| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
BESLUIT
ALCOHOLONDERZOEKEN
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 5 juli 1997, houdende nadere regels
omtrent de wijze van uitvoering van de artikelen 160, vijfde lid, en 163
van de Wegenverkeerswet 1994 (Besluit alcoholonderzoeken)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 juni 1997, nr.
634598/97/6;
Gelet op Richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een
informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften
(PbEG L 109) en artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet
1994;
De Raad van State gehoord (advies van 19 juni
1997, nr. W03.97.0330);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 1 juli 1997, nr. 637673/97/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
ademanalyse: het vaststellen van het alcoholgehalte van uitgeademde
lucht door middel van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede
lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet
1994, artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de
Scheepvaartverkeerswet, artikel 2.12, derde lid, onderdeel a, van de Wet
Luchtvaart of artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Spoorwegwet;
ademanalyse-apparaat: een apparaat, bestemd voor het verrichten van
ademanalyse;
bloedafname: het afnemen van een hoeveelheid bloed ten behoeve van
een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en
derde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede
lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 2.12, derde
lid, onderdeel b, van de Wet Luchtvaart of artikel 4, tweede lid,
onderdeel b, van de Spoorwegwet.
Artikel 2
Onze Minister van Justitie wijst de apparatuur aan die voor een
voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht dient te worden gebruikt.
§ 2. Ademanalyse
Artikel 3
1. Voor het verrichten van ademanalyse wordt gebruik gemaakt van
een ademanalyse-apparaat dat behoort tot een door Onze Minister van
Justitie aangewezen type.
2. De aanwijzing van een type geschiedt slechts indien het bij een
onderzoek, verricht door een door Onze Minister van Justitie
aangewezen keuringsinstelling, is goedgekeurd.
Artikel 4
1. Het ademanalyse-apparaat dient te zijn voorzien van een geldige
verklaring van goedkeuring, afgegeven door een door Onze Minister van
Justitie aangewezen keuringsinstelling.
2. Een verklaring van goedkeuring wordt slechts afgegeven, indien
het ademanalyse-apparaat bij een door de keuringsinstelling verricht
individueel onderzoek is goedgekeurd.
3. Onze Minister van Justitie bepaalt de geldigheidsduur van de
verklaring.
Artikel 5
Onze Minister van Justitie stelt nadere regels omtrent de eisen
waaraan ademanalyse-apparaten dienen te voldoen en de onderzoeken
waaraan zij dienen te zijn onderworpen.
Artikel 6
Ademanalyse vindt niet plaats binnen twintig minuten na het moment
waarop van de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan
een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht dan wel, indien die
vordering niet is gedaan, binnen twintig minuten na het eerste directe
contact dat een opsporingsambtenaar met hem heeft gehad, leidend tot de
verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de
Wegenverkeerswet 1994, artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet, artikel
2.12 van de Wet Luchtvaart of artikel 4 van de Spoorwegwet.
Artikel 7
1. Het ademanalyse-apparaat wordt bediend door een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, die daartoe door de betrokken korpschef, bedoeld in
artikel 24, onderscheidenlijk 38 van de Politiewet 1993, of de
betrokken brigade-commandant van de Koninklijke Marechaussee is
aangewezen.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt slechts,
indien de betrokken ambtenaar heeft getoond de voor het bedienen van
het ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden te bezitten.
3. Onze Minister van Justitie kan in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Defensie nadere
regels stellen omtrent de kennis en vaardigheden van de bedienende
ambtenaren.
Artikel 8
1. De ademanalyse wordt verricht volgens een door Onze Minister van
Justitie vastgestelde procedure.
2. Op aanwijzing van de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 7,
blaast de verdachte, zo nodig viermaal, ononderbroken een zodanige
hoeveelheid ademlucht in het ademanalyse-apparaat als voor het
onderzoek nodig is. Het blazen kan worden beλindigd, zodra twee
meetresultaten verkregen zijn.
3. Het alcoholgehalte wordt bepaald door toepassing van een door
Onze Minister van Justitie vastgestelde correctie op het rekenkundig
gemiddelde van de beide meetresultaten, met dien verstande dat het
verschil tussen de meetresultaten niet groter mag zijn dan een door
Onze Minister van Justitie vastgestelde waarde.
Artikel 9
Indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een
voltooid ademonderzoek, kan het onderzoek met toepassing van artikel 8
eenmaal worden herhaald.
Artikel 10
1. Het resultaat van het onderzoek wordt aanstonds aan de verdachte
medegedeeld.
2. Een schriftelijke weergave van het onderzoek wordt bij het
proces-verbaal gevoegd.
Artikel 10a
1. Dadelijk nadat hem het in artikel 10, eerste lid, bedoelde
resultaat is medegedeeld, kan de verdachte de wens kenbaar maken dat
tevens een onderzoek wordt verricht als bedoeld in artikel 8, tweede
lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet
1994, artikel 27, tweede lid, onderdeel b, van de
Scheepvaartverkeerswet, artikel 2.12, derde lid, onderdeel b, van de
Wet Luchtvaart of artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de
Spoorwegwet.
2. Indien de verdachte dit wenst en het onderzoek daardoor niet
wordt vertraagd, geschiedt het afnemen van bloed of het opvangen van
urine door dan wel onder toezicht van een daartoe door hem aan te
wijzen arts.
3. Het onderzoek geschiedt voor rekening van de verdachte.
Artikel 11
Onze Minister van Justitie kan nadere regels stellen ten dienste van
een goede uitvoering van de ademanalyse en omtrent de kosten van een
onderzoek als bedoeld in artikel 10a.
§ 3. Onderzoek van bloed of urine
Artikel 12
Bloedafname geschiedt door middel van een door een arts verrichte
venapunctie.
Artikel 13
Afgenomen wordt een hoeveelheid bloed van ten hoogste 10 milliliter.
Onze Minister van Justitie wijst de apparatuur aan die voor afname en
opvang van het bloed dient te worden gebruikt.
Artikel 14
Bij de bloedafname is een van de in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering bedoelde opsporingsambtenaren aanwezig.
Artikel 15
1. Indien bloedafname heeft plaatsgevonden binnen een uur na het
moment waarop van de verdachte is gevorderd zijn medewerking te
verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, wordt hem
indien hij daarom verzoekt, zo spoedig mogelijk na verloop van dat uur
een tweede bloedmonster afgenomen.
2. De verdachte aan wie die vordering niet is gedaan wordt, indien
bloedafname heeft plaatsgevonden binnen een uur na het eerste directe
contact dat een opsporingsambtenaar met hem heeft gehad, leidend tot
de verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de
Wegenverkeerswet 1994, artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet,
artikel 2.12 van de Wet Luchtvaart of artikel 4 van de Spoorwegwet, op
zijn verzoek zo spoedig mogelijk na verloop van dat uur een tweede
bloedmonster afgenomen.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, deelt
de opsporingsambtenaar de verdachte mede, dat deze laatste een tweede
bloedafname kan verzoeken. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal
opgenomen.
4. De uitkomst van het onderzoek dat het laagste alcoholgehalte
oplevert, is bepalend voor de toepassing van artikel 8, tweede lid,
onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994,
artikel 27, tweede lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet,
artikel 2.12, derde lid, onderdeel b, van de Wet Luchtvaart of artikel
4, tweede lid, onderdeel b, van de Spoorwegwet.
Artikel 16
1. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken,
vindt bloedafname niet eerder plaats dan na verloop van een uur na het
eerste directe contact dat een opsporingsambtenaar met hem heeft
gehad, leidend tot de verdenking van een gedraging in strijd met
artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27 van de
Scheepvaartverkeerswet, artikel 2.12 van de Wet Luchtvaart of artikel
4 van de Spoorwegwet. Artikel 14 is van toepassing, tenzij gewichtige
omstandigheden zich daartegen verzetten.
2. Indien de verdachte komt te overlijden zonder dat hij in staat
is geweest zijn toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek
te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd, tenzij de officier van
justitie hiertegen bezwaren maakt.
Artikel 17
1. De opsporingsambtenaar of de arts kan, indien hij vermoedt dat
de verdachte onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid,
van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste lid, van de
Scheepvaartverkeerswet, artikel 2.12, eerste lid, van de Wet
Luchtvaart of artikel 4, eerste lid, van de Spoorwegwet bedoelde stof
dan alcoholhoudende drank verkeert, de verdachte vragen zijn
medewerking te verlenen aan een onderzoek van de urine.
2. De verdachte van wie naar het oordeel van de arts aannemelijk is
dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen
onwenselijk is, kan door de officier van justitie, een hulpofficier
van justitie of een van de daartoe door Onze Minister van Justitie
overeenkomstig artikel 163, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994,
artikel 28a, negende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 11.6,
achtste lid, van de Wet Luchtvaart of artikel 89, achtste lid, van de
Spoorwegwet aangewezen ambtenaren van de politie worden bevolen zijn
medewerking te verlenen aan een onderzoek van de urine.
3. Urine wordt afgestaan onder toezicht van de arts. Hierbij is een
van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde
opsporingsambtenaren aanwezig.
Artikel 18
Onze Minister van Justitie wijst de apparatuur aan die voor de opvang
van de urine dient te worden gebruikt.
Artikel 19
1. Het onderzoek van bloed of urine wordt verricht door een door
Onze Minister van Justitie aangewezen laboratorium.
2. Het alcoholgehalte wordt bepaald volgens een van de door Onze
Minister van Justitie aangewezen analysemethoden en met toepassing van
de door hem vastgestelde correcties.
Artikel 20
Het resultaat van het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk aan de
verdachte medegedeeld.
Artikel 21
1. De verdachte kan de officier van justitie de wens kenbaar maken
dat een tegenonderzoek naar het alcoholgehalte van bloed of urine
wordt verricht. Hij kan hiertoe een laboratorium aanwijzen uit een
lijst van ten minste drie door Onze Minister van Justitie erkende
laboratoria.
2. De officier van justitie geeft het in artikel 19 bedoelde
laboratorium opdracht een voldoende hoeveelheid bloed dan wel urine
ter beschikking te stellen van het door de verdachte aangewezen
laboratorium.
3. Bij het tegenonderzoek worden de in artikel 19 bedoelde
analysemethoden en correcties toegepast.
4. Tegenonderzoek geschiedt voor rekening van de verdachte.
Artikel 22
Onze Minister van Justitie geeft nadere aanwijzingen met betrekking
tot de verzending en bewaring van bloed- en urinemonsters en de medische
en analytische rapportage.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 23
Regelingen en aanwijzingen van Onze Minister van Justitie ter
uitvoering van dit besluit worden in de
Nederlandse Staatscourant bekend
gemaakt.
Artikel 24
1. Met de in dit besluit bedoelde apparatuur wordt gelijkgesteld
apparatuur, die rechtmatig is geproduceerd of in de handel is gebracht
in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is
geproduceerd in een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, en die ten minste aan
gelijkwaardige technische eisen voldoet.
2. Met de in dit besluit bedoelde verklaring van goedkeuring wordt
gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring afgegeven door een
onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lid-staat van de
Europese Unie dan wel een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, welke verklaring is
afgegeven op basis van onderzoekingen die ten minste aan
gelijkwaardige eisen voldoen.
Artikel 25
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten krachtens het Besluit
alcoholonderzoeken (Stb. 1987, 432) vastgestelde regels en andere
besluiten op dit besluit.
Artikel 26
Het Besluit alcoholonderzoeken (Stb. 1987, 432) wordt
ingetrokken.
Artikel 27
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 28
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit alcoholonderzoeken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 juli 1997
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de tiende juli 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|