|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 76, derde lid en 106, tweede
lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. bedrijfstemperatuur:
de temperatuur van een motor na
ongeveer vijftien minuten functioneren onder normale
bedrijfsomstandigheden;
b. boekwerk ‘APK-milieukeuringseisen’:
de editie van het door de Minister
vastgestelde boekwerk ‘APK-milieukeuringseisen’, die geldig is op
het moment van de keuring;
c. stationair toerental:
het toerental van de draaiende motor,
waarbij:
1. de koudstartinrichting of het
handgas niet is ingeschakeld,
2. het gaspedaal en het
koppelingspedaal in ruststand zijn,
3. de keuzehendel van de
versnellingsbak in de neutrale stand staat bij een niet- of
halfautomatische versnellingsbak dan wel in de parkeerstand of in
de neutrale stand bij een volautomatische versnellingsbak, en
waarbij
4. lampen en andere
stroomverbruikers niet zijn ingeschakeld, met uitzondering van
lampen die bij het starten automatisch gaan branden.
d. controleapparaat:
controleapparaat als bedoeld in Bijlage
I of Bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20
december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG
L 370).
Artikel 2
Deze regeling is van toepassing op:
a. personenauto's,
b. bedrijfsauto's,
c. driewielige motorrijtuigen met een
massa van het ledig voertuig van meer dan 400 kg, alsmede
d. aanhangwagens met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg.
Artikel 3
Voor de periodieke keuring van
personenauto's is bijlage I van toepassing, waarbij in de linkerkolom
zijn weergegeven de keuringseisen van hoofdstuk 5 van het
Voertuigreglement en in de rechterkolom de daarbij behorende wijzen van
keuren.
Artikel 4
Voor de periodieke keuring van
bedrijfsauto's is bijlage II van toepassing, waarbij in de linkerkolom
zijn weergegeven de keuringseisen van hoofdstuk 5 van het
Voertuigreglement en in de rechterkolom de daarbij behorende wijzen van
keuren.
Artikel 5
Voor de periodieke keuring van
driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg is
bijlage III van toepassing, waarbij in de linkerkolom zijn weergegeven
de keuringseisen van hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement en in de
rechterkolom de daarbij behorende wijzen van keuren.
Artikel 6
Voor de periodieke keuring van
aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is
bijlage IV van toepassing, waarbij in de linkerkolom zijn weergegeven de
keuringseisen van hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement en in de
rechterkolom de daarbij behorende wijzen van keuren.
Artikel 7
1. De keuring wordt uitgevoerd zonder
demontage, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
2. De keuring wordt uitgevoerd zonder
rijproef, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
3. De keuring van voertuigen met
variabele afmetingen wordt uitgevoerd in de stand waarin het voertuig
ter keuring wordt aangeboden.
Artikel 8
1. Indien een visuele controle wordt
voorgeschreven en deze controle onvoldoende uitsluitsel biedt, wordt
het desbetreffende onderdeel aanvullend op één van de volgende
wijzen gecontroleerd:
a. door gebruik te maken van
hulpmiddelen zoals een spiegel, hamertje, bandijzer, staalborstel
of schuurpapier;
b. door het uitoefenen van een
kracht, al dan niet met behulp van gereedschap.
2. Teneinde een goede controle te
waarborgen, worden de hierna genoemde onderdelen verwijderd in de
daarachter beschreven gevallen:
|
a. |
wieldoppen, |
voor zover deze de
wielbevestigingsbouten afdekken; |
|
b. |
onderbeplating ten behoeve van
stroomlijning of geluidsisolatie, |
voor zover deze een visuele
controle onmogelijk maakt van direct voor de verkeersveiligheid
van belang zijnde aspecten, zoals de bevestiging van het stuurhuis
of de wielophanging; |
|
c. |
kunststofbeplating in of over de
wielkasten, |
alleen indien duidelijke twijfel
bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen
andere controle mogelijk is; |
|
d. |
tapijt of vloerbedekking, |
alleen indien duidelijke twijfel
bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen
andere controle mogelijk is; |
|
e. |
zijskirts, waaronder
kunststofspoilers aan dorpels, |
alleen indien duidelijke twijfel
bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en
verwijdering kan geschieden zonder lakbeschadiging (bijvoorbeeld
bevestigd met parkers).
Zijskirts bevestigd door middel van
popnagels of andere permanente bevestigingsmiddelen mogen niet
worden verwijderd; |
|
f. |
beschermkappen om stuurkoppelingen, |
voor zover deze een visuele
controle van de koppeling onmogelijk maken; |
|
g. |
beschermkappen om reminrichtingen, |
voor zover deze een visuele
controle van remschijven onmogelijk maken. |
3. De verwijdering van onderdelen mag
alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het
voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten
de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.
4. In het geval dat, ondanks twijfel
omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot
verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging,
moet op de achterzijde van het keuringsrapport worden vermeld dat
het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.
5. Voor het meten van
voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een stalen
meetband met voldoende bereik gebruikt.
6. Voor de beoordeling van de werking
van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en
remtrommels worden overgegaan indien twijfel bestaat omtrent:
a. een goede bevestiging van de
remvoering; of
b. of de drager of het
bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf
raken.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met
ingang van de dag waarop de artikelen 76, derde lid, en 106, tweede lid,
van de Wegenverkeerswet 1994 in werking treden.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling wijze van keuren APK.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
Bijlage I, behorende bij artikel 3
| |
Keuringseisen |
Wijze van keuren |
| |
|
|
|
O. |
Algemeen |
|
| |
Artikel 5.2.1 |
|
| |
onderdeel a. |
Controle hierop moet reeds
voorafgaand aan de keuring hebben plaatsgevonden. |
| |
onderdeel b. |
Visuele controle. |
| |
onderdeel c. |
Geen controle van het
goedkeuringsmerk; visuele controle van de bevestiging. |
| |
onderdeel d. |
Visuele controle, waarbij de
letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de
waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter de
personenauto staat. |
| |
|
|
|
1. |
Algemene bouwwijze van het voertuig |
|
| |
Artikel 5.2.3 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de
wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
| |
lid 2. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.4 |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
|
2. |
Afmetingen en massa's |
|
| |
Artikel 5.2.6 |
In geval van twijfel wordt de
personenauto gemeten, waarbij artikel 1.2 van het
Voertuigreglement van toepassing is. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.7 |
|
| |
leden 1 en 2. |
In geval van buitensporige
wijziging van de inrichting wordt de personenauto gewogen. |
| |
|
|
|
3. |
Motor |
|
| |
Artikel 5.2.9 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle van alle aanwezige
brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien sprake is van
corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op
de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
| |
lid 2. |
1. Visuele controle, terwijl de
personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende
motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Indien de personenauto is
uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de
controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de
hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs.
Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd
indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te
laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem
niet mogelijk is, wordt dit vermeld op de achterzijde van het
keuringsrapport. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met
behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het
contact moet zijn ingeschakeld.
|
| |
lid 3. |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.10 |
|
| |
lid 1. |
– |
| |
lid 2, onderdelen a, b en c. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. |
| |
lid 3. |
Visuele controle. |
| |
lid 4, onderdelen a, b, c en d. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. |
| |
onderdeel e. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de
hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de
koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet
wegvallen.
Indien een controle op deze wijze
niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is
overgeschakeld op LPG wordt gecontroleerd of de spoel is
bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld
gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| |
onderdeel f. |
Visuele controle. |
| |
onderdeel g. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt het contact uitgeschakeld en wordt gecontroleerd of de
bekrachtiging wegvalt. |
| |
lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
| |
lid 6. |
Visuele controle. |
| |
leden 7, 8 en 9. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.10a |
|
| |
Lid 1. |
– |
| |
Lid 2, a en b. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. |
| |
Lid 3. |
Visuele controle. |
| |
Lid 4. |
Visuele controle aan de hand van de
gegevens op de tank, op het kentekenbewijs, dan wel uit het
kentekenregister. |
| |
Lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
| |
Lid 6. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de
hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de
koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet
wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is,
wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt
gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het
contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is
weggevallen. |
| |
Lid 7 t/m 9. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.11 |
|
| |
lid 1. |
Visuele en auditieve controle,
terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| |
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
leden 3, 4 en 5. |
– |
| |
lid 6. |
1. Controle op de hier genoemde
gehaltes is niet noodzakelijk indien een controle op grond van
artikel 5.2.11, zevende of achtste lid, van het
Voertuigreglement heeft plaatsgevonden.
2. De controle geschiedt door
meting aan een stilstaande personenauto met een
koolmonoxidemeter die ten minste gedurende de door de
fabrikant van de koolmonoxidemeter opgegeven opwarmtijd onder
elektrische spanning heeft gestaan.
3. Bij de meting moet de
omgevingstemperatuur hoger zijn dan 0°C. Vóór elke meting
wordt het nulpunt van de koolmonoxidemeter gecontroleerd en zo
nodig bijgesteld.
4. Vóór elke meting wordt
gecontroleerd of:
a. de motor met stationair
toerental draait en op bedrijfstemperatuur is, en
b. de carterontluchting op
het voertuig is aangesloten.
5. Vóór elke meting wordt
gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat
verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op
beschadigingen van de monsternameslang en de sonde.
6. De sonde wordt ten minste
0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht. De
eindwaarde van een meting wordt gelijkgesteld met de waarde
die na 30 seconden is bereikt.
7. Indien het uitlaatsysteem
meer dan één uitmonding heeft, wordt de sonde
achtereenvolgens in elke uitmonding ingebracht; het
rekenkundig gemiddelde van de gevonden waarden geldt als het
te bepalen gehalte.
8. Indien de personenauto is
uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, hoeft de
controle alleen te worden uitgevoerd wanneer de motor wordt
gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het
kentekenbewijs.
|
| |
lid 7. |
1. De wijze van keuren bij de
punten 2 tot en met 7 bij het zesde lid is van toepassing.
2. Het stationaire toerental
moet liggen tussen de voor het desbetreffende type
personenauto in het boekwerk ‘APK-milieukeuringseisen’
aangegeven waarden. Dit wordt gecontroleerd met behulp van een
toerenteller.
Zo nodig wordt het toerental
afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Na de meting
wordt, indien nodig, het toerental weer op de oorspronkelijke
waarde teruggebracht.
|
| |
lid 8. |
1. De wijze van keuren bij de
punten 2 tot en met 7 bij het zesde lid is van toepassing.
2. Het stationaire toerental
moet, indien een minimum- en maximumwaarde op de sticker is
aangegeven, tussen de aangegeven waarden liggen. Indien
slechts één toerental op de sticker is aangegeven, mag het
stationair toerental ten hoogste 50 omwentelingen per minuut
van deze waarde afwijken. Dit wordt gecontroleerd met behulp
van een toerenteller.
Zo nodig wordt het toerental
afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Na de meting
wordt, indien nodig, het toerental weer op de oorspronkelijke
waarde teruggebracht.
3. Het CO-gehalte moet, indien
een minimum- en maximum CO-waarde op de sticker is aangegeven,
tussen de aangegeven waarden liggen. Indien slechts één
CO-waarde op de sticker is aangegeven, mag deze waarde niet
worden overschreden.
4. Indien geen sticker aanwezig
is, is de waarde, genoemd onder c van het zesde lid van
toepassing. Als de personenauto in dat geval is voorzien van
een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht
en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte in de
uitlaatgassen, geldt de waarde, genoemd onder d van het zesde
lid.
|
| |
lid 9. |
1. De controle geschiedt door
meting aan een stilstaande personenauto met een
uitlaatgastester met lambda-bepaling die ten minste gedurende
de door de fabrikant van de uitlaatgastester opgegeven
opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Vóór elke meting wordt
gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat
verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op
beschadigingen van de monsternameslang en de sonde.
3. De sonde wordt op de wijze
zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende
uitlaatgastester in de uitmonding van het uitlaatsysteem
ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met
betrekking tot de te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.
4. Indien het uitlaatsysteem
meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot
één uitmonding.
5. Indien de personenauto is
uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, hoeft de
controle alleen te worden uitgevoerd wanneer de motor wordt
gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het
kentekenbewijs.
6. Het verhoogd toerental moet
worden gecontroleerd met behulp van een toerenteller.
Eventuele aanwijzingen in de handleiding moeten worden
gevolgd.
7. De meting geschiedt op de
wijze zoals bepaald in artikel 2.3.10 van de Regeling
permanente eisen.
|
| |
lid 10. |
– |
| |
lid 11. |
1. De controle geschiedt door
meting aan een stilstaande personenauto met een roetmeter die
ten minste gedurende de door de fabrikant van de roetmeter
opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. komt lid 11, punt 2, te
luiden: Vóór elke meting wordt gecontroleerd of het
monsternamesysteem en de desbetreffende verbindingskabels in
goede staat verkeren, waarbij in het bijzonder moet worden
gelet op beschadigingen.
3. De sonde wordt op de wijze
zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende
roetmeter in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.
Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de
te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.
4. Indien het uitlaatsysteem
meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot
één uitmonding.
5. De motorolietemperatuur
wordt gemeten met behulp van een temperatuuropnemer welke op
de wijze zoals beschreven in de handleiding van de
desbetreffende roetmeter in de motor wordt ingebracht.
Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de
te gebruiken temperatuuropnemer moeten worden gevolgd. De
temperatuuropnemer behoeft niet te worden ingebracht indien
duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is.
6. Het stationair toerental en
afregeltoerental moeten worden gecontroleerd met behulp van
een toerenteller. Zo nodig wordt het stationair toerental
afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Eventuele
aanwijzingen in de handleiding moeten worden gevolgd.
7. De meting geschiedt op de
wijze zoals bepaald in de artikelen 2.3.11 en 2.3.12 van de
Regeling permanente eisen.
|
| |
lid 12. |
Visuele controle, waarbij het
bepaalde in artikel 2.3.9 van de Regeling permanente eisen van
toepassing is. |
| |
lid 13 |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.12 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle. |
| |
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.13 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
| |
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
lid 3. |
– |
| |
|
|
|
4. |
Krachtoverbrenging |
|
| |
Artikel 5.2.15 |
1. De afleesbaarheid wordt
visueel gecontroleerd, waarbij de verlichting wordt
ingeschakeld.
2. Indien op grond van een
ander keuringsvoorschrift een rijproef wordt uitgevoerd, wordt
daarbij de werking van de snelheidsmeter gecontroleerd.
|
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.16 |
|
| |
Lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. Een
volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de
aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| |
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
Lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij het stuur naar links en rechts wordt gedraaid. |
| |
Lid 4. |
– |
| |
|
|
|
5. |
Assen |
|
| |
Artikel 5.2.18 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
| |
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| |
lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien een wielgeleidingselement is gerepareerd, moet
artikel 2.2.23 van de Regeling permanente eisen in acht worden
genomen. |
| |
lid 5. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.19 |
|
| |
Lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
Lid 3. |
1. De wijze van keuren bij het
eerste lid is van toepassing.
2. Voor het zichtbaar maken
van:
a. axiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel ontlast
en op en neer bewogen dan wel ontlast en langzaam weer
belast;
b. radiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel
gedeeltelijk ontlast en handmatig dan wel met behulp van
een spelingsdetector bewogen;
c. axiale en radiale
speling van fuseekogels en overige kogelgewrichten wordt
elke kogel ten opzichte van de draagarm in elke richting
bewogen; bij deze controle moet de stand van de
wielophanging zoveel mogelijk overeenkomen met de
rijpositie en moeten de kogels zoveel mogelijk onbelast
zijn;
d. radiale speling van de
overige draaipunten wordt elk draaipunt in radiale
richting ten opzichte van de bevestiging bewogen met
behulp van een spelingsdetector dan wel handmatig.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Op de speling zijn de
artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.4 van de Regeling permanente
eisen van toepassing.
|
| |
Lid 4. |
Indien de hoes is beschadigd of
ontbreekt, vindt visuele controle plaats terwijl de personenauto
zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| |
Lid 5. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.20 |
|
| |
lid 1. |
1. Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt.
2. Voor de controle van de
speling moet elk wiel vrij kunnen ronddraaien en wordt elk
wiel met de hand of met behulp van een hefboom, bijvoorbeeld
een koevoet, haaks op de draairichting bewogen.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. De meting vindt plaats op
een zo groot mogelijke afstand van de hartlijn van de as.
5. Bij bestuurde wielen moet:
a. één maal in ongeremde
toestand, voor de bepaling van de speling van de wiellager
en de fusee tezamen, en
b. één maal in geremde
toestand, voor de bepaling van de speling van de fusee,
worden gemeten.
6. Het verschil tussen de in
punt 5 bedoelde waarden is de wiellagerspeling.
7. Op de speling is artikel
2.5.5 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
| |
lid 2. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt
rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
| |
lid 3. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.21 |
|
| |
lid 1. |
Geen controle. |
| |
lid 2. |
In geval van twijfel wordt gemeten. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.22 |
In geval van twijfel worden de
afstanden gemeten met een meetmiddel met voldoende bereik. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.23 |
[Vervallen.] |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.24 |
|
| |
leden 1 en 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| |
|
|
| |
|
|
|
6. |
Ophanging |
|
| |
Artikel 5.2.27 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle. |
| |
leden 2 en 3. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| |
lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel
wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. |
| |
lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede
en derde lid is van toepassing. |
| |
lid 6. |
Visuele controle. |
| |
lid 7. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.28 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| |
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
| |
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk enkele malen wordt
ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging,
geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2,
titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
| |
lid 4. |
– |
|
7. |
Stuurinrichting |
|
| |
Artikel 5.2.29 |
|
| |
Lid 1. |
Visuele controle waarbij, met de
wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en
naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste
15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten
hierbij van stand veranderen. |
| |
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld.
De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en
rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk
mogen worden ontlast. |
| |
Lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar
links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de
personenauto op de wielen rust. Indien sprake is van corrosie ter
plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals
bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
| |
Lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
Lid 5. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar
rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| |
Lid 6. |
De wijze van keuren bij het vijfde
lid is van toepassing. Op scheuren dan wel het loslaten van de
vulcanisatie is artikel 2.7.2 van de Regeling permanente eisen van
toepassing. |
| |
Lid 7. |
1. Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt.
2. Voor het zichtbaar maken
van:
a. radiale speling wordt
het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links
en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de
personenauto op de wielen rust;
b. axiale speling worden op
de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten
uitgeoefend.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Op de speling is artikel
2.7.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
| |
Lid 8. |
Indien de hoes is beschadigd of
ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto
zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| |
Lid 9. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en
rechterstuurstand bewogen. |
| |
Lid 10. |
– |
| |
|
|
|
8. |
Reminrichting |
|
| |
Artikel 5.2.31 |
|
| |
lid 1, onderdeel a. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
| |
onderdeel b. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of
remschijf zijn de artikelen 2.8.2 en 2.8.3 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
| |
onderdeel c. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
onderdeel d. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van
het remsysteem wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna
aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een
hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van
700 N (70 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt
gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet
op de aanslag mag komen.
Indien een rembekrachtiger aanwezig
is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| |
lid 2. |
1. Voor de controle van de
vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor
allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal
meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt
rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het
vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
2. Visuele controle van de
remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem
in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de
as eventueel ontlast.
|
| |
lid 3. |
Controle door het rempedaal in te
trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten
hoogste 700N (70kg) ingetrapt. |
| |
lid 4. |
Visuele controle. |
| |
lid 5,
onderdeel a. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien een remslang is misvormd zijn de artikelen 2.8.4
en 2.8.6, tweede lid, van de Regeling permanente eisen van
toepassing. |
| |
onderdeel b. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en
rechterstuurstand gebracht. |
| |
onderdeel c. |
Visuele controle terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
lid 6. |
Controle door de wielen vrij van de
grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| |
lid 7. |
Visuele controle terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt.
Indien de remvoering zonder
demontage niet zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking
gesteld, terwijl het wiel met de hand of met behulp van een
wielspinner wordt rondgedraaid.
Hierbij mogen geen schurende
geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| |
lid 8. |
Visuele controle terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
lid 9. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder
demontage mogelijk is. |
| |
lid 10. |
Het contact wordt ingeschakeld,
waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens
wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat,
functioneert het systeem.
Indien noodzakelijk wordt een
rijproef uitgevoerd. |
| |
lid 11. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.32 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle. |
| |
lid 2. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij de werking op één van de volgende manieren wordt
gecontroleerd:
a. indien het
remvloeistofreservoir is voorzien van een vlotter wordt deze
omlaag gedrukt dan wel de dop losgeschroefd en opgelicht;
b. het contact wordt
ingeschakeld, waarbij indien noodzakelijk de motor wordt
gestart, en de parkeerrem wordt aangetrokken;
c. de daartoe bestemde
schakelaar wordt bediend.
|
| |
lid 3. |
Visuele controle, waarbij het
remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag
bevinden. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.38 |
|
| |
Leden 1 en 2. |
De artikelen 2.8.8 tot en met
2.8.12 alsmede de artikelen 2.8.14, 2.8.16 en 2.8.17 van de
Regeling permanente eisen zijn van toepassing. Indien een remproef
op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de
remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| |
Lid 3. |
Terwijl de wielen zich vrij van de
grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht
ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij
gebruik van een rollenremtestbank voor de controle van de
remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| |
Lid 4. |
De controle geschiedt op de wijze
zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 8, Afdeling 3 van de Regeling
permanente eisen. |
| |
Lid 5. |
– |
| |
Lid 6 |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.39 |
|
| |
lid 1. |
Terwijl twee wielen zich vrij van
de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem
vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand
gehouden, waarna wordt gecontroleerd of elk van beide wielen wordt
geremd. Indien de controle van de remwerking met behulp van een
remtestinrichting is uitgevoerd volgens de leden 2 of 3 van dit
artikel wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| |
leden 2 en 3. |
Controle op een helling dan wel op
de wijze zoals bepaald in de artikelen 2.8.8, 2.8.9, 2.8.13,
2.8.15 en 2.8.18 van de Regeling permanente eisen. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.40 |
|
| |
lid 1. |
Geen controle. |
| |
lid 2. |
Geen controle. |
| |
|
|
|
9. |
Carrosserie |
|
| |
Artikel 5.2.41 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, waarbij de deuren
worden geopend en gesloten. |
| |
lid 2. |
Visuele controle, waarbij de
motorkap of het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| |
lid 3. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
| |
lid 4. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.42 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle. Indien de
voorruit een beschadiging of verkleuring vertoont geschiedt de
controle aan de hand van de artikelen 2.9.2 tot en met 2.9.6 van
de Regeling permanente eisen. |
| |
lid 2. |
Visuele controle. |
| |
lid 3. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.43 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle. Indien bij het in
werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet
zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle
achterwege. |
| |
lid 2. |
Visuele controle, waarbij de
installatie in werking wordt gesteld. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.44 |
Visuele controle, waarbij de
installatie in werking wordt gesteld. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.45 |
|
| |
leden 1, 2, 3 en 4. |
Visuele controle. |
| |
lid 5. |
Visuele controle. Hierbij wordt de
verstellingsinrichting bediend dan wel het raam geopend, waarbij
de spiegel moet kunnen worden versteld. |
| |
leden 6 en 7. |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.46 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle |
| |
lid 2. |
– |
| |
lid 3. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
| |
onderdelen a en b. |
Visuele controle. Indien de
vergrendeling in twee standen werkt blijft verdere controle
achterwege. |
| |
onderdeel c. |
Visuele controle. Zo nodig wordt de
vergrendeling gecontroleerd tijdens een remproef. |
| |
lid 4. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.47 |
|
| |
lid 1 en 2. |
Visuele controle. Indien in het
middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel
aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en
behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een
kampeerauto is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en
tot de overige zitplaatsen voorzover deze zijn voorzien van
autogordels. |
| |
leden 3, 4, 5 en 6. |
Visuele controle. |
| |
lid 7. |
Visuele controle waarbij een
eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
| |
lid 8. |
Visuele controle. Hierbij wordt de
gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van
een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt
gecontroleerd door te rukken aan de gordel; indien dit geen
uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het
blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
| |
lid 9. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.47a |
|
| |
Leden 1 en 2. |
Geen controle. |
| |
|
|
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.48 |
|
| |
leden 1, 2 en 3. |
Visuele controle, waarbij in geval
van twijfel wordt gemeten. |
| |
leden 4, 5 en 6. |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.50 |
Visuele controle. |
| |
|
|
|
10. |
Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen |
|
| |
Artikel 5.2.51 |
|
| |
onderdelen a tot en met l. |
Visuele controle. |
| |
onderdeel m. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
| |
onderdeel n. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.3 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| |
onderdeel o. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
| |
onderdeel p. |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.53 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. Voor de controle
van de achteruitrijlichten wordt de achteruitrijversnelling en zo
nodig het contact ingeschakeld. Indien noodzakelijk wordt
achteruitgereden. |
| |
leden 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
lid 9. |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.55 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. De schakelaar moet
automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| |
lid 2. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
| |
lid 3. |
Visuele controle. Indien het glas
is beschadigd of bewerkt is artikel 2.10.12 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
| |
lid 4. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
leden 5 en 6. |
Visuele controle. |
| |
lid 7. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.56 |
|
| |
lid 1. |
1. De stand van de lichtbundel
van het dimlicht wordt gecontroleerd met behulp van een
koplamptestapparaat, waarbij de personenauto en het
koplamptestapparaat op een vlakke en horizontale vloer zijn
geplaatst.
2. Bij de controle bedoeld in
punt 1 moeten:
a. de voorwielen in de
stand van rechtuitrijden staan,
b. de banden op de juiste
spanning zijn, en moet
c. de handrem los staan.
3. Indien de personenauto is
uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling
eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet
tijdens de controle deze afstelinrichting op de stand staan
die overeenkomt met de beladingstoestand.
4. Indien de personenauto is
uitgerust met een automatische niveauregeling, wordt de
controle uitgevoerd met stationair draaiende motor. Een
eventuele bedieningsmogelijkheid moet in de normale rijstand
staan.
|
| |
lid 2. |
Visuele controle. Indien de
reflector is aangetast is artikel 2.10.14 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
| |
lid 3. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.57 |
|
| |
lid 1, onderdeel a. |
Visuele controle. |
| |
onderdeel b. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
| |
onderdelen c tot en met f. |
Visuele controle. |
| |
onderdeel g. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
| |
onderdeel h. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. |
| |
onderdelen i tot en met n. |
Visuele controle. |
| |
leden 2 en 3. |
Visuele controle |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.59 |
|
| |
leden 1, 2, 3, 4 en 5. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
lid 6. |
De wijze van keuren bij het tweede,
derde en vierde lid van artikel 5.2.55, van het Voertuigreglement
is van toepassing. |
| |
lid 7. |
De wijze van keuren bij het eerste
tot en met vijfde lid van artikel 5.2.55, van het
Voertuigreglement is van toepassing. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.61 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
| |
lid 2. |
– |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.62 |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.63 |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.64 |
|
| |
Lid 1. |
Met uitzondering van het
onderstaande geen controle.
Bij personenauto’s die zijn
voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of
de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel
de vermelding ‘Afgegeven ex art. 16, tweede lid, RKR inzake
afwijkende koplampen’ onder bijzonderheden op het
kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een
afwijkend lichtbeeld. Het dimlicht wordt niet als verblindend
aangemerkt indien dit als volgt is afgesteld:
Globaal mag het geprojecteerde
lichtste vlak, voor zowel een beladen als een onbeladen voertuig,
zich niet bevinden boven de horizontale lijn die overeenkomt met
een daling van 2 cm/m van de lichtbundel ten opzichte van de
koplamp.
Tevens mag het midden van dit vlak
zich niet duidelijk links bevinden van:
– de verticale hartlijn op
het scherm van het koplamptestapparaat of
– de geprojecteerde verticale
hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm.
|
| |
Lid 2. |
Visuele controle. |
| |
|
|
| |
Artikel 5.2.65 |
Visuele controle. Indien
verlichtingsarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven
dan wel toegestaan, moet de bedrading van deze armaturen zijn
losgenomen en het lampje zijn verwijderd. |
| |
|
|
|
11. |
Verbinding tussen personenauto en
aanhangwagen |
|
| |
Artikel 5.2.66 |
|
| |
lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
| |
lid 2, onderdeel a. |
Het bolvormige gedeelte wordt
gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| |
onderdeel b. |
Een afneembare kogel wordt, indien
aanwezig, verwijderd en wederom aangebracht. |
| |
lid 3. |
De wijze van keuren bij de
artikelen 5.3.68 en 5.3.70 van het Voertuigreglement is van
toepassing. |
| |
|
|
|
12. |
Diversen |
|
| |
Artikel 5.2.71 |
|
| |
lid 1. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| |
leden 2 en 3. |
Visuele en auditieve controle. |
Bijlage II, behorende bij artikel 4
|
Keuringseisen |
Wijze van keuren |
|
O. Algemeen |
|
|
Artikel 5.3.1 |
|
|
onderdeel a. |
|
|
Controle hierop moet reeds
voorafgaand aan de keuring hebben plaatsgevonden. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle. |
|
onderdeel c. |
Geen controle. |
|
onderdeel d. |
Geen controle van het
goedkeuringsmerk; visuele controle van de bevestiging. |
|
onderdeel e. |
Visuele controle waarbij de
waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter de
bedrijfsauto staat. |
| |
|
|
1. Algemene bouwwijze van het
voertuig |
|
|
Artikel 5.3.3 |
|
| |
|
lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de
wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 2. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.4 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt.
Indien sprake is van corrosie
geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2,
titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
| |
|
|
2. Afmetingen en massa's |
|
|
Artikel 5.3.6 |
|
|
lid 1, onderdeel a |
|
|
Bedrijfsauto's met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg moeten in geval van
twijfel worden gemeten.
Bedrijfsauto's met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg worden gemeten.
De maat mag niet meer dan 1,0%
afwijken.
Artikel 1.2 van het
Voertuigreglement is van toepassing. |
|
lid 1, onderdeel b |
Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3.500 kg moeten in geval van
twijfel worden gemeten.
Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van meer dan 3.500 kg worden gemeten.
Artikel 1.2 van het
Voertuigreglement is van toepassing. |
|
onderdeel c. |
Bedrijfsauto's met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg worden gemeten.
Bedrijfsauto's met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg worden slechts in geval
van twijfel gemeten.
Artikel 1.2 van het
Voertuigreglement is van toepassing. |
|
lid 2 |
2. De wijze van keuren bij het
eerste lid, onderdeel a, is van toepassing. |
|
lid 3 |
2. De wijze van keuren bij het
eerste lid, onderdeel b, is van toepassing. |
|
lid 4 |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.7 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
In geval van buitensporige
wijziging van de inrichting wordt de bedrijfsauto gewogen. |
| |
|
|
3. Motor |
|
|
Artikel 5.3.9 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle van alle aanwezige
brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Indien sprake is van corrosie ter
plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals
bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
1. Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende
motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Indien de bedrijfsauto is
uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de
controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de
hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs.
Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd
indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te
laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem
niet mogelijk is, wordt dit vermeld op de achterzijde van het
keuringsrapport. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met
behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het
contact moet zijn ingeschakeld.
|
|
lid 3. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.10 |
|
|
lid 1 |
|
|
– |
|
lid 2, onderdelen a, b en c. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. |
|
lid 3. |
Visuele controle. |
|
lid 4, onderdelen a, b, c en d. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. |
|
onderdeel e. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de
hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de
koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet
wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is,
wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op LPG wordt
gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het
contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is
weggevallen. |
|
onderdeel f. |
Visuele controle |
|
onderdeel g. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt het contact uitgeschakeld en wordt gecontroleerd of de
bekrachtiging wegvalt. |
|
lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
|
lid 6. |
Visuele controle. |
|
Leden 7, 8 en 9. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
| |
|
|
Artikel 5.3.10a |
|
|
Lid 1. |
– |
|
Lid 2, a en b |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. |
|
Lid 3 |
Visuele controle. |
|
Lid 4 |
Visuele controle aan de hand van de
gegevens op de tank, op het kentekenbewijs, dan wel uit het
kentekenregister. |
|
Lid 5 |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
|
Lid 6 |
Visuele controle, zo nodig terwijl
de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de
hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de
koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet
wegvallen.
Indien een controle op deze wijze
niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is
overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is
bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld
gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
|
Leden 7 t/m 9 |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
| |
|
|
Artikel 5.3.11 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele en auditieve controle,
terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende motor boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
leden 3 en 4. |
– |
|
lid 5. |
1. Controle op de hier genoemde
gehaltes is niet noodzakelijk indien een controle op grond van
artikel 5.3.11. zesde lid, van het Voertuigreglement heeft
plaatsgevonden.
2. De controle geschiedt door
meting aan een stilstaande bedrijfsauto met een
koolmonoxidemeter die ten minste gedurende de door de
fabrikant van de koolmonoxidemeter opgegeven opwarmtijd onder
elektrische spanning heeft gestaan.
3. Bij de meting moet de
omgevingstemperatuur hoger zijn dan 0°C. Vóór elke meting
wordt het nulpunt van de koolmonoxidemeter gecontroleerd en zo
nodig bijgesteld.
4. Vóór elke meting wordt
gecontroleerd of:
a. de motor met stationair
toerental draait en op bedrijfstemperatuur is, en
b. de carterontluchting op
het voertuig is aangesloten.
5. Vóór elke meting wordt
gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat
verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op
beschadigingen van de monsternameslang en de sonde.
6. De sonde wordt ten minste
0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht. De
eindwaarde van een meting wordt gelijkgesteld met de waarde
die na 30 seconden is bereikt.
7. Indien het uitlaatsysteem
meer dan één uitmonding heeft, wordt de sonde
achtereenvolgens in elke uitmonding ingebracht; het
rekenkundig gemiddelde van de gevonden waarden geldt als het
te bepalen gehalte.
8. Indien de bedrijfsauto is
uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, hoeft de
controle alleen te worden uitgevoerd wanneer de motor wordt
gevoed met de hoofdbrandstof, zoals deze is vermeld op het
kentekenbewijs.
|
|
lid 6. |
1. De wijze van keuren bij de
punten 2 tot en met 7 bij het vijfde lid is van toepassing.
2. Het stationaire toerental
moet liggen tussen de voor het desbetreffende type
bedrijfsauto in het boekwerk APK-milieukeuringseisen
aangegeven waarden. Dit wordt gecontroleerd met behulp van een
toerenteller.
Zo nodig wordt het toerental
afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Na de meting
wordt, indien nodig, het toerental weer op de oorspronkelijke
waarde teruggebracht.
|
|
lid 7. |
1. De wijze van keuren bij de
punten 2 tot en met 7 bij het vijfde lid is van toepassing.
2. Het stationaire toerental
moet, indien een minimum- en maximumwaarde op de sticker is
aangegeven, tussen de aangegeven waarden liggen. Indien
slechts één toerental op de sticker is aangegeven, mag het
stationair toerental ten hoogste 50 omwentelingen per minuut
van deze waarde afwijken. Dit wordt gecontroleerd met behulp
van een toerenteller.
Zo nodig wordt het toerental
afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Na de meting
wordt, indien nodig, het toerental weer op de oorspronkelijke
waarde teruggebracht.
3. Het CO-gehalte moet, indien
een minimum- en maximum CO-waarde op de sticker is aangegeven,
tussen de aangegeven waarden liggen. Indien slechts één
CO-waarde op de sticker is aangegeven, mag deze waarde niet
worden overschreden.
4. Indien geen sticker aanwezig
is, is de waarde, genoemd onder c van het vijfde lid van
toepassing. Als de bedrijfsauto in dat geval is voorzien van
een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht
en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte in de
uitlaatgassen, geldt de waarde, genoemd onder d van het vijfde
lid.
|
|
lid 8. |
1. De controle geschiedt door
meting aan een stilstaande bedrijfsauto met een
uitlaatgastester met lambda-bepaling die ten minste gedurende
de door de fabrikant van de uitlaatgastester opgegeven
opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Vóór elke meting wordt
gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat
verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op
beschadigingen van de monsternameslang en de sonde.
3. De sonde wordt op de wijze
zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende
uitlaatgastester in de uitmonding van het uitlaatsysteem
ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met
betrekking tot de te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.
4. Indien het uitlaatsysteem
meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot
één uitmonding.
5. Indien de bedrijfsauto is
uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, behoeft de
controle alleen te worden uitgevoerd wanneer de motor wordt
gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het
kentekenbewijs.
6. Het verhoogd toerental moet
worden gecontroleerd met behulp van een toerenteller.
Eventuele aanwijzingen in de handleiding moeten worden
gevolgd.
7. De meting geschiedt op de
wijze zoals bepaald in artikel 2.3.10 van de Regeling
permanente eisen.
|
|
lid 9. |
– |
|
lid 10. |
1. De controle geschiedt door
meting aan een stilstaande bedrijfsauto met een roetmeter die
ten minste gedurende de door de fabrikant van de roetmeter
opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Vóór elke meting wordt
gecontroleerd of het monsternamesysteem en de
verbindingskabels in goede staat verkeren, waarbij in het
bijzonder moet worden gelet op beschadigingen.
3. De sonde wordt op de wijze
zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende
roetmeter in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.
Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de
te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.
4. Indien het uitlaatsysteem
meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot
één uitmonding.
5. De motorolietemperatuur
wordt gemeten met behulp van een temperatuuropnemer welke op
de wijze zoals beschreven in de handleiding van de
desbetreffende roetmeter in de motor wordt ingebracht.
Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de
te gebruiken temperatuuropnemer moeten worden gevolgd. De
temperatuuropnemer behoeft niet te worden ingebracht indien
duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is.
6. Het stationair toerental en
afregeltoerental moeten worden gecontroleerd met behulp van
een toerenteller. Zo nodig wordt het stationair toerental
afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Eventuele
aanwijzingen in de handleiding moeten worden gevolgd.
7. De meting geschiedt op de
wijze zoals bepaald in de artikelen 2.3.11 en 2.3.12 van de
Regeling permanente eisen.
|
|
lid 11. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.12. |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
Artikel 5.3.13. |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
4. Krachtoverbrenging |
|
|
Artikel 5.3.15 |
|
|
Lid 1. |
1. De afleesbaarheid wordt
visueel gecontroleerd waarbij de verlichting wordt
ingeschakeld.
2. Indien op grond van een
ander keuringsvoorschrift een rijproef wordt uitgevoerd, wordt
daarbij de werking van de snelheidsmeter gecontroleerd.
|
|
lid 2. |
Visuele controle aan de hand van
het installatieplaatje. |
|
lid 3. |
Visuele controle of het
installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft.
Tevens wordt, waar toepasbaar, met
een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist
is. |
|
lid 4. |
Visuele controle van alle zichtbare
aansluitingen en verbindingen. |
|
lid 5. |
Visuele controle. |
|
lid 6. |
1. De geldigheidsduur op het
installatieplaatje wordt visueel gecontroleerd.
2. Visuele controle van de
verzegeling van het installatieplaatje.
3. Bij twijfel meting van de
bandenomtrek.
4. Visuele controle van alle
zichtbare aansluitingen en verbindingen.
|
| |
|
|
Artikel 5.3.16 |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. Een
volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de
aandrijfas op zijn plaats blijft. |
|
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 4. |
– |
| |
|
|
5. Assen |
|
|
Artikel 5.3.18 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Bij een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van
niet meer dan 3500 kg, wordt in het geval van twijfel een rijproef
uitgevoerd. |
|
lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 5. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.19 |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 3. |
1. De wijze van keuren bij het
eerste lid is van toepassing.
2. Voor het zichtbaar maken
van:
a. axiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel ontlast
en op en neer bewogen dan wel ontlast en langzaam weer
belast;
b. radiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel
gedeeltelijk ontlast en handmatig dan wel met behulp van
een spelingsdetector bewogen;
c. axiale en radiale
speling van fuseekogels en overige kogelgewrichten wordt
elke kogel ten opzichte van de draagarm in elke richting
bewogen; bij deze controle moet de stand van de
wielophanging zoveel mogelijk overeenkomen met de
rijpositie en moeten de kogels zoveel mogelijk onbelast
zijn;
d. radiale speling van de
overige draaipunten wordt elk draaipunt in radiale
richting ten opzichte van de bevestiging bewogen met
behulp van een spelingsdetector dan wel handmatig.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Op de speling zijn de
artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.4 van de Regeling permanente
eisen van toepassing.
|
|
Lid 4. |
Indien de hoes is beschadigd of
ontbreekt, vindt visuele controle plaats terwijl de bedrijfsauto
zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
|
Lid 5 |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.20 |
|
|
lid 1. |
|
1. Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt.
2. Voor de controle van de
speling moet elk wiel vrij kunnen ronddraaien en wordt elk
wiel met de hand of met behulp van een hefboom, bijvoorbeeld
een koevoet, haaks op de draairichting bewogen.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. De meting vindt plaats op
een zo groot mogelijke afstand van de hartlijn van de as.
5. Bij bestuurde wielen moet:
a. één maal in ongeremde
toestand voor de bepaling van de speling van de wiellager
en de fusee tezamen, en
b. één maal in geremde
toestand voor de bepaling van de speling van de fusee,
worden gemeten.
6. Het verschil tussen de in
punt 5 bedoelde waarden is de wiellagerspeling.
7. Op de speling is artikel
2.5.5 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
|
lid 2. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van
apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximum
massa van niet meer dan 3500 kg betreft, wordt zonodig een
rijproef uitgevoerd. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.21 |
|
|
lid 1 |
|
|
Geen controle. |
|
lid 2 |
In geval van twijfel wordt gemeten. |
|
Artikel 5.3.22 |
In geval van twijfel worden de
afstanden gemeten met een meetmiddel met voldoende bereik. |
| |
|
|
Artikel 5.3.23 |
[Vervallen.] |
| |
|
|
Artikel 5.3.24 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| |
|
|
Artikel 5.3.25 |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.26 |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
6. Ophanging |
|
|
Artikel 5.3.27 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. |
|
leden 2 en 3. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
|
lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel
wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. |
|
lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede
en derde lid is van toepassing. |
|
lid 6. |
Visuele controle. |
|
lid 7. |
Visuele controle, waarbij artikel
2.6.1 van de Regeling permanente eisen van toepassing is. |
|
lid 8. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 9. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.28 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximum
massa van niet meer dan 3500 kg betreft, wordt zonodig een
rijproef uitgevoerd. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, Een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van
niet meer dan 3500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en
zonodig aan een rijproef onderworpen. |
|
lid 4. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
|
lid 5. |
– |
| |
|
|
7. Stuurinrichting |
|
|
Artikel 5.3.29 |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle waarbij, met de
wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en
naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste
30°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten
hierbij van stand veranderen. |
|
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld.
De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en
rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk
mogen worden ontlast. |
|
Lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar
links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de
bedrijfsauto op de wielen rust. Indien sprake is van corrosie ter
plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals
bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
Lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 5. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar
rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
|
Lid 6. |
De wijze van keuren bij het vijfde
lid is van toepassing. Op scheuren dan wel het loslaten van de
vulcanisatie is artikel 2.7.2 van de Regeling permanente eisen van
toepassing. |
|
Lid 7. |
1. Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt.
2. Voor het zichtbaar maken
van:
a. radiale speling wordt
het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links
en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de
bedrijfsauto op de wielen rust;
b. axiale speling worden op
de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten
uitgeoefend.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Op de speling is artikel
2.7.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
|
Lid 8. |
Visuele controle, indien de hoes is
beschadigd of ontbreekt, terwijl de bedrijfsauto zich boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
|
Lid 9. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en
rechterstuurstand bewogen. |
|
Lid 10. |
– |
| |
|
|
8. Reminrichting |
|
|
Artikel 5.3.31 |
|
|
lid 1, onderdeel a. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of
remschijf zijn de artikelen 2.8.2 en 2.8.3 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
onderdeel d. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van
het remsysteem wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna
aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een
hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van
700 N (70 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt
gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet
op de aanslag mag komen.
Indien een rembekrachtiger aanwezig
is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
|
lid 2. |
1. Voor de controle van de
vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor
allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal
meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt
rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het
vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
2. Visuele controle van de
remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem
in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de
as eventueel ontlast.
|
|
lid 3. |
Visuele controle met behulp van de
dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse
malen in te trappen. |
|
lid 4. |
Controle door het rempedaal in te
trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten
hoogste 700N (70kg) ingetrapt. |
|
lid 5. |
Visuele controle. |
|
lid 6, onderdeel a. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien een remslang is misvormd zijn de artikelen 2.8.4
en 2.8.6, tweede lid, van de Regeling permanente eisen van
toepassing. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting
bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en
rechterstuurstand gebracht. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 7. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Artikel 2.8.5 van de Regeling permanente eisen is van
toepassing. |
|
lid 8. |
Controle door de wielen vrij van de
grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
|
lid 9. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt.
Indien de remvoering niet zonder
demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden
gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een
wielspinner wordt rondgedraaid.
Hierbij mogen geen schurende
geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
|
lid 10. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 11. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is
zonder demontage. |
|
lid 12. |
Het contact wordt ingeschakeld
waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens
wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat
functioneert het systeem. Indien het een bedrijfsauto met een
toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg betreft, wordt
zonodig een rijproef uitgevoerd. |
|
lid 13. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.32 |
|
|
lid 1. |
Visuele controle. |
|
lid 2. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij de werking op één van de volgende manieren wordt
gecontroleerd:
a. indien het
remvloeistofreservoir is voorzien van een vlotter wordt deze
omlaag gedrukt dan wel de dop losgeschroefd en opgelicht;
b. het contact wordt
ingeschakeld, waarbij indien noodzakelijk de motor wordt
gestart, en de parkeerrem wordt aangetrokken;
c. de daartoe bestemde
schakelaar wordt bediend.
|
|
lid 3. |
Visuele controle, waarbij het
remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag
bevinden. |
| |
|
|
Artikel 5.3.33 |
Visuele of auditieve controle door
om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te
vullen. |
| |
|
|
Artikel 5.3.34 |
Visuele of auditieve controle,
terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
| |
|
|
Artikel 5.3.35 |
|
|
lid 1, onderdelen a en b. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle met behulp van
manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen
beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet
ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn. |
|
lid 2. |
Visuele controle met behulp van
manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of
op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt
gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer
de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle
op het goed functioneren kan achterwege blijven indien een
controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
|
lid 3. |
1. Visuele controle op de
aanwezigheid, waarbij het merk en type van de
drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken.
2. Indien ter plaatse de
daadwerkelijke aslast kan worden vastgesteld, vindt de
controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars
plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich
boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling
ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat.
De volgende twee afstellingen
moeten ten minste worden gecontroleerd:
a. de stand waarin de
regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast,
en
b. wanneer de regelaar de
volle druk doorstuurt, voorzover dit mogelijk is zonder
demontage.
3. Indien ter plaatse de
daadwerkelijke aslast niet kan worden vastgesteld, vindt een
globale controle van de afstelling van de
drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers,
terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking
gesteld.
Bij een niet maximaal belaste
as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door:
a. de druk te meten die de
regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan
bevindt;
b. de afstelling te meten
van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt,
voorzover mogelijk zonder demontage.
De onder punt b gemeten druk
moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien
de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder
punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder
a.
|
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij het
ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
| |
|
|
Artikel 5.3.36. |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
| |
|
|
Artikel 5.3.37 |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle met behulp van een
manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
|
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 3. |
Visuele controle met behulp van een
manometer. |
|
Lid 4. |
Visuele controle met behulp van een
manometer, waarbij de afzonderlijke inrichting wordt bediend. |
|
Lid 5 |
Visuele controle. De werking wordt
gecontroleerd door het aan- en afkoppelen van de aansluitkoppen
van een aanhangwagenremsysteem. |
| |
|
|
Artikel 5.3.38 |
|
|
leden 1, 2 en 3. |
|
1. Bij de controle van de
remvertraging van bedrijfsauto's met een toegestane maximum
massa van niet meer dan 3500 kg zijn de artikelen 2.8.8 tot en
met 2.8.12 alsmede de artikelen 2.8.14, 2.8.16 en 2.8.17 van
de Regeling permanente eisen van toepassing.
2. 2. Bij de controle van de
remvertraging van bedrijfsauto's met een toegestane maximum
massa van meer dan 3500 kg zijn de artikelen 2.8.8, 2.8.9,
2.8.19 tot en met 2.8.27, alsmede de artikelen 2.8.29 tot en
met 2.8.39 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
3. 3. Indien een remproef op de
weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de
remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
|
|
lid 4. |
Terwijl de wielen zich vrij van de
grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht
ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij
gebruik van een rollenremtestbank voor de controle van de
remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
|
lid 5. |
Indien er twijfel bestaat over het
uitbreken van de achteras, moet de controle uitgevoerd worden op
de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 8, afdeling 3 van de
Regeling permanente eisen. |
|
lid 6. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.39 |
|
|
lid 1. |
|
|
Terwijl twee wielen zich vrij van
de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem
vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand
gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt
geremd. Bij gebruik van een rollenremtestbank wordt gelijktijdig
hierop gecontroleerd. |
|
leden 2 en 3. |
Controle op een helling dan wel op
de wijze zoals bepaald in de artikelen 2.8.8, 2..8.9, 2.8.13,
2.8.15, 2.8.18, 2.8.28 en 2.8.40 van de Regeling permanente eisen. |
| |
|
|
Artikel 5.3.40 |
|
|
lid 1. |
|
|
Geen controle. |
|
lid 2. |
Geen controle. |
| |
|
|
9. Carrosserie |
|
|
Artikel 5.3.41 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, waarbij de deuren
worden geopend en gesloten. |
|
lid 2. |
Visuele controle, waarbij de
motorkap of het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
|
lid 3. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 4. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.42 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. Indien de
voorruit een beschadiging of verkleuring vertoont zijn de
artikelen 2.9.2 tot en met 2.9.11 van de Regeling permanente eisen
van toepassing. |
|
lid 2. |
Visuele controle. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.43 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. Indien bij het in
werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet
zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle
achterwege. |
|
leden 2 en 3. |
Visuele controle, waarbij de
installatie in werking wordt gesteld. |
| |
|
|
Artikel 5.3.44 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
installatie in werking wordt gesteld. |
| |
|
|
Artikel 5.3.45 |
|
|
Leden 1, 2, 3 en 4. |
|
|
Visuele controle. Controle op
gezichtsvelden vindt alleen plaats indien dit noodzakelijk is voor
het bepalen van het aantal spiegels. Bij de controle zijn de
artikelen 2.912 tot en met 2.9.17 van de Regeling permanente eisen
van toepassing. |
|
Lid 5. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
Lid 6. |
Visuele controle. Controle op
gezichtsvelden vindt alleen plaats indien dit noodzakelijk is voor
het bepalen van het aantal spiegels of camerasystemen. Bij de
controle zijn de artikelen 2.9.12 tot en met 2.9.17 van de
Regeling permanente eisen van toepassing. |
|
Leden 7 en 8. |
Visuele controle. |
|
Lid 9. |
Visuele controle. Controle op
gezichtsvelden vindt alleen plaats indien dit noodzakelijk is voor
het bepalen van het aantal spiegels of camerasystemen. Bij de
controle zijn de artikelen 2.9.12 tot en met 2.9.17 van de
Regeling permanente eisen van toepassing. |
|
Lid 10. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
Lid 11. |
Visuele controle. |
|
Lid 12. |
Visuele controle. Hierbij wordt de
verstellingsinrichting bediend dan wel het raam geopend, waarbij
de spiegel moet kunnen worden versteld. |
|
Leden 13 en 14. |
Visuele controle. |
|
Lid 15. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.45a |
|
|
Leden 1, 2 en 3. |
Visuele controle. Controle op
gezichtsvelden vindt alleen plaats indien dit noodzakelijk is voor
het bepalen van het aantal spiegels of camerasystemen. Bij de
controle zijn de artikelen 2.9.16a t/m 2.9.16d en 2.9.17 van de
Regeling permanente eisen van toepassing. |
|
Lid 4. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.46 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen.
Indien de zitplaats in de stand
waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan
de eis ten aanzien van vergrendeling. |
|
lid 2. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.47 |
|
|
leden 1 en 2. |
In geval van een kampeerauto is de
controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige
zitplaatsen voorzover deze zijn voorzien van autogordels. |
|
leden 3, 4, 5 en 6. |
|
|
Visuele controle. |
|
lid 7. |
Visuele controle, waarbij een
eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente
eisen. |
|
lid 8. |
Visuele controle. Hierbij wordt de
gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van
een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt
gecontroleerd door te rukken aan de gordel; indien dit geen
uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg tijdens een remproef op de
weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
|
lid 9. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.47a |
|
|
Leden 1 en 2. |
Geen controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.48 |
|
|
leden 1, 2 en 3. |
|
|
Visuele controle, waarbij in geval
van twijfel wordt gemeten. |
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.9.18 tot en met 2.9.22 en artikel 2.9.30 van de
Regeling permanente eisen van toepassing zijn. |
|
lid 5. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.9.23 tot en met 2.9.30 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. |
|
leden 6 en 7. |
Visuele controle. |
|
lid 8. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.49 |
|
|
leden 1 tot en met 5. |
|
|
Visuele controle, waarbij in geval
van twijfel wordt gemeten. |
|
leden 6, 7 en 8. |
Visuele controle. |
|
lid 9. |
Visuele controle. |
|
leden 10 tot en met 12. |
Visuele controle, waarbij in geval
van twijfel wordt gemeten. |
|
leden 13 tot en met 15. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.50 |
Visuele controle. |
| |
|
|
10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen |
|
|
Artikel 5.3.51 |
|
|
onderdelen a tot en met l. |
|
|
Visuele controle. |
|
onderdeel m. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
onderdeel n. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.3 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. In geval van twijfel wordt gemeten. |
|
onderdeel o. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.5 tot en met 2.10.7 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. In geval van twijfel wordt gemeten. |
|
onderdeel p. |
Visuele controle, waarbij artikel
2.10.9 van de Regeling permanente eisen van toepassing zijn. |
| |
|
|
Artikel 5.3.53 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. Voor de controle
van de achteruitrijlichten wordt de achteruitrijversnelling en zo
nodig het contact ingeschakeld. Indien noodzakelijk, wordt
achteruit gereden. |
|
leden 2 tot en met 7. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
lid 8. |
Visuele controle. |
|
Artikel 5.3.55 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. De schakelaar moet
automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
|
lid 2. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 3. |
Visuele controle. Indien het glas
is beschadigd of bewerkt is artikel 2.10.12 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
leden 5 en 6. |
Visuele controle. |
|
lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.56 |
|
|
lid 1. |
|
1. De stand van de lichtbundel
van het dimlicht wordt gecontroleerd met behulp van een
koplamptestapparaat, waarbij de bedrijfsauto en het
koplamptestapparaat op een vlakke en horizontale vloer zijn
geplaatst.
2. Bij de controle bedoeld in
punt 1 moeten:
a. de voorwielen in de
stand van rechtuitrijden staan,
b. de banden op de juiste
spanning zijn, en moet
c. de handrem los staan.
3. Indien de bedrijfsauto is
uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling
eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet
tijdens de controle deze afstelinrichting staan op de stand
die overeenkomt met de beladingstoestand.
4. Indien de bedrijfsauto is
uitgerust met een automatische niveauregeling, wordt de
controle uitgevoerd met stationair draaiende motor. Een
eventuele bedieningsmogelijkheid moet in de normale rijstand
staan.
|
|
lid 2. |
Visuele controle. Indien de
reflector is aangetast is artikel 2.10.14 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.57 |
|
|
Lid 1 |
|
a. Visuele controle.
b. Visuele controle. In geval
van twijfel wordt gemeten.
c, d, en e. Visuele controle.
f. Visuele controle. In geval
van twijfel wordt gemeten.
g. Visuele controle.
h. Visuele controle. In geval
van twijfel wordt gemeten.
i. Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn.
j tot en met l. Visuele
controle.
m. Visuele controle. In geval
van twijfel wordt gemeten.
n tot en met q. Visuele
controle.
|
|
Leden 2 tot en met 6. |
Visuele controle. |
|
Lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.59 |
|
|
Leden 1 t/m 5. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
Lid 6. |
De wijze van keuren bij het tweede,
derde en vierde lid van artikel 5.3.55 van het Voertuigreglement
is van toepassing. |
|
Lid 7. |
De wijze van keuren bij het eerste
tot en met vijfde lid van artikel 5.3.55 van het Voertuigreglement
is van toepassing. |
|
Leden 8 t/m 10. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
|
|
Artikel 5.3.61 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
lid 2. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.3.62 |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
|
|
Artikel 5.3.63 |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.64 |
|
|
Lid 1. |
Met uitzondering van het
onderstaande geen controle.
Bij bedrijfsauto’s die zijn
voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of
de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel
de vermelding ‘Afgegeven ex art. 16, tweede lid, RKR inzake
afwijkende koplampen’ onder bijzonderheden op het
kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een
afwijkend lichtbeeld. Het dimlicht wordt niet als verblindend
aangemerkt indien dit als volgt is afgesteld:
Globaal mag het geprojecteerde
lichtste vlak, voor zowel een beladen als een onbeladen voertuig,
zich niet bevinden boven de horizontale lijn die overeenkomt met
een daling van 2 cm/m van de lichtbundel ten opzichte van de
koplamp.
Tevens mag het midden van dit vlak
zich niet duidelijk links bevinden van:
– de verticale hartlijn op
het scherm van het koplamptestapparaat of
– de geprojecteerde verticale
hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm.
|
|
Lid 2. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.65 |
Visuele controle. Indien
verlichtingsarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven
dan wel toegestaan, moet de bedrading van deze armaturen zijn
losgenomen en het lampje zijn verwijderd. |
| |
|
|
11. Verbinding tussen bedrijfsauto
en aanhangwagen |
|
|
Artikel 5.3.66 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
Artikel 5.3.67 |
1. Het bolvormige gedeelte
wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Een afneembare kogel wordt,
indien aanwezig, verwijderd en wederom aangebracht.
|
| |
|
|
Artikel 5.3.68 |
|
|
lid 1. |
|
|
Het kontaktgedeelte van de pen met
het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
|
lid 2, onderdeel a. |
De pen wordt omhoog bewogen met
behulp van bijvoorbeeld een schroevedraaier, waarbij de koppeling
gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover
mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in
het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de
beoordeling te betrekken.
In geval van twijfel wordt gemeten
met een geschikt meetmiddel. |
|
onderdeel b. |
In geval van twijfel meten met
bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle. |
|
onderdeel d. |
Visuele controle, terwijl de
koppeling wordt geopend en gesloten. |
|
onderdeel e. |
De trekstang wordt op- en
neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel
wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal
van 2 mm. |
|
onderdeel f. |
De trekstang wordt axiaal bewogen. |
|
onderdeel g. |
Visuele controle. Een eventuele
stofkap wordt verwijderd. |
|
onderdeel h. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.3.69 |
|
|
Lid 1. |
|
|
In geval van twijfel wordt met
behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei
in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
|
Lid 2. |
Visuele controle. |
|
Lid 3. |
Controleren met behulp van:
a. een standaard pen van 2
inch, die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is
van een vlakke plaat waarbij het uitstekende deel van de pen
een hoogte heeft van ten minste 82,5 en ten hoogste 82,7 mm,
dan wel
b. een oplegger met een pen van
2 inch daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten
slijtage van de pen.
In geval van twijfel wordt gemeten
met een geschikt meetmiddel. |
|
Lid 4. |
Visuele controle terwijl de sluit-
en borginstelling wordt geopend en gesloten. |
| |
|
|
Artikel 5.3.70 |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.11.2, 2.11.4 en 2.11.8 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. |
| |
|
|
12. Diversen |
|
|
Artikel 5.3.71 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele en auditieve controle,
waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
|
leden 2 en 3. |
Visuele en auditieve controle. |
Bijlage III, behorende bij artikel 5
|
Keuringseisen |
Wijze van keuren |
|
0. Algemeen |
|
|
Artikel 5.5.1 |
|
|
onderdeel a. |
Controle hierop moet reeds
voorafgaand aan de keuring hebben plaatsgevonden. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle. |
|
onderdeel c. |
Geen controle van het
goedkeuringsmerk; visuele controle van de bevestiging. |
|
onderdeel d. |
Visuele controle, waarbij de
waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het
driewielig motorrijtuig staat. |
| |
|
|
1. Algemene bouwwijze van het
voertuig |
|
|
Artikel 5.5.3 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle. Bij twijfel in
hoeverre een onderdeel is doorgeroest, mag de roest in lichte mate
worden beklopt met een hamertje met bolle of afgeronde kop. |
|
lid 3. |
Visuele controle. |
|
lid 4. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.4 |
Visuele controle. |
| |
|
|
2. Afmetingen en massa's |
|
|
Artikel 5.5.6 |
|
|
In geval van twijfel wordt het
driewielige motorrijtuig gemeten, waarbij artikel 1.2 van het
Voertuigreglement van toepassing is. |
| |
|
|
3. Motor |
|
| |
|
|
Artikel 5.5.7 |
|
|
leden 1 en 2 |
Visuele controle.
In geval van twijfel wordt het
driewielige motorrijtuig gewogen. |
| |
|
|
Artikel 5.5.9 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle van alle aanwezige
brandstofsystemen. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van
de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
1. Visuele controle met
draaiende respectievelijk niet-draaiende motor.
2. Indien het driewielige
motorrijtuig is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem,
wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met
de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs.
Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd
indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te
laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem
niet mogelijk is, wordt dit vermeld op de achterzijde van het
keuringsrapport. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met
behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het
contact moet zijn ingeschakeld.
|
|
lid 3. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.10 |
|
|
lid 1. |
|
|
– |
|
leden 2, 3, en 4, onderdelen a, b,
c en d. |
Visuele controle. |
|
lid 4, onderdeel e. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
het driewielig motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de
hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de
koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet
wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is,
wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op LPG wordt
gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het
contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is
weggevallen. |
|
lid 4, onderdeel f. |
Visuele controle. |
|
lid 4, onderdeel g. |
Visuele controle. Hierbij wordt het
contact ingeschakeld en wordt gecontroleerd of de spoel wordt
bekrachtigd. Vervolgens wordt het contact uitgeschakeld en wordt
gecontroleerd of de bekrachtiging wegvalt |
|
leden 5, 6, 7, 8 en 9. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.10a |
|
|
Lid 1. |
– |
|
Lid 2, a en b. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
het driewielig motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. |
|
Lid 3. |
Visuele controle. |
|
Lid 4. |
Visuele controle aan de hand van
gegevens op de tank, op het kentekenbewijs, dan wel uit het
kentekenregister. |
|
Lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
|
Lid 6. |
Visuele controle, zo nodig terwijl
het driewielig motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en
wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens
wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de
hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de
koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet
wegvallen.
Indien een controle op deze wijze
niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is
overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is
bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld
gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
|
Leden 7 t/m 9. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
| |
|
|
Artikel 5.5.11 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele en auditieve controle. |
|
lid 2. |
Visuele controle. |
|
lid 3. |
– |
|
lid 4. |
Auditieve controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.12 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.13 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, en indien sprake
is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de
controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de
Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
4. Krachtoverbrenging |
|
|
Artikel 5.5.15 |
|
1. De afleesbaarheid wordt
visueel gecontroleerd, waarbij de verlichting wordt
ingeschakeld.
2. Indien op grond van een
ander keuringsvoorschrift een rijproef wordt uitgevoerd, wordt
daarbij de werking van de snelheidsmeter gecontroleerd.
|
| |
|
|
Artikel 5.5.16 |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle; indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling
is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
|
Lid 2. |
Visuele controle. |
|
Lid 3. |
Visuele controle. |
|
Lid 4. |
– |
| |
|
|
5. Assen |
|
|
Artikel 5.5.18 |
|
|
lid 1. |
Visuele controle, en, indien sprake
is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de
controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de
Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle. |
|
lid 3. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
|
lid 4. |
Visuele controle. |
|
lid 5. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.19 |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle. |
|
Lid 2. |
Visuele controle. |
|
Lid 3. |
1. Visuele controle.
a. axiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel ontlast
en op en neer bewogen dan wel ontlast en langzaam weer
belast;
b. radiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel
gedeeltelijk ontlast en handmatig dan wel met behulp van
een spelingsdetector bewogen;
c. axiale en radiale
speling van fuseekogels en overige kogelgewrichten wordt
elke kogel ten opzichte van de draagarm in elke richting
bewogen; bij deze controle moet de stand van de
wielophanging zoveel mogelijk overeenkomen met de
rijpositie en moeten de kogels zoveel mogelijk onbelast
zijn;
d. radiale speling van de
overige draaipunten wordt elk draaipunt in radiale
richting ten opzichte van de bevestiging bewogen met
behulp van een spelingsdetector dan wel handmatig.
2. Voor het zichtbaar maken
van:
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Op de speling zijn de
artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.4 van de Regeling permanente
eisen van toepassing.
|
|
Lid 4. |
Indien de hoes is beschadigd of
ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
|
Lid 5. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.20 |
|
|
lid 1. |
|
1. Visuele controle.
2. Voor de controle van de
speling moet elk wiel vrij kunnen ronddraaien en wordt elk
wiel met de hand of met behulp van een hefboom, bijvoorbeeld
een koevoet, haaks op de draairichting bewogen.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. De meting vindt plaats op
een zo groot mogelijke afstand van de hartlijn van de as.
5. Bij bestuurde wielen moet:
a. één maal in ongeremde
toestand, voor de bepaling van de speling van de wiellager
en de fusee tezamen, en
b. één maal in geremde
toestand, voor de bepaling van de speling van de fusee,
worden gemeten.
6. Het verschil tussen de in
punt 5 bedoelde waarden is de wiellagerspeling.
7. Op de speling is artikel
2.5.5 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
|
lid 2. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van
apparatuur. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.21 |
Geen controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.24 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle, terwijl het wiel
vrij kan ronddraaien. |
| |
|
|
6. Ophanging |
|
|
Artikel 5.5.27 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. |
|
leden 2 en 3. |
Visuele controle, waarbij het wiel
wordt rondgedraaid. |
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij het wiel
wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte
gemeten met de profieldieptemeter. |
|
lid 5. |
Visuele controle, waarbij het wiel
wordt rondgedraaid. |
|
leden 6 en 7. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.28 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
|
lid 2. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 3. |
Visuele controle, waarbij het
driewielige motorrijtuig zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd.
In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Indien sprake
is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de
controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de
Regeling permanente eisen. |
|
lid 4. |
– |
| |
|
|
7. Stuurinrichting |
|
|
Artikel 5.5.29 |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle waarbij, met de
wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en
naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste
15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten
hierbij van stand veranderen. |
|
Lid 2. |
Visuele controle waarbij de
stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen
worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen
waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
|
Lid 3. |
Visuele controle. Terwijl de massa
van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het
stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts
gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de
wielen rust. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
|
Lid 4. |
Visuele controle. |
|
Lid 5. |
Visuele controle. Hierbij wordt het
stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal
bewogen. |
|
Lid 6. |
De wijze van keuren bij het vijfde
lid is van toepassing. Op scheuren dan wel het loslaten van de
vulcanisatie is artikel 2.7.2 van de Regeling permanente eisen van
toepassing. |
|
Lid 7. |
1. Visuele controle. Voor het
zichtbaar maken van:
a. radiale speling wordt
het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links
en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het
driewielige motorrijtuig op de wielen rust;
b. axiale speling worden op
de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten
uitgeoefend.
2. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
3. Op de speling is artikel
2.7.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
|
Lid 8. |
Indien de hoes is beschadigd of
ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
|
Lid 9. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.30 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, waarbij het
voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt
bewogen, terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de
grond rust. |
|
lid 2. |
Visuele controle, waarbij het
driewielige motorrijtuig in voorwaartse beweging wordt gebracht,
waarna de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het
voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
| |
|
|
8. Reminrichting |
|
|
Artikel 5.5.31 |
|
|
lid 1, onderdeel a. |
|
|
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie aan de remleiding of remschijf zijn de artikelen
2.8.2 en 2.8.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle. |
|
onderdeel d. |
Visuele controle. Indien er twijfel
bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het
remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’.
Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam,
ingetrapt totdat een kracht van 700 N (70 kg) op het pedaal wordt
uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden
uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen.
Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef
uitgevoerd met draaiende motor. |
|
lid 2. |
1. Voor de controle van de
vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor
allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal
meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt
rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het
vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
2. Visuele controle van de
remkrachtregelaar, waarbij de rem in werking wordt gesteld met
draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast.
|
|
lid 3. |
Controle waarbij het rempedaal
wordt ingetrapt. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van
ten hoogste 700N (70kg) ingetrapt. |
|
lid 4. |
Visuele controle. |
|
lid 5, onderdeel a. |
Visuele controle. Indien een
remslang is misvormd zijn de artikelen 2.8.4 en 2.8.6, tweede lid,
van de Regeling permanente eisen van toepassing. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle, waarbij de
bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand
worden gebracht. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle. |
|
lid 6. |
Visuele controle, waarbij de rem
wordt bediend. |
|
lid 7. |
Controle, waarbij de wielen vrij
van de grond of hefinrichting met de hand worden rondgedraaid. |
|
lid 8. |
Visuele controle. Indien de
remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de
rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp
van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen
schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
|
lid 9. |
Visuele controle. |
|
lid 10. |
Visuele controle. De hoezen worden
gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is. |
|
lid 11. |
Het contact wordt ingeschakeld
waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens
wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat,
functioneert het systeem.
Indien noodzakelijk wordt een
rijproef uitgevoerd. |
|
lid 12 |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.32 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. |
|
lid 2. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij de werking op één van de volgende manieren moet worden
gecontroleerd:
a. indien het
remvloeistofreservoir is voorzien van een vlotter wordt deze
omlaag gedrukt dan wel de dop losgeschroefd en opgelicht;
b. het contact wordt
ingeschakeld, waarbij indien noodzakelijk de motor wordt
gestart, en de parkeerrem wordt aangetrokken;
c. de daartoe bestemde
schakelaar wordt bediend.
|
|
lid 3. |
Visuele controle, waarbij het
remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag
bevinden. |
| |
|
|
Artikel 5.5.38 |
|
|
leden 1, 2, 3 en 4. |
|
1. De controle moet
plaatsvinden door middel van een beproeving op de weg. Bij
twijfel wordt met behulp van een zelfregistrerende
remvertragingsmeter de vertraging gemeten.
2. De banden van het
driewielige motorrijtuig moeten op de juiste spanning zijn.
3. De snelheid moet bij de
aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
4. Bij gebruik van een
elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de
bij de remproef behaalde remvertraging als volgt worden
vastgesteld:
a. indien door de
remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde
wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal
behaalde remvertraging;
b. indien de remvertraging
niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de
waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de
registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde
te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter
zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende
minimaal een halve seconde zijn gemeten;
c. indien de remvertraging
niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld,
geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de
grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
1º. indien op het
moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen
plotselinge stijging van de remvertraging is waar te
nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging
bepalend;
2º. indien op het
moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een
plotselinge stijging van de remvertraging is waar te
nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak
vóór deze stijging bepalend.
|
|
lid 5. |
Terwijl de wielen zich vrij van de
grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht
ingetrapt dan wel de remhandel licht ingedrukt, en wordt
gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
|
lid 6. |
Indien er twijfel bestaat over het
uitbreken van de achteras, moet de controle uitgevoerd worden op
de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 8, afdeling 3 van de
Regeling permanente eisen. |
|
lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.39 |
|
|
lid 1. |
|
|
Terwijl twee wielen zich vrij van
de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem
vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand
gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt
geremd. |
|
leden 2 en 3. |
Controle op een helling dan wel met
behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter waarbij het
driewielige motorrijtuig aan het einde van de remproef geheel of
nagenoeg geheel stil moet staan. |
| |
|
|
Artikel 5.5.40 |
|
|
lid 1. |
|
|
Geen controle. |
|
lid 2. |
Geen controle. |
| |
|
|
9. Carrosserie |
|
|
Artikel 5.5.41 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, waarbij de deuren
worden geopend en gesloten. |
|
lid 2. |
Visuele controle, waarbij de
motorkap of het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
|
lid 3. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 4. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.42 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. Indien de
voorruit een beschadiging of verkleuring vertoont geschiedt de
controle aan de hand van de artikelen 2.9.2 tot en met 2.9.6 van
de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.43 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle. Indien bij het in
werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet
zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle
achterwege. |
|
lid 3. |
Visuele controle, waarbij de
installatie in werking wordt gesteld. |
| |
|
|
Artikel 5.5.44 |
|
|
leden 1 en 2. |
Visuele controle, waarbij de
installatie in werking wordt gesteld. |
| |
|
|
Artikel 5.5.45 |
|
|
leden 1, 2 en 3. |
|
|
Visuele controle. |
|
lid 4. |
Visuele controle. Hierbij wordt de
verstellingsinrichting bediend dan wel het raam geopend, waarbij
de spiegel moet kunnen worden versteld. |
|
leden 5 en 6. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.46 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 2, onderdelen a en b. |
Visuele controle. Indien de
vergrendeling in twee standen werkt blijft verdere controle
achterwege. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle. Zo nodig wordt de
vergrendeling gecontroleerd tijdens een remproef. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.47 |
|
|
leden 1 tot en met 5. |
In geval van een kampeerauto is de
controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige
zitplaatsen voorzover deze zijn voorzien van autogordels. |
|
lid 6. |
Visuele controle, waarbij een
eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 7. |
Visuele controle. Hierbij wordt de
gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van
een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt
gecontroleerd door te rukken aan de gordel; indien dit geen
uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het
blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
| |
|
|
Artikel 5.5.48 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle. |
|
lid 3. |
In geval van twijfel wordt de
hoogte gemeten. |
|
lid 4. |
Visuele controle. |
|
leden 5 en 6. |
Visuele controle. |
| |
|
|
10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen |
|
|
Artikel 5.5.51 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle. |
|
leden 3 en 4. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
| |
|
|
Artikel 5.5.53 |
|
|
leden 1, 2 en 3. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij het
rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhandel wordt bediend, zo
nodig nadat het contact is ingeschakeld. |
|
lid 5. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
|
|
Artikel 5.5.55 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. De schakelaar moet
automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
|
lid 2. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 3. |
Visuele controle. Indien het glas
is beschadigd of bewerkt is artikel 2.10.12 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
leden 5 en 6. |
Visuele controle. |
|
lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.56 |
|
|
lid 1. |
|
1. De stand van de lichtbundel
van het dimlicht wordt gecontroleerd met behulp van een
koplamptestapparaat, waarbij het driewielige motorrijtuig en
het koplamptestapparaat op een vlakke en horizontale vloer
zijn geplaatst.
2. Bij de controle bedoeld in
punt 1 moeten
a. de voorwielen in de
stand van rechtuitrijden staan,
b. de banden op de juiste
spanning zijn, en moet
c. de handrem los staan.
3. Indien het driewielige
motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de
dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan
worden aangepast, moet tijdens de controle deze
afstelinrichting staan op de stand die overeenkomt met de
beladingstoestand.
4. Indien het driewielige
motorrijtuig is uitgerust met een automatische niveauregeling,
wordt de controle uitgevoerd met stationair draaiende motor.
Een eventuele bedieningsmogelijkheid moet in de normale
rijstand staan.
|
|
lid 2. |
Visuele controle. Indien de
reflector is aangetast is artikel 2.10.14 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.5.57 |
|
|
lid 1, onderdelen a en b. |
|
|
Visuele controle. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
onderdelen d tot en met k. |
Visuele controle. |
|
leden 2 en 3. |
Visuele controle |
| |
|
|
Artikel 5.5.59 |
|
|
leden 1, 2, 3 en 4. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede,
derde en vierde lid van artikel 5.5.55 van het Voertuigreglement
is van toepassing. |
|
lid 6. |
De wijze van keuren bij het eerste
tot en met vijfde lid van artikel 5.5.55 van het Voertuigreglement
is van toepassing. |
| |
|
|
Artikel 5.5.61 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
lid 2. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.62 |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
|
|
Artikel 5.5.63 |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.5.64 |
|
|
Lid 1. |
Met uitzondering van het
onderstaande geen controle.
Bij driewielige motorrijtuigen die
zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ
of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan
wel de vermelding ‘Afgegeven ex art. 16, tweede lid, RKR inzake
afwijkende koplampen’ onder bijzonderheden op het
kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een
afwijkend lichtbeeld. Het dimlicht wordt niet als verblindend
aangemerkt indien dit als volgt is afgesteld:
Globaal mag het geprojecteerde
lichtste vlak, voor zowel een beladen als een onbeladen voertuig,
zich niet bevinden boven de horizontale lijn die overeenkomt met
een daling van 2 cm/m van de lichtbundel ten opzichte van de
koplamp.
Tevens mag het midden van dit vlak
zich niet duidelijk links bevinden van:
– de verticale hartlijn op
het scherm van het koplamptestapparaat of
– de geprojecteerde verticale
hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm.
|
|
Lid 2. |
Visuele controle. |
| |
|
| |
|
|
Artikel 5.5.65 |
Visuele controle, indien
verlichtingsarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven
dan wel toegestaan, moet de bedrading van deze armaturen zijn
losgenomen en het lampje zijn verwijderd. |
| |
|
|
11. Verbinding tussen driewielig
motorrijtuig en aanhangwagen |
|
|
Artikel 5.5.66 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 2, onderdeel a. |
Het bolvormige gedeelte wordt
gemeten met een geschikt meetmiddel. |
|
onderdeel b. |
Een afneembare kogel wordt, indien
aanwezig, verwijderd en wederom aangebracht. |
| |
|
|
12 Diversen |
|
|
Artikel 5.5.71 |
|
|
lid 1. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
|
leden 2 en 3. |
Visuele en auditieve controle. |
Bijlage IV, behorend bij artikel 6
|
Keuringseisen |
Wijze van keuren |
|
0. Algemeen |
|
|
Artikel 5.12.1 |
|
|
onderdeel a. |
|
|
Controle hierop moet reeds
voorafgaand aan de keuring hebben plaatsgevonden. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle. |
|
onderdeel c. |
Geen controle. |
|
onderdeel d. |
Geen controle van het
goedkeuringsmerk; visuele controle van de bevestiging. |
|
onderdeel e. |
Visuele controle, waarbij de
waarnemer op een afstand van 20,00 m achter de aanhangwagen staat. |
| |
|
|
1. Algemene bouwwijze van het
voertuig |
|
|
Artikel 5.12.3 |
|
|
lid 1. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de
wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 2. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.4 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de
wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
| |
|
|
Artikel 5.12.5 |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
2. Afmetingen en massa's |
|
|
Artikel 5.12.6 |
|
|
Leden 1 en 2. |
|
|
De aanhangwagen wordt gemeten; de
lengte mag niet meer dan 1,0% afwijken. Artikel 1.2 van het
Voertuigreglement is van toepassing. |
|
Leden 3, 4 en 5. |
1. De afstand tussen het hart
van de koppeling en enig deel aan de voorzijde van de oplegger
wordt in geval van twijfel gemeten.
2. De afstand tussen het hart
van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger wordt
gemeten. Artikel 1.2 van het Voertuigreglement is van
toepassing.
|
|
Leden 6 en 7. |
De aanhangwagen wordt gemeten.
Artikel 1.2 van het Voertuigreglement is van toepassing. |
|
Lid 8. |
De aanhangwagen wordt gemeten.
Artikel 1.2 van het Voertuigreglement is van toepassing. |
|
Lid 9. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.12.7 |
|
|
Leden 1 t/m 3. |
|
|
In geval van buitensporige
wijziging van de inrichting wordt aanhangwagen gewogen. |
| |
|
|
5. Assen |
|
|
Artikel 5.12.18. |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
|
lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 5. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.19. |
|
|
Lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
Lid 3. |
1. De wijze van keuren bij het
eerste lid is van toepassing.
2. Voor het zichtbaar maken
van:
a. axiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel ontlast
en op en neer bewogen dan wel ontlast en langzaam weer
belast;
b. radiale speling van
fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel
gedeeltelijk ontlast en handmatig dan wel met behulp van
een spelingsdetector bewogen;
c. axiale en radiale
speling van fuseekogels en overige kogelgewrichten wordt
elke kogel ten opzichte van de draagarm in elke richting
bewogen; bij deze controle moet de stand van de
wielophanging zoveel mogelijk overeenkomen met de
rijpositie en moeten de kogels zoveel mogelijk onbelast
zijn;
d. radiale speling van de
overige draaipunten wordt elk draaipunt in radiale
richting ten opzichte van de bevestiging bewogen met
behulp van een spelingsdetector dan wel handmatig.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Op de speling zijn de
artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.4 van de Regeling permanente
eisen van toepassing.
|
|
Lid 4. |
Indien de hoes is beschadigd of
ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen
zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
|
Lid 5. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.20 |
|
|
lid 1. |
|
1. Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt.
2. Voor de controle van de
speling moet elk wiel vrij kunnen ronddraaien en wordt elk
wiel met de hand of met behulp van een hefboom, bijvoorbeeld
een koevoet, haaks op de draairichting bewogen.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. De meting vindt plaats op
een zo groot mogelijke afstand van de hartlijn van de as.
5. Bij bestuurde wielen moet:
a. één maal in ongeremde
toestand, voor de bepaling van de speling van de wiellager
en de fusee tezamen, en
b. b. één maal in geremde
toestand, voor de bepaling van de speling van de fusee,
worden gemeten.
6. Het verschil tussen de in
punt 5 bedoelde waarden is de wiellagerspeling.
7. Op de speling is artikel
2.5.5 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
|
lid 2. |
Visuele en auditieve controle,
waarbij het wiel moet worden rondgedraaid, al dan niet met behulp
van apparatuur. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.21 |
Geen controle. |
| |
|
|
Artikel 5.12.24 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| |
|
|
Artikel 5.12.26 |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
6. Ophanging |
|
|
Artikel 5.12.27 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle. |
|
leden 2 en 3. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
|
lid 4. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel
wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. |
|
lid 5. |
De wijze van keuren bij het tweede
en derde lid is van toepassing. |
|
lid 6. |
Visuele controle. |
|
lid 7. |
Visuele controle, waarbij artikel
2.6.1 van de Regeling permanente eisen van toepassing is. |
|
lid 8. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 9. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.28 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. |
|
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
|
lid 4. |
De wijze van keuren bij het tweede
lid is van toepassing. |
|
lid 5. |
– |
| |
|
|
7. Stuurinrichting |
|
|
Artikel 5.12.29 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Zo nodig moet een rijproef op de weg plaatsvinden. |
|
leden 2, 3 en 4. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 5. |
1. Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt.
2. Voor het zichtbaar maken
van:
a. radiale speling wordt de
stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;
b. axiale speling worden op
de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten
uitgeoefend.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Op de speling is artikel
2.7.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
|
|
lid 6. |
Visuele controle indien de hoes is
beschadigd of ontbreekt, terwijl de aanhangwagen zich boven een
inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
|
lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.30 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 2. |
1. Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt.
2. Het zichtbaar maken van de
speling geschiedt op de volgende wijze:
a. door middel van een
hefboom of koevoet, dan wel
b. door het chassis te
heffen.
3. In geval van twijfel wordt
de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
|
|
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de
wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 4. |
– |
| |
|
|
8. Reminrichting |
|
|
Artikel 5.12.31 |
|
|
lid 1, onderdeel a. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de
bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in
hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling permanente eisen. |
|
onderdeel b. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of
remschijf zijn de artikelen 2.8.2 en 2.8.3 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
|
onderdeel c. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
onderdeel d. |
Visuele controle of auditieve
controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of
op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk
drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de
drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de
maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het
trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een
externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien
van een hydraulisch remsysteem moet het remsysteem met behulp van
het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze
zoals bepaald bij artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d, van het
Voertuigreglement. |
|
lid 2, onderdeel a. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. Indien een remslang is misvormd zijn de artikelen 2.8.4
en 2.8.6, tweede lid, van de Regeling permanente eisen van
toepassing. |
|
onderdelen b en c. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 3. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 4. |
Controle door de wielen vrij van de
grond of hefinrichting met de hand dan wel met behulp van een
wielspinner rond te draaien. |
|
lid 5. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt.
Indien de remvoering niet zonder
demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden
gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een
wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende
geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
|
lid 6. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 7. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. De hoezen moeten worden gecontroleerd voor zover dit
mogelijk is zonder demontage. |
|
leden 8 en 9. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.35 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 2. |
Visuele controle met behulp van
manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of
op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt
gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer
de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle
op het goed functioneren kan achterwege blijven indien de controle
is uitgevoerd overeenkomstig de wijze van keuren, bedoeld in lid
3. |
|
lid 3. |
1. Visuele controle op de
aanwezigheid, waarbij het merk en type van de
drukluchtremkrachtregelaars mag afwijken.
2. Indien ter plaatse de
daadwerkelijke aslast kan worden vastgesteld, vindt de
controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars
plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich
boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Hierbij wordt de rem in werking gesteld, waarbij de afstelling
ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat.
De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden
gecontroleerd:
a. de stand waarin de
regelaars zich bevinden behorende bij de vastgestelde
aslast, en
b. de stand van de
regelaars wanneer deze de volle druk doorsturen, voorzover
dit mogelijk is zonder demontage.
3. 3. Indien ter plaatse de
daadwerkelijke aslast niet kan worden vastgesteld, vindt een
globale controle van de afstelling van de
drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers,
terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een
hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking
gesteld. Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van
de regelaars gecontroleerd door:
a. de druk te meten die de
regelaars doorsturen in de stand waarin deze zich dan
bevindt;
b. de afstelling te meten
van de stand waarin de regelaars de volle druk doorsturen,
voorzover mogelijk zonder demontage. De gemeten druk,
volgens punt b, moet hoger zijn dan de vastgestelde druk
volgens punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal
is belast, mag de gemeten druk, volgens punt b, gelijk
zijn aan de vastgestelde druk volgens punt a.
|
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij het
ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
| |
|
|
Artikel 5.12.36 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. In geval van
twijfel moet worden gemeten. |
| |
|
|
Artikel 5.12.38 |
|
|
leden 1, 2 en 3. |
|
|
De artikelen 2.8.8, 2.8.9 en 2.8.41
tot en met 2.8.51 van de Regeling permanente eisen zijn van
toepassing. |
|
lid 4. |
Terwijl de wielen zich vrij van de
grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem
bediend en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij
gebruik van een rollenremtestbank voor de controle van de
remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
|
lid 5. |
Controle hierop heeft reeds
plaatsgevonden bij de artikelen 5.12.35, tweede en derde lid, en
5.12.38, zesde lid, van het Voertuigreglement. |
|
lid 6. |
De artikelen 2.8.52, 2.8.53 en
2.8.55 van de Regeling permanente eisen zijn van toepassing. |
|
lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.39 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
|
lid 2. |
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
| |
|
|
Artikel 5.12.40 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een
andere externe bron en de aanhangwagen wordt losgenomen. |
|
lid 2. |
Visuele controle
Indien een losknop aanwezig is,
moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld,
eerst worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de
voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in
zijn oorspronkelijke stand. |
|
leden 3 en 4. |
Visuele controle. |
| |
|
|
9. Carrosserie |
|
|
Artikel 5.12.41 |
|
|
Visuele controle, waarbij de deuren
en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
| |
|
|
Artikel 5.12.48 |
|
|
leden 1, 2 en 3. |
|
|
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.9.18 tot en met 2.9.22 alsmede artikel 2.9.30 van de
Regeling permanente eisen van toepassing zijn. |
|
lid 5. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.9.23 tot en met 2.9.30 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. |
|
leden 6 en 7. |
Visuele controle. |
|
lid 8. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.49 |
|
|
leden 1, 2, 3, 4 en 5. |
|
|
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
leden 6, 7 en 8. |
Visuele controle. |
| |
|
|
10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen |
|
|
Artikel 5.12.51 |
|
|
onderdeel a. |
|
|
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
onderdelen b. tot en met h. |
Visuele controle. |
|
onderdeel i. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.5 tot en met 2.10.8 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. |
|
onderdeel j. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
onderdeel k. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.3 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. In geval van twijfel wordt gemeten. |
|
onderdeel l. |
Visuele controle, waarbij artikel
2.10.9 van de Regeling permanente eisen van toepassing is. |
| |
|
|
Artikel 5.12.53 |
|
|
leden 1, 2, 3, 4, 5 en 6. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
lid 7. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.12.55 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
lid 2. |
Visuele controle. Indien sprake is
van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle
op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2 van de Regeling
permanente eisen. |
|
lid 3. |
Visuele controle. Indien het glas
is beschadigd of bewerkt is artikel 2.10.12 van de Regeling
permanente eisen van toepassing. |
|
lid 4. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
leden 5 en 6. |
Visuele controle. |
|
lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.57 |
|
|
lid 1, onderdelen a tot en met c. |
|
|
Visuele controle. |
|
onderdeel d. |
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
onderdeel e. |
Visuele controle, waarbij de
artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 van de Regeling permanente
eisen van toepassing zijn. In geval van twijfel wordt gemeten. |
|
onderdelen f tot en met i. |
Visuele controle. |
|
leden 2 tot en met 6. |
Visuele controle. |
|
lid 7. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.59 |
|
|
Leden 1 t/m 3. |
|
|
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
|
Lid 4. |
De wijze van keuren bij het tweede,
derde en vierde lid van artikel 5.12.55 van het Voertuigreglement
is van toepassing. |
|
Lid 5. |
Visuele controle, waarbij de
desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| |
|
|
Artikel 5.12.61 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Visuele controle. In geval van
twijfel wordt gemeten. |
|
lid 3. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.65 |
Visuele controle, indien
verlichtingsarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven
dan wel toegestaan, moet de bedrading van deze armaturen zijn
losgenomen en het lampje zijn verwijderd. |
| |
|
|
11. Verbinding tussen trekkend
motorrijtuig en aanhangwagen |
|
|
Artikel 5.12.66 |
|
|
lid 1. |
|
|
Visuele controle, terwijl de
aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting
bevindt. |
|
lid 2. |
Visuele controle. |
|
lid 3. |
In geval van twijfel wordt met
behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei
gemeten. |
|
leden 4, 5 en 6. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.12.67 |
Visuele controle, waarbij de sluit-
en borginrichting met behulp van een koppelingskogel wordt
gecontroleerd. |
| |
|
|
Artikel 5.12.68 |
|
|
Lid 1. |
|
a. Er wordt in alle richtingen
gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.
b. Ter plaatse van de
slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
|
|
Lid 2. |
a. Er wordt gemeten met een
geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.
b. Ter plaatse van de
slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
|
|
Lid 3. |
a. Er wordt gemeten met een
geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.
b. Ter plaatse van de
slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
|
|
Leden 4 t/m 6. |
Visuele controle. |
| |
|
|
Artikel 5.12.69 |
|
|
leden 1 en 2. |
|
|
Er wordt gemeten met een geschikt
meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van
het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm
en ten hoogste 4 mm dik is. |
|
lid 3. |
In geval van twijfel wordt met
behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei
in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen
gemeten, waarbij de artikelen 2.11.6, 2.11.7 en 2.11.8 van de
Regeling permanente eisen van toepassing zijn. |
|
lid 4. |
– |
| |
|
|
Artikel 5.12.70 |
De artikelen 2.11.3, 2.11.5 en
2.11.8 van de Regeling permanente eisen zijn van toepassing. |
|