|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 22, eerste en derde lid, en
artikel 23, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. directeur: de directeur van de Dienst Wegverkeer;
b. fabrikant: de persoon of organisatie die tegenover de RDW
verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en
instaat voor de overeenstemming van de produktie met het type waarvoor
de goedkeuring is verleend. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of
organisatie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van het
onderdeel waarop de typegoedkeuringsprocedure betrekking heeft.
c. RDW: Dienst Wegverkeer;
Artikel 2
1. Deze regeling is van toepassing op de
aanvraag van en het toezicht op de typegoedkeuring van
voertuigonderdelen en technische eenheden als bedoeld in de artikelen
3.8.1, 3.8.3 en 3.8.15 van het Voertuigreglement.
2. De aanvraag van en het toezicht op de typegoedkeuring van
voertuigonderdelen en technische eenheden als bedoeld in de artikelen
3.8.3 en 3.8.15 van het Voertuigreglement, geschiedt met inachtneming
van de in de desbetreffende EG-richtlijnen gegeven voorschriften.
Artikel 3. Aanvraag
1. De aanvraag van een typegoedkeuring
van voertuigonderdelen wordt door de fabrikant ingediend bij de RDW.
2. Bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid met betrekking
tot retroreflectoren, worden de volgende bescheiden overgelegd:
a. een beknopte beschrijving van de technische specificaties der
materialen waaruit de retroreflectoroptiek bestaat;
b. tekeningen in drievoud die voldoende gedetailleerd zijn om het
type te kunnen identificeren en waarop de geometrische gegevens voor
het aanbrengen van de retroreflector op het voertuig zijn aangegeven;
de tekeningen moeten de voor het goedkeuringsmerk bestemde plaats
aangeven;
3. Bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid met betrekking
tot achterlichten, worden de volgende bescheiden overgelegd:
tekeningen in drievoud die voldoende gedetailleerd zijn om het type
te kunnen identificeren en waarop de geometrische gegevens voor de
installatie op het voertuig zijn aangegeven alsmede de waarnemingsas die
bij de proeven als referentie-as moeten worden genomen, benevens het
punt dat bij de proeven als referentiepunt moet worden genomen.
4. Bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid met betrekking
tot de systemen, onderdelen en technische eenheden van landbouw- of
bosbouwtrekkers, bedoeld in Bijlage II, hoofdstuk B, deel I van
richtlijn 2003/37/EG, waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend,
worden de bescheiden overgelegd die zijn vermeld in de op grond van
Bijlage II, hoofdstuk B, deel I van richtlijn 2003/37/EG bij het
desbetreffende systeem, het onderdeel of de technische eenheid behorende
bijzondere richtlijn.
Artikel 4
1. Bij een aanvraag als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, worden door de fabrikant voor de keuring
voertuigonderdelen ter beschikking gesteld waarop de aanvraag betrekking
heeft:
a. ingeval van een retroreflector 10 exemplaren;
b. ingeval van een fietsachterlicht 2 exemplaren;
c. ingeval van een reflecterende fietsband 5 exemplaren;
d. in geval van een systeem, onderdeel of technische eenheid, van
landbouw- of bosbouwtrekker, waarvoor een typegoedkeuring kan worden
verleend, een door de RDW bepaald aantal exemplaren met een maximum
van 10 exemplaren.
2. De RDW kan in verband met de uitvoering van de typegoedkeuring
specifieke onderdelen, extra tekeningen of proefstukjes van gebruikte
materialen verlangen.
Artikel 5
De fabrikant draagt er zorg voor dat:
a. de relevante regelgeving alsmede voorschriften, specificaties
en documentatie betreffende de toe te passen materialen en
onderdelen binnen het bedrijf beschikbaar en toegankelijk zijn voor
het personeel;
b. voldoende maatregelen en procedures voorzien in een effectieve
controle, opdat de geproduceerde voertuigonderdelen overeenstemmen
met het goedgekeurde type;
c. de administratie doelmatig en deugdelijk is, waardoor
voldoende inzicht wordt geboden in de verschillende fasen die het
voertuigonderdeel tijdens en na de fabricage doorloopt;
d. de administratie omtrent de geproduceerde voertuigonderdelen
ten minste 10 jaar beschikbaar blijft;
e. binnen de organisatie een persoon wordt aangewezen die als
eerste verantwoordelijk is met betrekking tot het bepaalde in de
onderdelen a tot en met d.
Artikel 6
Degene die de typegoedkeuring aanvraagt is gehouden inlichtingen te
verstrekken waarnaar hem in verband met de typegoedkeuring wordt
gevraagd.
Artikel 7
De aanvrager verplicht zich de Dienst Wegverkeer onverwijld in kennis
te stellen van voorgenomen of reeds uitgevoerde wijzigingen in het
ontwerp, de fabrikage-methoden, gebruikte materialen en matrijzen.
Artikel 8. Toezicht
1. Het toezicht wordt uitgeoefend door
een door de directeur aangewezen functionaris en vindt plaats in een
vestiging welke in overleg met de fabrikant wordt vastgesteld.
2. In de vestiging als bedoeld in het eerste lid, moet een
overdekte en goed verlichte ruimte aanwezig zijn welke kan worden
verwarmd.
3. Aan het uitoefenen van het toezicht moet door de fabrikant
alle medewerking worden verleend. De ter zake door de Dienst Wegverkeer
gegeven aanwijzingen moeten in acht worden genomen.
Artikel 9
1. In het kader van een steekproef wordt
onder medewerking als bedoeld in artikel 8, derde lid, in ieder geval
verstaan:
a. het in overleg met de RDW treffen van een regeling omtrent het
beschikbaar stellen van voertuigonderdelen voor een steekproef;
b. het op verzoek van de functionaris van de RDW onverwijld
beschikbaar stellen van de desbetreffende typegoedkeuring;
c. het verlenen van assistentie bij het uitvoeren van de keuring.
2. Indien bij de steekproef wordt vastgesteld dat het
voertuigonderdeel niet overeenstemt met het type waarvoor de goedkeuring
is verleend, wordt door de functionaris van de RDW een rapport opgemaakt
waarvan de fabrikant een afschrift ontvangt.
Artikel 10
Nadat een typegoedkeuring is verleend, wordt ten minste één maal
per twee jaar onderzocht of de fabrikant nog voldoet aan de in artikel 5
genoemde verplichtingen.
Artikel 11
Indien de fabrikant niet voldoet aan de in artikel 5 genoemde
verplichtingen, wordt hij in staat gesteld de geconstateerde
tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn
te herstellen en wordt het toezicht als bedoeld in artikel 8
geïntensiveerd.
Artikel 12
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvraag en toezicht
typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 5 december 1995.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
|