| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
REGELING
EISEN GOEDKEURING KENTEKENPLATEN 2000
Tekst zoals deze geldt op
9 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 36, achtste lid, en 40,
derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 5 van het
Kentekenreglement;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
a. kentekenplaat: een plaat die het kenteken toont van een
voertuig;
b. retroreflecterende kentekenplaat: een kentekenplaat waarvan de
achtergrond van retroreflecterend materiaal is voorzien;
c. monster: een gelakte kentekenplaat dan wel een
retroreflecterende kentekenplaat die voor beoordeling of beproeving
wordt overgelegd,
1°. een gelakte kentekenplaat dan wel een retroreflecterende
kentekenplaat die voor beoordeling of beproeving wordt overgelegd,
2°. een halffabrikaat dat voor beoordeling of beproeving wordt
overgelegd;
d. proefstuk: uitsnijding van het monster;
e. halffabrikaat: voorbewerkt materiaal dat voor de vervaardiging
van kentekenplaten wordt gebezigd en dat van het waarmerk is voorzien,
en wel:
1°. gelakte aluminium plaat van de voorgeschreven afmetingen,
2°. retroreflecterend materiaal, voorzien van een
zelfhechtende lijmlaag aan de achterzijde, of
3°. aluminium plaat van de voorgeschreven afmetingen, voorzien
van retroreflecterend materiaal als bedoeld onder 2°;
f. goedgekeurd type: een type kentekenplaat of halffabrikaat dat
geheel voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen en voor welk
type erkenning voor het aanbrengen van het rijkskeurmerk, het keurmerk
dan wel het waarmerk is verleend.
Hoofdstuk 2. Algemene eisen voor kentekenplaten
Artikel 2. Materiaal
1. Het materiaal van de plaat dient een aluminium legering te zijn.
2. Het materiaal moet voldoen aan onderstaande kenmerken:
a. materiaaldikte 1 mm
b. treksterkte (): 138N/mm2
c. rekgrens ( 0,2): 69N/mm2
d. rek (meetlengte 50 mm/dikte 1 mm): 12%
e. Brinell hardheid: 35
f. Cu < 0,20%.
3. In afwijking van het tweede lid mag - voor het vervaardigen van
kentekenplaten voorzien van kunststof tekens - materiaal met
onderstaande eigenschappen worden gebezigd:
a. materiaaldikte: 1 mm
b. rekgrens ( 0,2): 90N/mm2
c. rek (meetlengte 50 mm/dikte 1 mm): 5%
d. Cu < 0,20%.
4. De retroreflectiewaarden van gelakte platen en retroreflecterend
materiaal moeten voldoen aan Bijlage 1, onderscheidenlijk Bijlage 1A.
5. Het materiaal van de kunststof tekens dient te behoren tot een
door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde soort, bestand te zijn tegen
zonlicht, kunstlicht, water, zouten, benzine, olie, hoge en lage
temperaturen en tevens kleurbestendig te zijn.
Artikel 3. Kleur
1. De trichromatische componenten van de kleuren moeten zijn
gelegen binnen het voor elk der kleuren afzonderlijk aangegeven
kleurenvlak.
2. Het kleurenvlak wordt gevormd uit de voor elk der kleuren
vastgestelde vier hoekpunten, aangegeven door de trichromatische
componenten x en y, een en ander overeenkomstig bijlage 2.
3. De waarde van de luminantiefactor van de kleur moet voldoen aan
de voor die kleur vastgestelde waarde van de luminantiefactor ß
(bijlage 3).
Artikel 4. Laklaag
1. De dikte van elk der laklagen dient ten minste 20µm te
bedragen.
2. De dikte van de `kleurlaag' van het retroreflecterende materiaal
dient buiten beschouwing te worden gelaten.
3. De gerichte reflectie van de laklagen mag niet meer bedragen dan
25.
Artikel 5. Wijze van meten
1. De bepaling van de kleur, luminantiefactor, gerichte reflectie
en retroreflectie geschiedt overeenkomstig de door de International
Commission on Illumination vastgestelde methode.
2. De gerichte reflectie van laklagen, ten behoeve van de bepaling
van de matheid, wordt vastgesteld bij een meetvlak van 60/60, een en
ander overeenkomstig de Internationale Standaard ISO 2813, 1974-03-01.
3. Voor de hiernavolgende begrippen geldt de door de International
Commission on Illumination vastgestelde `International Lighting
Vocabulary', 3rd Edition nr. 17 (E. 11) 1970: candela, invalshoek,
kleur, kleurenvlak, lichtbron (primaire), lichtsoorten (standaard -
van de CIE), lumen, luminantiefactor, lux, meetvlak, reflectie,
gerichte reflectie, retroreflectie, reflectiemeter,
reflectometerwaarde, trichromatische componenten, trichromatisch
stelsel (van de CIE 1931), waarnemingshoek.
Hoofdstuk 3. Bijzondere eisen voor kentekenplaten volgens de modellen
1.1, 2.1, 3.1, 4.1, 5.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1 en 10.1 van de bijlage
behorende bij de Regeling kentekens en kentekenplaten
Artikel 6. Samenstellen van het kenteken
Bij de vervaardiging van de kentekenplaat zijn de hiernavolgende
toleranties in de maatvoering toegestaan:
a. op de afmetingen van elk der tekens: 0,5 mm;
b. op de totale lengte van het kenteken:
1o. bij de modellen 1.1, 3.1 en 5.1: 2 mm;
2o. bij de modellen 2.1, 4.1, 6.1, 7.1, 9.1 en 10.1: 1 mm bij
één groep tekens en 1,5 mm bij twee groepen tekens;
c. op de totale hoogte van het kenteken: bij de modellen 2.1,
4.1, 6.1, 7.1, 9.1 en 10.1: 1 mm.
Artikel 7. Aanbrengen van het kenteken in of op de kentekenplaat
1. Het kenteken dient:
a. door persing in de plaat te zijn aangebracht, of
b. door middel van losse tekens op de plaat te zijn
aangebracht; deze tekens dienen deugdelijk aan de plaat te zijn
bevestigd,
een en ander overeenkomstig bijlage 4.
2. De tekens van het kenteken dienen zodanig in de plaat te zijn
aangebracht dat deze tekens zich aan de voorzijde van de kentekenplaat
bevinden.
3. Het kenteken dient symmetrisch ten opzichte van het midden van
de kentekenplaat te zijn aangebracht.
Artikel 8. Monsters
1. Van elke soort gelakte kentekenplaat waarvoor door de fabrikant
daarvan goedkeuring en erkenning voor het aanbrengen van het keurmerk
op kentekenplaten wordt aangevraagd, dienen twee respectievelijk twee
x twee monsters (1 x model 500 x 105 - 1 x model 275 x 195
respectievelijk 1 x model 500 x 105 - 1 x model 275 x 195 - 1 x model
350 x 80 - 1 x model 200 x 145) voor onderzoek te worden overgelegd.
2. De in het eerste lid bedoelde monsters worden voor het uitvoeren
van de in artikel 9 bedoelde proeven gebezigd.
Artikel 9. Proeven ten aanzien van de hechting van de laklaag
1. In de laklaag van de kentekenplaat worden, op een onderlinge
afstand van 1 mm, insnijdingen aangebracht zoals bepaald in de
paragrafen 3.1a of 3.1.b en 5.1 tot en met 5.3 van de Duitse norm DIN
53151 van december 1970. Na het aanbrengen van deze insnijdingen wordt
over het ingesneden gedeelte kleefband aangebracht zodanig dat het
gehele oppervlak zich daaraan hecht. Vervolgens wordt het kleefband
daarvan afgerukt. Het ingesneden gedeelte mag daarna geen enkele
beschadiging vertonen. Het kleefband moet voldoen aan de eisen gesteld
voor type I, class A in de Federal Specification L-T-90C van 17 maart
1959, met amendement-1 van 13 januari 1961 en int.-amendement-2 van 3
november 1965. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het
monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens
de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
2. In de kentekenplaat wordt vanaf de achterzijde een kogel tot op
een diepte van 4 mm gedrukt, een en ander zoals bepaald in de
paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en 6.2.2 van de Internationale
Standaard ISO 1520 van 15 december 1973. Na de proef mag het beproefde
gedeelte van de laklaag geen barstvorming of loslaten van de
ondergrond vertonen. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van
het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
3. 3. De kentekenplaat wordt in een tijdsbestek van 1-2 seconden
over een hoek van 180o gebogen om een cilindrische doorn met een
diameter van 50 mm. De laklaag dient zich daarbij aan de buitenzijde
te bevinden. Na de proef dient het beproefde gedeelte van de laklaag
te worden onderzocht met behulp van een loep ‘10 x’, waarbij de
laklaag geen barstvorming of loslaten van de ondergrond mag vertonen.
De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te
worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
Artikel 10. Keurmerk
1. Het keurmerk op de kentekenplaat moet zichtbaar aan de voorzijde
daarvan zijn ingeslagen.
2. Het keurmerk op de kentekenplaat dient te zijn aangebracht
hetzij boven de tweede streep, hetzij boven de streep van het
kenteken, hetzij, indien geen streep in het kenteken aanwezig is,
midden tussen de groepen van tekens.
Hoofdstuk 4. Bijzondere eisen voor kentekenplaten volgens de modellen
11.1, 12.1, 13.1, 14.1, 15.1, 16.1, 17.1, 18.1, 18.2A tot en met 18.2C,
27.1A tot en met 27.2F, 27.10A tot en met 27.31C en 30.1A tot en met
30.16 van de bijlage behorende bij de Regeling kentekens en
kentekenplaten
Artikel 11
Bij de vervaardiging van de kentekenplaat zijn de volgende
toleranties in de maatvoering toegestaan:
a. op de afmetingen van elk der tekens: 0,5 mm;
b. op de totale lengte van het kenteken:
1°. bij kentekenplaten volgens de modellen 11.1, 13.1, 15.1,
18,2A tot en met 18.2C, 27.1A tot en met 27.1E, 27.11, 27.14,
27.15A tot en met 27.15C, 27.18, 27.21, 27.24A tot en met
27.24C, 27.27 en 27.30A tot en met 27.30C: 3 mm;
2°. bij kentekenplaten volgens de modellen 12.1, 14.1, 16.1,
17.1 en 18.1: 1 mm bij één groep tekens en 1,5 mm bij twee
groepen tekens;
3°. bij kentekenplaten volgens de modellen 27.2A tot en met
27.2F, 27.10A tot en met 27.10C, 27.12, 27.13, 27.16A tot en met
27.16C, 27.17A tot en met 27.17C, 27.19, 27.20, 27.22, 27.23,
27.25A tot en met 27.25C, 27.26A tot en met 27.26C, 27.28,
27.29, 27.31A tot en met 27.31C, 30.1A tot en met 30.4D, 30.5,
30.6, 30.7, 30.8, 30.9, 30.10, 30.11, 30.12, 30.13, 30.14, 30.15
en 30.16: 1,5 mm bij één groep tekens en 2 mm bij twee groepen
tekens;
c. op de totale hoogte van het kenteken: bij kentekenplaten
volgens de modellen 12.1, 14.1, 16.1, 17.1, 18.1, 27.2A tot en met
27.2F, 27.12, 27.16A tot en met 27.16C, 27.19, 27.22, 27.25A tot en
met 27.25C, 27.28 en 27.31A tot en met 27.31C: 2 mm en 27.10A tot en
met 27.10C, 27.13, 27.17A tot en met 27.17C, 27.20, 27.23, 27.26A
tot en met 27.26C, 27.29, 30.1A, tot en met 30.16: 1 mm.
Artikel 12. Aanbrengen van het kenteken, duplicaatcode, lamineercode
en maandnummer in de kentekenplaat, datering en afrondingsstraal
kentekenplaat
1. Het kenteken dient door persing en reliëf in de plaat te worden
aangebracht en in voorkomend geval van kunststof tekens te worden
voorzien.
2. De tekens van het kenteken, duplicaatcode en maandnummer dienen
zodanig in de plaat te zijn geperst dat zij zich op de voorzijde van
de kentekenplaat bevinden.
3. De hoogte van de persing van de tekens, de duplicaatcode, het
maandnummer en het kader dient ten minste 0,75 mm en ten hoogste 3 mm
te bedragen.
4. Indien het kenteken bovendien wordt voorzien van kunststof
tekens, dient:
a. de hoogte van de persing ten minste 0,2 mm te bedragen,
b. de stokbreedte van de geperste tekens ten minste 6 mm te
bedragen,
c. het aanbrengen van de gaten ten behoeve van de bevestiging
van de kunststof tekens in de plaat tegelijk met het persen van de
tekens te geschieden,
d. de totale hoogte van het samengestelde teken ten hoogste 5
mm te bedragen,
e. de hellingshoek van de zijvlakken van de kunststof tekens
met het grondvlak niet minder dan 70o te bedragen,
f. de afrondingsstraal van de hoekpunten van de kunststof
tekens niet meer dan 1,5 mm te bedragen,
g. het kunststof teken te zijn voorzien van bevestigingspennen
zoals aangegeven in bijlage 6 of bijlage 7,
h. de diameter van de bevestigingspennen ten minste 3,5 mm en
ten hoogste 5 mm te bedragen,
i. de bevestiging van de kunststof tekens door middel van
koudvervormen van de bevestigingspennen aan de achterzijde van de
plaat te geschieden, en wel zodanig dat bij ieder bevestigingspunt
teruggeklonken of geperst dient te worden waardoor de randen van
alle bevestigingspennen kwalitatief goed worden omgewelsd,
j. de kentekenplaat op zodanige wijze te zijn vervaardigd dat -
indien één of meerdere tekens ontbreken dan wel een gedeelte van
een teken ontbreekt - het kenteken duidelijk leesbaar blijft in de
voor het desbetreffende type kentekenplaat voorgeschreven kleur.
5. Het kenteken dient symmetrisch ten opzichte van het midden van
de kentekenplaat te zijn aangebracht. De maximum tolerantie ten
opzichte van de symmetrielijn bedraagt 3 mm. Bij de modellen 27.1A tot
en met 27.10C dient de ruimte van het blauwe Europese vignet daarbij
buiten beschouwing te worden gelaten. Bij de modellen 30.2A tot en met
30.2D, 30.4A tot en met 30.4D, 30.6, 30.8, 30.10, 30.12, 30.14 en
30.16 wordt het kenteken rechts ten opzichte van het midden geplaatst.
6. De hoekpunten van de kentekenplaat dienen te zijn afgerond. De
straal van de afronding moet zijn gelegen tussen 5 en 15 mm.
7. Kentekenplaten volgens de modellen 27.15A tot en met 27.17C,
30.7 en 30.8 moeten zijn voorzien van een maandnummer. Het maandnummer
wordt in 20 mm hoge tekens aangegeven. Het maandnummer bestaat uit
twee cijfers en dient 90 graden linksom gedraaid en verticaal te zijn
aangebracht aan de linker voorzijde van de kentekenplaat.
8. Kentekenplaten volgens de modellen:
a. 27.1A tot en met 27.2B, 27.2D tot en met 27.2F, 27.10A,
27.10B, en 27.30A tot en met 27.31B moeten met ingang van 1
februari 2003, indien het desbetreffende kentekenbewijs is
voorzien van een duplicaatcode, zijn voorzien van dezelfde
duplicaatcode, met uitzondering van kentekenplaten die zijn
afgegeven na 21 september 2008, die moeten zijn voorzien van een
door de Dienst Wegverkeer opgegeven duplicaatcode. Kentekenplaten
die vóór 1 februari 2003 zijn afgegeven mogen zijn voorzien van
bedoelde duplicaatcode. De duplicaatcode wordt in 23 mm
(tolerantie 1 mm) hoge tekens aangegeven. De duplicaatcode bestaat
uit één cijfer en dient te zijn aangebracht hetzij boven de
eerste streep voor de duplicaten 1 tot en met 9, hetzij onder de
eerste streep voor de duplicaten 10 tot en met 19 hetzij, indien
geen eerste streep in het kenteken voorkomt, linksboven
respectievelijk rechtsboven op de kentekenplaat;
b. 27.2C, 27.10C, 27.16C, 27.17C, en 27.31C moeten met ingang
van 1 februari 2003, indien het desbetreffende kentekenbewijs is
voorzien van een duplicaatcode, zijn voorzien van dezelfde
duplicaatcode, met uitzondering van kentekenplaten die zijn
afgegeven na 21 september 2008, die moeten zijn voorzien van een
door de Dienst Wegverkeer opgegeven duplicaatcode. Kentekenplaten
die vóór 1 februari 2003 zijn afgegeven mogen zijn voorzien van
bedoelde duplicaatcode. De duplicaatcode wordt in 23 mm
(tolerantie 1 mm) hoge tekens aangegeven. De duplicaatcode bestaat
uit één cijfer en dient te zijn aangebracht linksboven
respectievelijk rechtsboven op de kentekenplaat;
c. 30.1A tot en met 30.4D moeten, indien het desbetreffende
kentekenbewijs is voorzien van een duplicaatcode, zijn voorzien
van dezelfde duplicaatcode, met uitzondering van kentekenplaten
die zijn afgegeven na 21 september 2008, die moeten zijn voorzien
van een door de Dienst Wegverkeer opgegeven duplicaatcode. De
duplicaatcode wordt in 23 mm (tolerantie 1 mm) hoge tekens
aangegeven. De duplicaatcode wordt in 20 mm (tolerantie 1 mm) hoge
tekens aangegeven. De duplicaatcode bestaat uit één cijfer voor
de duplicaten 1 tot en met 9, dan wel uit twee cijfers voor de
duplicaten 10 tot en met 19. De duplicaatcode dient bij de
modellen 30.1A tot en met 30.1D, 30.3A tot en met 30.3D en 30.13
te zijn aangebracht midden tussen de tekens aan de linker
voorzijde. De duplicaatcode dient bij de modellen 30.2A tot en met
30.2D, 30.4A tot en met 30.4D en 30.14 te zijn aangebracht naast
de tekens aan de linker bovenzijde.
9. Kentekenplaten volgens de modellen 27.1A tot en met 27.2F,
27.10A tot en met 27.13, 27.15A tot en met 27.17C, 27.24A tot en met
27.31C, 30.1A tot en met 30.8 en 30.13 tot en met 30.16 dienen te zijn
voorzien van een zwarte profielrand. Kentekenplaten volgens de
modellen 30.3A tot en met 30.4D dienen te zijn voorzien van een witte
profielrand.
10. Kentekenplaten volgens de modellen 18.2A tot en met 18.2C, met
uitzondering van platen met een donkerblauwe achtergrond, en volgens
de modellen 27.1A tot en met 27.2F, 27.10A tot en met 27.14, 27.30A
tot en met 27.31C en 30.1A tot en met 30.6 dienen aan de voorzijde te
zijn voorzien van een lamineercode. Deze code bestaat uit het
identificatienummer van de lamineerder (1e positie), de laatste twee
cijfers van het jaartal van vervaardiging van de retroreflecterende
plaat (2 posities) en een productievolgnummer (7 posities). Deze code
met een breedte van circa 40 mm wordt, in 3 tot 4 mm hoge cijfers in
zwart aangebracht volgens model E van de bijlage bij de Regeling
kentekens en kentekenplaten. Dit lid is niet van toepassing op
kentekenplaten volgens de modellen 27.11 tot en met 27.14 die zijn
afgegeven vóór 31 augustus 2002.
Artikel 13 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 14. Proeven gelakte kentekenplaten
1. Ten aanzien van de hechting van de laklaag worden de volgende
proeven genomen:
a. In de laklaag van het proefstuk I van de kentekenplaat
worden, op een onderlinge afstand van 1 mm, insnijdingen
aangebracht zoals bepaald in de paragrafen 3.1.a of 3.1.b en 5.1
tot en met 5.3 van de Duitse norm DIN 53151 van december 1970. Na
het aanbrengen van deze insnijdingen wordt over het ingesneden
gedeelte kleefband aangebracht zodanig dat het gehele oppervlak
zich daaraan hecht. Vervolgens wordt het kleefband daarvan
afgerukt. Het ingesneden gedeelte mag daarna geen enkele
beschadiging vertonen. Het kleefband moet voldoen aan de eisen
gesteld voor type I, class A in de Federal Specification L-T-90C
van 17 maart 1959, met amendement-1 van 13 januari 1961 en int.-amendement-2
van 3 november 1965. De proef dient binnen drie weken na ontvangst
van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer
23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
b. In het proefstuk II van de kentekenplaat wordt vanaf de
achterzijde een kogel tot op een diepte van 4 mm gedrukt, een en
ander zoals bepaald in de paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en
6.2.2 van de Internationale Standaard ISO 1520 van 15 december
1973. Na de proef mag het beproefde gedeelte van de laklaag geen
barstvorming of loslaten van de ondergrond vertonen. De proef
dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden
uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
c. Het proefstuk III van de kentekenplaat wordt in een
tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o gebogen om een
cilindrische doorn met een diameter van 50 mm. De laklaag dient
zich daarbij aan de buitenzijde te bevinden. Na de proef dient het
beproefde gedeelte van de laklaag te worden onderzocht met behulp
van een loep `10 x', waarbij de laklaag geen barstvorming of
loslaten van de ondergrond mag vertonen. De proef dient binnen
drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij
de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172
van november 1969.
2. Ten aanzien van de bestandheid tegen water wordt de volgende
proef genomen:
a. Het proefstuk IV van de kentekenplaat dient gedurende `n'
uur te worden beproefd zoals bepaald in paragraaf 6 van de
International Standaard ISO 1521 van 15 december 1973. Na de proef
mag van het beproefde gedeelte van de laklaag de dichtheid van de
blaren niet hoger zijn dan de schaal F en de grootte van de blaren
niet meer zijn dan de schaal 8 volgens de Amerikaanse Standaard
ASTM D714-56 (reapproved 1970) en mag de laklaag geen zichtbare
verkleuring vertonen.
`n' bedraagt:
1o. bij gemoffelde laklaag: 250;
2o. bij luchtgedroogde laklaag: 100.
3. Ten aanzien van de bestandheid tegen benzine wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk V van de kentekenplaat wordt gedurende 5 minuten
gedompeld in een reservoir met `wasbenzine'. Vijf minuten nadat het
proefstuk uit het reservoir is genomen wordt het beproefde gedeelte
van de laklaag met behulp van een loep `10 x' onderzocht, waarbij de
laklaag geen beschadigingen of zichtbare verkleuring mag vertonen. De
proef dient te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Neder-landse norm NEN 2172 van november 1969.
4. Ten aanzien van de bestandheid tegen hoge en lage temperaturen
wordt de volgende proef genomen:
De proefstukken VI, VII en VIII van de kentekenplaat worden
gedurende 6 achtereenvolgende uren gehouden in een droge atmosfeer van
60 °C ± 2 °C en onmiddellijk daarna 12 achtereenvolgende uren in
een atmosfeer van -20 °C ± 2 °C. De proefstukken worden daarna
gedurende 24 achtereenvolgende uren geconditioneerd in de standaard
atmosfeer van 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november
1969. Na de proef mag het beproefde gedeelte van de laklaag geen
zichtbare verkleuring vertonen en dienen de in het eerste lid bedoelde
proeven te worden herhaald.
5. Ten aanzien van het versneld verkleuren wordt de volgende proef
genomen:
Het proefstuk IX van de kentekenplaat dient te worden beproefd op
een wijze die overeenkomt met het terzake bepaalde in de
Internationale Standaard ISO R 105/V van 1 maart 1969, part. 2. Het
proefstuk en het standaard kleurmonster dienen daarbij zolang te
worden belicht tot de verkleuring van de kleurstandaard 7 (solubilised
vat blue 5) begint. Na de proef dient het beproefde gedeelte van het
proefstuk voor wat betreft kleur, luminantiefactor en gerichte
reflectie nog te voldoen aan het gestelde daaromtrent in de bijlagen 2
en 3 (na beproeving bij eerste onderzoek) en het bepaalde in artikel
4, derde lid.
6. Ten aanzien van de veroudering
bij buitenopstelling wordt de volgende proef genomen:
Een model van een kentekenplaat wordt opgesteld:
a. vrij en onbeschermd;
b. in de open lucht;
c. onder een hoek van 45o;
d. gericht naar het zuiden;
e. gedurende 12 maanden.
Na de proef dient de kentekenplaat voor wat betreft kleur,
luminantiefactor en gerichte reflectie te voldoen aan het gestelde
daaromtrent in de bijlagen 2 en 3 en artikel 4, derde lid, en
mogen de laklagen geen sporen vertonen van barstvorming,
afschilfering, putjes en bladders, alsmede geen verkrijting groter
dan beoordeling 2 volgens methode verfinstituut TNO (standaard
uitrusting voor het afpoederen).
Artikel 15. Proeven retroreflecterende kentekenplaten
1. Ten aanzien van de hechting van de laklaag worden de volgende
proeven genomen:
a. In de laklaag van de tekens van het proefstuk I van de
retroreflecterende kentekenplaat worden, op een onderling gelijke
afstand van 1 mm, insnijdingen aangebracht zoals bepaald in de
paragrafen 3.1.a of 3.1.b en 5.1 tot en met 5.3 van de Duitse norm
DIN 53151 van december 1970.
Na het aanbrengen van deze insnijdingen wordt over het
ingesneden gedeelte kleefband aangebracht zodanig dat het gehele
oppervlak zich daaraan hecht. Vervolgens wordt het kleefband
daarvan afgerukt. Het ingesneden gedeelte mag daarna geen enkele
beschadiging vertonen. Het kleefband moet voldoen aan de eisen
gesteld voor type I, class A in de Federal Specification L-T-90C
van 17 maart 1959, met amendement-1 van 13 januari 1961 en int.-amendement-2
van 3 november 1965. De proef dient binnen drie weken na ontvangst
van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer
23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
b. Het proefstuk II van de retroreflecterende kentekenplaat
wordt in een tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o
gebogen om een cilindrische doorn met een diameter van 50 mm. De
laklaag van de tekens dient zich daarbij aan de buitenzijde te
bevinden. Na de proef dient het beproefde gedeelte van de laklaag
te worden onderzocht met behulp van een loep `10 x', waarbij de
laklaag geen barstvorming of loslaten van de ondergrond mag
vertonen. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het
monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
2. Ten aanzien van de hechting van het retroreflecterende materiaal
op het aluminium materiaal worden de volgende proeven genomen:
a. Het retroreflecterende materiaal moet zodanig op de
aluminium plaat zijn aangebracht dat de kentekenplaat een
gelijkmatig retroreflecterend oppervlak vertoont.
b. De proefstukken III en IV dienen gedurende 2 x 24
achtereenvolgende uren te zijn geconditioneerd alvorens de
proeven, bedoeld onder c en d mogen worden uitgevoerd.
c. In het proefstuk III van de retroreflecterende kentekenplaat
wordt vanaf de achterzijde een kogel tot op een diepte van 4 mm
gedrukt zoals bepaald in de paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en
6.2.2 van de Internationale Standaard ISO 1520 van 15 december
1973. Na de proef wordt het beproefde gedeelte van het
retroreflecterende materiaal met behulp van een loep `10 x'
onderzocht, waarbij het retroreflecterende materiaal niet mag
hebben losgelaten van het aluminium materiaal. De proef dient te
worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
d. Het proefstuk IV van de retroreflecterende kentekenplaat
wordt in een tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o
gebogen om een cilindrische doorn met een diameter van 50 mm. De
laklaag van de tekens dient zich daarbij aan de buitenzijde te
bevinden. Na de proef dient het re-troreflecterende materiaal te
worden onderzocht met behulp van een loep `10 x', waarbij het
retroreflecterende materiaal geen beschadiging mag vertonen. De
proef dient te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
3. Ten aanzien van de bestandheid tegen water wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk V van de retroreflecterende kentekenplaat dient
gedurende 4 x 20 uur te worden beproefd zoals bepaald in paragraaf 6
van de Internationale Standaard ISO 1521 van 15 december 1973. Na
iedere periode van 20 uur wordt het proefstuk telkens gedurende 4 uur
gedroogd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm
NEN 2172 van november 1969. Na de proef mag van het beproefde gedeelte
van de laklaag de dichtheid van de blaren niet hoger zijn dan de
schaal F en de grootte van de blaren niet meer dan schaal 8 volgens de
Amerikaanse Standaard ASTM D714-56 (reapproved 1970) en mag de laklaag
geen zichtbare verkleuring vertonen; het beproefde gedeelte van het
retroreflecterende materiaal wordt met behulp van een loep `10 x'
onderzocht, waarbij het retroreflecterende materiaal geen
beschadigingen of zichtbare verkleuring mag vertonen.
4. Ten aanzien van de bestandheid tegen benzine wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk VI van de retroreflecterende kentekenplaat wordt
gedurende vijf minuten gedompeld in een reservoir met `wasbenzine'.
Vijf minuten nadat het proefstuk uit het reservoir is genomen wordt
het beproefde gedeelte van de laklaag en van het re-troreflecterende
materiaal met behulp van een loep `10 x' onderzocht, waarbij de
laklaag en het retroreflecterende materiaal geen beschadigingen of
zichtbare verkleuring mag vertonen. De proef dient te worden
uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
5. Ten aanzien van de bestandheid tegen corrosie wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk VII van de retroreflecterende kentekenplaat dient
gedurende 5 maal 22 uur te worden beproefd zoals bepaald in de
paragrafen 2, 3, 4.1, 5 en 6 van de Duitse norm DIN 50021 van mei
1975. Na iedere periode van 22 uur wordt het proefstuk telkens
gedurende 2 uur gedroogd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969. Na de proef mag het
proefstuk, met uitzondering van een gedeelte met een breedte van 15 mm
vanaf de bij de beproeving afgesneden rand, geen zichtbare corrosie
vertonen.
6. Ten aanzien van de bestandheid tegen hoge en lage temperaturen
wordt de volgende proef genomen:
De proefstukken VIII, IX, X en XI van de retroreflecterende
kentekenplaat worden gedurende 6 achtereenvolgende uren gehouden in
een droge atmosfeer van 60 °C ± 2 °C en onmiddellijk daarna 12
achtereenvolgende uren in een atmosfeer van -20 °C ± 2 °C. Na de
proef mag het beproefde gedeelte van de laklaag en van het
retroreflecterende materiaal geen zichtbare verkleuring vertonen en
dienen de proeven zoals omschreven in het eerste lid, onderdelen a en
b, en tweede lid, onderdelen c en d, ten aanzien van de hechting te
worden herhaald.
7. Ten aanzien van het versneld verkleuren wordt de volgende proef
genomen:
Het proefstuk XII van de retroreflecterende kentekenplaat dient te
worden beproefd op een wijze die overeenkomt met het terzake bepaalde
in de Internationale Standaard ISO R 105/V van 1 maart 1969, part. 2.
Het proefstuk en het standaard kleurmonster dienen daarbij zolang te
worden belicht tot de verkleuring van de kleurstandaard 7 (solubilised
vat blue 5) begint. Na de proef dient het beproefde gedeelte van het
proefstuk voor wat betreft kleur, luminantiefactor, gerichte reflectie
en retroreflectie nog te voldoen aan het gestelde daaromtrent in de
bijlagen 1, 2 en 3 (na beproeving bij eerste onderzoek) en artikel 4,
derde lid.
8. Ten aanzien van de veroudering bij buitenopstelling wordt de
volgende proef genomen:
Een model van een retroreflecterende kentekenplaat wordt opgesteld:
a. vrij en onbeschermd;
b. in de open lucht;
c. onder een hoek van 45o;
d. gericht naar het zuiden;
e. gedurende 12 maanden.
Na de proef dient de retroreflecterende kentekenplaat voor wat
betreft kleur, luminantiefactor, gerichte reflectie en
retroreflectie te voldoen aan het gestelde daaromtrent in de
bijlagen 1, 2 en 3 en artikel 4, derde lid, en mogen de laklagen
geen sporen vertonen van barstvorming, afschilfering, putjes en
bladders, alsmede geen verkrijting groter dan beoordeling 2
volgens methode Verfinstituut TNO (standaard uitrusting voor het
afpoederen); het retroreflecterende materiaal mag geen sporen
vertonen van barstvorming, zichtbare corrosie of loslaten van het
aluminium materiaal.
9. Ten aanzien van kunststof tekens wordt de volgende aanvullende
proef genomen:
Het proefstuk XIII van de retroreflecterende kentekenplaat voorzien
van een kunststof teken wordt in een tijdsbestek van 1-2 seconden over
een hoek van 180o gebogen om een cilindrische doorn met een diameter
van 50 mm. Het kunststof teken dient zich daarbij aan de buitenzijde
te bevinden. Na de proef mag het kunststof teken met inbegrip van de
bevestigingspennen geen breuk vertonen. De proef dient te worden
uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse
norm NEN 2172 van november 1969.
10. Het Europese embleem en landenindicator vormen bij de in dit
artikel bedoelde proeven een integraal onderdeel van de kentekenplaat.
Artikel 16. Proeven gelakte aluminium plaat (halffabrikaat)
1. Van elk type gelakte aluminium plaat waarvoor door de fabrikant
daarvan goedkeuring en erkenning voor het aanbrengen van het waarmerk
daarop wordt aangevraagd, dienen zes monsters (3 x van de afmetingen
520 x 110 mm en 3 x van de afmetingen 340 x 210 mm) voor onderzoek te
worden overgelegd.
2. Uit drie van de in het eerste lid bedoelde monsters wordt een
aantal proefstukken gesneden, die elk voor de in het derde tot en met
achtste lid omschreven proeven worden gebezigd.
3. Ten aanzien van de hechting van de laklaag worden de volgende
proeven genomen:
a. In de laklaag van het proefstuk I van het halffabrikaat
worden, op een onderlinge afstand van 1 mm, insnijdingen
aangebracht zoals bepaald in de paragrafen 3.1.a of 3.1.b en 5.1
tot en met 5.3 van de Duitse norm DIN 53151 van december 1970. Na
het aanbrengen van deze insnijdingen wordt over het ingesneden
gedeelte kleefband aangebracht zodanig dat het gehele oppervlak
zich daaraan hecht. Vervolgens wordt het kleefband daarvan
afgerukt. Het ingesneden gedeelte mag daarna geen enkele
beschadiging vertonen. Het kleefband moet voldoen aan de eisen
gesteld voor type I, class A in de Federal Specification L-T-90C
van 17 maart 1959, met amendement-1 van 13 januari 1961 en int.-amendement-2
van 3 november 1965. De proef dient binnen 3 weken na ontvangst
van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer
23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
b. In het proefstuk II van het halffabrikaat wordt vanaf de
achterzijde een kogel tot op een diepte van 4 mm gedrukt, een en
ander zoals bepaald in de paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en
6.2.2 van de Internationale Standaard ISO 1520 van 15 december
1973. Na de proef mag het beproefde gedeelte van de laklaag geen
barstvorming of loslaten van de ondergrond vertonen. De proef
dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden
uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
c. Het proefstuk III van het halffabrikaat wordt in een
tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o gebogen om een
cilindrische doorn met een diameter van 50 mm. De laklaag dient
zich daarbij aan de buitenzijde te bevinden. Na de proef dient het
beproefde gedeelte van de laklaag te worden onderzocht met behulp
van een loep `10 x', waarbij de laklaag geen barstvorming of
loslaten van de ondergrond mag vertonen. De proef dient binnen
drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij
de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172
van november 1969.
4. Ten aanzien van de bestandheid tegen water wordt de volgende
proef genomen:
a. Het proefstuk IV van het halffabrikaat dient gedurende `n'
uur te worden beproefd zoals bepaald in paragraaf 6 van de
Internationale Standaard ISO 1521 van 15 december 1973. Na de
proef mag van het beproefde gedeelte van de laklaag de dichtheid
van de blaren niet hoger zijn dan de schaal F en de grootte van de
blaren niet meer dan schaal 8 volgens de Amerikaanse Standaard
ASTM D714-56 (reapproved 1970) en mag de laklaag geen zichtbare
verkleuring vertonen.
b. `n' bedraagt:
1o. bij gemoffelde laklaag: 250;
2o. bij luchtgedroogde laklaag: 100.
5. Ten aanzien van de bestandheid tegen benzine wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk V van het halffabrikaat wordt gedurende vijf minuten
gedompeld in een reservoir met `wasbenzine'. Vijf minuten nadat het
proefstuk uit het reservoir is genomen wordt het beproefde gedeelte
van de laklaag met behulp van een loep `10 x' onderzocht, waarbij de
laklaag geen beschadigingen of zichtbare verkleuring mag vertonen. De
proef dient te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Neder-landse norm NEN 2172 van november 1969.
6. Ten aanzien van de bestandheid tegen hoge en lage temperaturen
wordt de volgende proef genomen:
De proefstukken VI, VII en VIII van het halffabrikaat worden
gedurende 6 achtereenvolgende uren gehouden in een droge atmosfeer van
60 °C ± 2 °C en onmiddellijk daarna 12 achtereenvolgende uren in
een atmosfeer van - 20 °C ± 2 °C. De proefstukken worden daarna
gedurende 24 achtereenvolgende uren geconditioneerd in de standaard
atmosfeer van 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november
1969. Na de proef mag het beproefde gedeelte van de laklaag geen
zichtbare verkleuring vertonen en dienen de proeven zoals omschreven
in het derde lid te worden herhaald.
7. Ten aanzien van het versneld verkleuren wordt de volgende proef
genomen:
Het proefstuk IX van het halffabri-kaat dient te worden beproefd op
een wijze die overeenkomt met het terzake bepaalde in de
Internationale Standaard ISO R 105/V van 1 maart 1969, part. 2. Het
proefstuk en het standaard kleurmonster dienen daarbij zolang te
worden belicht tot de verkleuring van de kleurstandaard 7 (solubilised
vat blue 5) begint. Na de proef dient het beproefde gedeelte van het
proefstuk nog voor wat betreft kleur, luminantiefactor en gerichte
reflectie te voldoen aan het gestelde daaromtrent in de bijlagen 2 en
3 (na beproeving bij eerste onderzoek) en het bepaalde in artikel 4,
derde lid.
8. Ten aanzien van de veroudering bij buitenopstelling wordt de
volgende proef genomen:
Een model van een gelakte aluminium plaat wordt opgesteld:
a. vrij en onbeschermd;
b. in de open lucht;
c. onder een hoek van 45o;
d. gericht naar het zuiden;
e. gedurende 12 maanden.
Na de proef dient de kentekenplaat voor wat betreft kleur,
luminantiefactor en gerichte reflectie te voldoen aan het gestelde
daaromtrent in de bijlagen 2 en 3 en artikel 4, derde lid, en
mogen de laklagen geen sporen vertonen van barstvorming,
afschilfering, putjes en bladders, alsmede geen verkrijting groter
dan beoordeling 2 volgens methode Verfinstituut TNO (standaard
uitrusting voor het afpoederen).
Artikel 17. Proeven retroreflecterend materiaal (halffabrikaat)
1. Van elk type retroreflecterend materiaal waarvoor door de
fabrikant daarvan goedkeuring en erkenning voor het aanbrengen van het
waarmerk wordt aangevraagd, dienen vijftien monsters (drie van 520 x
110 mm, drie van 340 x 210 mm, drie van 210 x 143 mm, drie van 100 x
175 mm en drie van 145 x 125 mm) voor onderzoek te worden overgelegd.
2. Elk der monsters zal op de door de fabrikant voorgeschreven
wijze worden aangebracht op aluminium platen van de voorgeschreven
afmetingen en materiaalkwaliteit.
3. Uit drie van deze monsters wordt een aantal proefstukken
gesneden, die elk voor de in het vierde tot en met tiende lid
omschreven proeven worden gebezigd.
4. Ten aanzien van de hechting van het retroreflecterende materiaal
op het aluminium worden de volgende proeven genomen:
a. Het retroreflecterende materiaal moet een gelijkmatig
retroreflecterend oppervlak vertonen.
b. De proefstukken I en II dienen gedurende 2 x 24
achtereenvolgende uren te zijn geconditioneerd alvorens de proeven
zoals omschreven onder c en d mogen worden uitgevoerd.
c. In het proefstuk I van het retroreflecterende materiaal
wordt vanaf de achterzijde een kogel tot op een diepte van 4 mm
gedrukt zoals bepaald in de paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en
6.2.2 van de Internationale Standaard ISO 1520 van 15 december
1973. Na de proef wordt het beproefde gedeelte van het
retroreflecterende materiaal met behulp van een loep `10 x'
onderzocht, waarbij het retroreflecterende materiaal niet mag
hebben losgelaten van het aluminium materiaal. De proef dient te
worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
d. Het proefstuk II van het retroreflecterende materiaal wordt
in een tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o gebogen
om een cilindrische doorn met een diameter van 50 mm. Het
retroreflecterende materiaal dient zich daarbij aan de buitenzijde
te bevinden. Na de proef dient het retroreflecterende materiaal te
worden onderzocht met behulp van een loep `10 x', waarbij het
retroreflecterende materiaal geen beschadigingen mag vertonen. De
proef dient te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Neder-landse norm NEN 2172 van november 1969.
5. Ten aanzien van de bestandheid tegen water wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk III van het retroreflecterende materiaal dient
gedurende 4 x 20 uur te worden beproefd zoals bepaald in paragraaf 6
van de Internationale Standaard ISO 1521 van 15 december 1973. Na
iedere periode van 20 uur wordt het proefstuk telkens gedurende 4 uur
gedroogd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm
NEN 2272 van november 1969. Na de proef wordt het beproefde gedeelte
van het retroreflecterende materiaal met behulp van een loep `10 x'
onderzocht, waarbij het retroreflecterende materiaal geen
beschadigingen of zichtbare verkleuring mag vertonen.
6. Ten aanzien van de bestandheid tegen benzine wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk IV van het retroreflecterende materiaal wordt
gedurende vijf minuten gedompeld in een reservoir met `wasbenzine'.
Vijf minuten nadat het proefstuk uit het reservoir is genomen wordt
het beproefde gedeelte van het retroreflecterende materiaal met behulp
van een loep `10 x' onderzocht, waarbij het retroreflecterende
materiaal geen beschadigingen of zichtbare verkleuring mag vertonen.
De proef dient te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
7. Ten aanzien van de bestandheid tegen corrosie wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk V van het retroreflecterende materiaal dient
gedurende 5 maal 22 uur te worden beproefd zoals bepaald onder de
paragrafen 2, 3, 4.1, 5 en 6 van de Duitse norm DIN 50021 van mei
1975. Na iedere periode van 22 uur wordt het proefstuk telkens
gedurende 2 uur gedroogd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969. Na de proef mag het
proefstuk, met uitzondering van een gedeelte met een breedte van 15 mm
vanaf de bij de beproeving afgesneden rand, geen zichtbare corrosie
vertonen.
8. Ten aanzien van de bestandheid tegen hoge en lage temperaturen
wordt de volgende proef genomen:
De proefstukken VI en VII van het retroreflecterende materiaal
worden gedurende 6 achtereenvolgende uren gehouden in een droge
atmosfeer van 60o C ± 2o C en onmiddellijk daarna 12
achtereenvolgende uren in een atmosfeer van -20o C ± 2o C. De
proefstukken worden daarna gedurende 2 x 24 achtereenvolgende uren
geconditioneerd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Neder-landse norm NEN 2172 van november 1969. Na de proef mag het
beproefde gedeelte van het retroreflecterende materiaal geen zichtbare
verkleuring vertonen en dienen de proeven zoals omschreven in het
vierde lid, onderdelen c en d, te worden herhaald.
9. Ten aanzien van het versneld verkleuren wordt de volgende proef
genomen:
Het proefstuk VIII van het retroreflecterende materiaal dient te
worden beproefd op een wijze die overeenkomt met het terzake bepaalde
in de Internationale Standaard ISO R 105/V van 1 maart 1969, part 2.
Het proefstuk en het standaard kleurmonster dienen daarbij zolang te
worden belicht tot de verkleuring van de kleurstandaard 7 (solubilised
vat blue 5) begint. Na de proef dient het beproefde gedeelte van het
proefstuk voor wat betreft kleur, luminantiefactor en retroreflectie
nog te voldoen aan het gestelde daaromtrent in de bijlagen 1, 2 en 3
(na beproeving bij eerste onderzoek).
10. Ten aanzien van de veroudering bij buitenopstelling wordt de
volgende proef genomen:
Een model van het retroreflecterende materiaal wordt opgesteld:
a. vrij en onbeschermd;
b. in de open lucht;
c. onder een hoek van 45o;
d. gericht naar het zuiden;
e. gedurende 12 maanden.
Na de proef dient het retroreflecterende materiaal voor wat
betreft kleur, luminantiefactor en retroreflectie te voldoen aan
het gestelde daaromtrent in de bijlagen 1, 2 en 3 en mag het
re-troreflecterende materiaal geen sporen vertonen van
barstvorming, zichtbare corrosie of loslaten van het aluminium
materiaal.
11. Het Europese embleem en landenindicator vormen bij de in dit
artikel bedoelde proeven een integraal onderdeel van het
retroreflecterend materiaal.
Artikel 18. Proeven retroreflecterende plaat (halffabrikaat)
1. Van elk type retroreflecterende plaat waarvoor door de fabrikant
daarvan goedkeuring en erkenning voor het aanbrengen van het waarmerk
wordt aangevraagd, dienen vijftien monsters (drie van 520 x 110 mm,
drie van 340 x 210 mm, drie van 210 x 143 mm, drie van 100 x 175 mm en
drie van 145 x 125 mm) voor onderzoek te worden overgelegd.
2. Uit drie van deze monsters wordt een aantal proefstukken
gesneden, die elk voor de in het derde tot en met negende lid
omschreven proeven worden gebezigd.
3. Ten aanzien van de hechting van het retroreflecterende materiaal
op het aluminium worden de volgende proeven genomen:
a. Het retroreflecterende materiaal moet zodanig op de
aluminium plaat zijn aangebracht dat de plaat een gelijkmatig
retroreflecterend oppervlak vertoont.
b. De proefstukken I en II dienen gedurende 2 x 24
achtereenvolgende uren te zijn geconditioneerd alvorens de proeven
zoals omschreven onder c en d mogen worden uitgevoerd.
c. In het proefstuk I van de retroreflecterende plaat wordt
vanaf de achterzijde een kogel tot op een diepte van 4 mm gedrukt
zoals bepaald in de paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en 6.2.2
van de Internationale Standaard ISO 1520 van 15 december 1973. Na
de proef wordt het beproefde gedeelte van het retroreflecterende
materiaal met behulp van een loep `10 x' onderzocht, waarbij het
retroreflecterende materiaal niet mag hebben losgelaten van het
aluminium materiaal. De proef dient te worden uitgevoerd bij de
standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172
van november 1969.
d. Het proefstuk II van de retroreflecterende plaat wordt in
een tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o gebogen om
een cylindrische doorn met een diameter van 50 mm. Het
retroreflecterende materiaal dient zich daarbij aan de buitenzijde
te bevinden. Na de proef dient het retroreflecterende materiaal te
worden onderzocht met behulp van een loep `10 x', waarbij het
retroreflecterende materiaal geen beschadigingen mag vertonen.
De proef dient te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer
23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
4. Ten aanzien van de bestandheid tegen water wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk III van de retroreflecterende plaat dient gedurende 4
x 20 uur te worden beproefd zoals bepaald in paragraaf 6 van de
Internationale Standaard ISO 1521 van 15 december 1973. Na iedere
periode van 20 uur wordt het proefstuk telkens gedurende 4 uur
gedroogd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm
NEN 2172 van november 1969. Na de proef wordt het beproefde gedeelte
van het retroreflecterende materiaal met behulp van een loep `10 x'
onderzocht, waarbij het retroreflecterende materiaal geen
beschadigingen of zichtbare verkleuring mag vertonen.
5. Ten aanzien van de bestandheid tegen benzine wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk IV van het retroreflecterende materiaal wordt
gedurende vijf minuten gedompeld in een reservoir met `wasbenzine'.
Vijf minuten nadat het proefstuk uit het reservoir is genomen wordt
het beproefde gedeelte van het retroreflecterende materiaal met behulp
van een loep `10 x' onderzocht, waarbij het retroreflecterende
materiaal geen beschadigingen of zichtbare verkleuring mag vertonen.
De proef dient te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50,
volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
6. Ten aanzien van de bestandheid tegen corrosie wordt de volgende
proef genomen:
Het proefstuk V van het retroreflecterende materiaal dient
gedurende 5 maal 22 uur te worden beproefd zoals bepaald onder de
paragrafen 2, 3, 4.1, 5 en 6 van de Duitse norm DIN 50021 van mei
1975. Na iedere periode van 22 uur wordt het proefstuk telkens
gedurende 2 uur gedroogd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969. Na de proef mag het
proefstuk, met uitzondering van een gedeelte met een breedte van 15 mm
vanaf de bij de beproeving afgesneden rand, geen zichtbare corrosie
vertonen.
7. Ten aanzien van de bestandheid tegen hoge en lage temperaturen
wordt de volgende proef genomen:
De proefstukken VI en VII van het retroreflecterende materiaal
worden gedurende 6 achtereenvolgende uren gehouden in een droge
atmosfeer van 60 °C ± 2 °C en onmiddellijk daarna 12
achtereenvolgende uren in een atmosfeer van -20o C ± 2o C. De
proefstukken worden daarna gedurende 2 x 24 achtereenvolgende uren
geconditioneerd in de standaard atmosfeer 23/50, volgens de
Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969. Na de proef mag het
beproefde gedeelte van het retroreflecterende materiaal geen zichtbare
verkleuring vertonen en dienen de proeven zoals omschreven in het
derde lid, onderdelen c en d, te worden herhaald.
8. Ten aanzien van het versneld verkleuren wordt de volgende proef
genomen:
Het proefstuk VIII van het retroreflecterende materiaal dient te
worden beproefd op een wijze die overeenkomt met het terzake bepaalde
in de Internationale Standaard ISO R 105/V van 1 maart 1969, part. 2.
Het proefstuk en het standaard kleurmonster dienen daarbij zolang te
worden belicht tot de verkleuring van de kleurstandaard 7 (solubilised
vat blue 5) begint. Na de proef dient het beproefde gedeelte van het
proefstuk voor wat betreft kleur, luminantiefactor en retroreflectie
nog te voldoen aan het gestelde daaromtrent in de bijlagen 1, 2 en 3
(na beproeving bij eerste onderzoek).
9. Ten aanzien van de veroudering bij buitenopstelling wordt de
volgende proef genomen:
Een model van het retroreflecterende materiaal wordt opgesteld:
a. vrij en onbeschermd;
b. in de open lucht;
c. onder een hoek van 45o;
d. gericht naar het zuiden;
e. gedurende 12 maanden.
Na de proef dient het retroreflecterende materiaal voor wat
betreft kleur, luminantiefactor en retroreflectie te voldoen aan
het gestelde daaromtrent in de bijlagen 1, 2 en 3 en mag het
retroreflecterende materiaal geen sporen vertonen van
barstvorming, zichtbare corrosie of loslaten van het aluminium
materiaal.
Artikel 19. Keurmerk
1. Het keurmerk op de kentekenplaat moet zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar aan de voorzijde daarvan zijn aangebracht.
2. Het keurmerk dient overeen te komen met het model M.2 of M.3 van
de bijlage behorende bij de Regeling kentekens en kentekenplaten.
3. Het keurmerk van de kentekenplaat dient te zijn aangebracht
hetzij boven de tweede streep, hetzij boven de streep van het
kenteken, hetzij, indien geen streep in het kenteken aanwezig is,
midden tussen de groepen van tekens. Het keurmerk op de kentekenplaten
voor bromfietsen dient te zijn aangebracht midden tussen de groepen
van tekens dan wel links naast de groepen van tekens.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid mag bij
kentekenplaten volgens model 18.2A tot en met 18.2C, indien de ruimte
boven de tweede streep onvoldoende is, het keurmerk onder de tweede
streep zijn aangebracht.
5. Het keurmerk van de kentekenplaat dient op zodanige wijze te
zijn aangebracht dat:
a. geen beschadiging van de lak heeft plaatsgevonden;
b. de werking van het retroreflecterend materiaal niet is
aangetast.
6. Andere met het blote oog zichtbare merktekens van fabrikanten
van halffabrikaten of kentekenplaten, al dan niet in combinatie met
het keurmerk, zijn niet toegestaan.
Artikel 19a
1. Het hologram dient overeen te komen met model F van de bijlage
behorende bij de Regeling kentekens en kentekenplaten.
2. Het hologram op de kentekenplaat moet zichtbaar op de voorzijde
van de kentekenplaat zijn aangebracht
3. Het hologram dient op een zodanige wijze te zijn aangebracht dat
de werking van het retroreflectieve materiaal niet is aangetast.
4. Het hologram dient te zijn aan gebracht op de kentekenplaten
volgens de modellen 30.1A tot en met 30.1D, 30.3A tot en met 30.3D en
30.5 in het midden van de kentekenplaat met een tolerantie van 2 mm.
5. Het hologram dient te zijn aangebracht op de kentekenplaten
volgens de modellen 30.2A tot en met 30.2D, 30.4A tot en met 30.4D en
30.6 links naast de tweede groep van tekens op de kentekenplaat met
een tolerantie van 2 mm.
6. Het hologram is 20 mm hoog en 20 mm breed met een tolerantie van
1 mm.
Artikel 20. Waarmerk
1. Elk halffabrikaat, met uitzondering van witte folie en blanco
kentekenplaten met een witte achtergrond, dient te zijn voorzien van
een onuitwisbaar en leesbaar waarmerk.
2. Het waarmerk dient overeen te komen met het model volgens
bijlage 5 of bijlage 8.
3. Het waarmerk van het halffabrikaat dient:
a. aan de achterzijde van de voorbewerkte aluminium plaat te
zijn ingeperst dan wel ingeslagen;
b. onder de transparante beschermlaag op het retroreflecterende
materiaal in een grijze kleur te zijn aangebracht.
4. Het waarmerk mag uitsluitend worden gebezigd door degene die
daartoe is erkend.
5. Andere met het blote oog zichtbare merktekens van fabrikanten
van halffabrikaten of kentekenplaten, al dan niet in combinatie met
het waarmerk, zijn niet toegestaan.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 21
Van ieder type kentekenplaat waarbij gebruik is gemaakt van een
goedgekeurd type halffabrikaat behoeven de reeds voor het laatstgenoemde
type uitgevoerde proeven niet te worden herhaald.
Artikel 21a
Artikel 12, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing op
kentekenplaten volgens model 18.2 van de bijlage bij de Regeling
kentekens en kentekenplaten zoals deze bijlage luidde voor het tijdstip
van inwerkingtreding van de wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de
Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de
invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen alsmede
vaststelling van overgangsbepalingen in verband daarmee (Stb.
281), die zijn afgegeven na 31 augustus 2002 doch voor 1 september 2005.
Artikel 21b
In afwijking van artikel 19, derde lid, mag bij kentekenplaten
volgens model 18.2 van de bijlage bij de Regeling kentekens en
kentekenplaten zoals deze bijlage luidde voor het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de
Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de
invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen alsmede
vaststelling van overgangsbepalingen in verband daarmee (Stb.
281, indien de ruimte boven de tweede streep onvoldoende is, het
keurmerk onder de tweede streep zijn aangebracht.
Artikel 22
1. De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4
december 1997, nr. DGP/WJZ/V-725566, houdende vaststelling van eisen
voor de goedkeuring van kentekenplaten (Regeling eisen goedkeuring
kentekenplaten) (Stcrt. 239), wordt ingetrokken.
2. Op basis van de in het eerste lid genoemde regeling alsmede op
basis van de regeling van de directeur van de Rijksdienst voor het
wegverkeer van 31 december 1974, nr. 36209, verleende machtigingen en
erkenningen behouden hun geldigheid.
Artikel 23
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 juli 2000.
Artikel 24
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen goedkeuring
kentekenplaten 2000.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met
uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij het ministerie
van Verkeer en Waterstaat, directie voorlichting, Plesmanweg 1-6, `s-Gravenhage,
alsmede de Dienst Wegverkeer, Europaweg 205, Zoetermeer.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
Bijlage 1
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat te Den Haag en bij de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer]
Bijlage 1a
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat te Den Haag en bij de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer]
Bijlage 2
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat te Den Haag en bij de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer]
Bijlage 3
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat te Den Haag en bij de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer]
Bijlage 4
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat te Den Haag en bij de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer]
Bijlage 5
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat te Den Haag en bij de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer]
Bijlage 6 [Vervallen per 01-09-2003]
Bijlage 7 [Vervallen per 01-09-2003]
Bijlage 8
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat te Den
Haag en bij de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer]
|
|
|