St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994)

 

REGLEMENT  RIJBEWIJZEN

Tekst zoals deze geldt op 24 januari 2014
Volgende actualisering: juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 30 mei 1996, houdende uitvoering van de Wegenverkeerswet 1994 (Reglement rijbewijzen)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 november 1993, nr. R 163248, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
     Gelet op Richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) en de Wegenverkeerswet 1994;
     De Raad van State gehoord (advies van 5 april 1994, nr. W09.93.0755);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 mei 1996, nr. R 219195, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

ß 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: Wegenverkeerswet 1994;

b. ledige massa: massa van het voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd;

c. toegestane maximum massa: ledige massa, vermeerderd met het maximum toegestane gewicht aan lading;

d. oplegger: aanhangwagen waarvan een aanzienlijk deel van de massa, bij gelijkmatig verdeelde lading, door het trekkend voertuig wordt gedragen;

e. verklaring van rijvaardigheid: verklaring waaruit blijkt van een onderzoek met goed gevolg naar de rijvaardigheid van de aanvrager tot het besturen van motorrijtuigen van de in de verklaring vermelde rijbewijscategorie;

f. verklaring van geschiktheid: verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager de lichamelijke en geestelijke geschiktheid bezit tot het besturen van motorrijtuigen van de in de verklaring vermelde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn;

g. eigen verklaring: verklaring van de aanvrager ter zake van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieŽn waarvoor een verklaring van geschiktheid wordt verlangd;

h. geneeskundig verslag: op basis van een keuring van de aanvrager opgemaakt verslag betreffende diens lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de in het verslag vermelde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn;

i. theorie-certificaat: verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager met goed gevolg een theorie-examen heeft afgelegd voor de in de verklaring vermelde rijbewijscategorie;

j. richtlijn vakbekwaamheid bestuurders: de bij ministeriŽle regeling aangewezen richtlijn;

k. basiskwalificatie: opleidings- en kennisniveau dat de in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen onderwerpen en praktische vaardigheiden omvat;

l. getuigschrift van vakbekwaamheid: document dat dient als bewijs dat de houder de basiskwalificatie heeft behaald;

m. praktijkexamen vakbekwaamheid: praktijkgedeelte van het examen gericht op het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid;

n. theorie-examen vakbekwaamheid: theoretische gedeelte van het examen gericht op het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid;

o. nascholing: periodiek opleidingstraject dat in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen onderwerpen en praktische vaardigheden omvat;

p. getuigschrift van nascholing: document dat dient als bewijs dat de houder de nascholing heeft afgerond;

q. aangewezen exameninstantie: persoon of instelling als bedoeld in artikel 151f, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

r. verklaring van vakbekwaamheid: verklaring die de aangewezen exameninstantie in het rijbewijzenregister registreert nadat de aanvrager de basiskwalificatie heeft behaald;

s. verklaring van nascholing: verklaring die de aangewezen exameninstantie in het rijbewijzenregister registreert nadat de aanvrager de nascholing heeft afgerond;

t. Nederlands omwisselingscertificaat: certificaat als bedoeld in artikel 151g, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

u. buitenlands omwisselingscertificaat: certificaat afgegeven door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aantonende dat de bestuurder de basiskwalificatie heeft behaald of de nascholing heeft afgerond;

v. bestuurdersattest: bestuurdersattest als bedoeld in artikel 151c, vierde lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

w. nationaal certificaat: certificaat als bedoeld in artikel 151c, vierde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;

x. kwalificatiekaart bestuurder: kaart afgegeven door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aantonende dat de bestuurder de basiskwalificatie heeft behaald of de nascholing heeft afgerond;

y. deelcertificaat: certificaat aantonende dat de bestuurder een aantal uren nascholing heeft gevolgd, maar nog niet heeft afgerond;

z. persoonssleutel: unieke code toegekend aan natuurlijke personen zonder burgerservicenummer om deze eenduidig te kunnen identificeren;

aa. motorrijtuig met handschakeling: motorrijtuig, met een koppeling, die door de bestuurder moet worden bediend om weg te rijden, te stoppen en te schakelen;

ab. motorrijtuig met automatische schakeling: motorrijtuig, niet zijnde een motorrijtuig met handschakeling, al dan niet voorzien van een schakelaar of een hendel, waarmee de bestuurder invloed kan uitoefenen op de gangwissel van het motorrijtuig.

ß 2. Uitzonderingen rijbewijsplicht

Artikel 2

1. Voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op twee wielen, is geen rijbewijs vereist:

a. gedurende de tijd dat aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor die rijbewijscategorie, mits:

I. die bestuurder in het bezit is van een niet langer dan een jaar en zes maanden van tevoren afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie AM;

II. de bestuurder geen andere personen vervoert, uitgezonderd degene die aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft;

b. tijdens het praktijkexamen.

2. Voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie A1 is geen rijbewijs vereist:

a. gedurende de tijd dat aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor die rijbewijscategorie, mits:

I. die bestuurder in het bezit is van een van de volgende documenten:

1į. een niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

2į. een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

3į. een geldig rijbewijs A1 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

4į. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

5į. een geldig rijbewijs B;

6į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

II. de bestuurder geen andere personen vervoert, uitgezonderd degene die aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft;

b. tijdens het praktijkexamen.

3. Voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie A2 is geen rijbewijs vereist:

a. gedurende de tijd dat aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor die rijbewijscategorie, mits:

I. die bestuurder in het bezit is van een van de volgende documenten:

1į. een geldig rijbewijs A1;

2į. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

3į. een niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

4į. een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

5į. een geldig rijbewijs A2 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

6į. een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

7į. een geldig rijbewijs B;

8į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

II. de bestuurder geen andere personen vervoert, uitgezonderd degene die aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft;

b. tijdens het praktijkexamen.

4. Voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie A is geen rijbewijs vereist:

a. gedurende de tijd dat aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor die rijbewijscategorie, mits:

I. die bestuurder, indien hij de leeftijd van 24 jaren nog niet heeft bereikt, in het bezit is van een van de volgende documenten:

1į. een geldig rijbewijs A2;

2į. een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

II. die bestuurder, indien hij de leeftijd van 24 jaren heeft bereikt, in het bezit is van een van de volgende documenten:

1į. een niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

2į. een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

3į. een geldig rijbewijs A dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

4į. een geldig rijbewijs A, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

5į. een geldig rijbewijs A2;

6į. een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

7į. een geldig rijbewijs A1;

8į. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

9į. een geldig rijbewijs B;

10į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

III. de bestuurder geen andere personen vervoert, uitgezonderd degene die aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft;

b. tijdens het praktijk-examen.

5. De in het eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a, of vierde lid, onderdeel a, bedoelde bestuurders zijn verplicht op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen het theorie-certificaat ter inzage af te geven.

Artikel 3

Voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorieŽn C1, C, D1, D en E is geen rijbewijs vereist bij het uitvoeren van de van het praktijk-examen deel uitmakende bijzondere verrichtingen voor zover het motorrijtuig daarbij niet onder toezicht wordt bestuurd:

a. gedurende de tijd dat aan de bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijk-examen voor een van die rijbewijscategorieŽn, en

b. tijdens het praktijk-examen.

Artikel 4

Voor het besturen van motorrijtuigen is geen rijbewijs vereist tijdens het afleggen van de in de artikelen 101, eerste lid, aanhef, en 103, derde lid, bedoelde rijproef, mits de bestuurder in het bezit is van een oproep voor die rijproef.

ß 3. Minimumleeftijd voor het besturen van motorrijtuigen

Artikel 5

1. Voor het besturen van motorrijtuigen gelden de volgende minimumleeftijden:

a. voor de rijbewijscategorie AM: 16 jaren;

b. voor de rijbewijscategorie A1: 18 jaren;

c. voor de rijbewijscategorie A2: 20 jaren;

d. voor de rijbewijscategorie A, indien de bestuurder reeds in het bezit is van een rijbewijs voor de categorie A2: 22 jaren;

e. voor de rijbewijscategorie A, indien de bestuurder niet in het bezit is van een rijbewijs voor de categorie A2: 24 jaren;

f. voor de rijbewijscategorie B en E bij B: 18 jaren;

g. voor de rijbewijscategorie C1 en E bij C1: 18 jaren;

h. voor de rijbewijscategorieŽn C en E bij C, indien betrokkene niet tevens in het bezit is van het getuigschrift van vakbekwaamheid: 21 jaren;

i. voor de rijbewijscategorieŽn C en E bij C, indien betrokkene tevens in het bezit is van het getuigschrift van vakbekwaamheid: 18 jaren;

j. voor de rijbewijscategorieŽn D1 en E bij D1, indien betrokkene niet tevens in het bezit is van het getuigschrift van vakbekwaamheid: 21 jaren;

k. voor de rijbewijscategorieŽn D1 en E bij D1, indien betrokkene tevens in het bezit is van het getuigschrift van vakbekwaamheid: 18 jaren;

l. voor de rijbewijscategorieŽn D en E bij D, indien betrokkene niet tevens in het bezit is van het getuigschrift van vakbekwaamheid: 24 jaren;

m. voor de rijbewijscategorieŽn D en E bij D, indien betrokkene tevens in het bezit is van het getuigschrift van vakbekwaamheid: 21 jaren.

2. Er geldt geen minimumleeftijd voor:

a. bestuurders van gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een elektromotor en die niet sneller kunnen rijden dan 10 km per uur;

b. bestuurders van bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet, die beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten als bedoeld in artikel 5, zesde lid, van het RVV 1990.

3. Voor bestuurders van stoom- en motorwalsen geldt de minimumleeftijd van 18 jaren.

4. Voor bestuurders van landbouw- en bosbouwtrekkers, gehandicaptenvoertuigen, anders dan die bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en motorrijtuigen met beperkte snelheid, niet zijnde stoom- en motorwalsen, geldt de minimumleeftijd van 16 jaren.

5. Van de in het vierde lid vastgestelde minimumleeftijd kan ontheffing worden verleend voor zover het betreft gehandicaptenvoertuigen als bedoeld in dat lid.

6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor bestuurders van een motorrijtuig van de categorie A1 de minimumleeftijd van 16 jaren, indien zij beschikken over een geldig rijbewijs voor de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs voor die categorie dat is verkregen door omwisseling overeenkomstig artikel 45.

7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, geldt voor bestuurders van een motorrijtuig van de categorie A2 de minimumleeftijd van 18 jaren indien zij beschikken over een geldig rijbewijs voor de categorie A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs voor die categorie dat is verkregen door omwisseling overeenkomstig artikel 45.

8. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, geldt voor bestuurders van een motorrijtuig van de categorie A, niet zijnde een driewielig motorrijtuig van die categorie, de minimumleeftijd van 20 jaren, indien zij beschikken over een geldig rijbewijs voor de categorie A, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs voor die categorie dat is verkregen door omwisseling overeenkomstig artikel 45.

9. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, geldt voor bestuurders van een driewielig motorrijtuig van de categorie A de minimumleeftijd van 21 jaren, indien zij beschikken over een geldig rijbewijs voor de categorie A, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs voor die categorie dat is verkregen door omwisseling overeenkomstig artikel 45.

10. In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, geldt voor het Nederlandse grondgebied de leeftijd van 18 jaar, indien:

a. de bestuurder een door het bevoegd gezag van een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of een bij ministeriŽle regeling daaraan gelijkwaardig verklaarde opleiding afgegeven gewaarmerkte verklaring kan overleggen waaruit blijkt sinds welke datum hij de opleiding volgt, en

b. de bestuurder door middel van een geldig bewijs van inschrijving kan aantonen dat hij nog staat ingeschreven bij de opleiding.

ß 4. Eisen ten aanzien van het geven van rijonderricht

Artikel 6

1. De in artikel 5, eerste lid, genoemde minimumleeftijden gelden ook voor degene aan wie rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven.

2. In afwijking van het eerste lid geldt de in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, genoemde leeftijd van 18 jaren niet voor zover degene aan wie rijonderricht wordt gegeven voor de rijbewijscategorie A1 de leeftijd van 17 jaren heeft bereikt.

3. In afwijking van het eerste lid geldt de in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, genoemde leeftijd van 20 jaren niet voor zover degene aan wie rijonderricht wordt gegeven voor de rijbewijscategorie A2 de leeftijd van 19 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs voor de categorie A1, dan wel een rijbewijs van de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

4. In afwijking van het eerste lid geldt de in artikel 5, eerste lid, onderdelen g en h, genoemde leeftijd van 18, respectievelijk 21 jaren niet voor zover:

a. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven voor de categorie C1 of C een opleiding volgt in het kader van de Wet educatie en beroepsonderwijs tot beroepschauffeur in het goederenvervoer over de weg,

b. dat rijonderricht wordt gegeven in dat kader, en

c. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven de leeftijd van 17 jaren heeft bereikt.

Artikel 7

1. Bij het geven van rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor rijbewijscategorie AM dient te worden voldaan aan de volgende eisen:

a. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven op een tweewielige bromfiets dient in het bezit te zijn van een niet langer dan een jaar en zes maanden van tevoren afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie AM;

b. indien degene die rijonderricht geeft, zich achter de bestuurder op de tweewielige bromfiets bevindt, mag geen rijonderricht worden gegeven aan andere personen dan aan die bestuurder. Hetzelfde geldt indien degene die rijonderricht geeft, zich naast de bestuurder in de drie- of vierwielige bromfiets bevindt;

c. indien degene die rijonderricht geeft aan bestuurders van tweewielige bromfietsen, zich niet achter de bestuurder op de tweewielige bromfiets bevindt, mag rijonderricht worden gegeven aan ten hoogste vier bestuurders en dient tussen degene die rijonderricht geeft en de bestuurder of bestuurders die rijonderricht ontvangt of ontvangen, radiografisch contact te bestaan;

d. degene die rijonderricht geeft aan een bestuurder van een bromfiets mag niet tegelijkertijd rijonderricht geven in het kader van de opleiding voor een andere rijbewijscategorie.

2. Bij het geven van rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in het kader van de opleiding voor het praktijk-examen voor de rijbewijzen A1, A2 en A dient te worden voldaan aan de volgende eisen:

a. indien degene die rijonderricht geeft, zich achter de bestuurder op het motorrijtuig bevindt, mag geen rijonderricht worden gegeven aan andere personen dan aan die bestuurder;

b. indien degene die rijonderricht geeft, zich niet achter de bestuurder op het motorrijtuig bevindt, mag rijonderricht worden gegeven aan ten hoogste twee bestuurders en dient tussen degene die rijonderricht geeft en de bestuurder of bestuurders die rijonderricht ontvangt of ontvangen, radiografisch contact te bestaan;

c. degene die rijondericht geeft mag niet tegelijkertijd rijonderricht geven in het kader van de opleiding voor een andere rijbewijscategorie dan de categorie A1, A2 of A;

d. het motorrijtuig of de motorrijtuigen waarmee rijonderricht wordt gegeven, dient of dienen te zijn voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven;

e. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven voor de categorie A1, dient in het bezit te zijn van een van de volgende documenten:

1į. een niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

2į. een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

3į. een geldig rijbewijs A1 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

4į. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

5į. een geldig rijbewijs B;

6į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

f. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven voor de categorie A2, dient in het bezit te zijn van een van de volgende documenten:

1į. een geldig rijbewijs A1;

2į. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

3į. een niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

4į. een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

5į. een geldig rijbewijs A2 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

6į. een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

7į. een geldig rijbewijs B;

8į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

g. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven voor de rijbewijscategorie A, dient in het bezit te zijn van een van de volgende documenten:

I. indien hij de leeftijd van 24 jaren nog niet heeft bereikt:

1į. een geldig rijbewijs voor de rijbewijscategorie A2;

2į. een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

II. indien hij de leeftijd van 24 jaren heeft bereikt:

1į. een geldig rijbewijs voor de rijbewijscategorie A1;

2į. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

3į. een geldig rijbewijs voor de rijbewijscategorie A2;

4į. een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

5į. een niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

6į. een door het daartoe door het bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

7į. een geldig rijbewijs A dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

8į. een geldig rijbewijs A, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

9į. een geldig rijbewijs B;

10į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

Artikel 7a

1. De bromfiets, waarmee rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, tweewielige bromfietsen, dient te zijn voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.

2. De bromfiets waarmee rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, drie- of vierwielige bromfietsen, dient te zijn voorzien van:

a. inrichtingen die zo zijn aangebracht dat degene die rijonderricht geeft daarmee de bedrijfsrem en de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan bedienen, dan wel, indien het een motorrijtuig met automatische schakeling betreft, van een andere inrichting waarmee hij de aandrijving van het motorrijtuig door de motor kan onderbreken;

b. een binnen- en een buitenspiegel waarmee degene die rijonderricht geeft het achter en rechts naast hem gelegen weggedeelte kan overzien;

c. een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.

Artikel 8

Het motorrijtuig waarmee rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijk-examen voor rijbewijs B, dient te zijn voorzien van:

a. inrichtingen die zo zijn aangebracht dat degene die rijonderricht geeft, daarmee de bedrijfsrem en, indien het een motorrijtuig met handschakeling betreft, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan bedienen;

b. een binnen- en een buitenspiegel waarmee degene die rijonderricht geeft het achter en rechts naast hem gelegen weggedeelte kan overzien;

c. een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.

Artikel 9

1. Bij het geven van rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in het kader van de opleiding voor het praktijk-examen voor rijbewijs C1, C, D1, D of E dient te worden voldaan aan de volgende eisen:

a. het motorrijtuig waarmee rijonderricht wordt gegeven, dient te zijn voorzien van inrichtingen die zo zijn aangebracht dat degene die rijonderricht geeft, daarmee de bedrijfsrem en, indien het een motorrijtuig met handschakeling betreft, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan bedienen;

b. het motorrijtuig waarmee rijonderricht wordt gegeven, dient te zijn voorzien van twee of meer buitenspiegels waarmee degene die rijonderricht geeft het rechts en links naast en achter hem gelegen weggedeelte kan overzien;

c. het motorrijtuig waarmee rijonderricht wordt gegeven, dient te zijn voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven;

d. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijk-examen voor rijbewijs C1, C, D1 of D, dient in het bezit te zijn van een rijbewijs B dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur;

e. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor rijbewijs E, dient in het bezit te zijn van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van het trekkende motorrijtuig, al dan niet voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, dat hetzij nog geldig is, hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur;

2. Het eerste lid, onderdelen d en e, geldt niet voor degene die rijonderricht ontvangt in het kader van een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en voor degene die rijonderricht ontvangt met het oog op de aanvraag van een rijbewijs als bedoeld in artikel 42b.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, wordt met een rijbewijs B gelijk gesteld een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, wordt met een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van het trekkende motorrijtuig gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven rijbewijs dat geldig is voor het besturen van het trekkende motorrijtuig.

5. Degene die rijonderricht ontvangt met het oog op een aanvraag als bedoeld in artikel 42b, eerste lid, dient in het bezit te zijn van een verklaring als bedoeld in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 10

Artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, is van overeenkomstige toepassing bij het geven van rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in het kader van het behalen van de basiskwalificatie.

ß 5 [Vervallen per 10-09-2008]

Artikel 11 [Vervallen per 25-08-2006]

Artikel 12 [Vervallen per 25-08-2006]

Artikel 13 [Vervallen per 25-08-2006]

Artikel 14 [Vervallen per 25-08-2006]

ß 6. Omvang van de uit het rijbewijs voortvloeiende bevoegdheid

Artikel 15

1. Rijbewijzen worden afgegeven voor het besturen van de volgende categorieŽn van motorrijtuigen:

a. bromfietsen, niet zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet (rijbewijs categorie AM);

b. motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een maximale cilinderinhoud van 125 cm3 en een maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen, motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een volledig elektrische aandrijving met een maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen, alsmede motorrijtuigen op drie wielen met een maximumvermogen van 15 kW, niet zijnde een bromfiets (rijbewijs A1);

c. motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een maximumvermogen van 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,2 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen en niet afgeleid van een motorrijtuig met meer dan het dubbele vermogen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen (rijbewijs A2);

d. motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, al dan niet met zijspan of aanhangwagen, alsmede motorrijtuigen op drie wielen, niet zijnde motorrijtuigen op twee wielen met zijspan, met een vermogen van meer dan 15 kW (rijbewijs A);

e. motorrijtuigen op vier of meer wielen, niet zijnde een bromfiets, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg, dan wel meer bedraagt dan 750 kg, mits in dat geval de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 3500 kg, een en ander afhankelijk van de gegevens op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig (rijbewijs B);

f. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D1 of D, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 3500 kg, doch ten hoogste 7500 kg bedraagt en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs C1);

g. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D1 of D, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 3500 kg bedraagt en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs C);

h. motorrijtuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste zestien personen, de bestuurder niet meegerekend, en een lengte hebben van ten hoogste acht meter, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs D1);

i. motorrijtuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs D);

j. motorrijtuigen van een van de rijbewijscategorieŽn B, C1, C, D1 of D voor het besturen waarvan de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs, met een andere aanhangwagen of oplegger dan op grond van dat rijbewijs mag worden voortbewogen (rijbewijs E), mits:

I. in het geval van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B

1į. de toegestane maximum massa van de aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 3500 kg, dan wel

2į. de toegestane maximum massa van de oplegger of middenasaanhangwagen meer bedraagt dan 3500 kg, mits:

a. de toegestane maximumlast onder de koppeling van de oplegger of middenasaanhangwagen niet meer bedraagt dan het verschil tussen de toegestane maximum massa van het trekkend motorrijtuig en de massa in rijklare toestand, bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, van het trekkend motorrijtuig, en

b. de toegestane maximum aslast respectievelijk de som van de toegestane maximum aslasten van de oplegger of middenasaanhangwagen niet meer bedraagt dan 3500 kg;

II. in het geval van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie C1 de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 12.000 kg,

een en ander afhankelijk van de gegevens die op het kentekenbewijs of in het kentekenregister ten aanzien van het in dit onderdeel bedoelde trekkende motorrijtuig zijn vermeld.

2. Voor de bepaling van het aantal wielen worden twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.

3. In afwijking van het eerste lid worden motorrijtuigen, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, waarvan de toegestane maximum massa als gevolg van een aan het voertuig aangebrachte bepantsering meer dan 3500 kg bedraagt, begrepen onder de rijbewijscategorie B.

4. In afwijking van het eerste lid worden begrepen onder de rijbewijscategorie B:

a. motorrijtuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, maar minder dan 7500 kg, die worden aangedreven door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend geleverd wordt door een batterij en waarvan de batterij wordt opgeladen door middel van een elektrisch oplaadpunt buiten het voertuig;

b. hybride elektrische motorrijtuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, maar minder dan 7500 kg, waarvan de batterij kan worden opgeladen door middel van een elektrisch oplaadpunt buiten het voertuig;

c. het samenstel van een motorrijtuig van die categorie en een door dat motorrijtuig voortbewogen aanhangwagen of oplegger waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 750 kg, waarbij de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger meer bedraagt dan 3500 kg, maar niet meer bedraagt dan 4250 kg en het rijbewijs van de bestuurder is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder is geslaagd voor het examen dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van zo'n samenstel.

5. In afwijking van het eerste lid, onderdeel j, onder II, wordt onder de rijbewijscategorie E bij C1 mede begrepen een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B met een aanhangwagen of oplegger waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, mits de toegestane maximum massa van het samenstel niet meer bedraagt dan 12.000 kg.

Artikel 15a

Indien de aanvrager van een rijbewijs voor de categorie AM, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de categorie AM heeft afgelegd met een bromfiets op drie of vier wielen, wordt een rijbewijs AM afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van bromfietsen op drie of vier wielen. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 16

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig kan besturen dat aan bepaalde eisen voldoet dan wel slechts een motorrijtuig kan besturen indien hij gebruik maakt van kunst- of hulpmiddelen, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van een motorrijtuig dat aan die eisen voldoet dan wel indien de aanvrager bij het besturen gebruik maakt van die kunst- of hulpmiddelen. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 17

1. Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, dan wel blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig mag besturen met automatische schakeling, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van de in de verklaring van rijvaardigheid of de verklaring van geschiktheid genoemde rijbewijscategorie met automatische schakeling. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op aanvragen voor de rijbewijscategorie AM.

Artikel 18

1. Onverminderd artikel 17 wordt aan de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs voor de categorie A1, respectievelijk A2, dat is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd op een motorrijtuig van de desbetreffende categorie met automatische schakeling, en ten behoeve van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de categorie A2, respectievelijk voor de categorie A, waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen heeft afgelegd op een motorrijtuig van de categorie A2, respectievelijk van de categorie A, met handschakeling, tevens een rijbewijs voor de categorie A1, respectievelijk voor de categorieŽn A1 en A2, afgegeven zonder dat voor die categorie of categorieŽn een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

2. Onverminderd artikel 17 wordt aan de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs voor de categorie A1, dat is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd op een motorrijtuig van de desbetreffende categorie met automatische schakeling, en ten behoeve van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de categorie A, waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen heeft afgelegd op een motorrijtuig van de categorie A, met handschakeling, tevens een rijbewijs voor de categorieŽn A1 en A2 afgegeven, zonder dat voor die categorieŽn een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

3. Onverminderd artikel 17 wordt aan de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs B dat is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, en ten behoeve van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de rijbewijscategorie BE, C1, C1E, C of CE waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen voor die categorie heeft afgelegd in een motorrijtuig met handschakeling, een rijbewijs afgegeven voor het besturen van de betrokken categorieŽn van motorrijtuigen, zonder dat voor een van die categorieŽn een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

4. Onverminderd artikel 17 wordt aan de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs B dat is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, en ten behoeve van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de rijbewijscategorie BE, D1, D1E, D of DE waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen voor die categorie heeft afgelegd in een motorrijtuig met handschakeling, een rijbewijs afgegeven voor het besturen van de betrokken categorieŽn van motorrijtuigen, zonder dat voor een van die categorieŽn een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

5. Onverminderd artikel 17 wordt aan de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs C1, respectievelijk C, dat is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, en ten behoeve van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de rijbewijscategorie C1E, C of CE, respectievelijk CE, waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen voor die categorie heeft afgelegd in een motorrijtuig met handschakeling, een rijbewijs afgegeven voor het besturen van de betrokken categorieŽn van motorrijtuigen, zonder dat voor een van die categorieŽn een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

6. Onverminderd artikel 17 wordt aan de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs D1, respectievelijk D, dat is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, en ten behoeve van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de rijbewijscategorie D1E, D of DE, respectievelijk DE, waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen voor die categorie heeft afgelegd in een motorrijtuig met handschakeling, een rijbewijs afgegeven voor het besturen van de betrokken categorieŽn van motorrijtuigen, zonder dat voor een van die categorieŽn een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

7. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt met een rijbewijs voor de categorie A1 of A2 als daar bedoeld gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie A1 of A2.

8. Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt met een rijbewijs voor de categorie B als daar bedoeld gelijkgesteld:

a. een rijbewijs B dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur;

b. een door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven geldig rijbewijs B.

9. Voor de toepassing van het vijfde lid wordt met een rijbewijs C1 of C als daar bedoeld gelijk gesteld een door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie C1 of C.

10. Voor de toepassing van het zesde lid wordt met een rijbewijs D1 of D als daar bedoeld gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie D1 of D.

Artikel 18a [Treedt in werking per 01-04-2014]

1. In afwijking van artikel 17 wordt aan de aanvrager die:

a. in het bezit is van een rijbewijs B dat geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van die categorie met handschakeling,

b. blijkens de geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de categorie C, CE, D of DE heeft afgelegd in een motorrijtuig van die categorie met automatische schakeling, dat is voorzien van een schakelaar of hendel, waarmee de bestuurder invloed kan uitoefenen op de gangwissel van het motorrijtuig, en

c. bij dat praktijkexamen heeft voldaan aan bij ministeriŽle regeling gestelde voorwaarden,

een rijbewijs afgegeven dat tevens geldig is voor de categorie C, CE, D of DE zonder dat voor die categorie een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt met een rijbewijs B dat in het bezit is van de in de aanhef bedoelde aanvrager gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie B.

Artikel 19

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig kan besturen binnen een geografisch beperkt gebied, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen binnen dat gebied. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 19a

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid de tot het besturen van motorrijtuigen vereiste geschiktheid slechts bezit indien hij het door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privť doeleinden, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen voor privť doeleinden. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 19b

Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs voor een andere categorie dan AM, geeft degene die belast is met de afgifte van rijbewijzen tevens een rijbewijs af dat geldig is voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs AM is vereist.

Artikel 19c

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, kan besturen waarin een alcoholslot is ingebouwd, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie B waarin ten behoeve van de aanvrager een alcoholslot is ingebouwd. Op het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 20

1. Aan de aanvrager van een rijbewijs die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie A2 heeft afgelegd, wordt een rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorieŽn A1 en A2.

2. Aan de aanvrager van een rijbewijs die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie A heeft afgelegd, wordt een rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorieŽn A1, A2 en A.

Artikel 21

1. Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijk-examen voor de rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat slechts geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist.

2. In afwijking van het eerste lid wordt desgevraagd aan degene die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist, een rijbewijs B afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van een samenstel van een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist en een aanhangwagen of oplegger waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 750 kg, en de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger meer bedraagt dan 3500 kg, maar niet meer bedraagt dan 4250 kg. In het rijbewijs is dit aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 21a

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie C heeft afgelegd met een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs C is vereist, wordt een rijbewijs C en C1 afgegeven.

Artikel 21b

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D heeft afgelegd met een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D is vereist, wordt een rijbewijs D en D1 afgegeven.

Artikel 22

1. Aan de aanvrager van een rijbewijs die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs C1 is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B of C1 is vereist en, indien de aanvrager in het bezit is van een rijbewijs D1, voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D1 is vereist.

2. Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs C is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger, indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B, C of C1 is vereist en, indien de aanvrager in het bezit is van een rijbewijs D respectievelijk D1, voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan rijbewijs D, respectievelijk rijbewijs D1 is vereist.

Artikel 22a

1. Aan de aanvrager van een rijbewijs op grond van artikel 45 die beschikt over een rijbewijs C1 respectievelijk C1E, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat blijkens de daarop aangegeven codering niet de bevoegdheid geeft tot het besturen van een motorrijtuig van de categorie C1 respectievelijk C1 en C1E dat onder Verordening (EEG) nr. 3821/85 valt, wordt een rijbewijs C1 respectievelijk C1E afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie C1 respectievelijk C1 en C1E die niet onder de werking van die verordening vallen. Deze beperking is aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

2. Aan de aanvrager van een rijbewijs C1 of C die in het bezit is van een rijbewijs C1 als bedoeld in het eerste lid wordt, indien ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd voor de categorie C1 of C, een rijbewijs C1 of C afgegeven, zonder dat daarbij ten aanzien van categorie C1 de in het eerste lid bedoelde codering wordt vermeld.

Artikel 23

1. Aan de aanvrager van een rijbewijs die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D1 is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D1 is vereist respectievelijk een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist.

2. Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D of D1 is vereist, respectievelijk een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist.

Artikel 24

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid de voor het besturen van motorrijtuigen vereiste geschiktheid slechts bezit indien hij corrigerende lenzen draagt, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is indien de aanvrager bij het besturen gebruik maakt van die corrigerende lenzen. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 25

Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid de voor het besturen van motorrijtuigen vereiste geschiktheid slechts bezit voor een termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur van het rijbewijs, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is gedurende die kortere termijn.

ß 7. Geldigheidsduur van het rijbewijs

Artikel 25a

1. Behoudens de artikelen 123, 123a en 123b van de wet is een rijbewijs voor de categorieŽn AM, A1, A2, A, B of E bij B, afgegeven aan een aanvrager die de leeftijd van

a. 65 jaren nog niet heeft bereikt, geldig voor de duur van tien achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte;

b. 65 jaren doch nog niet die van 70 jaren heeft bereikt, geldig vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte tot de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt;

c. 70 jaren heeft bereikt, geldig voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte.

2. Behoudens de artikelen 123, 123a en 123b van de wet is een rijbewijs voor de categorieŽn C1, E bij C1, C, E bij C, D1, E bij D1, D en E bij D, geldig voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid is een rijbewijs, afgegeven aan degene die naar verwachting op grond van zijn lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor een beperkte termijn geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, geldig vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte tot de dag waarop de termijn waarvoor de houder naar verwachting geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, verstrijkt.

Hoofdstuk II. Aanvraag van rijbewijzen

ß 1. Indiening van de aanvraag

Artikel 26

De aanvraag van een rijbewijs geschiedt op de wijze als in de volgende artikelen is bepaald.

Artikel 27

Indien de aanvrager woonachtig is in Nederland, dient de aanvraag te zijn gericht tot en te worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen.

Artikel 28

Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van

a. een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,

b. een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarop de ongeldigverklaring van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, geen betrekking heeft,

c. een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarvoor een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, ongeldig is verklaard,

d. een rijbewijs ter vervanging van een eerder door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, dat versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, dan wel verloren is geraakt of teniet is gegaan, dan wel,

e. een rijbewijs tegen overlegging van een door het daartoe bevoegde militaire gezag afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen,

f. een rijbewijs ter vervanging van een rijbewijs dat op grond van artikel 123b van de wet ongeldig is geworden of ten aanzien van waarvan een aantekening als bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet is geplaatst, voor zover dit laatste rijbewijs een rijbewijs betreft als bedoeld in respectievelijk de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, of 48, eerste lid,

dient de aanvraag in afwijking van artikel 27 te zijn gericht tot de Dienst Wegverkeer en te worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen. De burgemeester geleidt de aanvraag terstond door naar de Dienst Wegverkeer.

Artikel 29

Indien de aanvrager woonachtig is in Nederland, doch niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dient de aanvraag te zijn gericht tot de Dienst Wegverkeer en te worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager woonachtig is. De burgemeester geleidt de aanvraag terstond door naar de Dienst Wegverkeer.

Artikel 30

Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is en aan wie op grond van zijn hoedanigheid van of betrekking tot diplomatiek of consulair personeel dan wel op grond van zijn hoedanigheid van of betrekking tot personeel in dienst van een in Nederland gevestigde internationale organisatie houder is van een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt identiteitsbewijs voor geprivilegieerden, dient de aanvraag in afwijking van artikel 29 te zijn gericht tot en te worden ingediend bij de Dienst Wegverkeer. Hetzelfde geldt indien het een aanvraag betreft ter vervanging van een rijbewijs dat op grond van artikel 123b van de wet ongeldig is geworden of ten aanzien van waarvan een aantekening als bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet is geplaatst, voor zover dit laatste rijbewijs een rijbewijs betreft als bedoeld in artikel 47, eerste lid.

Artikel 31

Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs aan een buiten Nederland woonachtige aanvrager aan wie nog niet eerder een rijbewijs is afgegeven dan wel aan een buiten Nederland, anders dan in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, woonachtige aanvrager, dient de aanvraag te zijn gericht tot en te worden ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

Artikel 32

1. Onverminderd het tweede en derde lid dient de aanvrager, indien de aanvraag betrekking heeft op:

1.į de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager aan wie nog niet eerder een rijbewijs is afgegeven voor de rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft,

2.į de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs in verband met een gevorderd onderzoek naar diens rijvaardigheid tot het besturen van motorrijtuigen ongeldig is verklaard,

3.į de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs op het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde uitspraak onherroepelijk is geworden, geldig was, dan wel

4.į de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs ongeldig is verklaard op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet:

a. op het moment van de aanvraag in Nederland woonachtig te zijn en tevens

I. in de onmiddellijk aan de aanvraag voorafgaande periode van ťťn jaar ten minste 184 dagen in Nederland woonachtig te zijn geweest, of

II. gedurende een periode van ten minste zes maanden te zijn ingeschreven aan een in Nederland gevestigde universiteit, school voor middelbaar, voortgezet of hoger beroepsonderwijs of andere school voor middelbaar, voortgezet of hoger onderwijs, of

III. indien hij wegens tijdelijk verblijf buiten Nederland gedurende een periode van maximaal vier jaar niet geheel kan voldoen aan de onder I genoemde voorwaarde, gedurende een periode van ten minste tien jaar onafgebroken in Nederland woonachtig te zijn geweest, dan wel

b. in de onmiddellijk aan het moment van de aanvraag voorafgaande periode van ťťn jaar ten minste 185 dagen in Nederland woonachtig te zijn geweest.

2. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in de artikelen 44 tot en met 48, dient de aanvrager in Nederland woonachtig te zijn.

3. Het eerste lid geldt niet indien bij de aanvraag een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan zes maanden voor de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt overgelegd.

ß 2. Bij de aanvraag vereiste gegevens

Artikel 33

1. Bij de aanvraag van een rijbewijs dienen de volgende bescheiden te worden overgelegd:

a. een volledig ingevuld aanvraagformulier volgens bij ministeriŽle regeling vastgesteld model;

b.

I. een op naam van de aanvrager gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht,

II. een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, dan wel

III. indien de aanvrager niet in Nederland woonachtig is, een fotokopie van een van de onder I genoemde documenten.

c.

I. indien de aanvrager woonachtig is in Nederland en is ingeschreven aan een in Nederland gevestigde universiteit, school voor middelbaar, voortgezet of hoger beroepsonderwijs of andere school voor middelbaar, voortgezet of hoger onderwijs, een bewijs van inschrijving aan die universiteit of school;

II. indien aan de aanvrager die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, op grond van diens hoedanigheid van of betrekking tot diplomatiek of consulair personeel dan wel op grond van diens hoedanigheid van of betrekking tot personeel in dienst van een in Nederland gevestigde internationale organisatie door Onze Minister van Buitenlandse Zaken een identiteitsbewijs voor geprivilegieerden is verstrekt, een fotokopie van dat bewijs;

III. indien de aanvrager lid is van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt.

d. een pasfoto van de aanvrager, die voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen.

2. Bij de aanvraag van een rijbewijs raadpleegt de met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van de aanvrager.

Artikel 34

1. Indien aan de aanvrager nog niet eerder een rijbewijs is afgegeven, dient ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister te zijn geregistreerd:

a. een verklaring van rijvaardigheid voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen;

b. een verklaring van geschiktheid voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen.

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een rijbewijs voor de categorie AM.

Artikel 34a

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs C aan een aanvrager die de in artikel 5, negende lid, bedoelde leeftijd heeft bereikt, en die een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of een bij ministeriŽle regeling daaraan gelijkwaardig verklaarde opleiding volgt, dient ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister te zijn geregistreerd:

a. een verklaring van rijvaardigheid voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen;

b. een verklaring van geschiktheid voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen;

c. een verklaring van deelname aan een in de aanhef bedoelde opleiding.

2. De aanvraag tot registratie van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde verklaring wordt gedaan bij de Dienst Wegverkeer.

3. Bij de aanvraag van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde verklaring overlegt de aanvrager:

I. een door het bevoegd gezag van een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of een bij ministeriŽle regeling daaraan gelijkwaardig verklaarde opleiding afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit blijkt sinds welke datum hij de opleiding volgt, en

II. een geldig bewijs van inschrijving waaruit blijkt dat hij op het tijdstip van de aanvraag staat ingeschreven bij die opleiding.

Artikel 35

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de vernieuwing van het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens dat eerder afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, indien

I. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

II. de aanvrager de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt,

III. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, dan wel

IV. blijkens een aantekening in het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de aanvrager, dan wel

V. blijkens een door het CBR ingevolge artikel 124, tweede lid, van de wet in het rijbewijzenregister aangebrachte aantekening de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is;

c. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen, indien blijkens een door het CBR ingevolge artikel 124, tweede lid, van de wet in het rijbewijzenregister aangebrachte aantekening een registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is.

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een rijbewijs voor de categorie AM.

3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rijbewijs voor de categorie AM, wordt onder rijbewijs in het eerste lid, onderdeel a, mede verstaan een rijbewijs afgegeven voor een of meer andere categorieŽn dan AM, dat is afgegeven na 30 juni 1985 en dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing voor zover de aanvraag strekt ter vervanging van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs van een of meer van de categorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D en E bij D1, en de aanvraag uitsluitend verband houdt met de vermelding op het af te geven rijbewijs van een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing.

5. Indien de aanvraag betrekking heeft op de vermelding op het af te geven rijbewijs van een getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing, dient ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid dan wel een verklaring van nascholing geregistreerd te zijn, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vůůr de aanvraag mag liggen.

Artikel 36

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor meer categorieŽn dan het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens dat eerder afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen;

c. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs niet geldig is, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM.

2. Indien de aanvraag tevens betrekking heeft op de vermelding op het af te geven rijbewijs van een getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing, dient ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid dan wel een verklaring van nascholing geregistreerd te zijn, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vůůr de aanvraag mag liggen.

Artikel 37

Voor de toepassing van de artikelen 34 en 36 wordt met een niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan zes maanden vůůr de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 38

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs ter vervanging van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat nog geldig is hetzij zijn geldigheid door het verstrijken van de geldigheidsduur heeft verloren, welk rijbewijs versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, dient, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens dat versleten of geheel of ten dele onleesbare rijbewijs te worden overgelegd.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een rijbewijs dat eerder aan de aanvrager is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

Artikel 39

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een vervangend rijbewijs ter vervanging van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat nog geldig is hetzij zijn geldigheid door het verstrijken van de geldigheidsduur heeft verloren, welk rijbewijs verloren geraakt of teniet gegaan is, wordt, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal van het rijbewijs overgelegd, dat in Nederland op ambtseed is opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar; in het proces-verbaal worden de omstandigheden omschreven waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde aanvrager woonachtig is buiten Nederland dan wordt bij de aanvraag een door de aanvrager ondertekende verklaring van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld model overgelegd. In de verklaring worden tevens de omstandigheden omschreven waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan.

3. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een nieuw rijbewijs ter vervanging van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat nog geldig is hetzij zijn geldigheid door het verstrijken van de geldigheidsduur heeft verloren, welk rijbewijs verloren geraakt of teniet gegaan is, dienen de in de voorgaande leden genoemde bescheiden te worden overgelegd en is artikel 35, eerste lid, onderdeel b en c, en derde en vierde lid, van toepassing op de aanvragen die betrekking hebben op een rijbewijs voor andere categorieŽn dan AM en artikel 35, eerste lid, onderdeel c, indien het een aanvraag voor een rijbewijs voor de categorie AM betreft.

Artikel 40

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs in verband met een wijziging van de geslachtsnaam, de voornamen, de plaats of datum van geboorte dan wel het geslacht van de aanvrager, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens het eerder afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, indien

I. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

II. de aanvrager de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt,

III. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, dan wel

IV. blijkens een aantekening in het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een rijbewijs voor de categorie AM.

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan het eerder door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven rijbewijs.

Artikel 41

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarop de ongeldigverklaring van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geen betrekking heeft, dient, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs te worden overgelegd.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, onderscheidenlijk het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, mede verstaan een rijbewijs dat eerder aan de aanvrager is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, onderscheidenlijk het eerder door dat gezag aan de aanvrager afgegeven rijbewijs.

Artikel 41a

1. Indien aan de aanvrager overeenkomstig artikel 118, derde lid, van de wet dan wel op grond van de artikelen 132b, eerste lid, of 134, zevende lid, van de wet, de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma en zijn rijbewijs op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet ongeldig is verklaard, vindt de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor de categorie B, met de voor het alcoholslotprogramma vastgestelde codering, plaats overeenkomstig de artikelen 41a en 41b.

2. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, dient aan de volgende eisen te worden voldaan:

a. de in artikel 33 genoemde bescheiden worden overgelegd;

b. het ongeldig verklaarde rijbewijs wordt overgelegd, tenzij uit het rijbewijzenregister blijkt dat het reeds is ingeleverd;

c. in het rijbewijzenregister is ten aanzien van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van de aanvraag van die verklaring moet liggen na de datum van het besluit tot oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma, en de datum van registratie van die verklaring niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag van het rijbewijs mag liggen.

3. In aanvulling op het tweede lid dient ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid voor de categorie B te zijn geregistreerd, waarbij de datum van de aanvraag van die verklaring moet liggen na het besluit tot oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma, en de datum van registratie van die verklaring niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag van het rijbewijs mag liggen, indien het rijbewijs bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, een rijbewijs betreft als bedoeld in respectievelijk de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 47, eerste lid, of 48, eerste lid, en dit rijbewijs niet voldoet aan de in respectievelijk de artikelen 44, 45, 46, 47 of 48 voor omwisseling gestelde eisen.

4. Voor de toepassing van het derde lid wordt met de daar bedoelde verklaring van rijvaardigheid gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan zes maanden voor de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van de aanvraag van dat bewijs moet liggen na het besluit tot oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma.

5. Indien het over te leggen rijbewijs wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, worden in plaats daarvan de volgende documenten overgelegd:

a. een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door de daartoe bevoegde algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, worden omschreven;

b. indien het over te leggen rijbewijs een rijbewijs betreft afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, een door dat gezag afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit van de afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door dat gezag jegens de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

6. Door een besluit als bedoeld in artikel 132b, eerste lid, van de wet vervallen verklaringen van geschiktheid die zijn geregistreerd voor dat besluit.

7. Indien de in het eerste lid bedoelde aanvrager niet aan de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde eis voldoet, kan hem een rijbewijs voor de categorie AM worden afgegeven. Indien het op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet ongeldig verklaarde rijbewijs een rijbewijs is als bedoeld in het derde lid, dient ten aanzien van de aanvrager wel een verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie AM te zijn geregistreerd.

Artikel 41b

1. Indien ten aanzien van de in artikel 41a, eerste lid, bedoelde aanvrager de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, dient, naast de in artikel 41a, tweede lid, gestelde eisen, te worden voldaan aan de volgende eisen:

a. de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring dient te worden overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister dient een verklaring van rijvaardigheid te zijn geregistreerd voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van de aanvraag van die verklaring moet liggen na het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde uitspraak onherroepelijk is geworden en de datum van registratie van die verklaring niet langer dan drie jaar voor de aanvraag mag liggen.

2. De artikelen 42b, vierde, vijfde en zevende lid, en 42c tot en met 42e zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41c

1. Nadat ten aanzien van de aanvrager overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet door het CBR is geregistreerd dat de op het alcoholslotprogramma betrekking hebbende codering is vervallen, vindt een aanvraag tot afgifte van een rijbewijs zonder de voor het alcoholslotprogramma vastgestelde codering plaats overeenkomstig de artikelen 41c en 41d.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan voor de volgende rijbewijscategorieŽn:

a. alle, dan wel een of meerdere categorieŽn waarvoor het eerder afgegeven rijbewijs tot het tijdstip van de ongeldigverklaring, bedoeld in artikel 132b, tweede lid, van de wet, geldig was;

b. alle, dan wel een of meerdere categorieŽn die al voor het in de onderdeel a bedoelde tijdstip van de ongeldigverklaring, bedoeld in artikel 132b, tweede lid, van de wet ongeldig zijn verklaard

I. wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer, een educatieve maatregel alcohol en verkeer of een onderzoek naar de geschiktheid,

II. wegens gebleken ongeschiktheid na een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet,

III. op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel d, van de wet, of

IV. indien betrokkene bij een aanvraag tot vernieuwing van het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs door het niet aanvragen van de vereiste verklaring van geschiktheid heeft afgezien van vernieuwing van een of meer categorieŽn.

3. Bij de aanvraag van een rijbewijs in de in het tweede lid bedoelde gevallen dient te zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager overlegt, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, tevens het aan hem afgegeven rijbewijs met de voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering;

b. in het rijbewijzenregister is ten aanzien van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor de categorie of categorieŽn, bedoeld in het tweede lid, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van de categorie AM, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen.

4. Indien het rijbewijs wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, wordt in plaats daarvan overgelegd een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, worden omschreven.

Artikel 41d

1. Indien ten aanzien van de in artikel 41c, eerste lid, bedoelde aanvrager de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, dient, naast de in artikel 41c, derde lid, onderdelen a en b, gestelde eisen, bij de aanvraag:

a. ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid te zijn geregistreerd voor de zwaarste categorie die op de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring is vermeld en waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen en waarbij de datum van registratie tevens moet liggen na de datum waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde uitspraak onherroepelijk is geworden;

b. ten aanzien van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn geregistreerd voor elke rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij:

I. de datum van de aanvraag van die verklaring moet liggen na de datum van het besluit, bedoeld in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet, en

II. de datum van registratie niet langer dan een jaar voor de aanvraag mag liggen.

2. Het eerste lid, onderdeel b, geldt niet indien de zwaarste rijbewijscategorie de rijbewijscategorie B of AM betreft.

3. Artikel 41c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien ten tijde van de aanvraag, bedoeld in artikel 41c, eerste lid, de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel c, onder I, bedoelde verklaring van rijvaardigheid zijn geldigheid heeft verloren, kan alleen een rijbewijs worden aangevraagd voor de rijbewijscategorieŽn B en AM.

Artikel 42

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van

a. een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs bij gebreke van de in artikel 132, eerste lid, van de wet bedoelde medewerking aan een educatieve maatregel gericht op de geschiktheid of aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet, of in verband met een gevorderd of een op verzoek van de aanvrager uitgevoerd onderzoek naar diens geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen ongeldig is verklaard,

b. een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs in verband met een gevorderd of een op verzoek van de aanvrager uitgevoerd onderzoek naar diens geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen ongeldig is verklaard dan wel

c. een rijbewijs met een kortere geldigheidsduur dan het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,

dient, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs te worden overgelegd en dient in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen.

Geen verklaring van geschiktheid behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor rijbewijscategorie AM.

2. Indien de aanvraag betrekking heef op de afgifte van

a. een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs bij gebreke van de in artikel 132, eerste lid, van de wet bedoelde medewerking aan een educatieve maatregel gericht op de rijvaardigheid of aan een onderzoek naar de rijvaardigheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet, in verband met een gevorderd of een op verzoek van de aanvrager uitgevoerd onderzoek naar diens rijvaardigheid tot het besturen van motorrijtuigen ongeldig is verklaard dan wel

b. een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet ongeldig is verklaard,

dienen, behalve dat de in artikel 33 genoemde bescheiden worden overgelegd, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor iedere rijbewijscategorie waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft, geregistreerd te zijn zowel een verklaring van rijvaardigheid, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen, als een verklaring van geschiktheid, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen.

Geen verklaring van geschiktheid behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor rijbewijscategorie AM.

3. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een vervangend rijbewijs dat geldig is voor dezelfde categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing was vermeld die op grond van artikel 124a van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs te worden overgelegd.

4. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een vervangend rijbewijs dat geldig is voor dezelfde categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing was vermeld die op grond van artikel 124a van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs te worden overgelegd.

5. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een nieuw rijbewijs dat geldig is voor dezelfde categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing was vermeld die op grond van artikel 124a van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs te worden overgelegd en dient in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, indien

a. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D en E bij D1,

b. de aanvrager de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt,

c. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, dan wel

d. blijkens een aantekening in het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.

Geen verklaring van geschiktheid behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor rijbewijscategorie AM.

6. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een nieuw rijbewijs dat geldig is voor dezelfde categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing was vermeld dat op grond van artikel 124a van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs te worden overgelegd en dient in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, indien

a. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D en E bij D1,

b. de aanvrager de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt,

c. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, dan wel

d. blijkens een aantekening in het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.

Geen verklaring van geschiktheid behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor rijbewijscategorie AM.

7. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor dezelfde categorie of categorieŽn waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat op grond van artikel 123, eerste lid, onderdeel h, van de wet zijn geldigheid heeft verloren of op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel e, van de wet ongeldig is verklaard, geldig was, dient, behalve dat de in artikel 33 genoemde bescheiden worden overgelegd, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, indien

a. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

b. de aanvrager de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt,

c. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, dan wel

d. blijkens een aantekening in het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.

Geen verklaring van geschiktheid behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor rijbewijscategorie AM.

8. Voor de toepassing van het eerste tot en met het vijfde lid wordt onder een eerder, respectievelijk het eerder, aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, respectievelijk het rijbewijs, dat eerder aan de aanvrager is afgegeven door

a. het daartoe bevoegde gezag in Aruba, CuraÁao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

b. het daartoe bevoegde gezag n een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, of

c. het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in Aruba, CuraÁao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, indien dat rijbewijs ingevolge artikel 46, vierde lid, bij ministeriŽle regeling is aangewezen.

Artikel 42a

1. De aanvraag tot afgifte van een rijbewijs, ter vervanging van een rijbewijs dat op grond van artikel 123b van de wet ongeldig is geworden of ten aanzien van waarvan een aantekening als bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet is geplaatst, vanaf het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, vindt plaats op grond van de artikelen 42a tot en met 42e.

2. Voor de toepassing van de artikelen 42a tot en met 42e geldt voor de zwaarte van de rijbewijscategorieŽn de volgende volgorde in afnemende zwaarte:

a. E bij C;

b. C;

c. E bij D;

d. D;

e. E bij C1;

f. C1;

g. E bij D1;

h. D1;

i. E bij B;

j. B;

k. A;

l. A2;

m. A1;

n. AM.

Artikel 42b

1. De aanvraag, bedoeld in artikel 42a, eerste lid, betreft de volgende rijbewijscategorieŽn:

a. alle, dan wel een of meerdere categorieŽn waarvoor het oorspronkelijk afgegeven rijbewijs tot het tijdstip van de ongeldigheid geldig was;

b. alle, dan wel een of meerdere categorieŽn die al voor het in artikel 42a, eerste lid, bedoelde tijdstip ongeldig zijn geworden of ongeldig zijn verklaard.

2. Bij de aanvraag dient te worden voldaan aan de volgende eisen:

a. de in artikel 33 genoemde bescheiden worden overgelegd;

b. een door de Dienst Wegverkeer afgegeven verklaring wordt overgelegd, waaruit blijkt voor welke categorie of categorieŽn het ongeldig geworden rijbewijs geldig was tot het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, of waaruit blijkt welke categorie of categorieŽn voor de aanvrager zijn opgenomen in het rijbewijzenregister als gevolg van het verstrijken van de geldigheidsduur voor die categorie of categorieŽn, wegens ongeldigheid als gevolg van artikel 123, eerste lid, onderdeel d, van de wet wegens ongeldigverklaring in geval van ongeschiktheid op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel d, van de wet of artikel 134, tweede lid, van de wet, of wegens ongeldigverklaring op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking aan een educatieve maatregel ter bevordering van de geschiktheid of aan een onderzoek naar de geschiktheid;

c. ten behoeve van de aanvrager is in het rijbewijzenregister geregistreerd:

I. een verklaring van rijvaardigheid voor de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor examen is gedaan en waarvoor de aanvrager naar het oordeel van de examinator heeft voldaan aan de daarvoor vastgestelde eisen, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen en waarbij de datum van aanvraag tevens moet liggen na het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden;

II. verklaringen van geschiktheid voor alle, dan wel die categorie of categorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan ťťn jaar vůůr de aanvraag mag liggen en waarbij de datum van aanvraag tevens moet liggen na het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.

3. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt pas door de Dienst Wegverkeer afgegeven indien:

a. het rijbewijs bij die dienst is ingeleverd, dan wel indien uit het rijbewijzenregister blijkt dat het rijbewijs reeds op andere grond is ingeleverd, en

b. de aanvrager die vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, en geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte, of Zwitserland heeft aangetoond rechtmatig in Nederland te verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l, van die wet.

4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, wordt op de in dat lid bedoelde verklaring alleen de rijbewijscategorie B of A vermeld, indien het rijbewijs, bedoeld in artikel 42a, eerste lid, een rijbewijs betreft:

a. als bedoeld in respectievelijk de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 47, eerste lid, of 48, eerste lid, en dit rijbewijs niet voldoet aan de in respectievelijk de artikelen 44, 45, 46, 47 of 48 voor omwisseling gestelde eisen;

b. dat op het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, reeds ongeldig was op grond van artikel 124, eerste lid, onderdelen a, b of c, van de wet;

c. dat op het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, reeds ongeldig was op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet, wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of aan een onderzoek naar de rijvaardigheid;

d. dat op het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, reeds ongeldig was op grond van artikel 134, tweede lid, van de wet, wegens het ontbreken van de vereiste rijvaardigheid.

5. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, onder I, wordt met de daar bedoelde verklaring van rijvaardigheid gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan zes maanden voor de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, mits de datum van de aanvraag voor dit bewijs van rijvaardigheid is gelegen na de datum waarop het in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.

6. Het tweede lid, onderdeel c, onder II, is niet van toepassing voor zover de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs voor de categorie AM.

7. Indien het rijbewijs wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, worden in plaats daarvan de volgende documenten overgelegd:

a. een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, worden omschreven;

b. indien het een rijbewijs betreft afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, een door dat gezag afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit van de afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

Artikel 42c

Indien het rijbewijs, bedoeld in artikel 42a, eerste lid, een rijbewijs betreft als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 47, eerste lid, of 48, eerste lid, dient dit rijbewijs, in aanvulling op artikel 42b, te voldoen aan de in de artikelen 44, 45, 46, 47 of 48 voor omwisseling gestelde eisen.

Artikel 42d

Indien de aanvraag voor een rijbewijs, bedoeld in artikel 42a, eerste lid, niet op alle categorieŽn als bedoeld in artikel 42b, tweede lid, betrekking had en ten aanzien van de aanvrager op basis van de procedure van artikel 42b een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd, is artikel 36 van toepassing op elke aanvraag die betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor meer categorieŽn dan vermeld op de verklaring van rijvaardigheid op grond van artikel 42b, eerste lid, dan wel waarvoor het inmiddels afgegeven rijbewijs geldig is.

Artikel 42e

1. Verklaringen van geschiktheid of verklaringen van rijvaardigheid, geregistreerd voor de registratie van de ongeldigheid, bedoeld in artikel 123b, eerste lid, van de wet, of de registratie, bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet vervallen op dat tijdstip.

2. Indien aan de aanvrager een ander rijbewijs is of wordt afgegeven na het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden en voor het tijdstip waarop de daaraan in dat lid verbonden ongeldigheid in het rijbewijzenregister is geregistreerd, dan wel vÚÚr het tijdstip waarop de in dat artikel bedoelde aantekening in dat register is geplaatst,verliest dat andere rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieŽn waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid.

Artikel 43

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs ter vervanging van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat op grond van artikel 123, eerste lid, onderdeel d, van de wet zijn geldigheid heeft verloren, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven, ongeldige, rijbewijs overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, indien

I. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

II. de aanvrager de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt,

III. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, dan wel

IV. blijkens een aantekening in het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een rijbewijs voor de categorie AM.

Artikel 44

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in Aruba, CuraÁao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM.

2. Het over te leggen rijbewijs dient:

a. op het moment van de aanvraag nog geldig te zijn;

b. aan de aanvrager te zijn afgegeven in een periode van ťťn jaar waarin hij ten minste 185 dagen in Aruba, CuraÁao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonachtig is geweest.

3. Het tweede lid, onderdeel a, geldt niet indien:

a. het over te leggen rijbewijs is afgegeven door omwisseling tegen een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,

b. de aanvraag betrekking heeft op dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarvoor dat eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was, en

c. het over te leggen rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

4. Het tweede lid, onderdeel b, geldt niet indien het over te leggen rijbewijs is afgegeven tegen overlegging van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs en de aanvraag betrekking heeft op dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarvoor dat eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was.

5. Indien het rijbewijs wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, worden in plaats daarvan de volgende documenten overgelegd:

a. een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan worden omschreven;

b. een door het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit van de afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

Indien het derde lid van toepassing is, hoeft uit de onder b genoemde verklaring niet de geldigheid te blijken.

6. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. de aanvrager overlegt een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;

b. de aanvrager overlegt een geldig buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel

c. ten behoeve van de aanvrager is in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vůůr de aanvraag mag liggen.

7. Indien de in het voorgaande lid, onder a of b, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet kunnen worden overgelegd, worden in plaats daarvan de volgende documenten overgelegd:

a. een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal van de kwalificatiekaart bestuurder dan wel het buitenlands omwisselingscertificaat, in Nederland op ambtseed is opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar waarin de omstandigheden waaronder de kwalificatiekaart bestuurder dan wel het buitenlands omwisselingscertificaat verloren is geraakt of teniet is gegaan worden omschreven;

b. een door het gezag dat de kwalificatiekaart bestuurder dan wel het buitenlands omwisselingscertificaat heeft afgegeven, gewaarmerkte verklaring waaruit van de afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de kwalificatiekaart bestuurder dan wel het buitenlands omwisselingscertificaat zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing bestaat.

Artikel 45

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt bij de aanvraag tevens het door dat gezag afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM, indien

I. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

II. het overgelegde rijbewijs is afgegeven voor een kortere geldigheidsduur dan de in de staat van afgifte gebruikelijke termijn van geldigheid;

III. het overgelegde rijbewijs beperkende aantekeningen bevat die niet zijn aangeduid met de geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap;

IV. de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt;

V. de aanvrager op het moment van indiening de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt.

2. Het over te leggen rijbewijs dient op het moment van de aanvraag hetzij nog geldig te zijn hetzij, indien het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, vergezeld te gaan van een door het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

3. Indien het over te leggen rijbewijs op het moment van de aanvraag zijn geldigheid heeft verloren doordat in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland een maatregel met betrekking tot het rijbewijs is opgelegd in verband met ontbrekende geschiktheid, respectievelijk rijvaardigheid, is artikel 42, eerste, respectievelijk tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, als op het tijdstip van de aanvraag dan wel uiterlijk op het tijdstip van uitreiking van dat rijbewijs aan de aanvrager blijkt dat er in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruime of in Zwitserland door het daartoe bevoegde gezag aan de aanvrager een verbod is opgelegd om gedurende een bepaalde periode een rijbewijs te verkrijgen, geen afgifte plaatsvindt gedurende die termijn.

4. Indien het rijbewijs wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd worden in plaats daarvan de volgende documenten overgelegd:

a. een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, worden omschreven;

b. een door het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven, gewaarmerkte verklaring waaruit van de afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

5. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor meer categorieŽn dan het door de aanvrager overgelegde rijbewijs, dient, behoudens aan de in het eerste lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor het door de aanvrager overgelegde rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor het door de aanvrager overgelegde rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM.

6. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt met een niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan zes maanden vůůr de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen.

7. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. de aanvrager overlegt een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;

b. het door de aanvrager over te leggen rijbewijs is door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders voorzien van een geldige in die richtlijn bedoelde communautaire code,

c. de aanvrager overlegt een geldig buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel

d. ten behoeve van de aanvrager is in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vůůr de aanvraag mag liggen.

8. Indien de in het voorgaande lid, onder a of c, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

9. Indien het in het zevende lid, onder b, genoemde document wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, blijkt uit de gewaarmerkte verklaring, bedoeld in het vierde lid, onder b, de vermelding van de communautaire code en blijkt tevens dat geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van die code zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing bestaat.

Artikel 46

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in Aruba, CuraÁao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens het door dat gezag afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM.

2. Het over te leggen rijbewijs dient:

a. op het moment van de aanvraag nog geldig te zijn;

b. aan de aanvrager te zijn afgegeven in een periode van ťťn jaar waarin hij ten minste 185 dagen in het land van afgifte van dat bewijs woonachtig is geweest.

3. Het tweede lid, onderdeel a, geldt niet indien:

a. het over te leggen rijbewijs is afgegeven door omwisseling tegen een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,

b. de aanvraag betrekking heeft op dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarvoor dat eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was, en

c. het over te leggen rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

4. Het tweede lid, onderdeel b, geldt niet indien het over te leggen rijbewijs is afgegeven door omwisseling tegen een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs en de aanvraag betrekking heeft op dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarvoor dat eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was.

5. Het over te leggen rijbewijs en de wijze van verkrijging daarvan dienen bij ministeriŽle regeling te zijn aangewezen als zijnde ten minste gelijkwaardig aan rijbewijzen en de verkrijging daarvan zoals voorzien in richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L 237), dan wel dient het over te leggen rijbewijs bij ministeriŽle regeling te zijn aangewezen als een rijbewijs dat om redenen van algemeen belang voor omwisseling in aanmerking komt.

6. Het vijfde lid geldt niet indien het over te leggen rijbewijs is afgegeven door omwisseling tegen een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs en de aanvraag betrekking heeft op dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarvoor dat eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was.

7. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. de aanvrager overlegt een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;

b. de aanvrager overlegt een geldig buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel

c. ten behoeve van de aanvrager is in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vůůr de aanvraag mag liggen.

8. Indien de in het voorgaande lid, onder a of b, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47

1.Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven aan een aanvrager die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is en aan wie op grond van diens hoedanigheid van of betrekking tot diplomatiek of consulair personeel dan wel op grond van diens hoedanigheid van of betrekking tot personeel in dienst van een in Nederland gevestigde internationale organisatie door Onze Minister van Buitenlandse Zaken een identiteitsbewijs voor geprivilegieerden is verstrekt, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens het door dat gezag afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, is in het rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM;

c. indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, is in het rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM, indien

I. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

II. het overgelegde rijbewijs is afgegeven voor een kortere geldigheidsduur dan de in de staat van afgifte gebruikelijke termijn van geldigheid;

III. het overgelegde rijbewijs beperkende aantekeningen bevat die niet zijn aangeduid met de geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap.

2.Indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dient het op het moment van de aanvraag nog geldig te zijn.

Indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dient het op het moment van de aanvraag hetzij nog geldig te zijn hetzij, indien het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, vergezeld te gaan van een door het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

3.Indien de aanvraag betrekking heeft op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. de aanvrager overlegt een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;

b. het door de aanvrager over te leggen rijbewijs is door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders voorzien van een geldige in die richtlijn bedoelde communautaire code,

c. de aanvrager overlegt een geldig buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel

d. ten behoeve van de aanvrager is in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vůůr de aanvraag mag liggen.

4.Indien de in het voorgaande lid, onder a of c, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

5.Indien het in het derde lid, onder b, genoemde document wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, is artikel 45, vierde en negende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48

1.Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven aan een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, in Nederland gelegerd lid van een krijgsmacht, een lid van de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of een persoon die behoort tot het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt tevens het door dat gezag afgegeven rijbewijs overgelegd;

b. indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, is in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM;

c. indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, is in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM, indien

I. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

II. het overgelegde rijbewijs is afgegeven voor een kortere geldigheidsduur dan de in de staat van afgifte gebruikelijke termijn van geldigheid;

III. het overgelegde rijbewijs beperkende aantekeningen bevat die niet zijn aangeduid met de geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap.

2.Indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dient het op het moment van de aanvraag nog geldig te zijn.

Indien het overgelegde rijbewijs is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dient het op het moment van de aanvraag hetzij nog geldig te zijn hetzij, indien het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, vergezeld te gaan van een door het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

3.Indien de aanvraag betrekking heeft op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

a. de aanvrager overlegt een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;

b. het door de aanvrager over te leggen rijbewijs is door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders voorzien van een geldige in die richtlijn bedoelde communautaire code,

c. de aanvrager overlegt een geldig buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel

d. ten behoeve van de aanvrager is in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vůůr de aanvraag mag liggen.

4.Indien de in het voorgaande lid, onder a of c, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

5.Indien het in het derde lid, onder b, genoemde document wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, is artikel 45, vierde en negende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48a

Indien op het moment van uitreiking van het rijbewijs het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, dient de aanvrager een proces-verbaal over te leggen terzake van verlies of tenietgaan van het rijbewijs, in Nederland op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar. In het proces-verbaal dienen de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, te worden omschreven.

Artikel 48b

De einddatum van het op het af te geven rijbewijs te vermelden getuigschrift van vakbekwaamheid wordt als volgt vastgesteld:

a. indien ten behoeve van de aanvrager een verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd en het rijbewijs wordt aangevraagd binnen zes maanden nadat de verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd, wordt als einddatum vermeld de afgiftedatum van het rijbewijs vermeerderd met vijf jaren;

b. indien ten behoeve van de aanvrager een verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd en het rijbewijs wordt aangevraagd later dan zes maanden nadat de verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd, wordt als einddatum vermeld de registratiedatum van de verklaring van vakbekwaamheid vermeerderd met vijf jaren;

c. indien de aanvrager een van de volgende documenten overlegt:

i. een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurders;

ii. een buitenlands omwisselingscertificaat of

iii. een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap aan de aanvrager afgegeven rijbewijs die overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders is voorzien van een geldige in die richtlijn bedoelde communautaire code,

wordt als einddatum vermeld de einddatum die op het sub i tot en met iii bedoelde document is vermeld.

Artikel 48c

De einddatum van het op het af te geven rijbewijs te vermelden getuigschrift van nascholing wordt als volgt vastgesteld:

a. indien ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing is geregistreerd voordat de einddatum is verstreken van

i. een op het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs vermelde getuigschrift van vakbekwaamheid of getuigschrift van nascholing;

ii. een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurders;

iii. een buitenlands omwisselingscertificaat of

iv. een overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders vermelde code op een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,

wordt als einddatum vermeld de einddatum die op het sub i tot en met iv bedoelde document is vermeld vermeerderd met vijf jaren;

b. indien ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing is geregistreerd nadat de einddatum is verstreken van de in onderdeel a, sub i tot en met iv, bedoelde documenten, en het rijbewijs wordt aangevraagd binnen zes maanden nadat de verklaring van nascholing is geregistreerd, wordt als einddatum vermeld de afgiftedatum van het rijbewijs vermeerderd met vijf jaar;

c. indien ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing is geregistreerd nadat de einddatum is verstreken van de in onderdeel a, sub i tot en met iv, bedoelde documenten, en het rijbewijs wordt aangevraagd later dan zes maanden nadat de verklaring van nascholing is geregistreerd, wordt als einddatum vermeld de registratiedatum van de verklaring van nascholing vermeerderd met vijf jaren.

Artikel 48d

Voor bestuurders als bedoeld in artikel 156q, vierde lid, wordt bij de op het af te geven rijbewijs te vermelden getuigschriften van nascholing dezelfde einddatum vermeld als bedoeld in artikel 48c.

ß 3. Controle op de identiteit van de aanvrager

Artikel 49

1.Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager aan wie nog niet eerder een rijbewijs is afgegeven, wordt voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager gebruik gemaakt van het bij de aanvraag overgelegde, op naam van de aanvrager gestelde reis- of identiteitsdocument, bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder I.

2.In afwijking van het eerste lid wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager gebruik gemaakt van dat rijbewijs, mits het is voorzien van een pasfoto van de houder.

3.Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager aan wie reeds eerder een rijbewijs is afgegeven, wordt voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager gebruik gemaakt van het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, mits dat rijbewijs hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, dan wel, indien de aanvrager niet in Nederland woonachtig is, een fotokopie van een op naam van de aanvrager gesteld document als bedoeld in het eerste lid.

4.Indien twijfel bestaat aan de juistheid van de in het overgelegde rijbewijs opgenomen gegevens, dan wel overigens onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van de aanvrager, worden de in het rijbewijzenregister geregistreerde gegevens van het eerder afgegeven rijbewijs geraadpleegd.

Hoofdstuk III. Verklaringen van rijvaardigheid

ß 1. Algemeen

Artikel 50

1.Verklaringen van rijvaardigheid worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die bij een onderzoek naar de rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie waarvoor de verklaring wordt verlangd, aan de daarvoor bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen blijkt te voldoen.

2.In afwijking van het eerste lid wordt ten behoeve van degene wiens rijbewijs op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet ongeldig is verklaard wegens het niet-verlenen van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid, gedurende een periode van ten hoogste drie jaren na de ongeldigverklaring van het rijbewijs geen verklaring van rijvaardigheid in het rijbewijzenregister geregistreerd zolang hij niet aan die verplichting heeft voldaan.

Artikel 51

Het voor de aanvraag van verklaringen van rijvaardigheid verschuldigde tarief wordt vastgesteld door het CBR onder goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 52 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 53

1. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie AM bestaat uit een theorie-examen en een praktijkexamen.

2. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie A1 bestaat uit een theorie-examen ten behoeve van de rijbewijscategorie A, een praktijkexamen voertuigbeheersing en een praktijkexamen verkeersdeelneming.

3. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie A2 bestaat uit:

a. een praktijkexamen waarbij wordt getoetst op zowel voertuigbeheersing als verkeersdeelneming, indien de aanvrager op de datum van het praktijkexamen:

1į. ten minste twee jaar beschikt over een hem afgegeven rijbewijs voor de categorie A1, of

2į. ten minste twee jaar beschikt over een aan hem door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie A1;

b. een praktijkexamen voertuigbeheersing en een praktijkexamen verkeersdeelneming, indien de aanvrager op de datum van het praktijkexamen voertuigbeheersing:

1į. nog geen twee jaar beschikt over een aan hem afgegeven rijbewijs voor de categorie A1, of

2į. nog geen twee jaar beschikt over een aan hem door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie A1;

c. een theorie-examen ten behoeve van de categorie A, een praktijkexamen voertuigbeheersing en een praktijkexamen verkeersdeelneming, indien de aanvrager op de datum van het praktijkexamen voertuigbeheersing niet voldoet aan de in de onderdelen a of b bedoelde voorwaarden.

4. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie A bestaat uit:

a. een praktijkexamen waarbij wordt getoetst op zowel voertuigbeheersing als verkeersdeelneming, indien de aanvrager op de datum van het praktijkexamen:

1į. ten minste twee jaar beschikt over een aan hem afgegeven rijbewijs voor de categorie A2, of

2į. ten minste twee jaar beschikt over een aan hem door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie A2;

b. een praktijkexamen voertuigbeheersing en een praktijkexamen verkeersdeelneming, indien de aanvrager 24 jaar of ouder is en op de datum van het praktijkexamen voertuigbeheersing:

1į. beschikt over een aan hem afgegeven rijbewijs voor de categorie A1,

2į. beschikt over een aan hem door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie A1,

3į. nog geen twee jaar beschikt over een aan hem afgegeven rijbewijs voor de categorie A2, of

4į. nog geen twee jaar beschikt over een aan hem door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven geldig rijbewijs voor de categorie A2;

c. een theorie-examen ten behoeve van de categorie A, een praktijkexamen voertuigbeheersing en een praktijkexamen verkeersdeelneming, indien de aanvrager 24 jaar of ouder is en op de datum van het praktijkexamen voertuigbeheersing niet voldoet aan de in de onderdelen a of b bedoelde voorwaarden.

5. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B bestaat uit een theorie-examen en een praktijkexamen.

6. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B die de bevoegdheid geeft tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie B, waaraan een aanhangwagen of oplegger is gekoppeld waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 750 kg en de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen meer bedraagt dan 3500 kg, maar niet meer bedraagt dan 4250 kg, bestaat uit een praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E bij B.

7. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorieŽn C1 en D1 bestaat uit een theorie-examen, bestaande uit de onderdelen rijbewijs/vakbekwaamheid 1 en rijbewijs 2, en een praktijkexamen.

8. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorieŽn C en D bestaat uit een theorie-examen, bestaande uit de onderdelen rijbewijs/vakbekwaamheid 1 en rijbewijs 2, en een praktijkexamen.

9. Het onderzoek naar de rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie E bestaat uit een praktijkexamen.

10. In afwijking van het tweede, derde en vierde lid, bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid voor respectievelijk de categorieŽn A1, A2 en A uit een praktijkexamen verkeersdeelneming voor de desbetreffende categorie, indien de aanvrager beschikt over:

a. een geldig rijbewijs voor dezelfde categorie als waarop de aanvraag betrekking heeft, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling, of

b. een geldig rijbewijs voor dezelfde categorie als waarop de aanvraag betrekking heeft, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling.

11. De aanvrager die heeft aangetoond te beschikken over een aan hem afgegeven rijbewijs voor de categorie C1, met uitzondering van een rijbewijs voor de categorie C1 dat blijkens de daarop aangegeven codering niet de bevoegdheid geeft tot het besturen van een motorrijtuig van de categorie C1 dat onder Verordening (EEG) nr. 3821/85 valt, respectievelijk D1, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C of D door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde additionele onderdelen van het theorie-examen voor de desbetreffende categorie af te leggen.

12. Voor de toepassing van het elfde lid wordt met een rijbewijs voor de categorie C1 respectievelijk D1 gelijkgesteld een geldig rijbewijs C1 respectievelijk een geldig rijbewijs D1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

Artikel 53a

1. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie E bij C is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de categorie C en een praktijkexamen voor de categorie E bij C.

2. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie C is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen voor de categorie C.

3. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie E bij D is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de categorie D en een praktijkexamen voor de categorie E bij D.

4. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie D is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen voor de categorie D.

5. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie E bij C1 is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de categorie C1 en een praktijkexamen voor de categorie E bij C1.

6. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie C1 is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen voor de categorie C1.

7. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie E bij D1 is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de categorie D1 en een praktijkexamen voor de categorie E bij D1.

8. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie D1 is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen voor de categorie D1.

9. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie E bij B is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de categorie B en een praktijkexamen voor de categorie E bij B.

10. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie B is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen voor de categorie B.

11. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie A is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen voor de categorie A.

12. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie A2 is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen ten behoeve van de categorie A en een praktijkexamen voor de categorie A2.

13. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie A1 is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen ten behoeve van de categorie A en een praktijkexamen voor de categorie A1.

14. Indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de aanvraag betrekking heeft categorie AM is, dan bestaat het onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen voor de categorie AM.

ß 2. Aanvraag van verklaringen van rijvaardigheid

Artikel 54

Het voor de aanvraag van een verklaring van rijvaardigheid verschuldigde tarief dient vůůr de indiening van de aanvraag te zijn voldaan door overmaking op een door het CBR aangewezen bankrekening.

Artikel 55

1. De aanvraag geschiedt op de door het CBR vastgestelde wijze.

2. Bij de aanvraag dienen te worden overgelegd:

a. een volledig ingevuld aanvraagformulier volgens door het CBR vastgesteld model;

b.

I. indien aan de aanvrager in Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is toegekend of de aanvrager behoort tot het gezin van een persoon aan wie in Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is toegekend, een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken afgegeven verklaring waaruit zulks blijkt;

II. indien de aanvrager lid is van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt;

c. indien de aanvraag wordt gedaan met het oog op de aanvraag van een rijbewijs als bedoeld in de artikelen 42b, eerste lid, of 42d, eerste lid, dient de aanvrager tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring;

d. indien de aanvraag wordt gedaan met het oog op de aanvraag van een rijbewijs, bedoeld in de artikelen 41b, eerste lid, of 41d, eerste lid, dient de aanvrager tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring.

3. Het tweede lid, onderdeel a, geldt niet indien de aanvraag langs geautomatiseerde weg wordt ingediend.

4. Bij de aanvraag van een verklaring van rijvaardigheid raadpleegt het CBR de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van de aanvrager.

ß 3. Het theorie-examen

Artikel 56

1. Het theorie-examen voor de rijbewijscategorie AM kan slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van vijftien jaren en zes maanden hebben bereikt.

2. Het theorie-examen voor de rijbewijscategorie A kan slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van 17 jaren hebben bereikt.

3. Het theorie-examen voor de rijbewijscategorie B kan slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.

4. Het onderdeel rijbewijs/vakbekwaamheid 1 en het onderdeel rijbewijs 2 van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C1 kunnen slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van 17 jaren hebben bereikt.

5. Het onderdeel rijbewijs/vakbekwaamheid 1 en het onderdeel rijbewijs 2 van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C kunnen slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van 17 jaren hebben bereikt.

6. Het onderdeel rijbewijs/vakbekwaamheid 1 en het onderdeel rijbewijs 2 van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie D1 kunnen slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van 17 jaren hebben bereikt.

7. Het onderdeel rijbewijs/vakbekwaamheid 1 van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie D kan slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van 17 jaren hebben bereikt. Het onderdeel rijbewijs 2 van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie D kan slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van 20 jaren hebben bereikt.

Artikel 57

De kosten van het theorie-examen worden vastgesteld door het CBR onder goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 58

De kosten van het theorie-examen dienen door de aanvrager te worden voldaan door aankoop van een aanvraagkaart volgens door het CBR vastgesteld model door het verschuldigde bedrag over te maken op een door het CBR aangewezen bankrekening.

Artikel 59

1. Voor toelating tot het theorie-examen dienen te worden overgelegd:

a. een op naam van de aanvrager gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur;

b.

I. indien aan de aanvrager in Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is toegekend of de aanvrager behoort tot het gezin van een persoon aan wie in Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is toegekend, een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken afgegeven verklaring waaruit zulks blijkt;

II. indien de aanvrager lid is van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt;

c. indien de aanvraag wordt gedaan met het oog op de aanvraag van een rijbewijs, bedoeld in artikel 42a, eerste lid, dient de aanvrager tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring;

d. indien de aanvraag wordt gedaan met het oog op de aanvraag van een rijbewijs, bedoeld in de artikelen 41b, eerste lid, of 41d, eerste lid, dient de aanvrager tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring.

2. Voor de toelating tot het theorie-examen raadpleegt het CBR de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van de aanvrager.

Artikel 60 [Vervallen per 10-09-2008]

Artikel 60a

De eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie AM betreffen:

a. grondige kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van bromfietsen geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die kennis alsmede van kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende voorschriften;

b. kennis van de mogelijkheid van conflicteren van eigen belangen en belangen van andere verkeersdeelnemers;

c. inzicht in voor de bestuurders van bromfietsen relevante verkeersrisicoís en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beÔnvloeden;

d. kennis van de hoofdbeginselen van eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te treffen bij verkeersongevallen;

e. basiskennis met betrekking tot de voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde voertuigonderdelen;

f. kennis van en inzicht in de invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en milieuproblematiek;

g. kennis van de elementaire beginselen van voertuigbediening en voertuigbeheersing en

h. kennis van mogelijkheden om noodsituaties tijdig te onderkennen, en van gedragsmogelijkheden in noodsituaties.

Artikel 61

De eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie A betreffen:

a. grondige kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende voorschriften;

b. kennis van de mogelijkheid van conflicteren van eigen belangen en belangen van andere verkeersdeelnemers;

c. inzicht in verkeersrisicoís die relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie, en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beÔnvloeden;

d. kennis van de hoofdbeginselen van eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te treffen bij verkeersongevallen;

e. basiskennis met betrekking tot de voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde voertuigonderdelen en

f. kennis van en inzicht in de invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en milieuproblematiek.

Artikel 62

De eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie B betreffen:

a. grondige kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende voorschriften;

b. kennis van de mogelijkheid van conflicteren van eigen belangen en belangen van andere verkeersdeelnemers;

c. inzicht in verkeersrisicoís die relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie, en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beÔnvloeden;

d. kennis van de hoofdbeginselen van eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te treffen bij verkeersongevallen;

e. basiskennis met betrekking tot de voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde voertuigonderdelen en

f. kennis van en inzicht in de invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en milieuproblematiek.

Artikel 63

1. De eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C1 betreffen:

a. grondige kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende voorschriften;

b. kennis van de mogelijkheid van conflicteren van eigen belangen en belangen van andere verkeersdeelnemers;

c. inzicht in verkeersrisicoís die relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie, en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beÔnvloeden;

d. kennis van de hoofdbeginselen van eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te treffen bij verkeersongevallen;

e. basiskennis met betrekking tot de voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde voertuigonderdelen;

f. inzicht in de werking en het elementaire onderhoud van de voor de verkeersveiligheid van belang zijnde voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en veiligheidsvoorzieningen;

g. kennis van en inzicht in de invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en milieuproblematiek en

h. basiskennis met betrekking tot rij- en rusttijdenregelingen;

i. kennis van de kenmerken van de krachtoverbrenging met het oog op optimaal gebruik.

2. De eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C betreffen:

a. grondige kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende voorschriften;

b. kennis van de mogelijkheid van conflicteren van eigen belangen en belangen van andere verkeersdeelnemers;

c. inzicht in verkeersrisicoís die relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie, en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beÔnvloeden;

d. kennis van de hoofdbeginselen van eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te treffen bij verkeersongevallen;

e. basiskennis met betrekking tot de voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde voertuigonderdelen;

f. inzicht in de werking en het elementaire onderhoud van de voor de verkeersveiligheid van belang zijnde voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en veiligheidsvoorzieningen;

g. kennis van en inzicht in de invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en milieuproblematiek;

h. basiskennis met betrekking tot rij- en rusttijdenregelingen;

i. kennis van de kenmerken van de krachtoverbrenging met het oog op optimaal gebruik en

j. kennis van en inzicht in de werking en defecten van de belangrijkste voertuigonderdelen en vloeistoffen.

3. De aanvrager die aantoont te beschikken over een rijbewijs voor de categorie C1 dat nog geldig is of dat ongeldig is geworden door het verstrijken van de geldigheidsduur of een geldig rijbewijs C1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, verwerft het theorie-examen voor de categorie C door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.

4. Het derde lid is niet van toepassing op aanvragers die in het bezit zijn van een rijbewijs C1 dat blijkens de daarop aangegeven codering niet de bevoegdheid geeft tot het besturen van een motorrijtuig van de categorie C1 dat onder Verordening (EEG) nr. 3821/85 valt, respectievelijk een rijbewijs C1 afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland dat blijkens de daarop aangegeven codering niet de bevoegdheid geeft tot het besturen van een motorrijtuig van de categorie C1 dat onder Verordening (EEG) nr. 3821/85 valt.

Artikel 64

1. De eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie D1 betreffen:

a. grondige kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende voorschriften;

b. kennis van de mogelijkheid van conflicteren van eigen belangen en belangen van andere verkeersdeelnemers;

c. inzicht in verkeersrisicoís die relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie, en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beÔnvloeden;

d. kennis van de hoofdbeginselen van eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te treffen bij verkeersongevallen;

e. basiskennis met betrekking tot de voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde voertuigonderdelen;

f. inzicht in de werking en het elementaire onderhoud van de voor de verkeersveiligheid van belang zijnde voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en veiligheidsvoorzieningen;

g. kennis van en inzicht in de invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en milieuproblematiek en

h. basiskennis met betrekking tot rij- en rusttijdenregelingen;

i. kennis van de kenmerken van de krachtoverbrenging met het oog op optimaal gebruik.

2. De eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie D betreffen:

a. grondige kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende voorschriften;

b. kennis van de mogelijkheid van conflicteren van eigen belangen en belangen van andere verkeersdeelnemers;

c. inzicht in verkeersrisicoís die relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie, en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beÔnvloeden;

d. kennis van de hoofdbeginselen van eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te treffen bij verkeersongevallen;

e. basiskennis met betrekking tot de voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde voertuigonderdelen;

f. inzicht in de werking en het elementaire onderhoud van de voor de verkeersveiligheid van belang zijnde voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en veiligheidsvoorzieningen;

g. kennis van en inzicht in de invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en milieuproblematiek;

h. basiskennis met betrekking tot rij- en rusttijdenregelingen;

i. kennis van de kenmerken van de krachtoverbrenging met het oog op optimaal gebruik en

j. kennis van en inzicht in de werking en defecten van de belangrijkste voertuigonderdelen en vloeistoffen.

3. De aanvrager die aantoont te beschikken over een rijbewijs voor de categorie D1 dat nog geldig is of dat ongeldig is geworden door het verstrijken van de geldigheidsduur of een geldig rijbewijs D1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, verwerft het theorie-examen voor de categorie D door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.

Artikel 65

1. Indien de aanvrager bij het theorie-examen naar het oordeel van het CBR heeft voldaan aan de eisen, registreert het CBR ten behoeve van de aanvrager dat hij is geslaagd voor het theorie-examen en draagt het CBR er zorg voor dat het resultaat van het examen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt.

2. Ten behoeve van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdelen e, onder 1į, en g, subonderdeel II, onder 3į, geeft het CBR aan de betrokken kandidaat een theoriecertificaat af voor de rijbewijscategorie AM, respectievelijk ten behoeve van de rijbewijscategorie A.

Artikel 66

Het model van het theorie-certificaat wordt bij ministeriŽle regeling vastgesteld.

ß 4. Het praktijk-examen

Artikel 67

Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor deze categorie;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

Artikel 67a

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie A1 moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen ten behoeve van de rijbewijscategorie A of dient aan te tonen dat hij beschikt over een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op het praktijkexamen verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorie A1 moet de aanvrager tevens niet langer dan een jaar voor de dag van dat examen zijn geslaagd voor het praktijkexamen voertuigbeheersing voor die categorie.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt, voor zover het de toelating tot het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A1 betreft, met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen ten behoeve van de rijbewijscategorie A gelijkgesteld:

a. een geldig rijbewijs B of

b. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

4. Het eerste lid, onderdeel a, geldt niet, indien de aanvrager aantoont dat hij op de datum van het praktijkexamen reeds beschikt over:

a. een geldig rijbewijs A1 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van die categorie met automatische schakeling, of

b. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van die categorie met automatische schakeling.

5. Het tweede lid geldt niet, indien de aanvrager aantoont dat hij op de datum van het praktijkexamen in het bezit is van:

a. een geldig rijbewijs A1 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van die categorie met automatische schakeling, of

b. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling.

Artikel 67b

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie A2 moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen te zijn geslaagd voor het theorie-examen ten behoeve van de rijbewijscategorie A of dient aan te tonen dat hij beschikt over een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het praktijkexamen afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op het praktijkexamen verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorie A2 moet de aanvrager tevens niet langer dan een jaar voor de dag van dat examen zijn geslaagd voor het praktijkexamen voertuigbeheersing voor die categorie.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt, voor zover het de toelating tot het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A2 betreft, met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen ten behoeve van de rijbewijscategorie A gelijkgesteld:

a. een geldig rijbewijs B, of

b. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

4. Het eerste lid, onderdeel a, geldt niet, indien de aanvrager aantoont dat hij op de datum van het praktijkexamen in het bezit is van:

a. een rijbewijs voor de categorie A1,

b. een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland,

c. een geldig rijbewijs A2 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling, of

d. een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling.

5. Het tweede lid geldt niet, indien de aanvrager aantoont dat hij op de datum van het praktijkexamen:

a. ten minste twee jaar in het bezit is van een rijbewijs A1,

b. ten minste twee jaar in het bezit is van een geldig rijbewijs A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland,

c. in het bezit is van een geldig rijbewijs A2 dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van die categorie met automatische schakeling, of

d. in het bezit is van een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling.

Artikel 67c

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie A moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen te zijn geslaagd voor het theorie-examen ten behoeve van de rijbewijscategorie A of dient aan te tonen dat hij beschikt over een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het praktijkexamen afgegeven theoriecertificaat ten behoeve van de rijbewijscategorie A;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op het praktijkexamen verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorie A moet de aanvrager tevens niet langer dan een jaar voor de dag van dat examen zijn geslaagd voor het praktijkexamen voertuigbeheersing voor die categorie.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt, voor zover het de toelating tot het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A betreft, met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen ten behoeve van de rijbewijscategorie A gelijkgesteld:

a. een geldig rijbewijs B, of

b. een geldig rijbewijs B afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

4. Het eerste lid, onderdeel a, geldt niet, indien de aanvrager aantoont dat hij op de datum van het praktijkexamen:

a. in het bezit is van een rijbewijs voor de categorie A1 en de leeftijd van 24 jaren heeft bereikt;

b. in het bezit is van een geldig rijbewijs voor de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en de leeftijd van 24 jaren heeft bereikt;

c. ten minste twee jaar in het bezit is van een geldig rijbewijs A2;

d. ten minste twee jaar in het bezit is van een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

e. in het bezit is van een rijbewijs A2 en de leeftijd van 24 jaren heeft bereikt;

f. in het bezit is van een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en de leeftijd van 24 jaren heeft bereikt;

g. reeds in het bezit is van een geldig rijbewijs A dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

h. reeds in het bezit is van een geldig rijbewijs A, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling.

5. Het tweede lid geldt niet, indien de aanvrager aantoont dat hij op de datum van het praktijkexamen:

a. ten minste twee jaar in het bezit is van een geldig rijbewijs A2,

b. ten minste twee jaar in het bezit is van een geldig rijbewijs A2, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland,

c. in het bezit is van een geldig rijbewijs A dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van die categorie met automatische schakeling, of

d. in het bezit is van een geldig rijbewijs A, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling.

Artikel 67d

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie B moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor deze categorie of een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs B, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs B afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie B gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie B.

3. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E bij B moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs B dat hetzij nog geldig is, hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs B afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op aanvragen die betrekking hebben op rijbewijscategorie B met het oog op het verkrijgen van de bevoegdheid tot het besturen van een samenstel van een trekkend motorrijtuig van de categorie B en een aanhangwagen of oplegger met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, waarbij de toegestane maximum massa van dit samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger meer bedraagt dan 3500 kg, maar niet meer bedraagt dan 4250 kg.

Artikel 67e

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie C1 moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan twee jaren voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor deze categorie of een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs C1, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs C1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

b. de aanvrager dient tevens een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs B, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

c. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C1 gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie C1.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie C1 en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs B gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

4. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E bij C1 moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs C1, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs C1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

5. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie E bij C1 en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs C1 gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie C1, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

Artikel 67f

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie C moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan twee jaren voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor deze categorie of een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs C, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs C, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

b. de aanvrager dient tevens een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs B, dat hetzij nog geldig is, hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

c. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie C.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie C en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs B gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, dient de aanvrager voor de toelating tot het praktijkexamen C te hebben voldaan aan artikel 53, tiende lid, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie C en:

a. hij beschikt over een rijbewijs C1 dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of een geldig rijbewijs C1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, of

b. ten aanzien van hem een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de rijbewijscategorie C1, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

5. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E bij C moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs C, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs C, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

6. Voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel a, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie E bij C en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs C gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie C, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

Artikel 67g

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D1 moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan twee jaren voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor deze categorie of een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs D1, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs D1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

b. de aanvrager dient tevens een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs B dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

c. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie D1 gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie D1.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie D1 en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs B gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

4. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E bij D1 moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs D1, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs D1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

5. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie E bij D1 en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs D1 gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie D1, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

Artikel 67h

1. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient niet langer dan twee jaren voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor deze categorie of een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs D, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs D, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van deze categorie met automatische schakeling;

b. de aanvrager dient tevens een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs B,dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

c. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt met de registratie dat de aanvrager is geslaagd voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie D gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het examen afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie D.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie D en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs B gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, dient de aanvrager voor de toelating tot het praktijkexamen D te hebben voldaan aan artikel 53, tiende lid, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie D en:

a. hij beschikt over een rijbewijs D1 dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of een geldig rijbewijs D1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, of

b. ten aanzien van hem een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd voor de rijbewijscategorie D1, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

5. Voor de toelating tot het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie E bij D moet zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient een van de volgende documenten over te leggen:

1į. een rijbewijs D, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of

2į. een geldig rijbewijs D, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland;

b. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen, dan wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

6. Voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel a, onder 1į, wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie E bij D en de aanvrager een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, met een rijbewijs D gelijkgesteld een ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie D, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar voor de dag van het examen mag liggen.

Artikel 67i

In afwijking van de artikelen 67 tot en met 67h moet, indien het de toelating tot het praktijkexamen in verband met een aanvraag van een rijbewijs als bedoeld in de artikelen 41b, eerste lid, 41d, eerste lid, of 42a, eerste lid, betreft, zijn voldaan aan de volgende eisen:

a. de aanvrager dient bij de aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht over te leggen;

b. de aanvrager dient de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring over te leggen;

c. de aanvrager dient niet langer dan twee jaar voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor de zwaarste rijbewijscategorie, bedoeld in artikel 42a, tweede lid, waarop de aanvraag betrekking heeft, indien de aanvraag betrekking heeft op de categorieŽn E bij C, C, E bij D, D, E bij C1, C1, E bij D1 of D1;

d. de aanvrager dient niet langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor de zwaarste rijbewijscategorie, bedoeld in artikel 42a, tweede lid, waarop de aanvraag betrekking heeft, indien de aanvraag betrekking heeft op de categorieŽn E bij B, B, A, A2, A1 of AM.

Artikel 68 [Vervallen per 19-01-2013]

Artikel 69 [Vervallen per 19-01-2013]

Artikel 69a

1. De eisen waaraan bij het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op twee wielen, dient te worden voldaan, betreffen:

a. bedrevenheid in de bediening en de beheersing van het voertuig;

b. het op juiste en veilige wijze deelnemen aan het verkeer;

c. het kunnen toepassen van de bij of krachtens de wet vastgestelde voorschriften.

2. De eisen waaraan bij het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op drie of vier wielen, dient te worden voldaan, betreffen de bedrevenheid in de bediening en de beheersing van het voertuig.

Artikel 69b

1. Het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op twee wielen, bestaat uit het afleggen van een rijproef met een bromfiets op twee wielen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die meer bedraagt dan 25 km/h.

2. Het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op drie of vier wielen, bestaat uit het afleggen van een rijproef met een bromfiets op drie of vier wielen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die meer bedraagt dan 25 km/h.

Artikel 70

1. De eisen waaraan bij het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de de rijbewijscategorieŽn A1, A2 en A dient te worden voldaan betreffen het op juiste en veilige wijze uitvoeren van een aantal bijzondere verrichtingen met het voertuig.

2. De eisen waaraan bij het praktijk-examen verkeersdeelneming voor de de rijbewijscategorieŽn A1, A2 en A dient te worden voldaan betreffen:

a. bedrevenheid in de bediening van het voertuig;

b. het op juiste en veilige wijze deelnemen aan het verkeer;

c. het kunnen toepassen van de bij en krachtens de wet vastgestelde voorschriften.

3. De eisen waaraan bij het praktijkexamen voor de de rijbewijscategorieŽn B, C1, C, D1, D en E dient te worden voldaan, betreffen:

a. bedrevenheid in de bediening van het voertuig;

b. het op juiste en veilige wijze deelnemen aan het verkeer;

c. het kunnen toepassen van de bij en krachtens de wet vastgestelde voorschriften;

d. het op juiste en veilige wijze uitvoeren van een aantal bijzondere verrichtingen met het voertuig.

4. Het derde lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien de aanvrager bij een vůůr het betrokken praktijkexamen door hem afgelegde tussentijdse toets ten genoegen van het CBR heeft aangetoond aan de daar gestelde eis te voldoen.

Artikel 71

1. De in artikel 53, tweede en tiende lid (nieuw), bedoelde praktijkexamens voor de rijbewijscategorie A1 bestaan uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig op twee wielen van de categorie A1, zonder zijspan, met een cilinderinhoud van ten minste 120 cm3, dat een snelheid kan bereiken van ten minste 90 km/u, dan wel, indien het gaat om een motorrijtuig op twee wielen van de categorie A1, zonder zijspan, met een volledig elektrische aandrijving, met een zodanig motorrijtuig met een maximumvermogen van minder dan 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van ten minste 0,08 kW per kg en dat een snelheid kan bereiken van ten minste 90 km/u.

2. De in artikel 53, derde en tiende lid (nieuw), bedoelde praktijkexamens voor de rijbewijscategorie A2 bestaan uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig op twee wielen van de categorie A2, zonder zijspan, met een vermogen van ten minste 20 kW en ten hoogste 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,2 kW/kg, dan wel, indien het gaat om een motorrijtuig op twee wielen van de categorie A2, zonder zijspan, met een volledig elektrische aandrijving, met een zodanig motorrijtuig met een maximumvermogen van ten minste 20 kW en ten hoogste 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van ten minste 0,15 kW/kg.

3. De in artikel 53, vierde en tiende lid (nieuw), bedoelde praktijkexamens voor de rijbewijscategorie A bestaan uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig op twee wielen van de categorie A, zonder zijspan, met een ongeladen massa van ten minste 180 kg en met een vermogen van ten minste 50 kW, dan wel, indien het gaat om een motorrijtuig van de categorie A op twee wielen, zonder zijspan, met een volledig elektrische aandrijving, met een zodanig motorrijtuig met een maximumvermogen van ten minste 50 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van ten minste 0,25 kW/kg.

Artikel 72

1. Het praktijkexamen voor het rijbewijs B bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig op vier wielen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, en dat niet is ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen. Het motorrijtuig dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 100 km per uur.

2. Het praktijkexamen voor het rijbewijs B dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie B, waaraan een aanhangwagen of oplegger is gekoppeld waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 750 kg, waarbij de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger meer bedraagt dan 3500 kg, maar niet meer dan 4250 kg, bestaat uit het afleggen van een rijproef overeenkomstig artikel 75.

Artikel 72a

Het praktijkexamen voor het rijbewijs C1 bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig van de categorie C1, niet zijnde een motorrijtuig bestemd voor het voortbewegen van een oplegger, dat niet is ingericht voor het vervoer van personen en waarvan de lengte ten minste 6,00 m, de breedte ten minste 2,20 m, de wielbasis ten minste 3,50 m, de toegestane maximum massa ten minste 6000 kg en de feitelijke totale massa ten minste 5000 kg bedraagt. Het motorrijtuig dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif, ten minste even breed en hoog als de cabine en dient met ten minste 1000 kg te zijn beladen. Het motorrijtuig dient te zijn uitgerust met een anti-blokkeersyteem, een versnellingsbak met ten minste vijf voorwaartse versnellingen, een toerenteller en een controleapparaat als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende de invoering van een controleapparaat bij het wegvervoer (PbEG L 370). Het motorrijtuig dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 80 km per uur.

Artikel 73

Het praktijkexamen voor het rijbewijs C bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig, niet zijnde een motorrijtuig bestemd voor het voortbewegen van een oplegger, dat niet is ingericht voor het vervoer van personen en waarvan de lengte ten minste 8 m, de breedte ten minste 2,40 m, de wielbasis ten minste 4,50 m en de toegestane maximum massa ten minste 12 000 kg bedraagt. Het motorrijtuig dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif, ten minste even breed en hoog als de cabine, en dient met ten minste 3000 kg te zijn beladen. Het motorrijtuig dient te zijn uitgerust met een anti-blokkeersysteem, een versnellingsbak met ten minste acht voorwaartse versnellingen, waarbij de versnelling door de bestuurder met de hand wordt bediend, een toerenteller en een controle-apparaat als bedoeld in verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende de invoering van een controle-apparaat bij het wegvervoer (PbEG L 370). Het motorrijtuig dient te zijn voorzien van een slaapcabine. Het motorrijtuig dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 80 km per uur.

Artikel 73a

Het praktijkexamen voor het rijbewijs D1 bestaat uit het afleggen van een rijproef met een ongeleed motorrijtuig van de categorie D1 dat is ingericht voor het vervoer van meer dan acht en ten hoogste zestien personen, de bestuurder niet meegerekend, en waarvan de lengte ten minste 6,50 m, de breedte ten minste 1,90 m en de toegestane maximum massa ten minste 4000 kg bedraagt. Het motorrijtuig dient te zijn uitgerust met een anti-blokkeersysteem, een versnellingsbak met ten minste vijf voorwaartse versnellingen, een toerenteller en een controleapparaat als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende de invoering van een controleapparaat bij het wegvervoer (PbEG 1985 L 370). Het motorrijtuig dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 80 km per uur.

Artikel 74

Het praktijkexamen voor het rijbewijs D bestaat uit het afleggen van een rijproef met een ongeleed motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, en waarvan de lengte ten minste 10 m, de breedte ten minste 2,40 m en de wielbasis ten minste 5,25 m bedraagt. Het motorrijtuig dient te zijn uitgerust met een anti-blokkeersysteem, een versnellingsbak met ten minste vijf voorwaartse versnellingen, een toerenteller en een controle-apparaat als bedoeld in verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende de invoering van een controle-apparaat bij het wegvervoer (PbEG L 370). Het motorrijtuig dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 80 km per uur.

Artikel 75

Het praktijk-examen voor het rijbewijs E bij B bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig als bedoeld in artikel 72, eerste lid, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 1750 kg bedraagt, en een aanhangwagen waarvan de lengte ten minste 6 m en de toegestane maximum massa meer dan 1750 kg bedraagt. De aanhangwagen dient te zijn uitgerust met twee assen waarvan er maximaal ťťn gestuurd is, dan wel met een samenstel van twee starre assen in het midden van de aanhangwagen. De aanhangwagen dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif waarvan de breedte en de hoogte ten minste die van het trekkende motorrijtuig bedragen en dient voor ten minste 50% van het laadvermogen te zijn beladen.

Artikel 75a

Het praktijkexamen voor het rijbewijs E bij C1 bestaat uit het afleggen van een rijproef met een samenstel van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 72a en een aanhangwagen waarvan de maximum toegestane massa ten minste 3000 kg en de lengte ten minste 5,00 m bedraagt. Het samenstel dient een snelheid van ten minste 80 km per uur te kunnen bereiken. De aanhangwagen dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif, ten minste even hoog en breed als de cabine van het trekkend motorrijtuig en dient met ten minste 800 kg te zijn beladen. De gesloten opbouw of de gesloten huif mag ook nagenoeg even breed zijn als het trekkend motorrijtuig zolang het zicht naar achteren alleen door middel van buitenspiegels mogelijk is. Het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen dient een lengte te hebben van ten minste 11,00 m. De aanhangwagen dient te zijn uitgerust met twee of meer assen, waarvan er maximaal ťťn gestuurd is, dan wel bij een samenstel van twee of meer assen in het midden, waarvan zowel de assen als de wielen niet stuurbaar of zelfsturend zijn.

Artikel 76

1.Het praktijkexamen voor het rijbewijs E bij C bestaat uit het afleggen van een rijproef

a. met een samenstel van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 73 en een aanhangwagen waarvan de lengte ten minste 8 m en de breedte ten minste 2,40 m bedraagt. De lengte van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen dient ten minste 16 m te bedragen. Het samenstel dient een snelheid van ten minste 80 km per uur te kunnen bereiken. De toegestane maximum massa van het trekkend motorrijtuig en van de aanhangwagen te samen dient ten minste 20 000 kg te bedragen. De aanhangwagen dient te zijn uitgerust met twee of meer assen waarvan er maximaal ťťn gestuurd is, dan wel met een samenstel van twee of meer starre assen in het midden van de aanhangwagen waarbij

I. de afstand van het hart van de koppeling tot het hart van het samenstel van assen ten minste 5 m bedraagt;

II. de afstand van het hart van de koppeling tot de achterste as van het trekkend motorrijtuig niet meer dan 1,55 m bedraagt en

III. de hoogte van het hart van de koppeling zich op niet meer dan 0,70 m boven het wegdek bevindt.

De aanhangwagen dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif, ten minste even breed en hoog als de cabine van het trekkend motorrijtuig, en dient met ten minste 3000 kg te zijn beladen, dan wel

b. met een samenstel van een trekkend motorrijtuig waarvan de wielbasis ten minste 3,20 m en ten hoogste 4,25 m bedraagt, en een oplegger. De lengte van het samenstel van trekkend motorrijtuig en oplegger dient ten minste 14,50 m te bedragen. Het samenstel dient een snelheid van ten minste 80 km per uur te kunnen bereiken. De toegestane maximum massa van het samenstel dient ten minste 20 000 kg te bedragen. Het trekkend motorrijtuig dient te zijn uitgerust met een anti-blokkeersysteem, een versnellingsbak met ten minste acht voorwaartse versnellingen, een toerenteller en een controle-apparaat als bedoeld in verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende de invoering van een controle-apparaat bij het wegvervoer (PbEG L 370). Het trekkend motorrijtuig dient te zijn voorzien van een slaapcabine. De oplegger dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif, ten minste even breed en hoog als de cabine van het trekkend motorrijtuig, en dient met ten minste 6000 kg te zijn beladen. De oplegger dient te zijn uitgerust met starre assen.

Artikel 76a

Het praktijkexamen voor het rijbewijs E bij D1 bestaat uit het afleggen van een rijproef met een samenstel van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 73a en een aanhangwagen waarvan de maximaal toegestane massa ten minste 2000 kg en de lengte ten minste 4,50 m bedraagt. De aanhangwagen dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif die ten minste 2,00 m breed en 2,00 m hoog is en dient met ten minste 800 kg te zijn beladen. Het samenstel dient een snelheid van ten minste 80 km per uur te kunnen bereiken.

Artikel 77

Het praktijkexamen voor het rijbewijs E bij D bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig als bedoeld in artikel 74 en een aanhangwagen waarvan de lengte ten minste 5 m, de breedte ten minste 2,40 m en de toegestane maximum massa ten minste 3000 kg bedraagt. De aanhangwagen moet zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is en dient met ten minste 800 kg te zijn beladen. Het samenstel dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 80 km per uur.

Artikel 78

Het motorrijtuig waarmee de rijproef wordt afgelegd, behoeft niet te zijn voorzien van handschakeling.

Artikel 78a

Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor het rijbewijs AM wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.

Artikel 79

Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor het rijbewijs A wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.

Artikel 80

Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor het rijbewijs B wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van:

a. inrichtingen die zo zijn aangebracht dat de examinator, daarmee de bedrijfsrem en, indien het een motorrijtuig met handschakeling betreft, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan bedienen;

b. een binnen- en een buitenspiegel waarmee de examinator het achter en rechts naast hem gelegen weggedeelte kan overzien;

c. een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.

Artikel 81

Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor het rijbewijs C1, C, D1, D of E wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van:

a. inrichtingen die zo zijn aangebracht dat de examinator, daarmee de bedrijfsrem en, indien het een motorrijtuig met handschakeling betreft, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan bedienen;

b. twee of meer buitenspiegels waarmee de examinator het rechts en links naast en achter hem gelegen weggedeelte kan overzien;

c. een bij ministeriŽle regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.

Artikel 82

1. Het motorrijtuig, het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen, dan wel het samenstel van trekkend motorrijtuig en oplegger, waarmee de rijproef wordt afgelegd, dient naar het oordeel van het CBR daartoe geschikt te zijn

2. Aan de praktijkexamens voor de rijbewijscategorieŽn A1, A2 en A mag slechts worden deelgenomen door kandidaten met een naar het oordeel van het CBR daartoe geschikte beschermende uitrusting, bestaande uit handschoenen, schoeisel, beschermende kleding en een helm.

Artikel 83

1. De duur van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, voor zover het betreft bromfietsen op twee wielen, bedraagt ten minste 25 minuten.

2. De duur van het praktijkexamen verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorieŽn A1 en A en van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorieŽn B en E bij B bedraagt ten minste 35 minuten.

3. De duur van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorieŽn A2 en A bedraagt ten minste 35 minuten.

4. De duur van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorieŽn C1, C, D1, D, E bij C1, E bij C, E bij D1 en E bij D bedraagt ten minste 60 minuten.

Artikel 84

De rijproef kan binnen de voorgeschreven tijd worden gestaakt, indien naar het oordeel van de examinator de aanvrager door zijn wijze van rijden de veiligheid op de weg in gevaar brengt. Bij het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A kan de rijproef eveneens binnen de voorgeschreven tijd worden gestaakt, indien naar het oordeel van de examinator de aanvrager de bijzondere verrichtingen niet op juiste of veilige wijze uitvoert.

ß 5. Registratie van verklaringen van rijvaardigheid

Artikel 85

Indien de aanvrager naar het oordeel van de examinator bij het onderzoek naar de rijvaardigheid heeft voldaan aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen, registreert het CBR in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie waarvoor de aanvrager aan die eisen heeft voldaan.

ß 6. Nader onderzoek rijvaardigheid

Artikel 86

1. De aanvrager van een verklaring van rijvaardigheid, die binnen een tijdsbestek van vijf jaren tot vier maal toe ter zake van dezelfde rijbewijscategorie een mededeling heeft ontvangen dat hij niet aan de bij ministeriŽle regeling ten aanzien van die rijbewijscategorie vastgestelde eisen heeft voldaan, dient zich, indien hij een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een verklaring van rijvaardigheid voor die rijbewijscategorie indient, te onderwerpen aan een nader onderzoek naar zijn rijvaardigheid.

2. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorieŽn A1, A2 en A, geldt het eerste lid slechts indien de daar bedoelde mededeling betrekking heeft op het niet voldoen aan de bij ministeriŽle regeling gestelde eisen wat betreft de verkeersdeelneming.

Artikel 87

Het nader onderzoek bestaat uit het afleggen van een rijproef ten overstaan van een door het CBR aangewezen rijvaardigheidsadviseur. De artikelen 54 en 55, 67 tot en met 82 en 84 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 88

De duur van het nader onderzoek bedraagt voor de rijbewijscategorieŽn AM, A1, A2, A, B en E bij B ten minste 50 minuten en voor de rijbewijscategorieŽn C1, C, D1, D, E bij C1, E bij C, E bij D1 en E bij D ten minste 80 minuten.

Artikel 89

Indien de aanvrager naar het oordeel van de rijvaardigheidsadviseur bij het nader onderzoek voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen, registreert het CBR in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie waarvoor de aanvrager aan die eisen heeft voldaan.

Artikel 90

Indien de aanvrager naar het oordeel van de rijvaardigheidsadviseur bij het nader onderzoek niet voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen, adviseert de rijvaardigheidsadviseur de aanvrager omtrent de wijze waarop deze ten aanzien van die onderdelen waarop hij niet aan die eisen voldoet, zijn rijvaardigheid kan verbeteren.

Artikel 91

De aanvrager die bij het nader onderzoek niet heeft voldaan aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, dient zich, indien hij een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een verklaring van rijvaardigheid voor die rijbewijscategorie indient, opnieuw te onderwerpen aan een nader onderzoek naar zijn rijvaardigheid.

Artikel 92

1. Indien de aanvrager van een verklaring van rijvaardigheid ook bij het tweede nader onderzoek voor dezelfde rijbewijscategorie niet blijkt te voldoen aan de bij ministeriŽle regeling ten aanzien van die rijbewijscategorie vastgestelde eisen, is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager, indien hij na het tweede nader onderzoek voor dezelfde rijbewijscategorie een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een verklaring van rijvaardigheid voor die rijbewijscategorie indient, op eigen kosten een onderzoek naar zijn geschiktheid ondergaat. Het onderzoek wordt verricht door een of meer door het CBR aangewezen deskundigen.

2. Het eerste lid en de artikelen 93 tot en met 96 zijn niet van toepassing op aanvragers van een verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie AM.

Artikel 93

Door de aangewezen deskundige of deskundigen wordt aan het CBR schriftelijk medegedeeld of de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 94

Het CBR onderzoekt mede op basis van de bevindingen van de aangewezen deskundige of deskundigen of de aanvrager al dan niet voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 95

Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, dient hij zich in het kader van een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een verklaring van rijvaardigheid voor de betrokken rijbewijscategorie te onderwerpen aan een nader onderzoek naar zijn rijvaardigheid als bedoeld in artikel 87. De artikelen 54 en 55, 67 tot en met 82 en 84 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 96

Indien de aanvrager op basis van het in artikel 94 bedoelde onderzoek een mededeling ontvangt dat hij naar het oordeel van het CBR niet voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, dient hij bij het indienen van een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een verklaring van rijvaardigheid voor de betrokken rijbewijscategorie behoudens de in de artikelen 67 tot en met 67h genoemde bescheiden tevens een verklaring van geschiktheid voor die rijbewijscategorie over te leggen.

Hoofdstuk IV. Verklaringen van geschiktheid

ß 1. Algemeen

Artikel 97

1. Verklaringen van geschiktheid worden op aanvraag, alsmede op in dit hoofdstuk vastgestelde wijze, en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

2. In afwijking van het eerste lid wordt ten behoeve van degene wiens rijbewijs op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet ongeldig is verklaard wegens het niet-verlenen van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de geschiktheid, gedurende een periode van ten hoogste drie jaren na de ongeldigverklaring van het rijbewijs geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister geregistreerd zo lang hij niet alsnog aan die verplichting heeft voldaan.

3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing in de gevallen waarin de kosten van het onderzoek voor rekening komen van de betrokken rijbewijshouder en het rijbewijs ongeldig is verklaard wegens het niet-verlenen van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

4. In afwijking van het eerste en derde lid wordt ten behoeve van degene die niet heeft meegewerkt aan een keuring of een onderzoek door gebruik te maken van het blokkeringsrecht bedoeld in artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, gedurende een periode van ťťn jaar na de datum van de keuring of het onderzoek geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister geregistreerd.

5. In afwijking van het eerste lid wordt ten behoeve van degene wiens rijbewijs op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet ongeldig is verklaard wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaren na die ongeldigverklaring geen verklaring van geschiktheid geregistreerd zolang de aanvrager niet heeft voldaan aan artikel 103, tweede en derde lid. Hetzelfde geldt voor degene aan wie:

a. overeenkomstig artikel 118, derde lid, van de wet dan wel op grond van artikel 134, zevende lid, van de wet, de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma, maar die binnen een periode van vijf jaren na de oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma niet heeft voldaan aan artikel 103, tweede of derde lid, of

b. na die periode van vijf jaar alsnog de verplichting opgelegd is tot deelname aan het alcoholslotprogramma.

Artikel 98

Het voor de aanvraag van verklaringen van geschiktheid verschuldigde tarief wordt vastgesteld door het CBR onder goedkeuring van Onze Minister. Het tarief dient door de aanvrager te worden voldaan door aankoop van een aanvraagformulier volgens door het CBR vastgesteld model door het verschuldigde bedrag over te maken op een door het CBR aangewezen bankrekening.

Artikel 99 [Vervallen per 01-10-2006]

ß 2. Aanvraag van verklaringen van geschiktheid

Artikel 100

1. Bij de aanvraag dienen te worden overgelegd:

a. een niet langer dan twee weken voor de aanvraag getekende, volledig ingevulde eigen verklaring volgens door het CBR vastgesteld model;

b.

I. indien aan de aanvrager in Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is toegekend of de aanvrager behoort tot het gezin van een persoon aan wie in Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is toegekend, een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken afgegeven verklaring waaruit zulks blijkt;

II. indien de aanvrager lid is van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt;

III. indien de aanvrager niet in Nederland woonachtig is, enig bewijsstuk betreffende de woonplaats en de datum en plaats van geboorte van de aanvrager.

2. Indien een of meer van de op de eigen verklaring gestelde vragen betreffende de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager bevestigend worden beantwoord, dient op de eigen verklaring een aantekening van een arts te zijn gesteld waaruit de aard en de ernst van de afwijking blijken.

3. Indien de aanvraag betrekking heeft op:

a. de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt,

b. de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en die in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, dan wel

c. de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een of meer van de rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

dient bij de aanvraag tevens een niet langer dan twee weken voor de aanvraag getekend, geneeskundig verslag volgens door het CBR vastgesteld model te worden overgelegd. Het geneeskundig verslag dient in de gevallen, bedoeld onder a en b, te zijn opgemaakt door een arts en dient in het geval, bedoeld onder c, te zijn opgemaakt door een door het CBR aangewezen arts.

4. Het eerste lid, onderdeel b, geldt niet indien de aanvraag van een verklaring van geschiktheid gelijktijdig met de aanvraag van een verklaring van rijvaardigheid wordt ingediend.

5. Voor de toepassing van het derde lid wordt met een geneeskundig verslag als daar bedoeld gelijkgesteld een niet langer dan twee weken voor de aanvraag afgegeven, door een arts opgemaakt, rapport van een niet in het kader van de aanvraag van een rijbewijs verrichte keuring waarbij de aanvrager is gekeurd op eisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, welk rapport ten minste dezelfde gegevens bevat als een geneeskundig verslag.

6. Indien de aanvraag wordt gedaan met het oog op de aanvraag van een rijbewijs als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, dient de aanvrager tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring.

7. Kosten verbonden aan het laten plaatsen van een aantekening als bedoeld in het tweede lid of het laten opmaken van het geneeskundig verslag als bedoeld in het derde lid, alsmede voor alle aanvullingen daarop, komen voor rekening van de aanvrager.

8. Bij de aanvraag van een verklaring van geschiktheid raadpleegt het CBR de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van de aanvrager.

Artikel 101

1. Het CBR is bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien:

a. de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft;

b. het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft;

c. tijdens het praktijk-examen het vermoeden is gerezen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarvoor het praktijk-examen wordt afgelegd.

2. De in het eerste lid bedoelde keuring mag slechts betreffen:

a. de punten waaromtrent in de eigen verklaring vragen zijn gesteld;

b. bovendien de punten waaromtrent in het geneeskundig verslag vragen zijn gesteld, indien de aanvraag betrekking heeft op:

I. de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt;

II. de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en die in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt;

III. de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een of meer van de rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1.

3. Het in het eerste lid, aanhef, bedoelde technisch onderzoek en de daar bedoelde rijproef mogen slechts betrekking hebben op de bij ministeriŽle regeling aangewezen punten van onderzoek.

4. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt in de gevallen genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, na ontvangst van de eigen verklaring respectievelijk na het praktijkexamen in de gevallen genoemd in het eerste lid, onderdeel c, door het CBR gedaan.

ß 3. Registratie van verklaringen van geschiktheid

Artikel 102

1. Door de aangewezen arts of artsen wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na de aanvang van de keuring, bedoeld in artikel 101, eerste lid aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn hij aan die eisen niet voldoet.

2. Indien naar het oordeel van de aangewezen arts of artsen redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, wordt zulks door hem of door hen schriftelijk medegedeeld aan het CBR onder vermelding van de termijn waarvoor de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel aan die eisen voldoet.

3. Het CBR kan in bijzondere gevallen toestaan dat door de arts of artsen van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt afgeweken.

Artikel 103

1. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, registreert het in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieŽn een verklaring van geschiktheid. Deze registratie vindt plaats zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van:

a. de bevindingen van de arts of artsen of deskundige of deskundigen, of

b. de eigen verklaring, indien geen vordering als bedoeld in artikel 101, eerste lid, is gedaan.

Indien het de registratie betreft van een verklaring of van verklaringen van geschiktheid in verband met een aanvraag als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, wordt, indien de aanvrager zijn geschiktheid heeft aangetoond, ten behoeve van de aanvrager ook voor alle lichtere categorieŽn waarop deze aanvraag mede betrekking heeft, een verklaring van geschiktheid geregistreerd in het rijbewijzenregister. Beperkende coderingen op het eerder afgegeven, ongeldig geworden, rijbewijs dan wel geregistreerd in het rijbewijzenregister bij een of meer rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, worden overgenomen op de verklaring of verklaringen van geschiktheid in het kader van de aanvraag als bedoeld in de vorige volzin.

2. Indien het de registratie van een verklaring van geschiktheid betreft nadat aan de aanvrager overeenkomstig artikel 118, derde lid, van de wet dan wel op grond van de artikelen 132b, eerste lid, of 134, zevende lid, van de wet de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma, wordt ten aanzien van de aanvrager een verklaring van geschiktheid voor de rijbewijscategorie B geregistreerd, indien:

a. ten aanzien van betrokkene is geregistreerd dat hij het formulier, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, onderdeel c, van de wet heeft teruggezonden aan het CBR,

b. ten aanzien van betrokkene is geregistreerd dat hij een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, van de wet heeft laten inbouwen in een of meer motorrijtuigen van de in artikel 132a bedoelde categorie, en

c. ten aanzien van betrokkene is geregistreerd dat hij de in het besluit, bedoeld in artikel 132b, eerste lid, van de wet aangegeven kosten op de in dat besluit aangegeven wijze heeft betaald aan het CBR.

De verklaring van geschiktheid wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken nadat is voldaan aan deze eisen, geregistreerd.

3. Op de in het tweede lid bedoelde verklaring van geschiktheid wordt door middel van de voorgeschreven codering aangegeven dat alleen een motorrijtuig van de categorie B met het opgegeven kenteken mag worden bestuurd waarin een alcoholslot is ingebouwd.

4. Indien op het eerder aan de aanvrager afgegevenrijbewijs vermeldingen of beperkende coderingen in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering, anders dan de voor het alcoholslotprogramma vastgestelde codering, waren aangebracht, worden deze coderingen overgenomen op de in het tweede lid bedoelde verklaring van geschiktheid.

5. Indien het de registratie van een verklaring van geschiktheid betreft met het oog op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 41c of 41d, wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken nadat het CBR op basis van artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet heeft besloten dat er geen aanleiding is tot verlenging van het alcoholslotprogramma, ten aanzien van de aanvrager voor een of meerdere van de categorieŽn A, B of E bij B een verklaring van geschiktheid geregistreerd. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

6. In afwijking van het vijfde lid wordt een verklaring van geschiktheid zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken nadat een geneeskundig verslag volgens door het CBR vastgesteld model is overgelegd, geregistreerd, indien:

a. de aanvrager de leeftijd van 65 maar nog niet die van 70 jaren heeft bereikt, en het ongeldig verklaarde rijbewijs zijn geldigheid zou verliezen op of na de dag waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt,

b. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt,

c. de aanvraag mede betrekking heeft op een van de rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D en E bij D1, dan wel

d. blijkens een aantekening in het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.

7. Op het geneeskundig verslag, bedoeld in het zesde lid, is artikel 100, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

8. Indien naar het oordeel van het CBR redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, registreert het CBR die termijn in het rijbewijzenregister binnen de in het eerste lid aangegeven termijn.

9. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, slechts kan voldoen indien het door hem te besturen motorrijtuig aan bepaalde eisen voldoet dan wel indien de aanvrager bij het besturen gebruik maakt van kunst- of hulpmiddelen, is het, ten einde de aard van de mogelijke aanpassingen aan het motorrijtuig of van de door de aanvrager te gebruiken kunst- of hulpmiddelen vast te stellen, bevoegd technisch onderzoek te verrichten of te doen verrichten dan wel van de aanvrager te vorderen dat deze zich onderwerpt aan een rijproef.

10. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, slechts voldoet indien het door hem te besturen motorrijtuig aan bepaalde eisen voldoet dan wel indien de aanvrager bij het besturen gebruik maakt van kunst- of hulpmiddelen, registreert het CBR binnen de in het eerste lid aangegeven termijn de noodzakelijk geachte aanpassingen aan het motorrijtuig dan wel de door de bestuurder te gebruiken kunst- of hulpmiddelen in het rijbewijzenregister door middel van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

11. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, slechts voldoet indien hij het motorrijtuig bestuurt binnen een geografisch beperkt gebied, registreert het CBR binnen de in het eerste lid aangegeven termijn dat gebied in het rijbewijzenregister door middel van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

12. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen slechts voldoet indien hij het door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privť doeleinden, registreert het CBR binnen de in het eerste lid aangegeven termijn die beperking in het rijbewijzenregister door middel van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

7. Het CBR kan de in dit artikel genoemde termijnen verlengen als de ontvangen gegevens onvolledig zijn.

Artikel 104

1. Indien de aanvrager van een verklaring van geschiktheid een mededeling heeft ontvangen dat geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister wordt geregistreerd, dat een verklaring van geschiktheid wordt geregistreerd voor minder categorieŽn dan waarop de aanvraag betrekking heeft, of dat in het rijbewijzenregister een termijn als bedoeld in artikel 103, tweede lid, dan wel een gecodeerde aanduiding als bedoeld in artikel 103, vierde, vijfde of zesde lid, is geregistreerd, kan hij binnen vier weken na ontvangst daarvan het CBR verzoeken een of meer artsen aan te wijzen voor een keuring of herkeuring op zijn eigen kosten.

2. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek om keuring of herkeuring wijst het CBR een of meer artsen aan en geeft het van die aanwijzing kennis aan de aanvrager en aan de aangewezen arts of artsen.

3. De aanvrager geeft de aangewezen arts of artsen inzage van de in het eerste lid bedoelde mededeling.

4. Door de aangewezen arts of artsen wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na de aanvang van het onderzoek, dan wel van het eerste gedeelte daarvan, aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor welke categorie of categorieŽn hij aan die eisen niet voldoet. Indien naar het oordeel van de aangewezen arts of artsen redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, wordt zulks door hem of door hen schriftelijk medegedeeld aan het CBR onder vermelding van de termijn waarvoor de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel aan die eisen voldoet. Artikel 103 is verder van toepassing.

5. Het CBR kan in bijzondere gevallen toestaan dat door de arts of artsen van de in het vierde lid bedoelde termijn wordt afgeweken.

6. Een op grond van artikel 103 genomen besluit van het CBR vervalt met ingang van het tijdstip waarop de aanvrager het CBR heeft verzocht om een keuring of een herkeuring als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk V. Afgifte van rijbewijzen

ß 1. Algemeen

Artikel 104a

Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief slechts afgegeven aan degene die de in artikel 5 vermelde leeftijd heeft bereikt.

Artikel 104b

Het bedrag, bedoeld in artikel 111, zesde lid, van de wet bedraagt voor een aanvraag van een rijbewijs waarvan de behandeling zonder bijzondere dienstverlening geschiedt Ä 28,78.

Artikel 105

1. De afgifte van rijbewijzen geschiedt niet elektronisch.

2. Rijbewijzen worden afgegeven door de Dienst Wegverkeer:

a. indien de aanvrager buiten Nederland woonachtig is;

b. indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs dat aan de aanvrager is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland;

c. indien de aanvrager in Nederland woonachtig is, doch niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen;

d. indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een door het militaire gezag afgegeven bewijs van rijvaardigheid.

Artikel 105a

1. Aan de aanvrager aan wie eerder een rijbewijs is afgegeven dat verloren is geraakt of teniet is gegaan dan wel versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, wordt overeenkomstig artikel 120, eerste lid, van de wet een vervangend rijbewijs afgegeven indien

a. het rijbewijs dat verloren is geraakt of teniet is gegaan dan wel versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, mede is afgegeven voor een der rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1;

b. de geldigheidsduur van het rijbewijs dat verloren is geraakt of teniet is gegaan dan wel versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, verstrijkt op of na de dag waarop de aanvrager de leeftijd van 75 jaren bereikt;

c. het rijbewijs dat verloren is geraakt of teniet is gegaan dan wel versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, geldig is tot de dag waarop de in het rijbewijzenregister geregistreerde termijn waarvoor de houder naar verwachting geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen verstrijkt;

d. uit een aantekening in het rijbewijzenregister blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs dient aan te tonen dat hij beschikt over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieŽn waarop het onderzoek betrekking heeft;

e. de aanvrager een vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en hij niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l, van die wet.

2. Degene die ingevolge artikel 120 van de wet een vervangend rijbewijs afgeeft, plaatst in het af te geven vervangende rijbewijs een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering met betrekking tot het rijbewijs waarvoor dat vervangende rijbewijs in de plaats treedt.

Artikel 106

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 45, 47, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en 48, eerste lid, aanhef en onderdeel c, geeft degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, een rijbewijs af voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieŽn die gelijkwaardig zijn aan de categorie of categorieŽn waarvoor het overgelegde rijbewijs was afgegeven. Bij ministeriŽle regeling kunnen voorschriften omtrent de vaststelling van de gelijkwaardigheid worden vastgesteld.

Artikel 107

Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs dat door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is afgegeven op basis van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, wordt een rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorie of categorieŽn waarvoor dat eerder afgegeven rijbewijs geldig was.

Artikel 108

Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs dat door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland is afgegeven op basis van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat geldig was voor meer categorieŽn dan het buiten Nederland afgegeven rijbewijs, wordt een rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorieŽn waarvoor dat eerder afgegeven rijbewijs geldig was.

Artikel 109

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs, neemt dat rijbewijs in en zendt het, onder vermelding van de reden van inname, terug naar het gezag dat het heeft afgegeven.

Artikel 110 [Vervallen per 01-10-2004]

Artikel 111

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een rijbewijs dat is afgegeven buiten Nederland, anders dan in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, vermeldt in het af te geven rijbewijs in welk deel van het Koninkrijk, onderscheidenlijk in welk land het overgelegde rijbewijs is afgegeven. De vermelding vindt plaats in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 112

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een rijbewijs waarin is vermeld dat de aanvrager dat overgelegde rijbewijs heeft verkregen tegen overlegging van een rijbewijs dat is afgegeven buiten Nederland, anders dan in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, neemt die vermelding over in het af te geven rijbewijs. De vermelding vindt plaats in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 113

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven rijbewijs waarin is vermeld dat de aanvrager dit rijbewijs heeft verkregen op grond van een eerder in een ander land dan in een lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven rijbewijs, neemt die vermelding over in het af te geven rijbewijs. De vermelding vindt plaats in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 114

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waarvan de geldigheid voor een of meer categorieŽn is beperkt tot een subcategorie van motorrijtuigen, plaatst in het af te geven rijbewijs bij die categorie of categorieŽn een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit die beperking blijkt.

Artikel 115

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, afgegeven rijbewijs dat is voorzien van een aantekening dan wel een codering waaruit blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager heeft plaatsgevonden met een motorrijtuig met automatische schakeling, neemt die aantekening, omgezet in een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering, dan wel die codering over in het af te geven rijbewijs.

Artikel 116

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland, anders dan in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, afgegeven rijbewijs waaruit blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager heeft plaatsgevonden met een motorrijtuig met automatische schakeling, plaatst in het af te geven rijbewijs een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit die beperking blijkt.

Artikel 117

1. Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 75, geeft een rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E slechts geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist.

2. Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 75a, geeft een rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B of C1 is vereist en, indien de aanvrager in het bezit is van een rijbewijs D1, voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D1 is vereist.

3. Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 76, geeft een rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger, indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B, C1 of C is vereist en, indien de aanvrager in het bezit is van een rijbewijs D1 respectievelijk D, voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D1 respectievelijk D1 of D is vereist.

4. Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 76a, geeft een rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D1 is vereist, respectievelijk een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist.

5. Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 77, geeft een rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E slechts geldig is voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D1 of D is vereist, respectievelijk een aanhangwagen of oplegger indien deze wordt voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is vereist.

Artikel 118

Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, afgegeven rijbewijs dat is voorzien van een aantekening dan wel een codering waaruit blijkt dat de aanvrager slechts een motorrijtuig kan besturen dat aan bepaalde eisen voldoet dan wel slechts een motorrijtuig kan besturen indien hij gebruik maakt van kunst- of hulpmiddelen, neemt die aantekening, omgezet in een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering, dan wel die codering over in het af te geven rijbewijs.

Artikel 118a

1. Degene die een rijbewijs afgeeft tegen overlegging van een eerder afgegeven rijbewijs waarin vermeldingen of beperkende aantekeningen in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering zijn aangebracht, dan wel een rijbewijs afgeeft op basis van een aanvraag als bedoeld in artikel 41a, neemt die codering of coderingen over in het af te geven rijbewijs.

2. Indien het eerder afgegeven rijbewijs niet kan worden overgelegd omdat het verloren is geraakt of teniet is gegaan, neemt degene die een rijbewijs afgeeft de in het rijbewijzenregister opgenomen vermeldingen of beperkende aantekeningen in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering over in het af te geven rijbewijs.

Artikel 118b

Indien de aanvraag betrekking heeft op de vermelding van een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing tegen overlegging van een kwalificatiekaart bestuurder of een buitenlands omwisselingscertificaat, neemt degene die het rijbewijs afgeeft de kwalificatiekaart bestuurder of het buitenlands omwisselingscertificaat in. De Dienst Wegverkeer vergewist zich van de echtheid van het overgelegde document en zendt het terug naar het gezag dat het heeft afgegeven.

ß 2. Eisen ten aanzien van de bestelling, het transport, de beveiliging, de controle en de administratie van rijbewijzen

Artikel 119

1.Rijbewijzen worden door tussenkomst van de Dienst Wegverkeer bij de leverancier besteld.

2.De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten houden een registratie bij van de voor de bestelling van rijbewijzen geautoriseerde medewerkers.

3.Bestelling vindt plaats volgens de daarvoor bij ministeriŽle regeling vastgestelde procedure.

Artikel 120

Het transport van rijbewijzen van de leverancier naar de met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten vindt plaats volgens de daarvoor bij ministeriŽle regeling vastgestelde procedure.

Artikel 121

Rijbewijzen worden terstond na aflevering veilig gesteld in de in artikel 125 bedoelde voorziening.

ß 3. Beveiliging

Artikel 122

1.De met de afgifte belaste autoriteiten registreren de ontvangst van de afgeleverde rijbewijzen in het rijbewijzenregister en controleren de levering op juistheid en volledigheid. Onjuist vervaardigde dan wel onjuist afgeleverde rijbewijzen worden volgens een bij ministeriŽle regeling vastgestelde procedure naar de Dienst Wegverkeer gezonden, waar ze worden vernietigd.

2.De met de afgifte belaste autoriteiten controleren maandelijks aan de hand van de in het rijbewijzenregister opgeslagen gegevens welke rijbewijzen niet binnen drie maanden na de datum waarop het besluit tot afgifte is genomen, zijn uitgereikt. Deze rijbewijzen worden volgens een bij ministeriŽle regeling vastgestelde procedure naar de Dienst Wegverkeer gezonden, waar ze worden vernietigd.

Artikel 123

1.De Dienst Wegverkeer zendt in de eerste helft van elke kalendermaand aan de gemeenten een factuur voor en een opgave van de in de aan die maand voorafgaande maand door de burgemeesters van die gemeenten bestelde rijbewijzen en de bij die burgemeesters ingediende, tot de Dienst Wegverkeer gerichte aanvragen.

2.De afdracht van het op grond van de in het eerste lid bedoelde factuur verschuldigde bedrag vindt plaats door middel van automatische verrekening bij de NV Bank Nederlandse Gemeenten op de eerste werkdag van de derde kalendermaand volgende op die waarin de betrokken factuur is verzonden.

Artikel 123a

De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten vernietigen de in het kader van de aanvraag overgelegde en door de uitreiking van een nieuw dan wel vervangend rijbewijs ongeldig geworden rijbewijzen.

Artikel 124

1.De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten treffen maatregelen om de onder hen berustende rijbewijzen en de met de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen en apparatuur te beveiligen tegen ontvreemding dan wel vernietiging ten gevolge van inbraak, diefstal, verduistering, overvallen, brand of anderszins.

2.De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat toegangspassen en gebruikerscodes tot de met de afgifte van rijbewijzen verband houdende apparatuur alleen worden gebruikt door de onder hen ressorterende, met de afgifte van rijbewijzen belaste medewerkers aan wie de desbetreffende toegangspassen en gebruikerscodes zijn toegekend.

Artikel 125

De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat de voorraad rijbewijzen en de met de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen worden opgeslagen in een inbraakvertragende en brandwerende voorziening met een bij ministeriŽle regeling vast te stellen waardebergingsindicatie, welke voorziening dient te zijn geplaatst in een af te sluiten ruimte. De met de afgifte van rijbewijzen verband houdende apparatuur wordt geplaatst in een beveiligde ruimte.

Artikel 126

De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat de plaatsen waar rijbewijzen en met de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen en apparatuur zijn opgeslagen, zijn uitgerust met een electronisch inbraakalarmeringssysteem dat voorziet in een permanente vaste lijn-verbinding met een door de rijksoverheid toegelaten alarmcentrale.

Artikel 127

De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat de werkvoorraad rijbewijzen en de werkvoorraad met de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen en apparatuur zich tijdens de werkuren onder voortdurend toezicht bevinden, op een voor het publiek onzichtbare en voor onbevoegden onbereikbare plaats. Buiten de werkuren dienen de werkvoorraden alsmede de onjuist vervaardigde dan wel onjuist afgeleverde documenten te worden opgeslagen in de in artikel 125 bedoelde voorziening.

Artikel 128

1.De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dragen zorg voor een op schrift gestelde beveiligingsprocedure, die in ieder geval voorschriften bevat met betrekking tot:

a. de toegang van personen tot en het beheer van rijbewijzen, de met de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen, apparatuur, toegangspassen en gebruikerscodes tot de apparatuur;

b. de verantwoordelijkheden van de beveiligingsfunctionaris, bedoeld in het zesde lid;

c. de functiescheiding tussen de bij de aanvraag en de uitreiking van rijbewijzen betrokken functionarissen.

2.Indien het als gevolg van de omvang van het ambtelijk apparaat van een met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit niet mogelijk is om te allen tijde te voldoen aan de in het eerste lid, onder c, gestelde eis van functiescheiding, kan daarvan met inachtneming van het derde en vierde lid worden afgeweken.

3.In de situatie, bedoeld in het tweede lid, wordt schriftelijk vastgelegd:

a. de reden waarom tijdelijk niet aan de eis van functiescheiding kan worden voldaan;

b. de periode waarin niet aan de eis van functiescheiding wordt voldaan;

c. de namen van de functionarissen die in de onder b bedoelde periode zijn belast met de aanvraag en de uitreiking van rijbewijzen.

4.Na afloop van de periode, bedoeld in het derde lid, controleert de beveiligingsfunctionaris, bedoeld in het zesde lid, of de aanvraag en de uitreiking van rijbewijzen op de voorgeschreven wijze hebben plaatsgevonden. Indien de aanvraag en de uitreiking van rijbewijzen niet op de voorgeschreven wijze hebben plaatsgevonden, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 130, tweede lid.

5.In de situatie, bedoeld in het tweede lid, wordt een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs niet vernietigd dan nadat de in het vierde lid bedoelde controle heeft plaatsgevonden.

6.De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten wijzen een beveiligingsfunctionaris aan, die is belast met het beheer van en het toezicht op de naleving van de beveiligingsprocedure.

7.De in het eerste lid bedoelde maatregelen maken deel uit van de reguliere accountantscontrole.

8.De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat de beveiligingsprocedure, bedoeld in het eerste lid, telkenjare wordt geŽvalueerd en zonodig wordt aangepast.

Artikel 129

De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat de onder hen ressorterende, met de afgifte van rijbewijzen belaste medewerkers regelmatig worden geÔnformeerd over ontvreemdings- en frauderisicoís en ten minste eenmaal per jaar worden geÔnstrueerd met betrekking tot risicobeperkende afspraken en maatregelen ter zake.

Artikel 130

1. De met de afgifte belaste autoriteiten controleren maandelijks de voorraad rijbewijzen aan de hand van de in het rijbewijzenregister opgeslagen gegevens.

2. De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dienen terstond na constatering van ontvreemding dan wel vermissing of vernietiging van rijbewijzen en met de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen en apparatuur ten gevolge van inbraak, diefstal, verduistering, overvallen, brand of anderszins, aangifte te doen bij de politie en, voor zover het de afgifte van rijbewijzen door de burgemeester betreft, de Dienst Wegverkeer in kennis te stellen.

3. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid bevat de navolgende gegevens:

a. het tijdstip en de exacte toedracht van de ontvreemding of vernietiging;

b. het nummer alsmede de persoonsgegevens van ieder ontvreemd, vermist of vernietigd rijbewijs;

c. de overige ontvreemde, vermiste of vernietigde materialen.

4. Zodra het door de plaatselijke politie opgemaakte proces-verbaal beschikbaar is, wordt daarvan een afschrift gezonden aan de Dienst Wegverkeer.

Hoofdstuk VI. Maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 131

Tot het doen van de schriftelijke mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet zijn bevoegd:

a. de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, en de door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers;

b. de commandant, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Politiewet 2012, en de door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers;

c. de betrokken officier van justitie;

d. de directeur van het CBR.

Artikel 131a

Bij de uitvoering van de maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid raadpleegt het CBR de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van betrokkene.

Afdeling 2. Educatieve maatregelen

Artikel 132

1. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de in artikel 130, eerste lid, van de wet bedoelde mededeling legt het CBR in de bij ministeriŽle regeling aangegeven gevallen betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel of maatregelen. Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de volledige betaling van de kosten van de educatieve maatregel of maatregelen stelt het CBR het tijdstip waarop en de plaats waar betrokkene de opgelegde educatieve maatregel of maatregelen dient te ondergaan, vast. Het wijst daarbij tevens de tot toepassing van die maatregel of maatregelen bevoegde deskundigen aan.

2. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het afwezigheidsbericht tijd en plaats waarop betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen dient te ondergaan, door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

3. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is zonder dat van een geldige reden van verhindering blijkt, wordt daarvan door de aangewezen deskundige of deskundigen onverwijld mededeling gedaan aan het CBR.

4. De bevindingen van de met de toepassing van de educatieve maatregelen belaste deskundige of deskundigen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken aan het CBR medegedeeld. Het CBR stelt op basis van die bevindingen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de ontvangst ervan, vast of betrokkene aan de hem opgelegde verplichtingen heeft voldaan.

Afdeling 3. Alcoholslotprogramma

ß 1. Algemeen

Artikel 132a

1. Een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet wordt alleen ingebouwd in motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen die onder deze rijbewijscategorie vallen.

2. Het in het eerste lid bedoelde alcoholslot wordt door betrokkene gehuurd of gekocht van de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, van de wet of van de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet.

3. Door betrokkene wordt met de in het tweede lid bedoelde erkenninghouder een contract afgesloten. In dit contract worden in ieder geval afspraken gemaakt over:

a. de inbouw, de kalibratie, het uitlezen, het onderhoud, de vervanging en de uitbouw van het alcoholslot;

b. de wijze van betaling van de kosten verbonden aan het alcoholslot en eventueel bijkomende kosten;

c. de consequenties van verkoop of diefstal van, dan wel schade aan, het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd.

4. Bij het verzoek tot inbouw van een alcoholslot dient door of namens degene aan wie het CBR de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, te worden overgelegd:

a. het burgerservicenummer of de persoonssleutel, van de persoon aan wie de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd;

b. het kentekenbewijs van het motorrijtuig, waarin het alcoholslot moet worden ingebouwd.

5. Bij het afhalen van het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd, dient degene aan wie de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, in persoon te verschijnen, zich te legitimeren aan de hand van een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1į, 2į of 3į, van de Wet op de identificatieplicht, de instructie te volgen over de werking en het gebruik van het alcoholslot en een verklaring van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld model te ondertekenen dat hij die instructie heeft ontvangen.

Artikel 132b

1. Het CBR bepaalt de periodes waarbinnen de betrokken rijbewijshouder het alcoholslot moet laten uitlezen, en het tijdstip waarop en de plaats waar hij zich dient te melden voor een gesprek of bijeenkomst.

2. Indien betrokkene niet op de vastgestelde plaats en tijd aanwezig is voor het gesprek of de bijeenkomst, wordt daarvan door de aangewezen deskundige respectievelijk die erkenninghouder onverwijld mededeling gedaan aan het CBR.

3. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is voor het gesprek, worden tijd en plaats zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de ontvangst van het afwezigheidsbericht opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake was van een geldige reden van verhindering.

4. Op basis van de mededeling, bedoeld in het tweede lid stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van die mededeling, vast of betrokkene aan de hem opgelegde verplichtingen heeft voldaan.

ß 2. Alcoholslotregister

Artikel 132c

1. In het in artikel 129a, eerste lid, van de wet bedoelde alcoholslotregister worden de volgende gegevens geregistreerd:

a. geslachtsnaam, voorvoegsels, eerste voornaam voluit, voorletters van eventuele overige voornamen, burgerlijke staat, plaats en datum en eventueel land van geboorte, geslacht en het burgerservicenummer of persoonssleutel van degene aan wie een rijbewijs is afgegeven;

b. indien in het oude rijbewijs diens adellijke titel of predicaat waren vermeld, adellijke titel of predicaat;

c. het bedrijfsnummer van de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet waaruit de naam, het adres, de postcode en de plaats waar de werkplaats is gevestigd blijkt of waaruit blijkt van welke werkplaats door de mobiele installatie-eenheid gebruik is gemaakt;

d. de naam van de persoon die een of meer van de in artikel 132k, eerste lid, van de wet bedoelde werkzaamheden heeft uitgevoerd;

e. datum van inbouw, inclusief kalibratie en, indien nodig justering, en het merk, type, typegoedkeuringsnummer en serienummer van het ingebouwde alcoholslot;

f. het kenteken van het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd;

g. gegevens omtrent autorisaties van werkplaatsen waar alcoholsloten kunnen worden ingebouwd, gekalibreerd, getest, uitgelezen, onderhouden, vervangen en uitgebouwd, alsmede omtrent medewerkers van die werkplaatsen die bevoegd zijn tot deze activiteiten;

h. de datum waarop het alcoholslot is uitgelezen, inclusief de kalibratie en zonodig justering, alsmede de gegevens die overeenkomstig Annex 2 bij bijlage 1 bij de Regeling voertuigen in het alcoholslot worden geregistreerd;

i. data van eventueel onderhoud, anders dan de periodieke kalibratie, van het ingebouwde alcoholslot en de reden hiervan en de daarop volgende kalibratie en zo nodig justering;

j. de datum van een eventuele vervanging van het alcoholslot en de reden daarvan, alsmede van de daarop volgende kalibratie en zo nodig justering;

k. gegevens betreffende onregelmatigheden met betrekking tot de bedrading, de behuizing, de aansluitpunten, de software, of de verzegeling, al dan niet in gecodeerde vorm;

l. de datum van beŽindiging van het alcoholslotprogramma;

m. de datum van de uitbouw van het alcoholslot of de alcoholsloten.

2. De in het eerste lid, onderdelen a, b, e, f, en h tot en met m, bedoelde gegevens worden verwijderd tien jaar na de beŽindiging van het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet, of de beslissing tot beŽindiging van het alcoholslotprogramma wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, tweede lid, van de wet of indien betrokkene is overleden.

Artikel 132d

Het CBR verwerkt in het alcoholslotregister de gegevens, genoemd in artikel 132c, onderdelen a, b en l.

Artikel 132e

De erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet verwerkt in het alcoholslotregister de gegevens genoemd in artikel 132c, onderdelen c tot en met k en m.

Artikel 132f

De Dienst Wegverkeer verwerkt in het alcoholslotregister de gegevens, genoemd in artikel 132c, onderdelen g en k.

Afdeling 4. Onderzoeken naar de rijvaardigheid of geschiktheid

Artikel 133

1. Tijdstip en plaats van het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van die gedeelten, worden door het CBR vastgesteld:

a. in de in artikel 131, eerste lid, van de wet bedoelde gevallen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de volledige betaling van de kosten van het onderzoek, in die gevallen waarin betaling voor rekening van betrokkene komt;

b. in de overige gevallen zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet.

2. Indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het afwezigheidsbericht tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

3. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is zonder dat van een geldige reden van verhindering blijkt, wordt daarvan door de aangewezen deskundige of deskundigen onverwijld mededeling gedaan aan het CBR.

Artikel 134

1. Het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid omvat een theorie-gedeelte en een praktijk-gedeelte.

2. Indien het onderzoek betrekking heeft op meerdere rijbewijscategorieŽn, wordt de kennis van de theorie van alle categorieŽn gezamenlijk onderzocht.

3. Het praktijk-gedeelte bestaat uit een rijproef voor elk van de categorieŽn waarop het onderzoek betrekking heeft.

4. Indien het onderzoek betrekking heeft op een of meer van de rijbewijscategorieŽn AM, A1, A2, A, B, C, C1, D, D1 en E dan wel mede op een of meer van die rijbewijscategorieŽn, bestaat het praktijk-gedeelte in afwijking van het derde lid uit een of meerdere rijproeven, afgenomen overeenkomstig artikel 135.

5. Bij ministeriŽle regeling worden richtlijnen vastgesteld omtrent de wijze van beoordelen van de rijvaardigheid van betrokkene.

Artikel 134a

Indien het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid een onderzoek betreft op basis van feiten of omstandigheden die het rijgedrag betreffen, dan bestaat het onderzoek alleen uit een praktijkonderzoek. Artikel 134, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 135

1. Indien het onderzoek betrekking heeft op de rijbewijscategorieŽn B, C, C1, D, D1 en E, wordt eerst een rijproef voor de categorie E bij C afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieŽn C, E bij C1, C1, E bij D, D, E bij D1, D1, E bij B en B.

2. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij C niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie C afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieŽn E bij C1, C1, E bij D, D, E bij B en B.

3. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie C niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij D afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieŽn D, E bij D1, D1, E bij B en B.

4. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij D niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie D afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieŽn E bij D1, D1, E bij B en B.

5. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie D niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij C1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie E bij D1, D1, E bij B en B.

6. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij C1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie C1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie E bij D1, D1, E bij B en B.

7. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie C1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij D1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie D1, E bij B en B.

8. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij D1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie D1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie E bij B en B.

9. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie D1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij B afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie B.

10. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij B niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie B afgenomen.

11. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie A niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie A2 afgenomen.

12. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie A2 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie A1 afgenomen.

13. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie A1 of blijkens een rijproef op grond van een van de voorgaande leden niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef afgenomen voor de categorie AM.

Artikel 136

1. Het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid vindt plaats aan de hand van de bij ministeriŽle regeling ter uitvoering van de artikelen 60a tot en met 64, 69a en 70 vastgestelde eisen met betrekking tot de rijvaardigheid.

2. In afwijking van het eerste lid vindt het in artikel 134a bedoelde onderzoek plaats aan de hand van de bij ministeriŽle regeling ter uitvoering van de artikelen 60a tot en met 64, 69a en 70 vastgestelde eisen met betrekking tot het onderdeel rijgedrag.

Artikel 137

1. De rijproef wordt afgelegd met een motorrijtuig dan wel een samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen van de rijbewijscategorie waarop het onderzoek betrekking heeft. De artikelen 69b en 71 tot en met 81 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Het motorrijtuig dan wel het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen, waarmee de rijproef wordt afgelegd, dient naar het oordeel van het CBR daartoe geschikt te zijn.

Artikel 138

De duur van de rijproef bedraagt voor de rijbewijscategorieŽn AM, A1, A2, A, B en E bij B ten minste 35 minuten en voor de rijbewijscategorieŽn C1, C, D1, D, E bij C1, E bij C, E bij D1 en E bij D ten minste 60 minuten.

Artikel 139

De rijproef kan binnen de voorgeschreven tijd worden gestaakt, indien betrokkene naar het oordeel van de deskundige of deskundigen door zijn wijze van rijden de veiligheid op de weg in gevaar brengt. Indien het onderzoek naar de rijvaardigheid betrekking heeft op de rijbewijscategorieŽn A1, A2 en A, kan de rijproef eveneens binnen de voorgeschreven tijd worden gestaakt, indien betrokkene naar het oordeel van de deskundige of deskundigen de bijzondere verrichtingen niet op juiste en veilige wijze uitvoert.

Artikel 140

Indien betrokkene bij een rijproef blijkt aan de eisen te voldoen doch bij het theorie-gedeelte wordt afgewezen, wordt hij in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na het onderzoek aan een nieuw onderzoek voor dit theorie-gedeelte deel te nemen.

Artikel 141

1. Het CBR deelt de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit mede aan degene die de in artikel 130 van de wet bedoelde mededeling heeft gedaan.

2. Indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet de rijvaardigheid bezit voor een of meer categorieŽn motorrijtuigen die in de vordering zijn vermeld, deelt het CBR de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit tevens mede aan:

a. degene die het rijbewijs heeft afgegeven, indien het ongeldig is verklaard voor alle categorieŽn waarvoor het is afgegeven;

b. degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, indien het niet voor alle categorieŽn waarvoor het is afgegeven, ongeldig is verklaard dan wel indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel van de geldigheidsduur.

Artikel 142

Het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de geschiktheid vindt plaats aan de hand van de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en mag slechts betreffen:

a. indien betrokkene de leeftijd van 70 jaren nog niet heeft bereikt, de punten waaromtrent in de eigen verklaring vragen zijn gesteld;

b. indien betrokkene de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt, bovendien de punten waaromtrent in het geneeskundig verslag vragen zijn gesteld.

Artikel 143

1. Het CBR deelt de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit mede aan degene die de in artikel 130 van de wet bedoelde mededeling heeft gedaan.

2. Indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van een of meer categorieŽn van motorrijtuigen of dat er redelijke grond bestaat voor de verwachting dat betrokkene slechts aan die eisen voldoet voor een termijn die korter is dan de tijdsduur waarvoor het rijbewijs op het tijdstip van het onderzoek nog geldig is, deelt het CBR de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit tevens mede aan degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen.

Hoofdstuk VII. Registratie van gegevens met betrekking tot rijbewijzen

Artikel 144

De Dienst Wegverkeer is verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het rijbewijzenregister.

Artikel 145

1. In het rijbewijzenregister worden de navolgende gegevens opgenomen:

a. geslachtsnaam, voorvoegsels, eerste voornaam voluit, voorletters van eventuele overige voornamen, burgerlijke staat, plaats en datum en eventueel land van geboorte, geslacht, en burgerservicenummer van degenen aan wie een rijbewijs is afgegeven;

b. indien in het rijbewijs op verzoek van de houder diens adellijke titel of predikaat zijn vermeld, adellijke titel of predikaat;

c. indien in het rijbewijs op verzoek van de houder naamsgegevens van diens huidige echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner, dan wel van de laatste gewezen echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner zijn vermeld, geslachtsnaam, voorvoegsels en adellijke titel of predikaat van die huidige echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner, dan wel van de laatste gewezen echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner;

d. het adres van degenen aan wie een rijbewijs is afgegeven en het adres zoals het bekend was ten tijde van de afgifte;

e. pasfoto en handtekening van degene aan wie een rijbewijs is afgegeven;

f. verklaringen van rijvaardigheid;

g. verklaringen van geschiktheid;

h. historische datum van afgifte en datum van einde geldigheidsduur per categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven;

i. eventuele beperkende aantekeningen, al dan niet in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering, per categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven;

j. nummer en datum van afgifte en uitreiking van het document, alsmede afgevende instantie;

k. datum van vermissing of diefstal van afgegeven rijbewijzen;

l. verblijfplaats van rijbewijzen die niet in het bezit zijn van de houder;

m. gegevens omtrent de inlevering van rijbewijzen en van Nederlandse omwisselingscertificaten, ingevolge de artikelen 120, tweede lid, en 124a, derde lid, van de wet;

n. gegevens omtrent het verlies van geldigheid van rijbewijzen ingevolge artikel 123a van de wet;

o. gegevens omtrent de ongeldigverklaring van rijbewijzen, van getuigschriften van vakbekwaamheid, van getuigschriften van nascholing en van Nederlandse omwisselingscertificaten, ingevolge de artikelen 124 en 124a, eerste lid, van de wet;

p. gegevens omtrent de toepassing van de artikelen 131 tot en met 134 van de wet;

q. gegevens omtrent de invordering en inhouding van rijbewijzen alsmede omtrent de schorsing van de inhouding;

r. gegevens omtrent de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen;

ra. gegevens omtrent de ongeldigheid van het rijbewijs ingevolge artikel 123b van de wet en omtrent de aantekening ingevolge dat artikel;

s. gegevens omtrent de toepassing van het dwangmiddel van inneming van het rijbewijs, bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;

t. gegevens omtrent autorisaties van medewerkers van de met de afgifte belaste autoriteit en omtrent aanvragen van rijbewijzen, waaronder het aanvraagnummer, de status van de aanvraag en inloggegevens van de bij de aanvraag betrokken medewerkers van de met de afgifte belaste autoriteit;

u. gegevens omtrent blanco rijbewijzen die ter beschikking zijn gesteld aan de met de afgifte van rijbewijzen belaste instanties;

v. gegevens omtrent instanties die zijn belast met de afgifte van rijbewijzen, getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en van Nederlandse omwisselingscertificaten;

w. gegevens omtrent verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing;

x. gegevens omtrent getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing die in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde code zijn verstrekt, per categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven;

y. gegevens omtrent Nederlandse omwisselingscertificaten.

2. De gegevens blijven bewaard nadat een rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren.

Artikel 146

1. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:

a. de aanvraag van rijbewijzen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de wet;

b. de afgifte van rijbewijzen, bedoeld in artikel 116, eerste lid, van de wet;

c. de inlevering van rijbewijzen, bedoeld in de artikelen 120, tweede lid, en 124, vierde lid, van de wet;

d. de ongeldigverklaring van rijbewijzen, bedoeld in artikel 124, tweede lid, van de wet;

e. beperking van de geldigheidsduur op grond van de in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid;

f. vermissing of diefstal, bedoeld in artikel 145, onderdeel k;

g. de verblijfplaats van rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l.

2. Degene die is belast met de afgifte en de ongeldigverklaring van getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en van Nederlandse omwisselingscertificaten verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:

a. de afgifte van getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en van Nederlandse omwisselingscertificaten, bedoeld in artikel 151g, zevende en achtste lid, van de wet;

b. de ongeldigverklaring van getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en van Nederlandse omwisselingscertificaten, bedoeld in artikel 124a, eerste lid, van de wet.

c. de inlevering van Nederlandse omwisselingscertificaten, bedoeld in artikel 124a, derde lid, van de wet.

3. Degene bij wie ingevolge artikel 124a, derde lid, van de wet de ongeldig verklaarde getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing moeten worden ingeleverd, verwerkt de gegevens omtrent de inlevering in het rijbewijzenregister.

Artikel 147

Degene die een rijbewijs ongeldig verklaart ingevolge artikel 124, eerste lid, van de wet verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:

a. de ongeldigverklaring;

b. de inlevering van rijbewijzen, bedoeld in artikel 124, vierde lid, van de wet;

c. de verblijfplaats van rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l.

Artikel 148

1. Het CBR verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:

a. de verklaring van rijvaardigheid;

b. de verklaring van geschiktheid;

c. de schorsing van de geldigheid van rijbewijzen, bedoeld in artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

d. de inlevering van rijbewijzen, bedoeld in de artikelen 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, en 134, vierde lid van de wet;

e. de teruggave van rijbewijzen, bedoeld in de artikelen 131, tweede lid, onderdeel c, en 134, vierde lid, van de wet;

f. de ongeldigverklaring van rijbewijzen, bedoeld in de artikelen 124, eerste lid, onderdeel d, 132, tweede lid, 132b, tweede lid, 134, tweede lid, van de wet;

g. de verblijfplaats van rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l;

h. de aantekening, bedoeld in de artikelen 124, zevende en achtste lid, 132b, vierde lid, en 134, zesde lid;

i. het opleggen van een alcoholslotprogramma krachtens artikel 118, derde lid, van de wet of op grond van de artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 134, zevende lid, onderdeel a, van de wet, alsmede de aanvang, het verlengen en het beŽindigen ervan.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens, gegevens betreffen omtrent rijbewijzen afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, wordt onder ęverwerkenĽ in het eerste lid, mede verstaan het melden van deze gegevens aan de Dienst Wegverkeer.

Artikel 149

De betrokken ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:

a. de vordering tot overgifte van rijbewijzen, bedoeld in de artikelen 130, tweede lid, en 164, eerste lid, van de wet;

b. het feitelijk innemen van die rijbewijzen;

c. het feitelijk innemen van rijbewijzen ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;

d. het voldoen van de administratieve sanctie;

e. de verblijfplaats van rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l.

Artikel 150

1. De officier van justitie verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:

a. de inhouding van rijbewijzen, bedoeld in artikel 164, vierde lid, van de wet;

b. de schorsing van de inhouding van rijbewijzen;

c. de teruggave van rijbewijzen die ingevorderd of ingehouden zijn geweest;

d. de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen;

e. de verblijfplaats van rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l;

f. de ongeldigheid van het rijbewijs ingevolge artikel 123b, van de wet, de datum van ingang van de ongeldigheid, bedoeld in dat artikel, en de aantekening ingevolge dat artikel.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens, gegevens betreffen omtrent rijbewijzen afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, wordt onder ęverwerkenĽ in het eerste lid, mede verstaan het melden van deze gegevens aan de Dienst Wegverkeer.

3. De officier van justitie is bevoegd in het rijbewijzenregister gegevens te verwerken omtrent de in artikel 164, eerste lid, van de wet bedoelde overgifte van rijbewijzen en het feitelijk innemen van die rijbewijzen, indien de verwerking van deze gegevens niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 149, en de desbetreffende rijbewijzen wel op grond van artikel 164, vierde lid, van de wet zijn opgezonden aan de officier van justitie.

Artikel 151

Het Centraal Justitieel Incassobureau verwerkt in geval van toepassing van het dwangmiddel van inneming van het rijbewijs, bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:

a. de vordering tot inlevering van rijbewijzen;

b. de datum waarop de inlevering dient plaats te vinden;

c. de duur van de inneming;

d. het bedrag van de verschuldigde sanctie;

e. het feitelijk innemen van rijbewijzen;

f. de verblijfplaats van rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l;

g. de teruggave van rijbewijzen die ingehouden zijn geweest.

Artikel 152

1. De Dienst Wegverkeer verwerkt in het rijbewijzenregister de gegevens omtrent:

a. de blanco rijbewijzen die ter beschikking zijn gesteld aan de met de afgifte van rijbewijzen belaste instanties;

b. de ongeldigheid van rijbewijzen ingevolge artikel 123, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

c. vermissing of diefstal, bedoeld in artikel 145, onderdeel k;

d. de aanvraag van rijbewijzen, waaronder de stand van zaken betreffende de aanvraag;

e. verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing ten behoeve van aanvragers van een rijbewijs die ťťn van de volgende documenten overleggen:

i. een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;

ii. een buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel

iii. een Nederlands omwisselingscertificaat;

f. de verblijfplaats van rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l.

2. De Dienst Wegverkeer verwerkt tevens de gegevens die op grond van artikel 148, tweede lid, door het CBR en op grond van artikel 150, tweede lid, door de officier van justitie aan hem zijn gemeld.

Artikel 153 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 153a

Indien een rijbewijs dat op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel d, van de wet voor ongeldigverklaring in aanmerking komt, niet ongeldig kan worden verklaard omdat het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een aantekening waaruit blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs een verklaring van geschiktheid dient te zijn geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aantekening betrekking heeft.

Artikel 153b

Indien een rijbewijs dat op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet voor ongeldigverklaring in aanmerking komt, niet ongeldig kan worden verklaard omdat het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur of omdat het reeds van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel 123b van de wet, plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een aantekening waaruit blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs voor iedere rijbewijscategorie waarop het in artikel 133, eerste lid, van de wet bedoelde onderzoek betrekking had, al naar gelang de aard van het onderzoek hetzij een verklaring van rijvaardigheid en een verklaring van geschiktheid hetzij een verklaring van geschiktheid moet zijn geregistreerd overeenkomstig de daarvoor vastgestelde regels.

Artikel 153c

Indien een rijbewijs dat op grond van artikel 134, tweede lid, van de wet voor ongeldigverklaring in aanmerking komt, niet ongeldig kan worden verklaard omdat het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur of omdat het reeds van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel 123b van de wet, plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een aantekening waaruit blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs voor iedere rijbewijscategorie waarvoor op grond van de uitslag van het in artikel 131, eerste lid, van de wet bedoelde onderzoek, al naar gelang de aard van het onderzoek, hetzij een verklaring van geschiktheid en een verklaring van rijvaardigheid, hetzij een verklaring van geschiktheid moet zijn geregistreerd overeenkomstig de daarvoor vastgestelde regels.

Artikel 153d

Indien een rijbewijs dat op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet niet ongeldig kan worden verklaard omdat het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur of omdat het op andere wijze reeds ongeldig is geworden, plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een aantekening waaruit blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op grond van de artikelen 41a tot en met 41d alleen een verklaring van geschiktheid kan worden geregistreerd indien is voldaan aan artikel 103, tweede en derde lid.

Artikel 154

Het in artikel 129 van de wet bedoelde reglement alsmede de wijziging en intrekking daarvan wordt voor een ieder ter inzage gelegd bij de Dienst Wegverkeer te Veendam alsmede bij de secretarie van iedere gemeente.

Artikel 154a

De Dienst Wegverkeer verstrekt op verzoek van Onze Minister de gegevens uit het rijbewijzenregister die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de in artikel 7:6, eerste lid, onder a, van de Arbeidstijdenwet genoemde taak of ter uitvoering van de ingevolge de artikelen 79, eerste lid, onderdeel e, en 104, eerste lid, onderdeel c, van de Wet personenvervoer 2000 aan Onze Minister verleende bevoegdheid.

Artikel 154b

De Dienst Wegverkeer verstrekt aan de in artikel 552 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren de gegevens uit het rijbewijzenregister die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de bij artikel 437, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feiten.

Artikel 155

1. Uit het rijbewijzenregister worden door de Dienst Wegverkeer aan de met de afgifte van rijbewijzen, dan wel met de beoordeling van de geldigheid van afgegeven rijbewijzen, belaste autoriteiten in andere lidstaten van de Europese Gemeenschap en in andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland inlichtingen verstrekt omtrent rijbewijzen waarvan de houder zich heeft gevestigd in de betrokken staat en aldaar om omwisseling heeft verzocht.

2. Uit het rijbewijzenregister worden door de Dienst Wegverkeer aan de met de afgifte van rijbewijzen, dan wel met de beoordeling van de geldigheid van afgegeven rijbewijzen, belaste autoriteiten buiten Nederland, anders dan in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, inlichtingen verstrekt omtrent rijbewijzen waarvan de houder zich heeft gevestigd in Aruba, CuraÁao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in de betrokken staat en aldaar om omwisseling heeft verzocht.

Artikel 155a

1.De Dienst Wegverkeer verstrekt informatie aan de met de afgifte van rijbewijzen of kwalificatiekaarten bestuurders belaste autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Gemeenschap omtrent

a. in de vorm van een code op het rijbewijs vermelde getuigschriften van vakbekwaamheid of getuigschriften van nascholing;

b. Nederlandse omwisselingscertificaten;

c. bestuurdersattesten en

d. nationale certificaten, waarvan de houder zich heeft gevestigd in de betrokken staat en aldaar om omwisseling heeft verzocht. Daartoe verstrekken de aangewezen exameninstantie en de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoerorganisatie gegevens aan de Dienst Wegverkeer.

2.De Dienst Wegverkeer meldt de aangewezen exameninstantie de einddatum van in de vorm van een code op het rijbewijs vermelde getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing.

Artikel 156

Uit het rijbewijzenregister worden door de Dienst Wegverkeer inlichtingen verstrekt aan de volgende belanghebbenden:

a. degenen omtrent wie gegevens in het register zijn opgenomen;

b. het Centraal Bureau voor de Statistiek, voor statistische doeleinden, voor zover het betreft niet tot personen herleidbare informatie;

c. het Verbond van Verzekeraars en andere belanghebbenden, ten behoeve van het vaststellen van rechten en plichten in het kader van de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten, voor zover het betreft de datum van afgifte en de geldigheid van rijbewijzen alsmede omtrent de categorie of categorieŽn van motorrijtuigen waarvoor rijbewijzen zijn afgegeven;

d. het Verbond van Verzekeraars, ten behoeve van het vaststellen van rechten en plichten in het kader van de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten, voor zover het betreft de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen;

e. personen werkzaam bij een postkantoor van Postkantoren BV voor zover zij de gegevens nodig hebben voor de afgifte van kentekenbewijzen en voor zover het betreft gegevens omtrent de geldigheid van rijbewijzen;

f. voertuigbedrijven voor zover het de verificatie van als identiteitsdocument aan het bedrijf getoonde rijbewijzen betreft ter bescherming van het eigendom van het bedrijf in het kader van de verhuur van de voertuigen van het bedrijf alsmede voor zover zij de gegevens nodig hebben voor de afgifte van kentekenbewijzen;

g. instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, voor zover het betreft gegevens omtrent de geldigheid van rijbewijzen;

h. personen en instanties aan wie de desbetreffende rijbewijzen worden getoond op grond van een wettelijke identificatieplicht, voor zover het betreft gegevens omtrent de geldigheid van rijbewijzen;

i. het Meldpunt ongebruikelijke transacties, bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, voor zover het betreft de gegevens, bedoeld in artikel 145, onderdelen a, b, c en d;

j. overige belanghebbenden voor zover deze de gegevens gebruiken voor statistische doeleinden en slechts nadat de gegevens door de Dienst Wegverkeer zijn ontdaan van alle elementen die de gegevens herleidbaar maken tot individuele personen;

k. overige door Onze Minister aangewezen belanghebbenden ten behoeve van het bij de aanwijzing aangegeven doel.

Hoofdstuk VIIa. Verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing voor bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg

ß 1. Algemeen

Artikel 156a

1.Verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door de aangewezen exameninstantie in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die de basiskwalificatie heeft behaald dan wel de nascholing heeft afgerond.

2.Nederlandse omwisselingscertificaten worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door de aangewezen exameninstantie afgegeven aan een ieder die de basiskwalificatie heeft behaald dan wel de nascholing heeft afgerond en deze op een in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap af te geven rijbewijs of kwalificatiekaart bestuurder wil laten vermelden.

3.Deelcertificaten worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door de aangewezen exameninstantie afgegeven aan een ieder die een nascholingsonderdeel heeft gevolgd en de nascholing in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap wil afronden.

4.In afwijking van het eerste lid worden verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing tegen overlegging van een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder dan wel een buitenlands omwisselingscertificaat door de Dienst Wegverkeer in het rijbewijzenregister geregistreerd.

Artikel 156b

1.Het voor de aanvraag van verklaringen van vakbekwaamheid, verklaringen van nascholing, Nederlandse omwisselingscertificaten of deelcertificaten verschuldigde tarief wordt vastgesteld door de aangewezen exameninstantie onder goedkeuring van Onze Minister.

2.Het in het eerste lid bedoelde tarief dient vůůr de indiening van de aanvraag te zijn voldaan door overmaking op een door de aangewezen exameninstantie aangewezen bankrekening.

Artikel 156c

1.De aangewezen exameninstantie is verantwoordelijk voor:

a. het ontwikkelen van de vakbekwaamheidsexamens met inbegrip van de exameneisen;

b. het afnemen van de vakbekwaamheidsexamens;

c. het periodiek vaststellen van het raamwerk van nascholingscursussen;

d. het voor het verrichten van nascholing erkennen van opleidingscentra en het certificeren van nascholingscursussen die door die opleidingscentra worden aangeboden;

e. het uitoefenen van toezicht op de erkende opleidingscentra;

f. het registreren van toetsresultaten;

g. het registreren van gevolgde nascholingsuren;

h. het registreren van verklaringen van vakbekwaamheid, verklaringen van nascholing en van Nederlandse omwisselingscertificaten in het rijbewijzenregister;

i. het uitreiken van Nederlandse omwisselingscertificaten;

j. het uitreiken van deelcertificaten;

k. het ongeldig verklaren van getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en Nederlandse omwisselingscertificaten.

2.Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de taken, bevoegdheden en werkwijze van de aangewezen exameninstantie.

ß 2. Aanvraag van verklaringen van vakbekwaamheid, verklaringen van nascholing, Nederlandse omwisselingscertificaten en deelcertificaten

Artikel 156d

1. De aanvraag van een verklaring van vakbekwaamheid, een verklaring van nascholing, een Nederlands omwisselingscertificaat of een deelcertificaat geschiedt op de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde wijze.

2. De aanvraag van een verklaring van vakbekwaamheid dan wel een verklaring van nascholing als bedoeld in artikel 156a, vierde lid, geschiedt op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze.

3. Bij de aanvraag raadpleegt de aangewezen exameninstantie dan wel de Dienst Wegverkeer de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van de aanvrager.

ß 3. Stelsel van basiskwalificatie

Artikel 156e

Het stelsel van basiskwalificatie omvat:

a. een theorie-examen vakbekwaamheid bestaande uit drie toetsen, en

b. een praktijkexamen vakbekwaamheid bestaande uit drie toetsen.

ß 4. Theorie-examen vakbekwaamheid

Artikel 156f

1. Het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn C1, C, E bij C1 en E bij C kan slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt.

2. Het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn D1, D, E bij D1 en E bij D kan slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt.

Artikel 156g

Voor toelating tot het theorie-examen vakbekwaamheid zijn de voorwaarden voor toelating tot het theorie-examen voor de rijbewijscategorieŽn C1, C, D1 of D van overeenkomstige toepassing.

Artikel 156ga

1. Het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C1 bestaat uit theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1, theorietoets vakbekwaamheid 2 en theorietoets vakbekwaamheid 3.

2. Bij het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C1 wordt getoetst of een aanvrager beschikt over grondige kennis van de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen omtrent onderwerpen die voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, alsmede op het op juiste wijze toepassen van die kennis.

3. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C1 met goed gevolg heeft afgelegd, is vrijgesteld van het theorie-examen voor rijbewijscategorie C1.

4. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs van de categorie C1, E bij C1, C of E bij C, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C1 door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.

5. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie D1 of D met goed gevolg heeft afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C1 door met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde additionele onderdelen af te leggen.

Artikel 156h

1. Het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C bestaat uit theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1, theorietoets vakbekwaamheid 2 en theorietoets vakbekwaamheid 3.

2. Bij het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C wordt getoetst of een aanvrager beschikt over grondige kennis van de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen omtrent onderwerpen die voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, alsmede op het op juiste wijze toepassen van die kennis.

3. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C met goed gevolg heeft afgelegd, is vrijgesteld van het theorie-examen voor rijbewijscategorie C.

4. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs van de categorie C1, E bij C1, C of E bij C, dat hetzij nog geldig is hetzij de geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.

5. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D1 of D met goed gevolg heeft afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde additionele onderdelen af te leggen.

Artikel 156ha

1. Het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D1 bestaat uit theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1, theorietoets vakbekwaamheid 2 en theorietoets vakbekwaamheid 3.

2. Bij het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie D1 wordt getoetst of een aanvrager beschikt over grondige kennis van bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, alsmede op het op juiste wijze toepassen van die kennis.

3. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D1 met goed gevolg heeft afgelegd, is vrijgesteld van het theorie-examen voor rijbewijscategorie D1.

4. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs van de categorie D1, E bij D1, D of E bij D, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie D1 door in aanvuling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.

5. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C1 of C met goed gevolg heeft afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie D1 door met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde additionele onderdelen af te leggen.

Artikel 156i

1. Het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D bestaat uit theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1, theorietoets vakbekwaamheid 2 en theorietoets vakbekwaamheid 3.

2. Bij het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie D wordt getoetst of een aanvrager beschikt over grondige kennis van bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders alsmede op het op juiste wijze toepassen van die kennis.

3. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie D met goed gevolg heeft afgelegd, is vrijgesteld van het theorie-examen voor rijbewijscategorie D.

4. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs voor de categorie D1, E bij D1, D of E bij D, dat hetzij nog geldig is hetzij de geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.

5. De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C1 of C met goed gevolg heeft afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde additionele onderdelen af te leggen.

ß 5. Praktijkexamen vakbekwaamheid

Artikel 156j

1. Het gedeelte van het praktijkexamen vakbekwaamheid dat niet op de openbare weg wordt afgelegd, kan worden afgelegd:

a. door personen die de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt indien het betreft een praktijkexamen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn C1, E bij C1, C en E bij C, of

b. door personen die de leeftijd van 17 jaren hebben bereikt indien het betreft een praktijkexamen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn D1 en E bij D1 en door personen die de leeftijd van 20 jaren hebben bereikt indien het betreft een praktijkexamen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn D en E bij D.

2. Het gedeelte van het praktijkexamen vakbekwaamheid dat op de openbare weg wordt afgelegd kan slechts worden afgelegd:

a. door personen die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt indien het betreft een praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorieŽn C1, E bij C1, C en E bij C, of

b. door personen die de leeftijd van 18 jaren hebben bereikt indien het betreft een praktijkexamen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn D1 en E bij D1 en door personen die de leeftijd van 21 jaren hebben bereikt indien het betreft een praktijkexamen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn D en E bij D.

Artikel 156k

1. Voor toelating tot het praktijkexamen vakbekwaamheid op de openbare weg zijn de voorwaarden voor toelating voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorieŽn C1, E bij C1, C, E bij C, D1, E bij D1, D en E bij D van overeenkomstige toepassing.

2. Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de toegang tot het praktijkexamen vakbekwaamheid.

Artikel 156ka

1. Het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C1 bestaat uit een rijproef die geÔntegreerd wordt afgelegd met het praktijkexamen voor het rijbewijs C1, en uit de praktijktoetsen vakbekwaamheid 1 en 2. De praktijktoets vakbekwaamheid 1 bestaat uit een praktische test. De praktijktoets vakbekwaamheid 2 kan op een besloten terrein of een simulator worden afgelegd.

2. De eisen voor het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C1 worden bij ministeriŽle regeling vastgesteld en betreffen in ieder geval:

a. bedrevenheid in rationeel rijden op basis van veiligheidsvoorschriften;

b. het kunnen toepassen van voorschriften omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;

c. het op juiste en veilige wijze kunnen toepassen van kennis en vaardigheden met betrekking tot een aantal bijzondere onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders.

3. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs van de categorie C1 of C, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C1 door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat praktijkexamen af te leggen.

Artikel 156l

1. Het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C bestaat uit een rijproef die geÔntegreerd wordt afgelegd met het praktijkexamen voor het rijbewijs C, en uit de praktijktoetsen vakbekwaamheid 1 en 2. De praktijktoets vakbekwaamheid 1 bestaat uit een praktische test. De praktijktoets vakbekwaamheid 2 kan op een besloten terrein of een simulator worden afgelegd.

2. De eisen voor het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C worden bij ministeriŽle regeling vastgesteld en betreffen in ieder geval:

a. bedrevenheid in rationeel rijden op basis van veiligheidsvoorschriften;

b. het kunnen toepassen van voorschriften omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;

c. het op juiste en veilige wijze kunnen toepassen van kennis en vaardigheden met betrekking tot een aantal bijzondere onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders.

3. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs van de categorie C1 of C, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat praktijkexamen af te leggen.

Artikel 156la

1. Het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D1 bestaat uit een rijproef die geÔntegreerd wordt afgelegd met het praktijkexamen voor het rijbewijs D1, en uit de praktijktoetsen vakbekwaamheid1 en 2. De praktijktoets vakbekwaamheid 1 bestaat uit een praktische test. De praktijktoets vakbekwaamheid 2 kan op een besloten terrein of een simulator worden afgelegd.

2. De eisen voor het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D1 worden bij ministeriŽle regeling vastgesteld en betreffen in ieder geval:

a. bedrevenheid in rationeel rijden op basis van veiligheidsvoorschriften;

b. het kunnen toepassen van voorschriften omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;

c. het op juiste en veilige wijze kunnen toepassen van kennis en vaardigheden met betrekking tot een aantal bijzondere onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders.

3. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs van de categorie D1 of D, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D1 door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat praktijkexamen af te leggen.

Artikel 156m

1. Het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D bestaat uit een rijproef die geÔntegreerd wordt afgelegd met het praktijkexamen voor het rijbewijs D, en uit de praktijktoetsen vakbekwaamheid 1 en 2. De praktijktoets vakbekwaamheid 1 bestaat uit een praktische toets. De praktijktoets vakbekwaamheid 2 kan op een besloten terrein of een simulator worden afgelegd.

2. De eisen voor het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D worden bij ministeriŽle regeling vastgesteld en betreffen in ieder geval:

a. bedrevenheid in rationeel rijden op basis van veiligheidsvoorschriften;

b. het kunnen toepassen van voorschriften omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;

c. het op juiste en veilige wijze kunnen toepassen van kennis en vaardigheden met betrekking tot een aantal bijzondere onderwerpen die voor bestuurders van motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders.

3. De aanvrager die reeds beschikt over een rijbewijs van de categorie D1 of D, dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, verwerft het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door in aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriŽle regeling vastgestelde onderdelen van dat praktijkexamen af te leggen.

Artikel 156n

1. De aangewezen exameninstantie kan een rij-instructeur die ingevolge de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 bevoegd is tot het geven van rijonderricht en die voldoet aan de door haar opgestelde eisen, aanwijzen tot het afnemen van praktijktoetsen vakbekwaamheid 1 en 2 voor de rijbewijscategorieŽn C1, C, D1 en D.

2. Een rij-instructeur als bedoeld in het eerste lid neemt de praktijktoetsen af met gebruikmaking van de exameneisen.

3. Een rij-instructeur als bedoeld in het eerste lid meldt aan de aangewezen exameninstantie binnen de door deze vastgestelde termijn of een aanvrager voldoet aan de exameneisen.

Artikel 156o

Bij ministeriŽle regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 156g tot en met 156n.

Artikel 156p

Op een praktijktoets vakbekwaamheid bedoeld in hoofdstuk VIIA zijn de artikelen 78, 81, 82, eerste lid, en 84 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van ęrijproefĽ telkens wordt gelezen ępraktijktoets vakbekwaamheidĽ, en dat in artikel 82, eerste lid, in plaats van ęhet CBRĽ wordt gelezen: de aangewezen exameninstantie.

ß 6. Vrijstellingen basiskwalificatie

Artikel 156q

1.De volgende bestuurders zijn vrijgesteld van het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid:

a. een bestuurder die houder is van een geldig rijbewijs van ťťn van de categorieŽn D1, E bij D1, D of E bij D of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, mits dat rijbewijs uiterlijk op 9 september 2008 is afgegeven;

b. een bestuurder die houder is van een geldig rijbewijs van ťťn van de categorieŽn C1, E bij C1, C of E bij C of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, mits dat rijbewijs uiterlijk op 9 september 2009 is afgegeven.

2.Een bestuurder als bedoeld in artikel 151d, tweede lid, onderdeel a, van de wet is bij het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid vrijgesteld van het afleggen van bij ministeriŽle regeling te bepalen onderdelen van het vakbekwaamheidsexamen.

3.Een bestuurder als bedoeld in artikel 151d, tweede lid, onderdeel b, van de wet die een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of een bij ministeriŽle regeling daaraan gelijkwaardig verklaarde opleiding volgt, is ťťnmaal voor een aaneengesloten periode van maximaal drie jaar voor Nederlands grondgebied vrijgesteld van de verplichting over een getuigschrift van vakbekwaamheid te beschikken indien hij:

a. een door het bevoegd gezag van de opleiding gewaarmerkte verklaring kan overleggen waaruit blijkt sinds welke datum hij de opleiding volgt, en

b. hij door middel van een geldig bewijs van inschrijving kan aantonen dat hij nog staat ingeschreven bij de opleiding.

4.Een bestuurder die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid voor ťťn van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde rijbewijscategorieŽn is vrijgesteld van de verplichting een dergelijk getuigschrift te behalen voor de overige in genoemd onderdeel vermelde rijbewijscategorieŽn.

5.Een bestuurder die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid voor ťťn van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde rijbewijscategorieŽn is vrijgesteld van de verplichting een dergelijk getuigschrift te behalen voor de overige in genoemd onderdeel vermelde rijbewijscategorieŽn.

6.Een bestuurder, geboren vůůr 1 juli 1955, is vrijgesteld van de verplichting een getuigschrift van vakbekwaamheid te behalen.

7.Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de vrijstelling bedoeld in het zesde lid.

ß 7. Stelsel van nascholing

Artikel 156r

1.Het stelsel van nascholing, bedoeld in hoofdstuk VIIA van de wet, bevat de verplichting van de bestuurder om bij een of meer erkende opleidingscentra per vijf jaren 35 uur nascholingscursussen te volgen.

2.Voor bestuurders bedoeld in artikel 156q, eerste lid, wordt de periode waarin de eerste nascholing kan worden gevolgd verlengd tot zeven jaren.

Artikel 156s

1.De nascholing bestaat uit nascholingscursussen die worden aangeboden in eenheden van ten minste 7 uur, waarin de onderwerpen die zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders opnieuw worden bestudeerd en uitgediept.

2.Het raamwerk van nascholingscursussen wordt periodiek vastgesteld door de aangewezen exameninstantie, die daarbij rekening houdt met de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen voor nascholingscursussen.

3.Bij de nascholingscursussen kan gebruik worden gemaakt van simulatoren.

Artikel 156t

1.Een bestuurder die tegen overlegging van bewijsstukken, afgegeven door bevoegde autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Gemeenschap, ten genoegen van de aangewezen exameninstantie kan aantonen dat hij een gedeelte van de nascholing aldaar heeft gevolgd, kan het voor hem nog resterende gedeelte van de nascholing in Nederland afronden.

2.De aangewezen exameninstantie kan bij de toetsing van de in het eerste lid bedoelde bewijsstukken de hulp van de Dienst Wegverkeer inroepen.

3.Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de toekenning van de nascholing.

Artikel 156u

1.Een erkend opleidingscentrum meldt binnen de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde termijn voorafgaand aan de dag waarop een nascholingscursus wordt gehouden de voorgenomen cursus aan de aangewezen exameninstantie. De melding bevat de door de aangewezen exameninstantie bepaalde onderwerpen.

2.Een erkend opleidingscentrum meldt binnen de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde termijn aan deze het feit dat een bestuurder een nascholingsonderdeel heeft gevolgd.

ß 8. Vrijstellingen nascholing

Artikel 156v

1.Een bestuurder die houder is van een getuigschrift van nascholing voor ťťn van de rijbewijscategorieŽn C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1 is vrijgesteld van de verplichting een getuigschrift van nascholing te behalen voor de overige genoemde rijbewijscategorieŽn.

2.Een bestuurder, geboren vůůr 1 juli 1955, is vrijgesteld van de verplichting een getuigschrift van nascholing te behalen.

ß 9. Erkenning opleidingscentra

Artikel 156w

1.De aangewezen exameninstantie kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is nascholing te organiseren.

2.Bij ministeriŽle regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

Artikel 156x

1.Een erkenning als opleidingscentrum voor het verrichten van nascholing wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze instantie vastgestelde tarief verleend indien is voldaan aan de bij ministeriŽle regeling gestelde eisen.

2.De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. de certificering van de aangeboden nascholingscursussen;

b. de kwalificaties en werkterreinen van de nascholingsdocenten en -instructeurs;

c. de cursuslocaties;

d. het voor het praktijkgedeelte gebruikte wagenpark, en

e. de omvang van het aantal deelnemers per nascholingscursus.

3.Een erkenning heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaren.

4.Een erkenning als bedoeld in het eerste lid kan door de aangewezen exameninstantie worden geschorst of ingetrokken indien:

a. de handelingen waarvoor de erkenning is verleend, niet meer worden verricht, of

b. niet meer aan de in het tweede lid bedoelde eisen wordt voldaan.

5.Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere eisen worden vastgesteld met betrekking tot de aanvraag, schorsing en intrekking van een erkenning.

ß 10. Onderricht

Artikel 156y

1.Degene die in het kader van hoofdstuk VIIA van de wet onderricht verricht anders dan rijonderricht bedoeld in de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, dan wel in het kader van dat hoofdstuk betrokken is bij de training, instructie of scholing van bestuurders, voldoet aan:

a. de eisen die zijn opgenomen in onderdeel 5.2.3 van bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, en

b. de bij ministeriŽle regeling bepaalde eisen.

2.Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan het toezicht op de in het eerste lid bedoelde personen.

Artikel 156z

Indien bij een praktijkexamen vakbekwaamheid of bij een nascholingscursus gebruik wordt gemaakt van een simulator voldoet deze aan de door de aangewezen exameninstantie gestelde en door Onze Minister goedgekeurde eisen.

ß 11. Registratie van verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing

Artikel 156aa

1.Indien de aanvrager naar het oordeel van de aangewezen exameninstantie de basiskwalificatie heeft behaald, registreert de aangewezen exameninstantie in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieŽn waarvoor de aanvrager de basiskwalificatie heeft behaald.

2.Nadat uit de in artikel 156u bedoelde meldingen is gebleken dat een bestuurder de nascholing heeft afgerond, registreert de aangewezen exameninstantie ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing.

3.Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit artikel bedoelde registraties en meldingen.

Artikel 156ab

1.Een getuigschrift van vakbekwaamheid behaald voor ťťn van de rijbewijscategorieŽn C1, E bij C1, C of E bij C wordt op het rijbewijs tevens vermeld naast alle andere van deze categorieŽn voor zover de desbetreffende bestuurder daarover beschikt.

2.Een getuigschrift van vakbekwaamheid behaald voor ťťn van de rijbewijscategorieŽn D1, E bij D1, D of E bij D wordt op het rijbewijs tevens vermeld naast alle andere van deze categorieŽn voor zover de desbetreffende bestuurder daarover beschikt.

3.Een getuigschrift van nascholing behaald voor de rijbewijscategorieŽn C1, E bij C1, C, E bij C, D1, E bij D1, D of E bij D wordt op het rijbewijs tevens vermeld naast alle andere categorieŽn waarvoor de desbetreffende bestuurder over een getuigschrift van vakbekwaamheid beschikt.

4.Een Nederlands omwisselingscertificaat geeft aan

a. voor welke rijbewijscategorieŽn een bestuurder de basiskwalificatie heeft behaald of

b. dat de bestuurder de nascholing heeft afgerond.

Artikel 156ac

Voor de toepassing van hoofdstuk VIIA wordt met een geldig rijbewijs van de rijbewijscategorieŽn C1, E bij C1, C, E bij C, D1, E bij D1, D of E bij D gelijkgesteld een geldig rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.

Artikel 156ad

Een wijziging van bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gaat voor de toepassing van hoofdstuk VIIA gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Hoofdstuk VIII. Bromfietscertificaten

ß 1 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 157 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 158 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 159 [Vervallen per 01-10-2006]

ß 2 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 160 [Vervallen per 01-10-2006]

ß 3 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 161 [Vervallen per 01-10-2006]

ß 4 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 162 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 163 [Vervallen per 01-10-2006]

ß 5 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 164 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 165 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 166 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 167 [Vervallen per 01-10-2006]

ß 6. Het register betreffende de afgifte van bromfietscertificaten

Artikel 168

De Dienst Wegverkeer is verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het register betreffende de afgifte van bromfietscertificaten.

Artikel 169

In het register betreffende de afgifte van bromfietscertificaten worden de navolgende gegevens verwerkt:

a. geslachtsnaam, voorvoegsels, voorletters, plaats en datum en eventueel land van geboorte van degenen aan wie een bromfietscertificaat is afgegeven;

b. adres van degenen aan wie een bromfietscertificaat is afgegeven, zoals dat bekend was ten tijde van de afgifte;

c. nummer en datum van afgifte van bromfietscertificaten;

d. gegevens omtrent de ongeldigverklaring van bromfietscertificaten.

Artikel 170

Het CBR verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent de afgifte van bromfietscertificaten alsmede omtrent de ongeldigverklaring van bromfietscertificaten.

Artikel 171 [Vervallen per 01-10-2004]

Artikel 172

Het in artikel 145 van de wet bedoelde reglement alsmede de wijziging en intrekking daarvan wordt voor een ieder ter inzage gelegd bij de Dienst Wegverkeer te Veendam alsmede bij de vestigingen van het CBR.

Artikel 173

Uit het register betreffende de afgifte van bromfietscertificaten worden door de Dienst Wegverkeer inlichtingen verstrekt aan de volgende belanghebbenden:

a. degenen omtrent wie gegevens in het register zijn opgenomen;

b. het CBR;

c. het Centraal Bureau voor de Statistiek, voor statistische doeleinden, voor zover het betreft niet tot personen herleidbare informatie;

d. het Verbond van Verzekeraars, ten behoeve van het vaststellen van rechten en plichten in het kader van de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten, voor zover het betreft de datum van afgifte van bromfietscertificaten;

e. overige door Onze Minister aangewezen belanghebbenden ten behoeve van het bij de aanwijzing aangegeven doel.

Hoofdstuk VIIIa. Experiment verlaging minimumleeftijd buschauffeurs

ß 1. Algemeen

Artikel 173a

1. Er wordt een experiment gehouden waarbij de minimumleeftijd voor het besturen van motorrijtuigen van rijbewijscategorie D wordt verlaagd.

2. Het experiment beoogt een vermindering van het tekort aan buschauffeurs onder voorwaarde van gelijkblijvende verkeersveiligheid.

3. Het experiment vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIIIa.

ß 2. Afwijkingen

Artikel 173b

1. De in artikel 5, eerste lid, onderdeel m, vastgestelde minimumleeftijd van 21 jaren voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D geldt niet indien:

a. de bestuurder de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt,

I. voor zover het vervoer betreft zonder passagiers;

II. voor zover het openbaar en besloten vervoer betreft waarvan het traject ten hoogste 50 km bedraagt; of

b. de bestuurder de leeftijd van twintig jaren heeft bereikt voor zover het openbaar en besloten vervoer betreft; en

c. de bestuurder beschikt over het getuigschrift van vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D;

d. het vervoer in Nederland plaatsvindt;

e. de bestuurder beschikt over een arbeidsovereenkomst met een busvervoerder, niet zijnde een uitleenovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; en

f. de bestuurder een begeleidingstraject volgt.

2. Onze Minister verstrekt de bestuurder die deelneemt aan het experiment een bewijs van deelname.

3. Onze Minister trekt een bewijs van deelname in indien:

a. een bewijs van deelname is afgegeven op grond van door de aanvrager verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;

b. na afgifte van het bewijs van deelname blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven;

c. niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 173c

In afwijking van artikel 67h, derde lid, wordt voor de toepassing van artikel 67h, eerste lid, onderdeel b, onder I met een rijbewijs B gelijkgesteld een in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr het examen mag liggen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie D en de aanvrager een op het beroep van chauffeur personenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt.

Artikel 173d

In afwijking van artikel 110b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet juncto artikel 6, eerste lid, mag degene die rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft, rijonderricht geven aan degene die de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, voor zover het betreft motorrijtuigen van de categorie waarvoor rijbewijs D wordt afgegeven en het rijonderricht plaatsvindt in het kader van een opleiding tot beroepschauffeur in het personenvervoer over de weg als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 173da

In afwijking van artikel 9, eerste lid, onderdeel d, is geen rijbewijs B vereist voor degene die rijonderricht ontvangt in het kader van een op het beroep van chauffeur personenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 173e

In afwijking van artikel 34 is ten behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister tevens geregistreerd een verklaring van vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D indien nog niet eerder een rijbewijs is afgegeven.

Artikel 173f

In afwijking van artikel 104a juncto artikel 5, onderdeel m, wordt een rijbewijs met code vakbekwaamheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, afgegeven aan diegene die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt voor zover het betreft een rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D.

Artikel 173g

Het rijbewijs dat overeenkomstig artikel 173f is afgegeven, is gedurende de periode dat de houder de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt, voor de rijbewijscategorie D slechts geldig in Nederland in combinatie met een aan de houder van het rijbewijs afgegeven bewijs van deelname.

ß 3. Evaluatie van het experiment

Artikel 173h

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt drie jaar na de inwerkingtreding van deze algemene maatregel van bestuur en ten minste zes maanden voor de beŽindiging van het experiment aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Hoofdstuk VIIIb. Experiment begeleid rijden

ß 1. Algemeen

Artikel 173i

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

begeleiderspas: begeleiderspas als bedoeld in artikel 173k.

Artikel 173j

1. Er wordt een experiment gehouden waarbij jongeren die vanaf 1 november 2011 de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt, vanaf zeventienjarige leeftijd hun rijbewijs kunnen halen en tot hun achttiende verjaardag alleen onder begeleiding mogen rijden.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen jongeren die in het kader van een op het beroep van chauffeur goederenvervoer of chauffeur personenvervoer gerichte beroepsopleiding volgen, als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en die op het in het eerste lid genoemde tijdstip de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt, vanaf de leeftijd van zeventien jaren hun rijbewijs halen en tot hun achttiende verjaardag alleen onder begeleiding rijden.

3. Het experiment beoogt een gunstig effect op de verkeersveiligheid van jonge beginnende bestuurders.

4. Het experiment vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk VIIIb.

ß 2. Afwijkingen

Artikel 173k

1. De in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, vastgestelde minimumleeftijd van 18 jaren voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B geldt niet voor zover:

a. de bestuurder vanaf 1 november 2011 de leeftijd van zeventien jaren heeft bereikt,

b. aan de bestuurder een rijbewijs B is afgegeven,

c. de bestuurder een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B bestuurt, en

d. naast de bestuurder een in de begeleiderspas vermelde begeleider zit ten aanzien van wie de bestuurder weet dat deze niet onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik daarvan Ė al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof Ė de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

2. De begeleiderspas dient:

a. te voldoen aan de bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling,

b. zijn geldigheid niet te hebben verloren en

c. behoorlijk leesbaar te zijn.

Artikel 173l

In afwijking van artikel 110b, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet juncto artikel 6, eerste lid, mag degene die rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft, rijonderricht geven aan degene die de leeftijd van zestien jaren en zes maanden heeft bereikt, voor zover het betreft motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B.

Artikel 173m

In afwijking van artikel 104a juncto artikel 5, eerste lid, onderdeel f, wordt een rijbewijs op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, afgegeven aan degene die vanaf 1 november 2011 de leeftijd van zeventien jaren heeft bereikt voor zover:

a. het betreft een rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, en

b. aan de aanvrager een begeleiderspas is afgegeven.

Artikel 173n

Het rijbewijs dat overeenkomstig artikel 173m is afgegeven is gedurende de periode dat de houder de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, voor de rijbewijscategorie B slechts geldig:

a. in combinatie met een aan de houder van het rijbewijs afgegeven begeleiderspas, en

b. in het Europese deel van Nederland.

Artikel 173o

1. In aanvulling op artikel 126, tweede lid, van de wet verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent de begeleider en de begeleiderspas, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de wet en voor de handhaving van de bij of krachtens de wet vastgestelde voorschriften.

2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden gedurende een periode van zeven jaar bewaard.

Artikel 173p

Onverminderd artikel 33 dient bij de aanvraag van een rijbewijs van de rijbewijscategorie B door een aanvrager die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt ten aanzien van hem in het rijbewijzenregister de afgifte van een begeleiderspas te zijn geregistreerd.

Artikel 173q

In afwijking van artikel 56, derde lid, kan het theorie-examen voor de rijbewijscategorie B worden afgelegd door personen die de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt.

Artikel 173r

Onverminderd artikel 145 worden in het rijbewijzenregister de navolgende gegevens opgenomen:

a. geslachtsnaam, voorvoegsels, eerste voornaam voluit, voorletters van eventuele overige voornamen en burgerservicenummer van degenen aan wie een begeleiderspas is afgegeven alsmede geslachtsnaam, eerste voornaam voluit, voorletters van eventuele overige voornamen en geboortedatum en geboorteplaats van de in de begeleiderspas genoemde begeleiders;

b. nummer en datum van afgifte van begeleiderspassen;

c. gegevens omtrent het verlies van geldigheid van begeleiderspassen ingevolge artikel 173y;

d. gegevens omtrent de ongeldigverklaring van begeleiderspassen ingevolge artikel 173z.

Artikel 173s

Onverminderd artikel 152 verwerkt de Dienst Wegverkeer in het rijbewijzenregister gegevens omtrent de aanvraag, afgifte, verlies van geldigheid en ongeldigverklaring van begeleiderspassen.

Artikel 173t

Onverminderd artikel 156 verstrekt de Dienst Wegverkeer inlichtingen aan Onze Minister en aan de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid ten behoeve van de monitoring en evaluatie van begeleid rijden.

ß 3. Aanvraag en afgifte van de begeleiderspas

Artikel 173u

1. De begeleiderspas kan worden aangevraagd door een persoon die ten tijde van de aanvraag de leeftijd van ten minste zestien jaren en zes maanden heeft bereikt en wordt, na betaling van de hiervoor bij ministeriŽle regeling vastgestelde kosten, door de Dienst Wegverkeer aan deze persoon verstrekt.

2. Ten behoeve van de begeleiderspas heeft zich op zijn vroegst zes maanden voor de zeventiende verjaardag van de te begeleiden persoon ten minste een begeleider gemeld bij de Dienst Wegverkeer op de door die dienst voorgeschreven wijze.

3. Het model van de begeleiderspas wordt bij ministeriŽle regeling vastgesteld.

4. De aanvraag van een begeleiderspas, alsmede de wijze van betaling van de daarvoor overeenkomstig het eerste lid vastgestelde kosten, geschiedt op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze.

Artikel 173v

Ten behoeve van de aanvraag van een begeleiderspas raadpleegt de Dienst Wegverkeer:

a. de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van de aanvrager en van de begeleider;

b. ten behoeve van de begeleider, het CBR, teneinde na te gaan of er sprake is van een van de in artikel 173w, onderdelen g, i, j en k, bedoelde situaties;

c. de in het rijbewijzenregister opgenomen gegevens ten aanzien van de begeleider teneinde na te gaan of er sprake is van een van de in artikel 173w, onderdelen a tot en met f en h, bedoelde situaties.

Artikel 173w

1. Een begeleiderspas wordt slechts afgegeven indien de aanvraag betrekking heeft op een begeleider:

a. die in het bezit is van een rijbewijs voor categorie B waarvan sinds de datum van eerste afgifte ten minste 5 jaren verstreken zijn en die de leeftijd van tenminste 27 jaren heeft bereikt;

b. van wie de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen niet op enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk is ontzegd;

c. van wie niet ingevolge artikel 130, tweede lid, van de wet de overgifte van het rijbewijs is gevorderd dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet is teruggegeven;

d. van wie niet ingevolge artikel 131, het tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieŽn is geschorst;

e. van wie niet ingevolge artikel 164, eerste lid, van de wet de overgifte van het rijbewijs is gevorderd dan wel het rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet is teruggegeven;

f. van wie het rijbewijs zijn geldigheid niet op enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag ingevolge artikel 123b, eerste lid, van de wet heeft verloren, dan wel ten aanzien van wie in die periode in het rijbewijzenregister een aantekening is gemaakt als bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet;

g. aan wie niet op enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag ingevolge artikel 132c, eerste lid, onder d, van de wet een rijbewijs is afgegeven waarop de bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot is vermeld;

h. van wie niet ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het rijbewijs is gevorderd noch het rijbewijs krachtens die wet is ingenomen, en

i. aan wie het CBR niet op enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag de verplichting heeft opgelegd zich aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid te onderwerpen;

j. van wie het rijbewijs niet op enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag ongeldig is verklaard op grond van artikel 134, tweede lid, van de wet na een onderzoek naar de rijvaardigheid of een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol of drugs;

k. van wie het rijbewijs niet op enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag ongeldig is verklaard op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet wegens het niet meewerken aan een educatieve maatregel of een onderzoek naar de rijvaardigheid of een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol of drugs.

2. De in het eerste lid, onderdeel a, gestelde eis geldt niet, indien de begeleider overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 over het in dat lid bedoelde certificaat beschikt.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Artikel 173x

De Dienst Wegverkeer geeft op aanvraag een nieuwe begeleiderspas af:

a. bij wijziging van de personalia van de houder of de begeleider;

b. indien de houder een nieuwe begeleider opgeeft;

c. na ongeldigverklaring van de eerder afgegeven begeleiderspas op grond van artikel 173z, eerste lid;

d. in geval de eerder afgegeven begeleiderspas versleten of geheel of ten dele onleesbaar is;

e. indien de eerder afgegeven begeleiderspas verloren is geraakt of teniet is gegaan.

ß 4. Verlies van geldigheid van de begeleiderspas

Artikel 173y

De begeleiderspas verliest zijn geldigheid:

a. door uitreiking van een nieuwe begeleiderspas;

b. door het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen;

c. door wijziging van de geslachtsnaam, de voornamen, de plaats of datum van geboorte of het geslacht van ťťn van de daarop vermelde personen;

d. op de dag dat de houder de leeftijd van achttien jaren bereikt.

Artikel 173z

Een begeleiderspas wordt door de Dienst Wegverkeer ongeldig verklaard indien:

a. de begeleiderspas is afgegeven op grond van door de aanvrager verschafte onjuiste gegevens en hij niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;

b. na afgifte van de begeleiderspas blijkt dat hij kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven.

ß 5. Maatregelen bij rijden zonder begeleider

Artikel 173aa

1. Indien een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen vaststelt dat de bestuurder die nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een motorrijtuig bestuurt zonder dat naast hem een in de begeleiderspas genoemde begeleider zit, doet hij daarvan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden, mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan de vaststelling ten grondslag liggen.

2. De in het eerste lid bedoelde mededeling wordt ook uitgebracht indien naast de bestuurder een op de begeleiderspas vermelde begeleider zit ten aanzien van wie de bestuurder weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik daarvan Ė al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof Ė de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

3. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie het vermoeden bestaat dat hij een motorrijtuig bestuurt zonder begeleider of zonder dat naast hem een in de begeleiderspas genoemde begeleider zit, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs, alsmede van de begeleiderspas.

4. Artikel 130, derde lid, laatste volzin, en vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.

5. De mededeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt schriftelijk gedaan volgens bij ministeriŽle regeling vastgesteld model of op andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in het model worden vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via geautomatiseerde systemen.

Artikel 173bb

1. Indien een mededeling als bedoeld in artikel 173aa, eerste of tweede lid, is gedaan, verklaart het CBR het rijbewijs van betrokkene voor categorie B ongeldig. Dit geldt ook indien de betrokkene inmiddels de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.

2. Het besluit is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.

3. Het CBR doet mededeling aan betrokkene dat hij een rijbewijs voor de categorie AM kan aanvragen of overeenkomstig artikel 173cc een rijbewijs voor de categorie B.

4. De houder van het ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs, zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden, in te leveren bij het CBR, ook indien de ongeldigverklaring niet alle categorieŽn betreft waarvoor het rijbewijs geldig was.

Artikel 173cc

1. Indien de aanvraag van een rijbewijs betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs door het CBR op grond van artikel 173bb ongeldig is verklaard, dient onverminderd artikel 33 in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid te zijn geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vůůr de aanvraag mag liggen, alsmede een verklaring van geschiktheid waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vůůr de aanvraag mag liggen.

2. Artikel 173q is niet van toepassing.

Hoofdstuk IX. Overgangsbepalingen

Artikel 174

Aanvragen van rijbewijzen die betrekking hebben op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model, dienen:

a. indien de aanvrager woonachtig is in Nederland, te zijn gericht tot de Dienst Wegverkeer en te worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager woonachtig is;

b. indien de aanvrager niet in Nederland woonachtig is, te zijn gericht tot en te worden ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

Artikel 175 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 176 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 177 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 178

Voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel d, wordt onder een rijbewijs B mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs B dat op het moment van de aanvraag na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model.

Artikel 178a

Artikel 15 van het Reglement rijbewijzen zoals dat luidde tot 19 januari 2013, blijft van kracht ten aanzien van personen:

a. aan wie voor het in de aanhef bedoelde tijdstip overeenkomstig het tot dat tijdstip bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde een rijbewijs is uitgereikt voor een of meer rijbewijscategorieŽn, tenzij dat rijbewijs ongeldig is verklaard op grond van artikel 124, eerste lid, onderdelen a of b, van de Wegenverkeerswet 1994;

b. ten aanzien van wie het besluit tot afgifte van een rijbewijs voor de rijbewijscategorieŽn waarop de aanvraag betrekking heeft, is genomen voor het in de aanhef bedoelde tijdstip, tenzij dat rijbewijs ongeldig is verklaard op grond van artikel 124, eerste lid, onderdelen a of b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 179

1. Voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, wordt onder een rijbewijs B dat is voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde code waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijk-examen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs B met de aanduiding ęAutomaatĽ.

2. Voor de toepassing van artikel 18, derde lid, wordt onder een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model.

3. Voor de toepassing van artikel 18, zesde lid, onderdeel a, wordt onder een rijbewijs B dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs B dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

Artikel 179a

1. Artikel 20 van het Reglement rijbewijzen, zoals dat luidde tot 19 januari 2013, blijft van toepassing op rijbewijzen voor de categorie A:

a. die zijn uitgereikt voor het in de aanhef genoemde tijdstip;

b. ten aanzien waarvan voor het in de aanhef genoemde tijdstip het besluit tot afgifte is genomen.

2. Het in het eerste lid bedoelde rijbewijs geeft tevens de bevoegdheid tot het besturen van motorfietsen van de categorie A1 en A2.

3. Aan personen ten aanzien van wie voor 19 januari 2013 een verklaring van rijvaardigheid is geregistreerd in het rijbewijzenregister die op grond van artikel 20 van het Reglement rijbewijzen zoals dat gold tot 19 januari 2013, recht zou hebben gegeven op een rijbewijs voor de categorie A dat gedurende twee jaren na de datum van afgifte slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie A, waarvan het vermogen niet meer dan 25 kW en tevens niet meer dan 0,16 kW per kg ledige massa bedraagt, wordt vanaf dat tijdstip een rijbewijs afgegeven voor de categorie A2.

4. Aan personen aan wie voor 19 januari 2013 een rijbewijs was uitgereikt voor, dan wel het besluit tot afgifte was genomen van, de categorie A dat gedurende twee jaar na die afgifte slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie A, waarvan het vermogen niet meer is dan 25 kW en tevens niet meer dan 0,16 kW per kg ledige massa bedraagt en die na dat tijdstip, maar voordat de beperking als bedoeld in artikel 20 van het Reglement rijbewijzen zoals dat gold tot 19 januari 2013, is vervallen, een nieuw of vervangend rijbewijs aanvragen dat geldig zou zijn geweest voor de in dit lid bedoelde categorie A, wordt een rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorieŽn A1 en A2, alsmede voor de categorie A vanaf het tijdstip waarop anders overeenkomstig artikel 20 van het Reglement rijbewijzen zoals dat gold tot 19 januari 2013, de eerder genoemde beperking zou zijn vervallen.

5. Personen aan wie voor 19 januari 2013 een rijbewijs was uitgereikt voor de categorie A dat gedurende twee jaar na die afgifte slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie A, waarvan het vermogen niet meer is dan 25 kW en tevens niet meer dan 0,16 kW per kg ledige massa bedraagt en van wie dat rijbewijs na dat tijdstip, maar voordat de beperking als bedoeld in artikel 20 van het Reglement rijbewijzen zoals dat gold tot 19 januari 2013, is vervallen, het rijbewijs ongeldig is verklaard of geworden, leggen om weer in het bezit te komen van een rijbewijs het praktijkexamen af op een motorrijwiel van de categorie A2. Aan hen wordt, als is voldaan aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 voorgeschreven voorwaarden, een rijbewijs afgegeven dat de bevoegdheid geeft voor de rijbewijscategorieŽn A2 en A1.

Artikel 179b

Examenvoertuigen voor de categorie A, die op 31 december 2013 voldoen aan de eisen aan een examenvoertuig van deze categorie zoals die golden tot dat tijdstip, kunnen tot uiterlijk 31 december 2018 als zodanig worden gebruikt.

Artikel 180 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 181 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 182 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 183

1. Voor de toepassing van de artikelen 35, aanhef en onderdeel a, 36 en 38 tot en met 43, wordt onder een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een eerder op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat op het moment van de aanvraag na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

2. Voor de toepassing van artikel 35, onderdeel b, onder III, wordt onder een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt, mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt.

3. Voor de toepassing van de artikelen 44, derde lid, artikel 46, derde en zesde lid, 107 en 108 wordt onder een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een eerder op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat op het moment van de aanvraag na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur of door omwisseling tegen een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland.

Artikel 184

1.Voor de toepassing van de artikelen 36, 43 en 59, derde lid, wordt onder een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een eerder op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat op het moment van de aanvraag na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model.

2.Voor de toepassing van artikel 59, eerste lid, onderdeel e, wordt onder een aan de aanvrager afgegeven rijbewijs B dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs B dat hetzij nog geldig is, hetzij na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

Artikel 185

Voor de toepassing van de artikelen 45, eerste lid, onderdeel b onder II, 47, eerste lid, onderdeel c onder II, en 48, eerste lid, onderdeel c onder II, worden in het overgelegde rijbewijs omschreven eisen ten aanzien van de inrichting van het voertuig en de eis dat de aanvrager corrigerende lenzen draagt, niet aangemerkt als beperkende aantekeningen die niet zijn aangeduid met de geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap.

Artikel 186

1. Voor de toepassing van artikel 67, derde lid, wordt onder een rijbewijs B, al dan niet voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs B, al dan niet voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model.

2. Voor de toepassing van artikel 67, vierde lid, wordt onder een rijbewijs voor het trekkende motorrijtuig, al dan niet voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs voor het trekkende motorrijtuig, al dan niet voorzien van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig met automatische schakeling, dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model.

Artikel 187

Voor de toepassing van de artikelen 67, onderdeel b, 67a, eerste lid, onderdeel b, 67c, eerste lid, onderdeel b, 67d, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, 67e, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, onderdeel b, 67f, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, onderdeel b, 67g, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, onderdeel b, 67h, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, onderdeel b, wordt onder een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs dat op het moment van de aanvraag zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model.

Artikel 188 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 189 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 190 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 191

Voor de toepassing van de artikelen 145 tot en met 152 wordt onder rijbewijzen mede verstaan rijbewijzen als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder 3e, van de Wegenverkeerswet.

Artikel 192 [Vervallen per 01-10-2006]

Artikel 193

Indien de aanvraag van een rijbewijs betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs in verband met het verstrijken van de geldigheidsduur van een voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs dat geldig is voor de rijbewijscategorie A wordt, indien de aanvrager ten behoeve van het besturen van een motorrijtuig op drie wielen, waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg, belang heeft bij afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, tegen overlegging van dat eerder afgegeven rijbewijs en een vůůr 1 juni 1996 op zijn naam gesteld kentekenbewijs dat is afgegeven voor een motorrijtuig als hier bedoeld, een rijbewijs afgegeven voor de rijbewijscategorieŽn A en B, dat voor wat betreft de rijbewijscategorie B slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen op drie wielen, waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

Artikel 194

Indien de aanvraag van een rijbewijs betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en waarin de aanduiding ęAutomatische gangwissel of koppelingĽ, al dan niet in combinatie met de aanduiding ęTot ťťn jaar na datum van afgifte beperkt geldigĽ is geplaatst, wordt een rijbewijs afgegeven zonder die beperkende aanduiding of aanduidingen.

Artikel 195

1.Indien de aanvraag van een rijbewijs betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en waarin vermeldingen of beperkende aantekeningen zijn aangebracht, wordt een rijbewijs afgegeven waarin die vermeldingen of beperkende aantekeningen zijn aangeduid met een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering.

2.Indien het op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, bedoeld in het eerste lid, niet kan worden overgelegd omdat het verloren is geraakt of teniet is gegaan, neemt degene die een rijbewijs afgeeft de in het rijbewijzenregister opgenomen vermeldingen of beperkende aantekeningen in de vorm van een bij ministeriŽle regeling vastgestelde codering over in het af te geven rijbewijs.

Artikel 196

Indien de aanvrager van een rijbewijs in het bezit is van:

a. een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs C met de aanduiding ęAutomaatĽ, dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model, en hij ter verkrijging van een rijbewijs D een verklaring van rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen heeft afgelegd met een motorrijtuig met automatische schakeling,

b. een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs D met de aanduiding ęAutomaatĽ, dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model, en hij ter verkrijging van een rijbewijs C een verklaring van rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen heeft afgelegd met een motorrijtuig met automatische schakeling,

c. een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs C dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model, en hij ter verkrijging van een rijbewijs D een verklaring van rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen heeft afgelegd met een motorrijtuig met automatische schakeling, dan wel

d. een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs D dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriŽle regeling aangewezen model, en hij ter verkrijging van een rijbewijs C een verklaring van rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen heeft afgelegd met een motorrijtuig met automatische schakeling,

wordt een rijbewijs afgegeven voor het besturen van de betrokken, in het van toepassing zijnde onderdeel a, b, c of d bedoelde categorieŽn van motorrijtuigen, zonder dat voor ťťn van die categorieŽn een beperking tot motorrijtuigen met automatische schakeling geldt.

Artikel 197

1. Met ingang van de datum waarop de bevoegdheid van een Nederlands-Antilliaans bestuursorgaan tot afgifte van rijbewijzen is overgegaan op een bestuursorgaan van Curaςao of Sint Maarten, worden voor de toepassing van het Reglement rijbewijzen, rijbewijzen die op grond van die bevoegdheid vůůr het tijdstip van transitie zijn afgegeven door het bevoegde gezag op de Nederlandse Antillen, gelijkgesteld met rijbewijzen die vanaf het tijdstip van transitie zijn afgegeven door het daartoe bevoegde gezag op Curaςao of Sint Maarten.

2. Onder tijdstip van transitie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het tijdstip waarop artikel I van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

Hoofdstuk X. Strafbepaling

Artikel 198

Overtreding van artikel 2, vijfde lid, is een strafbaar feit.

Hoofdstuk XI. Slotbepalingen

Artikel 199

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 200

Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement rijbewijzen.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 30 mei 1996

 

BEATRIX

 

De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
Margaretha de Boer

 

Uitgegeven de eenendertigste mei 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wvw 1994 | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x