| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet aanvullende
regels veiligheid wegtunnels
REGELING
AANVULLENDE REGELS VEILIGHEID WEGTUNNELS
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 5, tweede
en vierde lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, tweede lid, 9, 10 en 12
van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels, artikel 2, zesde
lid, van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de
artikelen 120 en 120a van de Woningwet en artikel 14 van de
Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Artikel 1
1.In deze regeling wordt verstaan onder tunnelveiligheidsdossier:
het dossier, bedoeld in artikel 10 van de wet.
2.Het begrip voorval omvat mede ongeluk of incident.
Artikel 2
1.Naar aanleiding van een verzoek om advies over een
tunnelveiligheidsplan als bedoeld in artikel 6, derde lid, aanhef en
onder a, van de wet stelt de voorzitter van de commissie voor de
desbetreffende tunnel een werkgroep samen uit de leden van de
commissie.
2.De voorzitter, dan wel de plaatsvervangende voorzitter, zit een
werkgroep voor.
3.De voorzitter en de andere leden van een werkgroep zijn niet
rechtstreeks betrokken of betrokken geweest bij de desbetreffende
tunnel, bij alternatieven daarvoor of bij een besluit met betrekking
tot de desbetreffende tunnel.
4.Indien een lid van een werkgroep niet meer voldoet aan het
vereiste, gesteld in het derde lid, ontheft de voorzitter van de
commissie hem van zijn lidmaatschap van de werkgroep.
5.Een werkgroep bereidt de door de commissie uit te brengen
adviezen, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet, met betrekking
tot de desbetreffende tunnel voor.
6.De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van het
verzoek om advies en alle daarbij behorende benodigde gegevens en
bescheiden advies uit.
7.De commissie en een werkgroep kunnen zich bij hun werkzaamheden
doen bijstaan door deskundigen die geen lid van de commissie zijn.
Artikel 3
De commissie brengt over elk kalenderjaar aan de Minister van Verkeer
en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties verslag uit van haar werkzaamheden en bevindingen.
De Minister van Verkeer en Waterstaat maakt het verslag openbaar.
Artikel 4
1. Risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, eerste lid, eerste volzin,
van de wet, worden uitgevoerd overeenkomstig het RWS-QRA-model voor
wegtunnels, versie 1.0 (Rijkswaterstaat, Bouwdienst, registratienummer
4818-2006-0091) en de Leidraad Scenarioanalyse Ongevallen in Tunnels,
deel 1: wegtunnels, versie mei 2004 (ISBN 90-77374-03-5).
2. De tunnelbeheerder kan naar aanleiding van de resultaten van de
risicoanalyses, bedoeld in het eerste lid, besluiten aanvullende
maatregelen te treffen, mits dat kan met bewezen technologie en de
maatregelen kosteneffectief en proportioneel zijn.
Artikel 5
Het tunnelveiligheidsplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de
wet, wordt opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig de Leidraad
Tunnelveiligheidsplan, versie december 2005 (Rijkswaterstaat,
Bouwdienst).
Artikel 6
1.Het veiligheidsbeheerplan, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt
opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig de Leidraad
Veiligheidsbeheerssysteem, versie februari 2005 (Rijkswaterstaat,
Bouwdienst).
2.Het veiligheidsbeheerplan, bedoeld in artikel 7 van de wet, bevat
ten minste:
a. een beschrijving van de organisatie, de personele en
materiële middelen en de instructies ten behoeve van het gebruik,
inspectie en onderhoud van de tunnel;
b. een calamiteitenbestrijdingsplan waarin ook rekening
gehouden is met mensen met een beperkte mobiliteit en met
gehandicapten en chronisch zieken;
c. een beschrijving van de wijze van voortdurende
terugkoppeling van ervaring ten behoeve van de verslaglegging en
analyse van significante voorvallen;
d. een beschrijving van de uitgangspunten en randvoorwaarden
bij het gebruik van de tunnel, zoals aangegeven in de leidraad,
bedoeld in artikel 5.
Artikel 7
De veiligheidsbeambte werkt mee aan de afstemming tussen het
calamiteitenbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b,
en de aanvalsplannen van de hulpverleningsdiensten. Hij neemt kennis van
de rampbestrijdingsplannen van de desbetreffende gemeenten, voor zover
de tunnel betreffende.
Artikel 8
1. In of bij de aanvraag voor de in artikel 8 van de wet bedoelde
vergunning worden de volgende gegevens verstrekt:
a. naam, post- en e-mailadres en telefoonnummer van de
tunnelbeheerder;
b. de kadastrale aanduiding en de ligging van de tunnel;
c. de naam en de aard van de tunnel.
2. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:
a. het tunnelveiligheidsplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid,
van de wet;
b. het advies van de commissie over het tunnelveiligheidsplan
en dat over het bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangevraagd zal
worden;
c. het veiligheidsbeheerplan, bedoeld in artikel 7 van de wet;
d. het advies van de veiligheidsbeambte over het openstellen
voor het verkeer van de tunnel.
3. Op verzoek van het bevoegde college van burgemeester en
wethouders verstrekt de aanvrager tevens nadere gegevens en bescheiden
voor zover die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.
Artikel 9
De veiligheidsbeambte controleert regelmatig of de tunnelconstructies
en -voorzieningen worden onderhouden en waar nodig hersteld.
Artikel 10
1.Van elk significant voorval in een tunnel stelt de
tunnelbeheerder een toelichtend verslag op en zendt dat binnen één
maand aan de veiligheidsbeambte, het bevoegde college van burgemeester
en wethouders en de hulpverleningsdiensten.
2.Indien de tunnelbeheerder een door een ander opgesteld
onderzoeksverslag ontvangt met een analyse van de omstandigheden van
een voorval in een tunnel of de conclusies die daaruit kunnen worden
getrokken, zendt hij dat verslag binnen één maand na ontvangst aan
de veiligheidsbeambte, het bevoegde college van burgemeester en
wethouders en de hulpverleningsdiensten.
3.De veiligheidsbeambte werkt mee aan de evaluatie van significante
voorvallen als bedoeld in het eerste en het tweede lid.
4.De tunnelbeheerder draagt er zorg voor dat in overleg met de
veiligheidsbeambte acties in noodsituaties uitgevoerd en geëvalueerd
worden.
Artikel 11
1.De veiligheidsbeambte gaat na of het bedieningspersoneel en de
hulpverleningsdiensten geoefend zijn en werkt mee aan de organisatie
van de regelmatig te houden oefeningen.
2.De tunnelbeheerder draagt ervoor zorg dat met betrekking tot een
tunnel ten minste eenmaal in de vier jaar een realistische oefening en
in elk tussenliggend jaar een gedeeltelijke of simulatieoefening wordt
uitgevoerd.
3.In afwijking van het tweede lid kan, indien in een beheersgebied
van een regionaal brandweerkorps twee of meer tunnels van één
tunnelbeheerder liggen en voor zover het een realistische oefening
betreft, volstaan worden met het houden van één oefening in ten
minste één van die tunnels.
4.De veiligheidsbeambte, de hulpverleningsdiensten en de
tunnelbeheerder evalueren gezamenlijk de oefeningen.
Artikel 12
1. Het tunnelveiligheidsdossier bevat alle voor de veiligheid
betreffende de tunnel van belang zijnde gegevens en oorspronkelijke
bescheiden, alsmede de desbetreffende digitale documenten, waartoe in
elk geval behoren de documenten, bedoeld in de artikelen 2 tot en met
8, en de documenten betreffende het bepaalde in artikel 11, met
inbegrip van latere wijzigingen daarvan, alsmede:
a. de planologische besluiten ten aanzien van de tunnel;
b. de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht en de bij die vergunning behorende
aanvraag;
c. een lijst van de uitgevoerde oefeningen en een analyse van
de lering die hieruit getrokken is.
2. Een ieder die gegevens en oorspronkelijke bescheiden, bedoeld in
het eerste lid, ontvangen heeft of onder zich heeft, verstrekt deze
met bekwame spoed aan de tunnelbeheerder, die deze opneemt in het
tunnelveiligheidsdossier.
3. Van elk in het tunnelveiligheidsdossier opgenomen document
verstrekt de tunnelbeheerder een kopie aan de veiligheidsbeambte.
4. De commissie en betrokken overheidsinstanties kunnen het
tunnelveiligheidsdossier te allen tijde inzien. Op hun verzoek
verstrekt de tunnelbeheerder hen kopieën van bescheiden.
Artikel 13
[Wijzigt de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens]
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag nadat
zij in de Staatscourant is geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
|
|
|