| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
BESLUIT
ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN INZAKE HET
WEGVERKEER (BABW)
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 26 juli 1990, houdende vaststelling van
het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 mei 1989,
nr. RW 26148, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de Wegenverkeerswet (Stb. 1935,
554);
De Raad van State gehoord (advies van 5
december 1989, nr. W09.89.0261);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 16 juli 1990, nr. RW 65900, Hoofddirectie van
de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. begeleidingsvoertuig: bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1,
van de Regeling voertuigen, met een toegestane maximummassa van niet
meer dan 3500 kg dat is bestemd voor de begeleiding van exceptionele
transporten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit
ontheffingverlening Dienst Wegverkeer exceptionele transporten;
b. verkeersregelaar met in het kader van zijn beroep
verkeersregelende taken: verkeersregelaar, niet zijnde
transportbegeleider of verkeersregelaar die tot taak heeft
eenvoudige verkeersregelende werkzaamheden te verrichten bij
evenementen, die uit hoofde van zijn beroep verkeersregelende
werkzaamheden verricht;
c. bevoegd gezag: gezag als bedoeld in artikel 18, eerste lid,
van de wet;
d. gezichtsveldverbeterende voorziening: voorziening als bedoeld
in artikel 5.3.45, zesde en elfde lid, van de Regeling voertuigen;
e. wegvak: gedeelte van een weg tussen twee zijwegen of –
indien geen zijweg aanwezig is – tussen twee punten waarop een
verkeersmaatregel betrekking heeft;
f. experiment: experiment als bedoeld in artikel 186 van de wet;
g. experimentverkeersbesluit: verkeersbesluit als bedoeld in
artikel 60;
h. transportbegeleider: verkeersregelaar die optreedt ter
begeleiding van een exceptioneel transport als bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van het Besluit ontheffingverlening Dienst Wegverkeer
exceptionele transporten;
i. verkeersregelaar: persoon behorend tot de ingevolge artikel
12, eerste lid, van de wet, aangewezen categorie, niet zijnde een
persoon als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel d, of
artikel 82, derde lid, van het RVV 1990.
Artikel 1a
Het is aan anderen dan degenen die daartoe krachtens dit besluit
bevoegd zijn verboden op, langs of boven de wegen verkeerstekens aan te
brengen, te doen aanbrengen, aangebracht te houden of te verwijderen dan
wel de zichtbaarheid van verkeerstekens weg te nemen.
Artikel 2
Het is verboden voorwerpen, inrichtingen of borden, van welke aard
ook, die het verkeer in verwarring zouden kunnen brengen op, langs of
boven de wegen aan te brengen, te doen aanbrengen, of aangebracht te
houden.
Hoofdstuk II. Verkeerstekens en maatregelen ter regeling van het
verkeer
§ 1. Verkeerstekens
Artikel 3
Verkeerstekens zijn:
a. verkeersborden;
b. verkeerslichten en
c. verkeerstekens op het wegdek.
Artikel 4
1.De verkeersborden die een gebod, een verbod of een adviessnelheid
betreffen zijn vastgesteld in bijlage I, behorende bij het RVV 1990,
hoofdstukken A tot en met H.
2.De verkeersborden die een gevaar aanduiden zijn vastgesteld in
bijlage I, behorende bij het RVV 1990, hoofdstuk J.
3.De verkeersborden die overige informatie van belang voor de
weggebruikers bevatten moeten voor zover in bijlage I, behorende bij
het RVV 1990, hoofdstukken K en L, niet een bepaald model is
voorgeschreven, bestaan uit een rechthoekig bord, waarop de letters,
cijfers of symbolen in een blauw veld zijn geplaatst. Onze Minister
kan veranderingen toestaan.
Artikel 5
De verkeerslichten zijn de lichten genoemd in de artikelen 68 tot en
met 75 van het RVV 1990.
Artikel 6
1.De verkeerstekens op het wegdek die een gebod of verbod betreffen
zijn de verkeerstekens genoemd in artikel 10, tweede lid, artikel 23,
eerste lid, onderdeel e en g, artikel 24, eerste lid, onderdeel e,
artikel 25, eerste lid, artikel 46, eerste lid, artikel 49, tweede lid
en de artikelen 76 tot en met 81 van het RVV 1990.
2.Andere verkeerstekens op het wegdek kunnen worden aangebracht ter
geleiding van het verkeer, ter herinnering aan de ter plaatse geldende
maximumsnelheid en ter aanduiding van andere omstandigheden.
Artikel 7
Andere verkeerstekens dan de in dit hoofdstuk genoemde worden niet
geplaatst.
§ 2. Onderborden
Artikel 8
1. Onder verkeersborden kunnen onderborden worden geplaatst.
2. Deze onderborden kunnen:
a. een nadere uitleg van de op de verkeersborden voorkomende
aanduiding inhouden;
b. bij verkeersborden die een gebod of verbod aanduiden, een
beperking van de werkingssfeer van die verkeersborden inhouden;
c. bij bord C7 van bijlage I, behorende bij het RVV 1990, de
aanduiding inhouden dat de uit dit verkeersbord voortvloeiende
beperking niet geldt voor motorvoertuigen die zijn voorzien van
een gezichtsveldverbeterende voorziening;
d. bij de verkeersborden E4 tot en met E8 en E10 tot en met E13
van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, betrekking hebben op
1°. de voertuigcategorie of groep voertuigen waarvoor de
parkeergelegenheid is bestemd en, voor zover het betreft bord
E6, tevens op de aanduiding dat de parkeergelegenheid is
gereserveerd voor een bepaald voertuig;
2°. de wijze waarop of het doel waarmee het parkeren dient
te geschieden;
3°. de dagen of uren waarop het parkeren is verboden of
4°. de dagen of uren waarop een beperking als bedoeld in
1° en 2° geldt en, voor zover:
– het verkeersbord E6 betreft, de dagen of uren waarop
het in het tweede lid van artikel 26 van het RVV 1990
bedoelde gebruik van de parkeerschijf van toepassing is, en
– het verkeersbord E10 betreft, de dagen of uren waarop
het in het tweede lid van artikel 25 van het RVV 1990
bedoelde gebruik van de parkeerschijf van toepassing is;
e. bij de verkeersborden G7, G9, G11 en G12a van bijlage 1,
behorende bij het RVV 1990, een aanduiding inhouden dat de uit het
verkeersbord voortvloeiende geboden of verboden niet gelden voor
het verkeersgebruik als op het onderbord is aangegeven.
3. De in het tweede lid, onderdeel d, onder 1° en 2°, bedoelde
aanduidingen kunnen in plaats van op een onderbord, ook op het
verkeersbord worden aangebracht.
§ 3. Zonale toepassing van verkeersborden
Artikel 9
1. Boven de verkeersborden A1, C1, C6 tot en met C22a, E1, E3, E9,
G5 en G7 van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, kan het woord
«zone» worden aangebracht. Hieraan kan een aanduiding van het gebied
van de zone worden toegevoegd.
2. Als boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht
zonder aanduiding van het gebied van de zone, wordt op in aanmerking
komende plaatsen bij de zonegrens een bord geplaatst waarmee het einde
van de zone wordt aangeduid.
3. Aan bord E10 van bijlage 1 bij het RVV 1990 kan een aanduiding
van het gebied van de zone worden toegevoegd.
Artikel 10 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 11 [Vervallen per 01-07-2010]
§ 4. Plaatsing en verwijdering van verkeerstekens krachtens
verkeersbesluit
Artikel 12
De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens
moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:
a. de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G
van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden
C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze
verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan
artikel 8, derde lid; .
b. de volgende verkeerstekens op het wegdek:
I. doorgetrokken strepen;
II. de aanduiding van fietsstroken;
III. de aanduiding van busstroken en busbanen;
IV. voetgangersoversteekplaatsen;
V. gele doorgetrokken strepen;
VI. gele onderbroken strepen;
VII. haaietanden.
Artikel 13
In het verkeersbesluit tot plaatsing van borden die de snelheid, het
parkeren of geslotenverklaringen betreffen alsmede van bord G7 kan
worden bepaald, dat de door deze borden aangeduide geboden of verboden
gelden in een bepaald gebied.
Artikel 14
Indien onder de in deze paragraaf genoemde verkeersborden onderborden
worden geplaatst als bedoeld in artikel 8, tweede lid, of toepassing
wordt gegeven aan artikel 8, derde lid, wordt zulks in het betrokken
verkeersbesluit tot uitdrukking gebracht.
Artikel 15
In het verkeersbesluit tot plaatsing van bord A1, voorzover dit
aanduidt dat een maximumsnelheid van 30 km/h of 60 km/h geldt, bord B3,
B4, B5 of B6 op een 30 km/h- of 60 km/h weg of in een 30 km/h- of 60 km/hzone,
en bord G5 van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, wordt aangegeven
op welke wijze wordt voldaan aan de krachtens artikel 14 van de wet
gestelde voorschriften.
Artikel 16
Geen verkeersbesluit behoeft te worden genomen indien het betrokken
verkeersteken wordt geplaatst of verwijderd ter nadere aanduiding dat
een verkeersregel van toepassing is dan wel dat een ander verkeersteken
dat een gebod of verbod inhoudt is geplaatst.
§ 5. Maatregelen ter regeling van het verkeer
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 18
In het verkeersbesluit worden de aard en de omvang van de maatregelen
aangegeven.
Artikel 19
Geen verkeersbesluit behoeft te worden genomen, indien de betrokken
maatregel strekt tot ondersteuning van een verkeersregel of een aldaar
geplaatst verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt.
§ 6. Verkeersbesluiten
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 21
De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke
doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd.
Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede
lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het
verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en
tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt
voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn
afgewogen.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23
Het openbaar lichaam dat het beheer heeft over de weg of, indien geen
openbaar lichaam het beheer heeft, de eigenaar van de weg wordt met
betrekking tot verkeersbesluiten gehoord.
Artikel 24
Verkeersbesluiten worden genomen na overleg met:
a. de korpschef van het betrokken regionale politiekorps,
b. de korpschef van het Korps landelijke politiediensten, indien
de taak ten aanzien van het verkeer mede wordt vervuld door dat
politiekorps, en
c. de commandant van de Koninklijke marechaussee, indien de taak
ten aanzien van het verkeer mede wordt vervuld op een
luchtvaartterrein als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van
de Politiewet 1993.
Artikel 25
1.Verkeersbesluiten als gevolg waarvan het verkeer op wegen anders
dan die waarop het verkeersbesluit betrekking heeft rechtstreeks en
ingrijpend wordt beïnvloed, worden genomen na overleg met het ten
aanzien van die andere wegen bevoegd gezag.
2.Verkeersbesluiten worden genomen na overleg met de betrokken
spoorwegbeheerder, indien het besluit maatregelen betreft nabij een
overweg als bedoeld in artikel 1, onderdeelaab, van het RVV 1990 ,
waardoor het verkeer over die overweg wordt beïnvloed.
Artikel 26
Van de bekendmaking van verkeersbesluiten wordt mededeling gedaan in
één of meer plaatselijke dag- of weekbladen. In de mededeling worden
in ieder geval de weg waarop het verkeersbesluit betrekking heeft,
alsmede de te plaatsen of te verwijderen verkeerstekens dan wel de te
treffen maatregelen ter regeling van het verkeer vermeld.
Artikel 27
Verkeersbesluiten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet
treden in werking met ingang van de dag, nadat een termijn van zes weken
na de dag waarop het besluit is bekend gemaakt, is verstreken.
§ 7. Plaatsing, verwijdering, kosten
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 29
De kosten, voortvloeiende uit de plaatsing van bord E6 van bijlage I,
behorende bij het RVV 1990, kunnen worden verhaald op degene of degenen
ten behoeve van wie het bord is geplaatst.
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 33
Indien in, op, boven of langs een weg activiteiten worden ondernomen
welke niet behoren tot het normale verkeersgebruik van die weg en het
bevoegd gezag het noodzakelijk acht verkeerstekens te plaatsen of te
verwijderen in verband met die activiteiten, kan het bevoegd gezag de
kosten die het voor de plaatsing, het onderhoud of de verwijdering heeft
gemaakt ten laste brengen van degene die deze activiteiten uitvoert.
§ 8. Tijdelijke plaatsing of toepassing van verkeerstekens en het
tijdelijk uitvoeren van maatregelen
Artikel 34
Door het bevoegd gezag dan wel door het openbaar lichaam, dat het
beheer heeft over een weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer
heeft, door de eigenaar van de weg kunnen in de hierna genoemde
omstandigheden en voor de duur van die omstandigheden verkeerstekens als
bedoeld in artikel 12, worden geplaatst alsmede maatregelen als bedoeld
in artikel 15, tweede lid, van de wet, worden uitgevoerd:
a. ingeval van de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte
toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere
dringende omstandigheid van voorbijgaande aard;
b. ingeval van een door het wegverkeer veroorzaakte ernstige
aantasting van voorbijgaande aard van de in het tweede lid, onder a,
van artikel 2 van de wet genoemde belangen.
Artikel 35
De plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen,
bedoeld in artikel 34, kunnen geschieden zonder een daaraan ten
grondslag liggend verkeersbesluit.
Artikel 36
Van het voornemen tot tijdelijke plaatsing van verkeerstekens en tot
het tijdelijk uitvoeren van maatregelen of, indien hiertoe reeds is
overgegaan, van dat feit wordt zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan
het bevoegd gezag dat de tijdelijke plaatsing of de tijdelijke maatregel
ongedaan kan maken. De kennisgeving kan achterwege blijven voor zover
dit gezag dit heeft bepaald.
Artikel 37
In afwijking van artikel 35 geschieden de tijdelijke plaatsing en de
tijdelijke maatregel krachtens een verkeersbesluit indien de
omstandigheden die tot de tijdelijke plaatsing of tot de tijdelijke
maatregel leiden van langere duur zijn dan vier maanden dan wel zich
regelmatig voordoen.
Artikel 38
De met verkeersregeling belaste ambtenaren, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak en de buitengewone opsporingsambtenaren
van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, kunnen ten behoeve van
verkeerscontroles en, indien in onvoorziene omstandigheden de
afwikkeling van het verkeer zulks noodzakelijk maakt, voor ten hoogste
drie uren verkeerstekens plaatsen en maatregelen uitvoeren zonder dat
kennisgeving aan het bevoegd gezag behoeft te geschieden. Geschiedt de
plaatsing of maatregel voor langere tijd, dan is artikel 36 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 39
Indien de toestand van een waterkerende dijk waarop een weg is
gelegen zulks vordert, heeft de onderhoudsplichtige van de dijk de
bevoegdheid tot het tijdelijk plaatsen van verkeerstekens die een gebod
of verbod inhouden alsmede tot het tijdelijk uitvoeren van maatregelen.
Artikel 40
Door of namens de onderhoudsplichtige van de dijk wordt onverwijld
aan Onze commissaris in de provincie en aan het openbaar lichaam, dat
het beheer heeft over de weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer
heeft, aan de eigenaar van de weg kennis gegeven van het voornemen tot
tijdelijke plaatsing en tot het tijdelijk uitvoeren van maatregelen
bedoeld in artikel 39 of, indien hiertoe reeds is overgegaan, van dat
feit. Onze commissaris in de provincie kan de tijdelijke plaatsing of de
tijdelijke maatregel ongedaan maken.
Artikel 41
Tot het ongedaan maken van de tijdelijke plaatsing van verkeerstekens
of het tijdelijk uitvoeren van maatregelen als bedoeld in de artikelen
36 en 40 kan worden overgegaan indien:
a. de omstandigheden als bedoeld in artikel 34 zich niet of niet
langer voordoen of
b. deze omstandigheden de plaatsing of de maatregel niet kunnen
rechtvaardigen.
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 9. Beroep
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk III. Vaststelling bebouwde kom
Artikel 48
Bij de vaststelling van de grenzen van de bebouwde kom of kommen als
bedoeld in artikel 20a van de wet, zijn de artikelen 23 en 24 van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Gehandicaptenparkeerkaart
Artikel 49
1.Aan een gehandicapte kan, overeenkomstig de bij ministeriële
regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en
wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart
worden verstrekt.
2.Aan het bestuur van een instelling die is toegelaten op grond van
artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen en die
zorg verleent als bedoeld in artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten kan, overeenkomstig de bij ministeriële regeling
gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente waar de instelling is gevestigd, een
gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt ten behoeve van het vervoer
van gehandicapten die in de betrokken instelling verblijven.
3.Aan een gehandicapte die niet als ingezetene is ingeschreven in
de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente kan,
overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door
Onze Minister een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
Artikel 50
De houder van een gehandicaptenparkeerkaart laat van de kaart geen
gebruik maken indien het parkeren niet rechtstreeks verband houdt met
het vervoer van hemzelf, dan wel van het vervoer van gehandicapten die
verblijven in de instelling waaraan de kaart is verstrekt.
Artikel 51
1.Behoudens het tweede en het derde lid is een
gehandicaptenparkeerkaart geldig voor de duur van vijf
achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de dag van afgifte.
2.Indien redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de termijn
gedurende welke de gehandicapte in aanmerking komt voor een
gehandicaptenparkeerkaart, korter zal zijn dan vijf jaren, beperkt het
gezag dat bevoegd is tot de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten,
de geldigheidsduur tot die termijn.
3.Indien een gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven aan een
aanvrager die tijdelijk in Nederland verblijft, beperkt het gezag dat
bevoegd is tot de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten, de
geldigheidsduur van de kaart tot de termijn van verblijf van de
aanvrager in Nederland.
Artikel 52
1.Het tot de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten bevoegde gezag
geeft voor gehandicaptenparkeerkaarten die versleten of geheel of ten
dele onleesbaar zijn, dan wel verloren zijn geraakt of teniet zijn
gegaan, een duplicaat af.
2.Indien de gehandicaptenparkeerkaart is versleten of geheel of ten
dele onleesbaar is geworden, wordt een duplicaat slechts uitgereikt
tegen inlevering van de versleten of geheel of ten dele onleesbare
kaart.
3.Indien de gehandicaptenparkeerkaart verloren is geraakt of teniet
is gegaan, wordt een duplicaat slechts uitgereikt tegen overlegging
van een door de aanvrager ondertekende verklaring, dat de kaart
verloren is geraakt of teniet is gegaan. In de verklaring dienen de
omstandigheden waaronder de kaart verloren geraakt of teniet gegaan
is, te worden omschreven.
Artikel 53
1.Een gehandicaptenparkeerkaart verliest zijn geldigheid:
a. door het verstrijken van de geldigheidsduur;
b. door afgifte van een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart of een
duplicaat gehandicaptenparkeerkaart;
c. door het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen;
d. door het overlijden van de houder;
e. door ongeldigverklaring.
2.Het gezag dat de gehandicaptenparkeerkaart heeft afgegeven,
verklaart de kaart ongeldig indien deze is afgegeven op grond van door
de aanvrager verschafte onjuiste gegevens en de kaart niet zou zijn
afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de
aanvraag bekend zou zijn geweest.
3.Het gezag dat de gehandicaptenparkeerkaart heeft afgegeven, kan
de kaart ongeldig verklaren indien de houder van de kaart gebruik laat
maken in strijd met artikel 50.
Artikel 54
Indien een gehandicaptenparkeerkaart zijn geldigheid heeft verloren,
levert de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt of, indien deze is
overleden, degene die de kaart onder zich heeft, de kaart zo spoedig
mogelijk in bij het gezag dat de kaart heeft verstrekt.
Artikel 55
1.Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld
omtrent:
a. de bestelling van gehandicaptenparkeerkaarten;
b. de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten;
c. de wijze waarop een gehandicaptenparkeerkaart in een
voertuig moet worden aangebracht.
2.Het model van de gehandicaptenparkeerkaart wordt vastgesteld bij
ministeriële regeling.
Hoofdstuk V. Verkeersregelaars en verkeersbrigadiers
Artikel 56
1.Verkeersregelaars worden aangesteld door:
a. Onze Minister, indien het gaat om
1°. transportbegeleiders, of
2°. verkeersregelaars met in het kader van het beroep
verkeersregelende taken, voor zover deze taken in meerdere
provincies op het grondgebied van meerdere niet aangrenzende
gemeenten worden uitgevoerd.
b. de burgemeester van de gemeente waar de werkzaamheden worden
verricht, in de overige gevallen.
2.Verkeersregelaars met in het kader van het beroep
verkeersregelende taken worden uitsluitend als zodanig aangesteld
indien deze taken naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd
gezag:
a. als hun hoofdwerkzaamheden worden beschouwd, of
b. geacht worden nauw verband te houden met de uitoefening van
hun hoofdwerkzaamheden.
3.Het in het eerste lid genoemde bestuursorgaan kan de door hem
afgegeven aanstelling in de bij ministeriële regeling aangegeven
gevallen intrekken.
4.Verkeersbrigadiers als bedoeld in artikel 82, derde lid, van het
RVV 1990, worden aangesteld door de burgemeester.
Artikel 57
Op verkeersregelaars, personen als bedoeld in artikel 82, eerste lid,
onderdeel d, van het RVV 1990 en op verkeersbrigadiers wordt toezicht
gehouden door de politie.
Artikel 58
Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld omtrent:
a. de aanstelling, de verlenging van de aanstelling van
verkeersregelaars, alsmede de aanstelling van verkeersbrigadiers;
b. het toezicht op verkeersregelaars en verkeersbrigadiers;
c. de opleiding van verkeersbrigadiers;
d. de opleiding en examinering van verkeersregelaars;
e. de plaatsen waar en de tijdstippen waarop verkeersregelaars en
verkeersbrigadiers hun taken mogen uitoefenen;
f. de uitoefening van de bevoegdheden van verkeersregelaars en
verkeersbrigadiers;
g. de aanstellingspas;
h. de gevallen waarin de aanstelling kan worden ingetrokken;
i. de uitrusting van verkeersregelaars en verkeersbrigadiers,
alsmede de begeleidingsvoertuigen en de hulpmiddelen die daarin
aanwezig zijn.
Artikel 58a
1.Transportbegeleiders maken tijdens de uitoefening van hun
werkzaamheden gebruik van een begeleidingsvoertuig dat voldoet aan de
in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 58, onderdeel i,
opgenomen eisen.
2.Verkeersregelaars dragen tijdens de uitoefening van hun
werkzaamheden de kleding voorgeschreven in de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 58, onderdeel i.
3.Verkeersregelaars die krachtens de wet moeten beschikken over een
aanstellingspas zijn verplicht dit document op eerste vordering van de
in artikel 159, eerste lid, onderdeel a, van de wet genoemde personen
ter inzage af te geven.
4.Aanwijzingen als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van het RVV
1990, worden voor zover het betreft verkeersregelaars niet zijnde
weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat, niet gegeven vanaf een
motorrijtuig of, voorzover het betreft verkeersregelaars niet zijnde
transportbegeleiders of weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat,
vanuit een motorrijtuig.
5.Onverminderd het vierde lid, geven transportbegeleiders of
weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat vanuit een motorrijtuig
geen aanwijzingen als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van het RVV
1990, op wegen onder beheer van het Rijk of op kruispunten gelegen op
andere wegen.
Hoofdstuk VI. Strafbepaling
Artikel 59
Overtreding van de artikelen 1a, 2, 54 en 58a, eerste lid en derde
tot en met vijfde lid is een strafbaar feit.
Hoofdstuk VII. Bepalingen inzake experimenten
Artikel 60
1.Onze Minister kan voor een wegvak in beheer bij het Rijk in het
kader van een experiment een tijdelijk verkeersbesluit nemen voor
toepassing van een variabele maximumsnelheid voor de duur van ten
hoogste twee jaar.
2.Met een experiment wordt beoogd inzicht te verkrijgen in:
a. de verkeerskundige effecten;
b. de effecten op de geluidbelasting en luchtkwaliteit;
c. de effecten voor de verkeersveiligheid, en
d. de effecten op de naleving van de maximumsnelheid;
bij toepassing van een variabele maximumsnelheid of bij het
aanpassen van de maximumsnelheid aan de omstandigheden, bedoeld in
artikel 60c.
Artikel 60a
1.Het experimentverkeersbesluit bevat in elk geval:
a. de duur van het experiment;
b. de wegvakken waarop het besluit van toepassing is;
c. tenminste één maximumsnelheid voor elk wegvak;
d. de werkwijze bij evaluatie van de effecten, bedoeld in
artikel 60, tweede lid.
2.Onze Minister wijst de wegvakken, bedoeld in het eerste lid,
onder b, aan na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
3.Voor een wegvak kan slechts eenmaal een experimentverkeersbesluit
worden genomen.
Artikel 60b
1.Onze Minister kan bij het nemen, wijzigen of intrekken van een
experimentverkeersbesluit afwijken van:
a. de artikelen 81, 87d, tweede lid, 87f, 87g, 98, 99, 100,
100a en 100b van de Wet geluidhinder;
b. de artikelen 24, 25 en 27 van dit besluit;
c. hoofdstuk II, paragraaf 4 van de Uitvoeringsvoorschriften
BABW inzake verkeerstekens.
2.Artikel 20 van de wet is bij het nemen van een
experimentverkeersbesluit niet van toepassing.
Artikel 60c
1.Onze Minister kan tijdens de duur van het experiment de
maximumsnelheid voor een wegvak of één of meer rijstroken binnen dat
wegvak op verschillende tijdstippen van de dag aanpassen aan de
omstandigheden.
2.Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen vormen voor een
aanpassing als bedoeld in het eerste lid, behoren in elk geval:
a. doorstroming van het verkeer;
b. weersomstandigheden;
c. onverwachte incidenten;
d. verkeersintensiteit;
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over de toepassing van het eerste en tweede lid.
Artikel 60d
Onze Minister kan met het oog op het experiment de borden, bedoeld in
artikel 12, plaatsen of verwijderen tijdens de duur van het experiment.
Artikel 60e
1.Het experimentverkeersbesluit vervalt na afloop van de duur,
bedoeld in artikel 60a, eerste lid, onder a.
2.Het verkeersbesluit zoals dat luidde tot het tijdstip waarop het
experimentverkeersbesluit van kracht werd, herleeft met ingang van de
datum waarop het experimentverkeersbesluit vervalt, tenzij een
verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, met ingang van
die datum in werking treedt.
Artikel 60f
1.Ingeval zich tijdens het experiment onvoorziene omstandigheden of
ontoelaatbare effecten voordoen, kan Onze Minister het
experimentverkeersbesluit wijzigen of intrekken.
2.Onze Minister kan de duur van een experiment verlengen tot het
moment dat een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
van de wet in werking treedt indien:
a. Onze Minister het ontwerp van een verkeersbesluit als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet ter inzage heeft
gelegd, en
b. redelijkerwijze kan worden verwacht dat het verkeersbesluit
niet in werking zal zijn getreden op het moment dat het
experimentverkeersbesluit vervalt,
met dien verstande dat de totale duur niet de termijn van twee
jaar, genoemd in artikel 60, eerste lid, overschrijdt.
Artikel 60g
In afwijking van artikel 27 treedt een besluit als bedoeld in artikel
60 of 60f, eerste lid, in werking met ingang van de dag, nadat een
termijn van twee weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, is
verstreken.
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-1995]
Hoofdstuk VIII. Inwerkingtreding
Artikel 65
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Hoofdstuk IX. Citeertitel
Artikel 66
Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit administratieve
bepalingen inzake het wegverkeer" of als "BABW".
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Tavarnelle, 26 juli 1990
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de elfde oktober 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|