| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
REGELING
OPTISCHE EN GELUIDSSIGNALEN
Tekst zoals deze geldt op
5 mei 2008
Vervallen
m.i.v. 1 maart 2009
|
|
|
REGELING houdende aanwijzing hulpverleningsdiensten,
omschrijving werkzaamheden en omstandigheden en vaststelling van
optische en geluidssignalen
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 13, tweede lid, van de
Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990;
Besluit:
Artikel 1
1. Als hulpverleningsdiensten worden
aangewezen die diensten die, voorzover de aan hen opgedragen taak hierin
voorziet, voor het vervullen van een dringende taak worden ingezet
a. in geval van hulpverlening bij rampen, ernstige ongevallen en
bijzondere gebeurtenissen of
b. ter bestrijding of ter voorkoming van (dreigende) ongevallen en
rampen.
2. De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de volgende:
algemeen
a. het Rode Kruis Korps van het Nederlandse Rode Kruis;
b. de ambulancediensten aan wie krachtens de Wet Ambulancevervoer
vergunning is verleend voor het verrichten van ambulancevervoer,
voorzover gebruik wordt gemaakt van daartoe uitgeruste
dienstvoertuigen die aan beide zijden tenminste zijn voorzien van het
in bijlage 1 vastgestelde symbool, alsmede daartoe uitgeruste
voertuigen van andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van
de Centrale Post Ambulancevervoer als bedoeld in de Wet
ambulancevervoer, bezig houden met het verlenen van de eerstelijns
spoedeisende hulpverlening, voor zover die voertuigen aan beide zijden
tenminste zijn voorzien van het in bijlage 1 vastgestelde symbool;
c. de Stichting Rode Kruis Bloedbank ’Zuid-West Nederland’ voor
een spoedtransport van bloed of bloedprodukten in voor de overige
weggebruikers herkenbare dienstauto’s.
d. de afdeling Ongevallenbestrijding van N.S. Beveiligingsservices;
e. de Eenheid Crisisbeheersing van het Ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten behoeve van het gebruik van met
autotelefoon of mobilofoon uitgeruste auto’s;
f. het Wapen der Koninklijke Marechaussee, alsmede andere door de
Minister van Defensie aangewezen bijstandseenheden;
f1. de Stafafdeling Beveiliging, Bewaking & Vervoer van de
Arrondissementale Stafdienst Amsterdam;
kernfysische rampen en ongevallen
g. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
h. het Inspectoraat-Generaal VROM; ten behoeve van het gebruik van
een kernfysische meetauto of met autotelefoon of mobilofoon uitgeruste
auto’s door ambtenaren die door de betrokken minister zijn
aangewezen;
spoorwegongevallen
i. de afdeling Spoorwegpolitie van de N.V. Nederlandse Spoorwegen;
ontploffingsgevaarlijke en andere gevaarlijke (chemische) stoffen
j. de Technische Milieudienst Drechtsteden (TMD);
k. de DCRM Milieudienst Rijnmond;
l. de divisie Rotterdam Port Authority van Havenbedrijf Rotterdam
N.V.;
ten behoeve van het gebruik van uitrukwagens; en
m. de Explosieven Opruimings Diensten van het Ministerie van
Defensie;
vervoer gedetineerden en calamiteiten in penitentiaire inrichtingen
n. de door de Minister van Justitie aangewezen functionarissen van
de Landelijke Vervoersdienst Justitie of de Landelijke Bijzondere
Bijstandsver-lening van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
Vervoer transplantatieorganen en transplantatieteams
o. het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
aangewezen orgaancentrum, bedoeld in artikel 24 van de Wet op de
orgaandonatie, ten behoeve van het spoedeisende vervoer van
transplantatieorganen en het spoedeisende vervoer van
transplantatieteams, voor zover gebruik wordt gemaakt van daartoe
uitgeruste en duidelijk herkenbare voertuigen die tenminste aan beide
zijden zijn voorzien van het in bijlage 1 vastgestelde symbool.
Artikel 2
1. De in artikel 1 aangewezen
hulpverleningsdiensten wijzen bij hen in dienst zijnde personen of
groepen van personen aan, die daartoe ingerichte motorvoertuigen met de
inwerking zijnde optische en geluidssignalen mogen besturen. De in
artikel 1, eerste lid, onderdeel o, aangewezen hulpverleningsdienst
wijst personen aan die in haar opdracht de desbetreffende voertuigen
mogen besturen.
2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing geschiedt voor de
onderdelen e, f, f1, h, m en n van het tweede lid van artikel 1 door de
desbetreffende Minister.
3. De in het eerste lid bedoelde personen worden aangewezen,
nadat zij een speciale instructie hebben gekregen, waarin gewezen wordt
op onder andere de strafrechtelijke en civielrechtelijke consequenties
van het aanrichten van schade tijdens de rit, het gedrag en de reactie
van weggebruikers op de bijzondere signalen en het gewenste rijgedrag
van de betrokken bestuurder.
Artikel 3
De volgende signalen moeten als volgt zijn uitgevoerd:
1. blauw zwaailicht of blauw knipperlicht:
* op een motorvoertuig:
licht aan de bovenzijde van het voertuig, dat rondom licht
uitstraalt dan wel twee lichten, indien door de bouw van het
voertuig één licht niet uit alle verkeersrichtingen voldoende
zichtbaar is;
* op een motorfiets:
in plaats van het licht als bedoeld voor een motorvoertuig mag ook
een licht aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, dat
zowel aan de voorzijde als opzij goed zichtbaar is;
* motorvoertuig ten behoeve van de brandweer:
aan de voorzijde van het voertuig mag op een hoogte van 1,20 m
boven het wegdek bovendien één licht worden gevoerd, indien door
de bouw van het voertuig het aan de voorzijde bevestigde licht
niet kan worden waargenomen door op korte afstand vóór het
voertuig rijdende bestuurders;
2. tweetonige hoorn:
een hoorn die achtereenvolgens de tonen b en e aangeeft in een
geluidsterkte van tenminste 100 decibel;
3. drietonige hoorn:
een hoorn die achtereenvolgens de tonen c - e - g - e aangeeft;
4. geel zwaai- of knipperlicht:
één geel zwaai- of knipperlicht aan de bovenzijde van het
motorvoertuig dan wel twee gele zwaai- of knipperlichten, indien
door de bouw van het voertuig één licht niet uit alle
verkeersrichtingen voldoende zichtbaar is;
5. De meting van de geluidssterkte van de meertonige hoorns vindt
plaats overeenkomstig Hoofdstuk 11 van de Regeling toelatingseisen.
Artikel 4
1. Door een ambulance alsmede door het
Rode Kruis Korps en de Bloedbank als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
onderdelen a en c, mogen een blauw zwaailicht of blauw knipperlicht en
een drietonige hoorn worden gevoerd.
2. Door motorvoertuigen ten dienste van de politie en van de
brandweer alsmede door motorvoertuigen , bedoeld in artikel 1, tweede
lid, onderdelen b en d tot en met o, mogen een blauw zwaailicht of blauw
knipperlicht en een tweetonige hoorn worden gevoerd.
Artikel 5
Bij de volgende werkzaamheden of omstandigheden moet een voertuig,
indien de kans bestaat dat het voertuig niet tijdig door andere
weggebruikers wordt opgemerkt, geel zwaai- of knipperlicht voeren:
a. werkzaamheden ten behoeve van de hulpverlening op of langs de
weg met kennelijk daartoe ingerichte motorvoertuigen;
b. werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen
op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidsbestrijding
of sneeuwruimen;
c. werkzaamheden met kennelijk daartoe ingerichte motorvoertuigen
voor de hulpverlening aan en het repareren of bergen en wegslepen
van voertuigen;
d. vervoer van ondeelbare lading voorzover het voertuigen betreft
waarvoor krachtens het Voertuigreglement ontheffing is verleend
inzake de afmetingen van deze voertuigen of hun lading;
e. het begeleiden van transporten waarvoor een ontheffing is
verleend, voor zover die begeleiding uit de ontheffing voortvloeit
en dit geschiedt met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen;
f. het begeleiden van militaire colonnes;
g. het rijden met landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen
met beperkte snelheid, of daardoor voortbewogen aanhangwagens, die,
met inbegrip van de lading, breder zijn dan 2,60 meter.
Artikel 6
De Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 oktober
1991, nr. RVR 103388, houdende aanwijzing hulpverleningsdiensten,
omschrijving werkzaamheden en omstandigheden en vaststelling van
optische en geluidssignalen (Stcrt. 1991, 202), wordt
ingetrokken.
Artikel 7
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 8
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling optische en
geluidssignalen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
Bijlage. Model symbool
hulpverleningsvoertuigen
Kleuren:
■ = blauw
o = wit

|
|
|