overblijvende
zetel of zetels door voortgezette toepassing van die bepalingen over op
één of meer van de overige lijsten, waarop kandidaten voorkomen aan
wie geen zetel is toegewezen.
Artikel 2.82
1.De verdeling van de aan een lijstencombinatie toegewezen zetels over
de lijsten welke zijn gecombineerd, geschiedt als volgt.
2.Het stembureau deelt het stemcijfer van de lijstencombinatie door het
aantal aan de lijstencombinatie toegewezen zetels.
3.Het aldus verkregen quotiënt wordt combinatiekiesdeler genoemd.
4.Zoveel maal als de combinatiekiesdeler is begrepen in het stemcijfer
van elk van de lijsten waaruit de combinatie bestaat, wordt aan die
lijst een van de aan de combinatie toegewezen zetels toegewezen.
5.De restzetels worden achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten van de
combinatie waarvan de stemcijfers bij deling door de combinatiekiesdeler
de grootste overschotten hebben. Hierbij worden lijsten die geen
overschot hebben, geacht lijsten te zijn met het kleinste overschot.
Indien overschotten gelijk zijn, beslist het lot.
Artikel 2.83
1.Indien bij de toepassing van de artikelen 2.81 en 2.82 aan een lijst
meer zetels zouden moeten worden toegewezen dan er kandidaten zijn, gaan
de overblijvende zetel of zetels door voortgezette toepassing van dat
artikel over op een van de andere lijsten van de combinatie,
onderscheidenlijk van de belangengroepering, waarop kandidaten voorkomen
aan wie geen zetel is toegewezen.
2.Zijn er na toepassing van het eerste lid nog zetels toe te wijzen, dan
worden deze toegewezen volgens het stelsel van de grootste gemiddelden
als bedoeld in artikel 2.79, derde lid.
Artikel 2.84
De in de voorgaande artikelen bedoelde lotingen vinden plaats in de in
artikel 2.89 bedoelde zitting van het stembureau. De lotingen geschieden
op de wijze, bepaald krachtens artikel 2.40, vierde lid.
Artikel 2.85
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
betreffende de taak van het stembureau inzake de vaststelling van de
verkiezingsuitslag.
§ 15. De toewijzing van de zetels aan de kandidaten
Artikel 2.86
1.In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn
gekozen die kandidaten die op de lijst waarop zij voorkomen, een aantal
stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover
aan de lijst voldoende zetels zijn toegewezen. Indien aantallen gelijk
zijn, beslist zo nodig het lot.
2.De zetels, toegewezen aan de lijsten, die na toepassing van het eerste
lid nog niet aan een kandidaat zijn toegewezen, worden aan de nog niet
gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de
volgorde van de lijst.
Artikel 2.87
1.Het stembureau rangschikt ten aanzien van iedere lijst de daarop
voorkomende kandidaten zodanig, dat bovenaan komen te staan de
kandidaten aan wie een zetel is toegewezen met toepassing van artikel
2.86, in de volgorde waarin de zetels zijn toegewezen.
2.Vervolgens worden, in de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte
stemmen, gerangschikt de op de lijst voorkomende kandidaten die een
aantal stemmen hebben verkregen groter dan 25% van de kiesdeler, doch
die niet met toepassing van artikel 2.86 zijn gekozen verklaard. Indien
aantallen gelijk zijn, beslist de volgorde van de lijst.
3.Tenslotte worden, in de volgorde van de lijst, gerangschikt de overige
op de lijst voorkomende kandidaten.
4.De rangschikking blijft achterwege voor zover het lijsten betreft
waarop geen kandidaten gekozen zijn verklaard en die niet deel uitmaken
van een lijstencombinatie waaraan één of meer zetels zijn toegekend.
Artikel 2.88
Indien een gekozen kandidaat is overleden, wordt deze bij de toepassing
van deze paragraaf buiten beschouwing gelaten.
§ 16. De bekendmaking van de verkiezingsuitslag
Artikel 2.89
De voorzitter van het stembureau maakt de uitslag van de verkiezing zo
spoedig mogelijk bekend. De bekendmaking geschiedt in de openbare
zitting van het stembureau, bedoeld in artikel 2.74.
Artikel 2.90
Het stembureau kan op de in artikel 2.89 bedoelde zitting, voordat de
uitslag van de verkiezing bekend wordt gemaakt, hetzij ambtshalve,
hetzij naar aanleiding van een met opgave van redenen gedaan verzoek van
een of meer kiezers, tot een nieuwe opneming van stembiljetten of
elektronisch uitgebrachte stemmen besluiten, indien een ernstig
vermoeden bestaat dat bij de stemopneming zodanige fouten zijn gemaakt
dat zij van invloed op de zetelverdeling kunnen zijn.
Artikel 2.91
Nadat alle werkzaamheden zijn beëindigd, wordt daarvan aanstonds
proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal worden de uitslag van de
verkiezing, alsmede alle ingebrachte bezwaren vermeld.
Artikel 2.92
De voorzitter van het stembureau maakt de uitslag van de verkiezing zo
spoedig mogelijk openbaar door een afschrift van het proces-verbaal voor
een ieder ter inzage te leggen op het kantoor van het waterschap. Van de
terinzagelegging wordt tegelijk openbare kennisgeving gedaan door de
voorzitter van het waterschap.
Artikel 2.93
De voorzitter van het stembureau doet een afschrift van het
proces-verbaal toekomen aan het algemeen bestuur.
Artikel 2.94
1. De voorzitter van het waterschap draagt zorg voor de bewaring van de
verzegelde pakken met stembiljetten, gecodeerde retourenveloppen en
indien van toepassing de gegevensbestanden met de internetstemmen. Hij
vernietigt deze na drie maanden nadat over de toelating van de benoemden
onherroepelijk is beslist. Van deze vernietiging wordt proces-verbaal
opgemaakt.
2. De voorzitter van het waterschap is bevoegd de verzegelde pakken met
de stembiljetten, gecodeerde retourenveloppen en indien van toepassing
de gegevensbestanden met de internetstemmen, nadat onherroepelijk is
beslist over de toelating van de gekozen leden, ten dienste van een
onderzoek naar enig strafbaar feit aan de officier van justitie over te
dragen.
3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, vernietigt de
voorzitter van het waterschap de stembiljetten, gecodeerde
retourenveloppen en gegevensbestanden onmiddellijk na teruggave door de
officier van justitie.
§ 17. Het lidmaatschap
Artikel 2.95
1.De voorzitter van het stembureau geeft de benoemde schriftelijk kennis
van zijn benoeming. De brief, houdende deze kennisgeving, wordt
uiterlijk de dag na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing of
na de benoemdverklaring uitgereikt. Indien de benoemde daartoe een
gemachtigde heeft aangewezen, geschiedt de kennisgeving aan deze
gemachtigde.
2.De voorzitter van het stembureau geeft tegelijkertijd schriftelijk
kennis van de benoeming aan het algemeen bestuur. Deze kennisgeving
strekt de benoemde tot geloofsbrief.
Artikel 2.96
1.De benoemde of zijn gemachtigde deelt het algemeen bestuur uiterlijk
op de tiende dag na de dagtekening van de kennisgeving van benoeming,
bij brief mede dat hij de benoeming aanneemt. Bij benoeming in een
plaats die na de eerste samenkomst van het algemeen bestuur is
opengevallen doet hij deze mededeling uiterlijk op de achtentwintigste
dag na de dagtekening.
2.Is binnen die tijd de mededeling niet ontvangen, dan wordt hij geacht
de benoeming niet aan te nemen.
3.De voorzitter van het waterschap deelt aan de voorzitter van het
stembureau onverwijld mede, dat de benoemde de benoeming heeft
aangenomen, dan wel dat hij geacht wordt de benoeming niet aan te nemen.
4.Indien de benoemde de benoeming niet aanneemt, doet hij of zijn
gemachtigde daarvan binnen de in het eerste lid bedoelde termijn bij
brief mededeling aan de voorzitter van het stembureau. Deze geeft
hiervan kennis aan het algemeen bestuur.
5.Zolang nog niet, of nog niet onherroepelijk, tot toelating van de
benoemde is besloten, kan deze, onderscheidenlijk zijn gemachtigde,
schriftelijk aan het algemeen bestuur mededelen dat hij op de aanneming
van de benoeming terugkomt. Hij wordt dan geacht de benoeming niet te
hebben aangenomen. De voorzitter van het algemeen bestuur geeft van de
ontvangst van deze mededeling onverwijld kennis aan de voorzitter van
het stembureau.
Artikel 2.97
1.Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt, legt de
benoemde aan het algemeen bestuur een door hem ondertekende verklaring
over, vermeldende welke andere functies dan het lidmaatschap van het
algemeen bestuur hij vervult.
2.Tenzij de benoemde op het tijdstip van benoeming reeds lid was, legt
hij tevens een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente waar hij als
ingezetene is ingeschreven over, waaruit zijn woonplaats, datum en
plaats van de geboorte blijken.
Artikel 2.98
1.Het algemeen bestuur onderzoekt de geloofsbrief en beslist of de
benoemde als lid wordt toegelaten. Daarbij gaat het na, of de benoemde
aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet en geen met het
lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, alsmede of er gebleken is
van ernstige onregelmatigheden bij de verkiezing of benoeming, en
beslist het de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrief of de
verkiezing zelf rijzen. Indien de benoemde voor de eerste samenkomst van
het nieuw gekozen algemeen bestuur de voor het lidmaatschap vereiste
leeftijd zal hebben bereikt, wordt daarmee bij het nemen van de
beslissing rekening gehouden. De wijze waarop het onderzoek van de
geloofsbrieven geschiedt, wordt geregeld in het reglement van orde van
het algemeen bestuur.
2.Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de
geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.
3.Betreft het de toelating van degene die is benoemd in een tussentijds
opengevallen plaats, dan strekt het onderzoek zich niet uit tot punten
die het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag
betreffen.
4.Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan het
algemeen bestuur tot een nieuwe opneming van stembiljetten of per
internet uitgebrachte stemmen besluiten. De voorzitter van het
waterschap die de desbetreffende stembiljetten of gegevensbestanden met
internetstemmen onder zich heeft, doet deze op verzoek van het algemeen
bestuur onverwijld naar het stembureau overbrengen. Na ontvangst van de
stembiljetten of gegevensbestanden gaat het stembureau onmiddellijk tot
de opneming over.
Artikel 2.99
De ongeldigheid van de stemming in één of meer kiesdistricten of een
onjuistheid in de vaststelling van de uitslag van de verkiezing staat
niet in de weg aan de toelating van de leden, op wier verkiezing de
ongeldigheid of onjuistheid geen invloed kan hebben gehad, en, in geval
van ongeldigheid van de stemming, de nieuwe stemming geen invloed kan
hebben.
Artikel 2.100
1.Indien het algemeen bestuur besluit tot niet-toelating van één of
meer leden wegens de ongeldigheid van de stemming geeft de voorzitter
daarvan onverwijld kennis aan het dagelijks bestuur.
2.Uiterlijk op de zestigste dag nadat deze kennisgeving is ontvangen,
vindt een nieuwe stemming plaats en wordt de uitslag van de verkiezing
opnieuw vastgesteld. De periode van de stemming wordt vastgesteld door
het dagelijks bestuur.
3.Aan de in het tweede lid bedoelde stemming zijn de kiezers bevoegd
deel te nemen die kiesgerechtigd waren op de oorspronkelijke dag van
kandidaatstelling.
4.Bij deze vaststelling blijft degene die reeds als lid is toegelaten,
gekozen verklaard, ook indien mocht blijken dat dit ten onrechte is
geschied. Tegenover hem valt dan af de kandidaat die, indien de
toegelatene niet gekozen was verklaard, gekozen zou zijn.
Artikel 2.101
Indien het algemeen bestuur heeft besloten om één of meer van de
benoemde leden wegens de onjuistheid van de vaststelling van de uitslag
van de verkiezing niet toe te laten, wordt daarvan door de voorzitter
onverwijld kennis gegeven aan het stembureau.
Artikel 2.102
1.Uiterlijk op de veertiende dag nadat de kennisgeving, bedoeld in
artikel 2.101 is ontvangen, houdt het stembureau een openbare zitting en
stelt het met inachtneming van de indat artikel bedoelde beslissing de
uitslag van de verkiezing voor zover nodig opnieuw vast.
2.De artikelen 2.89 en 2.91 tot en met 2.93, zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.Het onderzoek van de geloofsbrief van de aldus nieuw gekozen
verklaarde strekt zich niet uit tot punten, die het verloop van de
verkiezing raken.
Artikel 2.103
Indien het algemeen bestuur heeft besloten de benoemde niet als lid toe
te laten op de grond dat hij niet voldoet aan de vereisten voor het
lidmaatschap, dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking
vervult of dat de benoemdverklaring van de voorzitter van het stembureau
in strijd is met paragraaf 18, geeft de voorzitter van het algemeen
bestuur daarvan onverwijld kennis aan de voorzitter van het stembureau.
Artikel 2.104
Het lidmaatschap van een tot lid van het algemeen bestuur benoemde vangt
aan zodra zijn toelating onherroepelijk is geworden.
Artikel 2.105
De beslissing betreffende de toelating van de tot lid van het algemeen
bestuur benoemden wordt onverwijld genomen.
Artikel 2.106
1.Elke beslissing betreffende de toelating van de tot lid van het
algemeen bestuur benoemden wordt door het dagelijks bestuur terstond aan
de benoemde bekendgemaakt.
2.Aan de niet-toegelatene worden de redenen van de beslissing
meegedeeld.
3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien door het
algemeen bestuur, wegens staking van stemmen over een voorstel omtrent
toelating geen beslissing is genomen.
Artikel 2.107
1. Indien op het tijdstip van aftreding van de leden de goedkeuring van
de geloofsbrieven van meer dan de helft van het bij reglement
voorgeschreven aantal leden niet onherroepelijk is geworden, houden de
leden zitting, totdat zulks is geschied. Gedurende deze tijd oefenen de
bij de verkiezing gekozen leden hun functie niet uit.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het tijdstip van
instelling van een waterschap, met dien verstande dat gedurende deze
tijd de leden van het ingevolge artikel 28, eerste lid, van de wet
aangewezen waterschap zitting houden. Het dagelijks bestuur en het
algemeen bestuur nemen gedurende deze tijd slechts besluiten die geen
uitstel kunnen lijden.
3. Een plaats die openvalt na het tijdstip van aftreding, wordt vervuld
op dezelfde wijze, als zou zijn geschied, indien zij voor dat tijdstip
zou zijn opengevallen.
§ 18. De opvolging
Artikel 2.108
Wanneer, anders dan bij de vaststelling van de uitslag van een
verkiezing, in een opengevallen plaats moet worden voorzien, verklaart
de voorzitter van het stembureau bij een met redenen omkleed besluit
benoemd, uiterlijk op de veertiende dag nadat dit te zijner kennis is
gekomen, de daarvoor in aanmerking komende kandidaat die in de volgorde,
bedoeld in artikel 2.87, het hoogst is geplaatst op de lijst waarop
degene die moet worden opgevolgd, is gekozen. Indien het lid in wiens
plaats moet worden voorzien, ontslag heeft genomen met ingang van een
bepaald tijdstip, vangt de termijn, bedoeld in de eerste volzin, aan op
dat tijdstip.
Artikel 2.109
1.Bij de toepassing van artikel 2.108 wordt buiten beschouwing gelaten
de kandidaat:
a. die is overleden;
b. aan wie tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
bevalling of wegens ziekte;
c. wiens vacature vervuld wordt;
d. die in de vacature benoemd is verklaard, maar schriftelijk verklaard
heeft of geacht wordt de benoeming niet aan te nemen, de in artikel 2.97
genoemde stukken niet tijdig heeft ingezonden of bij onherroepelijk
besluit niet tot het algemeen bestuur is toegelaten;
e. die lid is van het algemeen bestuur of als zodanig benoemd is
verklaard, terwijl over zijn toelating als lid nog niet onherroepelijk
is beslist, tenzij hij is benoemd tot vervanger voor de plaats die is
opengevallen als gevolg van een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel
2.118;
f. van wie door de voorzitter van het stembureau een schriftelijke
verklaring is ontvangen dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst
te komen;
g. die niet benoembaar is ingevolge artikel 31 van de wet.
2.Een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan worden
ingetrokken.
Artikel 2.110
1.Indien bij de toepassing van deze paragraaf geen kandidaat meer voor
benoeming in aanmerking komt op de lijst waarop degene is gekozen die
moet worden opgevolgd, en deze lijst tezamen met één of meer andere
lijsten een lijstencombinatie vormt, gaat de zetel door toepassing van
artikel 2.81over op één van die andere lijsten. De kandidaat van deze
lijst die naar de volgorde, vastgesteld overeenkomstig artikel 2.87,
voor benoeming in aanmerking komt, wordt benoemd verklaard. Komt ook op
deze lijst geen kandidaat meer voor benoeming in aanmerking, dan wordt
de plaats aan een andere van de combinatie deel uitmakende lijst
toegekend door verdere toepassing van het in dit artikel bepaalde, en zo
vervolgens.
2.Indien bij de toepassing van het eerste lid op geen van de lijsten een
kandidaat meer voor benoeming in aanmerking komt, beslist de voorzitter
van het stembureau dat geen opvolger kan worden benoemd.
Artikel 2.111
1.Indien de toepassing van artikel 2.110 tot een beslissing door het lot
aanleiding geeft, zal de loting plaats hebben in een zitting van het
stembureau.
2.Op de in het eerste lid bedoelde zitting vinden deartikelen 2.89 en
2.91 overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.112
De voorzitter van het stembureau doet een afschrift van het
benoemingsbesluit toekomen aan het algemeen bestuur.
Artikel 2.113
Iedere benoeming die met toepassing van deze paragraaf geschiedt, wordt
terstond bekendgemaakt.
§ 19. Einde van het lidmaatschap
Artikel 2.114
1.Indien sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 31, derde lid, of
artikel 33, vierde lid, van de wet, geeft de voorzitter van het
waterschap hiervan onverwijld kennis aan de voorzitter van het
stembureau.
2.Een overeenkomstige kennisgeving vindt plaats, indien door overlijden
van een lid een plaats in het algemeen bestuur is opengevallen.
Artikel 2.115
1.Een lid, tot wiens toelating onherroepelijk is besloten, kan te allen
tijde zijn ontslag nemen. Ontslagneming met terugwerkende kracht is niet
mogelijk.
2.Hij bericht dit schriftelijk aan de voorzitter van het waterschap.
Deze geeft hiervan onverwijld kennis aan de voorzitter van het
stembureau.
3.Op een ingediend ontslag kan niet worden teruggekomen.
Artikel 2.116
Het lid dat zijn ontslag heeft ingezonden, houdt op lid te zijn met
ingang van de datum van zijn ontslagname.
Artikel 2.117
Artikel 2.14 is van toepassing op een besluit als bedoeld in de
artikelen X 5 en X 8 van de Kieswet ingeval de situatie genoemd in de
artikelen 31, derde lid, en 33, vierde lid, van de wet optreedt.
§ 20. Tijdelijk ontslag en vervanging wegens zwangerschap en bevalling
of ziekte
Artikel 2.118
1.De voorzitter van het waterschap verleent aan een lid van het algemeen
bestuur dat is toegelaten op diens verzoek tijdelijk ontslag wegens
zwangerschap en bevalling op de in het verzoek vermelde dag die ligt
tussen ten hoogste zes en ten minste vier weken voor de vermoedelijke
datum van de bevalling die blijkt uit een door het lid overgelegde
verklaring van een arts of verloskundige. Aan het verzoek, bedoeld in de
eerste volzin, wordt niet voldaan indien het tijdstip waarop het verzoek
wordt gedaan, ligt binnen een periode van zestien weken voor het einde
van de zittingsduur van het algemeen bestuur.
2.De voorzitter van het waterschap verleent aan een lid van het algemeen
bestuur op diens verzoek tijdelijk ontslag, indien het lid wegens ziekte
niet in staat is het lidmaatschap uit te oefenen en blijkens de
verklaring van een arts aannemelijk is dat hij de uitoefening van het
lidmaatschap niet binnen acht weken zal kunnen hervatten. Het tijdelijk
ontslag gaat in op de dag na de bekendmaking van de beslissing op het
verzoek. Aan het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, wordt niet
voldaan indien het tijdstip waarop het verzoek wordt gedaan ligt binnen
een periode van zestien weken voor het einde van de zittingsduur van het
algemeen bestuur.
3.Het lidmaatschap van het lid aan wie tijdelijk ontslag als bedoeld in
het eerste of het tweede lid is verleend, herleeft van rechtswege met
ingang van de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag van
ingang van het tijdelijk ontslag.
4.Aan het lid van het algemeen bestuur wordt ten hoogste drie maal per
zittingsperiode tijdelijk ontslag als bedoeld in het eerste of het
tweede lid verleend.
Artikel 2.119
1.De voorzitter van het waterschap beslist op een verzoek tot tijdelijk
ontslag als bedoeld in artikel 2.118, eerste of tweede lid, zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk op de veertiende dag na indiening van het
verzoek.
2.De beslissing op het verzoek tot tijdelijk ontslag geschiedt in
overeenstemming met de verklaring van de arts of verloskundige, bedoeld
in artikel 2.118, eerste of tweede lid.
3.Een beslissing tot tijdelijk ontslag bevat de dag van ingang van het
ontslag.
4.De voorzitter van het waterschap geeft van een beslissing tot
tijdelijk ontslag onverwijld kennis aan de voorzitter van het
stembureau.
Artikel 2.120
1.De voorzitter van het stembureau benoemt een vervanger voor de plaats
die is opengevallen als gevolg van een tijdelijk ontslag als bedoeld in
deze paragraaf. Op deze benoeming zijn de paragrafen 17 tot en met 19
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van
artikel 2.96, eerste lid, de benoeming uiterlijk op de tiende dag na de
dagtekening van de kennisgeving van benoeming wordt aangenomen.
2.Degene die als vervanger is benoemd, houdt op lid te zijn met ingang
van de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag van ingang
van het tijdelijk ontslag, onverminderd de mogelijkheid dat het
vervangend lidmaatschap ingevolge dit besluit op een eerder tijdstip
eindigt.
3.Indien de vervanger van een lid van het algemeen bestuur aan wie
tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of
ziekte, voortijdig ontslag neemt, dan wel wordt benoemd tot lid van het
algemeen bestuur voor een plaats die is opengevallen anders dan als
gevolg van een tijdelijk ontslag, benoemt de voorzitter van het
stembureau een nieuwe tijdelijke vervanger voor de resterende periode
van het tijdelijk ontslag.
§ 21. Overige bepalingen
Artikel 2.121
Een openbare kennisgeving, als bedoeld in de artikelen 2.1, derde
lid,2.13, 2.16, eerste lid, 2.41, 2.43, tweede lid, 2.52, eerste lid,
en2.92 geschiedt op de in het waterschap gebruikelijke wijze.
Artikel 2.122
Een besluit als bedoeld in de artikelen 2.10, 2.11, 2.12, 2.31, 2.117,
alsmede een besluit dat is genomen op grond van de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 2.45, derde lid, is een besluit als bedoeld
in artikel 21, eerste lid, van de wet.
Artikel 2.123
Deparagrafen 17 tot en met 20 zijn van overeenkomstige toepassing op de
leden van het algemeen bestuur die zijn benoemd door de organisaties,
bedoeld in artikel 14 van de wet.
Artikel 2.124
Bij de instelling van een waterschap kan bij reglement worden bepaald
dat wordt afgeweken van de in dit besluit gestelde termijnen en
stemmingsperiode.
Hoofdstuk 3. De rechtspositie van de leden van het waterschapsbestuur
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 3.1
1.In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
bezoldiging: bedrag per maand waarop een voorzitter of een lid van het
dagelijks bestuur aanspraak kan maken;
FPU-uitkering: de uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen
en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst
overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het
Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP, waarbij onder de
Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel wordt
verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van de
Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en onder het Pensioenreglement
van de Stichting pensioenfonds ABP wordt verstaan het reglement van die
stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;
lid van het algemeen bestuur: lid van het algemeen bestuur van een
waterschap, dat niet tevens lid van het dagelijks bestuur van dat
waterschap is;
lid van het dagelijks bestuur: lid van het dagelijks bestuur van een
waterschap, dat niet tevens voorzitter is van dat waterschap;
plaatsvervangend voorzitter: het lid van het dagelijks bestuur dat tot
plaatsvervanger van de voorzitter is aangewezen;
salarisschaal: een als zodanig in bijlage B van Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermelde reeks van genummerde
salarissen;
tijdsbestedingsnorm: het deel van de werkweek dat de voorzitter in staat
dient te worden gesteld aan het voorzitterschap te besteden, uitgedrukt
in een percentage van een voltijdsfunctie;
tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen bestuur:
tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap, bedoeld in de artikelen
23, tweede lid, van de wet, artikel 33, vierde lid, van de wet juncto
artikel X 8, eerste tot en met vijfde lid, van de Kieswet, en de
artikelen 2.114 en 2.116;
tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks
bestuur: tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen
bestuur en het tijdstip van beëindiging, bedoeld in artikel 41, vierde
en vijfde lid, van de wet;
vergoeding: maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden verbonden aan
het lidmaatschap van het algemeen bestuur.
2.In dit hoofdstuk wordt onder het provinciaal bestuur onderscheidenlijk
(het college van) gedeputeerde staten verstaan het provinciaal bestuur
onderscheidenlijk (het college of de colleges van) gedeputeerde staten
van de provincie of de provincies waarin het waterschap is gelegen.
§ 2. Vergoedingen en tegemoetkoming leden algemeen bestuur
Artikel 3.2
1. Aan een lid van het algemeen bestuur wordt een vergoeding toegekend
van€442,68.
2. Het bedrag van de vergoeding wordt per 1 januari van elk jaar bij
ministeriële regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties gewijzigd aan de hand van het door het Centraal
Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande
kalenderjaar vastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid, inclusief
bijzondere beloningen.
Artikel 3.3
Het algemeen bestuur kan bij verordening tot ten hoogste 20% naar
beneden afwijken van de vergoeding, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid.
Artikel 3.4
Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 50% van
de vergoeding wordt uitgekeerd, berekend naar rato van het aantal
gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het lid
van het algemeen bestuur op basis van het aantal bijgewoonde
vergaderingen.
Artikel 3.5
1.De vergoeding gaat in op de dag van de beëdiging.
2.De vergoeding eindigt op het tijdstip van de beëindiging van het
lidmaatschap van het algemeen bestuur.
Artikel 3.6
Op de leden van het algemeen bestuur zijn van overeenkomstige toepassing
de regelingen ten behoeve van ambtenaren van het waterschap ten aanzien
van reis- en verblijfkosten en vergoeding van telefoonkosten.
Artikel 3.7
Het algemeen bestuur kan nadere regels stellen over het ter beschikking
stellen van computerapparatuur, over een tegemoetkoming voor de
belastingheffing als gevolg hiervan, en over een vergoeding voor de
aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor deze
apparatuur.
Artikel 3.8
Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat een lid van het
algemeen bestuur ten laste van het waterschap een tegemoetkoming in de
kosten van een ziektekostenverzekering ontvangt van € 175,– per
jaar.
Artikel 3.9
Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat een lid van het
algemeen bestuur, naar in de verordening te stellen regels, ten laste
van het waterschap een tegemoetkoming ontvangt ter zake van kosten voor
scholing in verband met de vervulling van het lidmaatschap van het
algemeen bestuur.
Artikel 3.10
1.De artikelen van deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op
het lid van het algemeen bestuur aan wie ingevolge artikel 2.118
tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of
ziekte, met dien verstande dat, indien toepassing is gegeven aan artikel
3.4, dit lid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die
gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.
2.Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel 2.118 wordt niet
aangemerkt als beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen
bestuur als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
§ 3. Bezoldiging en tegemoetkoming in kosten leden dagelijks bestuur
waterschap
Artikel 3.11
1. Een lid van het dagelijks bestuur geniet een bezoldiging van €
3.487,84[Red: Per 31-12-2009 en met terugwerkende kracht tot en met 1
april 2009: €3.557,60.] , met dien verstande dat het totaal van de
bezoldiging van de leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van
de voorzitter, wordt gesteld op ten hoogste 500% van dit bedrag.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de bezoldiging van de
individuele leden van het dagelijks bestuur op een hoger of lager bedrag
worden gesteld, mits het totaal van de bezoldiging, met uitzondering van
de voorzitter, niet meer bedraagt dan 500% van het in het eerste lid
genoemde bedrag.
3. Als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijziging
ondergaat, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag overeenkomstig
gewijzigd.
Artikel 3.12
De aanspraak op de bezoldiging door het lid van het dagelijks bestuur
begint op de dag van de benoeming en eindigt op het tijdstip van de
beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur.
Artikel 3.12a
1. Voor 1 april van elk jaar of binnen twee maanden na zijn beëdiging
verstrekt het lid van het dagelijks bestuur aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel een door hem
aangewezen instantie, een opgave van de neveninkomsten welke hij
verwacht over het desbetreffende kalenderjaar of gedeelte daarvan te
zullen genieten, dan wel een verklaring, dat hij verwacht niet meer dan
14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten over dat jaar of
een evenredig deel daarvan over het desbetreffende gedeelte van dat jaar
te zullen genieten.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel
de door hem aangewezen instantie, deelt het dagelijks bestuur het bedrag
van de voorlopige aftrek op de bezoldiging mede en verstrekt een
afschrift daarvan aan het lid van het dagelijks bestuur.
3. Het lid van het dagelijks bestuur kan een verklaring inzenden dat een
opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven. In dit geval, alsmede
indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen opgave of
verklaring is ingezonden, bedraagt de bezoldiging over dat kalenderjaar
65% van de bezoldiging op jaarbasis.
4. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar zendt het lid van
het dagelijks bestuur of zenden zijn nabestaanden aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel de door hem
aangewezen instantie, een opgave van de neveninkomsten welke over dat
kalenderjaar zijn genoten, dan wel een verklaring dat over dat jaar niet
meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis of, indien het lid van het
dagelijks bestuur een gedeelte van het kalenderjaar lid van het
dagelijks bestuur is geweest, een evenredig deel van dit bedrag, is
genoten.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel
de door hem aangewezen instantie, deelt het dagelijks bestuur zo spoedig
mogelijk na ontvangst van de in het vierde lid bedoelde opgave of
verklaring het bedrag van de definitieve aftrek op de bezoldiging mede
en verstrekt een afschrift daarvan aan het lid van het dagelijks
bestuur.
6. Indien een opgave of verklaring als in het vierde lid bedoeld, niet
binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar is ontvangen, bedraagt
de bezoldiging over dat kalenderjaar 65% van de bezoldiging op
jaarbasis.
7. Het lid van het dagelijks bestuur zendt aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel de door hem
aangewezen instantie, zo spoedig mogelijk tevens een afschrift van de
aanslag voor de inkomstenbelasting over het betreffende kalenderjaar.
Het bedrag van de uitbetaalde bezoldiging kan, al dan niet op verzoek
van het lid van het dagelijks bestuur, worden herzien, indien op grond
van de onherroepelijk geworden aanslag in de inkomstenbelasting daartoe
aanleiding blijkt te bestaan.
8. Bij de toepassing van het vijfde, zesde en zevende lid vindt zo nodig
terugbetaling of verrekening plaats.
9. Dit artikel is niet van toepassing op het lid van het dagelijks
bestuur op wie artikel 173 van de Waterschapswet van toepassing is, en
het lid van het dagelijks bestuur dat zijn ambt in deeltijd vervult.
Artikel 3.13
1.Het lid van het dagelijks bestuur heeft aanspraak op een
vakantie-uitkering en een eindejaarsuitkering overeenkomstig de regels
die te dien aanzien voor het personeel in de sector Rijk zijn
vastgesteld.
2.Indien aan het personeel in de sector Rijk een eenmalige uitkering
wordt toegekend, ontvangt het lid van het dagelijks bestuur een
uitkering op gelijke voet.
Artikel 3.14
Op het lid van het dagelijks bestuur zijn van overeenkomstige toepassing
de regelingen ten behoeve van de ambtenaren van het waterschap ten
aanzien van verhuiskosten, reis- en verblijfkosten en telefoonkosten.
Artikel 3.15
1. Op aanvraag wordt ten laste van het waterschap aan het lid van het
dagelijks bestuur voor de uitoefening van het ambt, een computer,
bijbehorende apparatuur, software en communicatieapparatuur in bruikleen
ter beschikking gesteld.
2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur, software en
communicatieapparatuur ter beschikking is gesteld wordt door het
algemeen bestuur aan het lid van het dagelijks bestuur op aanvraag, voor
de uitoefening van het ambt, een tegemoetkoming verleend voor aanschaf
van een computer, bijbehorende apparatuur, software en
communicatieapparatuur.
3. Op aanvraag wordt door het algemeen bestuur een vergoeding aan het
lid van het dagelijks bestuur verleend voor de aanleg- en de
abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of
het tweede lid genoemde computerapparatuur.
4. Het algemeen bestuur kan bij verordening nadere regels stellen over
het ter beschikking stellen van computer- en communicatieapparatuur en
de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid en de vergoeding,
bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.16
1.In geval van ziekte welke in overwegende mate haar oorzaak vindt:
a. in de aard van de aan de functie van lid van het dagelijks bestuur
verbonden werkzaamheden; of
b. in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden
verricht; en
c. niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid is te wijten,
kunnen de naar het oordeel van dagelijks bestuur noodzakelijk gemaakte
kosten van geneeskundige behandeling of verzorging, voor zover deze
kosten ten laste van het lid van het dagelijks bestuur blijven, aan dat
lid voor rekening van het waterschap worden vergoed.
2.Ter zake van andere schade, voortvloeiende uit de in het eerste lid
bedoelde werkzaamheden of omstandigheden, kunnen de nadere
voorschriften, zoals deze door het dagelijks bestuur ten aanzien van
haar ambtelijk personeel eventueel zijn vastgesteld, van overeenkomstige
toepassing worden verklaard op de leden van het dagelijks bestuur.
Artikel 3.17
Artikel 3.9 en artikel 3.40, eerste en tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. Rechtspositie voorzitters waterschappen
Artikel 3.18
De voorzitter kan op verzoek van het waterschapsbestuur of van het
college van gedeputeerde staten bij koninklijk besluit worden geschorst
in het belang van een goede uitoefening van het ambt. Het
schorsingsbesluit bevat in ieder geval:
a. het tijdstip waarop de schorsing ingaat;
b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.
Artikel 3.19
1.De voorzitter wordt op zijn aanvraag ontslagen of wordt op zijn
verzoek na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd.
2.Aan de voorzitter die ontslag vraagt met het oog op een FPU-uitkering,
wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds
vrijwillig uittreden overheidspersoneel en het bestuur van de Stichting
pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben
vastgesteld dat na het ontslag recht bestaat op de FPU-uitkering. Het
ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht
op de FPU-uitkering ontstaat. Met een aanvraag tot ontslag wordt
gelijkgesteld een verzoek om niet te worden herbenoemd.
3.Het ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend, tenzij
naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen
verzetten.
Artikel 3.20
Aan de voorzitter wordt bij koninklijk besluit met ingang van de eerste
dag van de maand, volgende op die waarin hij de leeftijd van zeventig
jaar heeft bereikt, eervol ontslag verleend.
Artikel 3.21
1. Anders dan op eigen aanvraag kan aan de voorzitter ontslag worden
verleend op grond van:
a. ongeschiktheid tot het uitoefenen van zijn ambt wegens ziekte;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt,
anders dan uit hoofde van ziekte;
c. opheffing van het waterschap;
d. een aanbeveling van het algemeen bestuur tot ontslag wegens een
verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur;
e. andere gronden.
2. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts
plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het uitoefenen van zijn ambt
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van zes maanden,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de
in onderdeel a genoemde termijn van zes maanden te verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de
voorzitter binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan
te bieden, dan wel indien de voorzitter geweigerd heeft deze arbeid te
aanvaarden.
3. Het ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, b en c, van
dit artikel wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste
lid, onderdelen d en e, van dit artikel wordt eervol verleend, tenzij
naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen
verzetten.
4. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie, als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door
een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen, en indien de
voorzitter dit wenst een door de voorzitter aangewezen geneeskundige. De
voorzitter is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en
wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek
en de in de vorige zin bedoelde mogelijkheid. Indien de voorzitter geen
medewerking verleent, zijn de in het tweede lid, onder b en c, genoemde
voorwaarden niet van toepassing.
Artikel 3.22 [Vervallen per 08-01-2009]
Artikel 3.23 [Vervallen per 08-01-2009]
Artikel 3.24
1.De voorzitter geniet een bezoldiging waarvan de hoogte overeenkomt met
het maximum van salarisschaal 18, tenzij een tijdsbestedingsnorm is
vastgesteld die lager ligt dan 100%. In dat geval is de bezoldiging
gelijk aan het bedrag dat naar rato van de tijdsbestedingsnorm is
bepaald.
2.Op verzoek van het algemeen bestuur kan Onze Minister, gedeputeerde
staten gehoord, een tijdsbestedingsnorm vaststellen.
Artikel 3.25
De aanspraak op de bezoldiging begint op de dag dat de benoeming ingaat
en eindigt met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat of met ingang
van de dag, volgende op die van het overlijden.
Artikel 3.26
Bij besluit van het algemeen bestuur kan de voorzitter een ambtstoelage
worden toegekend voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden
kosten, tot een bedrag dat maximaal 3% bedraagt van het maximum van
salarisschaal 18.
Artikel 3.26a
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:
a. de verstrekkingen, bedoeld in artikel 3.15, eerste lid;
b. de ambtstoelage, bedoeld in artikel 3.26.
Artikel 3.27
1.Een voorzitter die wegens geoorloofde afwezigheid verhinderd is zijn
ambt te vervullen, behoudt gedurende deze verhindering zijn bezoldiging.
2.Wanneer een voorzitter buitengewoon verlof verzoekt en de duur daarvan
een aaneengesloten periode van zes weken te boven gaat, kan het algemeen
bestuur bij het verlenen van het verlof bepalen, dat gedurende die
langere periode de bezoldiging en de ambtstoelage geheel of gedeeltelijk
wordt ingehouden.
Artikel 3.28
Een voorzitter die geschorst is, behoudt gedurende de schorsing zijn
bezoldiging.
Artikel 3.29 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 3.30 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 3.31
Indien een voorzitter langer dan acht dagen wegens ziekte zijn ambt niet
kan uitoefenen geeft hij daarvan kennis aan het dagelijks bestuur van
het waterschap.
Artikel 3.32 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 3.33
De voorzitter geniet bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig de
voor het waterschapspersoneel geldende voorschriften.
Artikel 3.34
Degene die op grond van artikel 51a van de wet, gedurende meer dan
dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter
is belast geweest, geniet voor die tijd, ten laste van het waterschap,
een vergoeding ten bedrage van de voor dat ambt vastgestelde
bezoldiging. Indien de waarneming geschiedt door een lid van het
dagelijks bestuur wordt de vergoeding verminderd met hetgeen als lid van
het dagelijks bestuur aan bezoldiging wordt ontvangen.
Artikel 3.35
1. In geval van ziekte welke in overwegende mate haar oorzaak vindt:
a. in de aard van de aan de functie van voorzitter verbonden
werkzaamheden, of
b. in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden
verricht, en
c. niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, kunnen de
naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk gemaakte kosten
van geneeskundige behandeling of verzorging, voor zover deze kosten ten
laste van de voorzitter blijven, aan de voorzitter voor rekening van het
waterschap worden vergoed.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
voorzitter.
Artikel 3.36
Aan de voorzitter wordt een ambtsjubileumgratificatie en een
dienstjubileumgratificatie toegekend overeenkomstig de regeling die
geldt voor de ambtenaren van het waterschap.
Artikel 3.37 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 3.38 [Vervallen per 08-01-2009]
Artikel 3.39 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 3.40
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de voorzitter wordt aan de
weduwe of weduwnaar van wie de overleden voorzitter niet duurzaam
gescheiden leefde ten laste van het waterschap een bedrag uitgekeerd,
gelijk aan de bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, over
drie maanden, berekend naar het tijdstip van overlijden. Indien de
overledene geen weduwe of weduwnaar van wie de overleden voorzitter niet
duurzaam gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve
van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige
kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van
enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan
degenen die geheel of gedeeltelijk afhankelijk waren van de bezoldiging
van de voorzitter.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar
mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene
met wie de overleden voorzitter ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke
huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid,
van de Algemene nabestaandenwet.
Artikel 3.41
Op de voorzitter zijn de artikelen 3.9, 3.12a tot en met 3.16 van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. De beleidsvoorbereiding en de verantwoording
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 4.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
begroting na wijziging: de begroting zoals deze luidt na verwerking van
alle door het algemeen bestuur lopende het begrotingsjaar vastgestelde
begrotingswijzigingen;
CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek;
deelneming: een participatie in een besloten of naamloze vennootschap,
waarin het waterschap aandelen heeft;
EMU: de Economische en Monetaire Unie;
EMU-saldo: het vorderingensaldo op transactiebasis van de gehele sector
overheid, met inbegrip van de centrale overheid, sociale fondsen en
lokale overheden;
financieel belang: een aan de verbonden partij ter beschikking gesteld
bedrag dat niet verhaalbaar is indien de verbonden partij failliet gaat
onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien
de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt;
kosten- en opbrengstsoorten: indeling waarmee de lasten en baten naar
hun aard worden gerangschikt;
kostendragers: indeling waarmee de netto-kosten worden gerangschikt naar
de taken die in het reglement aan het waterschap worden opgedragen of
door het algemeen bestuur worden onderscheiden en waarvoor een aparte
belasting wordt geheven;
netto-kosten: kosten die aan een bepaald programma, een bepaald product
of een bepaalde kostendrager worden toegerekend en waarvan zijn
afgetrokken de baten (met uitzondering van de belastingopbrengsten en
andere algemene opbrengsten) die aan hetzelfde programma of product
danwel dezelfde kostendrager worden toegerekend;
overheden: Rijk, provincies, gemeenten, andere waterschappen,
gemeenschappelijke regelingen, sociale fondsen en entiteiten die worden
gefinancierd en gecontroleerd door de overheid;
programma: een samenhangend geheel van activiteiten;
verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke
organisatie waarin het waterschap een bestuurlijk en een financieel
belang heeft. Onder bestuurlijk belang wordt verstaan zeggenschap,
hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit
hoofde van stemrecht.
Artikel 4.2
1.Voor de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de
uitvoeringsinformatie wordt het stelsel van baten en lasten gehanteerd.
2.De baten en de lasten van het begrotingsjaar worden in de
meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de
uitvoeringsinformatie opgenomen, onverschillig of zij tot inkomsten of
uitgaven in dat jaar leiden, onderscheidenlijk hebben geleid.
3.Onder de baten en lasten worden ook begrepen de over het eigen
vermogen en de voorzieningen berekende bespaarde rente.
4.De kostentoerekening die door het waterschap wordt toegepast vindt
plaats op basis van objectieve, bedrijfseconomische criteria.
5.Het is niet geoorloofd in de begroting en in de jaarrekening lasten en
baten, activa en passiva alsmede balansmutaties tegen elkaar te laten
wegvallen, indien zij krachtens dit besluit in afzonderlijke posten
moeten worden opgenomen.
Artikel 4.3
1.De meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de
uitvoeringsinformatie geven volgens normen die voor waterschappen als
aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord
oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de
ontwikkeling van de netto-kosten. In het bijzonder het algemeen bestuur
moet in staat worden gesteld zich een zodanig oordeel te vormen.
2.De meerjarenraming, de begroting, de uitvoeringsinformatie daarbij en
de toelichtingen geven duidelijk en stelselmatig de omvang van de
geraamde netto-kosten. De begroting geeft tevens duidelijk en
stelselmatig inzicht in de financiële positie.
3.De jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de toelichtingen
geven getrouw, duidelijk en stelselmatig de netto-kosten, de
balansmutaties en de omvang van de balansposten van het begrotingsjaar
weer. De jaarrekening geeft tevens een getrouw, duidelijk en
stelselmatig inzicht in de financiële positie aan het einde van het
begrotingsjaar.
Artikel 4.4
1.De indeling van de begroting en de jaarverslaggeving is identiek.
2.Indien de indeling van de meerjarenraming, de begroting, de
jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie afwijkt van die van het
voorafgaande begrotingsjaar worden in de toelichting de verschillen
aangegeven en worden de redenen die tot de afwijking hebben geleid
uiteengezet.
3.Onderdelen van de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving
en de uitvoeringsinformatie die krachtens dit besluit worden
onderscheiden, maar die voor een waterschap niet van toepassing zijn,
kunnen worden weggelaten.
4.Indien dit noodzakelijk is voor het in artikel 4.3 bedoelde inzicht,
kan een waterschap afwijken van de krachtens de paragrafen 3 tot en met
6 van dit hoofdstuk gestelde eisen aan de inrichting. Deze afwijking
wordt in de toelichting op het betreffende onderdeel van de
meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de
uitvoeringsinformatie vermeld.
Artikel 4.5
1.Verbonden partijen worden niet geconsolideerd in de begroting en
jaarverslaggeving.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op rechtspersonen die zijn
opgericht ten behoeve van de in artikel 4.42, eerste lid, eerste volzin,
bedoelde activa en waarin het waterschap het volledige financieel belang
alsmede de feitelijke zeggenschap heeft.
§ 2. De meerjarenraming en de toelichting
Artikel 4.6
1.De meerjarenraming bevat het naar programma’s onderscheiden beleid
dat door het waterschap zal worden gevoerd en de financiële gevolgen
daarvan, waaronder de netto-kosten van het bestaande en het nieuwe
beleid, voor het komende begrotingsjaar alsmede voor tenminste de drie
jaren volgend op het komende begrotingsjaar.
2.De meerjarenraming bevat per programma ten minste de volgende
informatie:
a. de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde effecten;
b. de wijze waarop er naar gestreefd zal worden die effecten te
bereiken;
c. de geraamde netto-kosten.
Artikel 4.7
In de toelichting op de meerjarenraming wordt ten minste afzonderlijke
aandacht besteed aan:
a. de externe en interne ontwikkelingen die relevant zijn voor het
beleid van het waterschap;
b. gehanteerde kwantitatieve uitgangspunten en normen voor
lastenstijgingen, batenstijgingen dan wel lastendalingen of
batendalingen die aan de geraamde bedragen ten grondslag liggen;
c. de lopende en voorgenomen investeringen;
d. de financiering;
e. het weerstandsvermogen, waarbij wordt ingegaan op aard, stand en
verloop van de algemene reserves en de voorzieningen;
f. de ontwikkeling van de waterschapsbelastingen in de komende jaren,
mede in relatie tot de stand en het verloop van de bestemmingsreserves
voor tariefsegalisatie, als bedoeld in artikel 4.52, eerste lid,
onderdeel b.
Artikel 4.8
Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:
a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover
het waterschap beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te
dekken;
b. alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van
materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.
§ 3. De begroting en de toelichting
Artikel 4.9
De begroting bestaat ten minste uit:
a. het programmaplan;
b. de paragrafen;
c. de begroting naar programma’s;
d. de begroting naar kostendragers met toelichting;
e. de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten.
Artikel 4.10
1.Het programmaplan bevat het naar programma’s onderscheiden te
realiseren beleid van het waterschap voor het begrotingsjaar.
2.Het programmaplan bevat per programma ten minste de volgende
informatie:
a. de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde effecten;
b. de wijze waarop er naar gestreefd zal worden die effecten te
bereiken;
c. geraamde netto-kosten.
3.Het programmaplan omvat alle baten en lasten van het waterschap.
Artikel 4.11
1.In de begroting worden in afzonderlijke paragrafen vastgelegd de
uitgangspunten, de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot
relevante beheersmatige aspecten, alsmede de financiële gevolgen van
dat beleid.
2.De begroting bevat ten minste de volgende paragrafen, tenzij het
desbetreffende aspect bij het waterschap niet aan de orde is:
a. ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar;
b. uitgangspunten en normen;
c. incidentele baten en lasten;
d. kostentoerekening;
e. onttrekkingen aan overige bestemmingsreserves en voorzieningen;
f. waterschapsbelastingen;
g. weerstandsvermogen;
h. financiering;
i. verbonden partijen;
j. bedrijfsvoering;
k. EMU-saldo.
Artikel 4.12
In de paragraaf betreffende de ontwikkelingen sinds het vorig
begrotingsjaar wordt ten minste ingegaan op:
a. externe en interne ontwikkelingen die zich sinds het vaststellen van
de vorige begroting en de behandeling van de meerjarenraming hebben
voorgedaan;
b. afwijkingen van de uitgangspunten en grondslagen zoals deze voor de
vorige begroting en de meerjarenraming zijn gehanteerd;
c. belangrijke afwijkingen in de cijfers van de meerjarenraming.
Artikel 4.13
In de paragraaf betreffende de uitgangspunten en normen wordt ten minste
ingegaan op:
a. de autonome salarisontwikkeling die is verdisconteerd;
b. de overige autonome loonkosten waarmee rekening is gehouden;
c. de overige uitgangspunten en de normen die voor lastenstijgingen en
lastendalingen dan wel batenstijgingen en batendalingen zijn gehanteerd
en die deels aan de geraamde bedragen ten grondslag liggen.
Artikel 4.14
De paragraaf betreffende de incidentele baten en lasten bevat een
overzicht van de baten en lasten die als eenmalig ten opzichte van
voorgaande en komende begrotingsjaren moeten worden beschouwd.
Artikel 4.15
In de paragraaf betreffende de kostentoerekening wordt ingegaan op de
principes die zijn gehanteerd bij de toerekening van kosten aan de
kostendragers. Deze paragraaf bevat in ieder geval:
a. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de inartikel 4.2, vierde
lid, bedoelde eis;
b. de kwantitatieve grondslagen die als onderdeel van de
kostentoerekening zijn gehanteerd.
Artikel 4.16
In de paragraaf betreffende de onttrekkingen aan overige
bestemmingsreserves en voorzieningen wordt ingegaan op de bedragen die
rechtstreeks uit voorzieningen worden onttrokken alsmede op het beroep
dat op de overige bestemmingsreserves, bedoeld in artikel 4.52, eerste
lid, onderdeel c, wordt gedaan.
Artikel 4.17
De paragraaf betreffende de waterschapsbelastingen bevat ten minste:
a. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse belastingen;
b. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid;
c. de mate van kostendekkendheid van de diverse belastingen, waarbij
wordt ingegaan op de stand aan het begin, de mutaties en de stand aan
het eind van het begrotingsjaar van de bestemmingsreserves voor
tariefsegalisatie, bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, onderdeel b;
d. de geraamde opbrengsten;
e. de tarieven;
f. een aanduiding van de lastendruk die het gevolg is van de
waterschapsbelastingen.
Artikel 4.18
De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de
beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de
financieringsportefeuille.
Artikel 4.19
De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen bevat ten minste:
a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit, met daarbij een
beschouwing over de stand aan het begin, de mutaties en de stand aan het
eind van het begrotingsjaar van de algemene reserves en de
voorzieningen;
b. een inventarisatie van de risico’s;
c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s.
Artikel 4.20
De paragraaf betreffende de verbonden partijen bevat ten minste:
a. de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de
doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting;
b. de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.
Artikel 4.21
De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering geeft ten minste inzicht in
de stand van zaken en de beleidsvoornemens ten aanzien van de
bedrijfsvoering.
Artikel 4.22
In de paragraaf betreffende het EMU-saldo wordt het EMU-saldo van het
waterschap gespecificeerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling
gestelde regels.
Artikel 4.23
De begroting naar programma’s bevat een overzicht van de netto-kosten
van de programma’s die zijn opgenomen in het programmaplan.
Artikel 4.24
1.De begroting naar kostendragers bevat de volgende kostendragers,
tenzij de betreffende kostendrager bij het desbetreffende waterschap
niet aan de orde is:
a. watersysteembeheer;
b. zuiveringsbeheer;
c. wegenbeheer.
2.Een waterschap dat krachtens het provinciaal reglement is belast met
een beheertaak die niet in het eerste lid wordt genoemd, kan deze taak
als kostendrager in de begroting en de jaarverslaggeving opnemen.
3.De begroting naar kostendragers geeft weer per kostendrager:
a. a.de netto-kosten die worden toegerekend;
b. het bedrag voor onvoorzien;
c. de gederfde opbrengst als gevolg van kwijtscheldingen en
oninbaarverklaringen;
d. de dividenden en overige algemene opbrengsten;
e. de verwachte opbrengsten uit belastingheffing (saldo voorgaande
onderdelen);
f. de geraamde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves;
g. de tarieven van de betreffende waterschapsbelastingen.
4.Van de in het derde lid genoemde bedragen en tarieven worden zowel het
geraamde bedrag van het begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het
vorig begrotingsjaar na wijziging, als het gerealiseerde bedrag van het
voorvorig begrotingsjaar weergegeven.
5.Indien er een aanmerkelijk verschil is tussen de raming van het
begrotingsjaar en die van het vorig begrotingsjaar na wijziging wordt in
de toelichting op de begroting naar kostendragers ingegaan op de
oorzaken van het verschil.
6.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de
kostendragers en de toelichting.
Artikel 4.25
1.De begroting naar kosten- en opbrengstsoorten wordt ingedeeld volgens
bij ministeriële regeling vast te stellen groepen van kosten- en
opbrengstsoorten.
2.Van de lasten en baten die in de begroting naar kosten- en
opbrengstsoorten worden opgenomen worden zowel het geraamde bedrag van
het begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het vorig begrotingsjaar na
wijziging als het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar
weergegeven.
Artikel 4.26
In een besluit tot wijziging van de begroting wordt in ieder geval
aandacht besteed aan de noodzaak voor de wijziging, aan de mutatie en
aan het nieuwe geraamde bedrag, alsmede aan de wijze waarop de dekking
van het benodigde bedrag danwel de bestemming van het bedrag dat niet
zal worden besteed zal plaats vinden.
§ 4. De jaarverslaggeving en de toelichting
Artikel 4.27
1.De jaarverslaggeving bestaat ten minste uit:
a. het jaarverslag;
b. de jaarrekening.
2.Het jaarverslag bestaat uit:
a. de programmaverantwoording;
b. de paragrafen.
3.De jaarrekening bestaat uit:
a. de exploitatierekening naar programma’s;
b. de exploitatierekening naar kostendragers en de toelichting;
c. de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten;
d. de balans en de toelichting.
Artikel 4.28
De jaarverslaggeving wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen
omtrent de financiële positie op de balansdatum is gebleken tussen het
moment van opmaken van de verslaggeving en het tijdstip van vaststelling
daarvan, voor zover deze aanvullende informatie onontbeerlijk is voor
het in artikel 4.3 bedoelde inzicht.
Artikel 4.29
1.De programmaverantwoording bevat de verantwoording over de realisatie
van het programmaplan uit de begroting.
2.De programmaverantwoording biedt per programma inzicht in:
a. de mate waarin de doelstellingen zijn gerealiseerd;
b. de wijze waarop getracht is de beoogde effecten te bereiken;
c. de gerealiseerde netto-kosten in relatie tot de daarvoor in de
begroting opgenomen bedragen;
d. belangrijke afwijkingen tussen de realisatie in de jaarverslaggeving
en de plannen in de begroting, waarbij een analyse plaatsvindt.
3.De programmaverantwoording omvat het totaal van baten en lasten van
het waterschap.
Artikel 4.30
1.Het jaarverslag bevat ten minste de paragrafen die ingevolge artikel
4.11, in de begroting zijn opgenomen, met dien verstande dat in plaats
van onderdeel a van dat artikel een paragraaf betreffende de
ontwikkelingen in het vorig begrotingsjaar wordt opgenomen, met
uitzondering van de onderdelen b en d, van dat artikel, alsmede een
paragraaf betreffende topinkomens. Ze bevatten de verantwoording van
hetgeen in de overeenkomstige paragrafen in de begroting is opgenomen.
2.In de paragraaf betreffende het EMU-saldo wordt de in artikel 4.22
bedoelde specificatie opgenomen voor het begrotingsjaar en volgens de
realisatie van het vorige begrotingsjaar.
3.In de paragraaf betreffende topinkomens wordt de informatie opgenomen,
bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet openbaarmaking
uit publieke middelen gefinancierde topinkomens.
Artikel 4.31
De exploitatierekening naar programma’s bevat een overzicht van de
gerealiseerde netto-kosten van de programma’s die zijn opgenomen in de
programmaverantwoording.
Artikel 4.32
1.De exploitatierekening naar kostendragers geeft per kostendrager weer:
a. de gerealiseerde netto-kosten die zijn toegerekend;
b. de werkelijk kwijtgescholden en oninbaarverklaarde bedragen;
c. de gerealiseerde dividenden en overige algemene opbrengsten;
d. de gerealiseerde belastingopbrengsten;
e. het gerealiseerde resultaat voor bestemming, volgend uit voorgaande
onderdelen;
f. bestemming van het resultaat op basis van besluiten die zijn genomen
tijdens het begrotingsjaar;
g. nog te bestemmen resultaat, waarbij in geval van een positief saldo
een voorstel voor de bestemming hiervan en in geval van een negatief
saldo een voorstel voor de wijze waarop dit tekort zal worden gedekt,
wordt gedaan;
h. de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves.
2.De exploitatierekening naar kostendragers bevat van de onderdelen
genoemd in het eerste lid ook de ramingen uit de begroting en de
begroting na wijziging.
Artikel 4.33
De toelichting op de exploitatierekening naar kostendragers bevat ten
minste voor alle onderdelen van artikel 4.32, eerste lid, een analyse
van de afwijkingen tussen de exploitatierekening en de begroting.
Artikel 4.34
Van de lasten en baten die in de exploitatierekening naar kosten- en
opbrengstsoorten worden opgenomen, worden ook de ramingen uit de
begroting en de begroting na wijziging vermeld.
Artikel 4.35
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de inrichting van de jaarverslaggeving en de toelichting.
§ 5. De balans en de toelichting
Artikel 4.36
1.In de balans worden naast de cijfers per balansdatum tevens de cijfers
van de balans van het vorige begrotingsjaar opgenomen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de balans, de posten en de toelichting.
Artikel 4.37
1.Het bedrag waartoe aan natuurlijke en rechtspersonen borgstellingen of
garantstellingen zijn verstrekt wordt niet in de balans, maar in de
toelichting op de balans opgenomen.
2.In de toelichting op de balans worden de borgstellingen, bedoeld in
het eerste lid, gespecificeerd naar de aard van de geldleningen, waarbij
per specificatie wordt vermeld:
a. het oorspronkelijk bedrag van de gewaarborgde geldlening;
b. het percentage van het leningbedrag waarvoor borgstelling is
verleend;
c. het restantbedrag van de lening bij aanvang van het begrotingsjaar;
d. het restantbedrag van de lening aan het eind van het begrotingsjaar.
3.In de toelichting op de balans wordt een specificatie opgenomen van de
garantstellingen als bedoeld in het eerste lid.
4.In de toelichting wordt het totaalbedrag opgenomen van de betalingen
die inzake de borg- en garantstelling zijn gedaan tot en met het eind
van het begrotingsjaar.
5.Voor zover dit noodzakelijk is voor het te verschaffen inzicht, wordt
in de toelichting op de balans vermeld ten aanzien van welke
borgstellingen en garantstellingen, bedoeld in het eerste lid, het
waterschap zich, al dan niet voorwaardelijk, heeft verbonden tot het
bezwaren van goederen.
Artikel 4.38
Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende
activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de
werkzaamheid van het waterschap al dan niet duurzaam te dienen.
Artikel 4.39
Op de balans worden de passiva onderscheiden in vaste en vlottende
passiva.
Artikel 4.40
Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de
materiële en de financiële vaste activa.
Artikel 4.41
1.In de toelichting op de balans worden de immateriële vaste activa
gespecificeerd in:
a. afsluiten geldleningen en het saldo van agio en disagio;
b. onderzoek en ontwikkeling;
c. bijdragen aan activa in eigendom van:
1°. bedrijven;
2°. overheden;
3°. overigen;
d. overige immateriële vaste activa.
2.De post onderzoek en ontwikkeling wordt afzonderlijk toegelicht.
Artikel 4.42
1.Tot de materiële vaste activa behoren zowel werken die in exploitatie
zijn als onderhanden werken. Onder de materiële vaste activa worden
mede begrepen activa waarvoor het waterschap financiële
lease-contracten is aangegaan en waarbij het economisch eigendom bij het
waterschap berust.
2.In de toelichting op de balans worden de materiële vaste activa
gespecificeerd in:
a. gronden en terreinen;
b. vervoermiddelen;
c. machines, apparaten en werktuigen;
d. bedrijfsgebouwen;
e. woonruimten;
f. grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
g. overige materiële vaste activa.
3.In de toelichting op de balans wordt van de materiële vaste activa
aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.
4.In de toelichting op de balans wordt het verloop van de materiële
vaste activa gedurende het begrotingsjaar gespecificeerd overeenkomstig
het tweede lid, met uitzondering van de werken die aan het einde van het
begrotingsjaar nog onderhanden waren, in een sluitend overzicht
weergegeven. Daaruit blijkt, voor zover van toepassing:
a. de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de investeringen of desinvesteringen;
c. de afschrijvingen;
d. bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief;
e. afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen;
f. de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar.
5.In het overzicht, bedoeld in het vierde lid, worden de werken die aan
het einde van het begrotingsjaar nog onderhanden zijn als één post
vermeld.
6.In de toelichting op de balans wordt een totaaloverzicht gegeven van
alle werken die aan het begin van het begrotingsjaar nog onderhanden
waren en die lopende het jaar zijn gestart. Voor de werken die aan het
einde van het begrotingsjaar nog een restantkrediet hadden, worden de
verwachtingen weergegeven over het vervolg van deze werken.
7.Indien het waterschap voor de materiële vaste activa meerjarige
operationele lease-contracten heeft afgesloten, worden de daarmee
verband houdende financiële verplichtingen in de toelichting op de
balanspost vermeld. Daarbij wordt ten minste weergegeven:
a. de looptijd;
b. de aard van de verplichting;
c. de daarmee gemoeide bedragen;
d. eventuele andere relevante voorwaarden.
Artikel 4.43
In de toelichting op de balans worden de financiële vaste activa
gespecificeerd in:
a. kapitaalverstrekkingen aan:
1°. bedrijven;
2°. overheden;
3°. overigen;
b. leningen aan:
1°. ambtenaren;
2°. bedrijven;
3°. overheden;
4°. overigen;
c. overige uitzettingen met een oorspronkelijke looptijd van één jaar
of langer.
Artikel 4.44
Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de
uitzettingen met een looptijd korter dan één jaar, de liquide
middelen, de kortlopende vorderingen en de overlopende activa.
Artikel 4.45
In de toelichting op de balans worden onder de voorraden afzonderlijk
opgenomen:
a. onderhanden werken voor derden;
b. grond- en hulpstoffen voor eigen gebruik.
Artikel 4.46
In de toelichting op de balans worden de uitzettingen met een looptijd
korter dan één jaar gespecificeerd in:
a. uitzettingen bij bedrijven;
b. verstrekte kasgeldleningen;
c. overige uitzettingen.
Artikel 4.47
In de balans worden onder de liquide middelen opgenomen de kasmiddelen,
cheques en tegoeden op bank- en girorekeningen, waaronder de rekening
courant-tegoeden.
Artikel 4.48
1.In de toelichting op de balans worden de kortlopende vorderingen
gespecificeerd in:
a. vorderingen op belastingdebiteuren;
b. vorderingen als gevolg van subsidies en bijdragen;
c. overige vorderingen.
2.In de toelichting op de balans wordt van de kortlopende vorderingen
aangegeven welke op de balansdatum direct opeisbaar zijn en welke op de
balansdatum niet direct opeisbaar zijn.
3.Indien bij de waardering van de kortlopende vorderingen rekening is
gehouden met oninbaarheid, wordt in de toelichting op de balanspost
vermeld wat de invloed hiervan op de waarde is geweest.
4.In de toelichting op de balanspost kortlopende vorderingen wordt
ingegaan op de financiële risico’s die het waterschap ten aanzien van
de vorderingen loopt.
Artikel 4.49
1.In de toelichting op de balans worden onder de overlopende activa
afzonderlijk opgenomen:
a. de van de Europese Unie, het Rijk of provincies nog te ontvangen
voorschotbedragen die ontstaan door voorfinanciering op uitkeringen;
b. overige nog te ontvangen bedragen alsmede de vooruitbetaalde bedragen
die ten laste van volgende begrotingsjaren komen.
2.In de toelichting op de balans wordt per uitkering het verloop
gedurende het jaar van de nog te ontvangen voorschotbedragen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, in een overzicht weergegeven. Daaruit
blijkt:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen;
c. de ontvangen bedragen;
d. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 4.50
Onder de vaste passiva worden afzonderlijk opgenomen het eigen vermogen,
de voorzieningen en de vaste schulden met een looptijd van één jaar of
langer.
Artikel 4.51
1.Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het nog te bestemmen
resultaat volgend uit de exploitatierekening naar kostendragers.
2.Het in het eerste lid bedoelde resultaat wordt afzonderlijk op de
balans opgenomen als onderdeel van het eigen vermogen.
Artikel 4.52
1.Op de balans worden de reserves onderscheiden naar:
a. algemene reserves;
b. bestemmingsreserves voor tariefsegalisatie, waaronder wordt verstaan
reserves die dienen om ongewenste schommelingen op te vangen in de
belastingtarieven en niet specifiek besteed dienen te worden;
c. overige bestemmingsreserves.
2.Onder bestemmingsreserve wordt verstaan: een reserve waaraan het
algemeen bestuur een bepaalde bestemming heeft gegeven.
Artikel 4.53
1.In de toelichting op de balans wordt per reserve het verloop gedurende
het begrotingsjaar in een overzicht weergegeven, waaruit blijkt:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. interne vermeerderingen;
c. interne verminderingen;
d. het voorstel voor de toevoegingen of onttrekkingen via de
resultaatbestemming bij de programmarekening;
e. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
2.Per reserve wordt de aard, reden, gewenste omvang, alsmede de in het
eerste lid bedoelde toevoegingen en onttrekkingen afzonderlijk
toegelicht.
Artikel 4.54
Voorzieningen worden gevormd wegens:
a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum
onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;
b. op de balansdatum aanwezige risico’s ter zake van bepaalde te
verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs
is te schatten;
c. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt,
indien het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het
begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening
strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal
begrotingsjaren.
Artikel 4.55
1.In de toelichting op de balans wordt elke voorziening afzonderlijk
vermeld, overeenkomstig de volgende rubricering:
a. voorzieningen voor arbeidsgerelateerde verplichtingen;
b. voorzieningen voor baggeren en saneren van waterlopen;
c. voorzieningen voor overige onderhoudswerkzaamheden;
d. voorzieningen sale and lease back-overeenkomsten;
e. voorzieningen voor claims van ingezetenen en bedrijven;
f. overige voorzieningen.
2.Per voorziening wordt het verloop gedurende het begrotingsjaar in een
overzicht weergegeven, waaruit blijkt:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. vermeerderingen als gevolg van rentetoevoeging;
c. overige interne vermeerderingen;
d. interne verminderingen;
e. externe verminderingen;
f. saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
3.Per voorziening wordt de aard, reden en gewenste omvang, alsmede de in
het tweede lid bedoelde toevoegingen en onttrekkingen afzonderlijk
toegelicht.
Artikel 4.56
1.In de toelichting op de balans worden de vaste schulden met een
looptijd van één jaar of langer gespecificeerd in:
a. obligatieleningen van:
1°. andere overheden;
2°. overigen;
b. onderhandse leningen van:
1°. binnenlandse pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen;
2°. binnenlandse banken en overige financiële instellingen;
3°. binnenlandse bedrijven;
4°. overige binnenlandse sectoren;
5°. buitenlandse instellingen, fondsen, banken, bedrijven en overige
sectoren;
c. door derden belegde gelden;
d. derivaten op vaste schulden;
e. langlopende financiële leaseverplichtingen;
f. waarborgsommen.
2.In de toelichting op de balans wordt de rentelast voor het
begrotingsjaar vermeld van alle in het eerste lid genoemde groepen van
vaste schulden.
3.In de toelichting op de balans wordt aangegeven voor welke schulden
zakelijke zekerheid is gesteld en in welke vorm dat is gebeurd.
4.Voor zover dit noodzakelijk wordt geacht voor het te verschaffen
inzicht, wordt in de toelichting op de balans vermeld ten aanzien van
welke schulden het waterschap zich, al dan niet voorwaardelijk, heeft
verbonden tot het bezwaren van goederen.
Artikel 4.57
Onder de vlottende passiva worden afzonderlijk opgenomen de
netto-vlottende schulden met een looptijd korter dan één jaar en de
overlopende passiva.
Artikel 4.58
In de toelichting op de balans worden de netto-vlottende schulden met
een looptijd korter dan één jaar gespecificeerd in:
a. kasgeldleningen;
b. derivaten op kortlopende geldleningen;
c. negatieve bank- en girosaldi;
d. schulden aan leveranciers;
e. schulden in verband met te betalen belastingen, sociale en
pensioenpremies;
f. overige kortlopende schulden.
Artikel 4.59
1.In de toelichting op de balans worden de overlopende passiva
gespecificeerd in:
a. verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn opgebouwd en die in een
volgend begrotingsjaar tot betaling komen;
b. de van de Europese Unie, het Rijk of provincies ontvangen
voorschotbedragen voor uitkeringen die dienen ter dekking van lasten van
volgende begrotingsjaren;
c. overige vooruit ontvangen bedragen die ten bate van volgende
begrotingsjaren komen.
2.In de toelichting op de balans wordt per uitkering het verloop
gedurende het jaar van de ontvangen voorschotbedragen, bedoeld in het
eerste lid onderdeel b, in een overzicht weergegeven, waaruit blijkt:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen;
c. de vrijgevallen bedragen;
d. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 4.60
1.In de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke methoden
en termijnen de afschrijvingen worden berekend en wordt van iedere
balanspost vermeld welke waarderingsgrondslag is gehanteerd.
2.Indien in de loop van het begrotingsjaar wijzigingen zijn aangebracht
in de methoden en termijnen volgens welke de afschrijvingen worden
berekend, wordt in de toelichting vermeld welke wijzigingen het hier
betreft en wordt ingegaan op de redenen die tot wijziging hebben geleid.
Artikel 4.61
De aard en omvang van de aangebrachte dan wel geraamde
waardeverminderingen van de leningen en vorderingen, bedoeld in artikel
4.66, achtste lid, van de vaste activa, bedoeld in artikel 4.68, eerste
lid, en van de deelnemingen en voorraden, bedoeld in artikel 4.68,
tweede lid, worden in de toelichting op de balans opgenomen.
Artikel 4.62
In de toelichting op de balans worden de niet in de balans opgenomen
belangrijke financiële verplichtingen vermeld waaraan het waterschap
voor toekomstige jaren is verbonden.
§ 6. Waardering, activeren en afschrijven
Artikel 4.63
Inzet van middelen ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling kan worden
geactiveerd indien:
a. de investering naar verwachting technisch uitvoerbaar is;
b. de investering in de toekomst nut zal genereren; en
c. de uitgaven die aan de investering zijn toe te rekenen betrouwbaar
kunnen worden vastgesteld.
Artikel 4.64
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd
indien:
a. sprake is van een investering door een derde;
b. de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c. de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een
wijze zoals is overeengekomen; en
d. de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke
blijft of het waterschap anders recht kan doen gelden op de activa die
samenhangen met de investering.
Artikel 4.65
1.Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering
geactiveerd.
2.In afwijking van het eerste lid worden bijdragen van derden die in
directe relatie staan met een actief op de waardering daarvan in
mindering gebracht.
Artikel 4.66
1.Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of
vervaardigingsprijs, met inachtneming van artikel 4.65, tweede lid.
2.De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.
3.De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte
grond- en hulpstoffen en de overige kosten welke rechtstreeks aan de
vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs wordt
opgenomen de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het
actief kan worden toegerekend. Een redelijk deel van de kosten van
ondersteunende diensten van het waterschap kan in de vervaardigingsprijs
worden opgenomen.
4.Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste
uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden
gewaardeerd tegen registratiewaarde.
5.Activa waarvoor het waterschap financiële lease-contracten is
aangegaan en waarbij het economisch eigendom bij het waterschap berust,
worden op basis van de nominale waarde gewaardeerd.
6.Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde
van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen.
7.Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering
van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd alsmede het
eigen vermogen.
8.Bij de waardering van financiële vaste activa, uitzettingen met een
looptijd korter dan een jaar, kortlopende vorderingen en overlopende
activa wordt rekening gehouden met oninbaarheid.
Artikel 4.67
1.De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het
boekjaar.
2.Slechts wegens gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op
andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn
toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de
balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor
de financiële positie en voor de baten en de lasten, aan de hand van
aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande
begrotingsjaar.
3.Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks
afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte
toekomstige gebruiksduur.
4.In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de
immateriële vaste activa, bedoeld inartikel 4.41, eerste lid, onderdeel
a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
5.In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de
immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 4.41, eerste lid,
onderdeel b, ten hoogste vijf jaar.
6.In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de
immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 4.41, eerste lid,
onderdelen c en d, ten hoogste vijf jaar, tenzij gemotiveerd wordt dat
een andere periode passender is.
Artikel 4.68
1.Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden
onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
2.Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd
indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of
vervaardigingsprijs.
3.Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het
moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de
boekwaarde.
§ 7. De uitvoeringsinformatie
Artikel 4.69
De uitvoeringsinformatie wordt door het dagelijks bestuur vastgesteld.
Artikel 4.70
In de uitvoeringsinformatie met betrekking tot de meerjarenraming worden
de volgende gegevens van het begrotingsjaar en ten minste de drie daarop
volgende jaren opgenomen:
a. de raming van de netto-kosten van beleidsproducten;
b. de netto-investeringsuitgaven ingedeeld naar beleidsvelden.
Artikel 4.71
1.De uitvoeringsinformatie met betrekking tot de begroting bestaat uit:
a. de raming van baten en lasten naar kosten- en opbrengstsoorten;
b. de raming van netto-kosten naar beleidsproducten;
c. de lijst van verbonden partijen;
d. de staat van vaste activa;
e. de staat van reserves;
f. de staat van voorzieningen;
g. de staat van vaste schulden.
2.In of bij de raming naar de producten worden de principes waarmee de
opbrengsten en kosten aan de producten zijn toegerekend weergegeven.
3.De ramingen van de baten en lasten naar kosten- en opbrengstsoorten en
de netto-kosten naar beleidsproducten omvatten alle baten en lasten.
4.De waterschappen kunnen hun geraamde netto-kosten eenduidig toerekenen
aan beheerproducten.
Artikel 4.72
1.De uitvoeringsinformatie met betrekking tot de jaarverslaggeving
bestaat uit:
a. de realisatie van baten en lasten naar kosten- en opbrengstsoorten;
b. de realisatie van netto-kosten naar beleidsproducten;
c. de lijst van verbonden partijen;
d. de staat van vaste activa;
e. de staat van vaste schulden.
2.De realisaties van de baten en lasten naar kosten- en opbrengstsoorten
en van de netto-kosten naar beleidsproducten omvatten alle baten en
lasten.
3.De indeling van de kostentoerekeningsprincipes behorende bij de
realisaties van de kosten-en opbrengstsoorten en van de netto-kosten
naar beleidsproducten zijn identiek aan die van de raming naar kosten-
en opbrengstsoorten respectievelijk naar producten.
4.De waterschappen kunnen hun gerealiseerde netto-kosten eenduidig
toerekenen aan beheerproducten.
Artikel 4.73
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de uitvoeringsinformatie. Deze kunnen mede regels bevatten
in het belang van bedrijfsvergelijking.
§ 8. Informatieverstrekking aan derden
Artikel 4.74
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het waterschap aan
derden, informatie verstrekt volgens bij deze regeling te stellen
regels.
2.In de in het eerste lid bedoelde regeling kan in overeenstemming met
Onze Minister van Economische Zaken worden bepaald dat de informatie
wordt verstrekt aan het CBS. Daarbij kan worden bepaald dat het CBS de
plausibiliteit van deze informatie beoordeelt en het dagelijks bestuur
verslag doet van zijn bevindingen.
Artikel 4.75
Indien de informatie voor derden niet voldoende inzicht biedt, kan Onze
Minister een deelverantwoording als bedoeld in artikel 5.1 van het
waterschap vragen.
Hoofdstuk 5. De accountantscontrole
Artikel 5.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
accountant: de accountant, bedoeld in artikel 109, tweede lid, van de
wet;
deelverantwoording: een in opdracht van het algemeen bestuur opgestelde
afzonderlijke verantwoording van een deel van de organisatie van het
waterschap.
Artikel 5.2
1.De accountant gebruikt ten behoeve van de oordeelsvorming over de
jaarrekening van het waterschap, bedoeld in artikel 109, derde lid, van
de wet, de volgende goedkeuringstoleranties:
a. ten aanzien van fouten in de jaarrekening 1% van de omvangsbasis;
b. ten aanzien van onzekerheden in de controle 3% van de omvangsbasis.
2.De omvangsbasis is gelijk aan de totale bruto-lasten van het
waterschap.
3.De fouten in de jaarrekening en de onzekerheden in de controle kunnen
betrekking hebben op het getrouwe beeld, bedoeld in artikel 109, derde
lid, onderdeel a, van de wet, dan wel op de rechtmatigheid van de baten,
lasten en balansmutaties, bedoeld in artikel 109, derde lid, onderdeel
b, van de wet.
4.De accountant richt zijn controle zodanig in dat een redelijke mate
van zekerheid bestaat dat fouten en onzekerheden die afzonderlijk of
gezamenlijk de goedkeuringstoleranties voor fouten in de jaarrekening
respectievelijk onzekerheden in de controle overschrijden worden
ontdekt.
5.De accountant onthoudt een goedkeurende accountantsverklaring aan de
jaarrekening indien één der of beide goedkeuringstoleranties, zoals
opgenomen in het eerste lid, worden overschreden.
6.Indien het algemeen bestuur opdracht geeft over een deelverantwoording
een afzonderlijke accountantsverklaring af te geven, dan zijn de
goedkeuringstoleranties ten aanzien van fouten in de deelverantwoording
1% en ten aanzien van onzekerheden in de controle 3% van de omvangsbasis
van die deelverantwoording. Op grond van (bijzondere) activiteiten van
het onderdeel van de organisatie van het waterschap kan de accountant
voor de berekening van de goedkeuringstoleranties voor bepaalde
deelverantwoordingen gemotiveerd kiezen voor een andere omvangsbasis dan
de totale bruto-lasten van de deelverantwoording.
7.Het algemeen bestuur kan de goedkeuringstoleranties voor de gehele
jaarrekening of voor deelverantwoordingen op een lager percentage
vaststellen.
Artikel 5.3
Naast de kwantitatieve fouten en onzekerheden in de controle houdt de
accountant bij de controle en de oordeelsvorming rekening met
kwalitatieve aspecten. Indien kwalitatieve aspecten daartoe aanleiding
geven kan de accountant een goedkeurende accountantsverklaring
onthouden.
Artikel 5.4
1.Voor de formulering van de goedkeurende accountantsverklaring hanteert
de accountant het model zoals opgenomen in bijlage I bij dit besluit.
2.Voor de strekking van de accountantsverklaring hanteert de accountant
de uitgangspunten en de tabel, zoals opgenomen in bijlage II bij dit
besluit.
Artikel 5.5
1.De bedragen voor de rapporteringstoleranties die de accountant
hanteert ten behoeve van de rapportering in het verslag van bevindingen
zijn de bedragen die voortvloeien uit de goedkeuringstoleranties.
2.Het algemeen bestuur kan de accountant bedragen voor de
rapporteringstoleranties voorschrijven die lager zijn dan de bedragen
die voortvloeien uit de goedkeuringstoleranties.
3.Indien de accountant kwalitatieve gebreken van noemenswaardig belang
constateert, meldt hij deze in het verslag van bevindingen, ook indien
deze gebreken niet leiden tot het onthouden van een goedkeurende
accountantsverklaring.
Hoofdstuk 6. De waterschapsbelastingen
§ 1. Kostendelen
Artikel 6.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. agrarische gronden: ten behoeve van de landbouw als bedoeld in
artikel 312 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bedrijfsmatig
geëxploiteerde cultuurgronden, voor zover deze niet de ondergrond
vormen van gebouwde eigendommen;
b. bouwpercelen: onbebouwde, al dan niet bouwrijp gemaakte percelen,
waarop gebouwd mag worden.
Artikel 6.2
De kostendelen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, van de wet, worden
vastgesteld op basis van de onderlinge verhoudingen tussen de waarden in
het economische verkeer van:
a. het totaal van de ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
natuurterreinen;
b. het totaal van de natuurterreinen; en
c. het totaal van de gebouwde onroerende zaken,
binnen het gebied van het waterschap.
Artikel 6.3
De waarde van de ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
natuurterreinen, is de som van de waarden in het economische verkeer van
de:
a. agrarische gronden;
b. openbare landwegen, inclusief kunstwerken;
c. banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken;
d. bouwpercelen; en
e. overige ongebouwde onroerende zaken.
Artikel 6.4
1.De waarde van elk van de categorieën ongebouwde zaken, bedoeld in
artikel 6.3, onderdelen a en c tot en met e, is het product van de
oppervlakte in hectaren en de gemiddelde waarde per hectare van de
desbetreffende categorie ongebouwde zaken binnen het gebied van het
waterschap.
2.De waarde van de categorie ongebouwde zaken, bedoeld in artikel 6.3,
onderdeel b, is het product van de oppervlakte in hectaren en het
gewogen gemiddelde van de waarden per hectare van de:
a. autosnelwegen;
b. hoofd- en regionale wegen;
c. lokale wegen en wegen binnen bebouwde kom;
d. overige verharde wegen,
inclusief kunstwerken, binnen het gebied van het waterschap.
Artikel 6.5
1.De gemiddelde waarde per hectare van agrarische gronden wordt bepaald
op basis van of afgeleid uit verkooptransacties van agrarische gronden
binnen het gebied van het waterschap.
2.De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de agrarische gronden
dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom
daarvan zou kunnen worden overgedragen en de gronden als agrarische
gronden in gebruik zouden blijven.
Artikel 6.6
1.De gemiddelde waarde per hectare en de in aanmerking te nemen
oppervlakte van de categorieën ongebouwde zaken, bedoeld in artikel
6.3, onderdelen b en c, omvat de waarde en de oppervlakte van de
kadastrale percelen waarin zij zijn gelegen, met uitzondering van de
delen van die percelen die ingevolge de wet worden aangemerkt als
gebouwde onroerende zaken of als natuurterreinen of die niet dienstbaar
zijn aan de verkeersfunctie van deze ongebouwde zaken.
2.De waarde van elk van de categorieën ongebouwde zaken, bedoeld in
artikel 6.3, onderdeel c, en artikel 6.4, tweede lid, onderdelen a tot
en met d, wordt gesteld op 75% van de vervangingswaarde.
Artikel 6.7
De gemiddelde waarde per hectare van bouwpercelen wordt bepaald op basis
van de waarden die voor de binnen het gebied van het waterschap gelegen
bouwpercelen op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
onroerende zaken zijn vastgesteld.
Artikel 6.8
De gemiddelde waarde per hectare van de ongebouwde onroerende zaken,
bedoeld in artikel 6.3, onderdeel e, wordt gesteld op de gemiddelde
waarde per hectare van de agrarische gronden binnen het gebied van het
waterschap.
Artikel 6.9
1.De waarde in het economische verkeer van de natuurterreinen is het
product van de oppervlakte in hectaren en de gemiddelde waarde per
hectare van deze natuurterreinen binnen het gebied van het waterschap.
2.De gemiddelde waarde per hectare van de natuurterreinen wordt gesteld
op 20% van de gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden
binnen het gebied van het waterschap.
Artikel 6.10
De waarde in het economische verkeer van de gebouwde onroerende zaken is
de som van de waarden die voor deze gebouwde onroerende zaken zijn
vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
zaken.
Artikel 6.11
1.De waardepeildatum ligt maximaal twee jaar voor het begin van het
eerste kalenderjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking
heeft.
2.De waardebepaling van de ongebouwde onroerende zaken niet zijnde
natuurterreinen, en de natuurterreinen vindt plaats naar de hoedanigheid
en de staat van de zaken op de waardepeildatum.
§ 2. Meting, bemonstering en analyse zuiveringsheffing
Artikel 6.12
1.De meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 122g, van de
wet, geschieden door de heffingplichtige gedurende elk etmaal van het
kalenderjaar overeenkomstig de door het algemeen bestuur bij
belastingverordening gegeven nadere regels.
2.Op aanvraag van de gebruiker staat de ambtenaar, bedoeld in artikel
123, derde lid, onderdeel b, van de wet, onder nader te stellen
voorwaarden toe dat voor het aantal etmalen dat meting, bemonstering en
analyse geschieden, wordt afgeweken van het eerste lid indien door de
gebruiker aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de
vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van
een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan.
3.Het in het tweede lid bedoelde besluit wordt genomen bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
4.De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een
kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het
chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
stikstofverbindingen.
5.Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet
of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een
correctie toegepast. Het algemeen bestuur geeft omtrent die correctie
nadere regels bij belastingverordening.
§ 3. Administratieve verplichtingen waterschapsbelastingen
Artikel 6.13
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
inspecteur: de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de wet,
bedoelde ambtenaar van het waterschap.
administratieplichtig: gehouden om op zodanige wijze een administratie
te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat de gegevens die van
belang zijn voor de heffing van de waterschapsbelastingen ten aanzien
van de belastingplichtige, hieruit duidelijk blijken;
informatieplichtig: gehouden om de gegevens en inlichtingen aan de
inspecteur te verstrekken welke voor de heffing van
waterschapsbelastingen ten aanzien van derden van belang kunnen zijn en
gehouden de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud
daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur -– die van belang kunnen
zijn voor de heffing van waterschapsbelastingen ten aanzien van derden,
voor dit doel beschikbaar te stellen.
Artikel 6.14
1. Administratieplichtig voor de toepassing van de zuiveringsheffing,
bedoeld in artikel 122d, eerste lid, van de wet en de
verontreinigingsheffing, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de
Waterwet is:
a. de heffingplichtige op wie artikel 122k van de wet of artikel 7.5,
vijfde lid, van de Waterwet in samenhang met dat artikel van toepassing
is.
b. de heffingplichtige op wie artikel 6.12, tweede lid, van dit besluit
of 7.5, tweede lid, van de Waterwet van toepassing is.
2. De in het eerste lid bedoelde administratieplichtige is verplicht de
gegevensdragers, die op basis van het eerste lid tot zijn administratie
dienen te behoren, gedurende zeven jaren te bewaren.
3. De in het tweede lid bedoelde gegevensdragers dienen zodanig bewaard
te worden dat controle daarvan door de inspecteur binnen redelijke
termijn mogelijk is. De in het eerste lid bedoelde
administratieplichtige verleent daartoe zijn medewerking.
Artikel 6.15
De inartikel 6.14, eerste lid, bedoelde administratieplichtige die niet
of niet volledig voldoet aan de vordering van de inspecteur om de
inartikel 6.14 bedoelde gegevensdragers of de inhoud daarvan voor
raadpleging beschikbaar te stellen, wordt voor de toepassing van artikel
25, zesde lid, en artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen geacht niet volledig te hebben voldaan aan de
verplichting ingevolge artikel 52 van die wet, tenzij aannemelijk is dat
het niet, dan wel niet volledig voldoen aan de vordering van de
inspecteur het gevolg is van overmacht.
Artikel 6.16
1. Informatieplichtig is:
a. de eigenaar, de bezitter en de beperkt gerechtigde van een woonruimte
of een bedrijfsruimte, voor zover dat voor de heffing van de
waterschapbelastingen, bedoeld in de artikelen 117, aanhef en onderdeel
a,122d, eerste lid, van de wet, of in artikel 7.2, tweede lid, van de
Waterwet, van belang kan zijn, ter zake van de naam-, adres- en
woonplaatsgegevens van degene die het gebruik heeft van de woonruimte of
bedrijfsruimte;
b. de eigenaar of beheerder van een energiebedrijf en het
administratiekantoor dat voor die persoon werkzaam is voor zover dat
voor de heffing van de waterschapsbelasting, bedoeld in artikel 117,
aanhef en onderdeel a, 122d, eerste lid, van de wet of in artikel 7.2,
tweede lid, van de Waterwet, van belang kan zijn, ter zake van de naam-,
adres- en woonplaatsgegevens van degene die het gebruik heeft van een
woonruimte of een bedrijfsruimte, die is aangesloten op voorzieningen
van het energiebedrijf;
c. de eigenaar of beheerder van een waterleidingbedrijf en het
administratiekantoor dat voor die persoon werkzaam is voor zover dat
voor de heffing van de waterschapsbelasting, bedoeld in artikel 117,
aanhef en onderdeel a, artikel 122d, eerste lid, van de wet of in
artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet, van belang kan zijn, ter zake
van naam-, adres- en woonplaatsgegevens en van de gegevens met
betrekking tot de omvang van de geleverde hoeveelheid water, van degene
die het gebruik heeft van een woonruimte of een bedrijfsruimte, die is
aangesloten op voorzieningen van het waterleidingbedrijf;
d. de aannemer, bedoeld in artikel 750, eerste lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, die een onroerende zaak tot stand heeft gebracht en
heeft opgeleverd, voor zover dat voor de heffing van de
waterschapsbelasting, bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel c,
van de wet, van belang kan zijn, ter zake van de vervaardigingskosten
van de tot stand gebrachte onroerende zaak.
2. Voor zover dit redelijkerwijs van belang is voor de uitvoering van
dit besluit, gelden de in het eerste lid bedoelde verplichtingen ook
buiten het gebied van het waterschap.
3. Informatieplichtig zijn slechts degenen die voor de heffing van
rijksbelastingen administratieplichtig zijn.
Artikel 6.17
1. Indien een belastingschuldige een aanvraag heeft ingediend tot het
verlenen van kwijtschelding van waterschapbelastingen als bedoeld in
artikel 144 van de wet zijn de colleges van burgemeester en wethouders,
de rijksbelastingdienst en de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a
van de Wegenverkeerswet 1994, desgevraagd gehouden kosteloos gegevens te
verstrekken aan de dagelijkse besturen van de waterschappen in verband
met de inkomens- en vermogenspositie van de belastingschuldige, ten
behoeve van de beoordeling van deze aanvraag.
2. De Stichting Inlichtingenbureau is bewerker in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens voor het verwerken van gegevens
noodzakelijk voor het verlenen van deze kwijtschelding van
waterschapsbelastingen die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of de in het eerste lid bedoelde
instanties, op grond van enig wettelijk voorschrift worden verstrekt aan
de dagelijkse besturen van de waterschappen.
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en slotbepalingen
§ 1. Intrekking van andere regelingen
Artikel 7.1
De Comptabiliteitsvoorschriften waterschappen worden ingetrokken met
dien verstande dat zij op grond van artikel 98a van de wet, van
toepassing blijven op de inrichting van de meerjarenraming, de
begroting, de jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de
informatieverstrekking aan derden alsmede de daarbij behorende
toelichtingen voor het begrotingsjaar 2008.
Artikel 7.2
Het Besluit vergoedingen en tegemoetkoming leden algemeen bestuur
waterschap wordt ingetrokken.
Artikel 7.3
Het Besluit bezoldiging en tegemoetkoming in kosten leden dagelijks
bestuur waterschap wordt ingetrokken.
Artikel 7.4
Het Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen wordt ingetrokken.
Artikel 7.5
Het Besluit administratieve verplichtingen waterschapsbelastingen wordt
ingetrokken.
§ 2. Overgangsbepalingen
Artikel 7.6
1.In afwijking van artikel 4.66, eerste lid, worden activa, die op 31
december 2008 tegen actuele waarde zijn gewaardeerd, volgens de op dat
moment aanwezige boekwaarde gedurende de nog resterende
afschrijvingsperiode afgeschreven. Gevormde herwaarderingsreserves
dienen op de boekwaarde in mindering te worden gebracht.
2.In afwijking van artikel 4.65, eerste lid, worden alle activa waar
voor 1 januari 2009 reserves op in mindering zijn gebracht op de waarde
volgens de op 31 december 2008 aanwezige boekwaarde gedurende de nog
resterende afschrijvingsperiode afgeschreven.
Artikel 7.6a
Bij toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:
a. wordt op aanvraag door het dagelijks bestuur een vergoeding verstrekt
voor de belastingheffing als gevolg van de verstrekkingen, bedoeld in
artikel 3.15, eerste lid;
b. wordt in artikel 3.26 voor «3%» gelezen: 6,25%;
c. blijft artikel 3.26a buiten toepassing.
Artikel 7.6b
1. De artikelen 3.21, 3.29 en 3.30, zoals deze luidden op de dag voor de
datum van inwerkingtreding van artikel VII, onderdelen D en G, van het
Besluit wijziging van de rechtspositiebesluiten decentrale politieke
ambtsdragers 2010, blijven van toepassing op de voorzitter die voor de
datum van inwerkingtreding van dit besluit ingevolge artikel 3.31kennis
heeft gegeven aan het dagelijks bestuur dat hij wegens ziekte zijn ambt
niet kan vervullen.
2. De artikelen 3.37 en 3.39, zoals deze luidden op de dag voor de datum
van inwerkingtreding van artikel VII, onderdeel K, van het Besluit
wijziging van de rechtspositiebesluiten decentrale politieke
ambtsdragers 2010, blijven van toepassing op de voormalig voorzitter van
wie het ontslag is ingegaan voor 27 februari 2010.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 7.7
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 7.8
Dit besluit wordt aangehaald als: Waterschapsbesluit.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 29 november 2007
BEATRIX
De
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C.
Huizinga-Heringa
Uitgegeven de achttiende
december 2007
De
Minister van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
Bijlage I, model goedkeurende
accountantsverklaring, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van het
Waterschapsbesluit
In artikel 109, derde lid, van de
Waterschapswet zijn de elementen opgenomen, die de accountant in de
accountantsverklaring moet opnemen.
In geval van een goedkeuring van de
jaarrekening (goedkeurend getrouwheidsconclusie en geen materiële
onrechtmatigheden en/of onzekerheden over de rechtmatigheid; fout
≤ 1%; onzekerheid ≤ 3%) dient bij het opstellen van de
accountantsverklaring de volgende tekst te worden aangehouden door de
accountant.
Aan: Opdrachtgever
Accountantsverklaring
Verklaring betreffende de jaarrekening
Wij hebben de (in dit rapport/verslag
opgenomen 1) jaarrekening.. (jaartal) van waterschap.. (naam
waterschap), bestaande uit de balans per 31 december .... (jaartal) en
de exploitatierekeningen naar programma´s, naar kostendragers en naar
kosten- en opbrengstsoorten over .... (jaartal) met de toelichtingen
2, gecontroleerd.
Verantwoordelijkheid van het dagelijks
bestuur
Het dagelijks bestuur van waterschap
.... (naam waterschap) is verantwoordelijk voor het opmaken van de
jaarrekening, alsmede voor het opstellen van het jaarverslag, beide in
overeenstemming met hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit.
Deze houdt onder meer in dat de
jaarrekening zowel de baten en lasten als de activa en passiva getrouw
dient weer te geven en dat de in de jaarrekening verantwoorde baten,
lasten en balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen.
Rechtmatige totstandkoming betekent in overeenstemming met de
begroting en met de van toepassing zijnde wettelijke regelingen
waaronder verordeningen van het waterschap zelf.
Deze verantwoordelijkheid omvat onder
meer: het ontwerpen, invoeren en in stand houden van een intern
beheersingssysteem relevant voor het opmaken van en getrouw weergeven
in de jaarrekening van zowel de baten en lasten als de activa en
passiva, zodanig dat deze geen afwijkingen van materieel belang als
gevolg van fraude of fouten bevat en voor de naleving van de relevante
wet- en regelgeving, het kiezen en toepassen van aanvaardbare
grondslagen voor financiële verslaggeving en het maken van
schattingen die onder de gegeven omstandigheden redelijk zijn.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Onze verantwoordelijkheid is het geven
van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle, als
bedoeld in artikel 109, tweede lid, van de Waterschapswet. Wij hebben
onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht,
waaronder hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit. 3 Dienovereenkomstig
zijn wij verplicht te voldoen aan de voor ons geldende gedragsnormen
en zijn wij gehouden onze controle zodanig te plannen en uit te voeren
dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de
jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Een controle omvat het uitvoeren van
werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen
en de toelichtingen in de jaarrekening. De keuze van de uit te voeren
werkzaamheden is afhankelijk van de professionele oordeelsvorming van
de accountant, waaronder begrepen zijn beoordeling van de risico´s
van afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
In die beoordeling neemt de accountant in aanmerking het voor het
opmaken van en getrouw weergeven in de jaarrekening van zowel de baten
en lasten als de activa en passiva, alsmede het voor de naleving van
de wet- en regelgeving relevante interne beheersingssysteem, teneinde
een verantwoorde keuze te kunnen maken van de controlewerkzaamheden
die onder de gegeven omstandigheden adequaat zijn, maar die niet tot
doel hebben een oordeel te geven over de effectiviteit van het interne
beheersingssysteem van het waterschap. Tevens omvat een controle onder
meer een evaluatie van de aanvaardbaarheid van de toegepaste
grondslagen voor financiële verslaggeving, van de redelijkheid van
schattingen die het dagelijks bestuur van het waterschap heeft
gemaakt, en een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
De bij onze controle toegepaste
goedkeuringstolerantie bedraagt voor fouten ...% en voor onzekerheden
...% van de totale bruto-lasten. Deze goedkeuringstolerantie is door
het algemeen bestuur bij besluit van .............. (datum, nummer)
vastgesteld.
Wij zijn van mening dat de door ons
verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor
ons oordeel
Oordeel
Naar ons oordeel geeft de jaarrekening
van waterschap .............. (naam waterschap) een getrouw beeld van
de grootte en de samenstelling van zowel de baten en lasten over ....
(jaartal) als van de activa en passiva per 31 december ... (jaartal)
in overeenstemming is met hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit.
Voorts zijn wij van oordeel dat de in
deze jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de
balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen in overeenstemming
met de begroting en de van toepassing zijnde wettelijke regelingen,
waaronder verordeningen van het waterschap zelf.
Verklaring betreffende andere
wettelijke voorschriften en/of voorschriften van regelgevende
instanties
Op grond van de wettelijke verplichting
ingevolge artikel 109, derde lid, onderdeel d, van de Waterschapswet
melden wij dat het jaarverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen,
verenigbaar is met de jaarrekening.
Plaats, datum
Naam accountantsorganisatie
Naam externe accountant en
ondertekening met die naam
Bijlage II, goedkeuringstoleranties en
strekking accountantsverklaringen, bedoeld in artikel 5.4, tweede lid,
van het Waterschapsbesluit
Bij de oordeelsvorming over de
jaarrekening spelen de goedkeuringstoleranties een belangrijke rol. De
goedkeuringstoleranties zijn kwantitatieve criteria. Als de
goedkeuringstoleranties niet worden overschreden, wordt in beginsel
een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven.
Als één der of beide
goedkeuringstolerantie(s) worden overschreden zal geen goedkeurende
accountantsverklaring, maar één van de drie andere hieronder
aangegeven oordelen, worden verstrekt door de accountant.
Soort verklaring
|
|
Goedkeurend |
Met beperking |
Oordeelonthouding |
Afkeurend |
|
Fouten in de jaarrekening (% van
bruto-lasten) |
≤ 1% |
> 1% < 3% |
– |
≥ 3% |
|
Onzekerheden in de controle (%
van bruto-lasten) |
≤ 3% |
> 3% < 10% |
≥ 10% |
– |
Zoals in artikel 5.3 aangegeven, kan de
accountant, op grond van zijn deskundigheid, ook besluiten dat er
kwalitatieve gebreken zijn van dusdanige aard, dat de goedkeuring
wordt onthouden.
|