|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 10 van Richtlijn 96/49/EG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1996 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het
vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 235), artikel
4b, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994
en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;
Besluit:
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister:
Minister van Infrastructuur en Milieu;
b. bevoegde autoriteit:
1°. Minister,
2°. een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie,
3°. een met toepassing van de Regeling erkende instanties
vervoer gevaarlijke stoffen erkende instantie, of
4°. voor radioactieve stoffen: Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie in overeenstemming met de Minister;
c. COTIF:
Convention relative aux transports internationaux ferroviaires;
d. richtlijn nr. 2008/68/EG:
richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer
van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260).
2. De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing
op de bijlagen 2 en 3 voorzover daarin niet anders is bepaald.
Artikel 2
Bij deze regeling behoren drie bijlagen:
a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van
gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied over de spoorweg,
zijnde de Nederlandse vertaling van het RID;
b. bijlage 2: voorschriften in afwijking van of in aanvulling op
bijlage 1;
c. bijlage 3: erkende instanties, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel b, 2°.
Artikel 3
Met voorwaardelijk tot het vervoer over de spoorweg toegelaten
gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen,
bedoeld in artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, worden
verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden
genomen.
Artikel 4
1.De Minister kan voorschriften vaststellen die afwijken van de
bijlagen 1, 2 of 3, met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke
stoffen per spoor van en naar landen die partij zijn bij de
Organisation for Cooperation of Railways (OSJD), indien door passende
maatregelen en voorschriften handhaving van eenzelfde
veiligheidsniveau als dat van het RID wordt gegarandeerd.
2.De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, gelden alleen voor
het in die republieken toegelaten vervoer met spoorwegwagons van
gevaarlijke goederen in colli, in bulk of in containers.
Artikel 5
1. De door de bevoegde autoriteiten op voet van het RID
overeengekomen tijdelijke afwijkingen worden in de vorm van een
multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van de andere
lidstaten van de Europese Unie voorgelegd door de bevoegde autoriteit
die het initiatief tot de overeenkomst neemt. Van dergelijke
afwijkingen doet de Minister mededeling aan de Europese Commissie.
2. De afwijkingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend
zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de
verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten
hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.
Artikel 6
Met de in de bij deze regeling behorende bijlagen 1 en 2 vastgestelde
technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan
gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door
of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel door of
vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte.
Artikel 7 [Vervallen per 17-11-2001]
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1999.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vervoer over de spoorweg
van gevaarlijke stoffen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van
de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal
Goederenvervoer van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe
Uitleg 1 te Den Haag.
De
Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
Bijlage 1
[Ligt
ter inzage bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 2, bedoeld in artikel 2,
onderdeel b, van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke
stoffen
AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN
Artikel 1.
[Vervallen]
Artikel 2. Ontheffingen
De Minister verleent een ontheffing als
bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen slechts op
voorwaarden dat de veiligheid niet in gevaar komt en het vervoer
waarvoor de ontheffing wordt verleend duidelijk is gespecificeerd en van
tijdelijke aard is.
Artikel 3. N- en NE-bepalingen
1. De N- of NE-bepalingen in deze
bijlage:
a. zijn een aanvulling op bijlage
1; of
b. treden, voor zover zij met de
overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1 niet
overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde
verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van
bijlage 1.
2. Indien de voorschriften van deze
bijlage uitsluitend van toepassing zijn op niet-grensoverschrijdend
vervoer, is bij de bepalingen de letter ‘N’ vermeld.
3. Indien de voorschriften van deze
bijlage van toepassing zijn zowel op grensoverschrijdend als op
niet-grensoverschrijdend vervoer, zijn bij de bepalingen de letters
‘NE’ vermeld.
Artikel 4.1.3.3 en 1.10.2.4 bewaartermijn
opleidingsdossiers
De werkgever bewaart de dossiers, bedoeld
in randnummers 1.3.3 en 1.10.2.4 van bijlage 1 gedurende de
arbeidsrelatie met de werknemer, die de opleiding heeft genoten.
1.5.1.1 N Multilaterale overeenkomsten
1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag
plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld
in artikel 5 van deze regeling, die door Nederland zijn ondertekend.
2. Bij het vervoer dat voldoet aan de
in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst, worden de
voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in
deze overeenkomst zijn opgenomen.
1.9.5.1 NE Laten staan van spoorwagens
1. In deze NE-bepaling wordt verstaan
onder:
a. laten staan: het feitelijk
aanwezig zijn van een wagen of van wagens in stilstand op een
spoorweg buiten de inrichting van de afzender of geadresseerde,
nadat het rangeerproces op het desbetreffende rangeeremplacement
is afgesloten;
b. onregelmatigheid: een voorval
waarbij de desbetreffende wagen of de lading niet meer voldoet aan
de voorschriften van deze regeling.
2. Het laten staan van wagens met de in
randnummer 1.10.5 van bijlage 1 bedoelde gevaarlijke goederen met een
hoog gevarenpotentieel en wagens waarop zich – conform randnummer
1.1.4.4 van bijlage 1 in het gecombineerde rail/wegvervoer gebruikte
– wegvoertuigen met dergelijke goederen bevinden, is slechts
toegestaan indien de leden 3 tot en met 6 in acht wordt genomen.
3. Alvorens de in het tweede lid
bedoelde wagens te laten staan, worden deze gecontroleerd op
onregelmatigheden. Deze controle wordt tijdens het laten staan ten
minste elke acht uur herhaald, tenzij de wagens onder voortdurend
toezicht staan.
4. Van de controle en het onder
toezicht staan wordt een registratie bijgehouden. Hierin worden ten
minste de volgende gegevens aangegeven:
a. wagennummer;
b. datum en tijdstip van de
controle;
c. geconstateerde
onregelmatigheden;
d. eventueel genomen maatregelen.
5. De controle en het onder toezicht
staan als bedoeld in het derde lid en de registratie, bedoeld in het
vierde lid, geschieden onder verantwoordelijkheid van de vervoerder.
6. De registratie, bedoeld in het
vierde lid wordt gedurende ten minste drie maanden bewaard.
1.9.5.2 NE Melding, toezicht en
afwikkeling van het vervoer van goederen van klasse 1
1. In deze NE-bepaling wordt verstaan
onder:
a. bevoegde militaire autoriteit: de
Minister van Defensie dan wel door deze aangewezen militaire
instanties;
b. militaire zendingen: zendingen van
ontplofbare stoffen die:
1°. in opdracht van de bevoegde
militaire autoriteit of van een instantie van de krijgsmacht van
een bondgenootschappelijke mogendheid worden verzonden door de
Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht; of
2°. in opdracht van de bevoegde
militaire autoriteit worden verzonden aan een militaire
instantie, en waarbij de afzender bij de vrachtbrief een
machtiging van de bevoegde militaire autoriteit heeft gevoegd om
de zending als militaire zending ten vervoer aan te bieden.
2. Melding – Kennisgeving
a. Het ten vervoer aanbieden van
stoffen of voorwerpen van klasse 1 vindt plaats na voorafgaande
kennisgeving aan en in overleg met de vervoerder. Indien meer dan vier
wagens voor het vervoer nodig zijn, geschiedt deze kennisgeving ten
minste vijf dagen tevoren.
b. De vervoerder deelt tijdig aan de
geadresseerde mede, dat een voor hem bestemde zending van stoffen of
voorwerpen van klasse 1 onderweg is.
c. Indien in een trein één of meer
wagens beladen met stoffen of voorwerpen van klasse 1 worden vervoerd,
geeft de vervoerder daarvan tijdig kennis aan de betrokken
verkeersleidingposten.
d. De vervoerder geeft onverwijld van
de aankomst van een zending van stoffen of voorwerpen van klasse 1 op
het station van bestemming, kennis aan geadresseerde.
e. Bij zendingen uit het buitenland
geeft de vervoerder die zending van stoffen of voorwerpen van klasse 1
van de buitenlandse vervoerder overneemt, van de aankomst op het
station van overname onverwijld kennis aan de bevoegde militaire
autoriteit, voorzover het militaire zendingen betreft.
f. Indien een zending aan een andere
vervoerder wordt overgegeven, geeft de vervoerder hiervan zo spoedig
mogelijk kennis aan die vervoerder.
3. Toezicht – Begeleiding
a. Het laden en lossen van militaire
zendingen van stoffen of voorwerpen van klasse 1 geschiedt onder
toezicht van door de bevoegde militaire autoriteit aangewezen
personen.
b. Het laden en lossen van
niet-militaire zendingen geschiedt onder toezicht van een ter zake
deskundige.
c. De bevoegde militaire autoriteit is
in geval van militaire zendingen bevoegd te controleren of de
voorschriften van deze regeling in acht zijn genomen.
d. Militaire zendingen van stoffen of
voorwerpen van klasse 1 worden door of vanwege de bevoegde militaire
autoriteit begeleid, indien hij dit noodzakelijk acht. De begeleiders
nemen tijdens het vervoer plaats in een voor het zitplaatsnemen
ingerichte wagen die zich vóór of achter en tenminste op
veiligheidsafstand als bedoeld in randnummer 7.5.3 van bijlage 1 van
de militaire zending bevindt. Voor zover de aanwezigheid van personen
in wagens niet verboden is, mogen zich in bedoelde wagen slechts die
personen bevinden die door de bevoegde militaire autoriteit zijn
aangewezen voor de begeleiding.
e. De vervoerder stelt aan de
begeleiders, bedoeld in onderdeel d, een aan redelijke eisen voldoende
zitplaats ter beschikking, waarvan de kosten in de tarieven als
bedoeld in het Algemeen Reglement Vervoer worden bepaald.
4. Vervoer
a. Wagens die zijn beladen met stoffen
of voorwerpen van klasse 1 worden niet geheuveld of afgestoten.
b. Indien enig oponthoud van een wagen,
beladen met stoffen of voorwerpen van klasse 1, langer dan drie uur
duurt, geeft de vervoerder hiervan kennis aan de burgemeester van de
gemeente, waarin het oponthoud plaats heeft, opdat deze de naar zijn
oordeel voor de openbare veiligheid nodig geachte maatregelen kan
treffen.
c. Indien aan een wagen beladen met
stoffen of voorwerpen van klasse 1 of aan de lading zelf enige
onregelmatigheid wordt waargenomen, geeft de vervoerder daarvan,
onverminderd artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,
onverwijld kennis aan de burgemeester ter plaatse, aan de bevoegde
militaire autoriteit voorzover het een militaire zending betreft en
aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat voorzover het een
niet-militaire zending betreft. Zonodig wordt de desbetreffende wagen,
met inachtneming van de nodige voorzorgsmaatregelen, uit de trein
verwijderd, in overleg met een begeleider, indien deze aanwezig is.
d. Indien overlading van een wagen die
deel uitmaakt van een militaire zending, beladen met stoffen of
voorwerpen van klasse 1, onvermijdelijk is, geschiedt het overladen
onder toezicht van door de bevoegde militaire autoriteit aangewezen
personen.
5. Aankomst en aflevering
a. Stoffen of voorwerpen van klasse 1
worden zo spoedig mogelijk, doch binnen acht uur nadat de wagens met
deze stoffen of voorwerpen ter lossing gereed zijn gesteld op de
losplaatsen (binnen of buiten het stationsterrein gelegen), gelost en
afgevoerd.
b. Indien een zending van stoffen of
voorwerpen van klasse 1 acht uur na het ter lossing gereed staan op de
losplaats nog niet is weggevoerd, dan wel in zodanig toestand
verkeert, dat verder vervoer gevaarlijk wordt geacht, wordt de zending
onmiddellijk ter beschikking gesteld van de burgemeester ter plaatse,
opdat deze de naar zijn oordeel voor de openbare veiligheid nodig
geachte maatregelen kan treffen.
6. De voorschriften van deze NE-bepaling
zijn niet van toepassing op zendingen die krachtens randnummer 7.6 van
bijlage 1 als expresgoed worden vervoerd.
1.9.5.3 NE Fysieke beveiliging van
kernmateriaal van klasse 7
1. Onder ‘laten staan’ wordt in dit
randnummer verstaan: het feitelijk aanwezig zijn van een wagen of
wagens in stilstand op een spoorweg buiten de inrichting van de
afzender of geadresseerde, nadat het rangeerproces op het
desbetreffende rangeeremplacement is afgesloten.
2. Voor het vervoer van kernmateriaal
van categorie I volgens de Bijlage II bij het Verdrag inzake de
fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7) gelden de
volgende voorschriften:
a. het materiaal wordt vervoerd in
door de afzender afgesloten en verzegelde wagens, containers of
colli;
b. de onder a. bedoelde zendingen
worden vervoerd met speciaal voor het vervoer van deze goederen
bestemde goederentreinen;
c. het krachtvoertuig dat de
wagens, bedoeld onder a, trekt, beschikt over een
telecommunicatievoorziening, waarmee direct contact kan worden
gelegd met de Centrale Meldkamer van de divisie Spoorwegpolitie
van het Korps Landelijke Politiediensten;
d. bij een zending uit het
buitenland overtuigt de vervoerder op het station waar de zending
van de buitenlandse vervoerder wordt overgenomen, zich ervan dat
de transportvergunning bij de zending aanwezig is;
e. de vervoerder organiseert het
vervoer zodanig, dat een oponthoud langer dan drie uur niet
voorkomt. Indien door onvoorziene omstandigheden een dergelijk
oponthoud ontstaat, informeert de vervoerder de Centrale Meldkamer
van de divisie Spoorwegpolitie van het Korps Landelijke
Politiediensten, onder vermelding van het
transportvergunningnummer;
f. het vervoer geschiedt onder
begeleiding van de spoorwegpolitie;
g. de vervoerder treft die
voorzieningen die nodig zijn om het transport zo spoedig mogelijk
uit te voeren. In ieder geval zijn reservemateriaal en -personeel
beschikbaar;
h. de vervoerder geeft van de
aankomst van een zending op het station van bestemming onverwijld
kennis aan geadresseerde. De geadresseerde meldt de aankomst aan
het vergunningverlenend gezag;
i. de zending wordt zo spoedig
mogelijk, doch binnen acht uur nadat de wagens met deze zending
gereed zijn gesteld op de losplaatsen (binnen of buiten het
stationsterrein gelegen), gelost en afgevoerd;
j. de transportvergunninghouder en
de vervoerder zien erop toe dat de gegevens over het transport
slechts bekend zijn bij degenen die rechtstreeks bij het vervoer
betrokken zijn;
k. De transportvergunninghouder
informeert alle betrokken vervoerders over het transport.
3. Voor het vervoer van kernmateriaal
van categorie II en III volgens de Bijlage II bij het Verdrag inzake
de fysieke beveiliging van kernmateriaal gelden de volgende
voorschriften:
a. de onderdelen a, c, d, g, h, i,
j en k, van het tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing;
b. Het laten staan van wagens met
de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde zendingen is
toegestaan indien deze wagens onder voortdurend toezicht staan.
Indien de toestand van laten staan langer duurt dan acht uur,
informeert de vervoerder de Centrale Meldkamer van de divisie
Spoorwegpolitie van het Korps Landelijke Politiediensten, onder
vermelding van het transportvergunningnummer.
1.9.5.4 NE Melding, toezicht en
afwikkeling van het vervoer van UN 1017 chloor
1. Voor het vervoer van UN 1017 chloor
in reservoirwagens of tankcontainers gelden de volgende voorschriften:
a. het vervoer vindt slechts plaats
in treinen of rangeerdelen waarin geen andere reservoirwagens of
tankcontainers zijn opgenomen dan reservoirwagens of
tankcontainers met UN 1017 chloor;
b. tijdens het vervoer is de
snelheid van de trein niet hoger dan zestig kilometer per uur;
c. in tunnels waar voor
goederentreinen een hogere adviessnelheid geldt dan zestig
kilometer per uur, wordt die adviessnelheid aangehouden;
d. naast het reguliere
communicatiesysteem is de trein voorzien van een
communicatiesysteem bedoeld voor veiligheidsberichten tussen
machinist en treindienstleider, dat in bedrijfsvaardige staat
verkeert;
e. voorafgaand aan het vervoer
maakt de vervoerder aan de verkeersleiding duidelijk kenbaar dat
de desbetreffende trein UN 1017 chloor vervoert;
f. in de verkeersinformatiesystemen
van de verkeersleiding wordt een trein die UN 1017 chloor vervoert
duidelijk als zodanig gemarkeerd;
g. de verkeersleiding volgt een
trein met UN 1017 chloor continu op het verkeersinformatiesysteem;
h. de machinist meldt elke
afwijking van meer dan vijf minuten ten opzichte van de
vastgestelde dienstregeling onverwijld aan de verkeersleiding.
Indien nodig, wordt in overleg tussen vervoerder en
verkeersleiding, afhankelijk van de oorzaak, de aard en de omvang
van de afwijking, een nieuwe dienstregeling vastgesteld;
i. de verkeersleiding meldt een
afwijking als bedoeld in onderdeel h, aan de Centrale meldkamer
van de divisie Spoorwegpolitie van het Korps Landelijke
Politiediensten;
j. reservoirwagens en
tankcontainers met UN 1017 chloor worden bij het rangeren niet
geheuveld of afgestoten, maar geplaatst met behulp van een
gekoppeld krachtvoertuig;
k. het vervoer vindt, indien
mogelijk, plaats op een tijdstip waarop zo weinig mogelijk
interactie met ander verkeer plaats kan vinden.
2. De voorschriften van deze
NE-bepaling zijn, met uitzondering van de onderdelen d en j van het
eerste lid, niet van toepassing op lege reservoirwagens en
tankcontainers die nog niet zijn gereinigd van UN 1017 chloor.
4.3.3.4.3 NE Controlemaatregelen na het
beladen van tankcontainers met gassen van klasse 2
a. De afzender controleert na het
vullen van reservoirs met vloeibaar gemaakte, sterk gekoelde vloeibaar
gemaakte of onder druk opgeloste gassen van klasse 2, door weging van
de tankcontainer of de voorgeschreven vullingsgraad van het reservoir
niet is overschreden.
b. De overdruk in de gasfase is niet
meer dan 100 kPa (1 bar) hoger dan de waarde van de dampdruk (absolute
druk) van het vloeibaar gemaakte gas bij de temperatuur van de
vloeistoffase.
c. In afwijking van onderdeel b is voor
UN 1040 ethyleenoxide met stikstof tabel A van randnummer 3.2 van
bijlage 1 van toepassing.
5.2.1.5 N Opschriften op colli met
goederen van klasse 1
Indien de opschriften, bedoeld in
randnummer 5.2.1.5 van bijlage 1, gesteld zijn in het Frans, Duits,
Italiaans of Engels, zijn opschriften in het Nederlands niet
noodzakelijk.
5.4.1.4.1 N Aanduidingen in de
vrachtbrief
Het is toegestaan dat de in randnummer
5.4.1.4.1 van bijlage 1 voorgeschreven aanduidingen in de vrachtbrief
uitsluitend in de Nederlandse taal zijn gesteld.
7.5.1.4 NE Wijze van verzending van
goederen van klasse 1
Behoudens de stoffen en voorwerpen als
bedoeld in randnummer 7.6 van bijlage 1 die als expresgoed mogen worden
vervoerd, worden de stoffen en voorwerpen van klasse 1 uitsluitend als
wagenlading of gesloten lading vervoerd.
Bijlage 3, als bedoeld in artikel 2,
onderdeel c, van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke
stoffen
Erkende instanties
Artikel 1. Erkende instanties
1. In de onderstaande tabel zijn de
erkende instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de
voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover
bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.
2. In afwijking van het eerste lid is
de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van
bijlage 1 voor zover deze betrekking hebben op drukhouders en tanks
als bedoeld in de Regeling vervoerbare drukapparatuur voorbehouden aan
de op grond van die regeling aangewezen instanties.
Tabel 1
| Randnummer |
Instanties |
|
1.1.3.1 d) |
brandweer of politie |
|
1.3.3, eerste volzin |
IVW |
|
1.4.2.2.4, 1.8.1.1, 1.8.1.2.
1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3, 1.8.3.5, 1.8.5.1 |
IVW |
|
1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10,
1.8.3.14, 1.8.3.16 |
CBR |
|
1.9.4 |
DGMo |
|
1.10.2.4, eerste volzin |
IVW |
|
1.10.3.2.2, Opmerking |
politie |
|
2.2.1.1, voor zover het betreft de
autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria |
TNO DV |
|
2.2.1.1.3 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
2.2.1.1.7.2 |
IVW |
|
2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer
0190 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
2.2.41.1, voor zover het betreft de
autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria,
2.2.41.1.13
2.2.51.1, voor zover het betreft de
autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria,
2.2.52.1.8 |
TNO DV |
|
2.2.62.1.9, Opmerking, 2.2.62.1.12 |
EL&I of VWS |
|
3.1.2.6 |
LRN |
|
3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en
178 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
3.3.1, bijzondere bepalingen 181,
237, 266, 271, 272 en 278 |
TNO DV |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 239 |
IVW |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 283 |
LRN |
|
3.3.1, bijzondere bepalingen 288,
309, 311 |
TNO DV |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 637 |
Minister |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 645 |
IVW |
|
4.1.1.15 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
4.1.3.6 |
LRN |
|
4.1.4.1, P099, P101 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.1.4.1, P200, P201 |
LRN |
|
4.1.4.1, P405 (2) b) |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.1.4.1, P601 (3) g) |
TNO C |
|
4.1.4.1, P620, P650 |
EL&I of VWS |
|
4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905 |
LRN |
|
4.1.4.2 IBC99, 4.1.4.2 IBC520,
4.1.4.3 LP99 |
TNO DV |
|
4.1.4.3 LP902 |
LRN |
|
4.1.5.15, 4.1.5.18 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.1.7.2.2 |
TNO DV |
|
4.1.8.7 |
EL&I of VWS |
|
4.1.10.4, MP21 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.2.1.7, 4.2.1.9.1 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3 |
LRR in overeenstemming met TNO DV |
|
4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1 |
LRR/LRN |
|
4.2.5.3 TP4, TP9, TP10, TP16, TP24 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
4.3.2.1.5, voetnoot 2 |
LRR/LRN |
|
4.3.2.1.7 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
4.3.3.2.5 |
LRR/LRN |
|
4.3.5, TU39 |
LRR in overeenstemming met TNO DV |
|
5.2.2.1.9 |
TNO DV |
|
6.1.1.2, 6.1.1.4 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.1.3.1, 6.1.3.8 |
TNO C |
|
6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5,
6.1.5.1.10, 6.1.5.2.5, 6.1.5.8.2 |
TNO C |
|
6.2.1.4.1, 6.2.1.4.2, 6.2.1.5.1 g),
6.2.1.6.1, 6.2.1.7.2, 6.2.2.1.1, Opmerking 2, 6.2.2.5.2,
6.2.2.5.3, 6.2.2.5.4, 6.2.2.5.5, 6.2.2.6.2, 6.2.2.6.3, 6.2.2.6.4,
6.2.2.7.2 d), 6.2.2.7.4, 6.2.2.7.7, 6.2.2.7.8, 6.2.2.9.2,
6.2.2.9.4, 6.2.2.10, 6.2.3.4.2, 6.2.3.5, 6.2.3.6.1, 6.2.5.4.2,
6.2.6.3.2.2, 6.2.6.3.3 |
LRN |
|
6.3.2.1, 6.3.2.2 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.3.4.2, 6.3.4.3, 6.3.5.1.1,
6.3.5.1.3, 6.3.5.1.5, 6.3.5.1.7, 6.3.5.1.8, 6.3.5.5.2 |
TNO C |
|
6.5.1.1.2 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.5.1.1.3 |
TNO C |
|
6.5.4.1 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.5.2.1.1, 6.5.2.2.5, 6.5.4.4.1,
6.5.6.1.1, 6.5.6.2.1, 6.5.6.2.3, 6.5.6.3.4, 6.5.6.14.2. |
TNO C |
|
6.6.1.2, 6.6.1.3 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.6.3.1, 6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3,
6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8, 6.6.5.4.3 |
TNO C |
|
6.7.1.2 |
LRR/LRN |
|
6.7.2.2.1, 6.7.2.2.10, 6.7.2.2.14 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1 |
LRR/LRN |
|
6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3,
6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1, 6.7.2.12.2.4,
6.7.2.18.1, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1,
6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1, 6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5,
6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2,
6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10
6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1,
6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b) |
LRR/LRN |
|
6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3,
6.7.5.11.1 |
LRR/LRN |
|
6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.8.2.1.20 |
LRR/LRN |
|
6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.8.2.2.10 |
LRR |
|
6.8.2.3.1, 6.8.2.3.3, 6.8.2.4.1
voetnoot 9, 6.8.2.4.2 voetnoot 9, 6.8.2.4.5 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.8.2.4.6 |
LRR, voor zover het betreft de
deskundige in de zin van 6.8.2.4.5 |
|
6.8.2.7 |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.8.3.2.16, 6.8.3.2.26, 6.8.3.4.4 |
LRR/LRN |
|
6.8.3.4.6 b) |
LRR/LRN/klassenbureau |
|
6.8.3.4.12, 6.8.3.4.16, 6.8.3.7 |
LRR/LRN |
|
6.8.4 TA4, TT2, TT7, TT9 |
LRR |
|
6.8.4 TA2 |
LRR in overeenstemming met TNO DV |
|
6.8.5.2.2 |
LRR/LRN |
|
6.9.1.1, 6.9.2.1, 6.9.2.5,
6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1, 6.9.5.3 |
LRR |
|
6.11.2.4, 6.11.4.4 (Code BK1) |
LRR |
|
7.3.2.6.2 |
IVW |
|
7.3.3, VW12, VW13 |
LRR |
|
7.5.2.2 voetnoot a) |
LRR |
|
7.7 d) |
brandweer of politie |
Artikel 2
In de tabel in artikel 1 wordt verstaan
onder:
brandweer: brandweerdiensten, met
uitzondering van de bedrijfsbrandweer als bedoeld in het Besluit
bedrijfsbrandweren;
CBR: Stichting Centraal Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen;
Defensie: Minister van Defensie,
namens deze de Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen;
DGMo: Minister, namens deze de
directeur-generaal Mobiliteit;
EL&I: Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie;
IVW: Minister, namens deze de
Inspecteur-Generaal Verkeer en Waterstaat;
klassenbureau: privaatrechtelijke
organisatie die keuringen van tankcontainers of transporttanks
uitvoert in opdracht van de fabrikant, de eigenaar of de gebruiker
van tankcontainers of transporttanks en die is erkend overeenkomstig
artikel 3 van deze bijlage;
LRN: Lloyd’s Register Nederland B.V.;
LRR: Lloyd’s Register Rail Europe
B.V.;
1°. Lloyds’s Register Rail
Europe B.V., of
2°. inzake reservoirs voor
gassen (RID-klasse 2): Lloyd’s Register Nederland B.V.;
1°. Lloyd’s Register Rail
Europe B.V.;
2°. inzake reservoirs voor
gassen (RID-klasse 2): Lloyd’s Register Nederland B.V., of
3°. klassenbureau, voor zover
het betreft tankcontainers of transporttanks voor gevaarlijke
stoffen, met uitzondering van gassen van klasse 2 (behoudens de
dichtheidsproef);
politie: Korps landelijke
politiediensten dan wel de regiopolitie in de desbetreffende regio;
TNO DV: kerngebied Defensie en
Veiligheid van de Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
TNO C: TNO Certification B.V. van de
Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk
onderzoek;
VWS: Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport.
Artikel 3. Erkenningsvoorwaarden
1. Een in artikel 1 erkende instantie,
met uitzondering van bij de Staat der Nederlanden behorende organen,
de politie en de brandweer, bedoeld in artikel 2:
a. heeft rechtspersoonlijkheid;
b. is redelijkerwijs onafhankelijk
van de betrokken opdrachtgever;
c. beschikt over voldoende
vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste
MBO-niveau;
d. beschikt over een geschikt
kwaliteitsborgingssysteem, en
e. voldoet aan andere door de
Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de
desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.
2. De Minister kan een erkenning
intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan
het eerste, derde of vierde lid.
3. De erkende instantie, bedoeld in het
eerste lid, verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het
kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen,
bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de
redenen voor weigeringen tot goedkeuring.
4. De erkende instantie, bedoeld in het
eerste lid, verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister
verlangd worden door de Inspecteur-Generaal Verkeer en Waterstaat en
die betrekking hebben op het eerste lid voor zover betreffende
handelingen met betrekking tot wagens en tanks als bedoeld in bijlage
1.
|