| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet aanvullende
regels veiligheid wegtunnels
BESLUIT
AANVULLENDE REGELS VEILIGHEID WEGTUNNELS
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 11 mei 2006, houdende regels met betrekking tot de
veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels (Besluit
aanvullende regels veiligheid wegtunnels)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23
januari
2006, nr. HDJZ/I&O/2006-4, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op de Richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake
minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU
L 167, gerectificeerd in PbEU L 201);
Gelet op de artikelen 3 en 12 van de Wet aanvullende regels
veiligheid wegtunnels, de artikelen 7, 40a, 120 en 120a van de Woningwet
en artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2006, nr.
W09.06.0003/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
van 28 april 2006, nr. HDJZ/I&O/2006-591, Hoofddirectie Juridische
Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
richtlijn: de Richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake
minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU
L 167, gerectificeerd in PbEU L 201);
wet: Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels;
commissie: de Commissie voor de tunnelveiligheid, bedoeld in artikel
3 van de wet.
Artikel 2
1. De commissie bestaat uit deskundigen op het gebied van de
veiligheid met betrekking tot tunnels.
2. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de overige
leden van de commissie worden bij koninklijk besluit, op voordracht
van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, benoemd en ontslagen.
3. De benoeming van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter
en de andere leden van de commissie geschiedt voor een tijdvak van
vijf jaar. Zij zijn terstond wederbenoembaar.
4. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de overige
leden van de commissie kunnen te allen tijde ontslag nemen door een
schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
5. De commissie wijst een secretaris aan. Deze is geen lid van de
commissie.
6. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
nadere regels gesteld ten aanzien van de werkwijze van de commissie.
§ 2. Regels over het veilige gebruik van wegtunnels
Artikel 3
1. In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. bedieningscentrale: centrale met voorzieningen om voorvallen
te detecteren, installaties te bedienen en met tunnelgebruikers en
hulpverleningsdiensten te communiceren;
b. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
uitgegeven norm;
c. NEN-EN: door de European Committee for Standardization en de
European Comittee for Electrotechnical Standardization uitgegeven
norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut is
aanvaard als Nederlandse norm;
d. RAL: door het RAL Deutsches Institut für Gütesicherung und
Kennzeichnung gestandaardiseerde kleurcode;
e. trans-Europees wegennet: het wegennet zoals omschreven in
bijlage I, afdeling 2, bij de Beschikking van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 inzake
communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een
trans-Europees vervoersnet (1692/96/EG, PbEG L 228) en
geïllustreerd met kaarten of beschreven in bijlage II bij die
beschikking;
f. tunnelbuislengte: de lengte van het omsloten gedeelte van
een tunnelbuis;
g. tunnel: tunnel of tunnelvormig bouwwerk, uitsluitend dan wel
mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994;
h. tunnelbuis: deel van een tunnel waarin zich een of meer
rijbanen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels
en verkeerstekens 1990 bevinden.
2. Tenzij in het voorschrift anders is bepaald, zijn de
voorschriften van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen
uitsluitend van toepassing op tunnels waarvan de tunnelbuislengte van
de langste tunnelbuis meer dan 250 meter is.
3. Indien een in deze paragraaf of de daarop berustende bepalingen
genoemde NEN wordt vervangen door een NEN-EN treedt die NEN-EN in de
plaats van die NEN.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
de toepassing van een in deze paragraaf of de daarop berustende
bepalingen genoemde NEN of NEN-EN.
Artikel 4
1. Aan een in deze paragraaf gesteld voorschrift hoeft niet te
worden voldaan voor zover een andere wijze ten minste eenzelfde mate
van veiligheid biedt als met het betrokken voorschrift is beoogd.
2. Indien de andere wijze, bedoeld in het eerste lid, nodig is voor
het toepassen van innovatieve veiligheidsvoorzieningen of innovatieve
veiligheidsprocedures in een tunnel in het trans-Europese wegennet die
langer is dan 500 meter en met zich brengt dat wordt afgeweken van de
voorschriften van de richtlijn kan die andere wijze uitsluitend worden
toegepast, nadat
a. de in artikel 14, eerste tot en met vierde lid, van de
richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond
daarvan van rechtswege toestemming voor die afwijking is
verkregen, of
b. de in artikel 14, eerste tot en met vijfde lid, van de
richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond
daarvan door de Europese Commissie toestemming voor die afwijking
is verleend.
3. In een geval als bedoeld in het tweede lid dient Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat, op verzoek van het bevoegde college van
burgemeester en wethouders en de tunnelbeheerder gezamenlijk, bij de
Europese Commissie een aanvraag tot afwijking van het desbetreffende
voorschrift van de richtlijn in.
Artikel 5
1. Op verzoek van het bevoegde college van burgemeester en
wethouders en de tunnelbeheerder gezamenlijk kan Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat ontheffing verlenen van een in deze paragraaf
gesteld voorschrift ten behoeve van een experiment.
2. Indien het experiment, bedoeld in het eerste lid, nodig is voor
het toepassen van innovatieve veiligheidsvoorzieningen of innovatieve
veiligheidsprocedures in een tunnel in het trans-Europese wegennet die
langer is dan 500 meter en met zich brengt dat wordt afgeweken van de
voorschriften van de richtlijn kan de ontheffing, bedoeld in het
eerste lid, uitsluitend verleend worden nadat
a. de in artikel 14, eerste tot en met vierde lid, van de
richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond
daarvan van rechtswege toestemming voor de afwijking is verkregen,
of
b. de in artikel 14, eerste tot en met vijfde lid, van de
richtlijn voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond
daarvan door de Europese Commissie toestemming voor de afwijking
is verleend.
3. In een geval als bedoeld in het tweede lid dient Onze Minister,
bedoeld in het eerste lid, bij de Europese Commissie een aanvraag tot
afwijking van het desbetreffende voorschrift van de richtlijn in.
Artikel 6
1. Een tunnel heeft vluchtrouteaanduidingen die:
a. voldoen aan NEN 6088 (uitgave 2002);
b. niet hoger dan 1,5 meter boven de vloer zijn aangebracht.
2. De zichtbaarheid van een vluchtrouteaanduiding in een tunnel
voldoet aan het bepaalde in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN
1838 (uitgave 1999).
3. De afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen in een tunnel is
ten hoogste 25 meter, gemeten langs de tunnelwand.
4. Op een vluchtrouteaanduiding in een tunnel is voor de
tunnelgebruikers goed zichtbaar aangegeven op welke afstanden in beide
richtingen de dichtstbijzijnde uitgangen zich bevinden.
Artikel 7
Een deur die in een tunnel toegang geeft tot een rookvrije
vluchtroute als bedoeld in afdeling 2.18 van het Bouwbesluit 2003 is
uitgevoerd in de kleur groen volgens RAL 6024.
Artikel 8
Een krachtens artikel 2.217 of artikel 2.225 van het Bouwbesluit 2003
in een tunnel aanwezige hulppost is ten minste voorzien van een
noodtelefoon, een draagbaar brandblusapparaat en een wandcontactdoos
(220 V).
Artikel 9
Een tunnel die langer is dan 500 meter is aangesloten op een
bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en
automatische detectie van ongevallen of van brand.
Artikel 10
1. De rijbaan voor een tunnelbuis heeft hetzelfde aantal rijstroken
als die in de tunnelbuis. Mogelijke vermindering van het aantal
rijstroken voor de tunnelbuis vindt op een zodanige afstand voor de
tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen als gevolg van
die vermindering in de tunnelbuis kunnen optreden.
2. In een tunnelbuis is uitsluitend eenrichtingsverkeer toegestaan.
3. In afwijking van het tweede lid kan tweerichtingsverkeer
toegestaan worden indien is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in
verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden
niet mogelijk is.
4. Voor zover tweerichtingsverkeer overeenkomstig het derde lid is
toegestaan, is de wegtunnelbuis voorzien van een systeem voor
permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en
is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.
Artikel 11
1. Een tunnel heeft een voorziening die mobiele communicatie tussen
hulpverleningsdiensten binnen en die buiten de tunnel mogelijk maakt.
2. Een tunnel die langer is dan 500 meter heeft een voorziening:
a. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan
aan personen die in de tunnelbuis of in een rookvrije vluchtroute
als bedoeld in afdeling 2.18 van het Bouwbesluit 2003 in die
tunnel aanwezig zijn;
b. voor heruitzending van radiosignalen, en
c. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om dringende
mededelingen aan tunnelgebruikers te doen.
3. De mededelingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en c,
worden in elk geval in het Nederlands en het Engels gedaan.
Artikel 12
De voor een evacuatie van tunnelgebruikers in een tunnel aanwezige
essentiële voorzieningen, systemen en installaties die zijn aangesloten
op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een
voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, van
het Bouwbesluit 2003.
Artikel 13
Een krachtens artikel 2.191, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003 in
een tunnel aanwezige blusleiding is aangesloten op een watervoorziening
die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten
minste 120 m3/h kan leveren.
Artikel 14
De voorzieningen, systemen en installaties die bij of krachtens enig
wettelijk voorschrift uit het oogpunt van veiligheid in een tunnel
aanwezig zijn, worden in voldoende mate en regelmatig op adequaat
functioneren geïnspecteerd. Indien nodig worden onderhoudswerkzaamheden
verricht.
§ 3. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur
Artikel 15
[Wijzigt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning]
Artikel 16
[Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990]
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 18
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanvullende regels
veiligheid wegtunnels.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 11 mei 2006
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
Uitgegeven de drieëntwintigste mei 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|