Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. groep 1: rijbewijzen van de categorieën A, B en B+E;
b. groep 2: rijbewijzen van de categorieën C, C1, C+E, C1+E, D,
D1, D+E en D1+E.
Artikel 2
De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld
overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.
Artikel 3
De Regeling eisen geschiktheid (Regeling van de Minister van Verkeer
en Waterstaat van 12 juni 1996, nr. HW/RV 218632 Hoofddirectie van de
Waterstaat (Stcrt. 117)) wordt ingetrokken.
Artikel 4
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2000.
Artikel 5
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen geschiktheid 2000.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
Bijlage behorende bij de Regeling eisen
geschiktheid 2000
Inhoudsopgave
1 Inleiding
2 De eisen: algemene opmerkingen
3 Stoornissen van het gezichtsvermogen.
3.1 Inleiding
3.2 Visus
3.3 Gezichtsvelden
3.4 Verlies van een oog
3.5 Rijtest
3.6 Nader oogheelkundig onderzoek
3.7 Progressieve oogaandoeningen
3.8 Donkeradaptatie
3.9 Contrastgevoeligheid
3.10 Intra-oculaire lenzen
4 Stoornissen van gehoor en evenwicht
4.1 Inleiding
4.2 Slechthorendheid en doofheid
4.3 Draaiduizeligheid of aanvallen van
evenwichtsstoornis (zoals bij het syndroom van Ménière)
5 Inwendige ziekten
5.1 Inleiding
5.2 Diabetes mellitus
5.3 Hypertensie
5.4 Chronische nierinsufficiëntie en
nierfunctievervangende behandeling
5.5 Longziekten
5.6 Bloedziekten
5.7 Overige aandoeningen,
orgaantransplantatie
6 Hart- en vaatziekten
6.1 Inleiding
6.2 Chronisch hartfalen
6.3 Ischemische hartziekten
6.4 Cardiomyopathie
6.5 Klepafwijkingen (verworven of
aangeboren, al dan niet een klepprothese)
6.6 Aangeboren gebreken van hart en
grote vaten
6.7 Ritme- en geleidingsstoornissen
6.8 Perifere vaatziekten
6.9 Onbegrepen, mogelijk circulatoir
veroorzaakte syncope
7 Neurologische aandoeningen
7.1 Inleiding
7.2 Epileptische aanvallen en epilepsie
7.3 Bewustzijnsstoornissen (anders dan
epilepsie)
7.4 Progressieve ziektebeelden
7.5 Intracraniële tumoren
7.6 Doorbloedingsstoornissen van de
hersenen
7.7 Stationaire beelden
8 Psychiatrische stoornissen
8.1 Algemeen
8.2 Psychosen
8.3 Stemmingsstoornissen
8.4 Angststoornissen
8.5 Dissociatieve stoornissen
8.6 Cognitieve stoornissen
8.7 Persoonlijkheidsstoornissen
8.8 Misbruik van psychoactieve middelen
(zoals alcohol en drugs)
8.9 Verstandelijke handicap
8.10 ADHD (inclusief subtypen)
8.11 Autismespectrumstoornissen (ASS)
9 Lichamelijke handicaps
10 Geneesmiddelen
10.1 Inleiding
10.2 Geneesmiddelen bij psychotische
stoornissen
10.3 Geneesmiddelen bij
stemmingstoornissen
10.4 Psychostimulantia
10.5 Hypnotica, sedativa, anxiolytica
10.6 Antidiabetica
10.7 Anti-epileptica
10.8 Anticoagulantia
10.9 Antihistaminica
10.10 Antihypertensiva
10.11 Corticosteroïden
10.12 Maag-darmmiddelen
10.13 Analgetica
10.14 Geneesmidddelen tegen migraine en
clusterhoofdpijn
10.15 Parasympaticolytica,
parasympaticomimetica, sympaticolytica, sympaticomimetica
10.16 Parkinsonmiddelen
10.17 Cytostatica/oncolytica
10.18 Vertigomiddelen
10.19 Misbruik van geneesmiddelen
Hoofdstuk 1. Inleiding
Bij het formuleren van medische
geschiktheidseisen doet zich internationaal het probleem voor, dat -
afgezien van de invloed van alcoholgebruik - er nog altijd
betrekkelijk weinig epidemiologische gegevens zijn over de relatie
tussen de gezondheidstoestand van verkeersdeelnemers en het
veroorzaken van verkeersongevallen. Het spreekt voor zich dat de
ongevalskans kan toenemen door een verminderde lichamelijke of
geestelijke conditie van degene die een motorrijtuig bestuurt. Ook is
het duidelijk dat aandoeningen als blindheid of een ernstige
geestesziekte iemand zonder meer ongeschikt maken voor deelname aan
het gemotoriseerde verkeer.
Hoofdstuk 2. De eisen: algemene
opmerkingen
In de hierna volgende hoofdstukken
worden de eisen geformuleerd voor het beoordelen van de lichamelijke
en geestelijk geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.
Daarbij wordt de indeling in rijbewijssoorten gehanteerd (groep 1:
personenauto’s, motorrijwielen; groep 2: vrachtwagens, bussen) zoals
aangegeven in de tweede Europese richtlijn betreffende het rijbewijs
(91/439/EEG). Voorts wordt het begrip geschiktheid gebruikt.
Geschiktheid heeft betrekking op de lichamelijke en geestelijke
kwaliteiten op grond waarvan een persoon wel of niet, of voor een
beperkte tijdsduur, geschikt is voor het besturen van een
motorrijtuig; de vaststelling van de geschiktheid voor één of meer
rijbewijscategorieën geschiedt door middel van afgifte (door het CBR)
van de verklaring van geschiktheid.
Het medisch onderzoek ten behoeve van
de beoordeling van de geschiktheid kan bestaan uit een aantekening
door de keurend arts (eventueel aangevuld met een Geneeskundig
verslag) en/of een specialistisch rapport.
Met aantekening van de keurend arts
wordt bedoeld de aantekening die wordt geplaatst op de Eigen
verklaring als een van de vragen bevestigend wordt beantwoord.
Waar hierna sprake is van een
specialistisch rapport, is daarmee bedoeld het rapport dat het CBR
ontvangt van de onafhankelijke specialist naar wie een persoon door
het CBR is verwezen. Hieronder wordt tevens verstaan het rapport van
een keuring in de eigen-verklaringsprocedure of onderzoek in de
vorderingsprocedure, uitgevoerd door een arts onder supervisie en
verantwoordelijkheid van een specialist naar wie de persoon is
verwezen.
Hoofdstuk 3. Stoornissen van het
gezichtsvermogen
3.1. Inleiding
In dit hoofdstuk worden de eisen aan de
geschiktheid gegeven voor het gezichtsvermogen.
3.2. Visus
3.2.1. Visuseisen rijbewijzen van groep
1
De binoculaire visus moet, eventueel
gecorrigeerd, ten minste 0,5 te bedragen.
Bij personen die het gezichtsvermogen
aan één oog missen, of die in geval van diplopie slechts een oog
gebruiken, dient de visus van het functionerende oog ten minste 0,5 te
bedragen. Voor hen geldt tevens paragraaf 3.4.
In uitzonderlijke omstandigheden kunnen
personen met een visus tussen 0,4 en 0,5 geschikt worden verklaard
voor rijbewijzen van groep 1. Voorwaarden zijn de afwezigheid van
andere visuele functiestoornissen, een positief advies van een oogarts
en een positieve rijtest (zie ook paragraaf 3.5).
3.2.1.1. Rijden met een monoculair
bioptisch telescoop systeem
Onder strikte voorwaarden kan een
persoon die de visus van 0,5 bereikt met behulp van een monoculair
bioptisch telescoopsysteem geschikt worden verklaard voor een
rijbewijs van de categorie B.
De voorwaarden zijn dat:
– de visus met beide ogen
tezamen, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,16 bedraagt;
– de visus bij kijken door de
telescoop ten minste 0,5 bedraagt;
– die persoon niet het
gezichtsvermogen van één oog volledig is kwijtgeraakt of slechts
één oog gebruikt;
– er geen andere hinderlijke
oogheelkundige afwijkingen met betrekking tot verkeersdeelname
zijn.
Een rapport van een door het CBR
aangewezen oogarts is vereist. Het rapport moet ingaan op oorzaak,
prognose en stabiliteit van de lage visus en bevat een advies aan het
CBR over de geschiktheidstermijn. De maximale geschiktheidstermijn is
vijf jaar.
De geschiktheid wordt bepaald in een
rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische
geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig
protocol. Voor een rijtest komen alleen personen in aanmerking die
aantoonbaar voldoende training hebben gehad bij een door het CBR
erkend trainingscentrum voor autorijden met een bioptisch
telescoopsysteem. Na een positieve rijtest kunnen personen die een
bioptische telescoop gebruiken slechts geschikt worden verklaard met
beperking van de rijbevoegdheid tot:
– rijden bij daglicht (vanaf
één uur na zonsopgang tot één uur voor zonsondergang);
– privé gebruik, en
– voertuigen met een automatische
schakeling.
3.2.2. Visuseisen rijbewijzen van groep
2
De visus van het beste oog dient,
eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,8 te bedragen en van het minder
goede oog, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,1.
Ongeschiktheid bestaat ook bij een
plotselinge, substantiële terugval van de visus in één oog. Deze
personen kunnen na een aanpassingsperiode van minimaal drie maanden en
op basis van een positief advies van een oogarts weer geschikt worden
verklaard voor rijbewijzen van groep 2, mits de resterende visus
voldoet aan bovengenoemde minimumnorm.
3.2.3. Brekingsafwijkingen
a. groep 1: Geen eisen.
b. groep 2: Brillenglazen zijn
toegestaan tot een sterkte van plus of min 8 dioptrieën.
Contactlenzen zijn tot elke sterkte toegestaan, mits zij goed worden
verdragen.
3.2.4. Kleurenzien
Geen eisen.
3.2.5. Diplopie
a. groep 1: Personen met storende
diplopie zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1. Bij het
afdekken van een oog geldt paragraaf 3.4.
b. groep 2: Personen met diplopie
zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.
3.3. Gezichtsvelden
a. groep 1: Het horizontale
gezichtsveld moet minimaal 120 graden zijn en het bereik dient zich
links en rechts minstens 50 graden uit te strekken. Het verticale
gezichtsveld dient minstens 20 graden naar boven en beneden te zijn.
Binnen een straal van 20 graden vanuit het centrum mogen zich geen
gezichtsvelddefecten bevinden.
In uitzonderlijke omstandigheden
kunnen personen die niet voldoen aan de normen voor het
gezichtsveld, zoals bij scotomen, kwadrantanopsie of homonyme
hemianopsie, geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1.
Voorwaarden zijn de afwezigheid van andere visuele
functiestoornissen, een positief advies van een oogarts en een
positieve rijtest (zie paragraaf 3.5).
Deze uitzondering geldt niet voor
personen met een gezichtsveld van minder dan 90 graden horizontaal.
b. groep 2: Het binoculaire
horizontale gezichtsveld moet minimaal 160 graden zijn en het bereik
dient zich links en rechts minstens 70 graden uit te strekken. Het
verticale gezichtsveld dient minstens 30 graden naar boven en naar
beneden te zijn. Binnen een straal van 30 graden vanuit het centrum
mogen zich geen gezichtsvelddefecten bevinden.
3.4. Verlies van het gezichtsvermogen
van één oog
a. groep 1: Ongeschiktheid bestaat
bij het plotseling verlies van het gezichtsvermogen van één oog,
dus ook bij storende diplopie waarbij afdekken van één oog
noodzakelijk is. Deze personen kunnen na een aanpassingsperiode van
minimaal drie maanden en op basis van een positief advies van een
oogarts weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1.
b. groep 2: In uitzonderingsgevallen
kan een beroepschauffeur, die al in het bezit is van één of meer
rijbewijzen van groep 2, na een aanpassingsperiode van minimaal drie
maanden en op basis van een positief advies van een oogarts, weer
geschikt worden verklaard voor een geografisch beperkt rijbewijs van
de categorieën C/CE of D/DE, dat zich maximaal kan uitstrekken tot
het grondgebied van Nederland.
Voorwaarden zijn een positief
oogartsrapport, een verklaring van de werkgever volgens door het CBR
opgesteld model en een positieve rijtest (zie paragraaf 3.5).
3.5. Rijtest
Indien het CBR voor een juiste
oordeelsvorming over de geschiktheid een rijtest nodig acht, schakelt
het een deskundige in op het gebied van de praktische geschiktheid
(van de desbetreffende afdeling van het CBR) voor het afnemen ervan.
Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.
3.6. Nader oogheelkundig onderzoek
Personen bij wie de keurend arts geen
belangrijke oogheelkundige afwijkingen heeft gevonden kunnen op basis
van de gegevens van de keurend arts geschikt worden bevonden. Indien
er wel belangrijke afwijkingen zijn, is aanvullend onderzoek door een
oogarts noodzakelijk in verband met een eventuele beperking van de
geschiktheidstermijn.
3.7. Progressieve oogaandoeningen
Beperking van de geschiktheidstermijn
is aangewezen bij progressieve oogaandoeningen, zoals cataract,
glaucoom met gezichtsveldbeperking, degeneratieve en vasculaire
netvliesaandoeningen, progressief lijden van de nervus opticus. Voor
de beoordeling is een rapport van een oogarts vereist.
3.8. Donkeradaptatie
De donkeradaptatie dient min of meer
ongestoord te zijn. Bij twijfel aan dit vermogen zal nader onderzoek
met een adaptometer moeten plaatsvinden: de maximaal toegestane
afwijking bedraagt één logeenheid.
Personen met een afwijking in de
donkeradaptatie van meer dan één logeenheid kunnen geschikt worden
verklaard voor groep 1, waarbij de rijbevoegdheid wordt beperkt tot
rijden bij daglicht (vanaf één uur na zonsopgang tot één uur voor
zonsondergang).
De beoordeling kan voorts ondersteund
worden door een rijtest (zie paragraaf 3.5).
3.9. Contrastgevoeligheid
a. groep 1: Geen eisen
b. groep 2: Personen met een
verminderde contrastgevoeligheid zijn ongeschikt voor rijbewijzen
van groep 2.
3.10. Intra-oculaire lenzen
Intra-oculaire lenzen zijn toegestaan
als er zich geen problemen voordoen zoals het bestaan van
dubbelbeelden, storende mediatroebelingen of hinderlijke
strooilichteffecten.
Hoofdstuk 4. Stoornissen van gehoor en
evenwicht
4.1. Inleiding
In dit hoofdstuk staan de eisen aan de
geschiktheid met betrekking tot gehoor en evenwicht.
4.2. Slechthorendheid en doofheid
Deze hoeven geen beletsel te zijn voor
verkeersdeelname.
Na acuut ontstaan van gehoorverlies of
uitval van de evenwichtsfunctie dient men een aanpassingsperiode van
minstens drie maanden in acht te nemen, waarin de betrokkene als
ongeschikt moet worden beschouwd.
4.3. Draaiduizeligheid of aanvallen van
evenwichtsstoornis (zoals bij het syndroom van Ménière)
Deze maken een kandidaat ongeschikt
voor het besturen van motorrijtuigen. Na een klachtenvrije periode van
drie maanden kan de betrokkene, aan de hand van de aantekening van de
keurend arts, geschikt worden verklaard voor een beperkte termijn. De
duur van die termijn hangt mede af van de (vroegere) frequentie en de
(on)voorspelbaarheid van de aanvallen.
Hoofdstuk 5. Inwendige ziekten
5.1. Inleiding
Voor de geschiktheidsbeoordeling met
betrekking tot de inwendige ziekten zijn van belang: de actuele
lichamelijke conditie (al of geen klachten optredend bij deelname aan
het verkeer), de ’medische’ voorgeschiedenis en de prognose (kans
op verergering van klachtenpatroon, kans op complicaties).
5.2. Diabetes mellitus
In paragraaf 5.2 wordt verstaan onder:
i. ernstige hypoglycemie: een
hypoglycemie die de hulp van een andere persoon behoefde;
ii. herhaaldelijke hypoglycemieën:
twee of meer ernstige hypoglycemieën binnen twaalf maanden.
5.2.1. Algemeen
Voor alle vormen van diabetes mellitus
geldt:
Personen bij wie plotseling en
onverwacht bewustzijnsdaling of bewustzijnsverlies door hypoglycemie
optreedt (‘unawareness’) zijn ongeschikt voor alle rijbewijzen.
Iemand kan weer geschikt worden verklaard als de waarschuwingssignalen
weer aanwezig zijn en het zelfzorggedrag door een diabetesdeskundige
als adequaat wordt ingeschat.
Personen met ernstige hypoglycemieën
zijn ongeschikt voor alle rijbewijzen. Iemand kan weer geschikt worden
verklaard op basis van een specialistisch rapport, opgesteld door een
internist.
Voor personen met diabetes mellitus met
één of meerdere complicaties gelden tevens de desbetreffende andere
hoofdstukken (zie voor de normen hoofdstuk 3, 6, 7 en 9).
Bij vermoeden van een met de
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende
functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest
vereist met een deskundige op het gebied van de praktische
geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig
protocol. De geschiktheidstermijn bij één of meerdere ernstige
functiestoornissen is na een positieve rijtest maximaal drie jaar.
5.2.2. Diabetes mellitus, behandeld met
middelen die doorgaans geen hypoglycemieën kunnen veroorzaken
a. groep 1: Personen met diabetes
mellitus die behandeld worden met middelen die doorgaans geen
hypoglycemieën kunnen veroorzaken, kunnen op basis van de
aantekening van de keurend arts worden goedgekeurd voor een termijn
van maximaal vijf jaar. Bij een ernstige functiestoornis, na een
positieve rijtest, voor maximaal drie jaar.
Ten minste iedere tien jaar is een
rapport van een oogarts noodzakelijk.
b. groep 2: Personen met diabetes
mellitus die behandeld worden met middelen die doorgaans geen
hypoglycemieën kunnen veroorzaken kunnen op basis van de
aantekening van de keurend arts worden goedgekeurd voor een termijn
van maximaal vijf jaar. Bij een ernstige functiestoornis, na een
positieve rijtest, voor maximaal drie jaar.
Ten minste iedere tien jaar is een
rapport van een oogarts noodzakelijk.
5.2.3. Diabetes mellitus met middelen
die hypoglycemieën kunnen veroorzaken
a: groep 1: Personen met diabetes
mellitus die behandeld worden met middelen die hypoglycemieën
kunnen veroorzaken en die de hypoglycemieën goed voelen aankomen,
in staat zijn hiermee adequaat om te gaan en geregeld worden
gecontroleerd door een diabetesdeskundige, kunnen op basis van de
aantekening van de keurend arts worden goedgekeurd voor een termijn
van maximaal vijf jaar.
Bij een ernstige functiestoornis, na
een positieve rijtest, voor maximaal drie jaar.
Ten minste iedere tien jaar is een
rapport van een oogarts noodzakelijk.
b: groep 2: Personen met diabetes
mellitus die behandeld worden met middelen die hypoglycemieën
kunnen veroorzaken kunnen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen
van groep 2, indien zij:
1° in het afgelopen jaar geen
ernstige hypoglycemie hebben gehad;
2° op de hoogte zijn van de
risico’s van een hypoglycemie;
3° hypoglycemieën goed voelen
aankomen en in staat zijn daarmee adequaat om te gaan;
4° minstens tweemaal per dag en
op relevante momenten tijdens het besturen aan zelfcontrole doen
door middel van een bloedglucosetest, en
5° geen ernstige diabetische
complicatie hebben.
Bij iedere aanvraag is een onderzoek
door een internist vereist en ten minste iedere vijf jaar is een
rapport van een oogarts vereist. De maximale geschiktheidstermijn is
drie jaar.
5.3. Hypertensie
Voor personen die ondanks behandeling
een hoge bloeddruk houden, te weten een diastolische druk die, bij
herhaling gemeten, hoger is dan 115 mm Hg, geldt - gezien het risico
op beschadiging van ogen, nieren, hart en hersenen - een beperkte
geschiktheidstermijn: maximaal vijf jaar voor rijbewijzen van groep 1
en maximaal drie jaar, mede op grond van een specialistisch rapport,
voor rijbewijzen van groep 2.
5.4. Chronische nierinsufficiëntie en
nierfunctievervangende behandeling
Voor de beoordeling van de geschiktheid
bij chronische nierinsufficiëntie (CNI) is altijd een specialistisch
rapport vereist, opgesteld door een internist deskundig op het gebied
van nierziekten. Het rapport dient in te gaan op de volgende punten:
• Hoe is de algemene conditie, in
de zin van welke activiteiten en welke inspanning kan deze persoon
maximaal uitvoeren?
• Is er het laatste half jaar
sprake geweest van ernstige hypotensie na dialyse?
• Is er het laatste half jaar
sprake geweest van hartritmestoornissen?
• Is er het laatste half jaar
sprake geweest van angina pectoris?
• Is er sprake van een normaal
reactievermogen?
De maximale geschiktheidstermijn hangt
af van het stadium waarin de CNI zich bevindt:
|
Stadium |
Omschrijving |
MDRD-klaring in
ml/min/1.73 m2 |
|
I |
Nierfunctiestoornis |
90 en meer |
|
II |
Milde nierinsufficiëntie |
60–89 |
|
III |
Matige nierinsufficiëntie |
30–59 |
|
IV |
Ernstige nierinsufficiënte |
15–29 |
|
V |
Nierfalen |
<15 |
Voor niertransplantatie zie paragraaf
5.7.2.
a. groep 1: Personen bekend met een
matige tot ernstige nierinsufficiëntie (CNI stadium III-IV) of
bekend met nierfalen (CNI stadium V, nierfunctievervangende
behandeling), kunnen op basis van een specialistisch rapport
geschikt worden verklaard.
Indien de keurend specialist
duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, kan
het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige op het
gebied van de praktische rijgeschiktheid inschakelen om de
geschiktheid vast te stellen. Hiervoor bestaat een uitvoerig
protocol.
De geschiktheidstermijn voor groep
1 is voor personen met CNI stadium III en IV maximaal vijf jaar en
voor personen met CNI stadium V maximaal drie jaar.
b. groep 2: Personen bekend met een
matige tot ernstige nierinsufficiëntie (CNI stadium III-IV) of
bekend met nierfalen (CNI stadium V; nierfunctievervangende
behandeling), kunnen op basis van een specialistisch rapport
geschikt worden verklaard.
Indien de keurend specialist
duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, kan
het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige praktische
rijgeschiktheid inschakelen om de geschiktheid vast te stellen.
Hiervoor bestaat een uitvoerig protocol.
De geschiktheidstermijn voor groep
2 is voor personen met CNI stadium III en IV maximaal drie jaar en
voor personen met CNI stadium V maximaal één jaar.
5.5. Longziekten
5.5.1. Ernstige CARA (chronische
aspecifieke respiratoire aandoeningen)
Respiratoire insufficiëntie bij
geringe belasting: in beginsel ongeschikt voor alle
rijbewijscategorieën. Het betreft in het algemeen patiënten met een
pCO2 hoger dan 55 mm Hg en een maximum ademminuutvolume van minder dan
20 liter. Bij twijfel is een rijtest met een deskundige op het gebied
van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het
CBR) aangewezen.
5.5.2. Astma bronchiale
Voor personen met normale longfunctie
en intermitterende perioden van bronchospasme gelden geen beperkingen.
5.6. Bloedziekten
5.6.1. Ernstige bloedzieken
Bij ernstige stollingsstoornissen of
maligniteiten in een zodanig gevorderde fase dat gevaar voor de
verkeersveiligheid ontstaat, dienen rijbewijzen niet te worden
afgegeven of vernieuwd tenzij de aanvraag wordt gesteund door de
aantekening van de keurend arts.
5.6.2
Goed ingestelde personen met hemofilie
of andere stollingsstoornissen
Voor rijbewijzen van beide groepen kan
met betrekking tot de geschiktheidsbeoordeling worden volstaan met de
aantekening van de keurend arts. De geschiktheidstermijn is vijf tot
tien jaar.
5.7. Overige aandoeningen,
orgaantransplantatie
5.7.1. Complicaties bij ernstige
aandoeningen
Complicaties bij maligniteiten,
endocrinopathieën, auto-immuunziekten enzovoort kunnen leiden tot
ongeschiktheid. Afhankelijk van type pathologie, type patiënt,
kwaliteit van behandeling en begeleiding dient de medische
geschiktheid individueel beoordeeld te worden.
5.7.2. Orgaantransplantatie
Na een geslaagde transplantatie van
nier (zie paragraaf 5.4), pancreas, lever, hart en/of long(en) is de
geschiktheidstermijn eerst maximaal vijf jaar (bij rijbewijzen van
groep 1 op geleide van de aantekening van de keurend arts; bij
rijbewijzen van groep 2 is een specialistisch rapport nodig) en daarna
onbeperkt.
Hoofdstuk 6. Hart- en vaatziekten
6.1. Inleiding
Voor de geschiktheidsbeoordeling zijn
(ook) bij hart- en vaatziekten van belang: de actuele lichamelijke
conditie (al of geen klachten optredend bij deelname aan het verkeer),
de voorgeschiedenis (aangeboren of verworven aandoening, status na
operatie en dergelijke), en de prognose (kans op verergering van
klachtenpatroon, kans op complicaties). Bij het formuleren van
onderstaande eisen is met deze aspecten - die nogal kunnen verschillen
per type aandoening - rekening gehouden. Voor de indeling van klachten
naar ernst is de classificatie van de New York Heart Association (NYHA)
gevolgd.
6.2. Chronisch hartfalen
Onvoldoende pompwerking van het hart (decompensatio
cordis) kan berusten op een of meer oorzaken zoals aandoeningen
genoemd in de hierna volgende paragrafen. Voor de specifieke criteria
bij deze aandoeningen zij naar deze paragrafen verwezen. Is de oorzaak
een andere dan hierna genoemd of is de oorzaak niet goed bekend, dan
gelden in het algemeen de volgende richtlijnen.
Bij rijbewijzen van groep 1 is voor de
geschiktheidsbeoordeling de aantekening van de keurend arts doorgaans
voldoende. Voor groep 2 is steeds een specialistisch rapport vereist.
Bij personen met lichte tot matige
klachten bedraagt de maximale geschiktheidstermijn voor groep 1 vijf
jaar; zij zijn in het algemeen ongeschikt voor rijbewijzen van groep
2.
Personen met ernstige klachten (NYHA
klasse 3 en 4) zijn ongeschikt voor ieder rijbewijs.
Voor transplantatie van hart en/of
long(en): zie paragraaf 5.7.2.
6.3. Ischemische hartziekten
Het gaat hierbij om alle personen met
kransvatlijden, ongeacht of zij daarvoor in behandeling zijn (geweest)
of in het verleden een ingreep hebben ondergaan zoals een coronaire-
bypass-operatie of een dotterbehandeling (PTCA). Van belang voor de
geschiktheidsbeoordeling zijn het actuale klachtenpatroon - al dan
niet bij gebruik van medicatie - en de prognose.
6.3.1. Asymptomatisch kransvatlijden
Het betreft personen bij wie
aanwijzingen zijn gevonden - bijvoorbeeld bij een inspanningstest
(elektrocardiogram) - voor het bestaan van kransvatlijden. In deze
gevallen is steeds een specialistisch rapport vereist. De maximale
geschiktheidstermijn bedraagt tien jaar.
6.3.2. Chronische stabiele angina
pectoris
Bij rijbewijzen van groep 1 is voor de
geschiktheidsbeoordeling de aantekening van de keurend arts voldoende.
Voor groep 2 is steeds een specialistisch rapport vereist.
Bij personen met lichte tot matige
klachten bedraagt de maximale geschiktheidstermijn voor groep 1 vijf
jaar; zij zijn in beginsel ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.
Personen met ernstige klachten (NYHA
klasse 3 en 4) zijn ongeschikt voor ieder rijbewijs.
6.3.3. Instabiele angina pectoris
Ongeschikt voor elk rijbewijs.
6.3.4. Hartinfarct
Personen die een hartinfarct hebben
doorgemaakt zijn ten minste de eerste vier weken na het infarct
ongeschikt. Of en in hoeverre zij na deze periode geschikt zijn, hangt
af van het klachtenpatroon en van de prognose (zie ook vorige
paragrafen).
6.4. Cardiomyopathie
Een specialistisch rapport is altijd
vereist. Personen met beginnende cardiomyopathie kunnen met goede
medicatie jaren gevrijwaard blijven van klachten. Bij goedkeuring (bij
NYHA klasse 2 alleen voor rijbewijzen van groep 1; bij NYHA klasse 3
en 4 altijd ongeschikt) is de maximale geschiktheids-termijn vijf jaar
voor groep 1 en drie jaar voor groep 2.
6.5. Klepafwijkingen (verworven of
aangeboren, al dan niet een klepprothese).
De maximale geschiktheidstermijn voor
beide groepen rijbewijzen is tien jaar. Bij personen met klachten is
altijd een specialistisch rapport vereist.
Bij lichte tot matige klachten (NYHA
klasse 2) is de maximale geschiktheids-termijn voor groep 1 vijf jaar;
deze personen zijn in beginsel ongeschikt voor rijbewijzen van groep
2.
Personen met ernstige klachten (NYHA
klasse 3 en 4) zijn ongeschikt voor elk rijbewijs.
6.6. Aangeboren gebreken van hart en
grote vaten
Het gaat hierbij om gebreken als
septumdefecten, open Ductus Botalli, transpositie van de grote vaten
en coarctatio aortae. Personen bij wie het defect in de jeugd
operatief is gecorrigeerd kunnen op latere leeftijd (andere)
cardiovasculaire complicaties krijgen zoals hypertensie,
cardiomyopathie of ritmestoornissen. Zij dienen uiteraard beoordeeld
te worden op hun actuele klachten, niet op de eerdere conditie.
Afzonderlijke vermelding verdienen, de mate en vorm van ’shunting’
(zie hierna).
Links-rechts shunt
Personen zonder klachten zijn geschikt
voor beide groepen rijbewijzen zonder termijnbeperking.
Bij lichte klachten: geschikt voor
groep 1 voor beperkte duur tot maximaal tien jaar; voor groep 2 is een
specialistisch rapport vereist.
Rechts-links shunt (cyanose)
Voor alle categorieën is een
specialistisch rapport vereist. Bij goedkeuring geldt een beperkte
geschiktheidstermijn tot maximaal vijf jaar voor rijbewijzen van groep
1 en maximaal drie jaar voor rijbewijzen van groep 2.
6.7. Ritme- en geleidingsstoornissen
6.7.1. Ritmestoornissen
Als de keurling geen of slechts geringe
klachten heeft, is deze geschikt voor rijbewijzen van groep 1 voor een
termijn van maximaal tien jaar; voor groep 2 is een specialistisch
rapport vereist.
Ernstige klachten (zoals duizeligheid
of bewustzijnsstoornissen, of NYHA klasse 3 en 4) maken de keurling
ongeschikt voor elk rijbewijs.
6.7.2. Geleidingsstoornissen
Het gaat hierbij om aandoeningen als
sick-sinussyndroom, bifasciculair bundeltakblok, of een tweede- of
derdegraads AV-blok. In deze gevallen is steeds een specialistisch
rapport vereist; de maximale geschiktheidstermijn bedraagt tien jaar.
Personen met ernstige klachten zijn ongeschikt voor elk rijbewijs.
6.7.3. Pacemaker
Beperking van de geschiktheidstermijn
tot maximaal tien jaar. Voor rijbewijzen van groep 2 is een
specialistisch rapport vereist.
6.7.4. Implanteerbare
cardioverter-defibrillator (ICD)
Voor de beoordeling van de geschiktheid
van personen met een implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD)
is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een cardioloog
met kennis en ervaring op dit gebied.
Aan beroepsmatig gebruik van een
rijbewijs van groep 1 door personen met een ICD moeten strenge eisen
worden gesteld. Personen met een ICD die voldoen aan de hieronder
gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder
geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in beginsel alleen geschikt
worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot
privé-gebruik.
Op speciaal verzoek kan – in
individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de
beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen
deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig
vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen
besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn
een keuring door een specialist en een verklaring van de werkgever
volgens een door het CBR vastgesteld model.
a. groep 1: Personen met een ICD
zijn ongeschikt gedurende een observatieperiode van twee maanden
na implantatie. Blijkt aan het eind van deze periode dat het
apparaat geen elektroshocks heeft afgegeven, dan wel dat zich
tijdens stimulatie door de ICD geen ernstige hemodynamische
problemen hebben voorgedaan, dan kunnen deze personen geschikt
worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. De maximale
geschiktheidstermijn is vijf jaar.
Wanneer een ICD in of na bedoelde
observatieperiode één of meer elektroshocks heeft afgegeven,
geldt ongeschiktheid. Blijkt uit specialistisch onderzoek dat deze
elektroshocks terecht zijn afgegeven, dan is de betrokkene
ongeschikt gedurende minimaal twee maanden na de laatste shock. In
geval van misplaatste shocks zijn personen met een ICD ongeschikt,
totdat de kans op dergelijke shocks voldoende is gereduceerd door
het opnieuw afstellen van de ICD. Het laatste moet blijken uit een
observatieperiode van minimaal twee maanden na herafstelling van
de ICD.
b. groep 2: Personen met een ICD
zijn in alle gevallen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.
6.8. Perifere vaatziekten
6.8.1. Veneuze aandoeningen
Personen met een ernstige vorm van diep
veneuze trombose zijn in het algemeen ongeschikt voor elk rijbewijs;
in ieder geval is een specialistisch rapport vereist. Bij alle andere
aandoeningen in deze rubriek geldt geschiktheid voor beide groepen
rijbewijzen, tenzij er sprake is van bijzondere complicaties (ter
beoordeling van een specialist).
6.8.2. Arteriële aandoeningen
Het betreft hier aandoeningen als
aneurysma aortae, uitgebreide arteriosclerose, ziekte van Raynaud, de
ziekte van Buerger en scleroderma. Voor de geschiktheidsbeoordeling
kan volstaan worden met de aantekening van de keurend arts. Personen
die - al dan niet na behandeling - geen of geringe klachten hebben
kunnen worden goedgekeurd voor rijbewijzen van groep 1 met een
maximale termijn van tien jaar, en voor rijbewijzen van groep 2 met
een termijn van vijf tot tien jaar.
6.9. Onbegrepen, mogelijk circulatoir
veroorzaakte syncope
Personen met dergelijke klachten zijn
ongeschikt voor alle rijbewijzen zo lang de diagnose onzeker is en er
geen effectieve behandeling is ingesteld (of anderszins de klachten
verdwijnen). Voor groep 1 geldt een klachtenvrije periode van een
jaar, voor groep 2 van vijf jaar. Zie ook paragrafen 7.3 en 8.5.
Hoofdstuk 7. Neurologische aandoeningen
7.1. Inleiding
In dit hoofdstuk worden de eisen aan de
geschiktheid voor het onderwerp ’neurologie’ geformuleerd,
waaronder die voor epilepsie.
7.2. Epileptische aanvallen en
epilepsie
Voor de beoordeling van de geschiktheid
van personen met epileptische aanvallen (in de voorgeschiedenis) is
een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog. Voor
arterioveneuze malformaties, intracerebrale bloedingen,
herseninfarcten en hersentumoren met risico op epileptische aanvallen
gelden tevens de normen uit paragraaf 7.5 en 7.6.
Rijbewijsbezitters die epilepsie
krijgen zijn ongeschikt voor een onbeperkt rijbewijs.
Aan beroepsmatig gebruik van een
rijbewijs van groep 1 door personen met epileptische aanvallen moeten
strenge eisen worden gesteld. Personen met epileptische aanvallen die
voldoen aan de hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens
voldoen aan de hieronder geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in
beginsel alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt
beperkt tot privé-gebruik.
Op speciaal verzoek kan -in individuele
gevallen- een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot
privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen deze personen
geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig vervoer, niet
zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen besturen van
derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn een keuring
door een neuroloog en een verklaring van de werkgever volgens een door
het CBR vastgesteld model.
Voor de normen in paragraaf 7.2 gelden
de volgende uitgangspunten:
– Epilepsie: van epilepsie is
sprake als een persoon in een periode van minder dan vijf jaar
twee of meer niet-geprovoceerde epileptische aanvallen heeft
gehad.
– Geprovoceerde epileptische
aanval (of een acuut symptomatische aanval): een epileptische
aanval die zich voordoet binnen 14 dagen na schedel-hersenletsel,
een koortsende ziekte, een metabole ontregeling, dan wel een
andere identificeerbare causale en vermijdbare factor zoals
slaapdeprivatie.
– Sporadische epileptische
aanval: een epileptische aanval waarbij zich in de
voorgeschiedenis één of meerdere epileptische aanvallen hebben
voorgedaan met een interval tussen deze en de voorlaatste aanval
van meer dan twee jaar.
Meerdere aanvallen binnen 24 uur worden
beschouwd als een eenmalige aanval.
7.2.1. Eerste epileptische aanval
a. groep 1: Personen met een eerste
epileptische aanval zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot
zes maanden na de aanval.
Uitzonderingen:
– een eerste niet-geprovoceerde
epileptische aanval zonder‘epileptiforme afwijkingen’ op het
standaard EEG (gemaakt na de aanval) en zonder voor epilepsie
relevante afwijkingen op de MRI-scan van de hersenen: ongeschikt
tot drie maanden na de aanval;
– een eerste geprovoceerde
epileptische aanval: in ieder geval ongeschikt tot drie maanden
na de aanval, mede afhankelijk van de oorzaak van de aanval;
– een eerste epileptische
aanval bij een progressief neurologische aandoening: individueel
door de neuroloog te beoordelen, maar ongeschikt tot tenminste
zes maanden na de aanval.
Na afloop van de aanvalsvrije periode
kunnen deze personen op basis van een specialistisch rapport,
opgesteld door een neuroloog, geschikt worden geacht voor een
termijn van één jaar. Bij blijvende aanvalsvrijheid is de maximale
geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar, dan vijf jaar en dan
onbeperkt.
Rijbewijsbezitters die bij een eerste
beoordeling door het CBR al drie jaar of langer aanvalsvrij zijn
mogen direct geschikt worden verklaard voor een termijn van drie
jaar, zij die vijf jaar of langer aanvalsvrij zijn voor een termijn
van vijf jaar.
b. groep 2: Personen met een eerste,
al dan niet geprovoceerde, epileptische aanval zijn permanent
ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.
Een uitzondering kan – vanwege de
erkend gunstige prognose – worden gemaakt voor personen die twee
jaar lang aanvalsvrij zijn gebleven en gedurende die periode niet
zijn behandeld met anti-epileptische medicatie. Zij kunnen geschikt
worden verklaard als er geen voor epilepsie relevante afwijkingen op
de MRI-scan van de hersenen, op een recent standaard EEG en op een
recent EEG na partiële of gehele slaaponthouding zijn gevonden.
Na afloop van de aanvalsvrije periode
kunnen deze personen op basis van een specialistisch rapport,
opgesteld door een neuroloog, geschikt worden geacht voor een
termijn van één jaar. Bij blijvende aanvalsvrijheid is de maximale
geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar, dan telkens vijf jaar.
Rijbewijsbezitters die bij een eerste
beoordeling door het CBR al vijf jaar of langer aanvalsvrij zijn
mogen direct geschikt worden verklaard voor de maximale termijn van
vijf jaar.
7.2.2. Meer dan één epileptische
aanval in de voorgeschiedenis (epilepsie)
a. groep 1: Personen met meer dan
één epileptische aanval in de voorgeschiedenis zijn ongeschikt
voor rijbewijzen van groep 1 tot een jaar na de laatste aanval.
Uitzonderingen:
– een sporadische epileptische
aanval: ongeschikt gedurende zes maanden na de sporadische
aanval;
– epileptische aanvallen bij
een progressief neurologische aandoening: individueel door de
neuroloog te beoordelen, maar ongeschikt tot ten minste een jaar
na de laatste aanval;
– slaapaanvallen: als is
gebleken dat gedurende een jaar na de eerste aanval tijdens de
slaap uitsluitend aanvallen in de slaap zijn opgetreden bestaat
er geschiktheid;
– myoclonieën en eenvoudig
partiële aanvallen: als is gebleken dat gedurende drie maanden
na de eerste myoclonie of eenvoudig partiële aanval alleen
myoclonieën of eenvoudige partiële aanvallen zijn opgetreden
die geen invloed hebben op de geschiktheid tot het besturen van
motorrijtuigen, bestaat er geschiktheid.
Personen die aan bovenstaande
voorwaarden voldoen kunnen op basis van een specialistisch rapport,
opgesteld door een neuroloog, geschikt worden geacht voor een
termijn van één jaar. Bij gelijkblijvende situatie is de maximale
geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar, dan vijf jaar en dan
onbeperkt.
Rijbewijsbezitters die bij een eerste
beoordeling door het CBR al drie jaar of langer aanvalsvrij zijn,
mogen direct geschikt worden verklaard voor een termijn van drie
jaar, zij die vijf jaar of langer aanvalsvrij zijn voor een termijn
van vijf jaar.
b. groep 2: Personen met meer dan
één epileptische aanval in de voorgeschiedenis zijn permanent
ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.
Een uitzondering kan – vanwege de
erkend gunstige prognose – worden gemaakt voor personen die vijf
jaar lang aanvalsvrij zijn gebleven en gedurende die periode niet
zijn behandeld met anti-epileptische medicatie. Zij kunnen geschikt
worden verklaard als er geen voor epilepsie relevante afwijkingen op
de MRI-scan van de hersenen, op een recent standaard EEG en op een
recent EEG na partiële of gehele slaaponthouding zijn gevonden.
Na afloop van de aanvalsvrije periode
kunnen zij op basis van een specialistisch rapport, opgesteld door
een neuroloog, geschikt worden geacht voor een termijn van één
jaar. Bij blijvende aanvalsvrijheid is de maximale
geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar, dan telkens vijf jaar.
Rijbewijsbezitters die bij een eerste
beoordeling door het CBR al vijf jaar of langer aanvalsvrij zijn,
mogen direct geschikt worden verklaard voor de maximale termijn van
vijf jaar.
7.2.3. Wijziging of afbouw van
anti-epileptische medicatie
Bij wijziging of afbouw van de
anti-epileptische medicatie in overleg met of op advies van de
behandelaar geldt het volgende:
– bij afbouwen van de
anti-epileptische medicatie na een aanvalsvrije periode van minder
dan twee jaar, bestaat er ongeschiktheid voor rijbewijzen van
groep 1 gedurende de periode van afbouwen en drie maanden na het
stoppen;
– bij afbouwen van de
anti-epileptische medicatie na een aanvalsvrije periode van twee
jaar of langer bestaat er geen ongeschiktheid voor rijbewijzen van
groep 1, ook niet tijdens de afbouw;
– als zich tijdens wijziging of
afbouw van de anti-epileptische medicatie een epileptische aanval
voordoet bestaat er een ongeschiktheid voor de rijbewijzen van
groep 1 van slechts drie maanden, mits de medicatie meteen is
aangepast, anders gelden de reguliere aanvalsvrije perioden van
paragraaf 7.2.1 en 7.2.2.
7.3. Bewustzijnsstoornissen (anders dan
epilepsie)
Personen met bewustzijnsstoornissen
zijn, met uitzondering van de bewustzijnsstoornissen genoemd in
paragrafen 7.3.1 en 7.3.2, voor alle rijbewijzen ongeschikt (zie ook
paragrafen 6.9 en 8.5). Bij bewustzijnsstoornissen in de niet recente
voorgeschiedenis en wanneer tevens uit de aantekening van de keurend
arts blijkt dat nader specialistisch onderzoek niets heeft uitgewezen,
is geen specialistisch onderzoek nodig. In alle andere gevallen is
voor de geschiktheidsbeoordeling een specialistisch rapport vereist.
De betrokkene kan geschikt worden
verklaard voor rijbewijzen van groep 1 als deze minstens één jaar
vrij is van de bedoelde stoornissen. De geschiktheidstermijn is dan
vijf tot tien jaar, afhankelijk van de ernst van het beeld. Deze
personen zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2, behalve wanneer
de bewustzijnsstoornissen de laatste vijf jaar zijn uitgebleven; in
dat geval geldt een geschiktheidstermijn van vijf jaar.
7.3.1. Obstructief slaapapnoesyndroom
7.3.1.1. Rijbewijzen van groep 1
Personen met obstructief
slaapapnoesyndroom (OSAS) kunnen geschikt worden verklaard als op
basis van een specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste
twee opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Onder
adequate behandeling wordt in dit verband verstaan: een
Apneu-Hypopneu-Index (AHI) van kleiner dan 15 per uur, beoordeeld door
een specialist met ervaring op het gebied van slaapgerelateerde
stoornissen. Voor personen met hypertensie geldt tevens paragraaf 5.3.
Als de specialist ondanks de adequate
behandeling blijft twijfelen aan de rijgeschiktheid kan het CBR voor
een juiste oordeelsvorming zonodig de deskundige op het gebied van de
praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR)
inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor
een uitvoerig protocol.
De geschiktheidtermijn is de eerste
keer een jaar. Indien uit een specialistisch rapport vervolgens een
blijvende adequate behandeling blijkt, is de maximale
geschiktheidtermijn drie jaar.
7.3.1.2. Rijbewijzen van groep 2
Personen met obstructief
slaapapnoesyndroom (OSAS) kunnen geschikt worden verklaard als op
basis van een specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste
drie opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Onder
adequate behandeling wordt in dit verband verstaan: een
Apneu-Hypopneu-Index (AHI) van kleiner dan 15 per uur, beoordeeld door
een specialist met ervaring op het gebied van slaapgerelateerde
stoornissen. Voor personen met hypertensie geldt tevens paragraaf 5.3.
Als de specialist ondanks de adequate
behandeling blijft twijfelen aan de rijgeschiktheid kan het CBR voor
een juiste oordeelsvorming zonodig de deskundige op het gebied van de
praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR)
inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor
een uitvoerig protocol.
De geschiktheidtermijn is maximaal een
jaar.
7.3.2. Narcolepsie en idiopatische
hypersomnolentie
7.3.2.1. Rijbewijzen van groep 1
Personen met narcolepsie of
idiopathische hypersomnolentie kunnen geschikt worden verklaard als op
basis van een specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste
twee opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Criteria
voor een adequate behandeling van narcolepsie en idiopatische
hypersomnolentie zijn minimaal: een Epworth Sleeping Scale (ESS) score
van kleiner dan 11 en een Maintenance of Wakefulness Test (MWT) met
een gemiddelde latentie van meer dan acht minuten, beoordeeld door een
specialist met ervaring op het gebied van slaapgerelateerde
stoornissen.
Als de specialist ondanks de adequate
behandeling blijft twijfelen aan de rijgeschiktheid kan het CBR voor
een juiste oordeelsvorming zonodig de deskundige op het gebied van de
praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR)
inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor
een uitvoerig protocol.
De geschiktheidtermijn is de eerste
keer een jaar. Indien uit een specialistisch rapport vervolgens een
blijvende adequate behandeling blijkt, geldt een geschiktheidtermijn
van drie jaar, daarna vijf jaar en daarna onbeperkt.
7.3.2.2. Rijbewijzen van groep 2
Personen met narcolepsie zijn permanent
ongeschikt.
Personen met idiopatische
hypersomnolentie kunnen geschikt worden verklaard als op basis van een
specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste twee
opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Criteria voor
een adequate behandeling van idiopathische hypersomnolentie zijn
minimaal: een Epworth Sleeping Scale (ESS) score van kleiner dan 11 en
een Maintenance of Wakefulness Test (MWT) met een gemiddelde latentie
van meer dan acht minuten, beoordeeld door een specialist met ervaring
op het gebied van slaapgerelateerde stoornissen.
Als de specialist ondanks de adequate
behandeling blijft twijfelen aan de rijgeschiktheid kan het CBR voor
een juiste oordeelsvorming zonodig de deskundige op het gebied van de
praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR)
inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor
een uitvoerig protocol.
De geschiktheidtermijn is de eerste
keer een jaar. Indien uit een specialistisch rapport vervolgens een
blijvende adequate behandeling blijkt, geldt een geschiktheidtermijn
van drie jaar en daarna telkens vijf jaar.
7.4. Progressieve ziektebeelden
Het betreft hier progressieve
aandoeningen van het centraal zenuwstelsel (zoals amyotrofische
lateraal sclerose, de ziekte van Parkinson, ziekte van Huntington,
multiple sclerose, cervicale myelopathie), het perifere zenuwstelsel
(zoals heriditaire neuropathiën) en de skeletspieren (zoals
spierdystrofieën).
7.4.1. Multiple sclerose
Voor de beoordeling van de geschiktheid
van personen met multiple sclerose is een specialistisch rapport
vereist, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts. Bij
cognitieve stoornissen geldt tevens paragraaf 8.6.
Aan beroepsmatig gebruik van een
rijbewijs van groep 1 door personen met multiple sclerose moeten
strenge eisen worden gesteld. Personen met multiple sclerose die
voldoen aan de hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens
voldoen aan de hieronder geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in
beginsel alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt
beperkt tot privé-gebruik.
Op speciaal verzoek kan – in
individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de
beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen
deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig
vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen
besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn
een keuring door een specialist en een verklaring van de werkgever
volgens een door het CBR vastgesteld model.
a. groep 1: Tijdens een exacerbatie
(Schub) zijn personen met multiple sclerose ongeschikt voor
rijbewijzen van groep 1.
Personen die tussen de exacerbaties
geen met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen
interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis hebben,
kunnen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 voor
een termijn van maximaal vijf jaar.
Bij een vermoeden van een
dergelijke functiestoornis is voor de beoordeling van de
geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied
van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de
rijtest een uitvoerig protocol. Bij een positieve rijtest bestaat
er geschiktheid voor een termijn van maximaal drie jaar.
b. groep 2: Tijdens een exacerbatie
(Schub) zijn personen met multiple sclerose ongeschikt voor
rijbewijzen van groep 2. Personen die tussen de exacerbaties geen
met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen
interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen
hebben, kunnen geschikt worden verklaard voor een rijbewijs van
groep 2 voor een termijn van maximaal drie jaar. Personen die
tussen de exacerbaties wel een met de geschiktheid tot het
besturen van motorrijtuigen interfererende functiestoornis hebben
zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.
7.4.2. Progressieve ziektebeelden,
anders dan multiple sclerose
Voor de beoordeling van de geschiktheid
van personen met progressieve neurologische ziektebeelden, anders dan
multiple sclerose is een specialistisch rapport vereist. Bij cervicale
myelopathie kan volstaan worden met de aantekening van de keurend
arts. Bij cognitieve stoornissen geldt tevens paragraaf 8.6.
Aan beroepsmatig gebruik van een
rijbewijs van groep 1 door personen met progressieve ziektebeelden,
anders dan multiple sclerose moeten strenge eisen worden gesteld.
Personen met progressieve ziektebeelden, anders dan multiple sclerose
die voldoen aan de hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet
tevens voldoen aan de hieronder geformuleerde eisen voor groep 2,
kunnen in beginsel alleen geschikt worden verklaard als de
rijbevoegdheid wordt beperkt tot privé-gebruik.
Op speciaal verzoek kan – in
individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de
beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen
deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig
vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen
besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn
een keuring door een specialist en een verklaring van de werkgever
volgens een door het CBR vastgesteld model.
a. groep 1: Bij een vermoeden van
een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen
interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, is
voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met
een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van
het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. De
maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.
b. groep 2: Deze personen zijn niet
geschikt voor rijbewijzen van groep 2. Slechts bij afwezigheid van
met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen
interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen,
kunnen zij geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal
drie jaar.
7.5. Intracraniële tumoren
Voor de beoordeling van de geschiktheid
van personen met een (status na) intracraniële tumor is een
specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog.
Bij de beoordeling van de geschiktheid
zijn mede van belang de kans op, dan wel het bestaan van epileptische
aanvallen en de eventuele aanwezigheid van met de geschiktheid tot het
besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke en geestelijke
functiestoornissen (zie voor de normen hoofdstuk 3, paragraaf 7.2,
7.7, en 8.6).
Aan beroepsmatig gebruik van een
rijbewijs van groep 1 door personen met een behandelde of onbehandelde
intracraniële tumor moeten strenge eisen worden gesteld. Personen met
een behandelde of onbehandelde intracraniële tumor die voldoen aan de
hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens voldoen aan de
hieronder geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in beginsel alleen
geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot
privé-gebruik.
Op speciaal verzoek kan– in
individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de
beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen
deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig
vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen
besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn
een keuring door een neuroloog en een verklaring van de werkgever
volgens een door het CBR vastgesteld model.
7.5.1. Hersentumoren in strikte zin
Het betreft hier vooral tumoren van het
steunweefsel van de hersenen, de gliomen (astrocytomen,
oligodendrogliomen, ependymomen, oligo-astrocytomen, glioblastomen).
a. groep 1: Deze eisen gelden zowel
voor behandelde als onbehandelde hersentumoren in strikte zin.
Als een stabiel klinisch beeld is
ontstaan en bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het
besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of
geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt
worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van
maximaal drie jaar.
Bij een vermoeden van een
dergelijke functiestoornis, is voor de beoordeling van de
geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied
van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de
rijtest een uitvoerig protocol.
Bij een positieve rijtest bestaat
er geschiktheid voor een termijn van één jaar, voor personen met
een curatief behandelde hersentumor drie jaar.
b. groep 2: Personen met een
hersentumor in strikte zin zijn ongeschikt voor rijbewijzen van
groep 2.
Een uitzondering hierop vormt de
situatie waarin sprake is van een tumor die met succes volledig
curatief is behandeld. Bij afwezigheid van met de geschiktheid tot
het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of
geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt
worden geacht voor een maximale termijn van drie jaar.
7.5.2. Buiten de hersenen gelegen
intracraniële tumoren
a. groep 1: Deze eisen gelden zowel
voor behandelde als onbehandelde buiten de hersenen gelegen
intracraniële tumoren.
Bij afwezigheid van met de
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende
lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen
geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn
van maximaal vijf jaar.
Bij een vermoeden van een dergelijke
functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een
rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische
geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een
uitvoerig protocol.
Bij een positieve rijtest bestaat er
geschiktheid voor een termijn van maximaal vijf jaar.
b. groep 2: Personen met een buiten
de hersenen gelegen intracraniële tumor zijn ongeschikt voor
rijbewijzen van groep 2.
Een uitzondering hierop vormt de
situatie waarin sprake is van een goedaardige tumor die vanwege
goede prognose geen therapie behoeft of van een tumor die met succes
curatief is behandeld. Bij afwezigheid van met de geschiktheid tot
het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of
geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden
geacht voor een maximale termijn van drie jaar.
7.6. Doorbloedingsstoornissen van de
hersenen
Met doorbloedingsstoornissen van de
hersenen worden aandoeningen bedoeld als beroerte (intracerebrale
hersenbloeding en herseninfarct), TIA (transient ischemic attack),
subarachnoïdale bloedingen, misvormingen van hersenarterieën (zoals
een aneurysma of een AVM) en vaatmisvormingen van de hersenvaten van
zuiver veneuze aard (zoals caverneuze hemangiomen en congenitale
veneuze deformaties).
Bij de beoordeling van de geschiktheid
zijn mede van belang de kans op, dan wel het bestaan van epileptische
aanvallen en de eventuele aanwezigheid van met de rijgeschiktheid
interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen (zie
voor de normen hoofdstuk 3, paragraaf 7.2, 7.7, en 8.6).
Aan beroepsmatig gebruik van een
rijbewijs van groep 1 door personen met een doorbloedingsstoornis van
de hersenen moeten strenge eisen worden gesteld. Personen met een
doorbloedingsstoornis van de hersenen die voldoen aan de hieronder
gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder
geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in beginsel alleen geschikt
worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot
privé-gebruik.
Op speciaal verzoek kan – in
individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de
beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen
deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig
vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen
besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn
een keuring door een specialist en een verklaring van de werkgever
volgens een door het CBR vastgesteld model.
7.6.1. Aneurysmata en andere
misvormingen van de hersenarteriën
7.6.1.1. Toevallig ontdekte aneurysmata
en andere misvormingen van de hersenarteriën met kans op het optreden
van bloedingen.
a. groep 1: Personen met een
toevallig ontdekt aneurysma of andere vaatmisvorming van de
hersenarteriën die niet heeft gebloed en niet is behandeld, kunnen
geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 zonder
termijnbeperking.
b. groep 2: Personen met een
aneurysma of een andere misvorming van de hersenarteriën die niet
is behandeld om de kans op een recidiefbloeding te verkleinen, zijn
niet geschikt voor rijbewijzen van groep 2.
Een uitzondering geldt voor toevallig
ontdekte, onbehandelde aneurysmata die kleiner zijn dan 10 mm. Een
specialistisch rapport door een neuroloog is vereist en de maximale
geschiktheidstermijn is drie jaar.
7.6.1.2. Aneurysmata en andere
misvormingen van de hersenarteriën die zijn ontdekt na een bloeding
Voor de beoordeling is een
specialistisch rapport door een neuroloog vereist.
a. groep 1: Personen met een
bloeding uit een aneurysma of een andere arteriële vaatmisvorming
zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot zes maanden na
het ontstaan van de bloeding.
Bij afwezigheid van een met de
rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke
functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden geacht
voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking.
Bij een vermoeden op een dergelijke
functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een
rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische
geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een
uitvoerig protocol.
Bij een positieve rijtest bestaat
er geschiktheid voor een termijn van drie jaar.
b. groep 2: Personen met een
bloeding uit een aneurysma of een andere arteriële vaatmisvorming
zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 tot zes maanden na de
behandeling om de kans op een recidiefbloeding te verkleinen. Bij
afwezigheid van met de rijgeschiktheid interfererende geestelijke
of lichamelijke functiestoornissen kunnen personen geschikt worden
geacht voor een termijn van maximaal drie jaar.
Bestaat er een dergelijke
functiestoornis dan zijn deze personen ongeschikt voor rijbewijzen
van groep 2 totdat zij volgens het specialistisch rapport minimaal
vijf jaar vrij zijn van dergelijke functiestoornissen. De maximale
geschiktheidstermijn is dan drie jaar.
7.6.2. Misvormingen van de hersenvaten
van zuiver veneuze aard
Het betreft hier een scala aan
aandoeningen, waaronder andere cerebrale caverneuze hemangiomen en
congenitale veneuze malformaties.
Voor de beoordeling is een
specialistisch rapport door een neuroloog vereist.
7.6.2.1. Toevallig ontdekte zuiver
veneuze misvormingen van de hersenvaten zonder klinische
verschijnselen
Wanneer deze aandoeningen toevallig
gevonden worden, laten ze toch al vaak tekenen van een bloeding zien,
zonder dat zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan.
Deze personen zijn geschikt voor
rijbewijzen van groep 1 en 2 als uit het specialistisch rapport blijkt
dat het risico van een (recidief) bloeding gering wordt geacht.
De geschiktheidstermijn is gezien het
dynamisch karakter van de aandoening maximaal drie jaar.
7.6.2.2. Zuiver veneuze misvormingen
van de hersenvaten met klinische verschijnselen die niet zijn
behandeld
a. groep 1: Personen met misvormingen
van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben en
waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan, zijn
ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot zes maanden na het begin
van het optreden van de klinische verschijnselen.
Deze personen kunnen na zes maanden
weer geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 als uit het
specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief
bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid
interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is. De
geschiktheidstermijn is gezien het dynamisch karakter van de
aandoening maximaal drie jaar.
Bij een vermoeden op een dergelijke
functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een
rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische
geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een
uitvoerig protocol.
Bij een positieve rijtest bestaat er
geschiktheid voor een termijn van maximaal drie jaar.
b. groep 2: Personen met misvormingen
van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben en
waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan, zijn
ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 tot zes maanden na het begin
van het optreden van de klinische verschijnselen.
Deze personen kunnen na zes maanden
weer geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 2 als uit het
specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief
bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid
interfererende geestelijke of lichamelijke functiestoornis is. De
maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.
Bestaat er een dergelijke
functiestoornis dan zijn deze personen ongeschikt voor rijbewijzen
van groep 2 totdat zij volgens het specialistisch rapport minimaal
vijf jaar vrij zijn van dergelijke functiestoornissen. De maximale
geschiktheidstermijn is dan drie jaar.
7.6.2.3. Zuiver veneuze misvormingen
van de hersenvaten met klinische verschijnselen die zijn behandeld
a. groep 1: Personen met misvormingen
van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben,
waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan en die zijn
behandeld, zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot zes
maanden na de behandeling. Deze personen kunnen na zes maanden weer
geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 als uit het
specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief
bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid
interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is. De
geschiktheidstermijn is gezien het dynamisch karakter van de
aandoening maximaal drie jaar.
Bij een vermoeden op een dergelijke
functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een
rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische
geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een
uitvoerig protocol.
Bij een positieve rijtest bestaat er
geschiktheid voor een termijn van maximaal drie jaar.
b. groep 2: Personen met misvormingen
van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben,
waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan en die zijn
behandeld, zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 tot zes
maanden na de behandeling. Deze personen kunnen na zes maanden weer
geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 2 als uit het
specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief
bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid
interfererende geestelijke of lichamelijke functiestoornis is. De
maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.
Bestaat er een dergelijke
functiestoornis dan zijn deze personen ongeschikt voor rijbewijzen
van groep 2 totdat zij volgens het specialistisch rapport minimaal
vijf jaar vrij zijn van dergelijke functiestoornissen. De maximale
geschiktheidstermijn is dan drie jaar.
7.6.3. TIA en beroerte
a. groep 1: Personen met TIA of een
beroerte, die niet het gevolg is van een misvorming van de
hersenvaten, zijn gedurende twee weken na het ontstaan van de
uitvalsverschijnselen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1.
Bestaat er na twee weken geen met de
rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke
functiestoornis, kunnen zij op basis van het specialistisch rapport
van een neuroloog of een revalidatiearts arts geschikt worden geacht
voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking, mits zij
adequaat worden behandeld met de geëigende therapie.
Bestaat er na twee weken een met de
rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke
functiestoornis, dan blijven deze personen ongeschikt voor
rijbewijzen van groep 1 tot drie maanden na het ontstaan van de
uitvalsverschijnselen. Na die termijn is een specialistisch rapport,
opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts, vereist.
Voor de beoordeling van de
geschiktheid is tevens een rijtest met een deskundige op het gebied
van de praktische rijgeschiktheid van het CBR vereist. Het CBR heeft
voor de rijtest een uitvoerig protocol.
Bij een positieve rijtest is de
maximale geschiktheidstermijn vijf jaar.
b. groep 2: Personen met TIA of een
beroerte, die niet het gevolg is van een misvorming van de
hersenvaten, zijn vier weken na het ontstaan van de
uitvalsverschijnselen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.
Na die termijn is een specialistisch
rapport, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts,
vereist. Zij kunnen weer geschikt worden verklaard als uit het
specialistisch rapport blijkt dat er geen met de rijgeschiktheid
interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen zijn.
De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.
7.6.4. Subarachoïdale bloeding (SAB)
Voor de beoordeling is een
specialistisch rapport door een neuroloog vereist.
Voor de eisen aan de geschiktheid bij
een SAB ten gevolge van een geruptureerd aneurysma (ca. 85% van de
gevallen) zie paragraaf 7.6.1.2.
Personen die een niet-aneurysmatische,
veneuze SAB (perimesencephale bloeding, ca. 10% van de gevallen)
hebben gehad en restloos zijn hersteld, zijn geschikt voor groep 1 en
2 zonder termijnbeperking.
Bij een vermoeden op een met de
rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke
functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest
met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid het
CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Bij
een positieve rijtest is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar
7.7. Stationaire beelden
Het gaat hierbij om resttoestanden na
traumatisch hersenletsel, dwarslesies, traumatisch zenuwletsel,
jeugdig verkregen spasticiteit, restverschijnselen van polio en
dergelijke.
a. groep 1: Voor rijbewijzen van
groep 1 is geen specialistisch onderzoek nodig, indien de
aantekening van de keurend arts of de revalidatiearts voldoende
informatie bevat om de geschiktheid te kunnen beoordelen. Is dit
niet het geval dan is een specialistisch rapport vereist,
opgesteld door een neuroloog (en eventueel een neuropsycholoog).
Bij afwezigheid van met de
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende
lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze
personen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1
zonder termijnbeperking.
Bij een vermoeden van een met de
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende
lichamelijke en geestelijke functiestoornis, is voor de
beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een
deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het
CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.
Bij een positieve rijtest bestaat
er geschiktheid voor een termijn van maximaal tien jaar. Bij
twijfel over de geschiktheid in de nabije toekomst maximaal vijf
jaar.
b. groep 2: Deze personen zijn
ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2. Slechts bij afwezigheid
van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen
interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen,
kunnen zij geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal
vijf jaar. Voor de beoordeling van de geschiktheid is een
specialistisch rapport vereist.
Hoofdstuk 8. Psychiatrische stoornissen
8.1. Algemeen
De in dit hoofdstuk beschreven eisen
hebben voornamelijk betrekking op deze situatie: een voorgeschiedenis
van psychiatrische problematiek. Bij de beoordeling van die
voorgeschiedenis is van belang: het ziektebeloop (de betrokkene zal
bij voorkeur minstens een tot twee jaar vrij moeten zijn van
recidieven, afhankelijk van de ernst van de aandoening), de (on)voorspelbaarheid
van uitingen van de aandoening, het ziekte-inzicht en de therapietrouw
van de betrokkene. Als de aandoening een reversibele organische
stoornis tot grondslag had (heeft), dan kan de keurling na herstel in
de regel goedgekeurd worden. Is of was een reversibele organische
stoornis niet in het geding, dan doet zich de vraag voor of er
restverschijnselen zijn, of dat er kans is op een recidief dat de
verkeersveiligheid in gevaar kan brengen. Beantwoording van die vraag
vergt een specialistisch rapport.
8.2. Psychosen
8.2.1. Schizofrenie en andere
psychotische stoornissen
Psychotische episoden maken de
betrokkene ongeschikt voor elk rijbewijs. Als er sprake is van een
geslaagde behandeling (twee jaar recidiefvrij, een zekere mate van
ziekte-inzicht) en de defecttoestand hooguit licht van aard is, hoeft
er geen reden te zijn om de keurling zonder meer ongeschikt te
verklaren voor het rijbewijs. Wel is dan steeds een specialistisch
rapport vereist. Bij een gunstig rapport bedraagt de maximale
geschiktheidstermijn vijf jaar; deze personen zullen alleen geschikt
zijn voor rijbewijzen van groep 1.
Personen die voor de behandeling van
hun aandoening een hoge dosering neuroleptica nodig hebben, zijn
ongeschikt voor het rijbewijs.
8.2.2. Waanstoornissen
Mensen met ernstige waanstoornissen
zijn ongeschikt voor alle rijbewijzen. Bij lichtere stoornissen -
indien er geen aanwijzingen zijn voor onberekenbaar of agressief
gedrag en er bij behandeling geen hoge dosering psychofarmaca nodig is
- kunnen personen geschikt zijn voor het rijbewijs; zij zullen alleen
geschikt zijn voor rijbewijzen van groep 1.
8.3. Stemmingsstoornissen
Personen met een unipolaire of
bipolaire stoornis, die therapeutisch goed zijn ingesteld (regelmatige
controle, recidiefvrije periode van minstens één jaar) en een
redelijk ziekte-inzicht hebben, hoeven in beginsel niet ongeschikt te
zijn. Wel is een specialistisch rapport vereist.
Mensen met regelmatig terugkerende
manische episoden zijn in het algemeen ongeschikt voor het rijbewijs.
Hetzelfde geldt voor mensen met een geregeld optredende depressie IEZ.
Ook mensen die voor hun aandoening hoge doses sederende psychofarmaca
nodig hebben, zijn ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde
verkeer.
8.4. Angststoornissen
Fobische reacties kunnen in bepaalde
gevallen, afhankelijk van de aard van de fobie, een duidelijke
belemmering vormen voor het besturen van een motorrijtuig, maar geven
in de regel geen reden voor ongeschiktheidsverklaring. Echter, mensen
die regelmatig therapieresistente paniekaanvallen vertonen, zijn in
het algemeen ongeschikt voor het rijbewijs; voor de beoordeling is een
specialistisch rapport vereist.
Personen die ter bestrijding van een
angststoornis hoge doses psychofarmaca (benzodiazepinen) gebruiken,
zijn ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer.
8.5. Dissociatieve stoornissen
De meeste personen met deze stoornissen
zullen een nauwelijks verminderde geschiktheid vertonen. Wel zijn
mensen die bij herhaling last hebben van een ’psychogene fugue’ of
een ernstige trance in het verkeer dan wel een redelijke kans hebben
op het doormaken daarvan, ongeschikt voor het rijbewijs.
Voor het algemene beleid bij
bewustzijnsstoornissen, zie ook paragraaf 7.3.
8.6. Cognitieve stoornissen
8.6.1. Dementie
A. Groep 1: Bij een vermoeden van
dementie is een specialistisch rapport (opgesteld door bijvoorbeeld
een neuroloog, psychiater of geriater) vereist. Het rapport moet het
CBR informatie verschaffen over de ernst van de dementie. Voor het
indelen van de ernst van de dementie wordt daarbij gebruik gemaakt
van de internationaal aanvaardeClinical Dementia Rating(CDR).
Personen met een zeer lichte (CDR
0,5) of lichte vorm (CDR 1) van dementie kunnen geschikt worden
verklaard voor een rijbewijs van groep 1, met een beperking van de
rijbevoegdheid tot privé gebruik. Personen met een matige (CDR 2)
of ernstige (CDR 3) vorm van dementie zijn altijd ongeschikt.
Voor de bepaling van de geschiktheid
van personen met zeer lichte of lichte dementie dient een rijtest
met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van
de desbetreffende afdeling van het CBR plaats te vinden. Het CBR
heeft hiervoor een uitvoerig protocol.
De geschiktheidstermijn is één
jaar.
In uitzonderingsgevallen kunnen
personen met een zeer lichte vorm van dementie (CDR 0,5) geschikt
worden verklaard voor een termijn van maximaal drie jaar. Voorwaarde
is dat de positieve rijtest wordt aangevuld met een positief
neuropsychologisch onderzoek.
B. Groep 2: Personen bij wie de
diagnose dementie is gesteld zijn ongeschikt voor rijbewijzen van
groep 2.
8.6.2. Overige cognitieve stoornissen,
anders dan dementie
Personen bij wie het cognitief
functioneren gestoord is geraakt (zoals een gestoord oordeel- en
kritiekvermogen, gestoorde oriëntatie, geheugenstoornissen) zijn
meestal ongeschikt voor groep 1 en altijd ongeschikt voor groep 2
rijbewijzen.
Eventuele tijdelijke geschiktheid voor
groep 1 – zulks ter beoordeling door middel van een specialistisch
onderzoek – hangt af van de mate van progressie van de ziekte en de
ernst van de verschijnselen, maar is hooguit vijf jaar. Voor de
bepaling van de geschiktheid dient een rijtest met een deskundige op
het gebied van de praktische geschiktheid van de desbetreffende
afdeling van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een
uitvoerig protocol.
Organische aandoeningen die gepaard
gaan met regelmatig terugkerende episoden van verwardheid en
desoriëntatie maken de betrokkene ongeschikt voor het rijbewijs,
tenzij deze verschijnselen alleen optreden bij intercurrente
lichamelijke ziekten. Wat dit laatste betreft is in gunstige gevallen,
na herstel van de bijkomende ziekte, goedkeuring mogelijk zo nodig met
een beperkte geschiktheidstermijn. Bij reversibele oorzaken van
psycho-organische stoornissen kan de betrokkene psychisch herstellen
en weer geschikt worden verklaard.
8.7. Persoonlijkheidsstoornissen
Personen die op grond van stoornissen
in hun persoonlijkheid grote aanpassingsmoeilijkheden hebben met
betrekking tot de eisen van de maatschappij, zullen in de regel ook in
het verkeer onaangepaste gedragingen vertonen, waardoor zij ongeschikt
kunnen zijn voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Mensen met
ernstige persoonlijkheidsstoornissen (zoals bijvoorbeeld antisociale
persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en
paranoïde persoonlijkheidsstoornis) zijn ongeschikt voor elk
rijbewijs, wanneer zij duidelijk blijk hebben gegeven (bijvoorbeeld in
de vorm van grove verkeersovertredingen of -delicten) van:
- gebrek aan sociale
verantwoordelijkheid of gebrekkig geweten;
-
miskenning
van de risico’s van rijden onder invloed van alcohol of andere
gedragsbeïnvloedende middelen (zie ook paragraaf 8.8).
- Voor elke beslissing op dit
gebied is een specialistisch rapport geboden.
8.8. Misbruik van psychoactieve
middelen (zoals alcohol en drugs)
Voor de beoordeling of sprake is van
misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport
vereist.
Personen die misbruik maken van
dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.
Indien zij aannemelijk of aantoonbaar
zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een
jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring -
op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden
geacht.
Een strenge opstelling van de keurend
arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze
middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.
8.9. Verstandelijke handicap
Als zwakbegaafden in staat zijn het
praktische en theoretische rijexamen met succes af te leggen, kunnen
zij geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en bij
uitzondering voor één van de categorieën van groep 2.
8.10. ADHD (inclusief subtypen)
Het onderzoek naar de geschiktheid moet
plaatsvinden door een specialist met kennis en ervaring op het gebied
van ADHD bij volwassenen aan de hand van een checklist met
risicofactoren (het CBR is in bezit van een dergelijke checklist).
8.10.1. Rijbewijzen van groep 1
Geschiktverklaring voor de rijbewijzen
van groep 1 voor een beperkte termijn is mogelijk indien voldaan wordt
aan de volgende voorwaarden:
– indien sprake is van
risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen of
persoonlijkheidstoornissen, dan dient te zijn gebleken dat deze
voldoende onder controle zijn en als daarbij rijgevaarlijke
medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende
paragrafen van hoofdstuk 10;
– er mag geen sprake zijn van
misbruik van psychoactieve middelen (zie paragraaf 8.8);
– er moet sprake zijn van
ziekte-inzicht en therapietrouw;
– er mag geen sprake zijn van
rijgevaarlijke bijwerkingen van de medicatie.
Als het CBR voor een juiste
oordeelsvorming een rijtest nodig acht, kan het een deskundige op het
gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling
van het CBR) inschakelen. Dit is in ieder geval aan de orde bij de
eerste aanvraag van een rijbewijs. Het CBR heeft hiervoor een
uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn is maximaal drie jaar.
8.10.2. Rijbewijzen van groep 2
Geschiktverklaring voor de rijbewijzen
van groep 2 voor een beperkte termijn is mogelijk indien voldaan wordt
aan de volgende voorwaarden:
– er is geen sprake van
risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen,
misbruik van psychoactieve middelen of
persoonlijkheidsstoornissen;
– er moet sprake zijn van
ziekte-inzicht en therapietrouw;
– er mag geen sprake zijn van
rijgevaarlijke bijwerkingen van de medicatie.
Als het CBR voor een juiste
oordeelsvorming een rijtest nodig acht, kan het een deskundige op het
gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling
van het CBR) inschakelen. Dit is in ieder geval aan de orde bij de
eerste aanvraag van een rijbewijs. Het CBR heeft hiervoor een
uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn is maximaal één jaar.
8.11. Autismespectrumstoornissen (ASS)
Voor de beoordeling van de geschiktheid
is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een psychiater
met kennis en ervaring op het gebied van ASS bij volwassenen. Het
onderzoek vindt plaats aan de hand van een checklist met
risicofactoren (het CBR is in bezit van een dergelijke lijst).
Bij comorbiditeit, zowel psychiatrisch
(angst- en dwangstoornissen, aandachtstoornissen, hyperactiviteit,
depressieve stoornissen, psychotische stoornissen) als somatisch
(epilepsie, genetische afwijkingen) dient deze voldoende onder
controle te zijn en gelden tevens de betreffende paragrafen uit
hoofdstuk 7 en 8. Als voor de behandeling rijgevaarlijke
geneesmiddelen worden gebruikt, geleden tevens de desbetreffende
paragrafen van hoofdstuk 10.
Indien het CBR voor een juiste
oordeelsvorming een rijtest nodig acht, kan het een deskundige op het
gebied van de praktische geschiktheid van het CBR inschakelen. Dit is
in ieder geval aan de orde bij de eerste aanvraag van een rijbewijs.
Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.
De geschiktheidstermijn is maximaal
drie jaar, zowel voor rijbewijzen van groep 1 als van groep 2.
Hoofdstuk 9. Lichamelijke handicaps
De geschiktheid van personen met een
lichamelijke handicap wordt in eerste instantie beoordeeld door het
CBR op basis van de aantekening van de keurende arts op de eigen
verklaring en de eventueel reeds beschikbare overige gegevens
(bijvoorbeeld een rapport van de revalidatiearts).
In de tweede plaats kan het CBR een
beoordeling vragen door een deskundige op het gebied van de praktische
geschiktheid van het CBR. Deze deskundige adviseert het CBR - veelal
na uitvoering van een technisch onderzoek of een rijtest - over de
mogelijkheden van de aanvrager van het rijbewijs om, zo nodig met
aanpassingen aan het voertuig, een motorrijtuig te besturen.
Bij twijfel over de geschiktheid van de
betrokkene in de nabije toekomst dient een beperkte
geschiktheidstermijn voor de desbetreffende rijbewijscategorie te
worden gehanteerd. Het CBR kan dan tijdig de geschiktheid opnieuw
bezien.
Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen
10.1. Inleiding
Voor de beoordeling van de geschiktheid
is het ook van belang in hoeverre de aanvrager gebruik maakt van
geneesmiddelen die de rijvaardigheid negatief kunnen beïnvloeden. Uit
verschillende onderzoeken komt naar voren dat bepaalde geneesmiddelen
een ongewenste nadelige invloed hebben op de rijvaardigheid. Dit geldt
vooral voor geneesmiddelen die een dempende of stimulerende werking
hebben op het centrale zenuwstelsel, maar ook voor geneesmiddelen die
als bijwerking duizeligheid, plotselinge slaapaanvallen of wazig zien,
hebben.
Wanneer in dit hoofdstuk sprake is van
geneesmiddelen met geen of weinig negatieve invloed (categorie I),
licht tot matig negatieve invloed (categorie II) of een ernstige of
potentieel gevaarlijke invloed (categorie III) op de rijvaardigheid,
dan wordt daarmee verwezen naar de internationaal aanvaarde indeling (ICADTS-classificatie)
van rijgevaarlijke geneesmiddelen in de categorieën I tot en met III.
|
Categorie |
Omschrijving
effect |
Vergelijkbaar
bloedalcoholgehalte |
|
I |
geen of weinig negatieve invloed |
< 0,5 promille |
|
II |
licht tot matig negatieve invloed |
0,5–0,8 promille |
|
III |
ernstige of potentieel
gevaarlijke invloed |
> 0,8 promille |
Geneesmiddelen dienen te worden
beoordeeld aan de hand van de aandoening waarvoor zij worden
voorgeschreven. Eenzelfde middel kan bijvoorbeeld voor de behandeling
van een depressie in een andere categorie vallen dan voor
neuropathische pijn. Onder andere door een lagere dosering.
Bij de beoordeling van de geschiktheid
is tevens van belang of er meerdere geneesmiddelen met een negatieve
invloed op de rijvaardigheid worden gebruikt. Tenslotte is het zo dat
de aandoening waarvoor het middel wordt voorgeschreven vaak een meer
wezenlijk probleem voor de geschiktheid vormt dan het middel zelf. Bij
de beoordeling van de geschiktheid zal de betreffende paragraaf over
de aandoening daarom moeten worden meegenomen.
10.2. Geneesmiddelen bij psychotische
stoornissen
Personen die antipsychotica gebruiken
met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de
rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt. Personen die – in
een therapeutische dosis – antipsychotica gebruiken die geen tot
matige negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en
II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II
geldt dat er enkele dagen na de start van de behandeling
ongeschiktheid is.
10.3. Geneesmiddelen bij
stemmingstoornissen
Personen die antidepressiva gebruiken
met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de
rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt tenzij de
antidepressiva ten minste gedurende een periode van 36 maanden zonder
onderbreking in gelijkblijvende dosering zijn gebruikt en de persoon
een rijtest in de vorm van een specialistisch universitair onderzoek
in een rijsimulator positief heeft doorstaan. Het CBR heeft daarvoor
een protocol. De maximale geschiktheidstermijn bedraagt vijf jaar.
Personen die– in een therapeutische
dosis – antidepressiva gebruiken die geen tot matig negatieve
invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en II), kunnen
geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II geldt dat er
een week na de start van de behandeling ongeschiktheid is.
Personen die lithiumzouten gebruiken,
met een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid
(categorie II), kunnen geschikt worden verklaard. Na de start van de
behandeling is er een week ongeschiktheid.
10.4. Psychostimulantia
Hieronder vallen de groep amfetamines (o.a.
dexamfetamine, amfetamine en methylfenidaat) en de groep overige
psychostimulantia (modafinil).
Gebruik van deze geneesmiddelen maakt
iemand ongeschikt. Een uitzondering is mogelijk voor zover
psychostimulantia in therapeutische dosering gebruikt worden voor de
behandeling van ADHD bij volwassenen, narcolepsie of pathologische
hypersomnolentie. Wanneer er geen rijgevaarlijke bijwerkingen zijn,
bestaat er in die gevallen geschiktheid.
10.5. Hypnotica, sedativa, anxiolytica
Personen die behandeld worden met
barbituraten zijn ongeschikt.
Personen die benzodiazepinen gebruiken
met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de
rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt. Personen die – in
een therapeutische dosis – benzodiazepinen gebruiken die geen tot
matig negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en
II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II
geldt dat er bij chronisch gebruik een week na de start van de
behandeling ongeschiktheid is.
10.6. Antidiabetica
Hoewel deze geneesmiddelen
hypoglykemieën kunnen veroorzaken, die kunnen leiden tot acute
ongeschiktheid, hebben zij een gunstig effect op het onderliggende
ziektebeeld.
10.7. Anti-epileptica
De aandoening waarbij deze
geneesmiddelen worden toegepast (epilepsie) vormt meestal een meer
wezenlijk probleem voor de geschiktheid dan de effecten van het
geneesmiddel zelf.
Personen die behandeld worden met
anti-epileptica die een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op
de rijvaardigheid hebben (categorie III), zijn ongeschikt totdat de
anti-epileptica ten minste gedurende een periode van één jaar zijn
gebruikt.
10.8. Anticoagulantia
Personen die worden behandeld met deze
geneesmiddelen kunnen geschikt worden verklaard.
10.9. Antihistaminica
Bij de beoordeling moet onderscheid
gemaakt worden tussen antihistaminica van de eerste generatie
(klassieke, sederende antihistaminica), en antihistaminica van de
tweede generatie (niet-sederende antihistaminica).
Sederende antihistaminica hebben een
matig negatieve tot ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de
rijvaardigheid (categorie II en III). Personen die behandeld worden
met antihistaminica met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed
(categorie III) zijn ongeschikt.
De tweede generatie antihistaminica
hebben geen tot weinig negatieve invloed op de rijvaardigheid
(categorie I). Personen die met deze geneesmiddelen worden behandeld,
zijn geschikt, mits er geen rijgevaarlijke bijwerkingen optreden.
10.10. Antihypertensiva
Antihypertensiva hebben in een
therapeutische dosis geen negatieve invloed op de rijvaardigheid.
Centraal aangrijpende antihypertensiva, zoals methyldopa en clonidine,
kunnen sedatie geven en de rijvaardigheid negatief beïnvloeden.
10.11. Corticosteroïden
Behandeling met corticosteroïden,
bijvoorbeeld bij personen met astma, vormt geen reden voor
ongeschiktheid.
10.12. Maag-darmmiddelen
Zowel behandeling met geneesmiddelen
die de peristaltiek bevorderen, of de tonus normaliseren als
behandeling met geneesmiddelen die de peristaltiek remmen, vormen geen
reden tot ongeschiktheid. Dit geldt ook voor het gebruik van
geneesmiddelen ter behandeling bij maagzweren.
10.13. Analgetica
Gebruik van paracetamol en NSAID’s
vormt in het algemeen geen reden tot ongeschiktheid. Een langdurige
behandeling met stabiele doses van opioïden heeft geen negatieve
invloed op de rijvaardigheid. Personen die behandeling ondergaan met
opioïden zijn ongeschikt gedurende de eerste twee weken van de
behandeling. Uitzondering geldt voor codeïne in een dosis tot en met
20 mg per dag, mits er geen (rijgevaarlijke) bijwerkingen optreden.
Een aantal antidepressiva en anti-epileptica die voor neuropathische
pijn worden voorgeschreven, zijn in de therapeutische dosis geen
probleem voor de geschiktheid.
10.14. Geneesmiddelen tegen migraine en
clusterhoofdpijn
Het hoofdpijnmiddel pizotifeen heeft
een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie
II). Na start van de behandeling is er enkele dagen ongeschiktheid.
10.15. Parasympaticolytica,
parasympaticomimetica, sympaticolytica, sympaticomimetica
Op zichzelf vormen deze geneesmiddelen
meestal geen reden tot ongeschiktheid.
10.16. Parkinsonmiddelen
Parkinsonmiddelen (dopamine-agonisten
of parasympaticolytica) hebben geen tot een matig negatieve invloed op
de rijvaardigheid (categorie I of II).
Personen die behandeld worden met
dopamine-agonisten zijn ongeschikt nadat een slaapaanval is
opgetreden. Als na bijstelling van de therapie de slaapaanvallen
wegblijven, kunnen zij weer geschikt worden verklaard.
10.17. Cytostatica/oncolytica
Zolang bij gebruik van oncolytica
rijgevaarlijke bijwerkingen zoals slaperigheid, sedatie of vertigo
optreden is er ongeschiktheid.
10.18. Vertigomiddelen
Vertigomiddelen (cinnarizine,
flunarizine, piracetam) hebben een licht tot matig negatieve invloed
op de rijvaardigheid (categorie II). Na start van de behandeling is er
enkele dagen ongeschiktheid.
10.19. Misbruik van geneesmiddelen
Personen waar sprake is van misbruik
van geneesmiddelen, zoals benzodiazepinen, amfetamines en opioïden,
zijn ongeschikt (zie ook paragraaf 8.8).