|
REGELING van de
Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende nadere regels met
betrekking tot de maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in
hoofdstuk VI, paragraaf 9, van de Wegenverkeerswet 1994
De
Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 130, 131, 132 en 134 van
de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Wegenverkeerswet 1994;
b. [vervallen;]
c. directeur: de directeur van de
Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
d. ademalcoholgehalte: het
ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek
als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel a, of derde lid,
onderdeel a, van de wet.
e. bloedalcoholgehalte: het
bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek
als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b, of derde lid,
onderdeel b, van de wet;
f. beginnende bestuurder:
bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een
rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor
de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn
verstreken, dan wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs
een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen
van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die
op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog
niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken, en indien
de afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft
plaatsgevonden.
Artikel 2. Vermoeden van onvoldoende
rijvaardigheid of geschiktheid
1.Een vermoeden als bedoeld in
artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of
omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage
1.
2.Indien een vermoeden als bedoeld in
het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze
regeling behorende bijlage 1 onder ‘Drogerende stoffen Alcohol’,
dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest
van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.
Artikel 3. Idem
1. Feiten of omstandigheden, als
bedoeld in artikel 2, kunnen blijken uit:
a. eigen waarneming en gegevens
afkomstig van de politie;
b. gegevens afkomstig van de
officier van Justitie, of
c. door de politie nagetrokken
gegevens uit andere bron.
2. Feiten of omstandigheden, als
bedoeld in artikel 2, kunnen voor zover het de geschiktheid betreft
bovendien blijken uit:
a. gegevens door de directeur
verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van
geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement
rijbewijzen;
b. gegevens, door de directeur
van een arts verkregen, of
c. gegevens, door de directeur
uit andere bron verkregen.
3. Het meest recente feit, bedoeld in
artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes
maanden geleden. Indien het een mededeling betreft van de officier
van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling
uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening
onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is
slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen
omstandigheden dit rechtvaardigen.
Artikel 4. Mededeling van een vermoeden
1.De mededeling, bedoeld in artikel
130, eerste lid, van de wet kan schriftelijk worden gedaan volgens
het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, of
op andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in dat model
worden vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via
geautomatiseerde systemen.
2.De in artikel 130, derde lid, van
de wet bedoelde toezending aan het CBR van een ingevorderd rijbewijs
geschiedt bij aangetekende brief.
Artikel 5. Vordering tot overgifte van
het rijbewijs
Een vordering tot overgifte van het
rijbewijs als bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt
in de volgende gevallen:
a. betrokkene heeft een
motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere
dan alcohol;
b. betrokkene heeft een poging tot
zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;
c. er zijn duidelijke aanwijzingen
dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk
en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige
psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd
wordt door een medisch deskundige;
d. betrokkene heeft met een
motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);
e. betrokkene heeft binnen een
periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;
f. betrokkene is als bestuurder van
een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met
duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de
aanrijding niet te hebben bemerkt;
g. betrokkene is niet in staat het
motorrijtuig in bedwang te houden;
h. betrokkene heeft een aanrijding
veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of het niet
intrappen van het juiste pedaal;
i. betrokkene is binnen een periode
van vijf jaar ten minste vier maal aangehouden op verdenking van
overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de
wet;
j. bij betrokkene wordt, als
bestuurder van een motorrijtuig, een adem- of bloedalcoholgehalte
geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 1090 µg/l
respectievelijk 2,5 ‰;
k. betrokkene is bewust ingereden
op een andere weggebruiker;
l. betrokkene heeft drie maal als
beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel
IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of
na de in artikel 1, onderdeel f, genoemde termijn van vijf jaar
onherroepelijk veroordeeld dan wel is voor deze feiten tijdens of
na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden
strafbeschikking uitgevaardigd;
m. bij betrokkene wordt in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger
is dan 915 μg/l, respectievelijk 2,1‰.
Artikel 6. Onderwerping aan een
onderzoek
1.Het CBR besluit dat betrokkene zich
dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als
bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:
a. bij betrokkene een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger
is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰,
b. bij betrokkene in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan dan wel
hoger is dan 570 μg/l respectievelijk 1,3‰,
c. betrokkene binnen een periode
van vijf jaar tenminste viermaal is aangehouden op verdenking
van het overtreden van artikel 8, eerste, tweede of derde lid,
van de wet, of
d. betrokkene binnen een periode
van vijf jaar ten minste tweemaal is aangehouden op verdenking
van het overtreden van artikel 8 van de wet, en hierbij ten
minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek
als bedoeld in dat artikel,
da. betrokkene op grond van
artikel 10a, tweede lid, onderdelen a, b, d, e of f, niet in
aanmerking komt voor een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en
verkeer,
e. betrokkene op grond van
artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een
Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, dan wel
f. uit een verklaring van een
medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholist is.
2.Het CBR besluit voorts dat
betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de
rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien
betrokkene op grond van artikel 10b, tweede lid, onderdeel d, niet
in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.
3.Het CBR besluit ten slotte dat
betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de
rijvaardigheid of naar de geschiktheid:
a. in geval van feiten of
omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende
bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III,
Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen
Alcohol, alsmede
b. indien betrokkene op grond van
artikel 10b, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in
aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.
4.Indien de mededeling, bedoeld in
artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en
omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage
1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de
juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel
verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen
van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 6a
1.De kosten verbonden aan een
onderzoek naar de geschiktheid komen voor rekening van de betrokken
rijbewijshouder:
a. in de in artikel 6, eerste
lid, bedoelde gevallen, en
b. in de in artikel 6, derde lid,
onderdeel a, bedoelde gevallen, voor zover er sprake is van
feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage I bij deze
regeling, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, andere
drogerende stoffen.
2.De kosten van dit onderzoek worden
jaarlijks vastgesteld en bedragen voor 2009 € 918,02.
3.Artikel 10, eerste lid, tweede en
derde volzin, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7. Schorsing geldigheid
rijbewijs
In de gevallen bedoeld in artikel 5
schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, derde lid onder a, van de
wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van
motorrijtuigen, tenzij een Educatieve Maatregel als bedoeld in artikel
131, vierde lid, van de wet wordt opgelegd.
Artikel 8. Oplegging van een Educatieve
Maatregel Alcohol en verkeer
1.Het CBR besluit tot oplegging van
een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien:
a. bij betrokkene een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger
is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3 ‰,
b. betrokkene binnen een periode
van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van
overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de
wet, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger
is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8 ‰,
c. betrokkene, in de hoedanigheid
van beginnende bestuurder, binnen een periode van vijf jaar
meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van
artikel 8, derde lid, van de wet, waarbij bij één van de
aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd
dat gelijk is aan of hoger is dan 220 μg/l, respectievelijk
0,5‰.
d. betrokkene weigert mee te
werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of
derde lid, van de wet, dan wel
e. de uitslag van het ingevolge
artikel 6, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft
tot ongeldigverklaring van het rijbewijs;
f. bij betrokkene in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan, dan wel
hoger is dan 350 μg/l, respectievelijk 0,8‰.
g. betrokkene op grond van
artikel 10a, tweede lid, onderdeel c, niet in aanmerking komt
voor een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer.
2.Betrokkene komt niet in aanmerking
voor de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien:
a. hij onder invloed van alcohol
een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of
waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,
b. blijkt dat hij de Nederlandse
taal dan wel een andere taal waarin de Educatieve Maatregel
Alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate
beheerst,
c. hij de afgelopen 5 jaar reeds
eerder aan de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer heeft
deelgenomen,
d. hij naar het oordeel van een
medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische
stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke
stoornis die deelname onmogelijk maakt,
e. het vermoeden bestaat dat er
bij betrokkene sprake is van alcoholverslaving,
f. hij bij de politie bekend
staat als gebruiker van drogerende stoffen.
Artikel 9. Gedrag tijdens de Educatieve
Maatregel Alcohol en verkeer
Betrokkene verleent onder meer niet de
vereiste medewerking aan de educatieve maatregel indien hij:
a. onder invloed van alcohol of
andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;
b. demonstratief niet aan de cursus
deelneemt;
c. zich tijdens de cursus agressief
gedraagt, of
d. tijdens de cursus op andere
wijze het groepsproces verstoort.
Artikel 10. Kosten van de Educatieve
Maatregel Alcohol en verkeer
1.De ten laste van betrokkene komende
kosten van de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer bedragen €
648,60 (exclusief BTW). Dit bedrag wordt telkenjare voor het komende
kalenderjaar vastgesteld met toepassing van de volgende
rekenformule:
|

|
bedrag voor het
huidige kalenderjaar
|
= |
bedrag voor het
komende kalenderjaar
|
Voor de toepassing van deze
rekenformule wordt verstaan onder:
C1: het CBS-prijsindexcijfer
(totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie
over de maand juni van het lopende
kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch
Bulletin;
Cv: het CBS-prijsindexcijfer
(totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie
over de maand juni van het
kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar zoals dat
is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;
R1: het CBS-indexcijfer van
regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni
van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het
Statistisch Bulletin.
Rv: het CBS-indexcijfer van
regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni
van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar
zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.
2.De kosten worden betaald binnen
tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve
maatregel aan betrokkene is meegedeeld, op de wijze zoals
aangegeven bij die mededeling.
3.Betrokkene verleent onder meer
niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, bedoeld
in artikel 132, eerste lid, van de wet, indien hij de kosten,
bedoeld in het eerste lid, niet tijdig of niet op de
voorgeschreven wijze voldoet.
4.Indien betrokkene zich in een
dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de
termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan de in het tweede lid
genoemde termijn worden verlengd.
Artikel 10a
1.Het CBR besluit tot oplegging van
een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien bij
betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem-
of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger
is dan 220µg/l, respectievelijk 0,5‰.
2.Betrokkene komt niet in aanmerking
voor de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien:
a. hij onder invloed van alcohol
een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of
waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,
b. blijkt dat hij de Nederlandse
taal dan wel een andere taal waarin de Lichte Educatieve
Maatregel Alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in
voldoende mate beheerst,
c. hij de afgelopen vijf jaar
reeds eerder aan de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en
verkeer heeft deelgenomen,
d. hij naar het oordeel van een
medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische
stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke
stoornis die deelname onmogelijk maakt,
e. het vermoeden bestaat dat er
bij betrokkene sprake is van alcoholverslaving,
f. hij bij de politie bekend
staat als gebruiker van drogerende stoffen.
3.De ten laste van betrokkene komende
kosten van de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer
bedragen € 350,–.
4.De kosten worden betaald binnen
vijf weken nadat het besluit tot oplegging van de Lichte Educatieve
Maatregel Alcohol en verkeer aan betrokkene is meegedeeld, op de
wijze zoals aangegeven bij die mededeling. Deze termijn kan niet
worden verlengd.
5.De artikelen 9 en 10, eerste lid,
tweede en derde volzin, en derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 10b
1. Het CBR besluit tot oplegging van
een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer indien:
a. betrokkene tijdens een rit
herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij
deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III,
Rijgedrag;
b. ten aanzien van betrokkene als
bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, een
overschrijding is geconstateerd van de toegestane
maximumsnelheid met 50 km/u of meer op wegen binnen de bebouwde
kom;
c. ten aanzien van betrokkene als
bestuurder van een bromfiets een overschrijding is geconstateerd
van de toegestane maximumsnelheid met 31 km/u of meer op wegen
binnen de bebouwde kom;
d. ten aanzien van betrokkene als
bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is
geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 km/u of
meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;
e. de uitslag van het ingevolge
artikel 6, tweede lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft
tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
2. Betrokkene komt niet in aanmerking
voor de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer indien:
a. hij een ongeval heeft
veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander
zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,
b. hij bewust op een andere
weggebruiker is ingereden,
c. blijkt dat hij de Nederlandse
taal dan wel een andere taal waarin de Educatieve Maatregel
Gedrag en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate
beheerst,
d. hij de afgelopen vijf jaar
reeds twee maal aan de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer
heeft deelgenomen,
e. hij naar het oordeel van een
medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische
stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke
stoornis die deelname onmogelijk maakt,
f. het vermoeden bestaat dat er
bij betrokkene sprake is van alcoholverslaving,
g. hij bij de politie bekend
staat als gebruiker van drogerende stoffen.
3. De ten laste van betrokkene
komende kosten van de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer
bedragen € 750,–.
4. artikelen 9 en 10, eerste lid,
tweede en derde volzin, tweede, derde en vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1.De kosten van het tweede onderzoek
bedragen € 589,35. Dit bedrag wordt telkenjare voor het komende
kalenderjaar vastgesteld. Artikel 10, eerste lid, tweede en derde
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
2.De kosten van het tweede onderzoek
worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR als
bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij
die mededeling is aangegeven.
3.Betrokkene verleent onder meer niet
de vereiste medewerking aan het tweede onderzoek, bedoeld in artikel
134, derde lid, van de wet, indien hij de kosten, bedoeld in het
eerste lid, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze voldoet.
Artikel 12. Ongeldigverklaring van het
rijbewijs
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring
van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet,
indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken,
inhoudt dat betrokkene:
a. niet de rijvaardigheid bezit
voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen,
of
b. niet voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een
of meer categorieën van motorrijtuigen.
Artikel 13 Intrekking oude regeling
[Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 14. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met
ingang van de dag waarop Hoofdstuk VI, paragraaf 9, van de wet in
werking treedt.
Artikel 15. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 17 april 1996.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen
rijvaardigheid en geschiktheid
Feiten dan wel omstandigheden die een
vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de
vereiste rijvaardigheid, dan wel, met uitzondering van de categorie AM,
over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het
besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een
rijbewijs is afgegeven.
A. Rijvaardigheid en rijgedrag
I. Vaardigheid in het omgaan met het
motorrijtuig
I.1. Bediening van het motorrijtuig
1. Een onjuiste bediening van het
koppelingspedaal dan wel het gaspedaal, zich manifesterend in het bij
herhaling afslaan van de motor dan wel schokkend en slingerend rijden en
bochten te ruim nemen dan wel het intrappen van het onjuiste pedaal of
het niet intrappen van het juiste pedaal;
2. een onjuiste bediening van het
versnellingsmechanisme, al dan niet in combinatie met het koppelings- of
het gaspedaal, waardoor hoorbaar regelmatig de verkeerde versnelling
wordt gekozen, langdurig in een te hoge of te lage versnelling wordt
gereden en met een te laag of te hoog toerental;
3. een onjuiste bediening van de rem,
waardoor bij herhaling abrupt wordt vertraagd en gestopt of met
blokkerende wielen wordt geremd;
4. een onjuist gebruik of nalaten van het
gebruik van mechanismen en apparatuur van het motorrijtuig die van
belang zijn voor de verkeersveiligheid, zoals ruitenwissers,
richtingaanwijzers, verlichting en voorruitverwarming.
I.2. Beheersing van het motorrijtuig
1. Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al
dan niet in combinatie:
a. slingerend wordt gereden;
b. bij herhaling van de juiste koers
wordt afgeweken;
c. bij het richting veranderen
bochten niet vloeiend worden genomen;
d. bij het volgen van bochten in het
wegverloop het motorrijtuig uit de bocht ’zeilt’;
2. onvoldoende rekening houden met de
omvang van het motorrijtuig waardoor bijvoorbeeld bochten te ruim of te
krap worden genomen;
3. overige feiten of omstandigheden
waaruit een gebrek in de vaardigheid in de beheersing van het
motorrijtuig blijkt:
a. het motorrijtuig niet onder
controle houden op een niet vlakke weg;
b. bij herhaling op onjuiste wijze
keren, achteruitrijden of parkeren;
c. bij herhaling veroorzaken van
aanrijdingen.
II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het
verkeer
1. Niet adequaat kijkgedrag
Hanteren van een verkeerde kijktechniek
en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels
waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige
verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:
a. wegrijden;
b. naderen en oprijden van
kruispunten;
c. voorsorteren;
d. inhalen en het wisselen van
rijstrook;
e. invoegen en het uitvoegen;
f. dan wel zich manifesterend door
slecht kijkgedrag in het algemeen.
2. Gebrekkige rijvaardigheid
Gebrekkige vaardigheid die blijkt uit:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste
snelheid;
c. onjuist invoegen en uitvoegen;
d. onnodig remmen en stoppen;
e. naar links of rechts afslaan op
een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;
f. rakelings passeren van andere
weggebruikers en obstakels;
g. onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere deelnemers;
h. niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
i. niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe of interne factoren.
III. Rijgedrag
1. Gevaarzettend rijgedrag waardoor:
a. andere weggebruikers of obstakels
rakelings worden gepasseerd;
b. andere weggebruikers worden klem
gereden of de weg wordt afgesneden.
2. Gebrek aan inzicht in risico’s in
het verkeer, zoals:
a. onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere weggebruikers;
b. niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
c. niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de
weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen,
voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de
toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van
de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren,
zoals het ‘hand held’ bellen, afleiding door audiovisuele
middelen of vermoeidheid;
d. uitvoeren van gevaarlijke
inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen,
waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;
e. met een te hoge snelheid naderen
van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere
onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;
f. aanhouden van, gelet op de
snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige
volgafstand;
g. geen rekening houden met de
belangen van andere weggebruikers, zoals het:
1. geen gelegenheid geven tot
invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de
invoegstrook;
2. blokkeren van doorgangen of
dubbel parkeren.
3. Incorrect samenspel met andere
verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:
a. rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste
snelheid;
b. onnodig remmen en stoppen;
c. snijden: het niet juist afmaken
van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar
links te gaan;
d. op te korte afstand volgen van
voorliggers;
e. onjuist invoegen of onjuist
uitvoegen op autowegen en autosnelwegen;
f. onjuist invoegen of onjuist
uitvoegen bij vermindering van het aantal rijstroken.
4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden
dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens
terzake van:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. het inhalen;
c. het verlenen van voorrang;
d. het naar links of rechts afslaan;
e. het gebruik van lichten en geven
van signalen;
f. het rijden op auto(snel)wegen:
bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het
rode kruis boven een rijstrook;
g. het negeren van een rood
verkeerslicht;
h. het als bestuurder van een
motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de
toegestane maximumsnelheid met 50 km/u of meer op wegen binnen de
bebouwde kom;
i. het als bestuurder van een
motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de
toegestane maximumsnelheid met 31 km/u of meer op wegen binnen de
bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;
j. het als bestuurder van een
bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31
km/u of meer op wegen binnen de bebouwde kom.
IV. Herhaaldelijk niet of niet op de
juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel
verkeerstekens
In de hoedanigheid van beginnende
bestuurder, onverminderd het overigens in deze bijlage bepaalde, drie
maal een of meer van de navolgende feiten hebben begaan waarvoor hij
tijdens of na de in artikel 1, onderdeel f, genoemde termijn van vijf
jaar onherroepelijk is veroordeeld, dan wel indien voor deze feiten
tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk
geworden strafbeschikking is uitgevaardigd:
a. overtreding van artikel 5 van de
wet;
b. overtreding van artikel 6 van de
wet;
c. overtreding van artikel 19 van het
RVV 1990;
d. overtreding van de artikelen 20,
21 en 22 RVV 1990;
e. overtredingen van artikel 62
juncto de borden A1 en A3 van het RVV 1990;
f. overige overtredingen van het RVV
1990 indien daarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan
goederen is toegebracht.
B. Geschiktheid
I. Lichamelijke geschiktheid
a. bewusteloosheid of stoornis in het
bewustzijn;
b. wegraking / black-out;
c. hevige duizeligheid;
d. evenwichtsstoornis;
e. coördinatiestoornis,
ongecontroleerde bewegingen;
f. stoornis in het gebruik van één of
meer ledematen;
g. duidelijk verminderd
gezichtsvermogen;
h. betrokkene verklaart geneesmiddelen
te hebben ingenomen die, al dan niet in combinatie met alcohol, de
rijvaardigheid beďnvloeden;
i. lichamelijk gebrek of functieverlies
terwijl op het rijbewijs niet is vermeld dat betrokkene slechts:
– een motorrijtuig mag besturen
dat aan bijzondere eisen voldoet die zijn gericht op dat gebrek of
functieverlies;
– een motorrijtuig mag besturen
onder gebruikmaking van kunst- of hulpstukken;
j. uit een medische verklaring blijkt
van sterke aanwijzingen voor een verhoogd risico op een situatie als
bedoeld onder a tot en met i.
II. Geestelijke geschiktheid
a. verwardheid, geheugenstoornissen,
oriëntatiestoornissen;
b. ernstig gestoord inzicht of gedrag;
c. ernstig onaangepast rijgedrag;
d. agressiviteit in het verkeer;
e. paniekaanvallen;
f. abnormale opwindingstoestanden;
g. poging tot zelfdoding met een
motorrijtuig.
III. Drogerende stoffen
Alcohol
a. bij betrokkene is een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;
b. betrokkene is binnen een periode van
vijf jaar meermalen aangehouden op verdenking van overtreding van
artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, waarbij bij één
van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd
dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;
c. betrokkene weigert mee te werken aan
een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de
wet;
d. betrokkene is binnen een periode van
vijf jaar ten minste viermaal aangehouden op verdenking van
overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet;
e. uit een verklaring van een medisch
deskundige blijkt dat betrokkene alcoholist is;
f. bij betrokkene is in de hoedanigheid
van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte
geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l,
respectievelijk 0,5‰;
g. betrokkene is in de hoedanigheid van
beginnende bestuurder binnen een periode van vijf jaar meermalen
aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, derde lid,
van de wet, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;
h. betrokkene is binnen een periode van
vijf jaar ten minste tweemaal aangehouden op verdenking van
overtreding van artikel 8 van de wet, en hierbij heeft hij ten minste
eenmaal geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat
artikel.
Andere drogerende stoffen
a. betrokkene is in het bezit van
benodigdheden voor het gebruik van drogerende stoffen en uit een door
betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor
eigen gebruik zijn;
b. betrokkene is in het bezit van een
gebruikershoeveelheid drogerende stoffen en uit een door betrokkene
aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik
is;
c. betrokkene staat bij de politie
bekend als gebruiker van drogerende stoffen;
d. betrokkene is aangehouden onder
invloed van drogerende stoffen.
Bijlage 2 bij de Regeling
maatregelenrijvaardigheid en geschiktheid
Model mededeling
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
Divisie Vorderingen
Postbus 3012
2280 GA RIJSWIJK (ZH)
Regiopolitie/Openbaar Ministerie/CBR:
Afdeling/district:
PL-code:
Contactpersoon:
Adres:
Postcode + Plaatsnaam:
Telefoonnummer:
Ons kenmerk:
Mededeling als bedoeld in artikel 130,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
– De korpschef, bedoeld in artikel
24, onderscheidenlijk artikel 38 van de Politiewet 1993 en de door hem
voor dit doel aangewezen plaatsvervangers,
– De commandant, bedoeld in artikel
6, derde lid, van de Politiewet 1993 en de door hem voor dit doel
aangewezen plaatsvervangers,
– De officier van justitie,
– De Directeur van de Stichting
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, doet mededeling van het
vermoeden dat de hierna genoemde houder (verder genoemd betrokkene)
niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid, dan wel, met
uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of
geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer
categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven.
Gegevens betrokkene:
Naam:
Voornamen:
Geslacht:
Geboortedatum:
Geboorteplaats:
Adres:
Postcode:
Woonplaats:
Rijbewijsgegevens:
Rijbewijsnummer:
Burger Service Nummer
Afgifte autoriteit:
Afgegeven op:
Geldig tot:
Categorie(ën): / / / /
Het vermoeden dat betrokkene niet
beschikt over de vereiste geschiktheid is gebaseerd op de volgende, aan
alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
– Bij betrokkene wordt een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;
– Betrokkene is binnen een periode
van vijf jaar meermalen aangehouden op verdenking van overtreding van
artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, waarbij bij één
van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd
dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;
– Bij betrokkene is in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;
– Betrokkene is in de hoedanigheid
van beginnende bestuurder binnen een periode van vijf jaar meermalen
aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, derde lid,
van de wet, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;
– Betrokkene weigert mee te werken
aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van
de wet;
– Betrokkene is binnen een periode
van vijf jaar tenminste viermaal aangehouden op verdenking van
overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet;
– Betrokkene is binnen een periode
van vijf jaar ten minste tweemaal aangehouden op verdenking van het
overtreden van artikel 8 van de wet, en heeft hierbij ten minste
eenmaal geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat
artikel;
– Uit een verklaring van een medisch
deskundige blijkt dat betrokkene alcoholist is.
[Illustratie verwijderd]
Het vermoeden dat betrokkene niet
beschikt over de vereiste rijvaardigheid of zodanig rijgedrag heeft
vertoond dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt
over de vereiste rijvaardigheid, is gebaseerd op de volgende, niet aan
alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
– Betrokkene heeft gevaarzettend
rijgedrag tentoongespreid waardoor:
a. andere weggebruikers of
obstakels rakelings worden gepasseerd;
b. andere weggebruikers worden klem
gereden of de weg wordt afgesneden, of
– Betrokkene heeft blijk gegeven van
gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:
a. onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere weggebruikers;
b. niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
c. niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de
weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen,
voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de
toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en
van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden of van interne
factoren, zoals het ‘hand held’ bellen, afleiding door
audiovisuele middelen of vermoeidheid;
d. uitvoeren van gevaarlijke
inhaalmanoeuvres of inhalen bij voetgangersoversteekplaatsen,
waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;
e. met een te hoge snelheid naderen
van of inhalen bij voetgangersoversteekplaatsen of in andere
onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en
spoorwegovergangen;
f. aanhouden van, gelet op de
snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige
volgafstand;
g. geen rekening houden met de
belangen van andere weggebruikers, zoals het:
1. geen gelegenheid geven tot
invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de
invoegstrook;
2. blokkeren van doorgangen of
dubbel parkeren, of
– Betrokkene heeft blijk gegeven van
incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat
blijkt uit:
a. rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers
aangepaste snelheid;
b. onnodig remmen en stoppen;
c. snijden: het niet juist afmaken
van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of
naar links te gaan;
d. op te korte afstand volgen van
voorliggers;
e. onjuist invoegen of onjuist
uitvoegen op autowegen en autosnelwegen;
f. onjuist invoegen of onjuist
uitvoegen bij vermindering van het aantal rijstroken, of
– Betrokkene heeft blijk gegeven van
een gebrekkige rijvaardigheid, die blijkt uit:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers
aangepaste snelheid;
c. onjuist invoegen en uitvoegen;
d. onnodig remmen en stoppen;
e. naar links of rechts afslaan op
een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;
f. rakelings passeren van andere
weggebruikers en obstakels;
g. onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere verkeersdeelnemers;
h. niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
i. niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe of interne factoren, of.
h. onder het vijfde
gedachtestreepje (nieuw) (Betrokkene heeft duidelijk een gedrag
tentoongespreid dat in strijd is met essentiële verkeersregels en
verkeerstekens terzake van:), onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel i door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd,
luidende:
j. het als bestuurder van een
bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31
km/u of meer op wegen binnen de bebouwde kom.
– Betrokkene heeft duidelijk een
gedrag tentoongespreid dat in strijd is met de essentiële
verkeersregels en verkeerstekens terzake van:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. het inhalen;
c. het verlenen van voorrang;
d. het naar links of rechts
afslaan;
e. het gebruik van lichten en geven
van signalen;
f. het rijden op auto(snel)wegen:
bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het
rode kruis boven een rijstrook;
g. het negeren van een rood
verkeerslicht;
h. het als bestuurder van een
motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de
toegestane maximumsnelheid met 50 km/u of meer op wegen binnen de
bebouwde kom;
i. het als bestuurder van een
motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de
toegestane maximumsnelheid met 31 km/u of meer op wegen binnen de
bebouwde kom bij wegwerkzaamheden.
Het vermoeden dat betrokkene niet
beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid is gebaseerd op
de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
Het vertoonde gedrag is:
– nader omschreven in bijgaande
afschriften van het proces-verbaal
– nader te bekijken op bijgaande
kopie van een video-opname.
Indien van toepassing:
Invordering als bedoeld in artikel 130,
tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft op grond van het
volgende plaatsgevonden:
– Betrokkene heeft een motorrijtuig
bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;
– Betrokkene heeft een poging tot
zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;
– Er zijn duidelijke aanwijzingen
dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk
en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige
psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd
wordt door een medisch deskundige;
– Betrokkene heeft met een
motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);
– Betrokkene heeft binnen een
periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;
– Betrokkene is rechtstreeks
betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel
letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;
– Betrokkene is niet in staat het
motorrijtuig in bedwang te houden;
– Betrokkene heeft een aanrijding
veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het
niet intrappen van het juiste pedaal;
– Betrokkene is binnen een periode
van vijf jaar ten minste viermaal aangehouden op verdenking van
overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet;
– Bij betrokkene wordt een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
1090 µg/l respectievelijk 2,5‰;
– Bij betrokkene wordt in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is
dan 915 µg/l, respectievelijk 2,1‰;
– Betrokkene is bewust ingereden op
een andere weggebruiker;
– Betrokkene heeft drie maal als
beginnende bestuurder een of meer van de strafbare feiten begaan die
worden genoemd in bijlage 1, onderdeel IV, bij de Regeling
maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en voor deze feiten is
hij tijdens of na de in artikel 1, onderdeel f, van die regeling
genoemde termijn van vijf jaar onherroepelijk veroordeeld dan wel is
voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een
onherroepelijk geworden strafbeschikking uitgevaardigd.
Overige:
– Het rijbewijs is bij de mededeling
gevoegd.
– Betrokkene beheerst de Nederlandse
taal (van belang voor de verschillende educatieve maatregelen).
– Betrokkene beheerst de volgende
taal of talen (alleen invullen indien betrokkene de Nederlandse taal
niet beheerst):
Aantal bijlage(n) meegestuurd:
Plaats:
Datum:
Handtekening:
Naam:
Functie:
|