|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 10 van Richtlijn 94/55/EG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994 betreffende
de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het
vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG 94 L 319),
artikel 10 van Richtlijn 95/50/EG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor
de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG
L 249), artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, van de
Wegenverkeerswet 1994 en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke
stoffen;
Besluit:
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister:
Minister van Infrastructuur en Milieu;
b. bevoegde autoriteit:
1°. Minister,
2°. een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie, of
3°. een met toepassing van de Regeling erkende instanties
vervoer gevaarlijke stoffen erkende instantie;
c. richtlijn nr. 2008/68/EG:
richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer
van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260);
d. richtlijn nr. 95/50/EG:
richtlijn nr. 95/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 6
oktober 1996 betreffende uniforme procedures voor de controle op het
vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L249).
2. De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing
op de bijlagen 2, 3 en 4 voorzover daarin niet anders is bepaald.
Artikel 2
Bij deze regeling behoren vier bijlagen:
a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van
gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van
de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;
b. bijlage 2: voorschriften in afwijking van of in aanvulling op
bijlage 1;
c. bijlage 3: erkende instanties, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel b, 2°;
d. bijlage 4: rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer
over land van gevaarlijke stoffen.
Artikel 3
Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke
stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen, bedoeld in
artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, worden verricht,
mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.
Artikel 4
1. De door de bevoegde autoriteiten op basis van randnummer 1.5.1.1
van de ADR overeengekomen tijdelijke afwijkingen worden in de vorm van
een multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van de
andere lidstaten van de Europese Unie voorgelegd door de bevoegde
autoriteit die het initiatief tot de overeenkomst neemt. Van
dergelijke afwijkingen doet de Minister mededeling aan de Europese
Commissie.
2. De afwijkingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend
zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de
verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten
hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.
Artikel 5 [Vervallen per 04-01-2002]
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1999.
Artikel 7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vervoer over land van
gevaarlijke stoffen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van
de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal
Goederenvervoer van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe
Uitleg 1 te Den Haag.
De
Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
Bijlage 1
[Ligt
ter inzage bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 2, bedoeld in artikel 2,
onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke
stoffen
Aanvullende Voorschriften
Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend
binnenlands vervoer
Artikel 1. Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op
vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland
plaatsvindt.
Artikel 2. Ontheffingen
De Minister verleent een ontheffing als
bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen slechts op
voorwaarden dat de veiligheid niet in gevaar komt en het vervoer
waarvoor de ontheffing wordt verleend duidelijk is gespecificeerd en van
tijdelijke aard is.
Artikel 3. N-bepalingen
De N-bepalingen in dit hoofdstuk:
a. zijn een aanvulling op bijlage 1;
of
b. treden, voor zover zij met de
overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1 niet
overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde
verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van
bijlage 1.
1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten
1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag
plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in
randnummer 1.5.1.1 van bijlage 1, die door Nederland zijn ondertekend.
2. Bij het vervoer dat voldoet aan de in
het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de
voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze
overeenkomst zijn opgenomen.
5.1.2.1./5.2.1 N Opschriften en
kenmerking
De opschriften en kenmerkingen op colli,
containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van
colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of
Engelse taal.
5.4.1.4. N Vervoerdocument
Het is toegestaan dat in het
vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld
in de Nederlandse taal.
6.8.3.2. N Uitrusting van tankwagens voor
propaan, butaan en mengsels daarvan
In Nederland geregistreerde tankwagens,
bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn
voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het
bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer
6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het
bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de
veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De
bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in
de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de
rechterachterzijde van de tank.
Tankwagens, bestemd voor het vervoer van
propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een
wegrijdalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een
aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een
knipperende rode lamp op het dashboard en een intermitterende claxon in
de cabine.
6.8.3.4. N Inspectie
In Nederland geregistreerde tankwagens,
bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden
iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan
een controle op de goede werking van de uitrusting.
7.5.7.5/8.3.3 Openen van colli
In afwijking van randnummers
7.5.7.5/8.3.3 van Bijlage 1, mag de chauffeur of de bijrijder:
a. een buitenverpakking openen die
gevaarlijke stoffen bevat, die als pesticiden worden toegepast;
b. een IBC openen, waarin UN1202,
dieselolie, gasolie of lichte stookolie wordt vervoerd.
Dit openen is uitsluitend toegestaan voor
het direct afleveren van genoemde stoffen in de land- en de wegenbouw
alsmede op bouwplaatsen.
8.1.2. N Documenten die het vervoer
moeten begeleiden
Indien voor het betrokken vervoer
ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het
vervoerdocument gevoegd.
8.2.1. N Speciale opleiding van de
bestuurder
Het bepaalde in randnummer 8.2.1 van
bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:
a. motorrijtuigen met beperkte
snelheid als bedoeld in de Regeling voertuigen, waarmee lege,
ongereinigde tanks met een capaciteit van ten hoogste 3 m3 worden
vervoerd, die dieselolie, gasolie en lichte stookolie hebben bevat;
of
b. brandweervoertuigen die
gevaarlijke stoffen bevatten, mits:
1°. op deze voertuigen
gediplomeerd brandweerpersoneel in de zin van het Besluit
brandweerpersoneel aanwezig is; en
2°. het met diploma behaalde
veiligheidsniveau van dit personeel is gewaarborgd.
9.2.3.1. N Reminrichting
Voor wat betreft het duurremsysteem is
randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op
motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.
9.7.5.1. N Stabiliteit
In afwijking van de tweede volzin van
randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland
geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen
van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan de daaromtrent in
de Regeling voertuigen gestelde eisen.
Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer
op Nederlands grondgebied
Artikel 1. Toepassingsbereik
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk
vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en:
a. is gebaseerd op de randnummers
1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4, of
b. dient ter invulling van specifiek
in de randnummers van bijlage 1 opgenomen bevoegdheden.
2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing
op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en
hoofdstuk 3.4 van bijlage 1.
Artikel 2. Laad- en losplaats
Het is verboden met een tankwagen,
afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC of
bulkcontainer gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van
bijlage 1 te laden of te lossen elders dan:
a. op het adres van de afzender,
vuller, belader en de geadresseerde, of
b. op plaatsen waar gevaarlijke
stoffen worden aangewend.
Artikel 3. Tunnelregime
1. Beperkingen voor het vervoer van de
gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie C in randnummer
1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:
a. de Beneluxtunnel, gelegen in de
A4 tussen Vlaardingen en Hoogvliet;
b. de Coentunnel, gelegen in de A10
te Amsterdam;
c. de Drechttunnel, gelegen in de
A16 tussen Zwijndrecht en Dordrecht;
d. de Kiltunnel, gelegen in de S43
tussen Dordrecht en ’s-Gravendeel;
e. de Noordtunnel, gelegen in de
A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam;
f. de Sytwendetunnel, gelegen in de
N14 te Leidschendam–Voorburg;
g. de Thomassentunnel, gelegen in
de N15 te Rotterdam;
h. de Vlaketunnel, gelegen in de
A58 tussen Kruiningen en Kapelle;
i. de Waterwolftunnel, gelegen in
de N201 tussen Aalsmeer en Haarlemmermeer;
j. de Westerscheldetunnel, gelegen
in N62 tussen Terneuzen en Goes;
k. de Wijkertunnel, gelegen in de
A9 tussen Beverwijk en Velsen;
l. de Zeeburgertunnel, gelegen in
de A10 te Amsterdam.
2. Beperkingen voor het vervoer van de
gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie D in randnummer
1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:
a. de Botlektunnel, gelegen in de
A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg;
b. de Heinenoordtunnel, gelegen in
de A29 tussen Barendrecht en Oud‑Beijerland;
c. de Hubertustunnel, gelegen in de
N14 te Den Haag;
d. de IJtunnel, gelegen onder het
IJ te Amsterdam;
e. de Koningstunnel, gelegen in de
Koningskade te Den Haag;
f. de Maasboulevardtunnel, gelegen
in de gemeente Maastricht;
g. de Maastunnel, gelegen onder de
Nieuwe Maas, te Rotterdam;
h. de Piet Heintunnel, gelegen
onder het Amsterdam-Rijnkanaal te Amsterdam;
i. de Velsertunnel, gelegen in de
A22, tussen Beverwijk en Velsen.
3. Beperkingen voor het vervoer van de
gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie E in randnummer
1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor de ArenAtunnel, gelegen onder de
Amsterdam ArenA, te Amsterdam.
4. De in dit artikel bedoelde tunnels
worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt
een onderbord geplaatst waarop met een hoofdletter de categorie van de
desbetreffende tunnel, overeenkomstig dit artikel, wordt aangeduid.
Artikel 4
Het vervoer van de stoffen die in tabel 1
zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Tabel 1
| Klasse |
Vervoer in tanks |
Losgestort vervoer |
Vervoer in colli in
hoeveelheden groter dan 1.1.3.6 |
|
1 |
Alle stoffen |
Alle stoffen |
Vuurwerk met de UN-nummers 0336 en
0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20
kilogram alsmede alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden
als bedoeld in 1.1.3.6 met uitzondering van de stoffen en
voorwerpen genoemd onder subklasse 1.4 |
|
2 |
Alle brandbare en/of giftige gassen
waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 en/of 2.3 is
voorgeschreven |
|
|
|
4.1 |
|
|
Zelfontledende stoffen met
explosieve eigenschappen
(type B), stoffen waarvoor een
etiket volgens modelnr. 4.1 en 1 is voorgeschreven |
|
4.2 |
Stoffen van verpakkingsgroep I |
|
|
|
4.3 |
Alle stoffen |
Alle stoffen |
|
|
5.2 |
|
|
Organische peroxides met explosieve
eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens
modelnr. 5.2 en 1 is voorgeschreven |
|
6.1 |
Stoffen van verpakkingsgroep I die
specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de
juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.2.1 van bijlage 1
of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1 |
|
|
|
8 |
De stoffen met de volgende
UN-nummers: 1829, 2240, 2502 en 2817 |
|
UN-nummer 2502 |
|
lege tanks, voertuigen of
containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen |
|
|
|
Artikel 5. Laden en lossen
Het laden of lossen van ontplofbare
stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per
transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van
randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336
en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram
geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.
Artikel 6. Weersomstandigheden
1. Indien het zicht door
weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter,
is het niet toegestaan:
a. gevaarlijke stoffen te vervoeren
in transporteenheden met tanks waarvan de capaciteit meer dan 3000
liter is;
b. vuurwerk te vervoeren boven de
vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6, alsmede
vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto
explosieve massa van meer dan 20 kilogram.
2. Het is niet toegestaan gevaarlijke
stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden
die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde
hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met
de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van
meer dan 20 kilogram:
a. indien door weersomstandigheden
het zicht minder is dan 50 m; of
b. bij glad wegdek.
3. De Minister kan ontheffing verlenen
van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:
a. sprake is van langdurige gladheid;
en
b. het spoedeisende karakter van het
vervoer naar zijn oordeel genoegzaam is aangetoond.
Artikel 7. Zout veer
1. Onder ‘zout veer’ wordt verstaan:
schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de
bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende
trajecten:
a. Den Helder–Texel;
b. Harlingen–Vlieland;
c. Harlingen–Terschelling;
d. Holwerd–Ameland;
e. Lauwersoog–Schiermonnikoog.
2. Tabel 2 vermeldt de stoffen, wijze van
vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout
veer.
3. Het vervoer van andere gevaarlijke
stoffen dan vermeld in tabel 2, is slechts toegestaan indien het
betreft:
a. ten hoogste twee transporteenheden
als laatste geplaatst op een open rijdek; of
b. ten hoogste één transporteenheid
als laatste geplaatst op een gesloten rijdek.
4. Op een gesloten rijdek van een zout
veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met stoffen
van klasse 3 met verpakkingsgroep I en II.
5. Rondom de transporteenheden beladen
met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte
aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf
meter ten opzichte van passagiers.
6. De bestuurder of bijrijder van een
transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij
zijn voertuig.
7. De bestuurder van een transporteenheid
beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 2,
verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel
aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde
informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke
stoffen.
8. Rederijen kunnen aanvullende of
beperkende maatregelen treffen.
Tabel 2
| Klasse |
Vervoer in tanks |
Losgestort vervoer |
Vervoer in colli in
hoeveelheden groter dan 1.1.3.6 |
|
1 |
Alle stoffen |
Alle stoffen |
a. alle stoffen en
b. vuurwerk met de UN-nummers 0336
en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20
kilogram |
|
2 |
Alle brandbare en/of giftige gassen
waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 en/of 2.3 is
voorgeschreven. |
|
Alle brandbare gassen waarvoor een
etiket volgens modelnr. 2.1 is voorgeschreven. |
|
3 |
Stoffen met bijkomend gevaarsetiket
6.1 en/of 8 van verpakkingsgroep I en II. |
|
Stoffen met bijkomend gevaarsetiket
6.1 en/of 8 van verpakkingsgroep I en II. |
|
4.1 |
|
|
Zelfontledende stoffen met
explosieve eigenschappen (type B ), stoffen waarvoor een etiket
volgens modelnr. 4.1 en 1 is voorgeschreven. |
|
4.2 |
Alle stoffen |
Alle stoffen |
Alle stoffen |
|
4.3 |
alle stoffen |
alle stoffen |
alle stoffen |
|
5.2 |
alle stoffen |
|
alle stoffen |
|
6.1 |
Stoffen van verpakkingsgroep I die
specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de
juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.2.1 van bijlage 1
of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage
1. |
|
Stoffen van verpakkingsgroep I die
specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de
juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.1.2 van bijlage 1
of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1 |
|
6.2 |
UN-nummers 2814, 2900 |
|
UN-nummers 2814, 2900 |
|
8 |
alle stoffen |
alle stoffen |
alle stoffen |
|
lege tanks, voertuigen of
containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen |
|
|
|
Artikel 8. Pont
Bij het kruisen van een binnenwater zijn
op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als
bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:
a. een transporteenheid beladen met
ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1;
b. wordt met voorrang op de pont
toegelaten boven andere voertuigen of personen;
c. tijdens een transport als bedoeld
in onderdeel a bevinden zich geen andere voertuigen of personen op
de pont, tenzij deze personen behoren tot de bemanning van de
transporteenheid dan wel benodigd zijn voor de bediening van de
pont;
d. transporteenheden met tank(s)
geëtiketteerd en gekenmerkt ingevolge randnummers 5.3.1 en 5.3.2
van bijlage 1 worden zodanig op de pont geplaatst dat zij snel
kunnen worden verwijderd; en
e. de bestuurder van een
transporteenheid, beladen met gevaarlijke stoffen, verstrekt,
alvorens de pont op te rijden, aan de schipper dan wel aan een
daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde
informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde
gevaarlijke stoffen.
Artikel 9. Kenmerking en etikettering der
voertuigen
Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers
zijn voorzien van de etikettering en kenmerking die ingevolge
randnummers 5.3.1 en 5.3.2 van bijlage 1 zijn voorgeschreven als zijnde
aan een trekkend voertuig gekoppeld.
Artikel 10. Toelating van voertuigen en
tankcontainers
1. De volgende voertuigen en
tankcontainers kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt,
indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:
a. in Nederland geregistreerde,
ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in
randnummer 9.1.3.1 van bijlage 1; of
b. in Nederland geregistreerde,
ingevolge deze regeling keuringsplichtige tankcontainers.
2. De goedkeuring wordt geweigerd, indien
een transportmiddel als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van
de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen
transportmiddelen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet
voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd indien de technische
inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de
Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.
4. De eigenaar of houder van een
transportmiddel als bedoeld in het eerste lid stelt na een aanrijding of
ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de
Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.
5. De eigenaar of houder van een
transportmiddel als bedoeld in het eerste lid zorgt dat dit
transportmiddel voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt
aangeboden:
a. telkenmale voordat de laatste
goedkeuring haar geldigheid verliest;
b. na een belangrijke herstelling; of
c. wanneer de Dienst Wegverkeer een
onderzoek om redenen van veiligheid noodzakelijk acht.
6. Indien uit het onderzoek, bedoeld in
het vijfde lid, blijkt dat een transportmiddel als bedoeld in het eerste
lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan
verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat
uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer
nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het
hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument
innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op
eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het
keuringsdocument af te geven.
7. Indien een transportmiddel als bedoeld
in het eerste lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid voor
keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument
innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het
keuringsdocument aan hem af te geven.
8. Tot 1 januari 2014 is dit artikel van
overeenkomstige toepassing op in Nederland in gebruik zijnde kleine
mobiele tanks waaronder worden verstaan vaste tanks met een inhoud van
ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of
lichte stookolie.
Artikel 11. 1.3.3 en 1.10.2.4
Bewaartermijn opleidingsdossiers
De werkgever bewaart de dossiers, bedoeld
in randnummers 1.3.3 en 1.10.2.4 van bijlage 1 gedurende de
arbeidsrelatie met de werknemer, die de opleiding heeft genoten.
Hoofdstuk III. Implementatie van
richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle
op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg
Artikel 1
De Inspecteur-Generaal van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter
goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden
toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de
weg, bedoeld in artikel 2.
Artikel 2
1. Het toezicht op de naleving waarvoor
met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:
a. heeft betrekking op een
representatief deel van het vervoer;
b. wordt verricht overeenkomstig
artikel 3 van verordening (EEG) nr. 4060/89 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de afschaffing
van controles aan de grenzen van de lidstaten voor wegvervoer en
binnenvaart (PbEG L 390) en verordening (EEG) nr. 39123/92 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in
de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde
controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer
toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 359);
c. wordt uitgevoerd met toepassing
van de controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn
nr.95/50/EG;
d. wordt uitgevoerd door middel van
steekproeven en omvat zoveel mogelijk een groot deel van het
wegennet.
2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd,
ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de
verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de
controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 95/50/EG.
Artikel 3
1. De plaats waar het toezicht op de
naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen,
dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met
de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo
nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat
de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.
2. Indien het toezicht op de naleving in
de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld
overeenkomstig bijlage II van richtlijn nr. 95/50/EG, wordt het
betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in
overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere
naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.
Artikel 4
Indien bij het toezicht op de naleving
als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel
van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer
en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor
de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die
zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie
ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de
Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat of de
Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de
desbetreffende lidstaat.
Artikel 5
Indien een bevoegde instantie van een
andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het
vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de
veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn
begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland
gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder
passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie
mededeling van de genomen maatregelen.
Artikel 6
Indien een bevoegde instantie van een
andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het
vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het
toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke
voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de
desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling
van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming
uitgevoerde toezicht op de naleving.
Bijlage 3, als bedoeld in artikel 2,
onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Artikel 1. Erkende instanties
1. In de onderstaande tabel zijn de
erkende instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de
voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover
bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.
2. In afwijking van het eerste lid is
de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van
bijlage 1 voor zover deze betrekking hebben op drukhouders en tanks
als bedoeld in de Regeling vervoerbare drukapparatuur voorbehouden aan
de op grond van die regeling aangewezen instanties.
Tabel 1
| Randnummer |
Instanties |
|
1.1.3.1 d) |
brandweer of politie |
|
1.3.3, eerste volzin |
IVW |
|
1.4.2.2.4, 1.8.1.1, 1.8.1.2.
1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3, 1.8.3.5, 1.8.5.1 |
IVW |
|
1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10,
1.8.3.14, 1.8.3.16 |
CBR |
|
1.9.4 |
DGMo |
|
1.10.1.6 |
CBR |
|
1.10.2.4, eerste volzin |
IVW |
|
1.10.3.2.2, Opmerking |
politie |
|
2.2.1.1, voor zover het betreft de
autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria |
TNO DV |
|
2.2.1.1.3 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
2.2.1.1.7.2 |
IVW |
|
2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer
0190 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
2.2.41.1, voor zover het betreft de
autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria,
2.2.41.1.13
2.2.51.1, voor zover het betreft de
autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria,
2.2.52.1.8 |
TNO DV |
|
2.2.62.1.9, Opmerking, 2.2.62.1.12 |
EL&I of VWS |
|
3.1.2.6 |
LR |
|
3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en
178 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
3.3.1, bijzondere bepalingen 181,
237, 266, 271, 272 en 278 |
TNO DV |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 239 |
IVW |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 283 |
LR |
|
3.3.1, bijzondere bepalingen 288,
309, 311 |
TNO DV |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 637 |
Minister |
|
3.3.1, bijzondere bepaling 645 |
IVW |
|
4.1.1.15 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
4.1.3.6 |
LR |
|
4.1.4.1, P099, P101 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.1.4.1, P200, P201 |
LR |
|
4.1.4.1, P405 (2) b) |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.1.4.1, P601 (3) g) |
TNO C |
|
4.1.4.1, P620, P650 |
EL&I of VWS |
|
4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905 |
LR |
|
4.1.4.2 IBC99, 4.1.4.2 IBC520,
4.1.4.3 LP99 |
TNO DV |
|
4.1.4.3 LP902 |
LR |
|
4.1.5.15, 4.1.5.18 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.1.7.2.2 |
TNO DV |
|
4.1.8.7 |
EL&I of VWS |
|
4.1.10.4, MP21 |
TNO DV of Defensie, laatstgenoemde
voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde
munitie |
|
4.2.1.7, 4.2.1.9.1 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3 |
RDW in overeenstemming met TNO DV |
|
4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1 |
RDW/LR |
|
4.2.5.3 TP4, TP9, TP10, TP16, TP24 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
4.3.2.1.5, voetnoot 2 |
RDW/LR |
|
4.3.2.1.7 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
4.3.3.2.5 |
RDW/LR |
|
4.3.5, TU39 |
RDW in overeenstemming met TNO DV |
|
5.2.2.1.9 |
TNO DV |
|
6.1.1.2, 6.1.1.4 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.1.3.1, 6.1.3.8 |
TNO C |
|
6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5,
6.1.5.1.10,
6.1.5.2.5, 6.1.5.8.2 |
TNO C |
|
6.2.1.4.1, 6.2.1.4.2, 6.2.1.5.1 g),
6.2.1.6.1, 6.2.1.7.2, 6.2.2.1.1, Opmerking 2, 6.2.2.5.2,
6.2.2.5.3, 6.2.2.5.4, 6.2.2.5.5, 6.2.2.6.2, 6.2.2.6.3, 6.2.2.6.4,
6.2.2.7.2 d), 6.2.2.7.4, 6.2.2.7.7, 6.2.2.7.8, 6.2.2.9, 6.2.2.9.4,
6,2,2,10, 6.2.3.4.2, 6.2.3.5, 6.2.3.6.1, 6.2.5.4.2, 6.2.6.3.2.2,
6.2.6.3.3 |
LR |
|
6.3.2.1, 6.3.2.2 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.3.4.2, 6.3.4.3, 6.3.5.1.1,
6.3.5.1.3, 6.3.5.1.5, 6.3.5.1.7, 6.3.5.1.8, 6.3.5.5.2 |
TNO C |
|
6.5.1.1.2 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.5.1.1.3 |
TNO C |
|
6.5.4.1 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.5.2.1.1, 6.5.2.2.5, 6.5.4.4.1,
6.5.6.1.1, 6.5.6.2.1, 6.5.6.2.3, 6.5.6.3.4, 6.5.6.14.2 |
TNO C |
|
6.6.1.2, 6.6.1.3 |
TNO C in overeenstemming met DGMo |
|
6.6.3.1, 6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3,
6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8, 6.6.5.4.3 |
TNO C |
|
6.7.1.2 |
RDW/LR |
|
6.7.2.2.1, 6.7.2.2.10, 6.7.2.2.14 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1 |
RDW/LR |
|
6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3,
6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1, 6.7.2.12.2.4,
6.7.2.18.1, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1,
6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1, 6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5,
6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2,
6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10
6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1,
6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b) |
RDW/LR |
|
6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3,
6.7.5.11.1 |
RDW/LR |
|
6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.8.2.1.20 |
RDW/LR |
|
6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.8.2.2.10 |
RDW |
|
6.8.2.3.1, 6.8.2.3.3, 6.8.2.4.1
voetnoot 9, 6.8.2.4.2 voetnoot 9, 6.8.2.4.5, 6.8.2.7 |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.8.3.2.16, 6.8.3.2.26, 6.8.3.4.4 |
RDW/LR |
|
6.8.3.4.6 b) |
RDW/LR/klassenbureau |
|
6.8.3.4.12, 6.8.3.4.16, 6.8.3.7 |
RDW/LR |
|
6.8.4 TA4, TT2, TT7, TT9 |
RDW |
|
6.8.4 TA2 |
RDW in overeenstemming met TNO DV |
|
6.8.5.2.2 |
RDW/LR |
|
6.9.1.1, 6.9.2.1, 6.9.2.5,
6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1, 6.9.5.3 |
RDW |
|
6.11.2.4, 6.11.4.4 (Code BK1) |
RDW |
|
6.12.3.1.2, 6.12.3.1.3, 6.12.3.2.2 |
RDW/LR |
|
7.3.2.6.2 |
IVW |
|
7.3.3, VV12, VV13 |
RDW |
|
7.5.11 CV1 |
burgemeester |
|
7.5.2.2 voetnoot a) |
RDW |
|
8.1.4.4 |
V&J |
|
8.2.1.1, 8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.5,
8.2.2.4.2, 8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5, 8.2.2.6.7,
8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.5, 8.2.2.8.2, 8.2.2.8.4 |
CBR |
|
8.5 S1 (4) |
burgemeester |
|
9.1.2, 9.1.3 |
RDW |
Artikel 2
1. In tabel 1 wordt verstaan onder:
brandweer: brandweerdiensten, met
uitzondering van de bedrijfsbrandweer als bedoeld in het Besluit
Bedrijfsbrandweren;
burgemeester: de burgemeester van
de desbetreffende gemeente;
CBR: Stichting Centraal Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen;
Defensie: Minister van Defensie,
namens deze de Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen;
DGMo: Minister, namens deze de
Directeur Mobiliteit;
EL&I: Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie;
IVW: Minister, namens deze de
Inspecteur-Generaal Verkeer en Waterstaat;
klassenbureau: privaatrechtelijke
organisatie die keuringen van tankcontainers of transporttanks
uitvoert in opdracht van de fabrikant, de eigenaar of de gebruiker
van tankcontainers of transporttanks en die is erkend
overeenkomstig artikel 4 van deze bijlage;
politie: Korps landelijke
politiediensten dan wel de regiopolitie in de desbetreffende
regio;
LR: Lloyd’s Register Nederland
B.V.;
RDW: Dienst Wegverkeer;
1°. Dienst Wegverkeer, of
2°. Lloyd’s Register
Nederland B.V.;
1°. Dienst Wegverkeer, of
2°. Lloyd’s Register
Nederland B.V., of
3°. klassenbureau, voor zover
het betreft tankcontainers of transporttanks voor gevaarlijke
stoffen, met uitzondering van gassen van klasse 2 (behoudens
de dichtheidsproef);
1°. Minister van Veiligheid en
Justitie,
2°. ten aanzien van de
inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging
van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van
de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine
blusmiddelen (REOB);
TNO DV: kerngebied Defensie en
Veiligheid van de Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
TNO C: TNO Certification B.V. van
de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk
onderzoek;
VWS: Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport.
2. Bij de uitvoering van de
bevoegdheden van V&J, bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, geldt
als merkteken het rijkstypekeur.
Artikel 3
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. overeenstemming vooraf: het CBR
doet schriftelijk een voorstel aan de Minister, die, indien
akkoord, instemt;
b. informatie achteraf: het CBR
informeert schriftelijk achteraf de Minister door toezending van
een jaarlijks verslag, houdende:
1°. aantallen examens;
2°. aantallen geslaagden aan
wie een ADR-vakbekwaamheidscertificaat is verstrekt; en
3°. een evaluatie van het in
onderdeel a en b genoemde.
2. Bij het uitoefenen van zijn
bevoegdheden, bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, geeft het CBR
toepassing aan tabel 2.
Tabel 2. Specificatie bevoegdheden CBR
| ADR-randnummer |
bevoegdheid van het
CBR |
overeenstemming
vooraf |
Informatie achteraf |
|
8.2.1.2, 8.2.1.4 + 8.5; S1, S11,
S12, 8.2.1.5, 8.2.1.6, 8.2.2.1 |
Afgifte vakbekwaamheids-
certificaten en aantekening
herhalingscursus |
|
X |
|
8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.4,
8.2.2.3.1, 8.2.2.3.2, 8.2.2.3.3, 8.2.2.3.4, 8.2.2.3.5 |
inhoudelijke eisen opleiding:
vaststellen eindtermen |
X |
|
|
8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5 |
goedkeuren van de opleidingen;
vaststellen van erkenningsrichtlijn |
X |
|
|
8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.6 |
eisen aan examens en wijze van
examineren: opstellen van examenrichtlijn en afnemen examen |
X |
|
Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden
1. Een in artikel 1 erkende instantie,
met uitzondering van bij de Staat der Nederlanden behorende organen,
de politie en de brandweer, bedoeld in artikel 2:
a. heeft rechtspersoonlijkheid;
b. is redelijkerwijs onafhankelijk
van de betrokken opdrachtgever;
c. beschikt over voldoende
vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste
MBO-niveau;
d. beschikt over een geschikt
kwaliteitsborgingssysteem, en
e. voldoet aan andere door de
Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de
desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.
2. De Minister kan een erkenning
intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan
het eerste, derde of vierde lid.
3. De erkende instantie, bedoeld in het
eerste lid, verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het
kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen,
bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de
redenen voor weigeringen tot goedkeuring.
4. De erkende instantie, bedoeld in het
eerste lid, verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister
verlangd worden door de Inspecteur-Generaal Verkeer en Waterstaat en
die betrekking hebben op het eerste lid voor zover betreffende
handelingen met betrekking tot wagens en tanks als bedoeld in bijlage
1.
Bijlage 4, bedoeld in artikel 2,
onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende
het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Deze bijlage behoort bij de regeling tot
wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in
verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften
betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4
bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende
het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Hoofdstuk I Algemeen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. directeur: Algemeen Directeur van
de RDW;
b. EN: Europese norm vastgesteld door
de Europese commissie voor normalisatie(CEN);
c. IEC: International
Electrotechnical Commission;
d. IKS: Afdeling Individueel Keuren
Speciaal van VT;
e. ISO: Internationale norm
vastgesteld door de International Organization for Standardization;
f. p.t.o.: ‘power take off’, een
aftakking van de motor voor het voortbewegen van het voertuig ten
behoeve van het aandrijven van hulpapparatuur;
g. RDW: Dienst Wegverkeer;
h. rn.: randnummer in de zin van de
bijlagen 1 en 2;
i. richtlijn 94/9/EG: Richtlijn nr.
94/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994
inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten
betreffende apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik
op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (Pb EG L100);
j. richtlijn 94/63/EG: Richtlijn nr.
94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994
betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische
stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie
van benzine vanaf terminals naar benzinestations (Pb EG L 365);
k. richtlijn 2010/35/EU: Richtlijn
2010/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010
betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van
Richtlijnen 76/767/EEG, 84/525/EEG, 84/526/EEG, 84/527/EEG en
1999/36/EG van de Raad (PbEU L 165);
l. tank: vaste of afneembare tank;
m. VLG: Regeling vervoer over land
van gevaarlijke stoffen;
n. voertuig: ingevolge rn. 9.1.2.1
van de VLG keuringsplichtig voertuig of voertuigcombinatie;
o. VT: Divisie voertuigtechniek van
de RDW.
Artikel 2 Europese Normen
In deze bijlage wordt verwezen naar
onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij
genoemde onderwerpen:
EN 50 020:1992: Stroomkringen met
weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium;
EN 10204:2004: Producten van metaal –
Soorten keuringsdocumenten;
IEC 529:1993: Degrees of protection
provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);
IEC 60079–11:1999: Electrical apparatus
for explosive gas atmospheres – part 11: intrinsic safety ‘i’.
Artikel 3
1. Voertuigen, tanks en tankcontainers
voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het
vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de
directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is
voldaan aan:
a. de voorschriften gesteld in de
bijlagen 1 en 2;
b. de in deze bijlage genoemde
voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk
anders is bepaald;
c. waar het voertuigen betreft, de
Regeling voertuigen.
2. De directeur kan voertuigen, tanks en
tankcontainers waarvan de technische inrichting en uitrusting niet
voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en
uitrusting van de voertuigen, tanks en tankcontainers naar het oordeel
van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.
3. Met de krachtens deze regeling tot het
vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden
gelijkgesteld voertuigen die aan gelijkwaardige eisen voldoen en die tot
het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie
dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de
Europese Economische Ruimte.
Artikel 4
1. Deze bijlage is niet van toepassing
op:
a. transporttanks zoals bedoeld in
hoofdstuk 6.7 van Bijlage 1;
b. tanks, inclusief
veiligheidsuitrusting en leidingwerk beoordeeld en goedgekeurd
overeenkomstig richtlijn 2010/35/EU, tenzij het de aanvullende
uitvoering van de constructie van deze tanks betreft, die nodig is
om het voertuig te complementeren;
c. bestaande tanks, zonder Pi
markering als bedoeld in richtlijn 2010/35/EU, voor het vervoer van
stoffen van klasse 2 en bestaande tanks waarvan de voorgeschreven
berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Lloyd’s
Register Nederland B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de
bijlagen 1 en 2.
2. Van de tanks genoemd in het eerste
lid, onderdeel c, wordt een door genoemde instantie afgegeven
certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de
desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.
Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4
1. Wanneer schade aan een voertuig, tank
of tankcontainer is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke
stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder
hiervan onverwijld schriftelijk kennis. Indien dit een voertuig betreft
wordt de melding gericht aan het keuringsstation van VT waaronder de
ondernemer ressorteert. In het geval van schade aan de tank van het
voertuig of (tank)containers wordt de melding gericht aan de afdeling
IKS van VT.
2. Indien herstellingen zijn verricht van
schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan,
naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de
deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is
ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
Hoofdstuk II Tanks
§ 1. Beoordelingsnormen/Codes
Artikel 6
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van
de wanddikte, de eventuele bescherming, de ondersteuning en de
bevestiging aan het chassis, uitgegaan van de waarden zoals vastgelegd
in Europese Normen die betrekking hebben op het desbetreffende
materiaal.
2. Van het materiaal voor de romp, de
eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt, overeenkomstig de norm
EN 10204, een zogenaamd ‘3.1’ keuringsrapport overgelegd. Van
mangathalzen voor tanks behoeft geen attest te worden overgelegd, indien
deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn.
6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2
maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
3. Op alle delen van het materiaal
bedoeld in het tweede lid is het chargenummer, vermeld in het
bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de
materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de
directeur te bepalen wijze overgestempeld.
4. Onder gespecificeerde minimumwaarden
volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke
ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend
verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).
Artikel 7
[Vervallen.]
Artikel 8
[Vervallen.]
Artikel 9
[Vervallen.]
Artikel 10
[Vervallen.]
§ 2 Dimensionering
Artikel 11 rn. 6.8.2.1.14 onder (a),
lagedruk-tanks
1. Tanks die niet zijn ontworpen en
ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de
waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal
slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in
rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte
van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.
2. Bij een compartimentinhoud groter dan
15000 liter wordt van de belaste bodem(s) door middel van beproeving dan
wel berekening aangetoond dat deze de onder (a) genoemde kracht kan
(kunnen) opnemen.
rn. 6.9
3. Van tanks vervaardigd uit
glasvezelversterkte kunststof mag de waterinhoud ten hoogste 10.000
liter bedragen.
Artikel 12
[Vervallen.]
§ 3 Constructie
Artikel 13
[Vervallen.]
Artikel 14 rn. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19
dikte slingerschot
Indien een tank is voorzien van
scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand
zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van
doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is
aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.
Artikel 15 scharnierende tank
1. Met uitzondering van tanks
overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) mogen tanks scharnierend zijn
bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn
afgestemd.
2. In dit geval zijn zodanige
voorzieningen aangebracht dat:
a. de tank in rijdende toestand van
het voertuig automatisch is vergrendeld; en
b. het kipmechanisme tijdens het
rijden niet in werking kan worden gesteld.
Artikel 16 scharnierende eindbodem
Tanks bestemd voor het vervoer van
vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van bijlage
1 zijn niet met een scharnierende eindbodem uitgerust.
Artikel 17 rn. 6.10 explosiebestendige
tank
1. Voor de constructie van een
explosiebestendige tank zijn de volgende criteria van toepassing:
a. het toe te passen tankmateriaal
bezit een rek (A) (normwaarde) van ten minste 16%;
b. voor de berekening van de
drukdragende delen van de tank en zijn afsluitingen is een
berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) toegepast;
c. in de formules van de toegepaste
berekeningscode wordt voor de waarde van de toegelaten spanning
gekozen: trekvastheid (Rm) /1,3 (bijvoorbeeld ter vervanging van de
uitdrukking K/S in de AD-Merkblätter);
d. de tank bevat geen onderdelen die
de explosiedruk kunnen verhogen, zoals slingerschotten.
2. In afwijking van het eerste lid is
tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien het prototype
van de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder
een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar)
(absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand
blijkt.
Artikel 18 binnenbekleding
1. Bij elke metalen tank waarvan het
tankmateriaal tegen aantasting door de te vervoeren stof dan wel stoffen
wordt beschermd door middel van een binnenbekleding, is door de
fabrikant van de binnenbekleding een verklaring overgelegd waarin is
aangegeven dat deze binnenbekleding voldoende bestand is tegen de stof
dan wel stoffen waarvoor de tank is ontworpen. In deze verklaring zijn
de benaming van elke stof, het UN-nummer en de desbetreffende klasse,
alsmede het fabricagenummer van de tank vermeld.
2. Indien de binnenbekleding uitsluitend
is aangebracht om de zuiverheid van de lading te waarborgen, is de
bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen
maatgevend.
3. Van het, in het eerste en tweede lid
genoemde, toe te passen bekledingsmateriaal, wordt ter beoordeling door
de directeur de compatibiliteit met het tankmateriaal, zoals de
hechtingseigenschappen, aangetoond.
4. Naast het bepaalde in het eerste lid,
wordt bij tanks vervaardigd van aluminiumlegeringen de mate van
bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen
aangetoond, waaraan in elk geval is voldaan indien op basis van algemene
bestendigheidlijsten, zoals van de fabrikant van het tankmateriaal,
wordt aangetoond dat aantasting van de aluminiumlegering door de te
vervoeren stof slechts in beperkte mate is te verwachten.
Artikel 19
[Vervallen.]
§ 4 Bescherming
Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen
1. Van de stootbalk bedraagt het
weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20
cm3.
2. Indien de in de Regeling voertuigen
genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten
minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank
aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de
stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.
3. (apparatuurkast) Indien de tank aan de
achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast
waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde
stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie
alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de
bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het
voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt
voorkomen.
4. Indien de tank niet is voorzien van de
in rn. 6.8.2.2.2 genoemde eindafsluiter aan het einde van elke vul- en
losleiding, bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging van de stootbalk
om de zwakste doorsnede ten minste 30 cm3.
5. Indien de tank:
a. scharnierend op het voertuig is
bevestigd; en
b. is voorzien van een scharnierende
achterbodem,
mag de stootbalk aan de betreffende
achterbodem zijn bevestigd mits de stootbalk ten minste 10 cm achter het
achterste punt van elke vul- en losleiding is gelegen.
6. (stootbalk bij tanks met isolerende
bekleding) Bij tanks voorzien van een uitwendige isolerende bekleding
wordt de achterzijde van de binnentank als het meest naar achteren
gelegen deel van de tankwand aangemerkt. De achterzijde van de stootbalk
behoeft niet meer dan 50 mm achter de bekledingsbodem te zijn gelegen
(gemeten in rijklare toestand van het voertuig), mits de dikte van de
isolatie ten minste 50 mm bedraagt.
Artikel 21
[Vervallen.]
Artikel 22
[Vervallen.]
Artikel 23 rn. 6.8.4 TE 19 appendages aan
de onderzijde
1. Ter bepaling van de in rn. 6.8.4 TE 19
voorgeschreven maat van 200 mm worden als meest uitstekende deel van de
tank uitsluitend de tankwand, ononderbroken versterkingsringen of
langsbalken ter bescherming van de tank aangemerkt.
2. Indien de plaatsing van een
beschermend profiel is voorgeschreven, is deze uitgevoerd als beugel die
aan de volgende voorschriften voldoet:
a. de beugel is zo dicht mogelijk
boven het te beschermen appendage geplaatst met inachtneming van de
voor het bedienen van de desbetreffende appendages benodigde ruimte;
b. de beugel is ten minste 10 cm
buiten het uiteinde van het appendage gelegen;
c. de afsteuningsprofielen zijn
nagenoeg horizontaal geplaatst en rechtstreeks op chassisbalken of
tanksteunen bevestigd;
d. bij toepassing van een profiel met
een weerstandsmoment tegen buiging van 20 cm3 is de afstand tussen
twee afsteuningsprofielen niet groter dan 600 mm; en
e. indien de afstand tussen twee
afsteuningsprofielen meer bedraagt dan 600 mm, wordt het
weerstandsmoment tegen buiging naar verhouding vergroot.
Artikel 24
Indien voor de constructie van de tank,
voor de ommanteling of voor tankuitrustingsdelen, kunststof als
materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:
a. vloeistoffen met een vlampunt van
ten hoogste 60°C;
b. b.dieselolie, gasolie en lichte
stookolie (identificatienummer 1202); of
c. brandbare gassen;
is deze kunststof vlamdovend uitgevoerd,
waaraan geacht wordt te zijn voldaan indien monsters zijn beproefd in
overeenstemming met ISO-norm 3795:1989
§ 5 Uitrusting
Artikel 25 tanks overeenkomstig rn. 6.10,
scharnierende bodem
1. Scharnieren van tankbodems zijn
nastelbaar uitgevoerd.
2. Knevels ten behoeve van de sluiting
van de tankbodem voldoen aan de volgende voorschriften:
a. het aantal knevels bedraagt ten
minste 8;
b. knevels zijn zo gelijkmatig
mogelijk over de omtrek van de tank verdeeld;
c. de voor het stellen toegepaste
schroefdraad bezit een diameter van ten minste M20;
d. knevels zijn zodanig geconstrueerd
dat zij zo min mogelijk buiten de omtrek van de tank uitsteken;
e. bij toepassing van handwielen is,
zo dicht mogelijk bij de naaf, in elk der spaken een breekgroef
aangebracht.
Artikel 26
[Vervallen.]
Artikel 27 rn. 6.8.2.2.2 opening voor
schoonmaakdoeleinden
1. De doorlaatopening bedraagt ten
hoogste 100 mm.
2. De opening is uitsluitend uitgevoerd
als blokflens, welke rechtstreeks in de tankwand is gelast.
3. De opening is uitsluitend door middel
van een blindflens afgesloten.
Artikel 28 rn. 6.8.2.1.14, onder b tot en
met d en 6.8.2.2.6 overdrukventiel
1. Tanks welke onder overdruk kunnen
worden gelost, zijn in de overdruklosinstallatie voorzien van een
overdrukventiel, welke :
a. is afgesteld op ten hoogste de
druk die in de tank is toegestaan tijdens het lossen;
b. verticaal is aangebracht, tenzij
de fabrikant daarvan een andere wijze van montage toestaat;
c. voldoet aan artikel 35.
2. Bij toepassing van de combinatie van
een veiligheidsventiel en een breekplaat:
a. bedraagt de nominale breekdruk van
de breekplaat:
1°. ten minste 90% van de
proefdruk van de tank; en
2°. ten hoogste 100% van de
proefdruk van de tank;
b. is de openingsdruk van het
veiligheidsventiel ten minste 10% lager dan de nominale breekdruk
van de breekplaat.
Artikel 29
[Vervallen.]
Artikel 30 rn. 6.10.3.8 onder b,
pomp-/afzuiginrichting
Bij toepassing van
pomp-/compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou
kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn.
6.10.3.8 onder b, indien ten minste één der volgende maatregelen is
getroffen:
a. de pomp-/compressor is aantoonbaar
vonkvrij, waarbij wateringpompen zonder nader onderzoek geacht
worden geen vonken te veroorzaken;
b. de in rn. 6.10.3.8, onder b,
genoemde vlamkerende voorzieningen zijn aantoonbaar effectief,
waarbij aan de aantoonbaarheid is voldaan indien in een
schriftelijke verklaring, afgegeven door een door de directeur
aangewezen deskundige, wordt bevestigd dat de betreffende apparatuur
is onderzocht overeenkomstig richtlijn 94/9/EG en voldoet aan de
bepaalde criteria; of
c. overeenkomstig artikel 17 is de
tank met inbegrip van alle drukdragende delen en afsluitingen
dusdanig geconstrueerd, dat deze bij een explosie in de tank niet
zodanig beschadigt dat de tank zijn afsluitende functie verliest,
waarbij plastische vervorming echter is toegestaan.
Artikel 31 rn. 6.8.2.2.2
bedieningsinrichting van de bodemkleppen
In aanvulling op rn. 6.8.2.2.2 wordt de
stand of sluitrichting van de inwendige afsluiters herkenbaar geacht
indien bepaalde voorafgaande aan het wegrijden noodzakelijke
handelingen, zoals het sluiten van een meterkastluik, het uitschakelen
van de p.t.o. of de parkeerremrichting, slechts mogelijk zijn indien de
inwendige afsluiters gesloten zijn of indien deze handeling of
handelingen het sluiten tot gevolg hebben.
Artikel 32 ventilatieopeningen in
appendageruimten
Indien de laad- en losinrichtingen zijn
aangebracht in gesloten ruimten, zijn deze ruimten voorzien van
ventilatieopeningen. Deze ventilatieopeningen zijn in de bodem of zo
laag mogelijk in de zijwanden aangebracht en omvatten een gezamenlijk
oppervlak van ten minste 20 mm2 per liter inhoud van de te ventileren
ruimte.
Hoofdstuk III Tankuitrustingsdelen
Artikel 33
1. De hierna genoemde uitrustingsdelen
zijn, voor zover zij zijn voorgeschreven of aanwezig zijn, door de
directeur goedgekeurd. Op verzoek van de fabrikant of de officiële
vertegenwoordiger in Nederland kan een typegoedkeuring worden
aangevraagd, overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 73:
a. ontluchtings- en
beveiligingsinrichtingen als bedoeld in rn. 6.8.2.1.14 onder (a);
b. overdrukventielen;
c. bodemafsluiters;
d. eindafsluiters;
e. mangatdeksels van tanks
overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a);
f. dampretoursystemen als bedoeld in
richtlijn 94/63/EG.
2. In geval de in de randnummer 6.8.2.6
opgenomen normen niet op de uitvoering van de uitrustingsdelen, bedoeld
in het eerste lid van toepassing zijn, voldoet die uitvoering aan de
artikelen 34 tot en met 37, 39 en 40.
Artikel 34 rn. 6.8.2.2.6
ontluchtingsinrichtingen
1. Ontluchtingsinrichtingen zijn
uitgevoerd als:
a. kipventiel; of
b. veerbelaste klep.
2. De inrichtingen voor tanks voldoen
aan:
a. In gekantelde toestand van de tank
is de dichtheid gewaarborgd tot een druk tussen 0,25 en 30 kPa (0,25
en 0.3 bar);
b. Bij ontluchtingsinrichtingen
waarbij tijdens het rijden of het behandelen van de lading een open
verbinding tussen de tank en de buitenlucht aanwezig is, is de in rn.
4.3.4.1.1. onder deel 4 van bijlage 1 genoemde bescherming tegen
vlaminslag bestand tegen een explosie en lang aanhoudende brand.
c. De bescherming tegen vlaminslag is
zodanig geplaatst of beschermd, dat beschadiging zoveel mogelijk
wordt voorkomen;
d. Indien instelbaar is het
afstelmechanisme van de ontsluitingsinrichting zodanig geborgd dat
de instelling onder normale gebruiksomstandigheden gehandhaafd
blijft en beveiligd is tegen onbedoeld verstellen.
Artikel 35 overdrukventielen
Overdrukventielen als bedoeld in artikel
33, eerste lid, onderdeel b:
a. zijn uitgevoerd als veerbelaste
klep;
b. kunnen op zodanige wijze op de
voorgeschreven druk worden afgesteld dat wordt geborgd dat het
afstelmechanisme onder normale gebruiksomstandigheden gehandhaafd
blijft en beveiligd is tegen onbedoeld verstellen;
c. zijn voor wat betreft alle
onderdelen die de werking kunnen beïnvloeden, bestand tegen
weersinvloeden en tegen de te vervoeren stoffen voor zover zij
daarmee in contact kunnen komen; en
d. bezitten, gemeten bij een druk van
ten hoogste 15% boven de nominale openingsdruk, een capaciteit,
overeenkomend met de opbrengst van de compressor, doch ten minste:
|
openingsdruk: |
capaciteit: |
|
max. 200 kPa (2 bar) |
75 Nm3/uur |
|
meer dan 200 kPa (2 bar) |
125 Nm3/uur |
Artikel 36 bodemafsluiters
De bodemafsluiters voor tanks:
a. zijn van flensaansluitingen voor
de verbinding met de tank voorzien;
b. zijn van een gemakkelijk breekbaar
deel voorzien, voor zover het huis buiten de tankwand uitsteekt;
1°. dit breekbare deel bevindt
zich zo dicht mogelijk onder de bevestigingsflens;
2°. in alle andere gevallen is
het breekbare deel in de uitloopleiding, juist onder de tank
aangebracht;
c. zijn ontworpen voor ten minste de
proefdruk van de tank, doch minimaal 200 kPa (2 bar), alsmede voor
de bedrijfstemperatuur; en
d. zijn voorzien van veercompensatie
teneinde ondichtheid van de afsluiter tengevolge van thermische en
mechanische invloeden te voorkomen tenzij de constructie van de
afsluiter op andere wijze een gelijkwaardige veiligheid biedt.
Artikel 37 eindafsluiters
Eindafsluiters als bedoeld in artikel 33,
eerste lid, onderdeel d:
a. zijn uitgevoerd als:
1°. snelafsluiter;
2°. pistoolafsluiter; of
3°. zogenaamde
dry-breakkoppeling;
b. zijn in de onder a, onderdeel 1°,
onderscheidenlijk onderdeel 2°, bedoelde uitvoeringen voorzien van
een vaste bedieningshandgreep en kunnen met een enkele handbeweging
worden gesloten, met dien verstande dat de bedieningshandgreep
afneembaar mag zijn indien de afsluiter in een gesloten positie
verkeert;
c. mogen hydraulisch of pneumatisch
zijn bediend, mits zij zelfsluitend zijn uitgevoerd door middel van
veerdruk;
d. mogen als meerwegkraan zijn
uitgevoerd, mits zij aan de uitloopzijde zijn uitgevoerd als
snelafsluiter;
e. zijn uitsluitend in geheel
gesloten stand vergrendelbaar, waarbij:
1°. de vergrendeling, voor zover
de afsluiter niet is geplaatst in een afsluitbare ruimte,
zelfwerkend is en een beveiliging biedt tegen bediening door
onbevoegden;
2°. van het onder 1° bepaalde
zijn uitgezonderd pistoolafsluiters, die van fabriekswege zijn
voorzien van een zogenaamde anti-drainklep met een openingsdruk
van ten minste 35 kPa (0,35 bar);
f. bezitten, voor wat betreft de
onder a, onderdeel 1°, onderscheidenlijk onderdeel 2° bedoelde
uitvoeringen, een door middel van een aanslag of nok gedefinieerde
gesloten stand;
g. zijn ontworpen voor ten minste:
1°. de maximale bedrijfsdruk in
het betreffende deel van het laad- en lossysteem;
2°. de maximale
bedrijfstemperatuur van de tank.
Artikel 38 mangatdeksels
Scharnierende mangatdeksels met een
werkdruk boven de 0,5 bar zijn voorzien van tenminste 4 knevelbouten met
oog of vleugelmoeren.
Artikel 39 identificatiekenmerken
1. Tenzij in de betreffende
appendagenormen anders wordt bepaald dienen uitrustingsdelen te zijn
voorzien van de volgende, duidelijk en duurzaam aangebrachte kenmerken:
a. algemeen:
1°. merk of merkcodering;
2°. type;
3°. bij eventuele variabelen als
bedoeld in artikel 40: het van toepassing zijnde gegeven;
4°. diameter van de doorlaat;
b. bij vloeistofafsluiters:
toelaatbare druk;
c. bij ontluchtings- dan wel
beluchtinginrichtingen uitgezonderd kipventielen alsmede
overdrukventielen: openingsdruk.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
kenmerken niet van fabriekswege op de appendages aanwezig zijn, worden
deze alsnog door de fabrikant of de importeur aangebracht, rechtstreeks
of op een corrosiebestendig plaatje, hetwelk op duurzame wijze, bij
voorbeeld door middel van lassen of klinken op het appendage wordt
bevestigd.
3. De identificatiekenmerken op de
appendages worden op een zodanige plaats aangebracht dat deze leesbaar
zijn, indien de appendages zijn gemonteerd.
Artikel 40 materiaalaanduiding
Indien van een bepaald type appendage,
afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen
zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage,
of in de typecodering aangegeven.
Artikel 41
[Vervallen.]
Hoofdstuk IV Chassis
Artikel 42 één-assige aanhangwagens
Eén-assige en meerassige
middenasaanhangwagens zijn uitsluitend toegestaan voor het vervoer van
vaste (poeder- of korrelvormige) stoffen.
Artikel 43 steunpoten
1. Opleggers zijn voorzien van in hoogte
verstelbare parkeersteunen (steunpoten) die het mogelijk maken de
oplegger te ondersteunen indien deze wordt afgekoppeld van de trekker,
waarbij de bevestiging en de toegepaste hefinrichting van de
parkeersteunen:
a. geschikt zijn om de oplegger te
dragen wanneer deze tot de maximaal toelaatbare massa is beladen; en
b. zodanig geconstrueerd zijn dat bij
vervorming van de parkeersteunen de dichtheid van de tank
gewaarborgd blijft.
2. Indien een oplegger niet is voorzien
van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen
kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de
periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.
Artikel 44 rn. 9.7.3 tankbevestiging
1. Afneembare tanks zijn met ten minste
vier bouten M16 van kwaliteit 8.8 of met ten minste gelijkwaardige
bevestigingsmiddelen, zoals zelfborgende twist-locks, aan de
tankbevestigingspunten van het voertuig vastgezet.
2. De tankbevestigingspunten zijn met
behulp van een profielconstructie deugdelijk met het voertuigchassis
verbonden.
Artikel 45 rn. 9.7.5.2 Kantelstabiliteit
Indien het voldoen aan de eisen voor
kantelstabiliteit wordt aangetoond op basis van een berekening dienen de
basisgegevens waarmee dit systeem werkt te zijn gevalideerd door
praktijktesten. Indien validatie niet afdoende aangetoond wordt vereist
de directeur nader onderzoek.
Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn.
9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5
§1. Motor voor aandrijving van het
voertuig
Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5
Indien het voertuig is uitgevoerd als
FL-voertuig of is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig wordt ten
aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt, voldaan aan de
artikelen 47 tot en met 49.
Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5
1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en
9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:
a. de hete delen van de motor zoals
de turbo en het uitlaatspruitstuk zich op ten minste 50 cm afstand
bevinden van de ladingtank of de laadruimte; of
b. een warmtewerend schild is
aangebracht tussen de hete delen en de ladingtank of de laadruimte.
2. Aan het bepaalde in het eerste lid,
onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan,
indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand
van de bestuurderscabine bevinden.
Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
1. De uitmonding van de uitlaatleiding is
niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen,
apparatuurkasten en dergelijke gelegen.
2. De uitmonding van de uitlaatleiding
mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar
beneden is gericht.
Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
1. Aan het bepaalde in rn.’s 9.2.4.5 en
9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste
even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:
a. het gedeelte van de uitlaatleiding
dat achter de achterwand van de cabine is gelegen, is aan de
bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien waarvan de breedte
aan weerszijden ten minste 2 cm meer bedraagt dan de diameter van de
uitlaatleiding ter plaatse van de afschermkap;
b. de hoek tussen de raaklijn aan de
uitlaatleiding naar de rand van de afschermkap en de verticaal
bedraagt ten minste 15°, waarbij de afschermkap ten minste 1 cm
boven de uitlaatleiding is aangebracht;
c. indien de uitlaat of delen daarvan
onder een accubak, gereedschapkast of, bij trekkers, onder een
metalen plaat tussen de cabine en de opleggerkoppeling is dan wel
zijn aangebracht, behoeft het gedeelte van de uitlaatleiding dat
zich hieronder bevindt, niet van de in onderdeel b bedoelde
afschermkap te worden voorzien.
2. De uitlaatleiding behoeft niet van een
(aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:
a. delen van het uitlaatsysteem zich
op een afstand van ten minste 50 cm van de ladingtank of de
laadruimte bevinden of ten minste 20 cm van vul- en aftapleidingen
van de tank; of
b. ten genoegen van de directeur
wordt aangetoond dat het oppervlak van het achter de cabine van het
voertuig gelegen deel van de uitlaatleiding of van de ommanteling
daarvan bij langdurige belasting van de motor een temperatuur van
200°C niet overschrijdt; of
c. het een voertuig van de categorie
N1 betreft met een gesloten opbouw die door de voertuigfabrikant is
aangebracht, waar van fabriekswege maatregelen zijn genomen om
opwarming van de laadvloer te voorkomen.
3. Bij een trekker voor het voortbewegen
van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:
a. delen van het uitlaatsysteem zich,
ongeacht hun positie, op niet meer dan 20 cm achter de achterwand
van de bestuurderscabine bevinden; en
b. de in het derde lid, onderdeel a,
genoemde delen op meer dan 20 cm achter de achterwand van de
bestuurderscabine doch niet boven de chassisbalken zijn aangebracht.
4. Bij een voertuigchassis voor het
vervoer van (tank-)containers wordt geacht te zijn voldaan aan het
tweede lid, indien:
a. delen van het uitlaatsysteem zich
voor de voorste twist locks en niet boven de bovenzijde van de
chassisbalken bevinden;
b. de in het vierde lid, onderdeel a,
genoemde delen achter de voorste twist locks en niet boven de
onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.
5. In verband met de aansluiting van een
uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel
van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn
afgeschermd.
Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat
1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding
is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan
indien:
a. de plaatsing en constructie zijn
toegelaten in de typegoedkeuring; en
b. de delen zo dicht mogelijk tegen
de achterwand van de bestuurderscabine zijn aangebracht, met in
achtneming van de warmtebestendigheid van de cabine.
2. Bij voertuigen van de categorieën FL,
EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten
opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien
van een warmtewerende ommanteling.
3. Bij voertuigen van de categorie FL is
aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op voertuigen die zijn uitgerust met een uitlaatgasnabehandelingssysteem,
voor zover het voertuigen betreft die minimaal voldoen aan de
emissiegrenswaarden als opgenomen in de rijen B1, B2 of C van tabel 1
van bijlage 1 van richtlijn nr. 2005/55/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de
emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met
compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op
aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met
elektrische ontsteking (PbEU L 275) of als opgenomen in bijlage 1 van
verordening (EU) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met
betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de
toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU L 188).
§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)
Artikel 51 rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5
Bij een FL-voertuig mag een
verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur
aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:
a. de verbrandingsmotor is van het
type dieselmotor;
b. (afscherming motor) de hulpmotor
wordt in een metalen kast ondergebracht, die van voldoende
ventilatiemogelijkheden is voorzien, waarbij de tankwand niet als
een deel van de kast wordt aangemerkt en er zich in deze kast geen
vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke bevinden;
c. de uitmonding van de
uitlaatleiding is:
1°. niet gelegen onder of in de
nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en
dergelijke;
2°. van een doelmatige
vonkenvanger voorzien; en
d. (afscherming uitlaatleiding) het
gedeelte van de uitlaatleiding dat buiten de in het eerste lid,
onderdeel b, genoemde kast is gelegen, is aan de bovenzijde van een
metalen afschermkap voorzien overeenkomstig het bepaalde in artikel
49, eerste lid, onderdelen a, b en c;
e. (luchtaanzuigopening) de voor de
verbranding benodigde lucht wordt van buiten de kast aangezogen op
ten minste 80 cm boven het wegdek; en
f. (noodstopinrichting) de hulpmotor
is van een noodstopinrichting voorzien die aan de volgende
voorschriften voldoet:
1°. de noodstopinrichting is
aangesloten op de inlaatleiding van de verbrandingslucht voor de
motor; en
2°. de knop (schakelaar) voor
het inwerking stellen van de noodstopinrichting bevindt zich aan
de bedieningszijde van de kast onder handbereik en is duidelijk
gekenmerkt;
g. onderdeel f is niet van toepassing
op tanks overeenkomstig 6.10 van Bijlage 1.
Hoofdstuk VI Elektrische installatie
Artikel 52 rn. 9.2.2.2.1 zekeringen
1. Het van fabriekswege tot de
standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt
als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is
voldaan:
a. zekeringen worden in een of meer
kasten op een gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht;
b. toepassing van zogenaamde zwevende
zekeringen zonder noodzaak is verboden;
c. zekeringen die geplaatst worden in
accubakken en in andere ruimten waarin explosieve dampen kunnen
voorkomen zijn geschikt voor deze toepassing;
d. stroomverbruikers welke anders dan
van fabriekswege worden aangebracht, zoals centrale smering,
luchtdrogers, relais voor hulpapparatuur, aanvullende verlichting en
dergelijke, worden aangesloten via zekeringen.
2. Naast het bepaalde in rn. 9.2.2.2.1
zijn uitgezonderd van de verplichting om te zijn gezekerd:
standaardschakelingen ten behoeve van in de cabine aangebrachte relais,
controlelampen en de elektromotor van een bogieliftinstallatie (ashefinrichting);
Artikel 53
1. Het gedeelte van de elektrische
installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet,
onverminderd het bepaalde in artikel 52, aan de volgende voorschriften:
a. bij toepassing van andere
isolatiematerialen voor de elektrische leidingen dan die, genoemd in
de afbeeldingen behorend bij rn. 9.2.2.6, wordt de gelijkwaardigheid
van de bestendigheid met de materialen, genoemd in eerdergenoemde
afbeeldingen aangetoond;
b. onder gelijkwaardigheid onder ‘normale
gebruiksomstandigheden’ als genoemd in rn. 9.2.2.6 en 9.2.2.6.1
wordt verstaan: het zoveel mogelijk overeenkomen van het chemische
en mechanische bestendigheidniveau binnen een temperatuurbereik van
–40°C tot +100°C;
c. de volgende eigenschappen van de
isolatiematerialen worden bij de beoordeling in aanmerking genomen:
1°. de slagvastheid bij de
gedefinieerde minimumtemperatuur,
2°. de bestendigheid tegen
verweking bij de gedefinieerde maximumtemperatuur,
3°. de chemische bestendigheid
tegen verweking of aantasting door vetten, oplosmiddelen, zuren
en logen,
4°. bestendigheid tegen
veroudering;
d. de elektrische leidingen en
armaturen vormen bij onderlinge aansluitingen een dichte afsluiting,
waarbij voor zover geplaatst buiten de in artikel 54 omschreven
ruimten hieraan wordt geacht te zijn voldaan bij plaatsing in een
gesloten ruimte, indien de aansluitingen overeenkomen met aanduiding
IP 44 overeenkomstig IEC 529 (beschermd tegen binnendringen van
vaste voorwerpen en opspattend water), of overige aansluitingen,
volgens aanduiding IP 54 (beschermd tegen binnendringen van stof en
opspattend water);
e. indien een accu in een gesloten
kast is geplaatst welke mede is bestemd voor apparatuur zoals een
hulpmotor voor de aandrijving van een pomp of compressor, wordt de
bescherming van de accu geacht te voldoen aan het bepaalde in rn.
9.2.2.4 indien deze bestaat uit een isolerend deksel van metaal of
van daaraan gelijkwaardig materiaal.
Artikel 54 rn. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3
Bij een FL-voertuig is het aanbrengen van
elektrische apparatuur in gesloten ruimten waarin tevens leidingen en
pompen ten behoeve van de lading aanwezig zijn, toegestaan indien:
a. elektromotoren, generatoren en
schakelmaterieel explosieveilig overeenkomstig rn. 9.2.2.5.1 en
9.2.2.5.2 uitgevoerd zijn en als zodanig zijn gekenmerkt; en
b. lampen geschikt zijn voor het
gebruik in een explosieve omgeving en zodanig geplaatst zijn dat zij
tegen beschadiging zijn beschermd;
c. gloeilampen voorzien zijn van
beschermglazen welke door middel van een schutkorf tegen
beschadiging zijn beschermd.
Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
1. Indien zo dicht mogelijk bij de
aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de
stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V
(6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 -
stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het
aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen
van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.
2. Indien een voertuig is uitgerust met
extra accu’s ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de
volgende voorschriften:
a. indien gekoppeld aan het boordnet:
door het bedienen van de in rn. 9.2.2.3 bedoelde hoofdschakelaar
voldoet ook het door de extra accu gevoede circuit aan het bepaalde
in het eerste lid;
b. indien onderdeel van een
afzonderlijk circuit:
1°. de accu kan door middel van
een afzonderlijke hoofdschakelaar worden gescheiden van het
bijbehorende circuit;
2°. de bedieningsinrichting van
de afzonderlijke hoofdschakelaar mag in afwijking van het
bepaalde in genoemd randnummer enkelvoudig zijn uitgevoerd.
3. indien een bediening van de
hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is aangebracht, is
deze uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.
Hoofdstuk VII Merktekens
Artikel 56 rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1
tank-identificatieplaat
De uitvoering van de in genoemd
randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende
voorschriften:
a. de identificatieplaat is zodanig
gepositioneerd dat deze vanaf de grond, zonder hulpmiddelen te
inspecteren is;
b. de afmetingen bedragen ten minste
150 x 100 x 1,5 mm;
c. de plaat:
1°. is rechtstreeks of op een
brugstuk op de tankwand of op een onverbrekelijk met de tank
verbonden deel van de tankondersteuning bevestigd, waarbij het
op de tankwand of de tankondersteuning te bevestigen deel op ten
minste de vier hoekpunten deugdelijk op het bevestigingsvlak is
afgelast;
2°. is, indien aangebracht op
een brugstuk, met ten minste vier klinknagels bevestigd, waarvan
één massief exemplaar waarop met een slagstempel een waarmerk
kan worden aangebracht.
3°. mag, met uitzondering van
het bevestigingspunt bedoeld in onderdeel 2°, zijn bevestigd
met popnagels van duurzaam materiaal zoals roestvrij staal; en
4°. is of kan voldoende worden
ondersteund om met slagstempels na het aanbrengen van de
stempelplaat aanvullende of gewijzigde gegevens te kunnen
aanbrengen.
Artikel 57 rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10
waarmerk
1. Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10
bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd,
is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij
deze bijlage weergegeven model.
2. Het in het eerste lid bedoelde
waarmerk, zoals gebruikt tot 1 januari 2005, blijft van kracht gedurende
de termijn dat de desbetreffende keuring geldig is.
Artikel 58 rn. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6,
6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12
1. Voor de in de VLG voorgeschreven
opschriften bedraagt de letterhoogte voor:
a. letters met de naam van de
eigenaar of houder ten minste 35 mm;
b. alle andere in de VLG
voorgeschreven opschriften ten minste 15 mm.
2. De opschriften zijn van buitenaf
duidelijk leesbaar aangegeven.
3. Bij vervoer van vloeibaar gemaakte
gassen worden de op het voertuig aan te brengen opschriften aangevuld
met het hoogst toelaatbare vulpercentage.
4. De voorgeschreven opschriften zijn op
een goed waarneembare plaats aangebracht.
Artikel 59
[Vervallen.]
Hoofdstuk VIII Goedkeuringsprocedures
§ 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)
Artikel 60
1. Alvorens tot keuring van een nieuw of
gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn
ontwerpgegevens van de constructie bij IKS overgelegd en akkoord
bevonden;
2. De overgelegde gegevens worden
getoetst aan de VLG;
3. Bij ontwerptekeningen, respectievelijk
berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig
mogelijk omschreven.
4. Indien tijdens de nieuwbouw of de
wijziging afwijkingen van een in beginsel goedgekeurde tekening
wenselijk worden geacht, wordt dit aan de directeur ter goedkeuring
voorgedragen.
5. De directeur deelt de goedkeuring van
het ontwerp, waaraan voorschriften kunnen worden verbonden, schriftelijk
mede aan de ondernemer;
Artikel 61
Aan de daartoe door de directeur
aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een
voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn
en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking
verleend.
§ 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met
uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en
aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter
Artikel 62
1. Bij de in artikel 60, eerste lid,
bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld, volgens een door de
directeur vastgesteld model, aanvraagformulier gevoegd of een
begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats
van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte
omschrijving van de aard van de aanvraag.
2. Voor voertuigen die moeten voldoen aan
rn 9.7.5.2 van de ADR wordt aangegeven op welke wijze voldaan wordt.
3. Voor voertuigen die moeten voldoen aan
rn. 9.2.3.1 van de ADR voor wat betreft een antiblokkeer systeem of een
duurreminstallatie wordt een aanvraagformulier overgelegd zoals genoemd
in artikel 69.
§ 2.1 Tekeningen (Algemeen)
Artikel 63
De ontwerpaanvraag bevat de volgende
tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
a. een overzichtstekening van het
complete voertuig;
b. een tekening van de constructie
van de tank (bij EX/III-voertuigen: van de constructie van de
laadbak);
c. een schema van de vul- en
aftapleidingen van de tank; en
d. een tekening of schema van
bijzondere apparatuur of constructies, bijvoorbeeld voor het
behandelen van de lading.
Artikel 64
Alle tekeningen:
a. zijn zo duidelijk en nauwkeurig
mogelijk vervaardigd, bij voorkeur op schaal 1:20 en op formaat A1,
het leidingschema echter op formaat A3 of A4;
b. zijn van een volledige
maataanduiding voorzien;
c. dragen de naam van de vervaardiger
en een nummer inclusief een indicator voor revisie, waarmee de
tekening in de correspondentie kan worden aangeduid;
d. zijn zo mogelijk in de rechter
bovenhoek van een vrije ruimte van circa 10 x 5 cm voorzien ten
behoeve van een goedkeuringsstempel;
e. bevatten zo mogelijk onder de
vrije ruimte, bedoeld in onderdeel d, of in de rechteronderhoek de
volgende gegevens:
1°. op de in artikel 63,
onderdeel a, bedoelde tekening:
merk en chassisnummer van het
voertuig;
2°. op de in artikel 63,
onderdeel b, bedoelde tekening (indien van toepassing):
A. merk en fabricagenummer
van de tank;
B. de tankcode overeenkomstig
rn. 4.3.3.1.1 of 4.3.4.1.1;
C. indien van toepassing: het
typegoedkeuringsnummer; en
D. de gevarenklasse(n);
f. zijn harmonicavormig tot een
uiteindelijk formaat van maximaal A4 opgevouwen op zodanige wijze,
dat zowel de rechter bovenhoek als de rechter onderhoek zich aan de
buitenzijde bevinden.
Artikel 65
1. Overzichtstekeningen geven aan voor
wat betreft het complete voertuig:
a. een algemeen overzicht van het
voertuig in ten minste zij- en achteraanzicht en, voor zover de
vereiste gegevens dit noodzakelijk maken, een derde aanzicht met de
uitwendige hoofdafmetingen (grootste lengte, breedte, hoogte,
achteroverbouw en wielbasis);
b. de plaats van de accu’s alsmede
de plaats van de hoofdschakelaar en van de bedieningspunten daarvan;
c. de grootste afstand tussen de
buitenste linker en rechter achterband, gemeten vanaf de buitenste
raaklijn aan de grond;
d.
1°. de hoogte van het midden van
de onbeladen tank boven het wegdek;
2°. de afstand van het
zwaartepunt van de lading tot het rekenkundig hart van de
achterassen;
3°. de afstand van de
achterzijde van de tank tot het achterste deel van de stootbalk;
e. de ligging van de vul- en
aftapleidingen onder de tank, waarbij vermelding van de gegevens op
één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke
lijst van uitrustingsdelen is toegestaan;
f. Voor vervoer van stoffen waarop rn.
6.8.4, bijzondere bepaling TE 19, van toepassing is:
1°. de ligging van de vul- en
aftapleidingen ten opzichte van de verticale raaklijn aan de
tank en de hoogte ten opzichte van het wegdek;
2°. de plaats en de
constructieve gegevens van beschermingsbeugels voor de vul- en
aftapleidingen;
g. de ligging van de
drukluchtlosinstallatie alsmede merk, type, afsteldruk en
typegoedkeuringsnummer van het afblaasventiel, waarbij vermelding
van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op
een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan.
2. Alle tekeningen bij voertuigen met
vaste of afneembare tanks geven ten minste aan:
a. de geschatte ledige massa ter
plaatse van elk der assen onderscheidenlijk de opleggerkoppeling;
b. de maximaal toelaatbare massa ter
plaatse van elk der assen, onderscheidenlijk de opleggerkoppeling;
en
c. de maximaal toelaatbare massa van
het complete voertuig.
Artikel 66
Alle tanktekeningen geven aan voor wat
betreft de tank:
a. de materiaalaanduiding
overeenkomstig de in de berekening toegepaste norm alsmede de
wanddikte van de tankromp, de eindbodems, de tussenbodems, de
slingerschotten en van de eventuele contraringen;
b. de hoofdafmetingen van de tank
alsmede de bruto inhoud (waterinhoud) van elk compartiment in
liters, afgerond op maximaal 100 liter;
c. de wijze van uitvoering, de
afmetingen en de onderlinge afstand van de tussenbodems en/of van de
slingerschotten;
d. de plaats en de afmetingen van de
binnen- of buitenliggende versterkingsringen;
e. bij niet-cilindrische tanks: het
oppervlak in dm2 van de doorsnede(n) alsmede de kromtestralen en de
ligging van het middelpunt daarvan;
f. de plaats van de lasnaden, zowel
van de romp als van samengestelde eindbodems, waarbij ten aanzien
van de lassen ten minste is aangegeven:
1°. de toegepaste
lasmethodekwalificatie; of
2°. de volgende informatie:
A. voorbewerking van de
lasnaad;
B. de toegepaste
lasmethode(n);
C. het toevoegmateriaal,
zijnde elektrode of draad;
D. het beschermgas of andere
bescherming; en
E. de nabewerking van de
lassen;
waarbij vermelding van de gegevens op
één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke
lijst van uitrustingsdelen is toegestaan.
Artikel 67
In aanvulling op artikel 66 geven de
tanktekeningen tevens aan:
a. de plaats van de mangaten alsmede
een opgave van het merk en typeaanduiding;
b. de plaats en de wijze van
bevestiging van alle overige appendages met inbegrip van de
wanddikte voor de eventueel daarbij toe te passen tubelures;
c. de plaats en de wijze van
uitvoering van de bescherming aan weerszijden van de tank;
d. de plaats en de wijze van
uitvoering van de bescherming van de uitrustingsdelen boven op de
tank, met inbegrip van, indien van toepassing, camouflageranden,
morsbakken met bijbehorende deksels, rolbeugels;
e. de plaats(en) en de wijze van
uitvoering van de bevestiging van de tank aan het chassis onder
opgave van de toe te passen profielen, het aantal en de afmetingen
van de boutverbindingen dan wel de lengten en doorsnede(n) van de
lasverbindingen, waarbij vermelding van de gegevens op één der
overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van
uitrustingsdelen is toegestaan; en
f. het merk, de type en het
typegoedkeuringsnummer van de ontluchtingsinrichting
onderscheidenlijk de beveiligingsinrichting, de bodemafsluiter en de
eindafsluiter, waarbij vermelding van de gegevens op één der
overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van
uitrustingsdelen is toegestaan;
g. vul- en aftapleidingen, geven aan
voor wat betreft de vul- en aftapleidingen:
1°. de ligging van de vul- en
aftapleidingen en de inwendige diameter daarvan in mm;
2°. de plaats van alle in de
vul- en aftapleidingen aangebrachte appendages;
3°. het merk en type van de
appendages waarvoor geen typegoedkeuring is vereist;
4°. de wijze van aandrijving van
de vloeistofpomp en voor zover van toepassing van de
slanghaspel;
5°. de gegevens van de
toegepaste elektromotor of van de generator indien deze
ingevolge artikel 54 explosievast is uitgevoerd;
6°. de maximaal optredende
pompdruk in het leidingsysteem;
waarbij vermelding van de gegevens op
één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke
lijst van uitrustingsdelen is toegestaan.
§ 2.2. Berekeningen
Artikel 68
Bij het ontwerp worden per voertuig ten
minste de volgende berekeningen overgelegd:
a. een berekening waaruit blijkt dat
de bevestigingsmiddelen van de tank bij het hoogst toelaatbare
vulgewicht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde belastingen kunnen
weerstaan;
b. de berekening, bedoeld onder a,
behoeft niet te worden ingediend voor de verbinding tussen de tank
en de koppelingssectie en tussen de tank en het asstel bij
voertuigen waarbij de tank zelfdragend is uitgevoerd;
c. een berekening van de bruto inhoud
(waterinhoud) van elk tankcompartiment; en
d. een berekening van de wanddikte
van de tank, overeenkomstig de volgende richtlijnen:
1°. bij tanks waarbij de lading
met behulp van de zwaartekracht wordt gelost, is de berekende
dikte van de tankwand eveneens van toepassing voor de dikte van
de eindbodems;
2°. bij tanks waarbij de lading
met behulp van overdruk wordt gelost, wordt de wanddikte van de
tank, van de eindbodems en voor zover van toepassing van de
tussenbodems berekend bij een druk, welke ten minste 1,3 x de
voor het lossen benodigde druk bedraagt;
3°. bij de berekening, bedoeld
onder 2°, van het cilindrische deel van de tank wordt uitgegaan
van de in rn. 6.8.2.1.17 bedoelde formule;
4°. bij tanks, waarbij in
bijlage 1 een berekeningsdruk van ten minste 400 kPa (4 bar) is
voorgeschreven, wordt voor de vaststelling van de wanddikte van
de tank, van de eindbodems en van de mangatconstructie de
berekening uitgevoerd met de hierna vermelde factoren:
A. de (fictieve)
berekeningsdruk in combinatie met de omgevingstemperatuur;
en
B. de maximumbedrijfsdruk in
combinatie met de maximumbedrijfstemperatuur;
5°. van de onder 2° en 4°
bedoelde tanks wordt een berekening op uitwendige overdruk
ingediend.
6°. indien geen
bedrijfstemperatuur is vermeld, worden als bedrijfstemperatuur
50°C en voor de berekening de waarden van de
materiaaleigenschappen bij 20°C aangehouden;
7°. bij aanwezigheid van een
stoomdoos wordt als minimale berekeningstemperatuur 100°C
aangehouden; en
8°. bij de berekening van de
tank wordt de verzwakking door mangaten en eventuele andere
openingen in de tankwand alsmede compensatie in de vorm van
mangathalzen, flenzen en dergelijke mede in rekening gebracht.
§ 3. Beoordeling van een aanvraag voor
goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig of getrokken
voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter
Artikel 69
1. Ingevolge artikel 60, eerste lid,
wordt een aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld
model overgelegd.
2. Op het aanvraagformulier wordt door de
fabrikant van het voertuig of zijn officiële vertegenwoordiger in
Nederland verklaard aan welke ADR typegoedkeuring het voertuig voldoet.
Tevens wordt verklaard dat het ABS en indien van toepassing de
duurreminstallatie voldoen aan de eisen zoals vastgesteld in het ADR.
§ 4. Typegoedkeuring uitrustingsdelen
Artikel 70
Typegoedkeuring voor de in artikel 33
genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant
van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in
Nederland.
Artikel 71
De aanvraag ter verkrijging van een
typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
a. een volledige werktekening met
voldoende aanzichten in 2-voud, en deze:
1°. is zo duidelijk en
nauwkeurig mogelijk bij voorkeur op formaat A2 vervaardigd;
2°. is van een volledige
maataanduiding voorzien;
3°. is van een stuklijst
voorzien waarin alle materialen, ook de alternatief te gebruiken
materialen, zijn vermeld;
4°. vermeldt waar en op welke
wijze de vereiste merk- en typeaanduidingen onderscheidenlijk
coderingen zijn aangebracht;
5°. vermeldt de naam, het adres
en de woonplaats van de fabrikant, alsmede, indien van
toepassing, van de vertegenwoordiging in Nederland; en
6°. vermeldt voorzover van
toepassing de wijze van verzegeling alsmede de afbeelding van
het waarmerk;
b. een gespecificeerde lijst waarin
de kwaliteitsnaam, zijnde niet de handels- of merknaam en het
toepassingsgebied van alle toegepaste materialen en afdichtingen is
vermeld, waarbij aanduidingen zoals benzinebestendig en
zuurbestendig onvoldoende zijn;
c. een opgave van de minimum- en
maximumwerktemperatuur met de daarbij toelaatbare bedrijfsdruk;
d. een opgave van de betekenis van de
coderingen welke op de appendages zijn aangebracht;
e. bij ontluchtingsinrichtingen bij
gecombineerde beluchtings- en ontluchtingsinrichtingen alsmede bij
afblaasventielen een capaciteitsgrafiek in Nm3/uur voor de
ontluchting, waarbij in de grafiek voorts is aangegeven:
1°. de stand van de
ontluchtingsinrichting in gemonteerde toestand; en
2°. of bij het bepalen van de
vermelde capaciteit de invloed van de vlamkering, voor zover
aanwezig, is inbegrepen;
f. bij mangatdeksels bovendien de
volgende berekeningen:
1. bij mangatdeksels van tanks
overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) een berekening van het
deksel bij een inwendige overdruk van 265 kPa (2,65 bar);
2. bij alle niet onder 1°
genoemde mangatdeksels een berekening op ten minste de
beproevingsdruk van de tank van:
A. het deksel;
B. de mangathals;
C. de knevels en de
knevelbouten; en
D. de scharnierpunten van de
knevelbouten;
g. van samengestelde oogbouten:
1°. een door een onafhankelijke
deskundige afgegeven verklaring, waarin is aangegeven dat een
proefexemplaar aan een trekproef is onderworpen alsmede bij
welke belasting het exemplaar is bezweken;
2°. het proefexemplaar.
Artikel 72
De in artikel 71, onderdelen b, c en e,
bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages
verstrekt.
Artikel 73
Indien de in artikel 71 bedoelde over te
leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een
proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en
typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.
Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen
§ 1. Algemeen
Artikel 74
Naast het overige dat in de VLG is
voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een
keuring respectievelijk beproeving aangeboden:
a. na een wijziging of herstelling
van voor de veiligheid essentiële delen;
b. na een aanrijding of ongeval
waardoor beschadiging is ontstaan; of
c. wanneer zulks om redenen van
veiligheid nodig is.
Artikel 75
1. Een nieuw gebouwd of gewijzigd
voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst
gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.
2. De keuringen en beproevingen worden
slechts verricht na ontvangst van een schriftelijke orderbevestiging.
3. De keuringsdatum wordt vastgesteld
nadat de ontwerpgegevens zijn goedgekeurd door de directeur.
4. In geval van verhindering is daarvan
voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.
Artikel 76
Bij de keuring wordt nagegaan of het te
keuren object:
a. geheel overeenkomt met de
ingediende tekeningen of gegevens; en
b. geheel voldoet aan de
voorschriften bedoeld in artikel 3.
Artikel 77
1. Bij keuringen en beproevingen staat
voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat
eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen,
dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen,
remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.
2. Bij keuringen en beproevingen bevinden
de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages,
zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.
Artikel 78
Voor zover geen inwendige inspectie of
proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te
worden gereinigd bij de keuring van:
a. tankwagens uitsluitend goedgekeurd
voor het vervoer van stoffen van klasse 2;
b. tankwagens die als laatste product
kerosine met identificatienummer 1223, dieselolie, gasolie, lichte
stookolie met identificatienummer 1202 of bitumen met
identificatienummer 3257 hebben vervoerd.
Artikel 79
1. Bij keuringen, onderscheidenlijk
beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde
onder artikel 77, tweede lid, bevestigd in een door de eigenaar, dan wel
houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór
de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt
afgegeven.
2. In deze verklaring is tevens vermeldt
welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd
vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk
beproeving.
Artikel 80
1. Voorafgaand aan een inwendige
inspectie is de tank inwendig gereinigd.
2. Onmiddellijk voor de inwendige
inspectie van de tank wordt een door een gasdeskundige als bedoeld in
artikel 3.5h van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgemaakt veiligheids-
en gezondheidsverklaring overgelegd. Deze veiligheids- en
gezondheidsverklaring wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage IX
van de Arbeidsomstandighedenregeling vastgesteld modellen.
3. Indien de fabrikant van de tank of de
werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is
gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO
9001:2000, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en
beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid,
door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.
4. Het in het tweede lid genoemde
certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:
a. de tank niet is voorzien van een
inwendige bekleding;
b. de tank uit roestvrij staal of
aluminium is vervaardigd, een glad oppervlak en geen moeilijk te
reinigen details bezit;
c. de tank door middel van stomen is
gereinigd, waarbij elke aanslag is verdwenen; en
d. het inwendig betreden van de tank
plaatsvindt, aansluitend op het ledigen van de tank na persing met
water.
Artikel 81
Indien bij een keuring of beproeving
gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring
kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van
de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en
wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor
herkeuring aangeboden.
§ 2. Beproevingen (Algemeen)
Artikel 82 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische
proefpersing
1. Hydraulische proefpersingen en
dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.
2. In afwijking van het eerste lid kan de
directeur toestaan dat bedoelde beproevingen worden verricht onder
toezicht van een door hem aan te wijzen deskundige, in dat geval wordt
een door genoemde deskundige gewaarmerkt certificaat overgelegd, waarin
is vermeld:
a. het fabricagenummer van de
beproefde tank;
b. de datum van de beproeving;
c. de waarde van de beproevingsdruk
in kPa of bar;
d. het medium waarmee de beproeving
is uitgevoerd;
e. de beproevingsduur; en
f. het resultaat van de beproeving.
Artikel 83
Ten aanzien van tanks waarop rn.
6.8.2.1.14 onder a) van toepassing is, die zijn verdeeld in
compartimenten en die zijn gebouwd overeenkomstig voorschriften die
golden voor 1 januari 1990 behoeven de compartimenten geen afzonderlijke
beproeving van de in rn. 6.8.2.1.14 onder a) bedoelde druk.
Artikel 84
1. De bij de proefpersing toegepaste druk
bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).
Indien de proefpersing met vloeistof als
medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.
2. Bij een beproevingsdruk van ten
hoogste 50 kPa (0,5 bar) mag lucht of een ander gas als
beproevingsmedium worden toegepast, voor zover dat in geen enkel opzicht
gevaar oplevert.
Artikel 85
[Vervallen.]
§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1
Artikel 86
Uiterlijk bij de aanvang van de keuring
worden de volgende bescheiden overgelegd:
a. de in artikel 6, derde lid,
genoemde attesten, alsmede een schets van ten minste formaat A4
waarop de plaatindeling van de tankromp en de plaatnummers, zoals
vermeld in de attesten, zijn aangegeven, waarbij de op de tank
aangebrachte merktekens duidelijk leesbaar zijn en zo nodig worden
gemarkeerd;
b. de rapportage van het in rn.
6.8.2.1.23 bedoelde niet-destructieve onderzoek met de bijbehorende
radiografische opnamen, alsmede een schets van ten minste formaat
A4, van de tank, waarop de plaats en de richting van deze opnamen is
aangegeven;
1°. Het rapport van de
radiografische controle is voorzien van een kenmerk, dat
overeenkomt met een onuitwisbaar op de desbetreffende tank
aangebracht identificatienummer.
2°. Dit nummer is ook na
completering van het voertuig nog zichtbaar;
c. een verklaring waarin is vermeld
door welke persoon, dan wel personen de laswerkzaamheden zijn
verricht.
Artikel 87 proefpersing
1. Bij de proefpersing worden alle
noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:
a. de tank deugdelijk is vervaardigd;
b. noch in de lassen, noch in het
overige tankmateriaal lekkage optreedt; en
c. geen zichtbare blijvende
vormverandering optreedt.
2. Bij de proefpersing is de tank:
a. zodanig gereed, dat alle
belangrijke constructieve elementen zijn aangebracht en na de
beproeving geen las- en slijpwerkzaamheden meer aan de tank behoeven
te worden verricht;
b. voorzien van de bij de tank
behorende mangatdeksels, knevels en pakkingen, dan wel van identieke
exemplaren, waarbij speciale persdeksels mogen worden toegepast bij
een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0.5 bar);
c. horizontaal en goed bereikbaar
opgesteld, teneinde een goede inspectie mogelijk te maken;
d. ongeschilderd en nog niet van een
eventuele binnenbekleding voorzien; en
e. indien water als medium wordt
toegepast:
1. geheel gevuld; en
2. aan de buitenzijde, met
inbegrip van eventuele holle ruimten tussen de compartimenten,
geheel droog.
§ 4. Periodiek inspectie en beproeving
rn. 6.8.2.4.2
Artikel 88
Voor de periodieke inspectie en
beproeving wordt de tank van een tankvoertuig en een tankcontainer bij
IKS voor keuring aangeboden.
Artikel 89
Indien de resultaten van het inwendige
onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met
tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een
onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel
aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op
het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt
geacht.
Artikel 90
1. De hydraulische proefpersing wordt bij
de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de
tank-identificatieplaat (stempelplaat).
2. Per compartiment wordt de hydraulische
proefpersing verricht bij een druk gelijk aan 1,3 maal de op de
stempelplaat aangegeven werkdruk.
3. Indien de beproeving per compartiment
plaats vindt aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde beproeving,
behoeven de aan het te beproeven compartiment grenzende compartimenten
niet te zijn geledigd.
§5. Periodieke keuring voertuig
Artikel 91
[Vervallen.]
Artikel 92
[Vervallen.]
Artikel 93
Bij de periodieke keuring wordt nagegaan
of het voertuig:
a. geheel voldoet aan de daarvoor
geldende voorschriften, zoals genoemd in artikel 3;
b. geen gebreken vertoont, waartoe
het chassis goed gereinigd is;
c. voldoende is onderhouden.
Artikel 94
1. Indien ten behoeve van de periodieke
keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer
grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij
IKS.
2. Wanneer de gevraagde ontheffing wordt
verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan
vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig
wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij
IKS.
3. Het oorspronkelijk verstrekte
keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop
uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het
aanvragen van de ontheffing.
4. Indien de eigenaar of houder van het
voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het
voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is
geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde
ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn
gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor
de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.
§6. Keuring na belangrijke herstelling
ongeval
Artikel 95 rn. 6.8.2.4.4
Bij een schademelding ingevolge artikel
5, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:
1. Op grond van de verkregen
informatie beoordeelt het keuringsstation van de RDW of een
onderzoek naar de aard en de ernst van de schade wordt uitgevoerd;
2. Indien herstelling noodzakelijk
wordt geacht, legt het bedrijf dat deze herstelling zal uitvoeren,
een plan voor bij voornoemd keuringsstation;
3. De herstelling wordt niet
uitgevoerd dan nadat dit plan door voornoemd keuringsstation is
goedgekeurd;
4. Bij schade aan de tank met
inbegrip van versterkingen, ondersteuningen en uitrusting stelt de
eigenaar of de houder IKS daarvan in kennis;
5. Indien bij de voorgenomen
herstelwerkzaamheden (mede) de in het vierde lid genoemde elementen
van de constructie worden onderworpen aan vervorming of het
inbrengen van warmte, is onverminderd het bepaalde in het derde lid
tevens de goedkeuring van IKS vereist;
6. IKS verricht de op grond van rn.
6.8.2.4.4 noodzakelijk geachte onderzoeken en beproevingen;
7. Het keuringsstation van VT beslist
op grond van de resultaten van een keuring na herstelling, en voor
zover van toepassing, de resultaten van de in het zesde lid genoemde
onderzoeken en beproevingen, omtrent hernieuwde goedkeuring voor het
vervoer van gevaarlijke stoffen.
8. Indien het een keuring na
herstelling betreft van een afneembare tank of tankcontainer beslist
IKS omtrent hernieuwde goedkeuring voor het vervoer van gevaarlijke
stoffen.
Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 96
Deze bijlage is van toepassing op
voertuigen, tanks, tankcontainers en hun uitrusting, die zijn
vervaardigd overeenkomstig de VLG.
Artikel 97
1. De voorschriften van bijlage 4 zoals
die luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of
tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of
tankcontainer van toepassing.
2. De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften
betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990, zoals
die luidde ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of
tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of
tankcontainer van toepassing.
3. De Rijkskeuringsvoorschriften
betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 zoals die
luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of
tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of
tankcontainer van toepassing.
4. De Rijkskeuringsvoorschriften
betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 zoals die
luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of
tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of
tankcontainer van toepassing.
Aanhangsel 1 als bedoeld in artikel 57,
bijlage 4, Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen: waarmerk
Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’
kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.
|