| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
REGELING
VERKEERSLICHTEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 14 van de Wegenverkeerswet
1994;
Besluit:
Artikel 1
Ten aanzien van de toepassing, inrichting, plaatsing, kleur, afmeting
en materiaal van verkeerslichten worden de volgende voorschriften
vastgesteld:
Paragraaf 1.
Definities
1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. verkeerslichten, driekleurige verkeerslichten, tweekleurige
verkeerslichten en tram/bus-lichten: hetgeen daaronder wordt
verstaan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
b. driekleurige fietslichten: driekleurige verkeerslichten
waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht;
c. tweekleurige fietslichten: tweekleurige verkeerslichten
waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht;
d. rijstrooklichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 73
van het RVV 1990;
e. voetgangerslichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel
74 van het RVV 1990;
f. bruglichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 72 van
het RVV 1990;
g. verkeerslantaarns: toestellen voor het tonen van
verkeerslichten;
h. norm NEN 3322: de norm NEN 3322, Verkeersregelinstallaties -
Verkeerslantaarns - Aanvullende eisen, uitgegeven door het
Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 31 oktober
2000;
i. norm NEN 3384: de norm NEN 3384, electrische regeltoestellen
voor wegverkeer, uitgave mei 1991, zoals deze luidt op de datum
van inwerkingtreding van deze regeling;
j. actiepunt: het punt, waar het eerste conflict optreedt van
een verkeersbeweging met een andere verkeersbeweging, met het oog
waarop de verkeersregeling plaatsvindt;
k. norm NEN-EN 12368: de norm NEN-EN 12368,
Verkeersregelinstallaties - Verkeerslantaarns, uitgegeven door het
Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 31 januari
2000.
Paragraaf 2. Algemene eisen
2. Bij de plaatsing van verkeerslichten moet worden vermeden dat
weggebruikers door het verkeerslicht dan wel door de
verkeerslantaarn worden gehinderd in de waarneming van het overige
verkeer.
3. Verkeerslichten moeten zodanig worden geplaatst, dat het voor
weggebruikers duidelijk is naar welk licht zij zich moeten richten.
4. Om verblindingsverschijnselen te voorkomen moet bij nacht de
lichtsterkte worden gereduceerd, tenzij de omgevingsverlichting dit
onnodig of ongewenst maakt.
5. Verkeerslichten moeten voldoen aan de in de normen NEN-EN
12368 en NEN 3322 gestelde eisen, met dien verstande dat bij
toepassing van de eisen van de norm NEN-EN 12368:
a. lantaarns worden toegepast die geschikt zijn voor het
temperatuurgebied volgens klasse B (§ 5.1 NEN-EN 12368);
b. brede bundellichten worden toegepast van type W (§ 6.4
NEN-EN 12368) met:
-
lichtsterkteniveau (§ 6.3/6.4 NEN-EN 12368) volgens A
3/1;
-
maximum fantoomeffect (§ 6.6 NEN-EN 12368) volgens
klasse 2;
-
optisch niveau bij toepassing van symbolen (§ 6.8 NEN-EN
12368) volgens klasse S1; en
-
achtergrondschilden (§ 6.9 NEN-EN 12368) volgens klasse
C4
c. het in § 6.7 NEN-EN 12368 gestelde over gecombineerde
kleuren niet geldt voor maximum fantoomklasse 2.
6. Bij de regeling van het verkeer door middel van drie- of
tweekleurige verkeerslichten, drie- of tweekleurige fietslichten,
tram/bus-lichten en voetgangerslichten moet worden voldaan aan de in
de norm NEN 3384 gestelde eisen met betrekking tot de volgende
punten:
-
4.1 uitgangspunten;
-
4.2 basiseisen;
-
4.3 regeltechnische voorwaarden, voor wat betreft 4.3.4;
-
4.4 verkeersregeltechnische toestanden;
-
4.5 beïnvloeding met de hand;
-
5.1 algemeen;
-
5.2 bewaking;
-
5.4 tijdparameters.
Driekleurige verkeerslichten
7. De verkeerslantaarns van driekleurige verkeerslichten zijn
samengesteld uit een rood, een geel en een groen licht, die in een
verticaal vlak zijn aangebracht; het rode licht boven, het gele
licht in het midden en het groene licht onder.
8. De volgorde, waarin de lichten verschijnen is: groen, geel
rood, groen, enz.
9. De verkeerslantaarns van driekleurige verkeerslichten zijn
samengesteld uit lichten met een gelijke lensmiddellijn van
ongeveer 200 mm of ongeveer 300 mm. Indien buiten de bebouwde kom
richtingpijlen worden gebruikt bedraagt de lensmiddellijn ongeveer
300 mm.
10. Onder een niet boven de rijbaan aangebrachte
verkeerslantaarn van een driekleurig verkeerslicht mag een extra
verkeerslantaarn van een driekleurig verkeerslicht worden
aangebracht; deze extra verkeerslantaarn is samengesteld uit
lichten met een gelijke lensmiddellijn van ongeveer 80 mm.
11. Achtergrondschilden worden aangebracht om of achter de
verkeerslantaarns van driekleurige verkeerslichten. De
achtergrondschilden mogen slechts achterwege blijven, indien de
beschikbare ruimte zo gering is dat het schild zich te dicht naast
de rijbaan zou bevinden.
12. Driekleurige verkeerslichten worden, gezien vanuit de
richting waaruit het verkeer nadert, aan de rechterzijde van de
rijbaan geplaatst. Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m of
indien daaraan uit een oogpunt van waarneembaarheid behoefte
bestaat, worden dergelijke lichten eveneens aan de linkerzijde van
de rijbaan geplaatst.
13. Indien de lichten van een verkeerslantaarn van een
driekleurig verkeerslicht van een richtingpijl zijn voorzien, mag
op wegen waarvan de rijbaan per rijrichting niet in twee of meer
rijstroken is verdeeld worden volstaan met het plaatsen van één
driekleurig verkeerslicht en wel:
-
indien de pijl naar rechts wijst, aan de rechterzijde van
de rijbaan;
-
indien de pijl naar links wijst, aan de linkerzijde van de
rijbaan, met dien verstande dat zich tussen dit licht en het
weggedeelte bestemd voor het verkeer, tot hetwelk het licht
zich richt, geen weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomend
verkeer mag bevinden.
14. In plaats van of als aanvulling op driekleurige
verkeerslichten aan de linker- en/of rechterzijde van de rijbaan
worden driekleurige verkeerslichten boven de rijbaan aangebracht,
indien dit met het oog op de waarneembaarheid en herkenbaarheid
van de verkeerslichten dan wel door het ontbreken van voldoende
ruimte noodzakelijk is.
15. Driekleurige verkeerslichten worden gezien vanuit de
richting waaruit het verkeer nadert aangebracht vóór het
actiepunt. Hiervan mag met betrekking tot boven de rijbaan
aangebrachte lichten worden afgeweken indien tevens rechts van de
rijbaan vóór het actiepunt een driekleurig verkeerslicht is
geplaatst, en mits vóór laatstbedoeld verkeerslicht een
stopstreep is aangebracht.
16. Is bij een driekleurig verkeerslicht een oversteekplaats
voor voetgangers of (brom)fietsen aanwezig, dan mag, in afwijking
van het bepaalde in punt 15, het driekleurige verkeerslicht worden
aangebracht voorbij het actiepunt tot een punt direct na de
oversteekplaats, mits vóór de oversteekplaats een stopstreep is
aangebracht.
17. Bij plaatsing van een driekleurig verkeerslicht ter zijde
van de rijbaan moet de onderkant van het achtergrondschild, dan
wel de onderkant van de verkeerslantaarn, indien geen
achtergrondschild aanwezig is, zich ten minste 2,20 m boven het
wegdek bevinden, met uitzondering van toeritdoseringslichten. De
zijkant van het achtergrondschild moet zich ten minste 0,60 m
naast die rijbaan bevinden.
18. Is een driekleurig verkeerslicht aangebracht boven de
rijbaan, dan moet de onderkant van het achtergrondschild zich
binnen de bebouwde kom ten minste 4,50 m en buiten de bebouwde kom
ten minste 5 m boven het wegdek bevinden.
19. Bij plaatsing van een driekleurig verkeerslicht ter zijde
van de rijbaan bedraagt de afstand van de mast tot de daarvóór
aangebrachte stopstreep voor het gemotoriseerde verkeer ten minste
3 m.
Indien verkeerslantaarns met een geel knipperend
voetgangerslicht als bedoeld in punt 72 worden toegepast bedraagt
de afstand van de mast tot de daarvóór aangebrachte stopstreep
ten minste 6 meter.
20. Bij plaatsing van een driekleurig verkeerslicht boven de
rijbaan bedraagt de afstand van een punt op het wegdek loodrecht
onder de verkeerslantaarn tot de daarvóór aangebrachte
stopstreep voor het gemotoriseerde verkeer binnen de bebouwde kom
ten minste 8 m en buiten de bebouwde kom ten minste 12 m. De
afstand bedraagt maximaal 20 m.
21. Indien zowel ter zijde van een rijstrook als boven die
rijstrook een driekleurig verkeerslicht is geplaatst bedraagt de
afstand van de mast tot de daarvóór aangebrachte stopstreep voor
het gemotoriseerde verkeer ten minste 3 m, met uitzondering van
toeritdoseringslichten.
22. Indien in een verkeerslantaarn van een driekleurig
verkeerslicht een licht van een pijl is voorzien, moet dezelfde
pijl ook in de andere lichten van deze verkeerslantaarn zijn
aangebracht.
23. In een licht mag zich slechts één pijl bevinden. De pijl
mag (schuin) omhoog of horizontaal naar links of naar rechts zijn
gericht.
24. Aan een verkeerslantaarn van een driekleurig verkeerslicht
kan een afzonderlijke verkeerslantaarn met een groen licht, waarin
een pijl is aangebracht, worden toegevoegd.
25. Dit licht wordt naast het groene licht van de
verkeerslantaarn, waaraan het is toegevoegd, aangebracht.
26. Het toegevoegde groene licht mag worden ontstoken
gelijktijdig met het ontsteken van het gele licht dan wel
gedurende de tijd dat het rode licht van de verkeerslantaarn,
waaraan het is toegevoegd, brandt. Het wordt gedoofd gelijktijdig
met het doven van het rode licht van de verkeerslantaarn waaraan
het is toegevoegd.
27. Een toegevoegd groen licht, waarin een pijl is aangebracht,
moet dezelfde lensmiddellijn hebben als de lichten van de
verkeerslantaarn, waaraan het is toegevoegd.
Het gestelde in punt 11 is van overeenkomstige toepassing.
28. Indien bestuurders die afslaan een verkeersstroom, die hen
kruist op grond van de in het RVV 1990 vervatte regels, voor
moeten laten gaan, moeten in geval de verkeersstroom van deze
bestuurders wordt geregeld met een verkeerslicht, voorzien van een
richtingpijl, beide richtingen worden beschouwd als
conflictrichtingen volgens norm NEN 3384 en als zodanig in de
verkeerslichtenregeling worden behandeld.
Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij of rechtsaf voor fietsers vrij
bij verkeerslichten
28a. Aan de verkeerslantaarn van een driekleurig verkeerslicht
kan een bord met de tekst ’Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij’
of ’Rechtsaf voor fietsers vrij’ worden toegevoegd.
28b. Het in punt 28a bedoelde bord wordt aangebracht onder of
rechts naast de verkeerslantaarn waaraan het is toegevoegd.
28c. Indien het in punt 28b bedoelde bord in
verschijnuitvoering in gebruik is, wordt het bord niet getoond
gelijktijdig met het groene licht.
Driekleurige fietslichten
29. Het gestelde in de punten 7, 8, 10, 22, 24 tot en met 28c
is van overeenkomstige toepassing op driekleurige fietslichten.
30. De verkeerslantaarns van driekleurige fietslichten zijn
samengesteld uit lichten met een gelijke lensmiddellijn van
ongeveer 200 mm.
31. Driekleurige fietslichten worden, gezien vanuit de richting
waaruit het (brom)fietsverkeer nadert, rechts van de rijbaan, het
fietspad of de fietsstrook geplaatst.
32. In plaats van of als aanvulling op het driekleurige
fietslicht rechts van de rijbaan, het fietspad of de fietsstrook
mag, indien dit met het oog op de waarneembaarheid en de
herkenbaarheid van fietslichten dan wel door het ontbreken van
voldoende ruimte noodzakelijk is, een driekleurig fietslicht boven
dan wel links van het fietspad of boven de fietsstrook of de
rijbaan worden aangebracht.
33. Driekleurige fietslichten worden gezien vanuit de richting
waaruit het (brom)fietsverkeer nadert aangebracht vóór het
actiepunt.
34. Is bij een driekleurig fietslicht een oversteekplaats voor
voetgangers aanwezig, dan mag, in afwijking van het bepaalde in
punt 33, het driekleurig fietslicht worden aangebracht voorbij het
actiepunt tot een punt direct na de oversteekplaats, mits vóór
de oversteekplaats een stopstreep is aangebracht.
35. Bij plaatsing van een driekleurig fietslicht ter zijde van
de rijbaan, het fietspad of de fietsstrook moet de onderkant van
de verkeerslantaarn dan wel de onderkant van het achtergrondschild
zich ten minste 2,20 m boven het wegdek en de zijkant zich ten
minste 0,60 m naast die rijbaan, dat fietspad of die fietsstrook
bevinden.
36. Is een driekleurig fietslicht aangebracht boven een
fietspad respectievelijk boven een fietsstrook of boven de
rijbaan, dan moet de onderkant van de verkeerslantaarn dan wel de
onderkant van het achtergrondschild zich ten minste 2,50 m
respectievelijk binnen de bebouwde kom 4,50 m en buiten de
bebouwde kom 5 m boven het wegdek bevinden.
37. Indien bij een fietslicht een drukknop is aangebracht door
middel waarvan (brom)fietsers de regeling kunnen beïnvloeden,
wordt bij deze drukknop een afbeelding aangebracht overeenkomstig
afbeelding 1 van bijlage I, behorende bij dit besluit.
38. De drukknop moet vóór de bij het driekleurige fietslicht
behorende stop-streep en op een hoogte van ongeveer 1,25 m worden
aangebracht.
38a. Indien aan conflicterende richtingen voor (brom)fietsers
gelijktijdig groen wordt getoond, kan nabij elk driekleurig
fietslicht een bord volgens bijlage I, afbeelding 3 geplaatst
worden.
Tweekleurige verkeerslichten
39. Het gestelde in de punten 9 tot en met 23 en 28a tot en met
28c is van overeenkomstige toepassing op tweekleurige
verkeerslichten.
40. De verkeerslantaarns van tweekleurige verkeerslichten zijn
samengesteld uit een rood en een geel licht, die in een verticaal
vlak zijn aangebracht: het rode licht boven en het gele licht
onder.
41. De volgorde, waarin de lichten verschijnen, is: geel en
rood; na het tonen van het rode licht wordt geen licht getoond.
42. Voordat het gele licht verschijnt moet gedurende korte tijd
knipperend geel worden getoond, indien ter plaatse de toegestane
maximumsnelheid hoger is dan 50 km per uur. In andere gevallen mag
knipperend geel vooraf worden getoond, indien een waarschuwing
vooraf gewenst wordt geacht.
43. Tweekleurige verkeerslichten mogen worden toegepast in
situaties waarin slechts bepaalde verkeersstromen moeten worden
gestopt en wel
-
op kruisingen en splitsingen van wegen nabij beveiligde
overwegen en beweegbare bruggen. Alleen die richtingen, die de
ontruiming van de overweg of de brug in de weg staan mogen
worden voorzien van tweekleurige verkeerslichten;
-
in geval van automatische detectie van
verkeersovertredingen;
-
in geval van automatische hoogte-detectie;
-
bij uitritten van hulpverleningsdiensten;
-
bij beweegbare bruggen in de plaats van bruglichten. In
afwijking van het bepaalde in punt 39 zijn in dit geval de
punten 9, 10, 12, 14, 17, 18, 19, 20, 21, 88, 89, 90, 97, 98
en 99 van overeenkomstige toepassing.
In deze gevallen worden ten behoeve van het overige verkeer
geen verkeerslichten toegepast.
In de ruststand van een dergelijke regeling zijn de lichten van
de tweekleurige verkeerslichten gedoofd.
44. Tweekleurige verkeerslichten mogen voorts worden toegepast
in situaties waarin een incidenteel voorkomende verkeersstroom
onderling regelen van conflicterende verkeersstromen met
verkeerslichten tijdelijk noodzakelijk maakt en wel
-
bij het oversteken van een weg of rijbaan door langzaam
verkeer;
-
bij het oversteken of afbuigen van of naar een weg of
rijbaan door openbaar vervoer;
-
bij het oversteken van een weg of rijbaan door ander
verkeer bij zeer lage verkeersintensiteiten;
-
‐ bij het gebruik van een uitrit door openbaar
vervoer.
In deze gevallen worden op de hoofdrichting tweekleurige
verkeerslichten toegepast en op de zijrichting al naar gelang het
geval driekleurige verkeerslichten, driekleurige fietslichten,
voetgangerslichten, tram/bus-lichten dan wel een combinatie van
deze lichten.
Zolang zich geen verkeer op de zijrichting heeft gemeld zijn de
lichten van de tweekleurige verkeerslichten gedoofd en wordt in de
op de zijrichting geplaatste verkeerslichten het rode licht
getoond.
45. In andere situaties dan genoemd in de punten 43 en 44
worden tweekleurige verkeerslichten niet toegepast.
Tweekleurige fietslichten
46. Het gestelde in de punten 10, 22, 28.a tot en met 28.c, 30
tot en met 36, 40, 41 en 43 tot en met 45 is van overeenkomstige
toepassing op tweekleurige fietslichten.
Rijstrooklichten
47. De verkeerslantaarns van rijstrooklichten zijn samengesteld
uit:
a. een rood licht voorzien van een kruis;
b. een groen licht voorzien van een loodrecht naar beneden
wijzende pijl;
c. een wit licht voorzien van een schuin naar links naar
beneden wijzende pijl;
d. een wit licht voorzien van een schuin naar rechts naar
beneden wijzende pijl;
e. een wit licht voorzien van de afbeelding van het woord
BUS;
f. een wit licht voorzien van de afbeelding van bord A3 van
bijlage 1 van het RVV 1990 of
g. een wit licht voorzien van de afbeelding van bord F9 van
bijlage 1 van het RVV 1990.
48. Achtergrondschilden worden aangebracht om of achter de
verkeerslantaarns van rijstrooklichten. De achtergrondschilden
mogen slechts in tunnels achterwege blijven.
49. Een rijstrooklicht wordt aangebracht boven de rijstrook
waarvoor het licht geldt en wel met het midden van de lantaarn ter
hoogte van het midden van de rijstrook.
50. De onderkant van het achtergrondschild dan wel van de
verkeerslantaarn, indien geen achtergrondschild aanwezig is, moet
zich binnen de bebouwde kom ten minste 4,50 m en buiten de
bebouwde kom ten minste 5 m boven het wegdek bevinden.
51. Indien boven een rijstrook een licht als bedoeld in punt 47
is ontstoken, dan moet ter plaatse boven elk van de overige
rijstroken, waarvan het gebruik aan het verkeer in dezelfde
richting niet is ontzegd door een doorgetrokken streep op het
wegdek, eveneens een licht als bedoeld in punt 47 zijn ontstoken.
Ten minste één van deze lichten moet een licht als bedoeld in
punt 47 onder b of f zijn.
52. In een rijstrooklicht mag slechts één van de lichten
genoemd in punt 47 zijn ontstoken.
53. Een licht van een rijstrooklicht en een licht van een twee-
of driekleurig verkeerslicht mogen ter plaatse boven dezelfde
rijstrook niet tezamen worden ontstoken.
54. Indien boven een rijstrook een licht als bedoeld in punt 47
onder c of d is ontstoken, dan moet boven dezelfde rijstrook in
een daarna geplaatst rijstrooklicht een licht als bedoeld in punt
47 onder a zijn ontstoken.
55. Tijdens de inschakelprocedure behoeft aan het gestelde in
punt 54 niet te worden voldaan.
Tram/bus-lichten
56.
De verkeerslantaarns van tram/bus-lichten zijn samengesteld uit
twee, drie of vier witte lichten, een geel licht en twee rode
lichten, die zijn aangebracht als aangegeven in bijlage II
behorende bij dit besluit.
Knipperend wit licht mag worden toegepast overeenkomstig het
bepaalde in de punten 70 en 71.
57.
De volgorde, waarin de lichten verschijnen is: wit, geel, rood,
wit, enz.
58.
Tram/bus-lichten zijn samengesteld uit lichten met een gelijke
lensmiddellijn van ongeveer 35 mm.
59.
De opsluitringen van de witte lichten moeten in grijs zijn
uitgevoerd; die van de overige lichten in zwart.
60.
Tram/bus-lichten moeten worden toegepast bij drie- of
tweekleurige verkeerslichten:
-
indien ter plaatse voor trams en/of autobussen een eigen
ruimte, gescheiden van het overige verkeer, beschikbaar is, of
-
indien ter plaatse bestuurders van trams en/of autobussen
vanuit eenrijstrook een richting mogen volgen die aan het
overige verkeer in die rijstrook niet is toegestaan.
61.
Tram/bus-lichten worden zo geplaatst dat het voor de betrokken
bestuurder van de tram en/of autobus duidelijk is naar welk licht
hij zich moet richten. Desgewenst mag bij het tram/bus-licht
worden aangegeven voor welk openbaar vervoermiddel het tram/bus-licht
geldt.
62.
Tram/bus-lichten worden gezien vanuit de richting waaruit het
tram- en/of autobusverkeer nadert direct rechts en/of links
geplaatst van het tramspoor, de rijstrook of de busbaan.
63.
In plaats van of als aanvulling op tram/bus-lichten naast
tramspoor, rijstrook of busbaan mogen tram/bus-lichten boven het
tramspoor, de rijstrook of de busbaan worden aangebracht, indien
dit met het oog op de waarneembaarheid of herkenbaarheid van de
tram/bus-lichten dan wel door het ontbreken van voldoende ruimte
noodzakelijk is.
64.
Tram/bus-lichten worden gezien vanuit de richting waaruit het
tram- en/of autobusverkeer nadert aangebracht vóór het
actiepunt.
65.
Is bij een tram/bus-licht een oversteekplaats voor voetgangers
of (brom)fietsers aanwezig, dan mag, in afwijking van het bepaalde
in punt 64, het tram/bus-licht worden aangebracht voorbij het
actiepunt tot een punt direct na de oversteekplaats.
66.
Bij plaatsing van een tram/bus-licht ter zijde van het
tramspoor, de rijstrook of de busbaan moet de onderkant van de
verkeerslantaarn dan wel de onderkant van het achtergrondschild
zich ten minste 2,20 m boven het wegdek en de zijkant zich ten
minste 0,60 m naast dat tramspoor, die rijstrook of die busbaan
bevinden.
67.
Is een tram/bus-licht aangebracht boven het tramspoor, de
rijstrook of de busbaan dan moet de onderkant van de
verkeerslantaarn dan wel de onderkant van het achtergrondschild
zich binnen de bebouwde kom ten minste 4,50 m en buiten de
bebouwde kom ten minste 5 m boven het wegdek bevinden.
68.
Indien ter plaatse meerdere richtingen moeten worden geregeld
wordt volstaan met één tram/bus-licht indien voor die richtingen
altijd gelijktijdig wit, geel of rood licht wordt getoond. In
andere gevallen wordt voor iedere richting dan wel gelijktijdig
geregelde richtingen een afzonderlijk tram/bus-licht toegepast.
Een en ander geschiedt overeenkomstig de afbeeldingen opgenomen in
bijlage II, behorende bij dit besluit.
69.
Indien aan rechtdoorgaand openbaar vervoer wit licht wordt
getoond, moet aan kruisend en aan met een pijl geregeld,
conflicterend verkeer rood licht worden getoond. Indien aan
afbuigend openbaar vervoer wit licht wordt getoond, moet aan het
verkeer dat wordt doorsneden, rood licht worden getoond.
70.
Knipperend wit licht mag slechts worden toegepast in de
volgende gevallen:
-
voor de onderlinge afwikkeling van openbaar
vervoerbewegingen;
-
voor afslaande autobussen indien aan het rechtdoorgaande
verkeer of afslaande verkeer, waaraan voorrang moet worden
verleend, groen licht of geel licht wordt getoond;
-
indien de openbaar vervoerbeweging op een overigens
geregelde kruising of splitsing van wegen een niet-geregelde
voetgangersbeweging kruist.
71.
De frequentie van het knipperend wit bedraagt 80 tot 120
onderbrekingen per minuut met een licht-donkerverhouding van 1:1.
Voetgangerslichten
72. De verkeerslantaarns van voetgangerslichten zijn
samengesteld uit een rood en een groen licht of uit een geel en
een groen licht, in een verticaal vlak aangebracht. Het groene
licht wordt geplaatst onder het rode of gele licht.
73. De volgorde waarin de lichten verschijnen is:
groen, knipperend groen, rood, groen, enz. dan wel:
groen, knipperend groen, knipperend geel, groen, enz.
74. De verkeerslantaarns van voetgangerslichten zijn
samengesteld uit lichten met een gelijke lensmiddellijn van
ongeveer 200 mm.
75. Het groene en rode licht zijn voorzien van een
voetgangerssymbool.
Het gele licht is voorzien van een afbeelding overeenkomstig
het model van bord J37.
76. Indien nabij een plaats, waar blijkens een verkeersteken op
het wegdek voetgangers plegen over te steken, drie- of
tweekleurige verkeerslichten zijn aangebracht, moet het
voetgangersverkeer worden geregeld door middel van
voetgangerslichten.
77. Het bepaalde in punt 76 is niet van toepassing indien de
breedte van de weg of het weggedeelte, de overzichtelijkheid van
de verkeersbewegingen en de intensiteit, snelheid en samenstelling
van het verkeer een regeling van het voetgangersverkeer overbodig
maken.
78. Voetgangerslichten worden aan weerszijden van de
oversteekplaats aangebracht, zodanig dat zij zich voor de
overstekende voetganger aan het einde van de oversteekplaats
bevinden.
79. Indien een oversteekplaats voor voetgangers wordt
onderbroken door één of meer in de weg gelegen verkeersheuvels
van voldoende breedte wordt elk onderdeel van de aldus onderbroken
oversteekplaats telkens van voetgangerslichten voorzien
overeenkomstig het gestelde in punt 78. Het bepaalde in punt 77 is
van overeenkomstige toepassing.
80. Bij voetgangerslichten moet de onderkant van de
verkeerslantaarn dan wel de onderkant van het achtergrondschild
zich ten minste 2,20 m boven het wegdek en de zijkant zich ten
minste 0,60 m naast de rijbaan bevinden.
81. De frequentie van het knipperend groen bedraagt 80 tot 120
onderbrekingen per minuut met een licht-donkerverhouding van 1:1.
De frequentie en de licht-donkerverhouding van het knipperend
geel komen overeen met die genoemd in punt 114.
82. Zowel de duur van het knipperend groen als de duur van het
groen moet worden afgestemd op de lengte van de oversteekplaats.
83. Bij de bepaling van de duur van de ontruimingsfase na het
knipperend groen moet rekening worden gehouden met de
voetgangerssnelheid ter plaatse. Deze snelheid mag niet op meer
dan 1,20 m per seconde worden gesteld.
84. Indien bij een voetgangerslicht een drukknop is aangebracht
door middel waarvan voetgangers de regeling kunnen beïnvloeden,
wordt bij deze drukknop een afbeelding aangebracht volgens de
afbeeldingen 2 en 2a van bijlage I van deze regeling, die deze
mogelijkheid aangeeft.
85. De drukknop moet op een hoogte van ongeveer 1,25 m worden
aangebracht.
Bruglichten
86. Het gestelde in de punten 9, 12, 14 en 17 tot en met 21 is
van overeenkomstige toepassing op bruglichten.
87. Als bruglicht mag worden toegepast:
a. een knipperend rood licht, of
b. een rood licht.
In de plaats van bruglichten mogen tweekleurige
verkeerslichten worden aangebracht.
88. Achtergrondschilden worden aangebracht om of achter de
verkeerslantaarns van bruglichten. De achtergrondschilden mogen
slechts achterwege blijven, indien de beschikbare ruimte zo gering
is dat het schild zich te dicht naast de rijbaan zou bevinden of
indien de bruglichten uitsluitend zijn bedoeld voor voetgangers
en/of (brom)fietsers.
89. Bruglichten worden gezien vanuit de richting waaruit het
verkeer nadert vóór de slagbomen rechts van de rijbaan geplaatst
en rechts van fiets- en voetpaden.
90. In bruglichten als bedoeld in punt 87, onder a, worden geen
pijlen of symbolen aangebracht.
91. De frequentie van het knipperen van de lichten als bedoeld
in punt 87, onder a, bedraagt minimaal 40 en maximaal 60
onderbrekingen per minuut met een licht-donkerverhouding van 1:1.
92. Indien twee bruglichten als bedoeld in punt 87 onder a op
één mast worden geplaatst, worden deze naast elkaaar
aangebracht. Deze bruglichten hebben een gelijke lensmiddellijn.
93. De onderlinge afstand van de lichten als bedoeld in punt 92
moet gelijk zijn aan eenmaal de lensmiddellijn.
94. De in punt 92 bedoelde lichten moeten beurtelings verlicht
en gedoofd zijn.
95. Indien bruglichten als bedoeld in punt 87 onder b op een
zijweg zijn geplaatst, worden deze lichten van een pijl voorzien.
96. Alle per rijbaan bij elkaar behorende bruglichten dienen
hetzij volgens punt 87 onder a hetzij volgens punt 87 onder b
hetzij volgens punt 92 te zijn uitgevoerd.
97. Bij gebruik van bruglichten mogen op de slagbomen
knipperende rode lichten worden aangebracht.
98. De lichten op de slagbomen mogen slechts branden, zolang
het bijbehorende bruglicht brandt. Het gestelde in de punten 91 en
94 is van overeenkomstige toepassing.
99. De lensmiddellijk van de lichten op de slagbomen bedraagt
ten minste 80 mm.
Gele knipperlichten
100. Als geel knipperlicht wordt toegepast een enkel knipperend
geel licht.
101. Indien twee gele knipperlichten op één mast worden
geplaatst, worden deze lichten boven elkaar aangebracht.
102. Indien op één punt vier gele knipperlichten worden
geplaatst, worden deze aangebracht in de punten van een rechthoek.
103. Het gele licht van drie- of tweekleurige verkeerslichten,
drie- of tweekleurige fietslichten en tram/bus-lichten mag als
knipperlicht worden gebruikt wanneer de verkeerslichten overigens
buiten werking zijn.
104. Voor de plaatsing van gele knipperlichten als bedoeld in
de punten 100, 101 en 102 is het gestelde in de punten 12, 14, 17
en 18 van overeenkomstige toepassing.
105. Gele knipperlichten als bedoeld in punt 100 hebben een
lensmiddellijk van ongeveer 200 mm of ongeveer 300 mm. Indien
buiten de bebouwde kom richtingpijlen worden gebruikt bedraagt de
lensmiddellijn ongeveer 300 mm.
106. Gele knipperlichten als bedoeld in punt 101 hebben een
gelijke lensmiddellijn van ongeveer 200 mm of ongeveer 300 mm.
Indien buiten de bebouwde kom richtingpijlen worden gebruikt,
bedraagt de lensmiddellijn ongeveer 300 mm.
107. Gele knipperlichten als bedoeld in punt 102 hebben een
gelijke lensmiddellijn van ongeveer 125 mm of ongeveer 200 mm.
108. De onderlinge afstand van de lichten als bedoeld in punt
101 moet gelijk zijn aan éénmaal de lensmiddellijn.
109. Achtergrondschilden worden aangebracht om of achter de
verkeerslantaarns van gele knipperlichten. De achtergrondschilden
mogen slechts achterwege blijven indien de beschikbare ruimte zo
gering is dat het schild zich te dicht naast de rijbaan zou
bevinden.
110. Bij een combinatie van een bord ter aanduiding van een
gevaar en gele knipperlichten als bedoeld in de punten 100 en 101
worden de knipperlichten boven het bord geplaatst.
111. Worden de knipperlichten geplaatst ter attendering op een
gevaarlijke kruising of splitsing van wegen, dan worden de
knipperlichten op korte afstand vóór de kruising of splitsing
van wegen geplaatst.
112. Bij plaatsing buiten de bebouwde kom van gele
knipperlichten in combinatie met een verkeersbord van bijlage 1
van het RVV 1990, wordt achter deze combinatie een
achtergrondschild aangebracht.
113. Het samenstel van vier gele knipperlichten als bedoeld in
punt 102 mag worden toegepast om borden en rijstrooklichten die de
bijzondere aandacht van de weggebruikers behoeven. Achter het
samenstel wordt een rechthoekig achtergrondschild aangebracht.
114. De frequentie van het knipperen bedraagt minimaal 40 en
maximaal 60 onderbrekingen per minuut met een
licht-donkerverhouding van 1:1.
115. De in de punten 101 en 102 bedoelde lichten moeten
beurtelings boven dan wel beneden verlicht en gedoofd zijn.
Paragraaf 3. Overgangs- en slotbepalingen
116. Verkeerslichten die in gebruik zijn genomen voor 1 november
2001, of onderdelen daarvan, die niet voldoen aan deze regeling,
voldoen aan de Regeling verkeerslichten zoals deze op 30 april 2001
van toepassing was.
Artikel 2
De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni
1991, nr. RV 93679B, houdende voorschriften over de inrichting,
plaatsing en uitvoering van verkeerslichten (Stcrt. 1991, 133),
wordt ingetrokken.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 4
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verkeerslichten.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 december 1997.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
Bijlage I
Afbeelding 1

Afbeelding 2

Afbeelding 2a

Afbeelding 3

Bijlage II
Tram/buslichten

De richting bij geel en rood wordt bepaald door de grijze ringen rond
de lenzen van het witte licht.
|
|
|