| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
KENTEKENREGLEMENT
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 6 oktober 1994, houdende uitvoering van de
Wegenverkeerswet 1994
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 juni 1993,
nr. RV 151906, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 18
oktober 1993, nr. W09.93.0363);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 30 september 1994, nr. R 183051; Hoofddirectie
van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:
a. wet : Wegenverkeerswet 1994;
b. voertuig : motorrijtuig of
aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c en d
, van de wet;
c. bijzonder kenteken: kenteken als
bedoeld in artikel 38 van de wet;
d. erkend bedrijf : natuurlijke persoon
of rechtspersoon aan wie een erkenning overeenkomstig artikel 62 van
de wet is verleend;
e. bedrijfsvoorraad : te verhandelen,
bewaren of te bewerken voertuigen waarvan een erkend bedrijf de
eigendom heeft verkregen;
f. bedrijfsvoorraad deel I B :
deel I B van een kentekenbewijs van een bij ministeriële regeling
vastgesteld model, afgegeven aan een erkend bedrijf, ten behoeve van
de voertuigen die in bedrijfsvoorraad zijn opgenomen;
g. bedrijfsvoorraadpas: pas als bedoeld
in artikel 48, eerste lid;
h. handelaarskenteken: kenteken als
bedoeld in artikel 3;
i. vrijwaringsbewijs
: bewijs van een bij ministeriële regeling vastgesteld model,
blijkens welk aan de verplichtingen van artikel 26, tweede lid, 27,
derde lid, 27, achtste lid, onderdeel a, 28, tweede lid, 28a, vierde
lid, of 29, eerste lid, is voldaan;
j. betrokkene: betrokkene als bedoeld in
artikel 1, onderdeel f, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Hoofdstuk 2. Kentekens
Artikel 1a. Uitzondering kentekenplicht
Als categorieën bromfietsen, bedoeld in
artikel 37, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet waarop
artikel 36 van de wet niet van toepassing is, worden, voor zover deze
voertuigen voldoen aan de begripsomschrijving van bromfiets in artikel
1, eerste lid, onder e, van de wet, vastgesteld:
a. bromfietsen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet;
b. motorrijtuigen met een door de constructie
bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h;
c. motorrijtuigen die bestemd zijn om door een
voetganger te worden meegevoerd, en
d. motorrijtuigen met drie symmetrisch
geplaatste wielen, waarvan een wiel aan de voorzijde en twee wielen
aan de achterzijde, die voornamelijk zijn ontworpen voor gebruik
buiten de wegen en voor vrijetijdsbesteding.
Artikel 2. Opgave en inrichting kenteken
1. De opgave van
een kenteken geschiedt door afgifte van een kentekenbewijs dan wel
door afgifte van een deel I B of een bedrijfsvoorraad deel I B van
een kentekenbewijs.
2. Het
kenteken bestaat uit een combinatie van letters en cijfers dan wel een
combinatie van één letter en cijfers.
Artikel 3. Handelaarskentekens
Aan een erkend bedrijf of aan een natuurlijke
persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 42, eerste lid,
onderdeel b, kan, mits wordt voldaan aan hoofdstuk 5, voor de in artikel
37, derde lid, van de wet bedoelde voertuigen een kenteken worden
opgegeven bevattende:
a. voor wat betreft motorrijtuigen, met
uitzondering van bromfietsen, de lettergroep HA, HF of FH en twee
groepen van twee cijfers;
b. voor wat betreft bromfietsen de lettergroep
HC en twee groepen van twee cijfers, of
c. voor wat betreft aanhangwagens de
lettergroep OA en twee groepen van twee cijfers.
Artikel 4. Bijzondere kentekens
1. Aan leden van
het Koninklijk Huis en aan buitenlandse diplomaten kan een kenteken
worden opgegeven, bevattende de lettergroep AA, onderscheidenlijk CD,
en aan hen die behoren tot het Internationaal Gerechtshof dan wel tot
een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen
internationale organisatie een kenteken, bevattende de lettergroep CDJ.
2. Kentekens,
bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers
worden slechts opgegeven voor voertuigen:
a. waarvoor
overeenkomstig de voorschriften van de Minister van Financiën een
vrijstelling van belasting is verleend, of
b. waarvan de eigenaar of houder behoort tot het
personeel van buitenlandse ambassades, consulaten en daarmee
gelijkgestelde instellingen, voor zover daarvoor naar het oordeel van de
Minister van Buitenlandse Zaken aanleiding is.
3. Kentekens,
bevattende de lettergroep GV en twee groepen van twee cijfers, worden
slechts opgegeven voor motorrijtuigen met beperkte snelheid en landbouw-
of bosbouwtrekkers, die in het grensverkeer worden gebezigd alsmede voor
door deze categorieën voertuigen voortbewogen aanhangwagens.
4. Kentekens,
bevattende de lettergroep ZZ en twee groepen van twee cijfers worden
slechts opgegeven voor voertuigen die zich in verband met hun
constructie uitsluitend op de weg mogen bevinden met een ontheffing van
de wegbeheerder dan wel van de Dienst Wegverkeer.
5. Kentekens,
bevattende twee groepen van drie letters en cijfers of een combinatie
daarvan worden slechts opgegeven voor voertuigen, die naar het oordeel
van de Dienst Wegverkeer technisch in goede staat zijn, en die:
a. overeenkomstig de artikelen 31, 32 of 33
voorgoed buiten Nederland worden gebracht, of
b. niet in Nederland zijn geregistreerd en
binnen of buiten Nederland worden gebracht.
6. Kentekens,
bevattende de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W of X en twee
groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor voertuigen die
ter verkrijging van een kentekenbewijs met één of twee lettergroepen
naar en van de plaats van weging en onderzoek moeten worden gereden.
Artikel 5. Kentekenplaat
1. Het
kenteken wordt aangebracht op een plaat die behoort tot een door de
Dienst Wegverkeer goedgekeurde soort.
2. Het
eerste lid geldt niet in bij ministeriële regeling vast te stellen
gevallen.
3. De
in het eerste lid bedoelde plaat en de onderdelen daarvan zijn in bij
ministeriële regeling vast te stellen gevallen voorzien van bij die
regeling vast te stellen merken.
Hoofdstuk 3. Registratie van kentekens
Artikel 6. De inrichting van het kentekenregister
1. Het
kentekenregister bevat uitsluitend de volgende categorieën gegevens:
a. de naam, de voornaam of, in geval van meer
voornamen, de eerste voornaam en de beginletters van de overige
voornamen, de adellijke titel of het predicaat, de geboortedatum, de
geboorteplaats, het geboorteland, het geslacht en het adres van degene
aan wie het kenteken is dan wel was opgegeven;
b. de naam, het adres en het inschrijvingsnummer
bij de Kamer van Koophandel van de rechtspersoon waaraan het kenteken
is dan wel was opgegeven;
c. de naam, de voornaam of, in geval van meer
voornamen, de eerste voornaam en de beginletters van de overige
voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland, het
geslacht en het adres van degene die bij de aanvraag van een
kentekenbewijs als gemachtigde van een rechtspersoon is opgetreden;
d. de naam en het adres van degene die een
voertuig waarvoor nog geen kenteken is opgegeven, op Nederlands
grondgebied heeft gebracht of in Nederland heeft vervaardigd;
e. de naam, het adres en de gegevens omtrent het
legitimatiebewijs van degene die een voertuig voorgoed buiten
Nederland brengt;
f. gegevens omtrent bij de aanvraag van een
kentekenbewijs overgelegde legitimatiebewijzen;
g. gegevens omtrent de afgifte, de invordering
alsmede de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs;
h. gegevens omtrent de erkenning
bedrijfsvoorraad, bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 5 van de wet;
i. gegevens omtrent de schorsing, bedoeld in
hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de wet;
j. gegevens omtrent de verplichting tot
periodieke keuring, bedoeld in hoofdstuk V van de wet;
k. gegevens
ten behoeve van de heffing van de motorrijtuigenbelasting, bedoeld in
de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en de belasting, bedoeld in
de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen
1992;
l. gegevens omtrent voertuigen waarvoor een
kenteken is dan wel was opgegeven alsmede voertuigen die op Nederlands
grondgebied zijn gebracht of in Nederland zijn vervaardigd, waarvoor
nog geen kenteken is opgegeven;
m. gegevens omtrent het bepaalde in andere
wettelijke regelingen ten aanzien van voertuigen dan de wet en de in
onderdeel k bedoelde wettelijke regelingen;
n. gegevens omtrent in het buitenland
geregistreerde voertuigen waarvoor de opgave van een kenteken wordt
verzocht;
o. gegevens omtrent typegoedkeuringen van
voertuigen, voertuigonderdelen en uitrustingsstukken;
p. gegevens in verband met het verwerken van
gegevens in het kader van het kentekenregister alsmede het gebruiken
van deze gegevens door belanghebbenden;
q. gegevens van administratieve aard, verband
houdende met de tenaamstelling van kentekens;
r. gegevens omtrent de vermissing van voertuigen
en de aangifte van diefstal of verduistering van voertuigen;
s. het burgerservicenummer, het GBA-nummer en
het door de Dienst Wegverkeer in het kader van het kentekenregister
toegekende persoonsidentificatienummer;
t. het gegeven dat degene aan wie een kenteken
is opgegeven, is overleden, en
u. het gegeven dat ten aanzien van een voertuig
waarvoor een kenteken is opgegeven, niet is voldaan aan de
verplichting tot het betalen van motorrijtuigenbelasting als bedoeld
in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, of de verplichtingen
inzake opgelegde administratieve sancties als bedoeld in de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
2. De in het
eerste lid bedoelde gegevens worden, voor zover zij verband houden met
een tenaamstelling, maximaal negen jaar na het verval van de
tenaamstelling in het kentekenregister bewaard. De overige gegevens
worden gedurende een door de Dienst Wegverkeer vastgestelde periode
bewaard.
Artikel 7. Authentieke en gevoelige gegevens
1. Als
authentieke gegevens of categorieën daarvan als bedoeld in artikel 42a,
derde lid, van de wet worden aangewezen gegevens omtrent:
a. afgifte van een kentekenbewijs, bedoeld in
artikel 6, onderdelen f en u;
b. een natuurlijk persoon of rechtspersoon aan
wie een erkenning als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet is
verleend;
c. voertuigstatus;
d. aansprakelijkheid;
e. uitvoering en constructie van een voertuig;
f. milieuaspecten van een voertuig; of
g. gebruik van een voertuig.
2. Als gevoelige
gegevens worden aangewezen gegevens of combinaties van gegevens die
zijn aan te merken als:
a. persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
b. gegevens waarvan de verstrekking een
nadelig effect kan hebben op de concurrentiepositie van een
onderneming, waaronder in elk geval worden verstaan
voertuigidentificerende gegevens in combinatie met gegevens ten
aanzien van een rechtspersoon omtrent:
1°.
naam, adres en vestigingsplaats;
2°.
datum van oprichting en opheffing;
3°.
aan de rechtspersoon gerelateerde nummers en coderingen, en
4°.
rechtspersoonsstatus.
c. gegevens waarvan de verstrekking het risico
van handelen in strijd met een wettelijk voorschrift met zich brengt
waaronder in elk geval worden verstaan gegevens omtrent:
1°.
identificatie en registratie van een voertuig;
2°.
diefstal van een voertuig;
3°.
aansprakelijkheden met betrekking tot het voertuig;
4°.
kentekenbewijsstatus, en
5°.
voertuigstatus.
3. Niet-gevoelige
gegevens zijn alle gegevens die niet op grond van het tweede lid als
gevoelig zijn aangewezen.
Artikel 8. Mededeling feiten en onjuistheden door
overheidsorganen
De Dienst Wegverkeer bepaalt de wijze waarop:
a. overheidsorganen als bedoeld in artikel
41a, eerste lid, onderdeel a, van de wet een melding als bedoeld in
artikel 43c, eerste lid, van de wet doen;
b. een
authentiek gegeven als bedoeld in artikel 41a, eerste lid, onderdeel
c, van de wet «in onderzoek» wordt geplaatst als bedoeld in
artikel 43c, derde lid, van de wet.
Artikel 8a. Verstrekking van gevoelige gegevens
aan autoriteiten buiten Nederland en instellingen van volkenrechtelijke
organisaties
1. Uit het
kentekenregister worden door de Dienst Wegverkeer gevoelige gegevens
verstrekt aan:
a. met de registratie van voertuigen belaste
autoriteiten buiten Nederland ten behoeve van de registratie van
voertuigen aldaar;
b. autoriteiten buiten Nederland die zijn belast
met de handhaving van verkeersregels, de opsporing van
verkeersovertredingen en de heffing van parkeerbelasting of andere
heffingen inzake het gebruik van de weg;
c. met de toelating van voertuigen belaste
autoriteiten buiten Nederland, omtrent typen voertuigen,
voertuigsystemen, voertuigonderdelen of technische eenheden en omtrent
de uitstoot van verontreinigde gassen en deeltjes;
d. autoriteiten buiten Nederland en instellingen
van volkenrechtelijke organisaties voor zover dit ter uitvoering van
een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisaties vereist is.
2. Gevoelige
gegevens als bedoeld in het eerste lid worden slechts verstrekt aan
autoriteiten uit landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie, de
Europese Vrijhandelsassociatie of de Europese Economische Ruimte en aan
instellingen van volkenrechtelijke organisaties welke niet door een
lidstaat van de Europese Unie, de Europese Vrijhandelsassociatie of de
Europese Economische Ruimte als zodanig zijn aangewezen, indien dat land
of die instelling naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een passend
beschermingsniveau waarborgt. De beoordeling of sprake is van een
passend beschermingsniveau geschiedt overeenkomstig artikel 76, tweede
lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 9. Verstrekking van gevoelige gegevens aan
anderen dan overheidsorganen, autoriteiten buiten Nederland en
instellingen van volkenrechtelijke organisaties
1. Aan de volgende
personen en instanties kunnen gevoelige gegevens worden verstrekt:
a. door
Onze Minister of, in geval van verstrekking van gegevens omtrent de
aangifte van diefstal of verduistering van een voertuig, door Onze
Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk dan wel, in geval
van verstrekking van gegevens omtrent de verplichtingen, bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b,
door Onze Minister en Onze Minister van Financiën, respectievelijk
Onze Minister en Onze Minister van Justitie, gezamenlijk aangewezen
beroepsbeoefenaren of categorieën van beroepsbeoefenaren;
b. door Onze Minister of, in geval van
verstrekking van gegevens omtrent de aangifte van diefstal of
verduistering van een voertuig, door Onze Minister en Onze Minister van
Justitie gezamenlijk aangewezen informatieproviders, en
c. belanghebbenden, niet zijnde personen en
instanties als bedoeld in de onderdelen a en b.
2. Onverminderd
de artikelen 11 tot en met 14 kunnen met betrekking tot gevoelige
gegevens als bedoeld in artikel 7, tweede lid, bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld die betrekking hebben op:
a. de personen en instanties, bedoeld in het
eerste lid, aan wie wordt verstrekt;
b. de gevallen waarin wordt verstrekt;
c. de voorwaarden waaronder wordt verstrekt, of
d. de doeleinden waarvoor wordt verstrekt.
3. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het
gebruik van de aan de in het eerste lid genoemde personen en
instanties verstrekte gegevens. Daarbij kunnen beperkingen aan het
gebruik worden gesteld alsmede voorschriften ten aanzien van de
beveiliging van de verstrekte gegevens en voorschriften voor het
verlenen van medewerking aan het toezicht door de Dienst Wegverkeer.
Artikel 10. Aanvraag van gegevens
1. De
aanvraag tot het verstrekken van gegevens geschiedt op door de Dienst
Wegverkeer te bepalen wijze en onder opgave van de reden, waarbij de
identiteit van de aanvrager met voldoende zekerheid door deze dienst kan
worden vastgesteld.
2. Indien de
aanvrager persoonlijk bij de Dienst Wegverkeer verschijnt teneinde een
aanvraag tot het verstrekken van gegevens in te dienen, legitimeert deze
zich ten genoege van deze dienst.
3. Het
eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag wordt
ingediend door belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onderdelen a of b, mits overeenkomstig het door de Dienst Wegverkeer
bepaalde, is vastgesteld dat de aanvrager tot één van de genoemde
categorieën behoort en voldoende zekerheid is verkregen omtrent diens
identiteit.
4. In
afwijking van het eerste tot en met derde lid hoeft bij de aanvraag van
niet-gevoelige gegevens geen reden voor de aanvraag te worden opgegeven
noch is vaststelling van de identiteit van de aanvrager noodzakelijk.
Artikel 11. Verstrekking van persoonsgegevens aan
belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c
1. Nadat een
belanghebbende als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, een
verzoek om verstrekking van persoonsgegevens heeft ingediend, vraagt
de Dienst Wegverkeer aan betrokkene toestemming voor de verstrekking
van deze gegevens. Deze dienst geeft daarbij aan voor welke doeleinden
de verstrekking is verzocht.
2. Het vragen van
toestemming blijft achterwege indien uit het kentekenregister blijkt dat
betrokkene zijn toestemming aan elke verstrekking aan belanghebbenden
als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, heeft onthouden, dan
wel indien het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft, blijkens
door de Dienst Wegverkeer aangewezen bescheiden is betrokken bij een
verkeersongeval waarbij aan de aanvrager schade is toegebracht.
3. Aan
belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
worden persoonsgegevens niet verstrekt indien betrokkene zijn
toestemming daaraan onthoudt, dan wel zijn toestemming aan elke
verstrekking aan desbetreffende belanghebbenden heeft onthouden.
4. In afwijking van
het derde lid worden aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onderdeel c, de gevraagde gegevens zonder toestemming van
betrokkene verstrekt, indien het voertuig waarop de aanvraag betrekking
heeft, blijkens door de Dienst Wegverkeer aangewezen bescheiden, is
betrokken bij een verkeersongeval waarbij aan de aanvrager schade is
toegebracht.
5. In afwijking van
het eerste lid blijft het vragen van toestemming achterwege indien het
een aanvraag betreft door degene die als eigenaar van het desbetreffende
voertuig in het kentekenregister staat geregistreerd tot verstrekking
van persoonsgegevens met betrekking tot de houder aan wie het
kentekenbewijs is afgegeven.
Artikel 12. Verstrekking van gevoelige gegevens
aan beroepsbeoefenaren
Aan beroepsbeoefenaren of categorieën
van beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
a, worden de gevraagde gegevens verstrekt, voor zover zij deze gegevens
beroepshalve nodig hebben voor het realiseren van rechten en plichten
met betrekking tot het desbetreffende voertuig die voor de aanvrager of
diens cliënt bestaan of kunnen ontstaan, voortvloeiend uit wettelijk
voorschrift of uit overeenkomst, een en ander voor zover bij de
aanwijzing, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
a, is bepaald.
Artikel 13. Verstrekking van gevoelige gegevens
aan geregistreerde rechtspersonen en bedrijven
1. Aan
rechtspersonen kunnen gevoelige gegevens worden verstrekt met
betrekking tot de motorrijtuigen en aanhangwagens ten aanzien waarvan
de desbetreffende rechtspersoon als eigenaar dan wel houder in het
kentekenregister staat geregistreerd.
2. In aanvulling op
het eerste lid kunnen aan degene die in het kentekenregister staat
geregistreerd als eigenaar van een voertuig waarvan het kentekenbewijs
is afgegeven aan een houder, gevoelige gegevens als bedoeld in artikel
7, tweede lid, onderdelen b en c, die betrekking hebben op de houder of
diens voertuig worden verstrekt.
Artikel 14. Verstrekking van gevoelige gegevens
aan informatieproviders
1. Aan
informatieproviders bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
kunnen op aanvraag bij ministeriële regeling bepaalde gevoelige
gegevens worden verstrekt in overeenstemming met de aanwijzing als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b. De verstrekking van
gevoelige gegevens vindt slechts plaats ten behoeve van:
a. statistische doeleinden;
b. bij de aanwijzing als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onderdeel b, aangewezen voertuiginformatiesystemen ten
behoeve van de voertuigbranche, of
c. andere
bij ministeriële regeling te bepalen doeleinden.
2. Aan de in het
eerste lid bedoelde informatieproviders worden uitsluitend gegevens
verstrekt die de situatie weergeven op het moment van de verstrekking.
Artikel 15. Gebruik van gevoelige gegevens
De personen en instanties als bedoeld in artikel
9, eerste lid, mogen de aan hen verstrekte gevoelige gegevens slechts
gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt.
Artikel 16. Beperking aan verstrekking en gebruik
van gevoelige gegevens
Op verzoek van betrokkene wordt in het
kentekenregister geregistreerd dat hij zijn toestemming onthoudt aan de
verstrekking van op hem betrekking hebbende gevoelige gegevens aan
belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 16a. Tarief voor toezicht
Het tarief, bedoeld in artikel 45a, derde
lid, van de wet wordt in rekening gebracht in bij ministeriële regeling
te bepalen gevallen aan in die ministeriële regeling aangewezen
personen en instanties of categorieën daarvan.
Hoofdstuk 4. Kentekenbewijzen
Artikel 17. Kentekenbewijs
1. Een
tweedelig kentekenbewijs bestaat uit een deel I A, een deel I B en een
deel II.
2. Een tweedelig
kentekenbewijs, voor een voertuig in bedrijfsvoorraad afgegeven aan een
erkend bedrijf, bestaat uit een deel I A, een bedrijfsvoorraad deel I B
en een deel II.
3. Een
kentekenbewijs, bevattende
a. de lettergroep AA, CD, CDJ dan wel de
lettergroep BN, GN, of GV en twee groepen van twee cijfers, of
b. een kenteken opgegeven voor voertuigen als
bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b,
bestaat uit een deel IA en IB.
4. Een
kentekenbewijs, bevattende
a. de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T,
V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers, of
b. een kenteken opgegeven voor voertuigen als
bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a,
bestaat uit een deel I.
5. Een
kentekenbewijs, bevattende de lettergroep FH, HA, HF, HC of OA en twee
groepen van twee cijfers, bestaat uit een deel I.
6. Een
kentekenbewijs dat wordt afgegeven indien met betrekking tot het
voertuig bij een in artikel 22 of 26 van de wet bedoelde keuring niet
kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld
of dat voertuig al dan niet voldoet aan de voor toelating tot het
verkeer op de weg vastgestelde eisen en afgifte naar het oordeel van de
Dienst Wegverkeer verantwoord is, bestaat uit een deel I A.
7. Aan deel I A van
een kentekenbewijs kan bij de afgifte daarvan een bijlage worden
toegevoegd, bevattende gegevens met betrekking tot het voertuig; deze
bijlage maakt deel uit van het deel I A.
8. De afgifte van
een kentekenbewijs geschiedt niet elektronisch.
Artikel 17a
De Dienst Wegverkeer brengt die aantekeningen aan
op dan wel verwijdert die aantekeningen van het kentekenbewijs voor
zover dat bij of krachtens de wet is voorgeschreven of mogelijk wordt
gemaakt.
Artikel 18. Ontvangstbewijzen
1. Indien een
wijziging in de constructie van een voertuig als bedoeld in artikel 99
van de wet wordt goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer of de wijziging
is aangebracht door een ingevolge artikel 101 van de wet erkende
natuurlijke persoon of rechtspersoon, wordt, voor zover afgifte van
een nieuw deel I A van het kentekenbewijs wegens wijziging van de op
het bewijs vermelde gegevens noodzakelijk is, voor deel I dan wel deel
I A van het kentekenbewijs een ontvangstbewijs uitgereikt van een door
de Dienst Wegverkeer vastgesteld model. Het ontvangstbewijs treedt
voor het deel IA van het kentekenbewijs in de plaats zolang geen nieuw
deel IA is afgegeven. Indien afgifte van een nieuw deel I A van het
kentekenbewijs niet noodzakelijk is, maar wel wijziging van de in het
kentekenregister omtrent het voertuig opgenomen gegevens noodzakelijk
is, dan doet de erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon daarvan
mededeling aan de Dienst Wegverkeer. De aanvraag van een goedkeuring
als bedoeld in artikel 99, eerste lid, van de wet, wordt aangemerkt
als aanvraag van een nieuw deel I A van het kentekenbewijs. Indien de
aanvrager bij de aanvraag een deel I van een kentekenbewijs overlegt
dat is afgegeven voor 31 mei 2004, geeft de Dienst Wegverkeer een
kentekenbewijs af dat bestaat uit een deel I A en B en een deel II.
2. Het ingevolge
artikel 34, vierde lid, 38, tweede lid, of 39, derde lid, afgegeven
ontvangstbewijs treedt voor de toepassing van de artikelen 26, 27 en 31
tot en met 33 in de plaats van het deel I A van het kentekenbewijs.
Artikel 19. Uitzonderingen aanvraageisen
1. Het in artikel
48, eerste lid, van de wet bedoelde vereiste dat een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon die een kentekenbewijs aanvraagt, in
Nederland woonachtig, respectievelijk gevestigd moet zijn, is niet van
toepassing op kentekenbewijzen, bevattende een kenteken als bedoeld in
artikel 4, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid.
2. Het
in artikel 50, eerste lid, van de wet bedoelde vereiste, dat de
aanvrager van een kentekenbewijs persoonlijk dient te verschijnen bij
een bij ministeriële regeling aan te wijzen instantie, geldt niet voor
de aanvraag van kentekenbewijzen, bevattende een kenteken als bedoeld in
artikel 4, eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid.
Artikel 19a. Weigering afgifte kentekenbewijs
1. De
afgifte van een kentekenbewijs wordt geweigerd indien uit het
kentekenregister blijkt dat de aanvrager ten aanzien van een of meer
voertuigen waarvan het kenteken aan hem is dan wel was opgegeven, niet
voldoet aan:
a. de verplichting tot het betalen van
motorrijtuigenbelasting als bedoeld in de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994, of
b. de verplichtingen inzake opgelegde
administratieve sancties als bedoeld in de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
2. De in het eerste
lid bedoelde weigering vindt slechts plaats indien onherroepelijk
vaststaat dat de aanvrager tenminste vijf maal niet aan een of meer van
de in dat lid bedoelde verplichtingen heeft voldaan.
Artikel 20. Geldigheidsduur van het kentekenbewijs
1. Onverminderd het
derde tot en met zesde lid, is een kentekenbewijs geldig totdat het op
grond van het bepaalde in artikel 57 van de wet zijn geldigheid heeft
verloren.
2. [Vervallen.]
3. Een
kentekenbewijs, bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van
twee cijfers heeft een geldigheidsduur van ten hoogste twaalf maanden.
4. Een
kentekenbewijs als bedoeld in artikel 17, zesde lid, heeft een
geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden.
5. Een
kentekenbewijs, bevattende een kenteken als bedoeld in artikel 4, vijfde
lid, aanhef en onder a of b, heeft een geldigheidsduur van twee weken.
6. Een
kentekenbewijs, bevattende de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T,
V, W of X en twee groepen van twee cijfers heeft een geldigheidsduur van
één dag.
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 22. Vordering afgifte
kentekenbewijs ter inzage
1. De verplichting
tot het ter inzage afgeven van het kentekenbewijs als bedoeld in
artikel 160 van de wet, heeft betrekking op deel I van het voor het
voertuig afgegeven kentekenbewijs.
2. Indien de in
artikel 160 van de wet bedoelde vordering betrekking heeft op een
kentekenbewijs dat is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig
artikel 3.2 of 3.7 van de Regeling voertuigen is voorzien van een
constructieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een termijn
van een week.
Artikel 23. Rijden met ongeldig of ingevorderd
kentekenbewijs
1. Gedurende de
tijd dat de geldigheid van het kentekenbewijs is geschorst ingevolge
artikel 67 van de wet, mag:
a. op de dag waarop het voertuig waarvoor dat
kentekenbewijs is afgegeven, naar aanleiding van de aanvraag van een
keuringsrapport als bedoeld in artikel 75 van de wet dan wel naar
aanleiding van een aanvraag van een keuring als bedoeld in artikel 99
of artikel 106 van de wet aan een zodanige keuring wordt onderworpen,
met dat voertuig via de kortste route naar en van de plaats van
keuring worden gereden;
b. met
een voertuig van 15 jaar of ouder waarvoor dat kentekenbewijs is
afgegeven, op de weg worden gereden indien er naar het oordeel van
Onze Minister van Financiën sprake is van een bijzondere gelegenheid
en wordt voldaan aan de in het kader daarvan door die minister
gestelde voorschriften en beperkingen.
2. Wanneer het
kentekenbewijs is ingevorderd overeenkomstig artikel 60 van de wet, mag
op de dag waarop het voertuig als gevolg van artikel 39, vierde lid, aan
de aldaar bedoelde ambtenaren moet worden getoond, met dat voertuig via
de kortste route naar en van de plaats van onderzoek worden gereden.
3. Wanneer het
kentekenbewijs ongeldig is verklaard voor het rijden over de weg
overeenkomstig artikel 38, mag op de dag waarop het voertuig waarvoor
dat kentekenbewijs is afgegeven naar aanleiding van een aanvraag van een
keuring als bedoeld in artikel 99 of artikel 106 van de wet aan een
zodanige keuring wordt onderworpen, met dat voertuig via de kortste
route naar en van de plaats van keuring worden gereden.
Artikel 24. Staan met ongeldig of ingevorderd
kentekenbewijs
Een voertuig mag op de weg staan, wanneer het voor
dat voertuig afgegeven kentekenbewijs ongeldig is verklaard voor het
rijden over de weg overeenkomstig artikel 38, dan wel is ingevorderd
overeenkomstig artikel 60 van de wet.
Artikel 24a. Afgifte van een kentekenbewijs als
bedoel in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b
1. De
eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de afgifte van een
kentekenbewijs als bedoeld in artikel 17, derde lid, onder b, wordt
gevraagd, stelt het voertuig voor een onderzoek ter beschikking van de
Dienst Wegverkeer en vraagt bij deze dienst onder overlegging van een
bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs, een
kentekenbewijs aan.
2. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald dat een kentekenbewijs als
bedoeld in artikel 17, derde lid, onder b, niet binnen een bij die
regeling te bepalen periode meerdere keren voor hetzelfde voertuig wordt
afgegeven.
Artikel 25. Eerste afgifte van een tweedelig
kentekenbewijs
1. De
eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een
tweedelig kentekenbewijs wordt gevraagd, stelt het voertuig voor een
onderzoek ter beschikking bij de Dienst Wegverkeer en vraagt bij deze
dienst onder overlegging van een bij ministeriële regeling aangewezen
legitimatiebewijs, een kentekenbewijs aan.
2. De
eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een
tweedelig kentekenbewijs wordt gevraagd en waarvoor reeds een nog niet
tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven krachtens artikel 46, tweede
lid, onderdeel b, vraagt dit tweedelig kentekenbewijs aan bij de Dienst
Wegverkeer onder overlegging van het deel I A, het deel II en het in het
eerste lid bedoelde legitimatiebewijs.
3. De Dienst
Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen in het eerste of
tweede lid heeft voldaan, een kentekenbewijs, respectievelijk een deel I
B af.
4. Indien de
aanvraag wordt gedaan door een erkend bedrijf dat geen gebruik maakt van
de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, geeft de
Dienst Wegverkeer in plaats van een deel I B een formulier af met
gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad.
5. Ingeval een
formulier als bedoeld in het vierde lid is afgegeven, is het erkende
bedrijf verplicht een bedrijfsvoorraad deel I B met de op dat formulier
vermelde gegevens in te vullen.
6. In afwijking van
het derde en vierde lid houdt de Dienst Wegverkeer de beslissing op de
aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan indien daartoe naar
het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de
aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.
7. Het eerste en het
derde tot en met zesde lid van artikel 25 zijn van overeenkomstige
toepassing indien een tweedelig kentekenbewijs wordt aangevraagd voor
een voertuig waarvoor door de Dienst Wegverkeer reeds eerder een
tweedelig of driedelig kentekenbewijs is afgegeven en blijkens het
kentekenregister:
a. dat voertuig voorgoed buiten gebruik is
gesteld,
b. dat voertuig voorgoed buiten Nederland is
gebracht,
c. dat voertuig definitief is bestemd voor
gebruik buiten de weg, of
d. voor dat voertuig nadien een kentekenbewijs
met een bijzonder kenteken is afgegeven.
Artikel 25a
1. Indien de
aanvraag, bedoeld in artikel 25, tweede lid, wordt gedaan met
betrekking tot een voertuig in bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf
dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede
lid, onderdeel f, kan de aanvraag, gericht tot de Dienst Wegverkeer,
bij dat bedrijf worden ingediend. In afwijking van artikel 25, tweede
en derde lid, is dit artikel van toepassing.
2. Indien
de aanvraag wordt gedaan door een natuurlijke persoon overlegt deze in
persoon aan het erkende bedrijf ter legitimatie een rijbewijs, alsmede
een verklaring waaruit duidelijk het verzoek tot tenaamstelling blijkt
en het kenteken van het voertuig dat wordt overgedragen, en welke
overigens voldoet aan bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel
50, vijfde lid, van de wet, gestelde voorschriften.
3. Indien
de aanvraag wordt gedaan door een in Nederland gevestigde rechtspersoon,
die is ingeschreven in het handelsregister, machtigt deze het erkende
bedrijf de aanvraag bij de Dienst Wegverkeer in te dienen. Degene die
blijkens het handelsregister bevoegd is de rechtspersoon te
vertegenwoordigen verstrekt aan het erkende bedrijf:
a. een kopie van zijn rijbewijs;
b. een ondertekende machtiging welke vermeldt:
1°.
naam en adres van de aanvrager,
2°.
een opgave van zijn unieke nummer, bedoeld in artikel 9, onder a, van
de Handelsregisterwet 2007,
3°.
naam en geboortedatum van degene die de rechtspersoon
vertegenwoordigt,
4°.
naam en adres van het erkende bedrijf waar de aanvraag wordt
ingediend, en
5°.
het kenteken van het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft.
4. Het
erkende bedrijf dient de aanvraag bij de Dienst Wegverkeer in en meldt
de bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 62, vierde lid, van
de wet, voorgeschreven gegevens vermeld op deel I A en het deel II en
het rijbewijsnummer. In geval van een aanvraag als bedoeld in het tweede
lid meldt het bedrijf ook de geboortedatum van de aanvrager. In geval
van een aanvraag als bedoeld in het derde lid meldt het bedrijf ook de
vestigingsdatum en de gegevens vermeld in de machtiging.
5. De
Dienst Wegverkeer geeft, indien aan de verplichtingen in het eerste tot
en met vierde lid is voldaan, een deel I B af. Het erkende bedrijf
verstrekt het deel I B tezamen met het deel I A en het deel II zo
spoedig mogelijk aan de aanvrager.
6. De Dienst
Wegverkeer houdt de beslissing op de aanvraag aan, indien daartoe naar
het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de
aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.
Artikel 25b
1. De eigenaar of
houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een tweedelig
kentekenbewijs wordt gevraagd en waarvoor reeds eerder een
kentekenbewijs is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese
Unie, overlegt het deel I van dat kentekenbewijs en, voor zover dit is
afgegeven, tevens het deel II.
2. Afgifte als
bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien het deel II van het
kentekenbewijs, voorzover dat deel is afgegeven, ontbreekt.
3. In uitzonderlijke
gevallen kan door de Dienst Wegverkeer in afwijking van het tweede lid
een kentekenbewijs worden afgegeven, op voorwaarde dat van de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat waar het voertuig voordien was ingeschreven
langs schriftelijke of elektronische weg de bevestiging is verkregen dat
de aanvrager het recht heeft om het voertuig in een andere lidstaat in
te schrijven.
4. De Dienst
Wegverkeer bewaart de ingenomen kentekenbewijzen dan wel de ingenomen
delen daarvan, gedurende zes maanden en stelt de autoriteiten van de
lidstaat die het kentekenbewijs hebben afgegeven binnen twee maanden na
de datum van inname daarvan op de hoogte. Op verzoek stuurt de Dienst
Wegverkeer de ingenomen kentekenbewijzen terug naar de autoriteiten van
de lidstaat die het kentekenbewijs hebben afgegeven.
Artikel 26. Wijziging van de tenaamstelling:
overdracht tussen particulieren
1. Degene aan wie
een tweedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens
overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is,
ingeval hij ophoudt eigenaar of houder te zijn van het voertuig
waarvoor dat kentekenbewijs is afgegeven, verplicht:
a. het deel I B en het deel II terstond over te
dragen aan degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden;
b. het deel I A van het kentekenbewijs onder
zich te houden, totdat hij het in het derde lid bedoelde
vrijwaringsbewijs en het oude deel I B heeft ontvangen.
2. Degene
die eigenaar of houder van het voertuig is geworden is verplicht binnen
een week nadat hij het deel I B en het deel II heeft ontvangen, bij de
Dienst Wegverkeer om afgifte van een nieuw deel I B te verzoeken onder
overlegging van het deel I B, het deel II en een bij ministeriële
regeling aangewezen legitimatiebewijs.
3. De
Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen van het
tweede lid heeft voldaan, een vrijwaringsbewijs en een nieuw deel I B
af.
4. Degene die het
vrijwaringsbewijs heeft ontvangen, is verplicht dit terstond, te zamen
met het oude deel I B, te doen toekomen aan degene die het deel I A,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder zich heeft gehouden.
5. Degene die het
deel I A, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder zich heeft
gehouden, is verplicht dit terstond af te geven aan degene van wie hij
het vrijwaringsbewijs en het oude deel I B heeft verkregen.
6. In afwijking van
het derde lid houdt de Dienst Wegverkeer de beslissing op het verzoek,
bedoeld in het tweede lid, aan indien daartoe naar het oordeel van deze
dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de aanvrager zich tot de
Dienst Wegverkeer.
7. De voorgaande
leden zijn van overeenkomstige toepassing indien de eigenaar,
respectievelijk de houder van een voertuig, aan wie een tweedelig
kentekenbewijs is afgegeven, met de houder, respectievelijk de eigenaar
van het voertuig overeenkomt dat het kenteken aan deze houder,
respectievelijk eigenaar wordt opgegeven.
Artikel 27. Wijziging van de tenaamstelling:
overdracht ten behoeve van een bedrijfsvoorraad
1. In geval van
overdracht ten behoeve van een bedrijfsvoorraad, van een voertuig
waarvoor een tweedelig kentekenbewijs is afgegeven, zijn in afwijking
van artikel 26, het tweede tot en met negende lid van toepassing.
2. Degene aan wie
een tweedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens
overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is
verplicht:
a. aan het erkende bedrijf terstond het deel I B
van het kentekenbewijs en het deel II over te dragen;
b. het deel I A van het kentekenbewijs onder
zich te houden totdat hij het in het vijfde lid bedoelde
vrijwaringsbewijs en het oude deel I B heeft ontvangen.
3. Het erkende
bedrijf is verplicht binnen een week, nadat hij het deel I B en het deel
II heeft ontvangen, bij de Dienst Wegverkeer om opname in
bedrijfsvoorraad te verzoeken onder overlegging van deel I B, het deel
II en de bedrijfsvoorraadpas.
4. De Dienst
Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen van het derde lid
heeft voldaan, een formulier af met gegevens die verband houden met de
opname in bedrijfsvoorraad.
5. Het erkende
bedrijf is verplicht:
a. een vrijwaringsbewijs en een bedrijfsvoorraad
deel I B met de in het vierde lid bedoelde gegevens in te vullen;
b. aan degene van wie hij het deel I B en het
deel II heeft ontvangen, het vrijwaringsbewijs alsmede het oude deel I
B terstond ter hand te stellen;
c. het bedrijfsvoorraad deel I B onder zich te
houden.
6. Degene die het
deel I A, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder zich heeft
gehouden, is verplicht dit terstond af te geven aan het erkende bedrijf
van wie hij het vrijwaringsbewijs en het oude deel I B heeft verkregen.
7. De Dienst
Wegverkeer houdt de beslissing op het verzoek, bedoeld in het derde lid,
aan indien daartoe naar het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat.
In dat geval wendt de aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.
8. In afwijking van
het derde en vijfde lid, is een erkend bedrijf, indien dit gebruik maakt
van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a,
verplicht:
a. de overdracht van het voertuig ten behoeve
van diens bedrijfsvoorraad terstond na de overdracht te melden aan de
Dienst Wegverkeer;
b. het vrijwaringsbewijs en het bedrijfsvoorraad
deel I B met de middels datacommunicatie ter beschikking gestelde
gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad in te
vullen;
c. aan degene van wie hij het deel I B en het
deel II heeft ontvangen, het vrijwaringsbewijs en het oude deel I B
terstond ter hand te stellen;
d. het bedrijfsvoorraad deel I B onder zich te
houden.
9. Het tweede en het
zesde lid zijn niet van toepassing indien een of meer delen dan wel
bladzijden van het kentekenbewijs verloren zijn geraakt of teniet zijn
gegaan en het erkende bedrijf bij de in het achtste lid, onderdeel a,
bedoelde melding tevens meldt dat het voertuig voorgoed buiten gebruik
wordt gesteld, mits degene aan wie het tweedelig kentekenbewijs is
afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het
voertuig is geworden:
a. aan het erkende bedrijf terstond de niet
verloren geraakte of teniet gegane delen dan wel bladzijden van het
kentekenbewijs overdraagt,
b. verklaart dat de niet aan het erkende bedrijf
overgedragen delen dan wel bladzijden van het kentekenbewijs verloren
zijn geraakt of teniet zijn gegaan, en
c. bij
het erkende bedrijf de bij ministeriële regeling aangewezen
documenten overlegt.
Artikel 28. Wijziging van de tenaamstelling:
overdracht van een voertuig uit bedrijfsvoorraad
1. Indien een
voertuig waarvoor een tweedelig kentekenbewijs is afgegeven, ophoudt
te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf, is artikel
26 of, in geval van overdracht ten behoeve van een bedrijfsvoorraad,
artikel 27 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het
bedrijfsvoorraad deel I B in de plaats treedt van het gewone deel I B.
2. Indien
een voertuig ophoudt te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend
bedrijf en dit bedrijf het voertuig tot eigen gebruik bestemt, vraagt
het bedrijf binnen een week een nieuw deel I B aan bij de Dienst
Wegverkeer, onder overlegging van het bedrijfsvoorraad deel I B, het
deel II en een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.
3. De
Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichting van het
tweede lid heeft voldaan, zowel een vrijwaringsbewijs als een nieuw deel
I B af.
Artikel 28a
1. In geval van
overdracht van een voertuig dat ophoudt te behoren tot de
bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf dat gebruik maakt van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel f, kan, in
afwijking van artikel 28, een aanvraag van een nieuw deel I B, gericht
aan de Dienst Wegverkeer, bij dat bedrijf worden ingediend. In
afwijking van artikel 28 is dit artikel van toepassing.
2. Indien
de aanvraag wordt gedaan door een natuurlijke persoon overlegt deze in
persoon aan het erkende bedrijf een rijbewijs, alsmede een verklaring
waaruit duidelijk het verzoek tot tenaamstelling blijkt en het kenteken
van het voertuig dat wordt overgedragen, en welke overigens voldoet aan
bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 50, vijfde lid, van de
wet, gestelde voorschriften.
3. Indien
de aanvraag wordt gedaan door een in Nederland gevestigde rechtspersoon,
die is ingeschreven in het handelsregister, machtigt deze het erkende
bedrijf de aanvraag bij de Dienst Wegverkeer in te dienen. Degene die
blijkens het handelsregister bevoegd is de rechtspersoon te
vertegenwoordigen verstrekt aan het erkende bedrijf:
a. een kopie van zijn rijbewijs;
b. een ondertekende machtiging welke vermeldt:
1°.
naam en adres van de aanvrager,
2°.
een opgave van zijn unieke nummer, bedoeld in artikel 9, onder a, van
de Handelsregisterwet 2007
3°.
naam en geboortedatum van degene die de rechtspersoon
vertegenwoordigt,
4°.
naam en adres van het erkende bedrijf waar de aanvraag wordt
ingediend, en
5°.
het kenteken van het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft.
4. Het
erkende bedrijf meldt de bij ministeriële regeling als bedoeld in
artikel 62, vierde lid, van de wet, voorgeschreven gegevens vermeld op
het deel II, op het bedrijfsvoorraad deel I B en het rijbewijsnummer. In
geval van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid meldt het bedrijf
ook de geboortedatum van de aanvrager. In geval van een aanvraag als
bedoeld in het derde lid meldt het bedrijf ook de vestigingsdatum en de
gegevens vermeld in de machtiging.
5. De
Dienst Wegverkeer geeft, indien aan de verplichtingen in het tweede tot
en met vierde lid is voldaan, een nieuw deel I B en een
vrijwaringsbewijs af en verstrekt dit aan het erkende bedrijf. Het
erkende bedrijf stelt het nieuwe deel I B tezamen met het deel I A en
het deel II terstond in handen van de aanvrager, of doet deze, in geval
van een aanvraag als bedoeld in het derde lid, zo spoedig mogelijk aan
de aanvrager toekomen.
Artikel 29. Wijziging van de tenaamstelling:
overlijden van een kentekenhouder
1. In
afwijking van de artikelen 26, tweede lid, en 27, derde lid, is, in
geval van overlijden van degene aan wie een tweedelig kentekenbewijs is
afgegeven, degene die als erfgenaam eigenaar of houder van het voertuig
is geworden, verplicht binnen vijf weken nadat hij eigenaar of houder is
geworden bij de Dienst Wegverkeer om afgifte van een nieuw deel I B te
verzoeken onder overlegging van het deel I B of het bedrijfsvoorraad
deel I B, het deel II en een bij ministeriële regeling aangewezen
legitimatiebewijs.
2. De Dienst
Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichting van het eerste lid
heeft voldaan, zowel een vrijwaringsbewijs als een nieuw deel I B af.
Artikel 30. Wijziging van de tenaamstelling:
bijzondere procedure
1. De Dienst
Wegverkeer kan voor een voertuig een tweedelig kentekenbewijs afgeven
zonder dat aan de in de artikelen 26 tot en met 29 bedoelde
verplichtingen is voldaan, indien de aanvraag voor het kentekenbewijs
wordt ingediend door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die
verklaart eigenaar of houder van het voertuig te zijn en indien naar
het oordeel van de Dienst Wegverkeer aannemelijk is gemaakt dat niet
aan bedoelde verplichtingen kan worden voldaan.
2. De
Dienst Wegverkeer kan in verband met het bepaalde in het eerste lid
verlangen dat de aanvrager van het kentekenbewijs het voertuig toont,
een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs overlegt en
een of meer delen of bladzijden van het kentekenbewijs inlevert.
Artikel 31. Verval van de tenaamstelling:
overdracht van een voertuig aan een in het buitenland woonachtig of
gevestigd persoon
1. Degene
aan wie een tweedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens
overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is, in geval
van overdracht van een voertuig aan een in het buitenland woonachtige
natuurlijke persoon of een in het buitenland gevestigde rechtspersoon,
verplicht:
a. het deel I B en het deel II terstond over te
dragen aan degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden;
b. het deel I A van het kentekenbewijs onder
zich te houden, totdat hij het in het vierde lid bedoelde deel van de
verklaring heeft ontvangen.
2. Degene
die eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is verplicht binnen
een week nadat hij het deel I B en het deel II heeft ontvangen bij de
Dienst Wegverkeer het deel I B en het deel II, een bij ministeriële
regeling aangewezen legitimatiebewijs alsmede een ingevulde en
ondertekende verklaring van een bij ministeriële regeling vastgesteld
model in drievoud over te leggen.
3. De
Dienst Wegverkeer plaatst op het deel I B en op het deel II een
aantekening, vult de verklaring in en geeft het deel I B, het deel II,
de verklaring in tweevoud alsmede het legitimatiebewijs terug aan degene
die aan de in het tweede lid bedoelde verplichtingen heeft voldaan.
4. Degene die de
verklaring in tweevoud heeft ontvangen, is verplicht het daartoe
bestemde deel van de verklaring terstond te doen toekomen aan degene die
het deel I A onder zich heeft gehouden.
5. Degene die het
deel I A onder zich heeft gehouden, is verplicht dit terstond af te
geven aan degene van wie hij het in het vierde lid bedoelde deel van de
verklaring heeft verkregen.
6. In geval van
overdracht van een tot de bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf
behorend voertuig waarvoor een tweedelig kentekenbewijs is afgegeven aan
een in het buitenland woonachtige natuurlijke persoon of een in het
buitenland gevestigde rechtspersoon, zonder dat het erkende bedrijf
gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid,
onderdeel c, is het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat het bedrijfsvoorraad deel I B in de
plaats treedt van het deel I B.
Artikel 32. Verval van de tenaamstelling:
overdracht van een voertuig uit bedrijfsvoorraad aan een in het
buitenland woonachtig of gevestigd persoon
1. In afwijking
van artikel 31, is, ingeval het erkende bedrijf gebruik maakt van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel c, het
tweede en derde lid van toepassing.
2. Degene
die eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is verplicht
terstond bij het erkende bedrijf een bij ministeriële regeling
aangewezen legitimatiebewijs alsmede een ingevulde en ondertekende
verklaring van een bij ministeriële regeling vastgesteld model in
drievoud over te leggen.
3. Het
erkende bedrijf is verplicht overeenkomstig het krachtens artikel 62,
derde lid, van de wet bepaalde:
a. het legitimatiebewijs te controleren;
b. de overdracht van het voertuig aan de in het
buitenland woonachtige persoon of de in het buitenland gevestigde
rechtspersoon terstond te melden aan de Dienst Wegverkeer;
c. op het deel I A en het deel II een
aantekening te plaatsen alsmede de verklaring in drievoud in te
vullen;
d. aan degene aan wie het voertuig wordt
overgedragen het deel I A, het bedrijfsvoorraad deel I B en het deel
II te zamen met de verklaring in tweevoud terstond ter hand te
stellen;
e. het daartoe bestemde deel van de verklaring
onder zich te houden.
Artikel 33. Verval van de tenaamstelling: voorgoed
buiten Nederland brengen van een voertuig
1. Degene
aan wie een tweedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens
overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is, ingeval
hij het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt, verplicht het deel I
B, een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs, een
ingevulde en ondertekende verklaring in drievoud van een bij
ministeriële regeling vastgesteld model alsmede, voor zover bij
ministeriële regeling bepaald, het deel II bij de Dienst Wegverkeer
over te leggen.
2. De
Dienst Wegverkeer plaatst op het deel I B en op het deel II een
aantekening, vult de verklaring in en geeft het deel I B, de verklaring
in tweevoud, het legitimatiebewijs alsmede het deel II terug aan degene
die aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen heeft voldaan.
3. Ingeval een
erkend bedrijf een tot zijn bedrijfsvoorraad behorend voertuig voorgoed
buiten Nederland brengt, is het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat het bedrijfsvoorraad deel I B in de
plaats treedt van het deel I B.
4. In afwijking van
het eerste tot en met derde lid, is, ingeval het erkende bedrijf gebruik
maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel
c, het erkende bedrijf verplicht het voorgoed buiten Nederland brengen
van het voertuig te melden overeenkomstig het krachtens artikel 62,
derde lid, van de wet bepaalde.
Artikel 34. Aanvraag en afgifte nieuw deel I A
1. Indien het
voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven niet meer
overeenstemt met de gegevens op het deel I A, vraagt degene aan wie
het kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden
eigenaar of houder van het voertuig is geworden, onverwijld bij de
Dienst Wegverkeer onder overlegging van het deel I A een nieuw deel I
A aan.
2. Indien het
kentekenbewijs is ingevorderd ingevolge artikel 60 van de wet, geeft de
Dienst Wegverkeer op verzoek een nieuw deel I A af. Degene aan wie het
kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar
of houder van het voertuig is geworden, dient hiertoe bij de Dienst
Wegverkeer onder overlegging van het bij de invordering afgegeven
ontvangstbewijs een aanvraag in. De Dienst Wegverkeer geeft niet eerder
een nieuw deel I A af dan nadat het voertuig is goedgekeurd
overeenkomstig artikel 105 van de wet.
3. De Dienst
Wegverkeer geeft in geval van wijziging in de constructie als bedoeld in
artikel 98 van de wet een nieuw deel I A af nadat de wijziging is
goedgekeurd ingevolge artikel 98 van de wet. Deze dienst kan daarbij
verlangen dat het in artikel 18, eerst lid, bedoelde ontvangstbewijs
wordt overgelegd.
4. De Dienst
Wegverkeer geeft voor een deel I A dat wordt ingeleverd bij een door
Onze Minister aangewezen instantie in verband met een wijziging aan het
voertuig die niet behoeft te worden goedgekeurd ingevolge artikel 98 van
de wet, een ontvangstbewijs af.
Artikel 35. Aanwijzing delen IA en IB in verband
met tarieven
1. Als
deel van een kentekenbewijs waarvan het tarief mede een bij
ministeriële regeling vastgesteld bedrag ter dekking van de in artikel
4q, tweede lid, van de wet, bedoelde kosten omvat, worden aangewezen de
delen IA en IB van het kentekenbewijs.
2. Bij
ministeriële regeling kunnen kentekenbewijzen worden aangewezen
waarvoor het eerste lid niet geldt.
3. Het
in het eerste lid bedoelde tarief dient tevens ter dekking van de kosten
van verstrekkingen waarbij inning van het tarief meer kost dan het te
innen tarief.
Artikel 36. Vervangende kentekenbewijzen
1. De aanvraag van
een vervangend kentekenbewijs dan wel deel of bladzijde daarvan
geschiedt bij de Dienst Wegverkeer door degene aan wie het
kentekenbewijs, deel of bladzijde waarvoor een vervangend document
wordt aangevraagd, is afgegeven.
2. De
Dienst Wegverkeer kan verlangen dat bij de aanvraag van een of meer
vervangende delen, of bladzijden daarvan, van een kentekenbewijs, een of
meer van de overige delen, of bladzijden daarvan, van het kentekenbewijs
worden ingeleverd alsmede dat een bij ministeriële regeling aangewezen
legitimatiebewijs wordt overgelegd.
3. Indien
een kentekenbewijs is afgegeven aan de houder van een voertuig en deze
een vervangend kentekenbewijs dan wel deel of bladzijde daarvan
aanvraagt, kan de Dienst Wegverkeer in door deze dienst te bepalen
gevallen verlangen dat de eigenaar voor de afgifte van het vervangend
kentekenbewijs dan wel deel of bladzijde daarvan, toestemming verleent.
In deze gevallen kan de Dienst Wegverkeer bepalen dat het vervangende
kentekenbewijs dan wel deel of bladzijde daarvan naar de eigenaar of een
door deze aangewezen persoon wordt gezonden.
4. De aanvraag
bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op een kentekenbewijs
dan wel deel of bladzijde daarvan als bedoeld in artikel 17, derde lid,
tweede gedachtestreepje, en vierde lid, tweede gedachtestreepje.
Artikel 37. Ongeldigverklaring en inlevering
1. De Dienst
Wegverkeer verklaart een kentekenbewijs ongeldig indien deze dienst
van oordeel is, dat de omstandigheden, bedoeld in artikel 58, eerste
lid, onderdeel a of b , van de wet, zich voordoen.
2. De Dienst
Wegverkeer kan een kentekenbewijs ongeldig verklaren indien voor het
voertuig, waarvoor dat bewijs is afgegeven, een nieuw kenteken is
opgegeven.
3. De Dienst
Wegverkeer kan een kentekenbewijs ongeldig verklaren indien naar het
oordeel van deze dienst blijkt dat:
a. het voertuig, waarvoor dat bewijs is
afgegeven, voorgoed buiten gebruik is gesteld,
b. het voertuig, waarvoor dat bewijs is
afgegeven, voorgoed buiten Nederland is gebracht,
c. het voertuig, waarvoor dat bewijs is
afgegeven, definitief is bestemd voor gebruik buiten de weg,
d. degene aan wie dat bewijs is afgegeven,
opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn,
e. de reden waarom het kentekenbewijs bevattende
de lettergroep BN, CD, CDJ, GN, GV of ZZ is afgegeven, is vervallen,
f. de eigenaar of houder van het voertuig
onvrijwillig het bezit of het houderschap van het voertuig heeft
verloren,
g. het
voertuig is gaan behoren tot een der ingevolge artikel 37 van de wet
van de kentekenplicht uitgezonderde categorieën van voertuigen,
h. sprake is van de situatie als bedoeld in
artikel 40, eerste lid, onderdeel k, dan wel,
i. degene aan wie dat bewijs is afgegeven, niet
langer in Nederland woonachtig of gevestigd is.
4. In het geval,
bedoeld in het derde lid, onderdeel a, verklaart de Dienst
Wegverkeer het kentekenbewijs ongeldig, mits het voorgoed buiten gebruik
stellen van het voertuig overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel
62, derde lid, van de wet wordt gemeld door een erkend bedrijf dat
gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid,
onderdeel d.
5. In
afwijking van het vierde lid verklaart de Dienst Wegverkeer een
kentekenbewijs ongeldig indien de melding geschiedt door een ander dan
een erkend bedrijf dat de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede
lid, onderdeel d, heeft verkregen, mits de melding betrekking heeft op
een voertuig dat behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen
categorie van voertuigen en wordt voldaan aan nadere bij ministeriële
regeling vastgestelde voorwaarden.
6. In
het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, verklaart de
Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs ongeldig mits ten aanzien van de
bestemming van het voertuig wordt voldaan aan nadere bij ministeriële
regeling vastgestelde voorwaarden.
7. In
het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel f, verklaart de
Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs ongeldig mits van het verlies van
het bezit of het houderschap van het voertuig aangifte is gedaan bij een
der in artikel 141 of 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde
personen.
Artikel 38. Ongeldigverklaring voor het rijden
over de weg
1. De Dienst
Wegverkeer kan een kentekenbewijs ongeldig verklaren voor het rijden
op de weg indien naar het oordeel van deze dienst:
a. het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is
afgegeven niet ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de in
artikel 45a, tweede lid, van de wet bedoelde inspectie;
b. niet wordt voldaan aan de krachtens artikel
52, tweede lid, van de wet in het kentekenbewijs vermelde
voorschriften, of
c. het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is
afgegeven niet voldoet aan een of meer van de in artikel 58, tweede
lid, onderdelen b, c, of d, van de wet bedoelde eisen.
2. Ingeval het deel
I A van een voor het rijden over de weg ongeldig verklaard
kentekenbewijs op grond van het bepaalde krachtens artikel 57, derde
lid, van de wet is ingeleverd, doet de Dienst Wegverkeer na ontvangst
van dat deel I A een ontvangstbewijs toekomen aan degene aan wie het
kentekenbewijs is afgegeven.
Artikel 39. Invordering kentekenbewijs
1. Tot de
invordering van het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 60 van de
wet zijn bevoegd:
a. de Directie van de Dienst Wegverkeer en de
door de Directie daartoe aangewezen tot die dienst behorende
ambtenaren, indien naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel
b of c of tweede lid, van de wet, van toepassing is;
b. de
door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
aangewezen ambtenaren der Rijksbelastingdienst, indien naar hun
oordeel niet is voldaan aan artikel 36, vijfde lid, van de wet, dan
wel naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel a , van de wet,
van toepassing is;
c. de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering, indien naar hun oordeel artikel 60, eerste
lid, onderdeel a, b of c, dan wel artikel 60, tweede lid, van de wet van
toepassing is.
2. De verplichting
tot overgifte, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, heeft
betrekking op deel I van het kentekenbewijs.
3. De in het eerste
lid bedoelde ambtenaren geven het deel I B van het kentekenbewijs,
indien dit was afgegeven, na inzage terug aan degene van wie het is
ingevorderd en reiken voor deel I A onverwijld een ontvangstbewijs uit.
Zij doen dit deel met vermelding van de reden van invordering zo spoedig
mogelijk toekomen aan de Dienst Wegverkeer.
4. Indien de
invordering heeft plaatsgevonden op grond van artikel 60, eerste lid,
onderdeel b , van de wet, mogen de in het eerste lid, onderdeel c,
bedoelde ambtenaren het deel I A van het kentekenbewijs gedurende ten
hoogste vier weken onder zich houden. Zij geven dit deel tegen teruggave
van het ontvangstbewijs aan de houder daarvan terug, indien binnen deze
termijn naar hun oordeel is aangetoond dat het voertuig in
overeenstemming is gebracht met de bij of krachtens de wet vastgestelde
eisen. Van het onder zich houden, respectievelijk het teruggeven,
stellen zij de Dienst Wegverkeer in kennis.
5. Indien
dit bij de vordering van de houder van een kentekenbewijs wordt geëist,
is deze verplicht tot het op een daarbij te bepalen tijd en plaats ter
beschikking houden van het voertuig, waarvoor het bewijs is afgegeven.
6. Indien
de vordering betrekking heeft op een kentekenbewijs dat is afgegeven
voor een aanhangwagen die overeenkomstig artikel 3.2 of 3.7 van de
Regeling voertuigen is voorzien van een constructieplaat, kan aan de
vordering worden voldaan binnen een termijn van een week.
Artikel 40. Verval van de tenaamstelling in het
kentekenregister
1. De
tenaamstelling in het register vervalt zodra:
a. krachtens artikel 26, derde lid, een
vrijwaringsbewijs en een nieuw deel I B zijn afgegeven;
b. krachtens artikel 27, vierde lid, een
formulier is afgegeven;
c. de gegevens als bedoeld in artikel 27,
achtste lid, onderdeel b, aan het erkende bedrijf ter beschikking zijn
gesteld;
d. krachtens artikel 28, derde lid, of artikel
28a, vijfde lid, een vrijwaringsbewijs en een nieuw deel I B zijn
afgegeven;
e. krachtens artikel 29, tweede lid, een
vrijwaringsbewijs en een nieuw deel I B zijn afgegeven;
f. krachtens artikel 30 een kentekenbewijs is
afgegeven;
g. krachtens de artikelen 31, derde lid, 32,
derde lid, onderdeel c, of 33, tweede en vierde lid, op het
kentekenbewijs een aantekening is geplaatst;
h. de Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs
ongeldig heeft verklaard ingevolge artikel 37, eerste, tweede of derde
lid;
i. de Dienst Wegverkeer het
handelaarskentekenbewijs ongeldig heeft verklaard ingevolge artikel
45, eerste lid;
j. een erkend bedrijf een melding als bedoeld in
artikel 46, tweede lid, onderdeel c of d, heeft gedaan;
k. de Dienst Wegverkeer een certificaat van
vernietiging, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van richtlijn nr.
2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), heeft
ontvangen dat door een daartoe bevoegde verwerker, zoals bedoeld in
deze richtlijn, in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen
is afgegeven;
l. de Dienst Wegverkeer de tenaamstelling
vervallen heeft verklaard op grond van een verzoek als bedoeld in het
tweede lid.
2. Degene die naar
zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het register is vermeld,
kan de Dienst Wegverkeer verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen.
De Dienst Wegverkeer gaat over tot het doen vervallen van de
tenaamstelling indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst
voldoende gronden aanwezig zijn.
Artikel 40a
Een wijziging van richtlijn nr. 2000/53/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000
betreffende autowrakken (PbEG L 269) gaat voor de toepassing van artikel
40 en artikel 46 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Hoofdstuk 5. Handelaarskentekenbewijzen
Artikel 41. Basis handelaarskentekenbewijzen
Voor voertuigen als bedoeld in artikel 37, derde
lid, van de wet, geldt het vereiste dat een kenteken voor een bepaald
voertuig dient te zijn opgegeven niet, mits dat voertuig een kenteken
voert als bedoeld in artikel 3, dat behoort bij een ingevolge artikel 42
afgegeven handelaarskentekenbewijs waarvan gebruik wordt gemaakt
overeenkomstig de in dit hoofdstuk bedoelde voorschriften.
Artikel 42. Aanvraag
1. Een
handelaarsketekenbewijs kan worden aangevraagd door en worden
afgegeven aan:
a. een erkend bedrijf, dan wel
b. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die
exploitant is van een of meer ondernemingen, waar voertuigen
bedrijfsmatig voor derden worden hersteld of bewerkt.
2. De aanvraag wordt
ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
3. De aanvrager
stelt de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid te onderzoeken of te zijnen
aanzien aan het eerste lid wordt voldaan.
Artikel 43. Weigering afgifte
Onverminderd artikel 42 wordt de afgifte van
handelaarskentekenbewijzen geweigerd indien een of meer aan de aanvrager
afgegeven handelaarskentekenbewijzen op grond van artikel 45, eerste
lid, onderdeel d, ongeldig zijn verklaard binnen een direct aan de datum
van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van zes maanden.
Artikel 44. Gebruik
1. Een
handelaarskenteken mag slechts worden gebruikt door degene aan wie het
is opgegeven dan wel een door deze aangewezen persoon. Het gebruik is
slechts toegestaan voor de categorie waarvoor het is opgegeven.
2. Een
handelaarskenteken mag worden gebruikt voor voertuigen die ter bewerking
of herstel aan degene aan wie het kenteken is opgegeven ter beschikking
zijn gesteld.
3. Een
handelaarskenteken moet worden gebruikt voor voertuigen die behoren tot
de bedrijfsvoorraad van degene aan wie het kenteken is opgegeven.
4. Een
handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het
voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt
gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of
de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken
is opgegeven.
5. Voor overtreding
van het eerste tot en met vierde lid is degene aan wie het
handelaarskenteken is opgegeven aansprakelijk.
Artikel 45. Ongeldigverklaring
1. De Dienst
Wegverkeer kan een handelaarskentekenbewijs ongeldig verklaren indien
degene aan wie het handelaarskentekenbewijs is afgegeven:
a. om zodanige ongeldigverklaring verzoekt,
b. aangifte heeft gedaan van het onvrijwillig
verlies van het handelaarskentekenbewijs,
c. niet langer voldoet aan artikel 42, dan wel
d. handelt in strijd met het bepaalde:
1°.
bij of krachtens artikel 37, derde of vierde lid, van de wet, dan wel
2°.
krachtens artikel 37, zevende lid, van de wet, voor zover het betreft
nadere regels ter uitvoering van het derde lid van dat artikel.
2. Degene die een
ongeldig verklaard handelaarskentekenbewijs onder zich heeft, levert dit
onverwijld in bij de Dienst Wegverkeer.
3. Indien degene die
een ongeldig verklaard handelaarskentekenbewijs onder zich heeft niet
voldoet aan de verplichting van het tweede lid, kan het
handelaarskentekenbewijs worden ingenomen door de daartoe bevoegde
ambtenaren.
Hoofdstuk 6. Erkenningsregeling bedrijfsvoorraad
Artikel 46. Onderwerp erkenning
1. Een erkenning
als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet, wordt verleend
teneinde voertuigen met behulp van een bedrijfsvoorraadpas in
bedrijfsvoorraad op te nemen.
2. Aan de erkenning
kan worden verbonden:
a. de bevoegdheid om voertuigen met behulp van
een voor datacommunicatie geschikte voorziening in bedrijfsvoorraad op
te nemen,
b. de bevoegdheid tot het aanvragen van nog niet
tenaamgestelde kentekenbewijzen,
c. de bevoegdheid tot het versneld melden dat
tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen voorgoed buiten Nederland
worden gebracht, alsmede het verstrekken van kentekenbewijzen die een
kenteken bevatten als bedoeld in artikel 4, zesde lid,
d. de bevoegdheid tot het melden dat tot de
bedrijfsvoorraad behorende voertuigen voorgoed buiten gebruik worden
gesteld, alsmede het verstrekken van een certificaat van vernietiging,
als bedoeld in artikel 5, derde lid, van richtlijn nr. 2000/53/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18
september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), met dien
verstande dat de melding alleen wordt gedaan nadat het certificaat van
vernietiging is verstrekt, en
e. de bevoegdheid om in geval van overdracht van
een voertuig uit de bedrijfsvoorraad van het betrokken bedrijf namens
de aanvrager van een kentekenbewijs de aanvraag in te dienen,
overeenkomstig artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
f. de bevoegdheid om in geval van verkoop van
een voertuig uit eigen bedrijfsvoorraad namens de aanvrager middels
een voor datacommunicatie geschikte voorziening bij de Dienst
Wegverkeer, overeenkomstig artikel 50, eerste lid, aanhef en onderdeel
b, van de wet een aanvraag voor een kentekenbewijs of een deel I B in
te dienen en dit aan de aanvrager uit te reiken;
g. de bevoegdheid om een onderzoek te verrichten
als bedoeld in artikel IV, tweede lid, van de wet van 12 mei 2005 tot
wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in
verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor
bromfietsen alsmede vaststelling van overgangsbepalingen in verband
daarmee (Stb. 281).
Artikel 47. Aanvraag
1. Een erkenning
als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet, kan worden
aangevraagd door en worden verleend aan:
a. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die
exploitant is van een of meer ondernemingen waar voertuigen
bedrijfsmatig worden ingekocht of gefabriceerd met het doel deze te
verkopen,
b. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die
exploitant is van een of meer ondernemingen waar voertuigen
bedrijfsmatig worden ingekocht met het doel deze te bewaren of te
bewerken, en
c. bij
ministeriële regeling aan te wijzen personen of instanties die
voertuigen in eigendom hebben, zonder deze zelf te hebben ingekocht,
met het doel deze te verkopen.
2. De aanvraag wordt
ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
3. De aanvrager
stelt de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid te onderzoeken of te zijnen
aanzien aan het eerste lid wordt voldaan.
Artikel 48. Bedrijfsvoorraadpassen en formulieren
1.
Bij
het verlenen van de erkenning verstrekt de Dienst Wegverkeer aan het
erkende bedrijf een of meer bedrijfsvoorraadpassen van een bij
ministeriële regeling vastgesteld model, waarmee de registratie van
voertuigen in bedrijfsvoorraad kan plaatsvinden alsmede formulieren die
bestemd zijn om te dienen als vrijwaringsbewijs en als bedrijfsvoorraad
deel I B.
2. Op
aanvraag verstrekt de Dienst Wegverkeer aan een erkend bedrijf meerdere
bedrijfsvoorraadpassen en formulieren als bedoeld in het eerste lid.
3. Voor versleten of
zoekgeraakte bedrijfsvoorraadpassen verstrekt de Dienst Wegverkeer op
aanvraag aan het erkende bedrijf vervangende passen. Voor versleten
bedrijfsvoorraadpassen geeft de Dienst Wegverkeer niet eerder
vervangende passen af dan nadat de versleten passen zijn ingeleverd.
4. De
Dienst Wegverkeer kan verlangen dat de aanvrager van nieuwe en
vervangende bedrijfsvoorraadpassen, bedoeld in het tweede en derde lid,
de bij ministeriële regeling aangewezen bescheiden overlegt die verband
houden met de aanvraag.
Artikel 49. Intrekking erkenning
1. Indien
dit bij de intrekking, wijziging of schorsing van de erkenning als
bedoeld in artikel 65 van de wet, is bepaald, levert degene aan wie de
erkenning is dan wel was verleend alle aan hem verstrekte
bedrijfsvoorraadpassen en formulieren onverwijld in bij de Dienst
Wegverkeer.
2. Indien degene aan
wie de erkenning is dan wel was verleend niet voldoet aan het eerste
lid, kunnen de bedrijfsvoorraadpassen en formulieren worden ingenomen
door de daartoe bevoegde ambtenaren.
Hoofdstuk 7. Schorsing
Artikel 50
1. De
aanvraag bij de Dienst Wegverkeer tot een schorsing als bedoeld in
artikel 67 van de wet vindt plaats op één van de volgende wijzen:
a. door
het deel I B van het kentekenbewijs, het deel II alsmede een bij
ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs over te leggen. De
Dienst Wegverkeer plaatst op het deel I B een bij ministeriële
regeling vastgestelde aantekening;
b. langs elektronische weg door gebruikmaking
van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld authenticatiemiddel.
2. Indien
de aanvraag is ingediend op de in het eerste lid, onderdeel b,
bepaalde wijze, verstrekt de Dienst Wegverkeer een nieuw deel I B van
het kentekenbewijs waarop een bij ministeriële regeling vastgestelde
aantekening is geplaatst. De aanvrager vernietigt, na ontvangst van
het nieuwe kentekenbewijs deel I B, het ongeldig geworden oude deel I
B van het kentekenbewijs.
Artikel 51
1. Indien
de schorsing eindigt ingevolge artikel 68 van de wet, wordt een nieuw
deel I B aangevraagd bij de Dienst Wegverkeer op één van de volgende
wijzen:
a. onder
overlegging van deel I B van het kentekenbewijs, het deel II alsmede
een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs;
b. langs elektronische weg door gebruikmaking
van een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurd authenticatiemiddel.
2. Indien de
aanvraag is ingediend op de in het eerste lid, onderdeel b, bepaalde
wijze, vernietigt de aanvrager, na ontvangst van het nieuwe deel I B
van het betrokken kentekenbewijs, het ongeldig geworden oude deel I B
van het kentekenbewijs.
Artikel 51a
Indien het een aanvraag inzake een driedelig
kentekenbewijs, dan wel een kentekenbewijs bestaande uit een voor 31 mei
2004 afgegeven deel I, een deel I B en een overschrijvingsbewijs betreft
geldt:
a. in
afwijking van de artikelen 50, eerste lid, onderdeel a, en 51,
eerste lid, onderdeel a, dat het deel II dan wel deel I B van het
betrokken kentekenbewijs, het overschrijvingsbewijs en een bij
ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs worden
overgelegd.
b. in afwijking van de artikelen 50, tweede lid,
en 51, tweede lid, dat de aanvrager, na ontvangst van het nieuwe deel
I B van het betrokken kentekenbewijs, het ongeldig geworden deel II
dan wel deel I B van het kentekenbewijs vernietigt.
Artikel 52. Gebruik van de weg zonder einde
schorsing
Een schorsing eindigt niet door gebruik van de weg
indien:
a. het voertuig waarvan de geldigheid van het
kentekenbewijs is geschorst een kenteken voert als bedoeld in
artikel 3, dat behoort bij een ingevolge artikel 42 afgegeven
handelaarskentekenbewijs dat voldoet aan hoofdstuk 5 en waarvan
gebruik wordt gemaakt overeenkomstig de in dat hoofdstuk bedoelde
voorschriften, dan wel
b. artikel 23, eerste lid, van toepassing is.
Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
Artikel 53
Overtreding van de artikelen
- 5, eerste en derde tot en met vijfde lid,
- 26, eerste, tweede, vierde en vijfde lid,
- 26, eerste lid, onderdeel b , vierde of
vijfde lid jo artikel 18,
- 27, tweede en zesde lid,
- 27, tweede lid, onderdeel b , of zesde lid
jo artikel 18,
- 28, eerste lid jo artikel 26, eerste,
tweede, vierde of vijfde lid,
- 28, eerste lid jo artikel 27, tweede of
zesde lid,
- 28, tweede lid,
- 29, eerste lid,
- 31, eerste, tweede, vierde en vijfde lid en
zesde jo eerste of tweede lid,
- 31, eerste lid, onderdeel b , vierde of
vijfde lid jo artikel 18,
- 31, zesde lid jo eerste of tweede lid jo
artikel 18,
- 32, tweede lid,
- 33, eerste lid en derde jo eerste lid,
- 34, eerste lid,
- 39, vijfde lid,
- 44,
- 45, tweede lid,
- 49, eerste lid,
- 54, tweede lid,
- 58b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid,
- 58b,
eerste lid, onderdeel b, vierde of vijfde lid j° artikel 18,
- 58c, tweede en zesde lid,
- 58c,
tweede lid, onderdeel b, of zesde lid j° artikel 18,
- 58d,
eerste lid j° artikel 26, eerste, tweede, vierde of vijfde lid,
- 58d,
eerste lid j° artikel 27, tweede of zesde lid,
- 58d, tweede lid,
- 58f, eerste lid, en
- 58h, eerste lid is een strafbaar feit.
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 54
1. Kentekenbewijzen
en ter vervanging van die bewijzen uitgereikte duplicaten, afgegeven op
basis van de Wegenverkeerswet, worden vóór een bij ministeriële
regeling vastgesteld tijdstip vervangen door een kentekenbewijs,
afgegeven op basis van de wet.
2. Overeenkomstig
het eerste lid vervangen kentekenbewijzen en duplicaten verliezen hun
geldigheid op het in het eerste lid bedoelde tijdstip; zij worden
onverwijld ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.
Artikel 55
1. De
artikelen 5, 7, eerste en tweede lid, 14, eerste lid, 15, eerste lid en
16 van het Reglement kentekenregistratie, zoals deze bepalingen luidden
vóór het tijdstip waarop zij op grond van artikel 59 zijn ingetrokken,
blijven voor wat betreft het in die bepalingen bepaalde ten aanzien van
registratiebewijzen en aanvullingsbladen van kracht tot een bij
ministeriële regeling vastgesteld tijdstip. Tot dat tijdstip kan de
Dienst Wegverkeer tevens een voorlopig registratiebewijs afgeven van een
bij ministeriële regeling vastgesteld model.
2. Voor
de toepassing van artikel 5 van het Reglement kentekenregistratie wordt
met een kentekenbewijs gelijkgesteld een kentekenbewijs, afgegeven op
basis van de wet.
Artikel 56 [Vervallen per 27-11-1998]
Artikel 57
1. De
artikelen 17 en 23 van het Reglement kentekenregistratie, zoals deze
artikelen luidden vóór het tijdstip waarop zij op grond van artikel 59
zijn ingetrokken, blijven van kracht ten aanzien van op basis van de
Wegenverkeerswet afgegeven kentekenbewijzen die vóór bedoeld tijdstip
met toepassing van genoemde artikelen 17 en 23 ongeldig zijn verklaard
en moeten worden ingeleverd, indien op eerderbedoeld tijdstip die
inlevering nog niet heeft plaatsgevonden.
2. Op
basis van de Wegenverkeerswet afgegeven kentekenbewijzen die nog niet op
grond van artikel 54, eerste lid, zijn vervangen, worden voor de
toepassing van de artikelen 37 en 45 gelijkgesteld met kentekenbewijzen,
afgegeven op basis van de wet.
Artikel 58
Voor de toepassing van dit besluit wordt een op
basis van het Reglement kentekenregistratie afgegeven kopie deel III
gelijkgesteld met een overschrijvingsbewijs tot het tijdstip dat het
kopie deel III is vervangen door een zodanig bewijs.
Hoofdstuk 9A. Overgangsbepalingen in verband met
de implementatie van richtlijn nr. 1999/37/eg
Artikel 58a
In afwijking van de artikelen 26 tot en met 30 en
34 zijn op driedelige kentekenbewijzen alsmede op kentekenbewijzen die
bestaan uit een deel I dat is afgegeven voor 31 mei 2004, een deel I B
en een overschrijvingsbewijs, de artikelen 58b tot en met 58h van
toepassing.
Artikel 58b. Wijziging van de tenaamstelling:
overdracht tussen particulieren
1. Degene aan wie
een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 58a is afgegeven of degene
die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is
geworden, is, ingeval hij ophoudt eigenaar of houder te zijn van het
voertuig waarvoor dat kentekenbewijs is afgegeven, verplicht:
a. het deel II of het deel I B en het
overschrijvingsbewijs terstond over te dragen aan degene die eigenaar
of houder van het voertuig is geworden;
b. het deel I van het kentekenbewijs onder zich
te houden, totdat hij het in het derde lid bedoelde vrijwaringsbewijs
en het oude deel II of I B heeft ontvangen.
2. Degene
die eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is verplicht binnen
een week nadat hij het deel II of I B en het overschrijvingsbewijs heeft
ontvangen, bij de Dienst Wegverkeer om afgifte van een deel I B of een
nieuw deel I B te verzoeken onder overlegging van het deel II of I B,
het overschrijvingsbewijs en een bij ministeriële regeling aangewezen
legitimatiebewijs.
3. De
Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen van het
tweede lid heeft voldaan, een vrijwaringsbewijs en een deel I B of nieuw
deel I B af.
4. Degene die het
vrijwaringsbewijs heeft ontvangen, is verplicht dit terstond, te zamen
met het oude deel II of I B, te doen toekomen aan degene die het deel I,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder zich heeft gehouden.
5. Degene die het
deel I, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder zich heeft
gehouden, is verplicht dit terstond af te geven aan degene van wie hij
het vrijwaringsbewijs en het oude deel II of I B heeft verkregen.
6. De voorgaande
leden zijn van overeenkomstige toepassing indien de eigenaar,
respectievelijk de houder van een voertuig, aan wie een kentekenbewijs
als bedoeld in artikel 58a is afgegeven, met de houder, respectievelijk
de eigenaar van het voertuig overeenkomt dat het kenteken aan deze
houder, respectievelijk eigenaar wordt opgegeven.
Artikel 58c. Wijziging van de tenaamstelling:
overdracht ten behoeve van een bedrijfsvoorraad
1. In geval van
overdracht ten behoeve van een bedrijfsvoorraad, van een voertuig
waarvoor een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 58a is afgegeven,
zijn in afwijking van artikel 58b, het tweede tot en met achtste lid
van toepassing.
2. Degene aan wie
een driedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens
overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is
verplicht:
a. aan het erkende bedrijf terstond het deel II
of I B van het kentekenbewijs en het overschrijvingsbewijs over te
dragen;
b. het deel I van het kentekenbewijs onder zich
te houden totdat hij het in het vijfde lid bedoelde vrijwaringsbewijs
en het oude deel II of I B heeft ontvangen.
3. Het erkende
bedrijf is verplicht binnen een week, nadat hij het deel II of I B en
het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, bij de Dienst Wegverkeer om
opname in bedrijfsvoorraad te verzoeken onder overlegging van deel II of
I B, het overschrijvingsbewijs en de bedrijfsvoorraadpas.
4. De Dienst
Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen van het derde lid
heeft voldaan, een formulier af met gegevens die verband houden met de
opname in bedrijfsvoorraad.
5. Het erkende
bedrijf is verplicht:
a. een vrijwaringsbewijs en een bedrijfsvoorraad
deel I B met de in het vierde lid bedoelde gegevens in te vullen;
b. aan degene van wie hij het deel II of I B en
het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, het vrijwaringsbewijs
alsmede het oude deel II of I B terstond ter hand te stellen;
c. het bedrijfsvoorraad deel I B onder zich te
houden.
6. Degene die het
deel I, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder zich heeft
gehouden, is verplicht dit terstond af te geven aan het erkende bedrijf
van wie hij het vrijwaringsbewijs en het oude deel II of I B heeft
verkregen.
7. In afwijking van
het derde en vijfde lid, is een erkend bedrijf, indien dit gebruik maakt
van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a,
verplicht:
a. de overdracht van het voertuig ten behoeve
van diens bedrijfsvoorraad terstond na de overdracht te melden aan de
Dienst Wegverkeer;
b. het vrijwaringsbewijs en het bedrijfsvoorraad
deel I B met de middels datacommunicatie ter beschikking gestelde
gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad in te
vullen;
c. aan degene van wie hij het deel II of I B en
het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, het vrijwaringsbewijs en
het oude deel II of I B terstond ter hand te stellen;
d. het bedrijfsvoorraad deel I B onder zich te
houden.
8. Het tweede en het
zesde lid zijn niet van toepassing indien een of meer delen van het
kentekenbewijs verloren zijn geraakt of teniet zijn gegaan en het
erkende bedrijf bij de in het achtste lid, onderdeel a, bedoelde melding
tevens meldt dat het voertuig voorgoed buiten gebruik wordt gesteld,
mits degene aan wie het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 58a is
afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het
voertuig is geworden:
a. aan het erkende bedrijf terstond de niet
verloren geraakte of teniet gegane delen van het kentekenbewijs
overdraagt,
b. verklaart dat de niet aan het erkende bedrijf
overgedragen delen van het kentekenbewijs verloren zijn geraakt of
teniet zijn gegaan, en
c. bij
het erkende bedrijf de bij ministeriële regeling aangewezen
documenten overlegt.
Artikel 58d. Wijziging van de tenaamstelling:
overdracht van een voertuig uit bedrijfsvoorraad
1. Indien een
voertuig waarvoor een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 58a is
afgegeven, ophoudt te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend
bedrijf, is artikel 58b of, in geval van overdracht ten behoeve van
een bedrijfsvoorraad, artikel 58c van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat het bedrijfsvoorraad deel II of I B in de plaats
treedt van het gewone deel II of I B.
2. Indien
een voertuig ophoudt te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend
bedrijf en dit bedrijf het voertuig tot eigen gebruik bestemt, vraagt
het bedrijf binnen een week een nieuw deel I B aan bij de Dienst
Wegverkeer, onder overlegging van het bedrijfsvoorraad deel II of I B,
het overschrijvingsbewijs en een bij ministeriële regeling aangewezen
legitimatiebewijs.
3. De
Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichting van het
tweede lid heeft voldaan, zowel een vrijwaringsbewijs als een nieuw deel
I B af.
Artikel 58e
1. In geval van
overdracht van een voertuig dat ophoudt te behoren tot de
bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf dat gebruik maakt van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel f, kan, in
afwijking van artikel 58d, een aanvraag van een nieuw deel I B,
gericht aan de Dienst Wegverkeer, bij dat bedrijf worden ingediend. In
afwijking van artikel 58d is dit artikel van toepassing.
2. Indien
de aanvraag wordt gedaan door een natuurlijke persoon overlegt deze in
persoon aan het erkende bedrijf een rijbewijs, alsmede een verklaring
waaruit duidelijk het verzoek tot tenaamstelling blijkt en het kenteken
van het voertuig dat wordt overgedragen, en welke overigens voldoet aan
bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 50, vijfde lid, van de
wet, gestelde voorschriften.
3. Indien
de aanvraag wordt gedaan door een in Nederland gevestigde rechtspersoon,
die is ingeschreven in het handelsregister, machtigt deze het erkende
bedrijf de aanvraag bij de Dienst Wegverkeer in te dienen. Degene die
blijkens het handelsregister bevoegd is de rechtspersoon te
vertegenwoordigen verstrekt aan het erkende bedrijf:
a. een kopie van zijn rijbewijs;
b. een ondertekende machtiging welke vermeldt:
1°.
naam en adres van de aanvrager,
2°.
een opgave van zijn unieke nummer, bedoeld in artikel 9, onder a, van
de Handelsregisterwet 2007
3°.
naam en geboortedatum van degene die de rechtspersoon
vertegenwoordigt,
4°.
naam en adres van het erkende bedrijf waar de aanvraag wordt
ingediend, en
5°.
het kenteken van het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft.
4. Het
erkende bedrijf meldt de bij ministeriële regeling als bedoeld in
artikel 62, vierde lid, van de wet, voorgeschreven gegevens vermeld op
het overschrijvingsbewijs, op het bedrijfsvoorraad deel II of I B, het
rijbewijsnummer. In geval van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid
meldt het bedrijf ook de geboortedatum van de aanvrager. In geval van
een aanvraag als bedoeld in het derde lid meldt het bedrijf ook de
vestigingsdatum en de gegevens, vermeld in de machtiging.
5. De
Dienst Wegverkeer geeft, indien aan de verplichtingen in het tweede tot
en met vierde lid is voldaan, een nieuw deel I B en een
vrijwaringsbewijs af en verstrekt dit aan het erkende bedrijf. Het
erkende bedrijf stelt het nieuwe deel I B te zamen met het deel I en het
overschrijvingsbewijs terstond in handen van de aanvrager, of doet deze,
in geval van een aanvraag als bedoeld in het derde lid, zo spoedig
mogelijk aan de aanvrager toekomen.
Artikel 58f. Wijziging van de tenaamstelling:
overlijden van een kentekenhouder
1. In afwijking
van de artikelen 58b, tweede lid, en 58c, derde lid, is, in geval van
overlijden van degene aan wie een kentekenbewijs als bedoeld in
artikel 58a is afgegeven, degene die als erfgenaam eigenaar of houder
van het voertuig is geworden, verplicht binnen vijf weken nadat hij
eigenaar of houder is geworden bij de Dienst Wegverkeer om afgifte van
een deel I B of een nieuw deel I B te verzoeken onder overlegging van
het deel II, het deel I B of het bedrijfsvoorraad deel II of I B, het
overschrijvi ngsbewijs en een
bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.
2. De
Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichting van het
eerste lid heeft voldaan, zowel een vrijwaringsbewijs als een deel I B
of een nieuw deel I B af.
Artikel 58g. Wijziging van de tenaamstelling:
bijzondere procedure
1. De Dienst
Wegverkeer kan voor een voertuig een tweedelig kentekenbewijs afgeven
zonder dat aan de in de artikelen 58b tot en met 58f bedoelde
verplichtingen is voldaan, indien de aanvraag voor het kentekenbewijs
wordt ingediend door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die
verklaart eigenaar of houder van het voertuig te zijn en indien naar
het oordeel van de Dienst Wegverkeer aannemelijk is gemaakt dat niet
aan bedoelde verplichtingen kan worden voldaan.
2. De
Dienst Wegverkeer kan in verband met het bepaalde in het eerste lid
verlangen dat de aanvrager van het kentekenbewijs het voertuig toont,
een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs overlegt en
een of meer delen van het kentekenbewijs inlevert.
Artikel 58h. Aanvraag en afgifte nieuw
kentekenbewijs
1. Indien
het voertuig waarvoor een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 58a is
afgegeven niet meer overeenstemt met de gegevens op het deel I, vraagt
degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens
overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, onverwijld
bij de Dienst Wegverkeer onder overlegging van het kentekenbewijs een
nieuw kentekenbewijs aan.
2. Indien het
kentekenbewijs is ingevorderd ingevolge artikel 60 van de wet, geeft de
Dienst Wegverkeer op verzoek een nieuw kentekenbewijs af. Degene aan wie
het kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden
eigenaar of houder van het voertuig is geworden, dient hiertoe bij de
Dienst Wegverkeer onder overlegging van het bij de invordering afgegeven
ontvangstbewijs een aanvraag in. De Dienst Wegverkeer geeft niet eerder
een nieuw kentekenbewijs af dan nadat het voertuig is goedgekeurd
overeenkomstig artikel 105 van de wet.
3. De Dienst
Wegverkeer geeft in geval van wijziging in de constructie als bedoeld in
artikel 98 van de wet een nieuw kentekenbewijs af nadat de wijziging is
goedgekeurd ingevolge artikel 98 van de wet. Deze dienst kan daarbij
verlangen dat het in artikel 18, eerste lid, bedoelde ontvangstbewijs
wordt overgelegd.
4. De Dienst
Wegverkeer geeft voor een kentekenbewijs dat wordt ingeleverd bij een
door Onze Minister aangewezen instantie in verband met een wijziging aan
het voertuig die niet behoeft te worden goedgekeurd ingevolge artikel 98
van de wet, een ontvangstbewijs af.
Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Artikel 59. Intrekking RKR
Het Reglement kentekenregistratie wordt
ingetrokken met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 60. Inwerkingtreding
De artikelen van dit besluit treden in werking op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 61. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als:
Kentekenreglement.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 oktober 1994
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de eerste november 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|