Uit het testrapport blijkt dat de
bromfiets, niet zijnde brommobiel, of motorfiets is onderworpen aan de
volgende testen:
a. een zijdelingse aanrijding door een personenauto
(testconfiguratie 1);
b. een frontale botsing tussen de bromfiets, niet zijnde brommobiel,
of de motorfiets en personenauto onder een hoek van 45°
(tekstconfiguratie 2);
c. een zijdelingse aanrijding van de bromfiets, niet zijnde
brommobiel, of de motorfiets tegen een personenauto onder een hoek van
45° (testconfiguratie 4);
d. een schampende frontale aanrijding tussen een personenauto en de
bromfiets, niet zijnde brommobiel, of de motorfiets (testconfiguratie
6);
e. een zijdelingse aanrijding van de bromfiets, niet zijnde
brommobiel, of de motorfiets tegen een personenauto (testconfiguratie
7);
f. kanteltest en test daksterkte als beschreven in de bijlage;
g. een test betreffende de uitstekende delen, bedoeld in het derde
hoofdstuk van richtlijn 97/24/EG.
2. De testen genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met e,
worden uitgevoerd overeenkomstig de daarbij aangegeven
testconfiguraties, zoals opgenomen in NEN-ISO 13232-2 (februari 1997),
paragraaf 4.3.1, waarbij wanneer het een test betreft ten behoeve van de
aanwijzing van een bromfiets, niet zijnde een brommobiel, de snelheid
kan worden beperkt tot 12,5 meter per seconde.
3. Uit het testrapport blijkt dat een voldoende
beschermingsniveau wordt gewaarborgd, met dien verstande dat bij de
testen genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, en de
kanteltest, bedoeld in onderdeel f, de maximale waarde van de belasting
van de kop van de testdummy de waarde van HPC=1000 niet is overschreden.
4. Met de in dit artikel bedoelde testen worden gelijkgesteld
testen die aan ten minste gelijkwaardige eisen voldoen.
Artikel 5
1. De ruiten in de veiligheidscel voldoet aan paragraaf 1.1 of
1.2 van hoofdstuk 12 van bijlage I van richtlijn 97/24/EG.
2. De buitenranden van de veiligheidscel voldoen, ter voorkoming
van beknelling van het hoofd of ledematen, aan hoofdstuk 3 van bijlage
II van richtlijn 97/24/EG, tenzij stootkussens in mogelijke
risicogebieden voor het hoofd en ledematen zijn aangebracht.
3. De gordelbevestigingspunten en het gordelsysteem voldoen aan
hoofdstuk 11 van richtlijn 97/24/EG.
4. Indien het gordelsysteem, bedoeld in het derde lid, met de
hand wordt bediend, is in het directe zichtveld van de bestuurder een
waarschuwingssignaal van een passende lichtsterkte aangebracht, dat
brandt indien bij een in bedrijf zijnde motor het gordelsysteem niet of
niet volledig is aangelegd.
5. Het waarschuwingssignaal, bedoeld in het derde lid, voldoet
aan afbeelding 9 van bijlage III van richtlijn nr. 78/316/EEG van de
Raad van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van
motorvoertuigen (identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten
en meters) (PbEG L 81).
6. Het waarschuwingssignaal, bedoeld in het derde lid, behoeft
niet aanwezig te zijn indien het voertuig zodanig ontworpen is dat de
motor het voertuig niet kan voortbewegen wanneer het gordelsysteem niet
volledig is aangelegd.
Een wijziging van richtlijn 97/24/EG, van bijlage III van richtlijn
nr. 78/316/EEG van de Raad van 21 december 1977 inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de
binneninrichting van motorvoertuigen (identificatie van
bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters) (PbEG L 81) of van
bijlage II van richtlijn nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 20 mei 1996 betreffende de bescherming van
de inzittenden van motorvoertuigen bij zijdelingse botsingen en houdende
wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 169) gaat voor de
toepassing van de artikelen 1, 4 en 5 en de bijlage, gelden met ingang
van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn ingevolge artikel 1.7
van het Voertuigreglement voor de toepassing van dat besluit in werking
treedt.
Artikel 7
[Wijzigt de Regeling taken Dienst Wegverkeer]
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Koninklijk
besluit van 18 oktober 2001, houdende wijziging van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Voertuigreglement
(wijzigingen helmdraagplicht) (Stb. 2001, 519), in werking
treedt.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing bromfietsen
of motorfietsen ten behoeve van vrijstelling van de helmdraagplicht.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
1. Toepassingsgebied
Door middel van deze test wordt nagegaan of de bestuurder of
passagier bij het zijdelings omvallen van een tweewielig voertuig
voorzien van een veiligheidscel met het hoofd het wegdek kan raken.
2. Eisen
2.1 Bij het zijdelings omvallen van het testvoertuig dient de
snelheid van de kop van de Euro-SID dummy (volgens bijlage II van
richtlijn nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 20 mei 1996 betreffende de bescherming van de
inzittenden van motorvoertuigen bij zijdelingse botsingen en houdende
wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 169) 20 + 2 km/h te
bedragen. Daarbij wordt aan de volgende punten voldaan:
2.1.1 Afstand tussen hoofd en wegdek
De afstand tussen kop en wegdek wordt tijdens de test niet kleiner
dan de in paragraaf 4.2 gedefinieerde waarde van de afstandsplaat. Aan
de kop mag een kleine kleurmarkering zichtbaar zijn.
2.1.2 Beschermingsmiddelen voor de kop
Wanneer hulpmiddelen worden gebruikt om een direct contact tussen kop
en wegdek te voorkomen is de kopbelasting niet groter dan HPC = 1000.
3. Testopstelling
3.1 Bromfiets, niet zijn brommobiel, of motorfiets
a. Het te testen voertuig staat met beide wielen hetzij op het
testvlak, dan wel op een verhoogd, parallel aan dit vlak opgesteld,
platform. De hoogte van het voertuig boven het testvlak wordt zodanig
gekozen dat de kop van de testdummy een snelheid van 20 + 2 km/u heeft
op het moment dat het onder paragraaf 4.1 bedoelde contactvlak in
aanraking komt met het testvlak, of
b. wordt zodanig boven het testvlak opgehangen dat het in paragraaf
4.1 beschreven contactvlak parallel aan het testvlak te ligt. De
hoogte boven het testvlak wordt zodanig gekozen dat de kop van de
testdummy een snelheid van 20 + 2 km/u heeft op het moment dat het
onder paragraaf 4.1 bedoelde contactvlak in aanraking komt met het
testvlak.
c. Het voorwiel bevindt zich in de rechtuitstand. De wielen mogen
door bediening van het remsysteem of een daarop werkend commando
gedurende de test worden geblokkeerd.
d. Wanneer het stuur buiten het in paragraaf 4.1 bedoelde
contactvlak uitsteekt, wordt het stuur vσσr de test verwijderd of
zodanig gewijzigd dat contact met het wegdek vermeden wordt.
e. Wanneer het voertuig is voorzien van meerdere zitplaatsen die
zijn uitgerust met de te testen beveiliging, wordt op iedere zitplaats
een testdummy als bedoeld onder paragraaf 3.2 aangebracht.
f. Een verstelbare zitting en hoofdsteun worden in de middenstand
gezet.
3.2 Testdummy
a. Het midden van de Euro-SID dummy wordt symmetrisch in het
middenlangsvlak van het voertuig geplaatst. De benen worden in de
normale rijpositie gezet.
b. De veiligheidsgordel(s) worden met de kleinst mogelijke ruimte
vastgemaakt.
c. De bovenarmen worden onder een hoek van 45° met de verticaal
door het bovenlichaam ingesteld.
3.3 Testvlak
Het vlak waarop het voertuig valt, wordt zodanig gekozen dat het als
representatief kan worden beschouwd voor een horizontaal, vlak en schoon
wegdek.
4. Meetopstelling
4.1 Bepaling van het contactvlak
Voor de uitvoering van de test wordt het contactvlak tussen het
testvoertuig en het testvlak bepaald. Als contactvlak wordt het raakvlak
genomen dat bij de onder 3.1. onder a bedoelde test de kleinste afstand
tussen kop en wegdek oplevert.
4.2 Bepaling van de afstand tussen kop en wegdek
4.2.1 Ter bepaling van de afstand tussen kop en contactvlak als
bedoeld in 2.1.1 wordt een afstandplaat met een dikte van 75 mm daar op
het testvlak gelegd waar de bewegingsrichting van de kop het testvlak
snijdt. De lengte en breedte van de afstandplaat worden zodanig gekozen
dat vσσr en tijdens het verloop van de test de afstandplaat alleen in
aanraking kan komen met de kop, en niet met andere delen van de dummy of
delen van de voertuigconstructie.
4.2.2 Het raakvlak op afstandsplaat wordt voorafgaand aan de test van
een gekleurde markeerstof voorzien. Wanneer de kop de plaat raakt, moet
zich aan de kop een kleurmerk aftekenen.
4.3 Bepaling van de waarde van de kopbelasting
Bij de test volgens 2.1.2 worden de vertragingswaarden van de kop van
de Euro-SID dummy gemeten en grafisch weergegeven, bij voorkeur door
middel van de HPC-waarde.
4.3 Bepaling van de maximale snelheid van de kop
De bepaling van de kopsnelheid volgt uit de analyse van een
snelle-film-opname of door berekening uit de vertraging in de y-richting.
5. Uitvoering van de test
5.1.1 Werkwijze
5.1.1 Bij uitvoering van de test vanuit de testopstelling, bedoeld in
paragraaf 3.1 onder a: het voertuig kantelt zodanig uit de loodrechte
stand op de beoogde zijde, dat het met het contactvlak het testvlak
raakt.
5.1.2 Bij uitvoering van de test vanuit de testopstelling, bedoeld in
paragraaf 3.1 onder b: het voertuig maakt een vrije val van de
voorgeschreven hoogte op het testvlak.
5.2 kopsnelheid
De maximale kopsnelheid tijdens de uitvoering van de test bedraagt 20
+ 2 km/u.
6. Documentatie
Highspeed filmopnamen van de kopopslag gelden als documentatie van
het verloop van de beweging.
Test daksterkte
1. Toepassingsgebied
Met deze test wordt de stijfheid bepaald van het dakframe
respectievelijk de dakstructuur van eensporige wegvoertuigen ten behoeve
van een vrijstelling van de helmdraagplicht.
2. Eisen
2.1 De maximale kracht die optreedt bij het vertikaal
vervormen van de dakconstructie tot 127 mm bedraagt tenminste 22,2 kN.
2.2 De energie die bij deze vervorming wordt opgenomen
bedraagt tenminste 1,4 kJ.
3. Testopstelling
3.1 Voertuig
3.1.1 Het frame van het testvoertuig wordt zodanig op een vlakke,
stabiele grondplaat vastgemaakt, dat het bij de test niet kan
verschuiven.
3.1.2 Het frame van het voertuig wordt ten opzichte van de grondplaat
opgesteld in de stand die nagenoeg overeenkomt met de stand die het
inneemt wanneer het complete voertuig rechtop en met beide wielen op de
grondplaat zou staan. Het frame wordt op de grondplaat zodanig
ondersteund, dat de positie van vaste framedelen in de directe nabijheid
van het zwaartepunt en de helling van het frame tijdens de belasting
nagenoeg niet veranderen. Een verplaatsing van + 10 mm en een
verdraaiing van + 3° is evenwel toegestaan.
3.1.3 Alle steunpunten bevinden zich onder een vlak parallel aan de
grondplaat, gaande door het H-punt , bedoeld in paragraaf 1.1 van
bijlage III van hoofdstuk 11 van richtlijn 97/24/EG. Bij verstelbare
zittingen wordt het H-punt in de laagste zadelstand bepaald.
3.1.4 Boven het in paragraaf 3.1.3. bedoelde vlak worden geen
aanvullende verstijvingen aangebracht buiten de structuurdelen die bij
het oorspronkelijke voertuig als dragende elementen zijn uitgevoerd
(bijvoorbeeld: motor, kuipzit, carrosserie).
3.2 Drukplaat
Een vlakke, voldoend stijve plaat wordt zonder voorspanning op het
hoogste punt van de dakstructuur gelegd en parallel aan het grondvlak
gehouden. De drukplaat is van voldoende grootte; in ieder geval groter
dan het contactvlak met de dakstructuur na de test.
4. Uitvoering van de test
De drukplaat wordt met een constante, maximale snelheid van 0,013
m/sec over een afstand 127 mm in de richting van de grondplaat bewogen.
De maximale testduur bedraagt 120 sec.
5. Documentatie
De grafische weergave van de kracht/weg verhouding (loodrecht op het
vlak van de drukplaat) wordt in de documentatie van het krachtverloop
opgenomen.