| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
REGLEMENT
RIJBEWIJZEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 30 mei 1996, houdende uitvoering van de Wegenverkeerswet
1994 (Reglement rijbewijzen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17
november 1993, nr. R 163248, Hoofddirectie van de Waterstaat,
Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op Richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L
237) en de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 5 april 1994, nr. W09.93.0755);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
van 28 mei 1996, nr. R 219195, Hoofddirectie van de Waterstaat,
Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Wegenverkeerswet 1994;
b. ledige massa: massa van het
voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half
gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de
normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de
bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd;
c. toegestane maximum massa: ledige
massa, vermeerderd met het maximum toegestane gewicht aan lading;
d. oplegger: aanhangwagen waarvan een
aanzienlijk deel van de massa, bij gelijkmatig verdeelde lading,
door het trekkend voertuig wordt gedragen;
e. verklaring van rijvaardigheid:
verklaring waaruit blijkt van een onderzoek met goed gevolg naar de
rijvaardigheid van de aanvrager tot het besturen van motorrijtuigen
van de in de verklaring vermelde rijbewijscategorie;
f. verklaring van geschiktheid:
verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid bezit tot het besturen van motorrijtuigen
van de in de verklaring vermelde rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën;
g. eigen verklaring: verklaring van
de aanvrager ter zake van zijn lichamelijke en geestelijke
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie of
categorieën waarvoor een verklaring van geschiktheid wordt
verlangd;
h. geneeskundig verslag: op basis van
een keuring van de aanvrager opgemaakt verslag betreffende diens
lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van
motorrijtuigen van de in het verslag vermelde rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën;
i. theorie-certificaat: verklaring
waaruit blijkt dat de aanvrager met goed gevolg een theorie-examen
heeft afgelegd voor de in de verklaring vermelde rijbewijscategorie;
j. richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders: de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn;
k. basiskwalificatie: opleidings- en
kennisniveau dat de in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
aangewezen onderwerpen en praktische vaardigheiden omvat;
l. getuigschrift van vakbekwaamheid:
document dat dient als bewijs dat de houder de basiskwalificatie
heeft behaald;
m. praktijkexamen vakbekwaamheid:
praktijkgedeelte van het examen gericht op het behalen van een
getuigschrift van vakbekwaamheid;
n. theorie-examen vakbekwaamheid:
theoretische gedeelte van het examen gericht op het behalen van een
getuigschrift van vakbekwaamheid;
o. nascholing: periodiek
opleidingstraject dat in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
aangewezen onderwerpen en praktische vaardigheden omvat;
p. getuigschrift van nascholing:
document dat dient als bewijs dat de houder de nascholing heeft
afgerond;
q. aangewezen exameninstantie:
persoon of instelling als bedoeld in artikel 151f, eerste lid, van
de Wegenverkeerswet 1994;
r. verklaring van vakbekwaamheid:
verklaring die de aangewezen exameninstantie in het
rijbewijzenregister registreert nadat de aanvrager de
basiskwalificatie heeft behaald;
s. verklaring van nascholing:
verklaring die de aangewezen exameninstantie in het
rijbewijzenregister registreert nadat de aanvrager de nascholing
heeft afgerond;
t. Nederlands omwisselingscertificaat:
certificaat als bedoeld in artikel 151g, vierde lid, van de
Wegenverkeerswet 1994;
u. buitenlands
omwisselingscertificaat: certificaat afgegeven door de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap
overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aantonende
dat de bestuurder de basiskwalificatie heeft behaald of de
nascholing heeft afgerond;
v. bestuurdersattest:
bestuurdersattest als bedoeld in artikel 151c, vierde lid, onderdeel
a, van de Wegenverkeerswet 1994;
w. nationaal certificaat: certificaat
als bedoeld in artikel 151c, vierde lid, onderdeel b, van de
Wegenverkeerswet 1994;
x. kwalificatiekaart bestuurder:
kaart afgegeven door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de
Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders aantonende dat de bestuurder de basiskwalificatie heeft
behaald of de nascholing heeft afgerond;
y. deelcertificaat: certificaat
aantonende dat de bestuurder een aantal uren nascholing heeft
gevolgd, maar nog niet heeft afgerond;
z. persoonssleutel: unieke code
toegekend aan natuurlijke personen zonder burgerservicenummer om
deze eenduidig te kunnen identificeren.
§ 2. Uitzonderingen rijbewijsplicht
Artikel 2
1. Voor het besturen van motorrijtuigen
van de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op twee wielen, is geen
rijbewijs vereist:
a. gedurende de tijd dat aan de
bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding
voor het praktijkexamen voor die rijbewijscategorie, mits:
I. die bestuurder in het bezit
is van een niet langer dan een jaar en zes maanden van tevoren
afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie AM;
II. de bestuurder geen andere
personen vervoert, uitgezonderd degene die aan de bestuurder
rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 geeft;
b. tijdens het praktijkexamen.
2. Voor het besturen van motorrijtuigen
van de rijbewijscategorie A is geen rijbewijs vereist:
a. gedurende de tijd dat aan de
bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding
voor het praktijk-examen voor die rijbewijscategorie, mits
I. die bestuurder in het bezit
is van een van de volgende documenten:
1. een niet langer dan een jaar
en zes maanden van tevoren afgegeven theoriecertificaat voor
de rijbewijscategorie A;
2. een door het daartoe
bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes
maanden van tevoren afgegeven theoriecertificaat voor de
rijbewijscategorie A;
3. een rijbewijs A dat slechts
geldig is voor het besturen van motorrijtuigen die zijn
voorzien van een automatische gangwissel of van een
automatische koppeling;
4. een rijbewijs A dat slechts
geldig is voor het besturen van motorrijtuigen op twee wielen,
waarvan het vermogen niet meer dan 25 kW en tevens niet meer
dan 0,16 kW per kg ledige massa bedraagt;
5. een geldig rijbewijs B;
II. de bestuurder geen andere
personen vervoert, uitgezonderd degene die aan de bestuurder
rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 geeft;
b. tijdens het praktijk-examen.
3. De in het eerste lid, onderdeel a,
of het tweede lid, onderdeel a, bedoelde bestuurders zijn verplicht op
de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet
bedoelde personen het theorie-certificaat ter inzage af te geven.
4. Voor de toepassing van het tweede
lid, onderdeel a onder I punt 5, wordt met een geldig rijbewijs B
gelijkgesteld een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of
in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
Artikel 3
Voor het besturen van motorrijtuigen van
de rijbewijscategorieën C, D en E is geen rijbewijs vereist bij het
uitvoeren van de van het praktijk-examen deel uitmakende bijzondere
verrichtingen voor zover het motorrijtuig daarbij niet onder toezicht
wordt bestuurd:
a. gedurende de tijd dat aan de
bestuurder rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het kader van de opleiding voor
het praktijk-examen voor een van die rijbewijscategorieën, en
b. tijdens het praktijk-examen.
Artikel 4
Voor het besturen van motorrijtuigen is
geen rijbewijs vereist tijdens het afleggen van de in de artikelen 101,
eerste lid, aanhef, en103, derde lid, bedoelde rijproef, mits de
bestuurder in het bezit is van een oproep voor die rijproef.
§ 3. Uitzonderingen minimumleeftijd
Artikel 5
1. De in artikel 110, eerste lid, van
de wet voor het besturen van motorrijtuigen vastgestelde
minimumleefijd van achttien jaren geldt niet voor:
a. bestuurders van
gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een elektromotor en
die niet sneller kunnen rijden dan 10 km per uur;
b. bestuurders van bromfietsen,
niet zijnde bestuurders van bromfietsen als bedoeld in onderdeel
c, landbouw- of bosbouwtrekkers, gehandicaptenvoertuigen, andere
dan die bedoeld in onderdeel a, en motorrijtuigen met beperkte
snelheid, niet zijnde stoom- en motorwalsen; deze motorrijtuigen
mogen slechts worden bestuurd door personen die de leeftijd van
zestien jaren hebben bereikt;
c. bestuurders van bromfietsen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van
de wet die beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een
kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten als bedoeld in
artikel 5, zesde lid, van het RVV 1990.
2. Van de in het eerste lid, onderdeel
b, vastgestelde minimumleeftijd van zestien jaren kan ontheffing
worden verleend voor zover het betreft gehandicaptenvoertuigen.
§ 4. Eisen ten aanzien van het geven van
rijonderricht
Artikel 6
De in artikel 110b, eerste lid, onderdeel
b, van de wet vervatte eis dat degene aan wie rijonderricht wordt
gegeven, de leeftijd van achttien jaren dient te hebben bereikt, geldt
niet voor zover:
a. degene aan wie rijonderricht wordt
gegeven, een opleiding volgt tot beroepschauffeur in het
goederenvervoer over de weg,
b. de opleiding plaatsvindt in het
kader van de Wet educatie en beroepsonderwijs en
c. degene aan wie rijonderricht wordt
gegeven, de leeftijd van zeventien jaren heeft bereikt.
Artikel 7
1. Bij het geven van rijonderricht in
de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in het kader van
de opleiding voor het praktijkexamen voor rijbewijscategorie AM dient
te worden voldaan aan de volgende eisen:
a. degene aan wie rijonderricht
wordt gegeven op een tweewielige bromfiets dient in het bezit te
zijn van een niet langer dan een jaar en zes maanden van tevoren
afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie AM;
b. indien degene die rijonderricht
geeft, zich achter de bestuurder op de tweewielige bromfiets
bevindt, mag geen rijonderricht worden gegeven aan andere personen
dan aan die bestuurder. Hetzelfde geldt indien degene die
rijonderricht geeft, zich naast de bestuurder in de drie- of
vierwielige bromfiets bevindt;
c. indien degene die rijonderricht
geeft aan bestuurders van tweewielige bromfietsen, zich niet
achter de bestuurder op de tweewielige bromfiets bevindt, mag
rijonderricht worden gegeven aan ten hoogste vier bestuurders en
dient tussen degene die rijonderricht geeft en de bestuurder of
bestuurders die rijonderricht ontvangt of ontvangen, radiografisch
contact te bestaan;
d. degene die rijonderricht geeft
aan een bestuurder van een bromfiets mag niet tegelijkertijd
rijonderricht geven in het kader van de opleiding voor een andere
rijbewijscategorie.
2. Bij het geven van rijonderricht in
de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in het kader van
de opleiding voor het praktijk-examen voor rijbewijs A dient te worden
voldaan aan de volgende eisen:
a. indien degene die rijonderricht
geeft, zich achter de bestuurder op het motorrijtuig bevindt, mag
geen rijonderricht worden gegeven aan andere personen dan aan die
bestuurder;
b. indien degene die rijonderricht
geeft, zich niet achter de bestuurder op het motorrijtuig bevindt,
mag rijonderricht worden gegeven aan ten hoogste twee bestuurders
en dient tussen degene die rijonderricht geeft en de bestuurder of
bestuurders die rijonderricht ontvangt of ontvangen, radiografisch
contact te bestaan;
c. degene die rijondericht geeft
mag niet tegelijkertijd rijonderricht geven in het kader van de
opleiding voor een andere rijbewijscategorie;
d. het motorrijtuig of de
motorrijtuigen waarmee rijonderricht wordt gegeven, dient of
dienen te zijn voorzien van een bij ministeriële regeling
vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die
regeling is voorgeschreven;
e. degene aan wie rijonderricht
wordt gegeven, dient in het bezit te zijn van een van de volgende
documenten:
I. een niet langer dan een jaar
en zes maanden van tevoren afgegeven theoriecertificaat voor
de rijbewijscategorie A;
II. een door het daartoe
bevoegde militaire gezag niet langer dan een jaar en zes
maanden van tevoren afgegeven theoriecertificaat voor de
rijbewijscategorie A;
III. een rijbewijs A dat
slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen die
zijn voorzien van een automatische gangwissel of van een
automatische koppeling;
IV. een rijbewijs A dat slechts
geldig is voor het besturen van motorrijtuigen op twee wielen,
waarvan het vermogen niet meer dan 25 kW en tevens niet meer
dan 0,16 kW per kg ledige massa bedraagt;
V. een geldig rijbewijs B.
3. Voor de toepassing van het tweede
lid, onderdeel e, onder V, wordt met een geldig rijbewijs B
gelijkgesteld een geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of
in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
Artikel 7a
1. De bromfiets, waarmee rijonderricht
in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven
in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie AM, tweewielige bromfietsen, dient te zijn voorzien
van een bij ministeriële regeling vastgestelde aanduiding,
aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.
2. De bromfiets waarmee rijonderricht
in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven
in het kader van de opleiding voor het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie AM, drie- of vierwielige bromfietsen, dient te zijn
voorzien van:
a. inrichtingen die zo zijn
aangebracht dat degene die rijonderricht geeft daarmee de
bedrijfsrem en de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan
bedienen, dan wel, indien het motorrijtuig niet is voorzien van
een koppelingspedaal, van een andere inrichting waarmee hij de
aandrijving van het motorrijtuig door de motor kan onderbreken;
b. een binnen- en een buitenspiegel
waarmee degene die rijonderricht geeft het achter en rechts naast
hem gelegen weggedeelte kan overzien;
c. een bij ministeriële regeling
vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die
regeling is voorgeschreven.
Artikel 8
Het motorrijtuig waarmee rijonderricht in
de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven in het
kader van de opleiding voor het praktijk-examen voor rijbewijs B, dient
te zijn voorzien van:
a. inrichtingen die zo zijn
aangebracht dat degene die rijonderricht geeft, daarmee de
bedrijfsrem en, indien het motorrijtuig is voorzien van een
koppelingspedaal, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan
bedienen;
b. een binnen- en een buitenspiegel
waarmee degene die rijonderricht geeft het achter en rechts naast
hem gelegen weggedeelte kan overzien;
c. een bij ministeriële regeling
vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die
regeling is voorgeschreven.
Artikel 9
1. Bij het geven van rijonderricht in
de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in het kader van
de opleiding voor het praktijk-examen voor rijbewijs C, D of E dient
te worden voldaan aan de volgende eisen:
a. inrichtingen die zo zijn
aangebracht dat degene die rijonderricht geeft, daarmee de
bedrijfsrem en, indien het motorrijtuig is voorzien van een
koppelingspedaal, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend
kan bedienen;
b. het motorrijtuig waarmee
rijonderricht wordt gegeven, dient te zijn voorzien van twee of
meer buitenspiegels waarmee degene die rijonderricht geeft het
rechts en links naast en achter hem gelegen weggedeelte kan
overzien;
c. het motorrijtuig waarmee
rijonderricht wordt gegeven, dient te zijn voorzien van een bij
ministeriële regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de
wijze als bij die regeling is voorgeschreven;
d. degene aan wie rijonderricht
wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het
praktijk-examen voor rijbewijs C of D, dient in het bezit te zijn
van een rijbewijs B dat hetzij nog geldig is hetzij zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur;
e. degene aan wie rijonderricht
wordt gegeven in het kader van de opleiding voor het
praktijkexamen voor rijbewijs E, dient in het bezit te zijn van
een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van het trekkende
motorrijtuig, al dan niet voorzien van een bij ministeriële
regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder van
dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een
motorrijtuig dat is voorzien van een automatische gangwissel of
van een automatische koppeling;
2. Het eerste lid, onderdelen d en e,
geldt niet voor degene die rijonderricht ontvangt in het kader van een
op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en voor degene die
rijonderricht ontvangt met het oog op de aanvraag van een rijbewijs
als bedoeld in artikel 42b.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel e, wordt met een rijbewijs dat geldig is voor het
besturen van het trekkende motorrijtuig gelijkgesteld een door het
daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese
Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven
rijbewijs dat geldig is voor het besturen van het trekkende
motorrijtuig.
4. Degene die rijonderricht ontvangt
met het oog op een aanvraag als bedoeld inartikel 42b, eerste lid,
dient in het bezit te zijn van een verklaring als bedoeld in artikel
42b, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 10
Artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot
en met c, is van overeenkomstige toepassing bij het geven van
rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in
het kader van het behalen van de basiskwalificatie.
§ 5 [Vervallen per 10-09-2008]
Artikel 11 [Vervallen per 25-08-2006]
Artikel 12 [Vervallen per 25-08-2006]
Artikel 13 [Vervallen per 25-08-2006]
Artikel 14 [Vervallen per 25-08-2006]
§ 6. Omvang van de uit het rijbewijs
voortvloeiende bevoegdheid
Artikel 15
1. Rijbewijzen worden afgegeven voor
het besturen van de volgende categorieën van motorrijtuigen:
a. bromfietsen, niet zijnde
bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
subonderdeel d, van de wet (Rijbewijs AM);
b. motorrijtuigen op twee wielen,
waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm3 of de door de
constructie bepaalde maximumsnelheid meer dan 45 km per uur
bedraagt, al dan niet met zijspanwagen of aanhangwagen (Rijbewijs
A);
c. motorrijtuigen op drie wielen,
niet zijnde motorrijtuigen op twee wielen met zijspanwagen, en
motorrijtuigen op vier of meer wielen, waarvan de toegestane
maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en die niet zijn
ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder
daaronder niet begrepen, alsmede door die motorrijtuigen
voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa
niet meer bedraagt dan 750 kg, dan wel meer bedraagt dan 750 kg,
mits in dat geval de toegestane maximum massa van de aanhangwagen
niet meer bedraagt dan de ledige massa van het motorrijtuig en de
toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend
motorrijtuig en aanhangwagen niet meer bedraagt dan 3500 kg
(Rijbewijs B);
d. motorrijtuigen, niet zijnde
motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D, waarvan de toegestane
maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, alsmede daardoor
voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa
niet meer bedraagt dan 750 kg (Rijbewijs C);
e. motorrijtuigen, niet zijnde
motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D, waarvan de toegestane
maximum massa meer dan 3500 kg, doch ten hoogste 7500 kg bedraagt,
alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane
maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (Rijbewijs C1);
f. motorrijtuigen die zijn
ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder
daaronder niet begrepen, alsmede daardoor voortbewogen
aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer
bedraagt dan 750 kg (Rijbewijs D);
g. motorrijtuigen, die zijn
ingericht voor het vervoer van meer dan 8 doch niet meer dan 16
personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede daardoor
voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa
niet meer bedraagt dan 750 kg (Rijbewijs D1);
h. motorrijtuigen van een van de
rijbewijscategorieën B, C, C1, D of D1 voor het besturen waarvan
de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs, met een andere
aanhangwagen dan op grond van dat rijbewijs mag worden
voortbewogen (Rijbewijs E) mits
I. in het geval van een
motorrijtuig van de rijbewijscategorie C1 de toegestane
maximum massa van de aanhangwagen niet meer bedraagt dan de
ledige massa van het motorrijtuig en de toegestane maximum
massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en
aanhangwagen niet meer bedraagt dan 12000 kg of
II. in het geval van een
motorrijtuig van de rijbewijscategorie D1 de toegestane
maximum massa van de aanhangwagen niet meer bedraagt dan de
ledige massa van het motorrijtuig en de toegestane maximum
massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en
aanhangwagen niet meer bedraagt dan 12000 kg en de
aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren.
2. Voor de bepaling van het aantal
wielen worden twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel
beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken
van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
3. In afwijking van het eerste lid
worden motorrijtuigen, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8
personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, waarvan de toegestane
maximum massa als gevolg van een aan het voertuig aangebrachte
bepantsering meer dan 3500 kg bedraagt, begrepen onder de
rijbewijscategorie B.
4. In afwijking van het eerste lid
worden begrepen onder de rijbewijscategorie B:
a. motorrijtuigen, bestemd voor het
vervoer van goederen, met een toegestane maximummassa van meer dan
3500 kg, maar minder dan 7500 kg, die worden aangedreven door een
elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend geleverd
wordt door een batterij en waarvan de batterij wordt opgeladen
door middel van een elektrisch oplaadpunt buiten het voertuig;
b. hybride elektrische
motorrijtuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, met een
toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, maar minder dan 7500
kg, waarvan de batterij kan worden opgeladen door middel van een
elektrisch oplaadpunt buiten het voertuig.
Artikel 15a
Indien de aanvrager van een rijbewijs
voor de categorie AM, die blijkens de ten behoeve van hem in het
rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het
praktijkexamen voor de categorie AM heeft afgelegd met een bromfiets op
drie of vier wielen, wordt een rijbewijs AM afgegeven dat slechts geldig
is voor het besturen van bromfietsen op drie of vier wielen. In het
rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling
vastgestelde codering.
Artikel 16
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig kan
besturen dat aan bepaalde eisen voldoet dan wel slechts een motorrijtuig
kan besturen indien hij gebruik maakt van kunst- of hulpmiddelen, wordt
een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van een
motorrijtuig dat aan die eisen voldoet dan wel indien de aanvrager bij
het besturen gebruik maakt van die kunst- of hulpmiddelen. In het
rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling
vastgestelde codering.
Artikel 17
1. Aan de aanvrager van een rijbewijs,
die blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen heeft
afgelegd in een motorrijtuig zonder koppelingspedaal of, indien het
een motorrijtuig van de categorie A betreft, zonder handbediende
hendel, dan wel blijkens de ten behoeve van hem in het
rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts
een motorrijtuig mag besturen zonder koppelingspedaal of, indien het
een motorrijtuig van de categorie A betreft, zonder handbediende
hendel, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het
besturen van motorrijtuigen van de in de verklaring van rijvaardigheid
dan wel de verklaring van geschiktheid genoemde rijbewijscategorie
zonder koppelingspedaal of, indien het een motorrijtuig van de
categorie A betreft, zonder handbediende hendel. In het rijbewijs is
deze beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling
vastgestelde codering.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op aanvragen voor de rijbewijscategorie AM.
Artikel 18
1.Onverminderdartikel 17 wordt aan de
aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs B dat is voorzien van
een bij ministeriële regeling vastgestelde code waaruit blijkt dat de
houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft afgelegd in een
motorrijtuig zonder koppelingspedaal, en ten behoeve van wie in het
rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid voor de
rijbewijscategorie C of D is geregistreerd, een rijbewijs afgegeven
voor het besturen van de betrokken categorieën van motorrijtuigen,
zonder dat voor een van die categorieën een beperking tot
motorrijtuigen zonder koppelingspedaal geldt.
2.In afwijking van artikel 17 wordt aan
de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs B, dat is voorzien
van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit
blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft
afgelegd in een motorrijtuig zonder koppelingspedaal, en ten behoeve
van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid
voor de categorie E bij B is geregistreerd waaruit blijkt dat hij het
praktijkexamen heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door
een trekkend motorrijtuig van de categorie B met koppelingspedaal een
rijbewijs afgegeven voor de categorie E bij B, zonder dat voor die
categorie of voor de categorie waartoe het trekkend motorrijtuig
behoort, een beperking tot motorrijtuigen zonder koppelingspedaal
geldt.
3.In afwijking van artikel 17 wordt aan
de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs C, dat is voorzien
van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit
blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft
afgelegd in een motorrijtuig zonder koppelingspedaal, en ten behoeve
van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid
voor de categorie E bij C is geregistreerd waaruit blijkt dat hij het
praktijkexamen heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door
een trekkend motorrijtuig van de categorie C, met koppelingspedaal,
een rijbewijs afgegeven voor de categorie E bij C, zonder dat voor die
categorie of voor de categorie waartoe het trekkend motorrijtuig
behoort, een beperking tot motorrijtuigen zonder koppelingspedaal
geldt.
4.In afwijking van artikel 17 wordt aan
de aanvrager die in het bezit is van een rijbewijs D, dat is voorzien
van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit
blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen heeft
afgelegd in een motorrijtuig zonder koppelingspedaal, en ten behoeve
van wie in het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid
voor de categorie E bij D is geregistreerd waaruit blijkt dat hij het
praktijkexamen heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen door
een trekkend motorrijtuig van de categorie D, met koppelingspedaal,
een rijbewijs afgegeven voor de categorie E bij D, zonder dat voor die
categorie of voor de categorie waartoe het trekkend motorrijtuig
behoort, een beperking tot motorrijtuigen zonder koppelingspedaal
geldt.
5.Voor de toepassing van het eerste lid
wordt met een rijbewijs B als daar bedoeld gelijkgesteld:
a. een rijbewijs B dat zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur;
b. een door het daartoe bevoegde
gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager
afgegeven geldig rijbewijs B.
Artikel 19
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig kan
besturen binnen een geografisch beperkt gebied, wordt een rijbewijs
afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen
binnen dat gebied. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een
bij ministeriële regeling vastgestelde codering.
Artikel 19a
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van geschiktheid de tot het besturen van
motorrijtuigen vereiste geschiktheid slechts bezit indien hij het door
hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privé doeleinden, wordt een
rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van
motorrijtuigen voor privé doeleinden. In het rijbewijs is deze
beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde
codering.
Artikel 19b
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
afgifte van een rijbewijs voor een andere categorie dan AM, geeft degene
die belast is met de afgifte van rijbewijzen tevens een rijbewijs af dat
geldig is voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs AM
is vereist.
Artikel 19c
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig,
niet zijnde een bromfiets, kan besturen waarin een alcoholslot is
ingebouwd, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het
besturen van een motorrijtuig van de categorie B waarin ten behoeve van
de aanvrager een alcoholslot is ingebouwd. Op het rijbewijs is deze
beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde
codering.
Artikel 20
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijk-examen voor de
rijbewijscategorie A heeft afgelegd met een motorrijtuig op twee wielen,
waarvan de cylinderinhoud meer dan 120 cm3 en het vermogen minder dan 35
kW bedraagt, wordt een rijbewijs A afgegeven dat gedurende twee jaren na
de datum van afgifte slechts geldig is voor het besturen van
motorrijtuigen van die rijbewijscategorie, waarvan het vermogen niet
meer dan 25 kW en tevens niet meer dan 0,16 kW per kg ledige massa
bedraagt, en dat na die twee jaren geldig is voor het besturen van
motorrijtuigen van die rijbewijscategorie zonder dat van die beperking
sprake is.
Artikel 21
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijk-examen voor de
rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen
door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B
is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat slechts geldig is voor
het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen
door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B is
vereist.
Artikel 21a
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie C heeft afgelegd met een motorrijtuig voor het
besturen waarvan een rijbewijs C is vereist, wordt een rijbewijs C en C1
afgegeven.
Artikel 21b
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie D heeft afgelegd met een motorrijtuig voor het
besturen waarvan een rijbewijs D is vereist, wordt een rijbewijs D en D1
afgegeven.
Artikel 22
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen
door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs C
is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat geldig is voor het
voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door
een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B, C of C1 is
vereist en, indien de aanvrager in het bezit is van een rijbewijs D,
voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt
voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een
rijbewijs D of D1 is vereist.
Artikel 23
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie E heeft afgelegd met een aanhangwagen, voortbewogen
door een trekkend motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs D
is vereist, wordt een rijbewijs E afgegeven dat geldig is voor het
voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door
een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B, D of D1 is
vereist.
Artikel 24
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van geschiktheid de voor het besturen van
motorrijtuigen vereiste geschiktheid slechts bezit indien hij
corrigerende lenzen draagt, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts
geldig is indien de aanvrager bij het besturen gebruik maakt van die
corrigerende lenzen. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met
een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.
Artikel 25
Aan de aanvrager van een rijbewijs, die
blijkens de ten behoeve van hem in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van geschiktheid de voor het besturen van
motorrijtuigen vereiste geschiktheid slechts bezit voor een termijn die
korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene
geldigheidsduur van het rijbewijs, wordt een rijbewijs afgegeven dat
slechts geldig is gedurende die kortere termijn.
Hoofdstuk II. Aanvraag van rijbewijzen
§ 1. Indiening van de aanvraag
Artikel 26
De aanvraag van een rijbewijs geschiedt
op de wijze als in de volgende artikelen is bepaald.
Artikel 27
Indien de aanvrager woonachtig is in
Nederland, dient de aanvraag te zijn gericht tot en te worden ingediend
bij de burgemeester van de gemeente waar hij als ingezetene is
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.
Artikel 28
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
afgifte van
a. een rijbewijs tegen overlegging
van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland,
b. een rijbewijs dat geldig is voor
een categorie of categorieën waarop de ongeldigverklaring van een
rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, geen betrekking heeft,
c. een rijbewijs dat geldig is voor
een categorie of categorieën waarvoor een rijbewijs, aan de
aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, ongeldig is verklaard,
d. een rijbewijs ter vervanging van
een eerder door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat
van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, dat versleten of
geheel of ten dele onleesbaar is, dan wel verloren is geraakt of
teniet is gegaan, dan wel,
e. een rijbewijs tegen overlegging
van een door het daartoe bevoegde militaire gezag afgegeven bewijs
van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen,
f. een rijbewijs ter vervanging van
een rijbewijs dat op grond van artikel 123b van de wet ongeldig is
geworden of ten aanzien van waarvan een aantekening als bedoeld in
artikel 123b, derde lid, van de wet is geplaatst, voor zover dit
laatste rijbewijs een rijbewijs betreft als bedoeld in
respectievelijk de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid,46,
eerste lid, of 48, eerste lid,
dient de aanvraag in afwijking van
artikel 27 te zijn gericht tot de Dienst Wegverkeer en te worden
ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. De
burgemeester geleidt de aanvraag terstond door naar de Dienst
Wegverkeer.
Artikel 29
Indien de aanvrager woonachtig is in
Nederland, doch niet als ingezetene is ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente, dient de aanvraag
te zijn gericht tot de Dienst Wegverkeer en te worden ingediend bij de
burgemeester van de gemeente waar de aanvrager woonachtig is. De
burgemeester geleidt de aanvraag terstond door naar de Dienst
Wegverkeer.
Artikel 30
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die vreemdeling in de zin
van de Vreemdelingenwet 2000 is en aan wie op grond van zijn
hoedanigheid van of betrekking tot diplomatiek of consulair personeel
dan wel op grond van zijn hoedanigheid van of betrekking tot personeel
in dienst van een in Nederland gevestigde internationale organisatie
houder is van een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt
identiteitsbewijs voor geprivilegieerden, dient de aanvraag in afwijking
van artikel 29 te zijn gericht tot en te worden ingediend bij de Dienst
Wegverkeer. Hetzelfde geldt indien het een aanvraag betreft ter
vervanging van een rijbewijs dat op grond van artikel 123b van de wet
ongeldig is geworden of ten aanzien van waarvan een aantekening als
bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet is geplaatst, voor zover
dit laatste rijbewijs een rijbewijs betreft als bedoeld in artikel 47,
eerste lid.
Artikel 31
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
afgifte van een rijbewijs aan een buiten Nederland woonachtige aanvrager
aan wie nog niet eerder een rijbewijs is afgegeven dan wel aan een
buiten Nederland, anders dan in een andere lidstaat van de Europese
Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, woonachtige
aanvrager, dient de aanvraag te zijn gericht tot en te worden ingediend
bij de Dienst Wegverkeer.
Artikel 32
1. Onverminderd het tweede en derde lid
dient de aanvrager, indien de aanvraag betrekking heeft op:
1.° de afgifte van een rijbewijs
aan een aanvrager aan wie nog niet eerder een rijbewijs is
afgegeven voor de rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking
heeft,
2.° de afgifte van een rijbewijs
dat geldig is voor een categorie of categorieën waarvoor een
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs in verband met een
gevorderd onderzoek naar diens rijvaardigheid tot het besturen van
motorrijtuigen ongeldig is verklaard,
3.° de afgifte van een rijbewijs
dat geldig is voor een categorie of categorieën waarvoor een
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs op het tijdstip waarop
de in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde uitspraak
onherroepelijk is geworden, geldig was, dan wel
4.° de afgifte van een rijbewijs
dat geldig is voor een categorie of categorieën waarvoor een
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs ongeldig is verklaard
op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de
wet:
a. op het moment van de
aanvraag in Nederland woonachtig te zijn en tevens
I. in de onmiddellijk aan de
aanvraag voorafgaande periode van één jaar ten minste 184
dagen in Nederland woonachtig te zijn geweest, of
II. gedurende een periode van
ten minste zes maanden te zijn ingeschreven aan een in
Nederland gevestigde universiteit, school voor middelbaar,
voortgezet of hoger beroepsonderwijs of andere school voor
middelbaar, voortgezet of hoger onderwijs, of
III. indien hij wegens
tijdelijk verblijf buiten Nederland gedurende een periode van
maximaal vier jaar niet geheel kan voldoen aan de onder I
genoemde voorwaarde, gedurende een periode van ten minste tien
jaar onafgebroken in Nederland woonachtig te zijn geweest, dan
wel
b. in de onmiddellijk aan het
moment van de aanvraag voorafgaande periode van één jaar ten
minste 185 dagen in Nederland woonachtig te zijn geweest.
2. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in de artikelen 44 tot en met 48, dient de aanvrager in
Nederland woonachtig te zijn.
3. Het eerste lid geldt niet indien bij
de aanvraag een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer
dan zes maanden voor de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid
voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt
overgelegd.
§ 2. Bij de aanvraag vereiste gegevens
Artikel 33
1. Bij de aanvraag van een rijbewijs
dienen de volgende bescheiden te worden overgelegd:
a. een volledig ingevuld
aanvraagformulier volgens bij ministeriële regeling vastgesteld
model;
b.
I. een op naam van de aanvrager
gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet op de
identificatieplicht,
II. een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, dan wel
III. indien de aanvrager niet
in Nederland woonachtig is, een fotokopie van een van de onder
I genoemde documenten.
c.
I. indien de aanvrager
woonachtig is in Nederland en is ingeschreven aan een in
Nederland gevestigde universiteit, school voor middelbaar,
voortgezet of hoger beroepsonderwijs of andere school voor
middelbaar, voortgezet of hoger onderwijs, een bewijs van
inschrijving aan die universiteit of school;
II. indien aan de aanvrager die
vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, op
grond van diens hoedanigheid van of betrekking tot diplomatiek
of consulair personeel dan wel op grond van diens hoedanigheid
van of betrekking tot personeel in dienst van een in Nederland
gevestigde internationale organisatie door Onze Minister van
Buitenlandse Zaken een identiteitsbewijs voor
geprivilegieerden is verstrekt, een fotokopie van dat bewijs;
III. indien de aanvrager lid is
van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen
gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun
krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van
de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot
het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld
of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige
krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken
basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt.
d. een pasfoto van de aanvrager,
die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
2. Bij de aanvraag van een rijbewijs
raadpleegt de met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit de in
de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven
persoonsgegevens van de aanvrager.
Artikel 34
1. Indien aan de aanvrager nog niet
eerder een rijbewijs is afgegeven, dient ten behoeve van hem in het
rijbewijzenregister te zijn geregistreerd:
a. een verklaring van
rijvaardigheid voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag
betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan
drie jaar vóór de aanvraag mag liggen;
b. een verklaring van geschiktheid
voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking
heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar
vóór de aanvraag mag liggen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een
rijbewijs voor de categorie AM.
Artikel 35
1. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de vernieuwing van het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,
dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens dat eerder afgegeven rijbewijs
overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan
een jaar vóór de aanvraag mag liggen, indien
I. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C,
E bij C1, E bij D of E bij D1,
II. de aanvrager de leeftijd
van 70 jaren heeft bereikt,
III. de aanvrager de leeftijd
van 65 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een
rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de
dag waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt,
IV. blijkens een aantekening in
het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de
registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op
grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking
tot de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de
aanvrager, dan wel
V. blijkens een door het CBR
ingevolge artikel 124, tweede lid, van de wet in het
rijbewijzenregister aangebrachte aantekening de registratie
van een dergelijke verklaring noodzakelijk is;
c. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid
geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan
drie jaar vóór de aanvraag mag liggen, indien blijkens een door
het CBR ingevolge artikel 124, tweede lid, van de wet in het
rijbewijzenregister aangebrachte aantekening een registratie van
een dergelijke verklaring noodzakelijk is.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een
rijbewijs voor de categorie AM.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft
op een rijbewijs voor de categorie AM, wordt onder rijbewijs in het
eerste lid, onderdeel a, mede verstaan een rijbewijs afgegeven voor
een of meer andere categorieën dan AM, dat is afgegeven na 30 juni
1985 en dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur.
4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing voor zover de aanvraag strekt ter vervanging van een
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs van een of meer van de
categorieën C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D en E bij D1, en
de aanvraag uitsluitend verband houdt met de vermelding op het af te
geven rijbewijs van een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing.
5. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de vermelding op het af te geven rijbewijs van een getuigschrift
van vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing, dient ten
behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van
vakbekwaamheid dan wel een verklaring van nascholing geregistreerd te
zijn, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren
vóór de aanvraag mag liggen.
Artikel 36
1. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor meer categorieën
dan het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, dient bij de
aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens dat eerder afgegeven rijbewijs
overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid
geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag
betrekking heeft en waarvoor het eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet
langer dan drie jaar vóór de aanvraag mag liggen;
c. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan
een jaar vóór de aanvraag mag liggen, voor iedere
rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor
het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs niet geldig is,
met uitzondering van de rijbewijscategorie AM.
2. Indien de aanvraag tevens betrekking
heeft op de vermelding op het af te geven rijbewijs van een
getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van
nascholing, dient ten behoeve van de aanvrager in het
rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid dan wel een
verklaring van nascholing geregistreerd te zijn, waarbij de datum van
registratie niet langer dan vijf jaren vóór de aanvraag mag liggen.
Artikel 37
Voor de toepassing van de artikelen 34 en
36 wordt met een niet langer dan drie jaar vóór de aanvraag in het
rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid
gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer
dan zes maanden vóór de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid
voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 38
1.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs ter vervanging van een eerder aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs dat nog geldig is hetzij zijn geldigheid
door het verstrijken van de geldigheidsduur heeft verloren, welk
rijbewijs versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, dient,
behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens
dat versleten of geheel of ten dele onleesbare rijbewijs te worden
overgelegd.
2.Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede
verstaan een rijbewijs dat eerder aan de aanvrager is afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de Europese
Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
Artikel 39
1. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een vervangend rijbewijs ter vervanging van een
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat nog geldig is hetzij
zijn geldigheid door het verstrijken van de geldigheidsduur heeft
verloren, welk rijbewijs verloren geraakt of teniet gegaan is, wordt,
behoudens de inartikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens
een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal van het
rijbewijs overgelegd, dat in Nederland op ambtseed is opgemaakt door
een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar; in
het proces-verbaal worden de omstandigheden omschreven waaronder het
rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
aanvrager woonachtig is buiten Nederland dan wordt bij de aanvraag een
door de aanvrager ondertekende verklaring van een door de Dienst
Wegverkeer vastgesteld model overgelegd. In de verklaring worden
tevens de omstandigheden omschreven waaronder het rijbewijs verloren
is geraakt of teniet is gegaan.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een nieuw rijbewijs ter vervanging van een eerder
aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat nog geldig is hetzij zijn
geldigheid door het verstrijken van de geldigheidsduur heeft verloren,
welk rijbewijs verloren geraakt of teniet gegaan is, dienen de in de
voorgaande leden genoemde bescheiden te worden overgelegd en is
artikel 35, eerste lid, onderdeel b en c, en derde en vierde lid, van
toepassing op de aanvragen die betrekking hebben op een rijbewijs voor
andere categorieën dan AM en artikel 35, eerste lid, onderdeel c,
indien het een aanvraag voor een rijbewijs voor de categorie AM
betreft.
Artikel 40
1.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs in verband met een wijziging van de
geslachtsnaam, de voornamen, de plaats of datum van geboorte dan wel
het geslacht van de aanvrager, dient bij de aanvraag aan de volgende
vereisten te worden voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens het eerder afgegeven rijbewijs
overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan
een jaar vóór de aanvraag mag liggen, indien
I. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C,
E bij C1, E bij D of E bij D1,
II. de aanvrager de leeftijd
van 70 jaren heeft bereikt,
III. de aanvrager de leeftijd
van 65 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een
rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de
dag waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt, dan wel
IV. blijkens een aantekening in
het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de
registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op
grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking
tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de
aanvrager.
2.Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een
rijbewijs voor de categorie AM.
3.Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede
verstaan het eerder door het daartoe bevoegde gezag in een andere
lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager afgegeven rijbewijs.
Artikel 41
1.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of
categorieën waarop de ongeldigverklaring van een eerder aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs geen betrekking heeft, dient, behoudens
de in artikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens het
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs te worden overgelegd.
2.Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,
onderscheidenlijk het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,
mede verstaan een rijbewijs dat eerder aan de aanvrager is afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van de
Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, onderscheidenlijk het eerder door dat gezag aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs.
Artikel 41a
1. Indien aan de aanvrager
overeenkomstig artikel 118, derde lid, van de wet dan wel op grond van
de artikelen 132b, eerste lid, of 134, zevende lid, van de wet, de
verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma en
zijn rijbewijs op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet
ongeldig is verklaard, vindt de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs
dat geldig is voor de categorie B, met de voor het
alcoholslotprogramma vastgestelde codering, plaats overeenkomstig de
artikelen 41a en 41b.
2. Bij de aanvraag, bedoeld in het
eerste lid, dient aan de volgende eisen te worden voldaan:
a. de in artikel 33 genoemde
bescheiden worden overgelegd;
b. het ongeldig verklaarde
rijbewijs wordt overgelegd, tenzij uit het rijbewijzenregister
blijkt dat het reeds is ingeleverd;
c. in het rijbewijzenregister is
ten aanzien van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van
de aanvraag van die verklaring moet liggen na de datum van het
besluit tot oplegging van de verplichting tot deelname aan het
alcoholslotprogramma, en de datum van registratie van die
verklaring niet langer dan een jaar vóór de aanvraag van het
rijbewijs mag liggen.
3. In aanvulling op het tweede lid
dient ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijzenregister een
verklaring van rijvaardigheid voor de categorie B te zijn
geregistreerd, waarbij de datum van de aanvraag van die verklaring
moet liggen na het besluit tot oplegging van de verplichting tot
deelname aan het alcoholslotprogramma, en de datum van registratie van
die verklaring niet langer dan drie jaar vóór de aanvraag van het
rijbewijs mag liggen, indien het rijbewijs bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, een rijbewijs betreft als bedoeld in respectievelijk de
artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 47, eerste
lid, of 48, eerste lid, en dit rijbewijs niet voldoet aan de in
respectievelijk de artikelen 44, 45, 46, 47 of 48 voor omwisseling
gestelde eisen.
4. Voor de toepassing van het derde lid
wordt met de daar bedoelde verklaring van rijvaardigheid gelijkgesteld
een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan zes
maanden voor de aanvraag afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het
besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de
datum van de aanvraag van dat bewijs moet liggen na het besluit tot
oplegging van de verplichting tot deelname aan het
alcoholslotprogramma.
5. Indien het over te leggen rijbewijs
wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, worden in
plaats daarvan de volgende documenten overgelegd:
a. een proces-verbaal ter zake van
vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door de
daartoe bevoegde algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar,
waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is
geraakt of teniet is gegaan, worden omschreven;
b. indien het over te leggen
rijbewijs een rijbewijs betreft afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland, een door dat gezag afgegeven
gewaarmerkte verklaring waaruit van de afgifte en de geldigheid
blijkt en waaruit tevens blijkt dat door dat gezag jegens de
aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of
strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing,
intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn
getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen
afgifte van een rijbewijs bestaat.
6. Door een besluit als bedoeld in
artikel 132b, eerste lid, van de wet vervallen verklaringen van
geschiktheid die zijn geregistreerd voor dat besluit.
7. Indien de in het eerste lid bedoelde
aanvrager niet aan de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde eis
voldoet, kan hem een rijbewijs voor de categorie AM worden afgegeven.
Indien het op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet ongeldig
verklaarde rijbewijs een rijbewijs is als bedoeld in het derde lid,
dient ten aanzien van de aanvrager wel een verklaring van
rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie AM te zijn geregistreerd.
Artikel 41b
1. Indien ten aanzien van de in artikel
41a, eerste lid, bedoelde aanvrager de in artikel 123b, eerste lid,
van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden,
dient, naast de in artikel 41a, tweede lid, gestelde eisen, te worden
voldaan aan de volgende eisen:
a. de in artikel 42b, tweede lid,
onderdeel b, bedoelde verklaring dient te worden overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister dient
een verklaring van rijvaardigheid te zijn geregistreerd voor de
rijbewijscategorie B, waarbij de datum van de aanvraag van die
verklaring moet liggen na het tijdstip waarop de in artikel 123b,
eerste lid, van de wet bedoelde uitspraak onherroepelijk is
geworden en de datum van registratie van die verklaring niet
langer dan drie jaar voor de aanvraag mag liggen.
2. De artikelen 42b, vierde, vijfde en
zevende lid, en 42c tot en met 42e zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 41c
1. Nadat ten aanzien van de aanvrager
overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet door het
CBR is geregistreerd dat de op het alcoholslotprogramma betrekking
hebbende codering is vervallen, vindt een aanvraag tot afgifte van een
rijbewijs zonder de voor het alcoholslotprogramma vastgestelde
codering plaats overeenkomstig de artikelen 41c en 41d.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste
lid, kan worden gedaan voor de volgende rijbewijscategorieën:
a. alle, dan wel een of meerdere
categorieën waarvoor het eerder afgegeven rijbewijs tot het
tijdstip van de ongeldigverklaring, bedoeld in artikel 132b,
tweede lid, van de wet, geldig was;
b. alle, dan wel een of meerdere
categorieën die al voor het in de onderdeel a bedoelde tijdstip
van de ongeldigverklaring, bedoeld in artikel 132b, tweede lid,
van de wet ongeldig zijn verklaard
I. wegens het niet verlenen van
de vereiste medewerking aan een lichte educatieve maatregel
alcohol en verkeer, een educatieve maatregel alcohol en
verkeer of een onderzoek naar de geschiktheid,
II. wegens gebleken
ongeschiktheid na een onderzoek naar de geschiktheid als
bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet,
III. op grond van artikel 124,
eerste lid, onderdeel d, van de wet, of
IV. indien betrokkene bij een
aanvraag tot vernieuwing van het eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs door het niet aanvragen van de vereiste
verklaring van geschiktheid heeft afgezien van vernieuwing van
een of meer categorieën.
3. Bij de aanvraag van een rijbewijs in
de in het tweede lid bedoelde gevallen dient te zijn voldaan aan de
volgende eisen:
a. de aanvrager overlegt, behoudens
de in artikel 33 genoemde bescheiden, tevens het aan hem afgegeven
rijbewijs met de voor deelname aan het alcoholslotprogramma
vastgestelde codering;
b. in het rijbewijzenregister is
ten aanzien van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd voor de categorie of categorieën, bedoeld in het
tweede lid, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering
van de categorie AM, waarbij de datum van registratie niet langer
dan een jaar vóór de aanvraag mag liggen.
4. Indien het rijbewijs wegens
vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, wordt in plaats
daarvan overgelegd een proces-verbaal ter zake van vermissing of
diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegd
algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin de omstandigheden
waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan,
worden omschreven.
Artikel 41d
1. Indien ten aanzien van de in artikel
41c, eerste lid, bedoelde aanvrager de in artikel 123b, eerste lid,
van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden,
dient, naast de in artikel 41c, derde lid, onderdelen a en b, gestelde
eisen, bij de aanvraag:
a. ten aanzien van de aanvrager in
het rijbewijzenregister een verklaring van rijvaardigheid te zijn
geregistreerd voor de zwaarste categorie die op de in artikel 42b,
tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring is vermeld en waarop
de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie
niet langer dan drie jaar vóór de aanvraag mag liggen en waarbij
de datum van registratie tevens moet liggen na de datum waarop de
in artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde uitspraak
onherroepelijk is geworden;
b. ten aanzien van de aanvrager een
verklaring van geschiktheid te zijn geregistreerd voor elke
rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij:
I. de datum van de aanvraag van
die verklaring moet liggen na de datum van het besluit,
bedoeld in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet, en
II. de datum van registratie
niet langer dan een jaar voor de aanvraag mag liggen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, geldt
niet indien de zwaarste rijbewijscategorie de rijbewijscategorie B of
AM betreft.
3. Artikel 41c, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien ten tijde van de aanvraag,
bedoeld in artikel 41c, eerste lid, de in artikel 42b, tweede lid,
onderdeel c, onder I, bedoelde verklaring van rijvaardigheid zijn
geldigheid heeft verloren, kan alleen een rijbewijs worden aangevraagd
voor de rijbewijscategorieën B en AM.
Artikel 42
1. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van
a. een rijbewijs dat geldig is voor
een categorie of categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs bij gebreke van de in artikel 132, eerste lid,
van de wet bedoelde medewerking aan een educatieve maatregel
gericht op de geschiktheid of aan een onderzoek naar de
geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet,
of in verband met een gevorderd of een op verzoek van de aanvrager
uitgevoerd onderzoek naar diens geschiktheid tot het besturen van
motorrijtuigen ongeldig is verklaard,
b. een rijbewijs waarvan de
geldigheidsduur betrekking heeft of mede betrekking heeft op een
periode waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs
in verband met een gevorderd of een op verzoek van de aanvrager
uitgevoerd onderzoek naar diens geschiktheid tot het besturen van
motorrijtuigen ongeldig is verklaard dan wel
c. een rijbewijs met een kortere
geldigheidsduur dan het eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs,
dient, behoudens de inartikel 33
genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs te worden overgelegd en dient in het rijbewijzenregister ten
behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn
geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de
ongeldigverklaring betrekking heeft, waarbij de datum van registratie
niet langer dan een jaar vóór de aanvraag mag liggen.
Geen verklaring van geschiktheid
behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor
rijbewijscategorie AM.
2. Indien de aanvraag betrekking heef
op de afgifte van
a. een rijbewijs dat geldig is voor
een categorie of categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs bij gebreke van de in artikel 132, eerste lid,
van de wet bedoelde medewerking aan een educatieve maatregel
gericht op de rijvaardigheid of aan een onderzoek naar de
rijvaardigheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet,
in verband met een gevorderd of een op verzoek van de aanvrager
uitgevoerd onderzoek naar diens rijvaardigheid tot het besturen
van motorrijtuigen ongeldig is verklaard dan wel
b. een rijbewijs dat geldig is voor
een categorie of categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs op grond van artikel 124, eerste lid,
onderdeel a, b of c, van de wet ongeldig is verklaard,
dienen, behalve dat de in artikel 33
genoemde bescheiden worden overgelegd, in het rijbewijzenregister ten
behoeve van de aanvrager voor iedere rijbewijscategorie waarop de
ongeldigverklaring betrekking heeft, geregistreerd te zijn zowel een
verklaring van rijvaardigheid, waarbij de datum van registratie niet
langer dan drie jaar vóór de aanvraag mag liggen, als een verklaring
van geschiktheid, waarbij de datum van registratie niet langer dan een
jaar vóór de aanvraag mag liggen.
Geen verklaring van geschiktheid
behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor
rijbewijscategorie AM.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een vervangend rijbewijs dat geldig is voor dezelfde
categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs
geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing was vermeld die op grond van artikel 124a
van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs te worden overgelegd.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een vervangend rijbewijs dat geldig is voor dezelfde
categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs
geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing was vermeld die op grond van artikel 124a
van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de inartikel 33
genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs te worden overgelegd.
5. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een nieuw rijbewijs dat geldig is voor dezelfde
categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs
geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing was vermeld die op grond van artikel 124a
van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs te worden overgelegd en dient in het rijbewijzenregister ten
behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn
geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een
jaar vóór de aanvraag mag liggen, indien
a. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C, E
bij C1, E bij D en E bij D1,
b. de aanvrager de leeftijd van 70
jaren heeft bereikt,
c. de aanvrager de leeftijd van 65
jaren heeft bereikt en de geldigheidsduur van het eerder aan hem
afgegeven rijbewijs verstrijkt op of na de dag waarop hij de
leeftijd van 70 jaren bereikt, dan wel,
d. blijkens een aantekening in het
rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie
van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij
het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke
en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.
Geen verklaring van geschiktheid
behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor
rijbewijscategorie AM.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een nieuw rijbewijs dat geldig is voor dezelfde
categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs
geldig was waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing was vermeld dat op grond van artikel 124a
van de wet ongeldig is verklaard, dient, behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden, tevens het eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs te worden overgelegd en dient in het rijbewijzenregister ten
behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid te zijn
geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan een
jaar vóór de aanvraag mag liggen, indien
a. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C, E
bij C1, E bij D en E bij D1,
b. de aanvrager de leeftijd van 70
jaren heeft bereikt,
c. de aanvrager de leeftijd van 65
jaren heeft bereikt en de geldigheidsduur van het eerder aan hem
afgegeven rijbewijs verstrijkt op of na de dag waarop hij de
leeftijd van 70 jaren bereikt, dan wel,
d. blijkens een aantekening in het
rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie
van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij
het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke
en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.
Geen verklaring van geschiktheid
behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor
rijbewijscategorie AM.
7. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor dezelfde categorie
of categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs dat op grond van artikel 123, eerste lid, onderdeel h, van
de wet zijn geldigheid heeft verloren of op grond van artikel 124,
eerste lid, onderdeel e, van de wet ongeldig is verklaard, geldig was,
dient, behalve dat de in artikel 33 genoemde bescheiden worden
overgelegd, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager
een verklaring van geschiktheid te zijn geregistreerd, waarbij de
datum van registratie niet langer dan een jaar vóór de aanvraag mag
liggen, indien
a. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C, E
bij C1, E bij D of E bij D1,
b. de aanvrager de leeftijd van 70
jaren heeft bereikt,
c. de aanvrager de leeftijd van 65
jaren heeft bereikt en de geldigheidsduur van het eerder aan hem
afgegeven, ongeldige, rijbewijs verstrijkt op of na de dag waarop
hij de leeftijd van 70 jaren bereikt, dan wel
d. blijkens een aantekening in het
rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie
van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van de bij
het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke
en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.
Geen verklaring van geschiktheid
behoeft te zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister voor
rijbewijscategorie AM.
8. Voor de toepassing van het eerste
tot en met het vijfde lid wordt onder een eerder, respectievelijk het
eerder, aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, respectievelijk het rijbewijs, dat eerder aan de aanvrager
is afgegeven door
a. het daartoe bevoegde gezag in
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba,
b. het daartoe bevoegde gezag n een
andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat
die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, of
c. het daartoe bevoegde gezag
buiten Nederland, anders dan in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een andere
lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, indien dat rijbewijs ingevolge artikel 46,
vierde lid, bij ministeriële regeling is aangewezen.
Artikel 42a
1. De aanvraag tot afgifte van een
rijbewijs, ter vervanging van een rijbewijs dat op grond van artikel
123b van de wet ongeldig is geworden of ten aanzien van waarvan een
aantekening als bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet is
geplaatst, vanaf het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid
bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, vindt
plaats op grond van de artikelen 42a tot en met 42e.
2. Voor de toepassing van de artikelen
42a tot en met 42e geldt voor de zwaarte van de rijbewijscategorieën
de volgende volgorde in afnemende zwaarte:
a. E bij C;
b. C;
c. E bij D;
d. D;
e. E bij B;
f. B;
g. A;
h. AM.
3. Indien de zwaarste categorie E bij
C1, respectievelijk C1, was, dient de aanvrager aan te geven of hij
zijn geschiktheid en zijn rijvaardigheid wil aantonen voor de
categorie E bij C of E bij B, respectievelijk C of B, en indien de
zwaarste categorie E bij D1, respectievelijk D1, was, dient de
aanvrager aan te geven of hij zijn geschiktheid en zijn rijvaardigheid
wil aantonen voor de categorie E bij D of E bij B, respectievelijk D
of B.
Artikel 42b
1. De aanvraag, bedoeld in artikel 42a,
eerste lid, betreft de volgende rijbewijscategorieën:
a. alle, dan wel een of meerdere
categorieën waarvoor het oorspronkelijk afgegeven rijbewijs tot
het tijdstip van de ongeldigheid geldig was;
b. alle, dan wel een of meerdere
categorieën die al voor het in artikel 42a, eerste lid, bedoelde
tijdstip ongeldig zijn geworden of ongeldig zijn verklaard.
2. Bij de aanvraag dient te worden
voldaan aan de volgende eisen:
a. de in artikel 33 genoemde
bescheiden worden overgelegd;
b. een door de Dienst Wegverkeer
afgegeven verklaring wordt overgelegd, waaruit blijkt voor welke
categorie of categorieën het ongeldig geworden rijbewijs geldig
was tot het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de
wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, of
waaruit blijkt welke categorie of categorieën voor de aanvrager
zijn opgenomen in het rijbewijzenregister als gevolg van het
verstrijken van de geldigheidsduur voor die categorie of
categorieën, wegens ongeldigheid als gevolg van artikel 123,
eerste lid, onderdeel d, van de wet wegens ongeldigverklaring in
geval van ongeschiktheid op grond van artikel 124, eerste lid,
onderdeel d, van de wet of artikel 134, tweede lid, van de wet, of
wegens ongeldigverklaring op grond van artikel 132, tweede lid,
van de wet wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking
aan een educatieve maatregel ter bevordering van de geschiktheid
of aan een onderzoek naar de geschiktheid;
c. ten behoeve van de aanvrager is
in het rijbewijzenregister geregistreerd:
I. een verklaring van
rijvaardigheid voor de zwaarste categorie waarop de aanvraag
betrekking heeft en waarvoor examen is gedaan en waarvoor de
aanvrager naar het oordeel van de examinator heeft voldaan aan
de daarvoor vastgestelde eisen, waarbij de datum van
registratie niet langer dan drie jaar vóór de aanvraag mag
liggen en waarbij de datum van aanvraag tevens moet liggen na
het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet
bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden;
II. verklaringen van
geschiktheid voor alle, dan wel die categorie of categorieën
waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van
registratie niet langer dan één jaar vóór de aanvraag mag
liggen en waarbij de datum van aanvraag tevens moet liggen na
het tijdstip waarop de in artikel 123b, eerste lid, van de wet
bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.
3. De verklaring, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel b, wordt pas door de Dienst Wegverkeer afgegeven
indien:
a. het rijbewijs bij die dienst is
ingeleverd, dan wel indien uit het rijbewijzenregister blijkt dat
het rijbewijs reeds op andere grond is ingeleverd, en
b. de aanvrager die vreemdeling is
in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, en geen onderdaan is van
een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte, of
Zwitserland heeft aangetoond rechtmatig in Nederland te verblijven
als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l, van die wet.
4. In afwijking van het tweede lid,
onderdeel b, wordt op de in dat lid bedoelde verklaring alleen de
rijbewijscategorie B of A vermeld, indien het rijbewijs, bedoeld in
artikel 42a, eerste lid, een rijbewijs betreft:
a. als bedoeld in respectievelijk
de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid,46, eerste lid, 47,
eerste lid, of 48, eerste lid, en dit rijbewijs niet voldoet aan
de in respectievelijk de artikelen 44, 45, 46, 47 of 48 voor
omwisseling gestelde eisen;
b. dat op het tijdstip waarop de in
artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke
uitspraak onherroepelijk is geworden, reeds ongeldig was op grond
van artikel 124, eerste lid, onderdelen a, b of c, van de wet;
c. dat op het tijdstip waarop de in
artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke
uitspraak onherroepelijk is geworden, reeds ongeldig was op grond
van artikel 132, tweede lid, van de wet, wegens het niet verlenen
van de vereiste medewerking aan een educatieve maatregel ter
bevordering van de rijvaardigheid of aan een onderzoek naar de
rijvaardigheid;
d. dat op het tijdstip waarop de in
artikel 123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke
uitspraak onherroepelijk is geworden, reeds ongeldig was op grond
van artikel 134, tweede lid, van de wet, wegens het ontbreken van
de vereiste rijvaardigheid.
5. Voor de toepassing van het tweede
lid, onderdeel c, onder I, wordt met de daar bedoelde verklaring van
rijvaardigheid gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire
gezag niet langer dan zes maanden voor de aanvraag afgegeven bewijs
van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag
betrekking heeft, mits de datum van de aanvraag voor dit bewijs van
rijvaardigheid is gelegen na de datum waarop het in artikel 123b,
eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak onherroepelijk
is geworden.
6. Het tweede lid, onderdeel c, onder
II, is niet van toepassing voor zover de aanvraag, bedoeld in het
eerste lid, betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs voor de
categorie AM.
7. Indien het rijbewijs wegens
vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, worden in plaats
daarvan de volgende documenten overgelegd:
a. een proces-verbaal ter zake van
vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door
een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar,
waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is
geraakt of teniet is gegaan, worden omschreven;
b. indien het een rijbewijs betreft
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, een
door dat gezag afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit van de
afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door
dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van
bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de
beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de
rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens
geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.
Artikel 42c
Indien het rijbewijs, bedoeld in artikel
42a, eerste lid, een rijbewijs betreft als bedoeld in de artikelen 44,
eerste lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 47, eerste lid, of 48,
eerste lid, dient dit rijbewijs, in aanvulling op artikel 42b, te
voldoen aan de in de artikelen 44, 45, 46, 47 of 48 voor omwisseling
gestelde eisen.
Artikel 42d
Indien de aanvraag voor een rijbewijs,
bedoeld inartikel 42a, eerste lid, niet op alle categorieën als bedoeld
inartikel 42b, tweede lid, betrekking had en ten aanzien van de
aanvrager op basis van de procedure van artikel 42b een verklaring van
rijvaardigheid is geregistreerd, is artikel 36 van toepassing op elke
aanvraag die betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig
is voor meer categorieën dan vermeld op de verklaring van
rijvaardigheid op grond van artikel 42b, eerste lid, dan wel waarvoor
het inmiddels afgegeven rijbewijs geldig is.
Artikel 42e
1. Verklaringen van geschiktheid of
verklaringen van rijvaardigheid, geregistreerd voor de registratie van
de ongeldigheid, bedoeld in artikel 123b, eerste lid, van de wet, of
de registratie, bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet
vervallen op dat tijdstip.
2. Indien aan de aanvrager een ander
rijbewijs is of wordt afgegeven na het tijdstip waarop de in artikel
123b, eerste lid, van de wet bedoelde rechterlijke uitspraak
onherroepelijk is geworden en voor het tijdstip waarop de daaraan in
dat lid verbonden ongeldigheid in het rijbewijzenregister is
geregistreerd, dan wel vòòr het tijdstip waarop de in dat artikel
bedoelde aantekening in dat register is geplaatst,verliest dat andere
rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is
afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid.
Artikel 43
1.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs ter vervanging van een eerder aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs dat op grond van artikel 123, eerste
lid, onderdeel d, van de wet zijn geldigheid heeft verloren, dient bij
de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens het eerder aan de aanvrager
afgegeven, ongeldige, rijbewijs overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan
een jaar vóór de aanvraag mag liggen, indien
I. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C,
E bij C1, E bij D of E bij D1,
II. de aanvrager de leeftijd
van 70 jaren heeft bereikt,
III. de aanvrager de leeftijd
van 65 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een
rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de
dag waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt, dan wel
IV. blijkens een aantekening in
het rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de
registratie van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op
grond van de bij het CBR bekend zijnde gegevens met betrekking
tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de
aanvrager.
2.Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op afgifte van een
rijbewijs voor de categorie AM.
Artikel 44
1. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs,
aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in Aruba,
Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te
worden voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens het eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag
betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan
een jaar vóór de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de
rijbewijscategorie AM.
2. Het over te leggen rijbewijs dient:
a. op het moment van de aanvraag
nog geldig te zijn;
b. aan de aanvrager te zijn
afgegeven in een periode van één jaar waarin hij ten minste 185
dagen in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonachtig is geweest.
3. Het tweede lid, onderdeel a, geldt
niet indien:
a. het over te leggen rijbewijs is
afgegeven door omwisseling tegen een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs,
b. de aanvraag betrekking heeft op
dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarvoor dat
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was, en
c. het over te leggen rijbewijs
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur.
4. Het tweede lid, onderdeel b, geldt
niet indien het over te leggen rijbewijs is afgegeven tegen
overlegging van een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs en de
aanvraag betrekking heeft op dezelfde rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarvoor dat eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs geldig was.
5. Indien het rijbewijs wegens
vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, worden in plaats
daarvan de volgende documenten overgelegd:
a. een proces-verbaal ter zake van
vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door
een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar,
waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is
geraakt of teniet is gegaan worden omschreven;
b. een door het gezag dat het
rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit van de
afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door
dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van
bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de
beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de
rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens
geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.
Indien het derde lid van toepassing is,
hoeft uit de onder b genoemde verklaring niet de geldigheid te
blijken.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft
op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in
het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de
volgende vereisten te worden voldaan:
a. de aanvrager overlegt een door
de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese
Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;
b. de aanvrager overlegt een geldig
buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel
c. ten behoeve van de aanvrager is
in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of
een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van
registratie niet langer dan vijf jaren vóór de aanvraag mag
liggen.
7. Indien de in het voorgaande lid,
onder a of b, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet
kunnen worden overgelegd, worden in plaats daarvan de volgende
documenten overgelegd:
a. een proces-verbaal ter zake van
vermissing of diefstal van de kwalificatiekaart bestuurder dan wel
het buitenlands omwisselingscertificaat, in Nederland op ambtseed
is opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon
opsporingsambtenaar waarin de omstandigheden waaronder de
kwalificatiekaart bestuurder dan wel het buitenlands
omwisselingscertificaat verloren is geraakt of teniet is gegaan
worden omschreven;
b. een door het gezag dat de
kwalificatiekaart bestuurder dan wel het buitenlands
omwisselingscertificaat heeft afgegeven, gewaarmerkte verklaring
waaruit van de afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens
blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van
bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de
beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de
kwalificatiekaart bestuurder dan wel het buitenlands
omwisselingscertificaat zijn getroffen en dat bij dat gezag ook
overigens geen bezwaar tegen afgifte van een getuigschrift van
vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing bestaat.
Artikel 45
1. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs,
aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een
andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten
te worden voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt bij de aanvraag tevens het door dat
gezag afgegeven rijbewijs overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag
betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan
een jaar vóór de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de
rijbewijscategorie AM, indien
I. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C,
E bij C1, E bij D of E bij D1,
II. het overgelegde rijbewijs
is afgegeven voor een kortere geldigheidsduur dan de in de
staat van afgifte gebruikelijke termijn van geldigheid;
III. het overgelegde rijbewijs
beperkende aantekeningen bevat die niet zijn aangeduid met de
geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap;
IV. de aanvrager op het moment
van indiening van de aanvraag de leeftijd van 70 jaren heeft
bereikt;
V. de aanvrager op het moment
van indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaren heeft
bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de
geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop de aanvrager
de leeftijd van 70 jaren bereikt.
2. Het over te leggen rijbewijs dient
op het moment van de aanvraag hetzij nog geldig te zijn hetzij, indien
het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, vergezeld te gaan van een door het gezag dat het
rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit blijkt dat
door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van
bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking,
schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn
getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen
afgifte van een rijbewijs bestaat.
3. Indien het rijbewijs wegens
vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd worden in plaats
daarvan de volgende documenten overgelegd:
a. een proces-verbaal ter zake van
vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door
een ambtenaar, belast met de uitvoering van de politietaak, waarin
de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of
teniet is gegaan, worden omschreven;
b. een door het gezag dat het
rijbewijs heeft afgegeven, gewaarmerkte verklaring waaruit van de
afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door
dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van
bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de
beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de
rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens
geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor meer categorieën
dan het door de aanvrager overgelegde rijbewijs, dient, behoudens aan
de in het eerste lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de
volgende vereisten te worden voldaan:
a. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid
geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag
betrekking heeft en waarvoor het door de aanvrager overgelegde
rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet
langer dan drie jaar vóór de aanvraag mag liggen;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag
betrekking heeft en waarvoor het door de aanvrager overgelegde
rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet
langer dan een jaar vóór de aanvraag mag liggen, met
uitzondering van de rijbewijscategorie AM.
5. Voor de toepassing van het vierde
lid, onderdeel a, wordt met een niet langer dan drie jaar vóór de
aanvraag in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van
rijvaardigheid gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire
gezag niet langer dan zes maanden vóór de aanvraag afgegeven bewijs
van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft
op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in
het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de
volgende vereisten te worden voldaan:
a. de aanvrager overlegt een door
de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese
Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;
b. het door de aanvrager over te
leggen rijbewijs is door de bevoegde autoriteit van een lidstaat
van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders voorzien van een geldige in die
richtlijn bedoelde communautaire code,
c. de aanvrager overlegt een geldig
buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel
d. ten behoeve van de aanvrager is
in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of
een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van
registratie niet langer dan vijf jaren vóór de aanvraag mag
liggen.
7. Indien de in het voorgaande lid,
onder a of c, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet
kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
8. Indien het in het zevende lid, onder
b, genoemde document wegens vermissing of diefstal niet kan worden
overgelegd, blijkt uit de gewaarmerkte verklaring, bedoeld in het
vierde lid, onder b, de vermelding van de communautaire code en blijkt
tevens dat geen maatregelen van bestuursrechtelijke of
strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking
of nietigverklaring van die code zijn getroffen en dat bij dat gezag
ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een getuigschrift van
vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing bestaat.
Artikel 46
1. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs,
aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland, anders dan in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een andere lidstaat van
de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden
voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens het door dat gezag afgegeven
rijbewijs overgelegd;
b. in het rijbewijzenregister is
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag
betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan
een jaar vóór de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de
rijbewijscategorie AM.
2. Het over te leggen rijbewijs dient:
a. op het moment van de aanvraag
nog geldig te zijn;
b. aan de aanvrager te zijn
afgegeven in een periode van één jaar waarin hij ten minste 185
dagen in het land van afgifte van dat bewijs woonachtig is
geweest.
3. Het tweede lid, onderdeel a, geldt
niet indien:
a. het over te leggen rijbewijs is
afgegeven door omwisseling tegen een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs,
b. de aanvraag betrekking heeft op
dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarvoor dat
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was, en
c. het over te leggen rijbewijs
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur.
4. Het tweede lid, onderdeel b, geldt
niet indien het over te leggen rijbewijs is afgegeven door omwisseling
tegen een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs en de aanvraag
betrekking heeft op dezelfde rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarvoor dat eerder aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs geldig was.
5. Het over te leggen rijbewijs en de
wijze van verkrijging daarvan dienen bij ministeriële regeling te
zijn aangewezen als zijnde ten minste gelijkwaardig aan rijbewijzen en
de verkrijging daarvan zoals voorzien in richtlijn nr. 91/439/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende
het rijbewijs (PbEG L 237), dan wel dient het over te leggen rijbewijs
bij ministeriële regeling te zijn aangewezen als een rijbewijs dat om
redenen van algemeen belang voor omwisseling in aanmerking komt.
6. Het vijfde lid geldt niet indien het
over te leggen rijbewijs is afgegeven door omwisseling tegen een
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs en de aanvraag betrekking
heeft op dezelfde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarvoor
dat eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs geldig was.
7. Indien de aanvraag betrekking heeft
op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in
het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de
volgende vereisten te worden voldaan:
a. de aanvrager overlegt een door
de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese
Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;
b. de aanvrager overlegt een geldig
buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel
c. ten behoeve van de aanvrager is
in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of
een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van
registratie niet langer dan vijf jaren vóór de aanvraag mag
liggen.
8. Indien de in het voorgaande lid,
onder a of b, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet
kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
1.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs,
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven aan een
aanvrager die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is en
aan wie op grond van diens hoedanigheid van of betrekking tot
diplomatiek of consulair personeel dan wel op grond van diens
hoedanigheid van of betrekking tot personeel in dienst van een in
Nederland gevestigde internationale organisatie door Onze Minister van
Buitenlandse Zaken een identiteitsbewijs voor geprivilegieerden is
verstrekt, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden
voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens het door dat gezag afgegeven
rijbewijs overgelegd;
b. indien het overgelegde rijbewijs
is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
anders dan in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of
in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, is in het
rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid geregistreerd
voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking
heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar
vóór de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de
rijbewijscategorie AM;
c. indien het overgelegde rijbewijs
is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, is in het rijbewijzenregister een
verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere
rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de
datum van registratie niet langer dan een jaar vóór de aanvraag
mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM, indien
I. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C,
E bij C1, E bij D of E bij D1,
II. het overgelegde rijbewijs
is afgegeven voor een kortere geldigheidsduur dan de in de
staat van afgifte gebruikelijke termijn van geldigheid;
III. het overgelegde rijbewijs
beperkende aantekeningen bevat die niet zijn aangeduid met de
geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap.
2.Indien het overgelegde rijbewijs is
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan
in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, dient het op het moment van de
aanvraag nog geldig te zijn.
Indien het overgelegde rijbewijs is
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van
de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, dient het op het moment van de aanvraag hetzij nog geldig
te zijn hetzij, indien het zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur, vergezeld te gaan van een door het
gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring
waaruit blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen
van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de
beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de
rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen
bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.
3.Indien de aanvraag betrekking heeft
op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in
het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de
volgende vereisten te worden voldaan:
a. de aanvrager overlegt een door
de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese
Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;
b. het door de aanvrager over te
leggen rijbewijs is door de bevoegde autoriteit van een lidstaat
van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders voorzien van een geldige in die
richtlijn bedoelde communautaire code,
c. de aanvrager overlegt een geldig
buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel
d. ten behoeve van de aanvrager is
in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of
een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van
registratie niet langer dan vijf jaren vóór de aanvraag mag
liggen.
4.Indien de in het voorgaande lid,
onder a of c, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet
kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
5.Indien het in het derde lid, onder b,
genoemde document wegens vermissing of diefstal niet kan worden
overgelegd, is artikel 45, vierde en negende lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 48
1.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs,
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven aan een in
het kader van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de
Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de
rechtspositie van hun krijgsmachten, in Nederland gelegerd lid van een
krijgsmacht, een lid van de tot die krijgsmacht behorende civiele
dienst of een persoon die behoort tot het gezin van een lid van een
krijgsmacht als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een tot de
civiele dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, dient bij
de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:
a. behoudens de in artikel 33
genoemde bescheiden wordt tevens het door dat gezag afgegeven
rijbewijs overgelegd;
b. indien het overgelegde rijbewijs
is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
anders dan in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of
in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, is in het
rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring
van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie
waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van
registratie niet langer dan een jaar vóór de aanvraag mag
liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM;
c. indien het overgelegde rijbewijs
is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, is in het rijbewijzenregister ten behoeve
van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd
voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking
heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar
vóór de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de
rijbewijscategorie AM, indien
I. de aanvraag mede betrekking
heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C,
E bij C1, E bij D of E bij D1,
II. het overgelegde rijbewijs
is afgegeven voor een kortere geldigheidsduur dan de in de
staat van afgifte gebruikelijke termijn van geldigheid;
III. het overgelegde rijbewijs
beperkende aantekeningen bevat die niet zijn aangeduid met de
geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap.
2.Indien het overgelegde rijbewijs is
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan
in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, dient het op het moment van de
aanvraag nog geldig te zijn.
Indien het overgelegde rijbewijs is
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van
de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, dient het op het moment van de aanvraag hetzij nog geldig
te zijn hetzij, indien het zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur, vergezeld te gaan van een door het
gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring
waaruit blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen
van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de
beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de
rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen
bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.
3.Indien de aanvraag betrekking heeft
op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in
het eerste en tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de
volgende vereisten te worden voldaan:
a. de aanvrager overlegt een door
de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese
Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders
aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;
b. het door de aanvrager over te
leggen rijbewijs is door de bevoegde autoriteit van een lidstaat
van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders voorzien van een geldige in die
richtlijn bedoelde communautaire code,
c. de aanvrager overlegt een geldig
buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel
d. ten behoeve van de aanvrager is
in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of
een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van
registratie niet langer dan vijf jaren vóór de aanvraag mag
liggen.
4.Indien de in het voorgaande lid,
onder a of c, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet
kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
5.Indien het in het derde lid, onder b,
genoemde document wegens vermissing of diefstal niet kan worden
overgelegd, is artikel 45, vierde en negende lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 48a
Indien op het moment van uitreiking van
het rijbewijs het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs verloren
is geraakt of teniet is gegaan, dient de aanvrager een proces-verbaal
over te leggen terzake van verlies of tenietgaan van het rijbewijs, in
Nederland op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of
buitengewoon opsporingsambtenaar. In het proces-verbaal dienen de
omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is
gegaan, te worden omschreven.
Artikel 48b
De einddatum van het op het af te geven
rijbewijs te vermelden getuigschrift van vakbekwaamheid wordt als volgt
vastgesteld:
a. indien ten behoeve van de
aanvrager een verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd en het
rijbewijs wordt aangevraagd binnen zes maanden nadat de verklaring
van vakbekwaamheid is geregistreerd, wordt als einddatum vermeld de
afgiftedatum van het rijbewijs vermeerderd met vijf jaren;
b. indien ten behoeve van de
aanvrager een verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd en het
rijbewijs wordt aangevraagd later dan zes maanden nadat de
verklaring van vakbekwaamheid is geregistreerd, wordt als einddatum
vermeld de registratiedatum van de verklaring van vakbekwaamheid
vermeerderd met vijf jaren;
c. indien de aanvrager een van de
volgende documenten overlegt:
i. een door de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap
overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de
aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurders;
ii. een buitenlands
omwisselingscertificaat of
iii. een door de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs die overeenkomstig de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders is voorzien van een geldige in die
richtlijn bedoelde communautaire code,
wordt als einddatum vermeld de
einddatum die op het sub i tot en met iii bedoelde document is
vermeld.
Artikel 48c
De einddatum van het op het af te geven
rijbewijs te vermelden getuigschrift van nascholing wordt als volgt
vastgesteld:
a. indien ten behoeve van de
aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing
is geregistreerd voordat de einddatum is verstreken van
i. een op het eerder aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs vermelde getuigschrift van
vakbekwaamheid of getuigschrift van nascholing;
ii. een door de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap
overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de
aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurders;
iii. een buitenlands
omwisselingscertificaat of
iv. een overeenkomstig de
richtlijn vakbekwaamheid bestuurders vermelde code op een door
de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese
Gemeenschap aan de aanvrager afgegeven rijbewijs,
wordt als einddatum vermeld de
einddatum die op het sub i tot en met iv bedoelde document is
vermeld vermeerderd met vijf jaren;
b. indien ten behoeve van de
aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing
is geregistreerd nadat de einddatum is verstreken van de in
onderdeel a, sub i tot en met iv, bedoelde documenten, en het
rijbewijs wordt aangevraagd binnen zes maanden nadat de verklaring
van nascholing is geregistreerd, wordt als einddatum vermeld de
afgiftedatum van het rijbewijs vermeerderd met vijf jaar;
c. indien ten behoeve van de
aanvrager in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing
is geregistreerd nadat de einddatum is verstreken van de in
onderdeel a, sub i tot en met iv, bedoelde documenten, en het
rijbewijs wordt aangevraagd later dan zes maanden nadat de
verklaring van nascholing is geregistreerd, wordt als einddatum
vermeld de registratiedatum van de verklaring van nascholing
vermeerderd met vijf jaren.
Artikel 48d
Voor bestuurders als bedoeld in artikel
156q, vierde lid, wordt bij de op het af te geven rijbewijs te vermelden
getuigschriften van nascholing dezelfde einddatum vermeld als bedoeld
inartikel 48c.
§ 3. Controle op de identiteit van de
aanvrager
Artikel 49
1.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager aan wie nog niet
eerder een rijbewijs is afgegeven, wordt voor het verkrijgen van de
nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager gebruik gemaakt
van het bij de aanvraag overgelegde, op naam van de aanvrager gestelde
reis- of identiteitsdocument, bedoeld in artikel 33, eerste lid,
onderdeel b, onder I.
2.In afwijking van het eerste lid
wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een
rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lid-staat van
de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de
identiteit van de aanvrager gebruik gemaakt van dat rijbewijs, mits
het is voorzien van een pasfoto van de houder.
3.Indien de aanvraag betrekking heeft
op de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager aan wie reeds eerder
een rijbewijs is afgegeven, wordt voor het verkrijgen van de nodige
zekerheid over de identiteit van de aanvrager gebruik gemaakt van het
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, mits dat rijbewijs hetzij
nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur, dan wel, indien de aanvrager niet
in Nederland woonachtig is, een fotokopie van een op naam van de
aanvrager gesteld document als bedoeld in het eerste lid.
4.Indien twijfel bestaat aan de
juistheid van de in het overgelegde rijbewijs opgenomen gegevens, dan
wel overigens onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van de
aanvrager, worden de in het rijbewijzenregister geregistreerde
gegevens van het eerder afgegeven rijbewijs geraadpleegd.
Hoofdstuk III. Verklaringen van
rijvaardigheid
§ 1. Algemeen
Artikel 50
1.Verklaringen van rijvaardigheid
worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde
tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten
behoeve van een ieder die bij een onderzoek naar de rijvaardigheid
voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie
waarvoor de verklaring wordt verlangd, aan de daarvoor bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen blijkt te voldoen.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
ten behoeve van degene wiens rijbewijs op grond van artikel 132,
tweede lid, van de wet ongeldig is verklaard wegens het niet-verlenen
van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te
onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de
rijvaardigheid, gedurende een periode van ten hoogste drie jaren na de
ongeldigverklaring van het rijbewijs geen verklaring van
rijvaardigheid in het rijbewijzenregister geregistreerd zolang hij
niet aan die verplichting heeft voldaan.
Artikel 51
Het voor de aanvraag van verklaringen van
rijvaardigheid verschuldigde tarief wordt vastgesteld door het CBR onder
goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 52 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 53
1. Het onderzoek naar de rijvaardigheid
voor de rijbewijscategorie AM bestaat uit een theorie-examen en een
praktijkexamen.
2. Het onderzoek naar de rijvaardigheid
voor de rijbewijscategorie A bestaat uit een theorie-examen, een
praktijkexamen voertuigbeheersing en een praktijkexamen
verkeersdeelneming.
3. Het onderzoek naar de rijvaardigheid
voor de rijbewijscategorie B bestaat uit een theorie-examen en een
praktijkexamen.
4. Het onderzoek naar de rijvaardigheid
voor de rijbewijscategorieën C en D bestaat uit een theorie-examen en
een praktijkexamen. Het theorie-examen bestaat uit de onderdelen
rijbewijs/vakbekwaamheid 1 en rijbewijs 2.
5. Het onderzoek naar de rijvaardigheid
voor de rijbewijscategorie E bestaat uit een praktijkexamen.
Artikel 53a
1. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie E bij C is, dan bestaat het
onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de
categorie C en een praktijkexamen voor de categorie E bij C.
2. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie C is, dan bestaat het onderzoek
naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen
voor de categorie C.
3. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie E bij D is, dan bestaat het
onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de
categorie D en een praktijkexamen voor de categorie E bij D.
4. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie D is, dan bestaat het onderzoek
naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen
voor de categorie D.
5. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie E bij B is, dan bestaat het
onderzoek naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen voor de
categorie B en een praktijkexamen voor de categorie E bij B.
6. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie B is, dan bestaat het onderzoek
naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen
voor de categorie B.
7. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie A is, dan bestaat het onderzoek
naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen
voor de categorie A.
8. Indien het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 42a, eerste lid, en de zwaarste categorie waarop de
aanvraag betrekking heeft categorie AM is, dan bestaat het onderzoek
naar de rijvaardigheid uit een theorie-examen en een praktijkexamen
voor de categorie AM.
§ 2. Aanvraag van verklaringen van
rijvaardigheid
Artikel 54
Het voor de aanvraag van een verklaring
van rijvaardigheid verschuldigde tarief dient vóór de indiening van de
aanvraag te zijn voldaan door overmaking op een door het CBR aangewezen
bankrekening.
Artikel 55
1. De aanvraag geschiedt op de door het
CBR vastgestelde wijze.
2. Bij de aanvraag dienen te worden
overgelegd:
a. een volledig ingevuld
aanvraagformulier volgens door het CBR vastgesteld model;
b.
I. indien aan de aanvrager in
Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is
toegekend of de aanvrager behoort tot het gezin van een
persoon aan wie in Nederland de status van diplomatiek of
consulair ambtenaar is toegekend, een door Onze Minister van
Buitenlandse Zaken afgegeven verklaring waaruit zulks blijkt;
II. indien de aanvrager lid is
van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen
gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun
krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van
de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot
het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld
of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige
krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken
basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt;
c. indien de aanvraag wordt gedaan
met het oog op de aanvraag van een rijbewijs als bedoeld in de
artikelen 42b, eerste lid, of 42d, eerste lid, dient de aanvrager
tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde verklaring;
d. indien de aanvraag wordt gedaan
met het oog op de aanvraag van een rijbewijs, bedoeld in de
artikelen 41b, eerste lid, of 41d, eerste lid, dient de aanvrager
tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde verklaring.
3. Het tweede lid, onderdeel a, geldt
niet indien de aanvraag langs geautomatiseerde weg wordt ingediend.
4. Bij de aanvraag van een verklaring
van rijvaardigheid raadpleegt het CBR de in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven persoonsgegevens van
de aanvrager.
§ 3. Het theorie-examen
Artikel 56
1. Het theorie-examen voor de
rijbewijscategorie AM kan slechts worden afgelegd door personen die de
leeftijd van vijftien jaren en zes maanden hebben bereikt.
2. Het theorie-examen voor de
rijbewijscategorieën A en B kan slechts worden afgelegd door personen
die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.
3. Het onderdeel
rijbewijs/vakbekwaamheid 1 van het theorie-examen voor de
rijbewijscategorieën C en D kan slechts worden afgelegd door personen
die de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt. Het onderdeel
rijbewijs 2 van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C kan
slechts worden afgelegd door personen die de leeftijd van zeventien
jaren hebben bereikt. Het onderdeel rijbewijs 2 van het theorie-examen
voor de rijbewijscategorie D kan slechts worden afgelegd door personen
die de leeftijd van twintig jaren hebben bereikt.
Artikel 57
De kosten van het theorie-examen worden
vastgesteld door het CBR onder goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 58
De kosten van het theorie-examen dienen
door de aanvrager te worden voldaan door aankoop van een aanvraagkaart
volgens door het CBR vastgesteld model door het verschuldigde bedrag
over te maken op een door het CBR aangewezen bankrekening.
Artikel 59
1. Voor toelating tot het
theorie-examen dienen te worden overgelegd:
a. een op naam van de aanvrager
gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder 1°, 2° of 3°, van de Wet op de identificatieplicht dan
wel een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog
geldig is hetzij zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur;
b.
I. indien aan de aanvrager in
Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is
toegekend of de aanvrager behoort tot het gezin van een
persoon aan wie in Nederland de status van diplomatiek of
consulair ambtenaar is toegekend, een door Onze Minister van
Buitenlandse Zaken afgegeven verklaring waaruit zulks blijkt;
II. indien de aanvrager lid is
van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen
gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun
krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van
de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot
het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld
of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige
krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken
basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt;
c. indien de aanvraag wordt gedaan
met het oog op de aanvraag van een rijbewijs, bedoeld in artikel
42a, eerste lid, dient de aanvrager tevens te overleggen de in
artikel 42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring;
d. indien de aanvraag wordt gedaan
met het oog op de aanvraag van een rijbewijs, bedoeld in de
artikelen 41b, eerste lid, of 41d, eerste lid, dient de aanvrager
tevens te overleggen de in artikel 42b, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde verklaring.
2. Voor de toelating tot het
theorie-examen raadpleegt het CBR de in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven persoonsgegevens van
de aanvrager.
Artikel 60 [Vervallen per 10-09-2008]
Artikel 60a
De eisen voor het theorie-examen voor de
rijbewijscategorie AM betreffen:
a. grondige kennis van bij en
krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van bromfietsen
geldende voorschriften en het op juiste wijze toepassen van die
kennis alsmede van kennis van bij en krachtens de wet vastgestelde,
voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders geldende
voorschriften;
b. kennis van de mogelijkheid van
conflicteren van eigen belangen en belangen van andere
verkeersdeelnemers;
c. inzicht in voor de bestuurders van
bromfietsen relevante verkeersrisico’s en in factoren die de
rijvaardigheid kunnen beïnvloeden;
d. kennis van de hoofdbeginselen van
eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te
treffen bij verkeersongevallen;
e. basiskennis met betrekking tot de
voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde
voertuigonderdelen;
f. kennis van en inzicht in de
invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en
milieuproblematiek;
g. kennis van de elementaire
beginselen van voertuigbediening en voertuigbeheersing en
h. kennis van mogelijkheden om
noodsituaties tijdig te onderkennen, en van gedragsmogelijkheden in
noodsituaties.
Artikel 61
De eisen voor het theorie-examen voor de
rijbewijscategorie A betreffen:
a. grondige kennis van bij en
krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen
van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze
toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet
vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders
geldende voorschriften;
b. kennis van de mogelijkheid van
conflicteren van eigen belangen en belangen van andere
verkeersdeelnemers;
c. inzicht in verkeersrisico’s die
relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie,
en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden;
d. kennis van de hoofdbeginselen van
eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te
treffen bij verkeersongevallen;
e. basiskennis met betrekking tot de
voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde
voertuigonderdelen en
f. kennis van en inzicht in de
invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en
milieuproblematiek.
Artikel 62
De eisen voor het theorie-examen voor de
rijbewijscategorie B betreffen:
a. grondige kennis van bij en
krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen
van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze
toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet
vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders
geldende voorschriften;
b. kennis van de mogelijkheid van
conflicteren van eigen belangen en belangen van andere
verkeersdeelnemers;
c. inzicht in verkeersrisico’s die
relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie,
en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden;
d. kennis van de hoofdbeginselen van
eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te
treffen bij verkeersongevallen;
e. basiskennis met betrekking tot de
voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde
voertuigonderdelen en
f. kennis van en inzicht in de
invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en
milieuproblematiek.
Artikel 63
De eisen voor het theorie-examen voor de
rijbewijscategorie C betreffen:
a. grondige kennis van bij en
krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen
van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze
toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet
vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders
geldende voorschriften;
b. kennis van de mogelijkheid van
conflicteren van eigen belangen en belangen van andere
verkeersdeelnemers;
c. inzicht in verkeersrisico’s die
relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie,
en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden;
d. kennis van de hoofdbeginselen van
eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te
treffen bij verkeersongevallen;
e. basiskennis met betrekking tot de
voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde
voertuigonderdelen;
f. inzicht in de werking en het
elementaire onderhoud van de voor de verkeersveiligheid van belang
zijnde voertuigonderdelen en uitrustingsstukken;
g. kennis van en inzicht in de
invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en
milieuproblematiek en
h. basiskennis met betrekking tot
rij- en rusttijdenregelingen.
Artikel 64
De eisen voor het theorie-examen voor de
rijbewijscategorie D betreffen:
a. grondige kennis van bij en
krachtens de wet vastgestelde, voor bestuurders van motorrijtuigen
van die categorie geldende voorschriften en het op juiste wijze
toepassen van die kennis alsmede kennis van bij en krachtens de wet
vastgestelde, voor andere verkeersdeelnemers dan die bestuurders
geldende voorschriften;
b. kennis van de mogelijkheid van
conflicteren van eigen belangen en belangen van andere
verkeersdeelnemers;
c. inzicht in verkeersrisico’s die
relevant zijn voor bestuurders van motorrijtuigen van die categorie,
en in factoren die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden;
d. kennis van de hoofdbeginselen van
eerste hulp bij ongelukken en van elementaire maatregelen, te
treffen bij verkeersongevallen;
e. basiskennis met betrekking tot de
voor de verkeersveiligheid en voor het milieu van belang zijnde
voertuigonderdelen;
f. inzicht in de werking en het
elementaire onderhoud van de voor de verkeersveiligheid van belang
zijnde voertuigonderdelen en uitrustingsstukken;
g. kennis van en inzicht in de
invloed van het eigen rijgedrag op de mobiliteits- en
milieuproblematiek en
h. basiskennis met betrekking tot
rij- en rusttijdenregelingen.
Artikel 65
1. Indien de aanvrager bij het
theorie-examen naar het oordeel van het CBR heeft voldaan aan de
eisen, registreert het CBR ten behoeve van de aanvrager dat hij is
geslaagd voor het theorie-examen en draagt het CBR er zorg voor dat
het resultaat van het examen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt.
2. Ten behoeve van artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel e, onder I, geeft het CBR
aan de betrokken kandidaat een theoriecertificaat voor de
rijbewijscategorie AM respectievelijk A af.
Artikel 66
Het model van het theorie-certificaat
wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
§ 4. Het praktijk-examen
Artikel 67
1. Voor toelating tot het
praktijkexamen moet zijn voldaan aan de volgende eisen:
a. indien de aanvraag de
rijbewijscategorie AM, A of B betreft, dient de aanvrager niet
langer dan een jaar en zes maanden voor de dag van het
praktijkexamen te zijn geslaagd voor het theorie-examen voor de
rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. indien de aanvraag de
rijbewijscategorie C, C1, D en D1 betreft, dient de aanvrager niet
langer dan twee jaren voor de dag van het praktijkexamen te zijn
geslaagd voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie waarop
de aanvraag betrekking heeft;
c. de aanvrager dient bij de
aanvraag een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet op de
identificatieplicht te overleggen, dan wel een eerder aan de
aanvrager afgegeven rijbewijs dat hetzij nog geldig is hetzij zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft
op het praktijkexamen verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorie A
dient de aanvrager tevens niet langer dan een jaar voor het examen te
zijn geslaagd voor het praktijkexamen voertuigbeheersing voor die
rijbewijscategorie.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft
op de rijbewijscategorie C of D dient tevens een rijbewijs B, al dan
niet voorzien van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering
waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen
heeft afgelegd in een motorrijtuig zonder koppelingspedaal, te worden
overgelegd dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft
op een der rijbewijscategorieën E bij B, E bij C of E bij D dient
tevens een rijbewijs voor het trekkende motorrijtuig, al dan niet
voorzien van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering
waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen
heeft afgelegd in een motorrijtuig zonder koppelingspedaal, te worden
overgelegd dat hetzij nog geldig is hetzij zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken door de geldigheidsduur.
5. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt, voorzover het de toelating tot het praktijkexamen
voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A betreft, met een
theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie A gelijkgesteld:
a. een door het daartoe bevoegde
militaire gezag niet langer dan een jaar en zes maanden tevoren
afgegeven theoriecertificaat voor de rijbewijscategorie A;
b. een rijbewijs A dat slechts
geldig is voor het besturen van motorrijtuigen zonder handbediende
koppelingshendel;
c. een rijbewijs A dat slechts
geldig is voor het besturen van motorrijtuigen op twee wielen,
waarvan het vermogen niet meer dan 25 kW en tevens niet meer dan
0,16 kW per kg ledige massa bedraagt;
d. een geldig rijbewijs B.
6. Voor de toepassing van het derde lid
wordt met een rijbewijs B gelijkgesteld:
a. een door het daartoe bevoegde
gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager
afgegeven geldig rijbewijs B;
b. een in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de
rijbewijscategorie B, waarbij de datum van registratie niet langer
dan drie jaar vóór het examen mag liggen, voor zover de aanvraag
betrekking heeft op de rijbewijscategorie C en de aanvrager een op
het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt.
7. Voor de toepassing van het vierde
lid wordt met een rijbewijs voor het trekkende motorrijtuig
gelijkgesteld:
a. een door het daartoe bevoegde
gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan de aanvrager
afgegeven geldig rijbewijs voor het trekkende motorrijtuig;
b. een in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor de
rijbewijscategorie C, waarbij de datum van registratie niet langer
dan drie jaar vóór het examen mag liggen, voor zover de aanvraag
betrekking heeft op de rijbewijscategorie E bij C en de aanvrager
een op het beroep van chauffeur goederenvervoer gerichte
beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs volgt.
8. In afwijking van het eerste en het
derde tot en met zevende lid moet voor toelating tot het
praktijkexamen in verband met de aanvraag van een rijbewijs als
bedoeld in de artikelen 41b, eerste lid, 41d, eerste lid, of 42a,
eerste lid, zijn voldaan aan de volgende eisen:
a. de aanvrager dient een op naam
van de aanvrager gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet op de
identificatieplicht te overleggen;
b. de aanvrager dient de in artikel
42b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring te overleggen;
c. de aanvrager dient niet langer
dan twee jaar voor de dag van het praktijkexamen te zijn geslaagd
voor het theorie-examen voor de zwaarste rijbewijscategorie,
bedoeld in artikel 42a, tweede lid, waarop de aanvraag betrekking
heeft, indien de aanvraag betrekking heeft op de categorieën E
bij C, C, E bij D en D;
d. de aanvrager dient niet langer
dan een jaar en zes maanden voor de dag van het praktijkexamen te
zijn geslaagd voor het theorie-examen voor de zwaarste
rijbewijscategorie, bedoeld in artikel 42a, tweede lid, waarop de
aanvraag betrekking heeft, indien de aanvraag betrekking heeft op
de categorieën E bij B, B, A of AM.
9. Voor de toepassing van het zesde
lid, onderdeel d, wordt met een geldig rijbewijs B gelijkgesteld een
geldig rijbewijs B, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een
andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland.
Artikel 68
Voor de toepassing van artikel 67, eerste
lid, onderdeel a, wordt met het niet langer dan een jaar en zes maanden
voor de dag van het praktijkexamen geslaagd zijn voor het theorie-examen
voor de rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft
gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer
dan een jaar voor de dag van het examen afgegeven theorie-certificaat
voor de rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 69
1.Artikel 67, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, geldt niet indien de aanvraag betrekking heeft op:
a. de afgifte van een rijbewijs A
dat geldig is voor het besturen van motorrijtuigen zonder
handbediende hendel en de aanvrager aantoont dat hij reeds in het
bezit is van een rijbewijs A dat slechts geldig is voor het
besturen van motorrijtuigen zonder handbediende koppelingshendel;
b. de afgifte van een rijbewijs A
dat geldig is voor het besturen van motorrijtuigen van die
rijbewijscategorie, waarvan het vermogen ten minste 35 kW
bedraagt, en de aanvrager aantoont dat hij reeds in het bezit is
van een rijbewijs A dat slechts geldig is voor het besturen van
motorrijtuigen van die rijbewijscategorie, waarvan het vermogen
niet meer dan 25 kW en tevens niet meer dan 0,16 kW per kg ledige
massa bedraagt;
c. de afgifte van een rijbewijs B
dat geldig is voor het besturen van motorrijtuigen zonder
koppelingspedaal en de aanvrager aantoont dat hij reeds in het
bezit is van een rijbewijs B dat slechts geldig is voor het
besturen van motorrijtuigen zonder koppelingspedaal.
2.Voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel c, wordt met een rijbewijs gelijkgesteld:
a. een rijbewijs dat zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur;
b. een in het rijbewijzenregister
geregistreerde verklaring van rijvaardigheid, waarbij de datum van
registratie niet langer dan zes maanden vóór de aanvraag mag
liggen.
Artikel 69a
1. De eisen waaraan bij het
praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op twee
wielen, dient te worden voldaan, betreffen:
a. bedrevenheid in de bediening en
de beheersing van het voertuig;
b. het op juiste en veilige wijze
deelnemen aan het verkeer;
c. het kunnen toepassen van de bij
of krachtens de wet vastgestelde voorschriften.
2. De eisen waaraan bij het
praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM, bromfietsen op drie of
vier wielen, dient te worden voldaan, betreffen de bedrevenheid in de
bediening en de beheersing van het voertuig.
Artikel 69b
1. Het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie AM, bromfietsen op twee wielen, bestaat uit het
afleggen van een rijproef met een bromfiets op twee wielen die
blijkens de gegevens in het kentekenregister of voor het voertuig
afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die
meer bedraagt dan 25 km/h.
2. Het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie AM, bromfietsen op drie of vier wielen, bestaat uit
het afleggen van een rijproef met een bromfiets op drie of vier wielen
die blijkens de gegevens in het kentekenregister of voor het voertuig
afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die
meer bedraagt dan 25 km/h.
Artikel 70
1.De eisen waaraan bij het
praktijkexamen voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A dient
te worden voldaan betreffen het op juiste en veilige wijze uitvoeren
van een aantal bijzondere verrichtingen met het voertuig.
2.De eisen waaraan bij het
praktijk-examen verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorie A dient
te worden voldaan betreffen:
a. bedrevenheid in de bediening van
het voertuig;
b. het op juiste en veilige wijze
deelnemen aan het verkeer;
c. het kunnen toepassen van de bij
en krachtens de wet vastgestelde voorschriften.
3.De eisen waaraan bij het
praktijkexamen voor de rijbewijscategorieën B, C, D en E dient te
worden voldaan, betreffen:
a. bedrevenheid in de bediening van
het voertuig;
b. het op juiste en veilige wijze
deelnemen aan het verkeer;
c. het kunnen toepassen van de bij
en krachtens de wet vastgestelde voorschriften;
d. het op juiste en veilige wijze
uitvoeren van een aantal bijzondere verrichtingen met het
voertuig.
4.Het derde lid, onderdeel d, is niet
van toepassing indien de aanvrager bij een vóór het betrokken
praktijkexamen door hem afgelegde tussentijdse toets ten genoegen van
het CBR heeft aangetoond aan de daar gestelde eis te voldoen.
Artikel 71
1.Het praktijkexamen voertuigbeheersing
voor het rijbewijs A, af te leggen door een aanvrager die de leeftijd
van 21 jaren nog niet heeft bereikt, bestaat uit het afleggen van een
rijproef met een motorrijtuig op twee wielen, waarvan de
cylinderinhoud meer dan 120 cm3 en het vermogen minder dan 35 kW
bedraagt en dat een snelheid kan bereiken van ten minste 100 km per
uur.
2.Het praktijkexamen verkeersdeelneming
voor het rijbewijs A, af te leggen door een aanvrager die de leeftijd
van 21 jaren nog niet heeft bereikt, bestaat uit het afleggen van een
rijproef met een motorrijtuig op twee wielen, waarvan de
cylinderinhoud meer dan 120 cm3 en het vermogen minder dan 35 kW
bedraagt en dat een snelheid kan bereiken van ten minste 100 km per
uur.
3.Het praktijkexamen voertuigbeheersing
voor het rijbewijs A, af te leggen door een aanvrager die de leeftijd
van 21 jaren heeft bereikt, bestaat uit het afleggen van een rijproef
met een motorrijtuig op twee wielen, waarvan
a. de cylinderinhoud meer dan 120
cm3 en het vermogen minder dan 35 kW bedraagt en dat een snelheid
kan bereiken van ten minste 100 km per uur, dan wel
b. het vermogen ten minste 35 kW
bedraagt.
4.Een aanvrager als bedoeld in het
derde lid legt het praktijkexamen verkeersdeelneming af met een
motorrijtuig op twee wielen dat behoort tot dezelfde in het derde lid
genoemde categorie als het motorrijtuig op twee wielen waarmee hij het
praktijkexamen voertuigbeheersing heeft afgelegd.
5.Voor de bepaling van het aantal
wielen worden twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel
beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken
van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
Artikel 72
Het praktijkexamen voor het rijbewijs B
bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig op vier
wielen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500
kg, en dat niet is ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen,
de bestuurder daaronder niet begrepen. Het motorrijtuig dient een
snelheid te kunnen bereiken van ten minste 100 km per uur.
Artikel 73
Het praktijkexamen voor het rijbewijs C
bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig, niet
zijnde een motorrijtuig bestemd voor het voortbewegen van een oplegger,
dat niet is ingericht voor het vervoer van personen en waarvan de lengte
ten minste 8 m, de breedte ten minste 2,40 m, de wielbasis ten minste
4,50 m en de toegestane maximum massa ten minste 12 000 kg bedraagt. Het
motorrijtuig dient te zijn voorzien van een gesloten opbouw dan wel van
een gesloten huif, ten minste even breed en hoog als de cabine, en dient
met ten minste 3000 kg te zijn beladen. Het motorrijtuig dient te zijn
uitgerust met een anti-blokkeersysteem, een versnellingsbak met ten
minste acht voorwaartse versnellingen, een toerenteller en een
controle-apparaat als bedoeld in verordening (EEG) nr. 3821/85 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende de
invoering van een controle-apparaat bij het wegvervoer (PbEG L 370). Het
motorrijtuig dient te zijn voorzien van een slaapcabine. Het
motorrijtuig dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 80 km
per uur.
Artikel 74
Het praktijkexamen voor het rijbewijs D
bestaat uit het afleggen van een rijproef met een ongeleed motorrijtuig
dat is ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder
daaronder niet begrepen, en waarvan de lengte ten minste 10 m, de
breedte ten minste 2,40 m en de wielbasis ten minste 5,25 m bedraagt.
Het motorrijtuig dient te zijn uitgerust met een anti-blokkeersysteem,
een versnellingsbak met ten minste vijf voorwaartse versnellingen, een
toerenteller en een controle-apparaat als bedoeld in verordening (EEG)
nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december
1985 betreffende de invoering van een controle-apparaat bij het
wegvervoer (PbEG L 370). Het motorrijtuig dient een snelheid te kunnen
bereiken van ten minste 80 km per uur.
Artikel 75
Het praktijk-examen voor het rijbewijs E
bij B bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig als
bedoeld in artikel 72, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 1750
kg bedraagt, en een aanhangwagen waarvan de lengte ten minste 6 m en de
toegestane maximum massa meer dan 1750 kg bedraagt. De aanhangwagen
dient te zijn uitgerust met twee assen waarvan er maximaal één
gestuurd is, dan wel met een samenstel van twee starre assen in het
midden van de aanhangwagen. De aanhangwagen dient te zijn voorzien van
een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif waarvan de breedte en
de hoogte ten minste die van het trekkende motorrijtuig bedragen en
dient voor ten minste 50% van het laadvermogen te zijn beladen.
Artikel 76
1.Het praktijkexamen voor het rijbewijs
E bij C bestaat uit het afleggen van een rijproef
a. met een samenstel van een
motorrijtuig als bedoeld in artikel 73 en een aanhangwagen waarvan
de lengte ten minste 8 m en de breedte ten minste 2,40 m bedraagt.
De lengte van het samenstel van trekkend motorrijtuig en
aanhangwagen dient ten minste 16 m te bedragen. Het samenstel
dient een snelheid van ten minste 80 km per uur te kunnen
bereiken. De toegestane maximum massa van het trekkend
motorrijtuig en van de aanhangwagen te samen dient ten minste 20
000 kg te bedragen. De aanhangwagen dient te zijn uitgerust met
twee of meer assen waarvan er maximaal één gestuurd is, dan wel
met een samenstel van twee of meer starre assen in het midden van
de aanhangwagen waarbij
I. de afstand van het hart van
de koppeling tot het hart van het samenstel van assen ten
minste 5 m bedraagt;
II. de afstand van het hart van
de koppeling tot de achterste as van het trekkend motorrijtuig
niet meer dan 1,55 m bedraagt en
III. de hoogte van het hart van
de koppeling zich op niet meer dan 0,70 m boven het wegdek
bevindt.
De aanhangwagen dient te zijn
voorzien van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif,
ten minste even breed en hoog als de cabine van het trekkend
motorrijtuig, en dient met ten minste 3000 kg te zijn beladen, dan
wel
b. met een samenstel van een
trekkend motorrijtuig waarvan de wielbasis ten minste 3,20 m en
ten hoogste 4,25 m bedraagt, en een oplegger. De lengte van het
samenstel van trekkend motorrijtuig en oplegger dient ten minste
14,50 m te bedragen. Het samenstel dient een snelheid van ten
minste 80 km per uur te kunnen bereiken. De toegestane maximum
massa van het samenstel dient ten minste 20 000 kg te bedragen.
Het trekkend motorrijtuig dient te zijn uitgerust met een
anti-blokkeersysteem, een versnellingsbak met ten minste acht
voorwaartse versnellingen, een toerenteller en een
controle-apparaat als bedoeld in verordening (EEG) nr. 3821/85 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985
betreffende de invoering van een controle-apparaat bij het
wegvervoer (PbEG L 370). Het trekkend motorrijtuig dient te zijn
voorzien van een slaapcabine. De oplegger dient te zijn voorzien
van een gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif, ten minste
even breed en hoog als de cabine van het trekkend motorrijtuig, en
dient met ten minste 6000 kg te zijn beladen. De oplegger dient te
zijn uitgerust met starre assen.
Artikel 77
Het praktijkexamen voor het rijbewijs E
bij D bestaat uit het afleggen van een rijproef met een motorrijtuig als
bedoeld in artikel 74 en een aanhangwagen waarvan de lengte ten minste 5
m, de breedte ten minste 2,40 m en de toegestane maximum massa ten
minste 3000 kg bedraagt. De aanhangwagen moet zijn voorzien van een
gesloten opbouw dan wel van een gesloten huif die ten minste 2 m breed
en 2 m hoog is en dient met ten minste 800 kg te zijn beladen. Het
samenstel dient een snelheid te kunnen bereiken van ten minste 80 km per
uur.
Artikel 78
Het motorrijtuig waarmee de rijproef
wordt afgelegd, behoeft niet te zijn voorzien van een koppelingspedaal
of, indien het een motorrijtuig voor de categorie A betreft, een
handbediende koppelingshendel.
Artikel 78a
Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor
het rijbewijs AM wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van een bij
ministeriële regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze
als bij die regeling is voorgeschreven.
Artikel 79
Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor
het rijbewijs A wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van een bij
ministeriële regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze
als bij die regeling is voorgeschreven.
Artikel 80
Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor
het rijbewijs B wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van:
a. inrichtingen die zo zijn
aangebracht dat degene die rijonderricht geeft, daarmee de
bedrijfsrem en, indien het motorrijtuig is voorzien van een
koppelingspedaal, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan
bedienen;
b. een binnen- en een buitenspiegel
waarmee de examinator het achter en rechts naast hem gelegen
weggedeelte kan overzien;
c. een bij ministeriële regeling
vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die
regeling is voorgeschreven.
Artikel 81
Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor
het rijbewijs C, D of E wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van:
a. inrichtingen die zo zijn
aangebracht dat degene die rijonderricht geeft, daarmee de
bedrijfsrem en, indien het motorrijtuig is voorzien van een
koppelingspedaal, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan
bedienen;
b. twee of meer buitenspiegels
waarmee de examinator het rechts en links naast en achter hem
gelegen weggedeelte kan overzien;
c. een bij ministeriële regeling
vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die
regeling is voorgeschreven.
Artikel 82
1.Het motorrijtuig, het samenstel van
trekkend motorrijtuig en aanhangwagen, dan wel het samenstel van
trekkend motorrijtuig en oplegger, waarmee de rijproef wordt afgelegd,
dient naar het oordeel van het CBR daartoe geschikt te zijn
2.Aan het praktijkexamen
voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A en aan het
praktijkexamen verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorie A mag
slechts worden deelgenomen door kandidaten met een naar het oordeel
van het CBR daartoe geschikte beschermende uitrusting, bestaande uit
handschoenen, schoeisel, beschermende kleding en een helm.
Artikel 83
De duur van het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorie AM, voor zover het betreft de bromfietsen op twee
wielen, bedraagt tenminste 25 minuten. De duur van het praktijkexamen
verkeersdeelneming voor de rijbewijscategorie A en van het
praktijkexamen voor de rijbewijscategoriëen B en E bij B bedraagt
tenminste 35 minuten. De duur van het praktijkexamen voor de
rijbewijscategorieën C, D, E bij C en E bij D bedraagt ten minste 60
minuten.
Artikel 84
De rijproef kan binnen de voorgeschreven
tijd worden gestaakt, indien naar het oordeel van de examinator de
aanvrager door zijn wijze van rijden de veiligheid op de weg in gevaar
brengt. Bij het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de
rijbewijscategorie A kan de rijproef eveneens binnen de voorgeschreven
tijd worden gestaakt, indien naar het oordeel van de examinator de
aanvrager de bijzondere verrichtingen niet op juiste of veilige wijze
uitvoert.
§ 5. Registratie van verklaringen van
rijvaardigheid
Artikel 85
Indien de aanvrager naar het oordeel van
de examinator bij het onderzoek naar de rijvaardigheid heeft voldaan aan
de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen, registreert het CBR in
het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van
rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie waarvoor de aanvrager aan die
eisen heeft voldaan.
§ 6. Nader onderzoek rijvaardigheid
Artikel 86
1.De aanvrager van een verklaring van
rijvaardigheid, die binnen een tijdsbestek van vijf jaren tot vier
maal toe ter zake van dezelfde rijbewijscategorie een mededeling heeft
ontvangen dat hij niet aan de bij ministeriële regeling ten aanzien
van die rijbewijscategorie vastgestelde eisen heeft voldaan, dient
zich, indien hij een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een
verklaring van rijvaardigheid voor die rijbewijscategorie indient, te
onderwerpen aan een nader onderzoek naar zijn rijvaardigheid.
2.Voor zover de aanvraag betrekking
heeft op de rijbewijscategorie A, geldt het eerste lid slechts indien
de daar bedoelde mededeling betrekking heeft op het niet voldoen aan
de bij ministeriële regeling ten aanzien van het praktijkexamen
verkeersdeelneming voor die rijbewijscategorie vastgestelde eisen.
Artikel 87
Het nader onderzoek bestaat uit het
afleggen van een rijproef ten overstaan van een door het CBR aangewezen
rijvaardigheidsadviseur. De artikelen 54 en 55, 67 tot en met 82 en 84
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 88
De duur van het nader onderzoek bedraagt
voor de rijbewijscategorieën AM, A, B en E bij B ten minste 50 minuten
en voor de rijbewijscategorieën C, D, E bij C en E bij D ten minste 80
minuten.
Artikel 89
Indien de aanvrager naar het oordeel van
de rijvaardigheidsadviseur bij het nader onderzoek voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen, registreert het CBR in het
rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager een verklaring van
rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie waarvoor de aanvrager aan die
eisen heeft voldaan.
Artikel 90
Indien de aanvrager naar het oordeel van
de rijvaardigheidsadviseur bij het nader onderzoek niet voldoet aan de
bij ministeriële regeling vastgestelde eisen, adviseert de
rijvaardigheidsadviseur de aanvrager omtrent de wijze waarop deze ten
aanzien van die onderdelen waarop hij niet aan die eisen voldoet, zijn
rijvaardigheid kan verbeteren.
Artikel 91
De aanvrager die bij het nader onderzoek
niet heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen
ten aanzien van de rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen
van de rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, dient
zich, indien hij een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een verklaring
van rijvaardigheid voor die rijbewijscategorie indient, opnieuw te
onderwerpen aan een nader onderzoek naar zijn rijvaardigheid.
Artikel 92
1. Indien de aanvrager van een
verklaring van rijvaardigheid ook bij het tweede nader onderzoek voor
dezelfde rijbewijscategorie niet blijkt te voldoen aan de bij
ministeriële regeling ten aanzien van die rijbewijscategorie
vastgestelde eisen, is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager,
indien hij na het tweede nader onderzoek voor dezelfde
rijbewijscategorie een nieuwe aanvraag ter verkrijging van een
verklaring van rijvaardigheid voor die rijbewijscategorie indient, op
eigen kosten een onderzoek naar zijn geschiktheid ondergaat. Het
onderzoek wordt verricht door een of meer door het CBR aangewezen
deskundigen.
2. Het eerste lid en de artikelen 93
tot en met 96 zijn niet van toepassing op aanvragers van een
verklaring van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie AM.
Artikel 93
Door de aangewezen deskundige of
deskundigen wordt aan het CBR schriftelijk medegedeeld of de aanvrager
naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag
betrekking heeft.
Artikel 94
Het CBR onderzoekt mede op basis van de
bevindingen van de aangewezen deskundige of deskundigen of de aanvrager
al dan niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen
ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het
besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 95
Indien de aanvrager naar het oordeel van
het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten
aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen
van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën
waarop de aanvraag betrekking heeft, dient hij zich in het kader van een
nieuwe aanvraag ter verkrijging van een verklaring van rijvaardigheid
voor de betrokken rijbewijscategorie te onderwerpen aan een nader
onderzoek naar zijn rijvaardigheid als bedoeld in artikel 87. De
artikelen 54 en 55, 67 tot en met 82 en 84 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 96
Indien de aanvrager op basis van het in
artikel 94 bedoelde onderzoek een mededeling ontvangt dat hij naar het
oordeel van het CBR niet voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag
betrekking heeft, dient hij bij het indienen van een nieuwe aanvraag ter
verkrijging van een verklaring van rijvaardigheid voor de betrokken
rijbewijscategorie behoudens de in artikel 67 genoemde bescheiden tevens
een verklaring van geschiktheid voor die rijbewijscategorie over te
leggen.
Hoofdstuk IV. Verklaringen van
geschiktheid
§ 1. Algemeen
Artikel 97
1. Verklaringen van geschiktheid worden
op aanvraag, alsmede op in dit hoofdstuk vastgestelde wijze, en tegen
betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het
rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die
voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met
betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het
besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie
mededeling aan de aanvrager.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt ten behoeve van degene wiens rijbewijs op grond van artikel 132,
tweede lid, van de wet ongeldig is verklaard wegens het niet-verlenen
van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te
onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de
geschiktheid, gedurende een periode van ten hoogste drie jaren na de
ongeldigverklaring van het rijbewijs geen verklaring van geschiktheid
in het rijbewijzenregister geregistreerd zo lang hij niet alsnog aan
die verplichting heeft voldaan.
3. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing in de gevallen waarin de kosten van het
onderzoek voor rekening komen van de betrokken rijbewijshouder en het
rijbewijs ongeldig is verklaard wegens het niet-verlenen van de
vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te
onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.
4. In afwijking van het eerste en derde
lid wordt ten behoeve van degene die niet heeft meegewerkt aan een
keuring of een onderzoek door gebruik te maken van het
blokkeringsrecht bedoeld in artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder
b, van het Burgerlijk Wetboek, gedurende een periode van één jaar na
de datum van de keuring of het onderzoek geen verklaring van
geschiktheid in het rijbewijzenregister geregistreerd.
5. In afwijking van het eerste lid
wordt ten behoeve van degene wiens rijbewijs op grond van artikel 132,
tweede lid, van de wet ongeldig is verklaard wegens het niet verlenen
van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te
onderwerpen aan het alcoholslotprogramma, gedurende een periode van
ten hoogste vijf jaren na die ongeldigverklaring geen verklaring van
geschiktheid geregistreerd zolang de aanvrager niet heeft voldaan aan
artikel 103, tweede en derde lid. Hetzelfde geldt voor degene aan wie:
a. overeenkomstig artikel 118,
derde lid, van de wet dan wel op grond van artikel 134, zevende
lid, van de wet, de verplichting is opgelegd tot deelname aan het
alcoholslotprogramma, maar die binnen een periode van vijf jaren
na de oplegging van de verplichting tot deelname aan het
alcoholslotprogramma niet heeft voldaan aan artikel 103, tweede of
derde lid, of
b. na die periode van vijf jaar
alsnog de verplichting opgelegd is tot deelname aan het
alcoholslotprogramma.
Artikel 98
Het voor de aanvraag van verklaringen van
geschiktheid verschuldigde tarief wordt vastgesteld door het CBR onder
goedkeuring van Onze Minister. Het tarief dient door de aanvrager te
worden voldaan door aankoop van een aanvraagformulier volgens door het
CBR vastgesteld model door het verschuldigde bedrag over te maken op een
door het CBR aangewezen bankrekening.
Artikel 99 [Vervallen per 01-10-2006]
§ 2. Aanvraag van verklaringen van
geschiktheid
Artikel 100
1. Bij de aanvraag dienen te worden
overgelegd:
a. een niet langer dan twee weken
voor de aanvraag getekende, volledig ingevulde eigen verklaring
volgens door het CBR vastgesteld model;
b.
I. indien aan de aanvrager in
Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is
toegekend of de aanvrager behoort tot het gezin van een
persoon aan wie in Nederland de status van diplomatiek of
consulair ambtenaar is toegekend, een door Onze Minister van
Buitenlandse Zaken afgegeven verklaring waaruit zulks blijkt;
II. indien de aanvrager lid is
van een in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen
gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun
krijgsmachten, in Nederland gelegerde krijgsmacht, lid is van
de tot die krijgsmacht behorende civiele dienst of behoort tot
het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld
of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige
krijgsmacht behorende persoon, een door de betrokken
basiscommandant ondertekende verklaring waaruit zulks blijkt;
III. indien de aanvrager niet
in Nederland woonachtig is, enig bewijsstuk betreffende de
woonplaats en de datum en plaats van geboorte van de
aanvrager.
2. Indien een of meer van de op de
eigen verklaring gestelde vragen betreffende de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid van de aanvrager bevestigend worden
beantwoord, dient op de eigen verklaring een aantekening van een arts
te zijn gesteld waaruit de aard en de ernst van de afwijking blijken.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft
op:
a. de afgifte van een rijbewijs aan
een aanvrager die de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt,
b. de afgifte van een rijbewijs aan
een aanvrager die de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt en die in
het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur
verstrijkt op of na de dag waarop de aanvrager de leeftijd van 70
jaren bereikt, dan wel
c. de afgifte van een rijbewijs dat
geldig is voor een of meer van de rijbewijscategorieën C, C1, D,
D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,
dient bij de aanvraag tevens een niet
langer dan twee weken voor de aanvraag getekend, geneeskundig verslag
volgens door het CBR vastgesteld model te worden overgelegd. Het
geneeskundig verslag dient in de gevallen, bedoeld onder a en b, te
zijn opgemaakt door een arts en dient in het geval, bedoeld onder c,
te zijn opgemaakt door een door het CBR aangewezen arts.
4. Het eerste lid, onderdeel b, geldt
niet indien de aanvraag van een verklaring van geschiktheid
gelijktijdig met de aanvraag van een verklaring van rijvaardigheid
wordt ingediend.
5. Voor de toepassing van het derde lid
wordt met een geneeskundig verslag als daar bedoeld gelijkgesteld een
niet langer dan twee weken voor de aanvraag afgegeven, door een arts
opgemaakt, rapport van een niet in het kader van de aanvraag van een
rijbewijs verrichte keuring waarbij de aanvrager is gekeurd op eisen
die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag
betrekking heeft, welk rapport ten minste dezelfde gegevens bevat als
een geneeskundig verslag.
6. Indien de aanvraag wordt gedaan met
het oog op de aanvraag van een rijbewijs als bedoeld in artikel 42a,
eerste lid, dient de aanvrager tevens te overleggen de in artikel 42b,
tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring.
7. Kosten verbonden aan het laten
plaatsen van een aantekening als bedoeld in het tweede lid of het
laten opmaken van het geneeskundig verslag als bedoeld in het derde
lid, alsmede voor alle aanvullingen daarop, komen voor rekening van de
aanvrager.
7. Bij de aanvraag van een verklaring
van geschiktheid raadpleegt het CBR de in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven persoonsgegevens van
de aanvrager.
Artikel 101
1. Het CBR is bevoegd te vorderen dat
de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door
het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de
aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door
een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen
door een door het CBR aangewezen deskundige, indien:
a. de door de aanvrager overgelegde
eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt
vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft;
b. het CBR beschikt over gegevens
met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van
de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager
niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen
ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot
het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. tijdens het praktijk-examen het
vermoeden is gerezen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van
motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën
waarvoor het praktijk-examen wordt afgelegd.
2. De in het eerste lid bedoelde
keuring mag slechts betreffen:
a. de punten waaromtrent in de
eigen verklaring vragen zijn gesteld;
b. bovendien de punten waaromtrent
in het geneeskundig verslag vragen zijn gesteld, indien de
aanvraag betrekking heeft op:
I. de afgifte van een rijbewijs
aan een aanvrager die de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt;
II. de afgifte van een
rijbewijs aan een aanvrager die de leeftijd van 65 jaren heeft
bereikt en die in het bezit is van een rijbewijs waarvan de
geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop de aanvrager
de leeftijd van 70 jaren bereikt;
III. de afgifte van een
rijbewijs dat geldig is voor een of meer van de
rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D
of E bij D1.
3. Het in het eerste lid, aanhef,
bedoelde technisch onderzoek en de daar bedoelde rijproef mogen
slechts betrekking hebben op de bij ministeriële regeling aangewezen
punten van onderzoek.
4. De in het eerste lid bedoelde
vordering wordt in de gevallen genoemd in het eerste lid, onderdelen a
en b, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, na
ontvangst van de eigen verklaring respectievelijk na het
praktijkexamen in de gevallen genoemd in het eerste lid, onderdeel c,
door het CBR gedaan.
§ 3. Registratie van verklaringen van
geschiktheid
Artikel 102
1. Door de aangewezen arts of artsen
wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na de aanvang van
de keuring, bedoeld in artikel 101, eerste lid aan het CBR
schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel
voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met
betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor
welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën hij aan die eisen
niet voldoet.
2. Indien naar het oordeel van de
aangewezen arts of artsen redelijke grond bestaat voor de verwachting
dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is
dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene
geldigheidsduur, wordt zulks door hem of door hen schriftelijk
medegedeeld aan het CBR onder vermelding van de termijn waarvoor de
aanvrager naar zijn of naar hun oordeel aan die eisen voldoet.
3. Het CBR kan in bijzondere gevallen
toestaan dat door de arts of artsen van de in het eerste lid bedoelde
termijn wordt afgeweken.
Artikel 103
1. Indien de aanvrager naar het oordeel
van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde
eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot
het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, registreert
het in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die
categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid. Deze
registratie vindt plaats zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
vier weken na ontvangst van:
a. de bevindingen van de arts of
artsen of deskundige of deskundigen, of
b. de eigen verklaring, indien geen
vordering als bedoeld in artikel 101, eerste lid, is gedaan.
Indien het de registratie betreft van
een verklaring of van verklaringen van geschiktheid in verband met een
aanvraag als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, wordt, indien de
aanvrager zijn geschiktheid heeft aangetoond, ten behoeve van de
aanvrager ook voor alle lichtere categorieën waarop deze aanvraag
mede betrekking heeft, een verklaring van geschiktheid geregistreerd
in het rijbewijzenregister. Beperkende coderingen op het eerder
afgegeven, ongeldig geworden, rijbewijs dan wel geregistreerd in het
rijbewijzenregister bij een of meer rijbewijscategorieën waarop de
aanvraag betrekking heeft, worden overgenomen op de verklaring of
verklaringen van geschiktheid in het kader van de aanvraag als bedoeld
in de vorige volzin.
2. Indien het de registratie van een
verklaring van geschiktheid betreft nadat aan de aanvrager
overeenkomstig artikel 118, derde lid, van de wet dan wel op grond van
de artikelen 132b, eerste lid, of 134, zevende lid, van de wet de
verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma,
wordt ten aanzien van de aanvrager een verklaring van geschiktheid
voor de rijbewijscategorie B geregistreerd, indien:
a. ten aanzien van betrokkene is
geregistreerd dat hij het formulier, bedoeld in artikel 132c,
eerste lid, onderdeel c, van de wet heeft teruggezonden aan het
CBR,
b. ten aanzien van betrokkene is
geregistreerd dat hij een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e,
van de wet heeft laten inbouwen in een of meer motorrijtuigen van
de in artikel 132a bedoelde categorie, en
c. ten aanzien van betrokkene is
geregistreerd dat hij de in het besluit, bedoeld in artikel 132b,
eerste lid, van de wet aangegeven kosten op de in dat besluit
aangegeven wijze heeft betaald aan het CBR.
De verklaring van geschiktheid wordt zo
spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken nadat is voldaan
aan deze eisen, geregistreerd.
3. Op de in het tweede lid bedoelde
verklaring van geschiktheid wordt door middel van de voorgeschreven
codering aangegeven dat alleen een motorrijtuig van de categorie B met
het opgegeven kenteken mag worden bestuurd waarin een alcoholslot is
ingebouwd.
4. Indien op het eerder aan de
aanvrager afgegevenrijbewijs vermeldingen of beperkende coderingen in
de vorm van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering,
anders dan de voor het alcoholslotprogramma vastgestelde codering,
waren aangebracht, worden deze coderingen overgenomen op de in het
tweede lid bedoelde verklaring van geschiktheid.
5. Indien het de registratie van een
verklaring van geschiktheid betreft met het oog op een aanvraag als
bedoeld in de artikelen 41c of 41d, wordt zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen vier weken nadat het CBR op basis van artikel 132d,
eerste of derde lid, van de wet heeft besloten dat er geen aanleiding
is tot verlenging van het alcoholslotprogramma, ten aanzien van de
aanvrager voor een of meerdere van de categorieën A, B of E bij B een
verklaring van geschiktheid geregistreerd. Het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing.
6. In afwijking van het vijfde lid
wordt een verklaring van geschiktheid zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen vier weken nadat een geneeskundig verslag volgens
door het CBR vastgesteld model is overgelegd, geregistreerd, indien:
a. de aanvrager de leeftijd van 65
maar nog niet die van 70 jaren heeft bereikt, en het ongeldig
verklaarde rijbewijs zijn geldigheid zou verliezen op of na de dag
waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt,
b. de aanvrager de leeftijd van 70
jaren heeft bereikt,
c. de aanvraag mede betrekking
heeft op een van de rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C, E
bij C1, E bij D en E bij D1, dan wel
d. blijkens een aantekening in het
rijbewijzenregister naar het oordeel van het CBR de registratie
van een dergelijke verklaring noodzakelijk is op grond van bij het
CBR bekend zijnde gegevens met betrekking tot de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid van de aanvrager.
7. Op het geneeskundig verslag, bedoeld
in het zesde lid, is artikel 100, vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing.
8. Indien naar het oordeel van het CBR
redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts
aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking
tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een
daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste
lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, registreert het CBR die
termijn in het rijbewijzenregister binnen de in het eerste lid
aangegeven termijn.
9. Indien de aanvrager naar het oordeel
van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten
aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het
besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, slechts kan
voldoen indien het door hem te besturen motorrijtuig aan bepaalde
eisen voldoet dan wel indien de aanvrager bij het besturen gebruik
maakt van kunst- of hulpmiddelen, is het, ten einde de aard van de
mogelijke aanpassingen aan het motorrijtuig of van de door de
aanvrager te gebruiken kunst- of hulpmiddelen vast te stellen, bevoegd
technisch onderzoek te verrichten of te doen verrichten dan wel van de
aanvrager te vorderen dat deze zich onderwerpt aan een rijproef.
10. Indien de aanvrager naar het
oordeel van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde
eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid
tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, slechts
voldoet indien het door hem te besturen motorrijtuig aan bepaalde
eisen voldoet dan wel indien de aanvrager bij het besturen gebruik
maakt van kunst- of hulpmiddelen, registreert het CBR binnen de in het
eerste lid aangegeven termijn de noodzakelijk geachte aanpassingen aan
het motorrijtuig dan wel de door de bestuurder te gebruiken kunst- of
hulpmiddelen in het rijbewijzenregister door middel van een bij
ministeriële regeling vastgestelde codering.
11. Indien de aanvrager naar het
oordeel van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde
eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid
tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, slechts
voldoet indien hij het motorrijtuig bestuurt binnen een geografisch
beperkt gebied, registreert het CBR binnen de in het eerste lid
aangegeven termijn dat gebied in het rijbewijzenregister door middel
van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.
12. Indien de aanvrager naar het
oordeel van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde
eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid
tot het besturen van motorrijtuigen slechts voldoet indien hij het
door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privé doeleinden,
registreert het CBR binnen de in het eerste lid aangegeven termijn die
beperking in het rijbewijzenregister door middel van een bij
ministeriële regeling vastgestelde codering.
7. Het CBR kan de in dit artikel
genoemde termijnen verlengen als de ontvangen gegevens onvolledig
zijn.
Artikel 104
1. Indien de aanvrager van een
verklaring van geschiktheid een mededeling heeft ontvangen dat geen
verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister wordt
geregistreerd, dat een verklaring van geschiktheid wordt geregistreerd
voor minder categorieën dan waarop de aanvraag betrekking heeft, of
dat in het rijbewijzenregister een termijn als bedoeld in artikel 103,
tweede lid, dan wel een gecodeerde aanduiding als bedoeld in artikel
103, vierde, vijfde of zesde lid, is geregistreerd, kan hij binnen
vier weken na ontvangst daarvan het CBR verzoeken een of meer artsen
aan te wijzen voor een keuring of herkeuring op zijn eigen kosten.
2. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
vier weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek om
keuring of herkeuring wijst het CBR een of meer artsen aan en geeft
het van die aanwijzing kennis aan de aanvrager en aan de aangewezen
arts of artsen.
3. De aanvrager geeft de aangewezen
arts of artsen inzage van de in het eerste lid bedoelde mededeling.
4. Door de aangewezen arts of artsen
wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na de aanvang van
het onderzoek, dan wel van het eerste gedeelte daarvan, aan het CBR
schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of
rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel
voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met
betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor
welke categorie of categorieën hij aan die eisen niet voldoet. Indien
naar het oordeel van de aangewezen arts of artsen redelijke grond
bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te
bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van
de wet voorziene geldigheidsduur, wordt zulks door hem of door hen
schriftelijk medegedeeld aan het CBR onder vermelding van de termijn
waarvoor de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel aan die eisen
voldoet. Artikel 103 is verder van toepassing.
5. Het CBR kan in bijzondere gevallen
toestaan dat door de arts of artsen van de in het vierde lid bedoelde
termijn wordt afgeweken.
6. Een op grond van artikel 103 genomen
besluit van het CBR vervalt met ingang van het tijdstip waarop de
aanvrager het CBR heeft verzocht om een keuring of een herkeuring als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 104a [Vervallen per 01-10-2006]
Hoofdstuk V. Afgifte van rijbewijzen
§ 1. Algemeen
Artikel 105
1.De afgifte van rijbewijzen geschiedt
niet elektronisch.
2.Rijbewijzen worden afgegeven door de
Dienst Wegverkeer:
a. indien de aanvrager buiten
Nederland woonachtig is;
b. indien de aanvraag betrekking
heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een
rijbewijs dat aan de aanvrager is afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland;
c. indien de aanvrager in Nederland
woonachtig is, doch niet als ingezetene is ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente;
d. indien de aanvraag betrekking
heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een
door het militaire gezag afgegeven bewijs van rijvaardigheid.
Artikel 105a
1.Aan de aanvrager aan wie eerder een
rijbewijs is afgegeven dat verloren is geraakt of teniet is gegaan dan
wel versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, wordt
overeenkomstig artikel 120, eerste lid, van de wet een vervangend
rijbewijs afgegeven indien
a. het rijbewijs dat verloren is
geraakt of teniet is gegaan dan wel versleten of geheel of ten
dele onleesbaar is, mede is afgegeven voor een der
rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of
E bij D1;
b. de geldigheidsduur van het
rijbewijs dat verloren is geraakt of teniet is gegaan dan wel
versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, verstrijkt op of na
de dag waarop de aanvrager de leeftijd van 70 jaren bereikt;
c. het rijbewijs dat verloren is
geraakt of teniet is gegaan dan wel versleten of geheel of ten
dele onleesbaar is, geldig is tot de dag waarop de in het
rijbewijzenregister geregistreerde termijn waarvoor de houder naar
verwachting geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen
verstrijkt;
d. uit een aantekening in het
rijbewijzenregister blijkt dat de houder bij de aanvraag van een
nieuw rijbewijs dient aan te tonen dat hij beschikt over de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor het
besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën
waarop het onderzoek betrekking heeft;
e. de aanvrager een vreemdeling is
in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, en geen onderdaan van een
lidstaat van de Europese Gemeenschap of een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, en hij niet rechtmatig in Nederland
verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l, van
die wet.
2.Degene die ingevolge artikel 120 van
de wet een vervangend rijbewijs afgeeft, plaatst in het af te geven
vervangende rijbewijs een bij ministeriële regeling vastgestelde
codering met betrekking tot het rijbewijs waarvoor dat vervangende
rijbewijs in de plaats treedt.
Artikel 106
In de gevallen, bedoeld in de artikelen
45, 47, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en 48, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, geeft degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen,
een rijbewijs af voor het besturen van motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën die gelijkwaardig zijn aan
de categorie of categorieën waarvoor het overgelegde rijbewijs was
afgegeven. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften omtrent de
vaststelling van de gelijkwaardigheid worden vastgesteld.
Artikel 107
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs dat door
het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere
lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland is afgegeven op basis van een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs, wordt een rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de
categorie of categorieën waarvoor dat eerder afgegeven rijbewijs geldig
was.
Artikel 108
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs dat door
het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland is afgegeven op basis van
een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat geldig was voor meer
categorieën dan het buiten Nederland afgegeven rijbewijs, wordt een
rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorieën waarvoor dat
eerder afgegeven rijbewijs geldig was.
Artikel 109
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs, neemt dat
rijbewijs in en zendt het, onder vermelding van de reden van inname,
terug naar het gezag dat het heeft afgegeven.
Artikel 110 [Vervallen per 01-10-2004]
Artikel 111
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een rijbewijs dat is afgegeven buiten Nederland, anders
dan in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, vermeldt in het af te geven rijbewijs
in welk deel van het Koninkrijk, onderscheidenlijk in welk land het
overgelegde rijbewijs is afgegeven. De vermelding vindt plaats in de
vorm van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.
Artikel 112
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een rijbewijs waarin is vermeld dat de aanvrager dat
overgelegde rijbewijs heeft verkregen tegen overlegging van een
rijbewijs dat is afgegeven buiten Nederland, anders dan in een andere
lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, neemt die vermelding over in het af te geven rijbewijs. De
vermelding vindt plaats in de vorm van een bij ministeriële regeling
vastgestelde codering.
Artikel 113
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap
of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven rijbewijs waarin is
vermeld dat de aanvrager dit rijbewijs heeft verkregen op grond van een
eerder in een ander land dan in een lid-staat van de Europese
Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland afgegeven
rijbewijs, neemt die vermelding over in het af te geven rijbewijs. De
vermelding vindt plaats in de vorm van een bij ministeriële regeling
vastgestelde codering.
Artikel 114
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waarvan de
geldigheid voor een of meer categorieën is beperkt tot een subcategorie
van motorrijtuigen, plaatst in het af te geven rijbewijs bij die
categorie of categorieën een bij ministeriële regeling vastgestelde
codering waaruit die beperking blijkt.
Artikel 115
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap
of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, afgegeven rijbewijs dat is
voorzien van een aantekening dan wel een codering waaruit blijkt dat het
onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager heeft plaatsgevonden
met een motorrijtuig dat is voorzien van een automatische gangwissel of
van een automatische koppeling, neemt die aantekening, omgezet in een
bij ministeriële regeling vastgestelde codering, dan wel die codering
over in het af te geven rijbewijs.
Artikel 116
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een buiten Nederland, anders dan in een andere lid-staat
van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland,
afgegeven rijbewijs waaruit blijkt dat het onderzoek naar de
rijvaardigheid van de aanvrager heeft plaatsgevonden met een
motorrijtuig dat is voorzien van een automatische gangwissel of van een
automatische koppeling, plaatst in het af te geven rijbewijs een bij
ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit die beperking
blijkt.
Artikel 117
1.Degene die een rijbewijs afgeeft
tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit
blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor
zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een
samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 75, geeft een
rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E slechts geldig is
voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt
voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een
rijbewijs B is vereist.
2.Degene die een rijbewijs afgeeft
tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit
blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor
zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een
samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 76, geeft een
rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E geldig is voor het
voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt voortbewogen door
een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B of C is
vereist en, indien de aanvrager in het bezit is van een rijbewijs D,
voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt
voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een
rijbewijs D is vereist.
3.Degene die een rijbewijs afgeeft
tegen overlegging van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs waaruit
blijkt dat het onderzoek naar de rijvaardigheid van de aanvrager voor
zover het betreft de rijbewijscategorie E heeft plaatsgevonden met een
samenstel van voertuigen als bedoeld in artikel 77, geeft een
rijbewijs af dat voor wat betreft de categorie E slechts geldig is
voor het voortbewegen van een aanhangwagen indien deze wordt
voortbewogen door een motorrijtuig voor het besturen waarvan een
rijbewijs B of D is vereist.
Artikel 118
Degene die een rijbewijs afgeeft tegen
overlegging van een in een andere lid-staat van de Europese Gemeenschap
of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, afgegeven rijbewijs dat is
voorzien van een aantekening dan wel een codering waaruit blijkt dat de
aanvrager slechts een motorrijtuig kan besturen dat aan bepaalde eisen
voldoet dan wel slechts een motorrijtuig kan besturen indien hij gebruik
maakt van kunst- of hulpmiddelen, neemt die aantekening, omgezet in een
bij ministeriële regeling vastgestelde codering, dan wel die codering
over in het af te geven rijbewijs.
Artikel 118a
1. Degene die een rijbewijs afgeeft
tegen overlegging van een eerder afgegeven rijbewijs waarin
vermeldingen of beperkende aantekeningen in de vorm van een bij
ministeriële regeling vastgestelde codering zijn aangebracht, dan wel
een rijbewijs afgeeft op basis van een aanvraag als bedoeld in artikel
41a, neemt die codering of coderingen over in het af te geven
rijbewijs.
2. Indien het eerder afgegeven
rijbewijs niet kan worden overgelegd omdat het verloren is geraakt of
teniet is gegaan, neemt degene die een rijbewijs afgeeft de in het
rijbewijzenregister opgenomen vermeldingen of beperkende aantekeningen
in de vorm van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering
over in het af te geven rijbewijs.
Artikel 118b
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
vermelding van een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift
van nascholing tegen overlegging van een kwalificatiekaart bestuurder of
een buitenlands omwisselingscertificaat, neemt degene die het rijbewijs
afgeeft de kwalificatiekaart bestuurder of het buitenlands
omwisselingscertificaat in. De Dienst Wegverkeer vergewist zich van de
echtheid van het overgelegde document en zendt het terug naar het gezag
dat het heeft afgegeven.
§ 2. Eisen ten aanzien van de
bestelling, het transport, de beveiliging, de controle en de
administratie van rijbewijzen
Artikel 119
1.Rijbewijzen worden door tussenkomst
van de Dienst Wegverkeer bij de leverancier besteld.
2.De met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten houden een registratie bij van de voor de
bestelling van rijbewijzen geautoriseerde medewerkers.
3.Bestelling vindt plaats volgens de
daarvoor bij ministeriële regeling vastgestelde procedure.
Artikel 120
Het transport van rijbewijzen van de
leverancier naar de met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten
vindt plaats volgens de daarvoor bij ministeriële regeling vastgestelde
procedure.
Artikel 121
Rijbewijzen worden terstond na aflevering
veilig gesteld in de in artikel 125 bedoelde voorziening.
§ 3. Beveiliging
Artikel 122
1.De met de afgifte belaste
autoriteiten registreren de ontvangst van de afgeleverde rijbewijzen
in het rijbewijzenregister en controleren de levering op juistheid en
volledigheid. Onjuist vervaardigde dan wel onjuist afgeleverde
rijbewijzen worden volgens een bij ministeriële regeling vastgestelde
procedure naar de Dienst Wegverkeer gezonden, waar ze worden
vernietigd.
2.De met de afgifte belaste
autoriteiten controleren maandelijks aan de hand van de in het
rijbewijzenregister opgeslagen gegevens welke rijbewijzen niet binnen
drie maanden na de datum waarop het besluit tot afgifte is genomen,
zijn uitgereikt. Deze rijbewijzen worden volgens een bij ministeriële
regeling vastgestelde procedure naar de Dienst Wegverkeer gezonden,
waar ze worden vernietigd.
Artikel 123
1.De Dienst Wegverkeer zendt in de
eerste helft van elke kalendermaand aan de gemeenten een factuur voor
en een opgave van de in de aan die maand voorafgaande maand door de
burgemeesters van die gemeenten bestelde rijbewijzen en de bij die
burgemeesters ingediende, tot de Dienst Wegverkeer gerichte aanvragen.
2.De afdracht van het op grond van de
in het eerste lid bedoelde factuur verschuldigde bedrag vindt plaats
door middel van automatische verrekening bij de NV Bank Nederlandse
Gemeenten op de eerste werkdag van de derde kalendermaand volgende op
die waarin de betrokken factuur is verzonden.
Artikel 123a
De met de afgifte van rijbewijzen belaste
autoriteiten vernietigen de in het kader van de aanvraag overgelegde en
door de uitreiking van een nieuw dan wel vervangend rijbewijs ongeldig
geworden rijbewijzen.
Artikel 124
1.De met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten treffen maatregelen om de onder hen berustende
rijbewijzen en de met de afgifte van rijbewijzen verband houdende
materialen en apparatuur te beveiligen tegen ontvreemding dan wel
vernietiging ten gevolge van inbraak, diefstal, verduistering,
overvallen, brand of anderszins.
2.De met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat toegangspassen en
gebruikerscodes tot de met de afgifte van rijbewijzen verband houdende
apparatuur alleen worden gebruikt door de onder hen ressorterende, met
de afgifte van rijbewijzen belaste medewerkers aan wie de
desbetreffende toegangspassen en gebruikerscodes zijn toegekend.
Artikel 125
De met de afgifte van rijbewijzen belaste
autoriteiten dragen er zorg voor dat de voorraad rijbewijzen en de met
de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen worden opgeslagen
in een inbraakvertragende en brandwerende voorziening met een bij
ministeriële regeling vast te stellen waardebergingsindicatie, welke
voorziening dient te zijn geplaatst in een af te sluiten ruimte. De met
de afgifte van rijbewijzen verband houdende apparatuur wordt geplaatst
in een beveiligde ruimte.
Artikel 126
De met de afgifte van rijbewijzen belaste
autoriteiten dragen er zorg voor dat de plaatsen waar rijbewijzen en met
de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen en apparatuur
zijn opgeslagen, zijn uitgerust met een electronisch
inbraakalarmeringssysteem dat voorziet in een permanente vaste
lijn-verbinding met een door de rijksoverheid toegelaten alarmcentrale.
Artikel 127
De met de afgifte van rijbewijzen belaste
autoriteiten dragen er zorg voor dat de werkvoorraad rijbewijzen en de
werkvoorraad met de afgifte van rijbewijzen verband houdende materialen
en apparatuur zich tijdens de werkuren onder voortdurend toezicht
bevinden, op een voor het publiek onzichtbare en voor onbevoegden
onbereikbare plaats. Buiten de werkuren dienen de werkvoorraden alsmede
de onjuist vervaardigde dan wel onjuist afgeleverde documenten te worden
opgeslagen in de in artikel 125 bedoelde voorziening.
Artikel 128
1.De met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten dragen zorg voor een op schrift gestelde
beveiligingsprocedure, die in ieder geval voorschriften bevat met
betrekking tot:
a. de toegang van personen tot en
het beheer van rijbewijzen, de met de afgifte van rijbewijzen
verband houdende materialen, apparatuur, toegangspassen en
gebruikerscodes tot de apparatuur;
b. de verantwoordelijkheden van de
beveiligingsfunctionaris, bedoeld in het zesde lid;
c. de functiescheiding tussen de
bij de aanvraag en de uitreiking van rijbewijzen betrokken
functionarissen.
2.Indien het als gevolg van de omvang
van het ambtelijk apparaat van een met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteit niet mogelijk is om te allen tijde te voldoen aan
de in het eerste lid, onder c, gestelde eis van functiescheiding, kan
daarvan met inachtneming van het derde en vierde lid worden afgeweken.
3.In de situatie, bedoeld in het tweede
lid, wordt schriftelijk vastgelegd:
a. de reden waarom tijdelijk niet
aan de eis van functiescheiding kan worden voldaan;
b. de periode waarin niet aan de
eis van functiescheiding wordt voldaan;
c. de namen van de functionarissen
die in de onder b bedoelde periode zijn belast met de aanvraag en
de uitreiking van rijbewijzen.
4.Na afloop van de periode, bedoeld in
het derde lid, controleert de beveiligingsfunctionaris, bedoeld in het
zesde lid, of de aanvraag en de uitreiking van rijbewijzen op de
voorgeschreven wijze hebben plaatsgevonden. Indien de aanvraag en de
uitreiking van rijbewijzen niet op de voorgeschreven wijze hebben
plaatsgevonden, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 130, tweede
lid.
5.In de situatie, bedoeld in het tweede
lid, wordt een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs niet
vernietigd dan nadat de in het vierde lid bedoelde controle heeft
plaatsgevonden.
6.De met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten wijzen een beveiligingsfunctionaris aan, die is
belast met het beheer van en het toezicht op de naleving van de
beveiligingsprocedure.
7.De in het eerste lid bedoelde
maatregelen maken deel uit van de reguliere accountantscontrole.
8.De met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten dragen er zorg voor dat de beveiligingsprocedure,
bedoeld in het eerste lid, telkenjare wordt geëvalueerd en zonodig
wordt aangepast.
Artikel 129
De met de afgifte van rijbewijzen belaste
autoriteiten dragen er zorg voor dat de onder hen ressorterende, met de
afgifte van rijbewijzen belaste medewerkers regelmatig worden
geïnformeerd over ontvreemdings- en frauderisico’s en ten minste
eenmaal per jaar worden geïnstrueerd met betrekking tot
risicobeperkende afspraken en maatregelen ter zake.
Artikel 130
1.De met de afgifte belaste
autoriteiten controleren maandelijks de voorraad rijbewijzen aan de
hand van de in het rijbewijzenregister opgeslagen gegevens.
2.De met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten dienen terstond na constatering van ontvreemding
dan wel vermissing of vernietiging van rijbewijzen en met de afgifte
van rijbewijzen verband houdende materialen en apparatuur ten gevolge
van inbraak, diefstal, verduistering, overvallen, brand of anderszins,
aangifte te doen bij de plaatselijke politie en, voor zover het de
afgifte van rijbewijzen door de burgemeester betreft, de Dienst
Wegverkeer in kennis te stellen.
3.Een kennisgeving als bedoeld in het
eerste lid bevat de navolgende gegevens:
a. het tijdstip en de exacte
toedracht van de ontvreemding of vernietiging;
b. het nummer alsmede de
persoonsgegevens van ieder ontvreemd, vermist of vernietigd
rijbewijs;
c. de overige ontvreemde, vermiste
of vernietigde materialen.
4.Zodra het door de plaatselijke
politie opgemaakte proces-verbaal beschikbaar is, wordt daarvan een
afschrift gezonden aan de Dienst Wegverkeer.
Hoofdstuk VI. Maatregelen rijvaardigheid
en geschiktheid
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 131
Tot het doen van de schriftelijke
mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet zijn bevoegd:
a. de korpschef, bedoeld in artikel
24, onderscheidenlijk artikel 38 van de Politiewet 1993 en de door
hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers;
b. de commandant, bedoeld in artikel
6, derde lid, van de Politiewet 1993 en de door hem voor dit doel
aangewezen plaatsvervangers;
c. de betrokken officier van
justitie;
d. de directeur van het CBR.
Artikel 131a
Bij de uitvoering van de maatregelen
rijvaardigheid en geschiktheid raadpleegt het CBR de in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven persoonsgegevens van
betrokkene.
Afdeling 2. Educatieve maatregelen
Artikel 132
1. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen vier weken na ontvangst van de in artikel 130, eerste lid, van
de wet bedoelde mededeling legt het CBR in de bij ministeriële
regeling aangegeven gevallen betrokkene de verplichting op zich te
onderwerpen aan een educatieve maatregel of maatregelen. Zo spoedig
mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de
volledige betaling van de kosten van de educatieve maatregel of
maatregelen stelt het CBR het tijdstip waarop en de plaats waar
betrokkene de opgelegde educatieve maatregel of maatregelen dient te
ondergaan, vast. Het wijst daarbij tevens de tot toepassing van die
maatregel of maatregelen bevoegde deskundigen aan.
2. Indien betrokkene niet op de
vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het
afwezigheidsbericht tijd en plaats waarop betrokkene de hem opgelegde
educatieve maatregelen dient te ondergaan, door het CBR opnieuw
vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van
een geldige reden van verhindering.
3. Indien betrokkene niet op de
vastgestelde tijd en plaats aanwezig is zonder dat van een geldige
reden van verhindering blijkt, wordt daarvan door de aangewezen
deskundige of deskundigen onverwijld mededeling gedaan aan het CBR.
4. De bevindingen van de met de
toepassing van de educatieve maatregelen belaste deskundige of
deskundigen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier
weken aan het CBR medegedeeld. Het CBR stelt op basis van die
bevindingen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na
de ontvangst ervan, vast of betrokkene aan de hem opgelegde
verplichtingen heeft voldaan.
Afdeling 3. Alcoholslotprogramma
§ 1. Algemeen
Artikel 132a
1. Een alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid, van de wet wordt alleen ingebouwd in
motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, met uitzondering van
driewielige motorrijtuigen die onder deze rijbewijscategorie vallen.
2. Het in het eerste lid bedoelde
alcoholslot wordt door betrokkene gehuurd of gekocht van de
erkenninghouder, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, van de wet of
van de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de
wet.
3. Door betrokkene wordt met de in het
tweede lid bedoelde erkenninghouder een contract afgesloten. In dit
contract worden in ieder geval afspraken gemaakt over:
a. de inbouw, de kalibratie, het
uitlezen, het onderhoud, de vervanging en de uitbouw van het
alcoholslot;
b. de wijze van betaling van de
kosten verbonden aan het alcoholslot en eventueel bijkomende
kosten;
c. de consequenties van verkoop of
diefstal van, dan wel schade aan, het motorrijtuig waarin het
alcoholslot is ingebouwd.
4. Bij het verzoek tot inbouw van een
alcoholslot dient door of namens degene aan wie het CBR de
verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, te
worden overgelegd:
a. het burgerservicenummer of de
persoonssleutel, van de persoon aan wie de verplichting tot
deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd;
b. het kentekenbewijs van het
motorrijtuig, waarin het alcoholslot moet worden ingebouwd.
5. Bij het afhalen van het motorrijtuig
waarin het alcoholslot is ingebouwd, dient degene aan wie de
verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, in
persoon te verschijnen, zich te legitimeren aan de hand van een op
zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet op de identificatieplicht, de
instructie te volgen over de werking en het gebruik van het
alcoholslot en een verklaring van een door de Dienst Wegverkeer
vastgesteld model te ondertekenen dat hij die instructie heeft
ontvangen.
Artikel 132b
1. Het CBR bepaalt de periodes
waarbinnen de betrokken rijbewijshouder het alcoholslot moet laten
uitlezen, en het tijdstip waarop en de plaats waar hij zich dient te
melden voor een gesprek of bijeenkomst.
2. Indien betrokkene niet op de
vastgestelde plaats en tijd aanwezig is voor het gesprek of de
bijeenkomst, wordt daarvan door de aangewezen deskundige
respectievelijk die erkenninghouder onverwijld mededeling gedaan aan
het CBR.
3. Indien betrokkene niet op de
vastgestelde tijd en plaats aanwezig is voor het gesprek, worden tijd
en plaats zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de
ontvangst van het afwezigheidsbericht opnieuw vastgesteld, tenzij naar
het oordeel van het CBR geen sprake was van een geldige reden van
verhindering.
4. Op basis van de mededeling, bedoeld
in het tweede lid stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen vier weken na ontvangst van die mededeling, vast of betrokkene
aan de hem opgelegde verplichtingen heeft voldaan.
§ 2. Alcoholslotregister
Artikel 132c
1. In het in artikel 129a, eerste lid,
van de wet bedoelde alcoholslotregister worden de volgende gegevens
geregistreerd:
a. geslachtsnaam, voorvoegsels,
eerste voornaam voluit, voorletters van eventuele overige
voornamen, burgerlijke staat, plaats en datum en eventueel land
van geboorte, geslacht en het burgerservicenummer of
persoonssleutel van degene aan wie een rijbewijs is afgegeven;
b. indien in het oude rijbewijs
diens adellijke titel of predicaat waren vermeld, adellijke titel
of predicaat;
c. het bedrijfsnummer van de
erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet
waaruit de naam, het adres, de postcode en de plaats waar de
werkplaats is gevestigd blijkt of waaruit blijkt van welke
werkplaats door de mobiele installatie-eenheid gebruik is gemaakt;
d. de naam van de persoon die een
of meer van de in artikel 132k, eerste lid, van de wet bedoelde
werkzaamheden heeft uitgevoerd;
e. datum van inbouw, inclusief
kalibratie en, indien nodig justering, en het merk, type,
typegoedkeuringsnummer en serienummer van het ingebouwde
alcoholslot;
f. het kenteken van het
motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd;
g. gegevens omtrent autorisaties
van werkplaatsen waar alcoholsloten kunnen worden ingebouwd,
gekalibreerd, getest, uitgelezen, onderhouden, vervangen en
uitgebouwd, alsmede omtrent medewerkers van die werkplaatsen die
bevoegd zijn tot deze activiteiten;
h. de datum waarop het alcoholslot
is uitgelezen, inclusief de kalibratie en zonodig justering,
alsmede de gegevens die overeenkomstig Annex 2 bij bijlage 1 bij
de Regeling voertuigen in het alcoholslot worden geregistreerd;
i. data van eventueel onderhoud,
anders dan de periodieke kalibratie, van het ingebouwde
alcoholslot en de reden hiervan en de daarop volgende kalibratie
en zo nodig justering;
j. de datum van een eventuele
vervanging van het alcoholslot en de reden daarvan, alsmede van de
daarop volgende kalibratie en zo nodig justering;
k. gegevens betreffende
onregelmatigheden met betrekking tot de bedrading, de behuizing,
de aansluitpunten, de software, of de verzegeling, al dan niet in
gecodeerde vorm;
l. de datum van beëindiging van
het alcoholslotprogramma;
m. de datum van de uitbouw van het
alcoholslot of de alcoholsloten.
2. De in het eerste lid, onderdelen a,
b, e, f, en h tot en met m, bedoelde gegevens worden verwijderd tien
jaar na de beëindiging van het alcoholslotprogramma, bedoeld in
artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet, of de beslissing tot
beëindiging van het alcoholslotprogramma wegens het niet verlenen van
de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, tweede lid, van de
wet of indien betrokkene is overleden.
Artikel 132d
Het CBR verwerkt in het
alcoholslotregister de gegevens, genoemd in artikel 132c, onderdelen a,
b en l.
Artikel 132e
De erkenninghouder, bedoeld in artikel
132k, eerste lid, van de wet verwerkt in het alcoholslotregister de
gegevens genoemd in artikel 132c, onderdelen c tot en met k en m.
Artikel 132f
De Dienst Wegverkeer verwerkt in het
alcoholslotregister de gegevens, genoemd in artikel 132c, onderdelen g
en k.
Afdeling 4. Onderzoeken naar de
rijvaardigheid of geschiktheid
Artikel 133
1. Tijdstip en plaats van het in
artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of
geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van
die gedeelten, worden door het CBR vastgesteld:
a. in de in artikel 131, eerste
lid, van de wet bedoelde gevallen zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de volledige betaling
van de kosten van het onderzoek, in die gevallen waarin betaling
voor rekening van betrokkene komt;
b. in de overige gevallen zo
spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na het besluit
als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet.
2. Indien betrokkene niet op de voor
het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van
het afwezigheidsbericht tijd en plaats van het onderzoek door het CBR
opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is
van een geldige reden van verhindering.
3. Indien betrokkene niet op de
vastgestelde tijd en plaats aanwezig is zonder dat van een geldige
reden van verhindering blijkt, wordt daarvan door de aangewezen
deskundige of deskundigen onverwijld mededeling gedaan aan het CBR.
Artikel 134
1. Het in artikel 133 van de wet
bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid omvat een theorie-gedeelte
en een praktijk-gedeelte.
2. Indien het onderzoek betrekking
heeft op meerdere rijbewijscategorieën, wordt de kennis van de
theorie van alle categorieën gezamenlijk onderzocht.
3. Het praktijk-gedeelte bestaat uit
een rijproef voor elk van de categorieën waarop het onderzoek
betrekking heeft.
4. Indien het onderzoek betrekking
heeft op een of meer van de rijbewijscategorieën AM, A, B, C, C1, D,
D1 en E dan wel mede op een of meer van die rijbewijscategorieën,
bestaat het praktijk-gedeelte in afwijking van het derde lid uit een
of meerdere rijproeven, afgenomen overeenkomstig artikel 135.
5. Bij ministeriële regeling worden
richtlijnen vastgesteld omtrent de wijze van beoordelen van de
rijvaardigheid van betrokkene.
Artikel 134a
Indien het in artikel 133 van de wet
bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid een onderzoek betreft op basis
van feiten of omstandigheden die het rijgedrag betreffen, dan bestaat
het onderzoek alleen uit een praktijkonderzoek. Artikel 134, derde tot
en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 135
1. Indien het onderzoek betrekking
heeft op de rijbewijscategorieën B, C, C1, D, D1 en E, wordt eerst
een rijproef voor de categorie E bij C afgenomen. Indien betrokkene
blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen
voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de
categorieën C, E bij C1, C1, E bij D, D, E bij D1, D1, E bij B en B.
2. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie E bij C niet aan de voor die categorie
gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie C
afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die
categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede
voldoet aan de eisen voor de categorieën E bij C1, C1, E bij D, D, E
bij B en B.
3. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie C niet aan de voor die categorie gestelde
eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij D afgenomen.
Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie
gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de
eisen voor de categorieën D, E bij D1, D1, E bij B en B.
4. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie E bij D niet aan de voor die categorie
gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie D
afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die
categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede
voldoet aan de eisen voor de categorieën E bij D1, D1, E bij B en B.
5. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie D niet aan de voor die categorie gestelde
eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij C1
afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die
categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede
voldoet aan de eisen voor de categorie E bij D1, D1, E bij B en B.
6. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie E bij C1 niet aan de voor die categorie
gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie C1
afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die
categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede
voldoet aan de eisen voor de categorie E bij D1, D1, E bij B en B.
7. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie C1 niet aan de voor die categorie gestelde
eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij D1
afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die
categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede
voldoet aan de eisen voor de categorie D1, E bij B en B.
8. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie E bij D1 niet aan de voor die categorie
gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie D1
afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die
categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede
voldoet aan de eisen voor de categorie E bij B en B.
9. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie D1 niet aan de voor die categorie gestelde
eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij B afgenomen.
Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie
gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de
eisen voor de categorie B.
10. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor de categorie E bij B niet aan de voor die categorie
gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie B
afgenomen.
11. Indien betrokkene blijkens de
rijproef voor categorie A of blijkens een rijproef op grond van een
van de voorgaande leden niet aan de voor die categorie gestelde eisen
voldoet, wordt een rijproef afgenomen voor de categorie AM.
Artikel 136
1. Het in artikel 133 van de wet
bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid vindt plaats aan de hand van
de bij ministeriële regeling ter uitvoering van de artikelen 60a tot
en met 64, 69a en70 vastgestelde eisen met betrekking tot de
rijvaardigheid.
2. In afwijking van het eerste lid
vindt het in artikel 134a bedoelde onderzoek plaats aan de hand van de
bij ministeriële regeling ter uitvoering van de artikelen 60a tot en
met 64, 69a en70 vastgestelde eisen met betrekking tot het onderdeel
rijgedrag.
Artikel 137
1. De rijproef wordt afgelegd met een
motorrijtuig dan wel een samenstel van trekkend motorrijtuig en
aanhangwagen van de rijbewijscategorie waarop het onderzoek betrekking
heeft. Deartikelen 69b en 71 tot en met 81 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Het motorrijtuig dan wel het
samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen, waarmee de
rijproef wordt afgelegd, dient naar het oordeel van het CBR daartoe
geschikt te zijn.
Artikel 138
De duur van de rijproef bedraagt voor de
rijbewijscategorieën AM, A, B en E bij B ten minste 35 minuten en voor
de rijbewijscategorieën C, D, E bij C en E bij D ten minste 60 minuten.
Artikel 139
De rijproef kan binnen de voorgeschreven
tijd worden gestaakt, indien betrokkene naar het oordeel van de
deskundige of deskundigen door zijn wijze van rijden de veiligheid op de
weg in gevaar brengt. Indien het onderzoek naar de rijvaardigheid
betrekking heeft op de rijbewijscategorie A, kan de rijproef eveneens
binnen de voorgeschreven tijd worden gestaakt, indien betrokkene naar
het oordeel van de deskundige of deskundigen de bijzondere verrichtingen
niet op juiste en veilige wijze uitvoert.
Artikel 140
Indien betrokkene bij een rijproef blijkt
aan de eisen te voldoen doch bij het theorie-gedeelte wordt afgewezen,
wordt hij in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na het onderzoek
aan een nieuw onderzoek voor dit theorie-gedeelte deel te nemen.
Artikel 141
1.Het CBR deelt de uitslag van het
onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit mede
aan degene die de in artikel 130 van de wet bedoelde mededeling heeft
gedaan.
2.Indien de uitslag van het onderzoek
inhoudt dat betrokkene niet de rijvaardigheid bezit voor een of meer
categorieën motorrijtuigen die in de vordering zijn vermeld, deelt
het CBR de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan
door hem genomen besluit tevens mede aan:
a. degene die het rijbewijs heeft
afgegeven, indien het ongeldig is verklaard voor alle categorieën
waarvoor het is afgegeven;
b. degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen, indien het niet voor alle categorieën
waarvoor het is afgegeven, ongeldig is verklaard dan wel indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel van de
geldigheidsduur.
Artikel 142
Het in artikel 133 van de wet bedoelde
onderzoek naar de geschiktheid vindt plaats aan de hand van de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid en mag slechts betreffen:
a. indien betrokkene de leeftijd van
70 jaren nog niet heeft bereikt, de punten waaromtrent in de eigen
verklaring vragen zijn gesteld;
b. indien betrokkene de leeftijd van
70 jaren heeft bereikt, bovendien de punten waaromtrent in het
geneeskundig verslag vragen zijn gesteld.
Artikel 143
1.Het CBR deelt de uitslag van het
onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit mede
aan degene die de in artikel 130 van de wet bedoelde mededeling heeft
gedaan.
2.Indien de uitslag van het onderzoek
inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid tot het besturen van een of meer categorieën van
motorrijtuigen of dat er redelijke grond bestaat voor de verwachting
dat betrokkene slechts aan die eisen voldoet voor een termijn die
korter is dan de tijdsduur waarvoor het rijbewijs op het tijdstip van
het onderzoek nog geldig is, deelt het CBR de uitslag van het
onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit
tevens mede aan degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen.
Hoofdstuk VII. Registratie van gegevens
met betrekking tot rijbewijzen
Artikel 144
De Dienst Wegverkeer is verantwoordelijke
voor de verwerking van persoonsgegevens in het rijbewijzenregister.
Artikel 145
1. In het rijbewijzenregister worden de
navolgende gegevens opgenomen:
a. geslachtsnaam, voorvoegsels,
eerste voornaam voluit, voorletters van eventuele overige
voornamen, burgerlijke staat, plaats en datum en eventueel land
van geboorte, geslacht, en burgerservicenummer van degenen aan wie
een rijbewijs is afgegeven;
b. indien in het rijbewijs op
verzoek van de houder diens adellijke titel of predikaat zijn
vermeld, adellijke titel of predikaat;
c. indien in het rijbewijs op
verzoek van de houder naamsgegevens van diens huidige echtgenoot,
echtgenote of geregistreerd partner, dan wel van de laatste
gewezen echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner zijn
vermeld, geslachtsnaam, voorvoegsels en adellijke titel of
predikaat van die huidige echtgenoot, echtgenote of geregistreerd
partner, dan wel van de laatste gewezen echtgenoot, echtgenote of
geregistreerd partner;
d. het adres van degenen aan wie
een rijbewijs is afgegeven en het adres zoals het bekend was ten
tijde van de afgifte;
e. pasfoto en handtekening van
degene aan wie een rijbewijs is afgegeven;
f. verklaringen van rijvaardigheid;
g. verklaringen van geschiktheid;
h. historische datum van afgifte en
datum van einde geldigheidsduur per categorie waarvoor het
rijbewijs is afgegeven;
i. eventuele beperkende
aantekeningen, al dan niet in de vorm van een bij ministeriële
regeling vastgestelde codering, per categorie waarvoor het
rijbewijs is afgegeven;
j. nummer en datum van afgifte en
uitreiking van het document, alsmede afgevende instantie;
k. datum van vermissing of diefstal
van afgegeven rijbewijzen;
l. verblijfplaats van rijbewijzen
die niet in het bezit zijn van de houder;
m. gegevens omtrent de inlevering
van rijbewijzen en van Nederlandse omwisselingscertificaten,
ingevolge de artikelen 120, tweede lid, en 124a, derde lid, van de
wet;
n. gegevens omtrent het verlies van
geldigheid van rijbewijzen ingevolge artikel 123a van de wet;
o. gegevens omtrent de
ongeldigverklaring van rijbewijzen, van getuigschriften van
vakbekwaamheid, van getuigschriften van nascholing en van
Nederlandse omwisselingscertificaten, ingevolge de artikelen 124
en 124a, eerste lid, van de wet;
p. gegevens omtrent de toepassing
van de artikelen 131 tot en met 134 van de wet;
q. gegevens omtrent de invordering
en inhouding van rijbewijzen alsmede omtrent de schorsing van de
inhouding;
r. gegevens omtrent de oplegging
van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het
besturen van motorrijtuigen;
ra. gegevens omtrent de
ongeldigheid van het rijbewijs ingevolge artikel 123b van de wet
en omtrent de aantekening ingevolge dat artikel;
s. gegevens omtrent de toepassing
van het dwangmiddel van inneming van het rijbewijs, bedoeld in de
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;
t. gegevens omtrent autorisaties
van medewerkers van de met de afgifte belaste autoriteit en
omtrent aanvragen van rijbewijzen, waaronder het aanvraagnummer,
de status van de aanvraag en inloggegevens van de bij de aanvraag
betrokken medewerkers van de met de afgifte belaste autoriteit;
u. gegevens omtrent blanco
rijbewijzen die ter beschikking zijn gesteld aan de met de afgifte
van rijbewijzen belaste instanties;
v. gegevens omtrent instanties die
zijn belast met de afgifte van rijbewijzen, getuigschriften van
vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en van Nederlandse
omwisselingscertificaten;
w. gegevens omtrent verklaringen
van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing;
x. gegevens omtrent getuigschriften
van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing die in de
vorm van een bij ministeriële regeling vastgestelde code zijn
verstrekt, per categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven;
y. gegevens omtrent Nederlandse
omwisselingscertificaten.
2. De gegevens blijven bewaard nadat
een rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren.
Artikel 146
1. Degene die is belast met de afgifte
van rijbewijzen verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:
a. de aanvraag van rijbewijzen,
bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de wet;
b. de afgifte van rijbewijzen,
bedoeld in artikel 116, eerste lid, van de wet;
c. de inlevering van rijbewijzen,
bedoeld in de artikelen 120, tweede lid, en 124, vierde lid, van
de wet;
d. de ongeldigverklaring van
rijbewijzen, bedoeld in artikel 124, tweede lid, van de wet;
e. beperking van de geldigheidsduur
op grond van de in het rijbewijzenregister geregistreerde
verklaring van geschiktheid;
f. vermissing of diefstal, bedoeld
in artikel 145, onderdeel k;
g. de verblijfplaats van
rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l.
2. Degene die is belast met de afgifte
en de ongeldigverklaring van getuigschriften van vakbekwaamheid,
getuigschriften van nascholing en van Nederlandse
omwisselingscertificaten verwerkt in het rijbewijzenregister gegevens
omtrent:
a. de afgifte van getuigschriften
van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en van
Nederlandse omwisselingscertificaten, bedoeld in artikel 151g,
zevende en achtste lid, van de wet;
b. de ongeldigverklaring van
getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing
en van Nederlandse omwisselingscertificaten, bedoeld in artikel
124a, eerste lid, van de wet.
c. de inlevering van Nederlandse
omwisselingscertificaten, bedoeld in artikel 124a, derde lid, van
de wet.
3. Degene bij wie ingevolge artikel
124a, derde lid, van de wet de ongeldig verklaarde getuigschriften van
vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing moeten worden
ingeleverd, verwerkt de gegevens omtrent de inlevering in het
rijbewijzenregister.
Artikel 147
Degene die een rijbewijs ongeldig
verklaart ingevolge artikel 124, eerste lid, van de wet verwerkt in het
rijbewijzenregister gegevens omtrent:
a. de ongeldigverklaring;
b. de inlevering van rijbewijzen,
bedoeld in artikel 124, vierde lid, van de wet;
c. de verblijfplaats van rijbewijzen,
bedoeld in artikel 145, onderdeel l.
Artikel 148
1. Het CBR verwerkt in het
rijbewijzenregister gegevens omtrent:
a. de verklaring van
rijvaardigheid;
b. de verklaring van geschiktheid;
c. de schorsing van de geldigheid
van rijbewijzen, bedoeld in artikel 131, tweede lid, onderdeel a,
van de wet;
d. de inlevering van rijbewijzen,
bedoeld in de artikelen 124, vierde lid, 131, tweede lid,
onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, en 134, vierde lid
van de wet;
e. de teruggave van rijbewijzen,
bedoeld in de artikelen 131, tweede lid, onderdeel c, en 134,
vierde lid, van de wet;
f. de ongeldigverklaring van
rijbewijzen, bedoeld in de artikelen 124, eerste lid, onderdeel d,
132, tweede lid, 132b, tweede lid, 134, tweede lid, van de wet;
g. de verblijfplaats van
rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l;
h. de aantekening, bedoeld in de
artikelen 124, zevende en achtste lid, 132b, vierde lid, en 134,
zesde lid;
i. het opleggen van een
alcoholslotprogramma krachtens artikel 118, derde lid, van de wet
of op grond van de artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel
b, of 134, zevende lid, onderdeel a, van de wet, alsmede de
aanvang, het verlengen en het beëindigen ervan.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
gegevens, gegevens betreffen omtrent rijbewijzen afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, wordt onder «verwerken» in
het eerste lid, mede verstaan het melden van deze gegevens aan de
Dienst Wegverkeer.
Artikel 149
De betrokken ambtenaar, belast met de
uitvoering van de politietaak, verwerkt in het rijbewijzenregister
gegevens omtrent:
a. de vordering tot overgifte van
rijbewijzen, bedoeld in de artikelen 130, tweede lid, en 164, eerste
lid, van de wet;
b. het feitelijk innemen van die
rijbewijzen;
c. het feitelijk innemen van
rijbewijzen ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften;
d. het voldoen van de administratieve
sanctie;
e. de verblijfplaats van rijbewijzen,
bedoeld in artikel 145, onderdeel l.
Artikel 150
1. De officier van justitie verwerkt in
het rijbewijzenregister gegevens omtrent:
a. de inhouding van rijbewijzen,
bedoeld in artikel 164, vierde lid, van de wet;
b. de schorsing van de inhouding
van rijbewijzen;
c. de teruggave van rijbewijzen die
ingevorderd of ingehouden zijn geweest;
d. de oplegging van de bijkomende
straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen;
e. de verblijfplaats van
rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l;
f. de ongeldigheid van het
rijbewijs ingevolge artikel 123b, van de wet, de datum van ingang
van de ongeldigheid, bedoeld in dat artikel, en de aantekening
ingevolge dat artikel.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
gegevens, gegevens betreffen omtrent rijbewijzen afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, wordt onder «verwerken» in
het eerste lid, mede verstaan het melden van deze gegevens aan de
Dienst Wegverkeer.
Artikel 151
Het Centraal Justitieel Incassobureau
verwerkt in geval van toepassing van het dwangmiddel van inneming van
het rijbewijs, bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften, in het rijbewijzenregister gegevens omtrent:
a. de vordering tot inlevering van
rijbewijzen;
b. de datum waarop de inlevering
dient plaats te vinden;
c. de duur van de inneming;
d. het bedrag van de verschuldigde
sanctie;
e. het feitelijk innemen van
rijbewijzen;
f. de verblijfplaats van rijbewijzen,
bedoeld in artikel 145, onderdeel l;
g. de teruggave van rijbewijzen die
ingehouden zijn geweest.
Artikel 152
1. De Dienst Wegverkeer verwerkt in het
rijbewijzenregister de gegevens omtrent:
a. de blanco rijbewijzen die ter
beschikking zijn gesteld aan de met de afgifte van rijbewijzen
belaste instanties;
b. de ongeldigheid van rijbewijzen
ingevolge artikel 123, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
c. vermissing of diefstal, bedoeld
in artikel 145, onderdeel k;
d. de aanvraag van rijbewijzen,
waaronder de stand van zaken betreffende de aanvraag;
e. verklaringen van vakbekwaamheid
en verklaringen van nascholing ten behoeve van aanvragers van een
rijbewijs die één van de volgende documenten overleggen:
i. een door de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Gemeenschap
overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de
aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;
ii. een buitenlands
omwisselingscertificaat, dan wel
iii. een Nederlands
omwisselingscertificaat;
f. de verblijfplaats van
rijbewijzen, bedoeld in artikel 145, onderdeel l.
2. De Dienst Wegverkeer verwerkt tevens
de gegevens die op grond van artikel 148, tweede lid, door het CBR en
op grond van artikel 150, tweede lid, door de officier van justitie
aan hem zijn gemeld.
Artikel 153 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 153a
Indien een rijbewijs dat op grond van
artikel 124, eerste lid, onderdeel d, van de wet voor ongeldigverklaring
in aanmerking komt, niet ongeldig kan worden verklaard omdat het zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur,
plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een aantekening waaruit
blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs een verklaring van geschiktheid dient te zijn geregistreerd
voor iedere rijbewijscategorie waarop de aantekening betrekking heeft.
Artikel 153b
Indien een rijbewijs dat op grond van
artikel 132, tweede lid, van de wet voor ongeldigverklaring in
aanmerking komt, niet ongeldig kan worden verklaard omdat het zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur of
omdat het reeds van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel
123b van de wet, plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een
aantekening waaruit blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag
van een nieuw rijbewijs voor iedere rijbewijscategorie waarop het in
artikel 133, eerste lid, van de wet bedoelde onderzoek betrekking had,
al naar gelang de aard van het onderzoek hetzij een verklaring van
rijvaardigheid en een verklaring van geschiktheid hetzij een verklaring
van geschiktheid moet zijn geregistreerd overeenkomstig de daarvoor
vastgestelde regels.
Artikel 153c
Indien een rijbewijs dat op grond van
artikel 134, tweede lid, van de wet voor ongeldigverklaring in
aanmerking komt, niet ongeldig kan worden verklaard omdat het zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur of
omdat het reeds van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel
123b van de wet, plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een
aantekening waaruit blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag
van een nieuw rijbewijs voor iedere rijbewijscategorie waarvoor op grond
van de uitslag van het in artikel 131, eerste lid, van de wet bedoelde
onderzoek, al naar gelang de aard van het onderzoek, hetzij een
verklaring van geschiktheid en een verklaring van rijvaardigheid, hetzij
een verklaring van geschiktheid moet zijn geregistreerd overeenkomstig
de daarvoor vastgestelde regels.
Artikel 153d
Indien een rijbewijs dat op grond van
artikel 132b, tweede lid, van de wet niet ongeldig kan worden verklaard
omdat het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur of omdat het op andere wijze reeds ongeldig is geworden,
plaatst het CBR in het rijbewijzenregister een aantekening waaruit
blijkt dat ten aanzien van de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs op grond van de artikelen 41a tot en met 41d alleen een
verklaring van geschiktheid kan worden geregistreerd indien is voldaan
aan artikel 103, tweede en derde lid.
Artikel 154
Het in artikel 129 van de wet bedoelde
reglement alsmede de wijziging en intrekking daarvan wordt voor een
ieder ter inzage gelegd bij de Dienst Wegverkeer te Veendam alsmede bij
de secretarie van iedere gemeente.
Artikel 154a
De Dienst Wegverkeer verstrekt op verzoek
van Onze Minister de gegevens uit het rijbewijzenregister die
noodzakelijk zijn ter uitvoering van de in artikel 7:6, eerste lid,
onder a, van de Arbeidstijdenwet genoemde taak of ter uitvoering van de
ingevolge de artikelen 79, eerste lid, onderdeel e, en 104, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet personenvervoer 2000 aan Onze Minister verleende
bevoegdheid.
Artikel 155
1. Uit het rijbewijzenregister worden
door de Dienst Wegverkeer aan de met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten in andere lidstaten van de Europese Gemeenschap
en in andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland inlichtingen verstrekt
omtrent rijbewijzen waarvan de houder zich heeft gevestigd in de
betrokken staat en aldaar om omwisseling heeft verzocht.
2. Uit het rijbewijzenregister worden
door de Dienst Wegverkeer aan de met de afgifte van rijbewijzen
belaste autoriteiten buiten Nederland, anders dan in een andere
lid-staat van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, inlichtingen verstrekt omtrent rijbewijzen
waarvan de houder zich heeft gevestigd in Aruba, Curaçao, Sint
Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of
in de betrokken staat en aldaar om omwisseling heeft verzocht.
Artikel 155a
1.De Dienst Wegverkeer verstrekt
informatie aan de met de afgifte van rijbewijzen of
kwalificatiekaarten bestuurders belaste autoriteiten van andere
lidstaten van de Europese Gemeenschap omtrent
a. in de vorm van een code op het
rijbewijs vermelde getuigschriften van vakbekwaamheid of
getuigschriften van nascholing;
b. Nederlandse
omwisselingscertificaten;
c. bestuurdersattesten en
d. nationale certificaten, waarvan
de houder zich heeft gevestigd in de betrokken staat en aldaar om
omwisseling heeft verzocht. Daartoe verstrekken de aangewezen
exameninstantie en de Stichting Nationale en Internationale
Wegvervoerorganisatie gegevens aan de Dienst Wegverkeer.
2.De Dienst Wegverkeer meldt de
aangewezen exameninstantie de einddatum van in de vorm van een code op
het rijbewijs vermelde getuigschriften van vakbekwaamheid en
getuigschriften van nascholing.
Artikel 156
Uit het rijbewijzenregister worden door
de Dienst Wegverkeer inlichtingen verstrekt aan de volgende
belanghebbenden:
a. degenen omtrent wie gegevens in
het register zijn opgenomen;
b. het Centraal Bureau voor de
Statistiek, voor statistische doeleinden, voor zover het betreft
niet tot personen herleidbare informatie;
c. het Verbond van Verzekeraars en
andere belanghebbenden, ten behoeve van het vaststellen van rechten
en plichten in het kader van de uitvoering van
verzekeringsovereenkomsten, voor zover het betreft de datum van
afgifte en de geldigheid van rijbewijzen alsmede omtrent de
categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor rijbewijzen
zijn afgegeven;
d. het Verbond van Verzekeraars, ten
behoeve van het vaststellen van rechten en plichten in het kader van
de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten, voor zover het betreft
de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen;
e. personen werkzaam bij een
postkantoor van Postkantoren BV voor zover zij de gegevens nodig
hebben voor de afgifte van kentekenbewijzen en voor zover het
betreft gegevens omtrent de geldigheid van rijbewijzen;
f. voertuigbedrijven voor zover het
de verificatie van als identiteitsdocument aan het bedrijf getoonde
rijbewijzen betreft ter bescherming van het eigendom van het bedrijf
in het kader van de verhuur van de voertuigen van het bedrijf
alsmede voor zover zij de gegevens nodig hebben voor de afgifte van
kentekenbewijzen;
g. instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme, voor zover het betreft
gegevens omtrent de geldigheid van rijbewijzen;
h. personen en instanties aan wie de
desbetreffende rijbewijzen worden getoond op grond van een
wettelijke identificatieplicht, voor zover het betreft gegevens
omtrent de geldigheid van rijbewijzen;
i. het Meldpunt ongebruikelijke
transacties, bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme, voor zover het betreft de gegevens,
bedoeld in artikel 145, onderdelen a, b, c en d;
j. overige belanghebbenden voor zover
deze de gegevens gebruiken voor statistische doeleinden en slechts
nadat de gegevens door de Dienst Wegverkeer zijn ontdaan van alle
elementen die de gegevens herleidbaar maken tot individuele
personen;
k. overige door Onze Minister
aangewezen belanghebbenden ten behoeve van het bij de aanwijzing
aangegeven doel.
Hoofdstuk VIIa. Verklaringen van
vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing voor bestuurders goederen-
en personenvervoer over de weg
§ 1. Algemeen
Artikel 156a
1.Verklaringen van vakbekwaamheid en
verklaringen van nascholing worden op aanvraag en tegen betaling van
het daarvoor vastgestelde tarief door de aangewezen exameninstantie in
het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die de
basiskwalificatie heeft behaald dan wel de nascholing heeft afgerond.
2.Nederlandse omwisselingscertificaten
worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde
tarief door de aangewezen exameninstantie afgegeven aan een ieder die
de basiskwalificatie heeft behaald dan wel de nascholing heeft
afgerond en deze op een in een andere lidstaat van de Europese
Gemeenschap af te geven rijbewijs of kwalificatiekaart bestuurder wil
laten vermelden.
3.Deelcertificaten worden op aanvraag
en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door de
aangewezen exameninstantie afgegeven aan een ieder die een
nascholingsonderdeel heeft gevolgd en de nascholing in een andere
lidstaat van de Europese Gemeenschap wil afronden.
4.In afwijking van het eerste lid
worden verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing
tegen overlegging van een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat
van de Europese Gemeenschap overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart
bestuurder dan wel een buitenlands omwisselingscertificaat door de
Dienst Wegverkeer in het rijbewijzenregister geregistreerd.
Artikel 156b
1.Het voor de aanvraag van verklaringen
van vakbekwaamheid, verklaringen van nascholing, Nederlandse
omwisselingscertificaten of deelcertificaten verschuldigde tarief
wordt vastgesteld door de aangewezen exameninstantie onder goedkeuring
van Onze Minister.
2.Het in het eerste lid bedoelde tarief
dient vóór de indiening van de aanvraag te zijn voldaan door
overmaking op een door de aangewezen exameninstantie aangewezen
bankrekening.
Artikel 156c
1.De aangewezen exameninstantie is
verantwoordelijk voor:
a. het ontwikkelen van de
vakbekwaamheidsexamens met inbegrip van de exameneisen;
b. het afnemen van de
vakbekwaamheidsexamens;
c. het periodiek vaststellen van
het raamwerk van nascholingscursussen;
d. het voor het verrichten van
nascholing erkennen van opleidingscentra en het certificeren van
nascholingscursussen die door die opleidingscentra worden
aangeboden;
e. het uitoefenen van toezicht op
de erkende opleidingscentra;
f. het registreren van
toetsresultaten;
g. het registreren van gevolgde
nascholingsuren;
h. het registreren van verklaringen
van vakbekwaamheid, verklaringen van nascholing en van Nederlandse
omwisselingscertificaten in het rijbewijzenregister;
i. het uitreiken van Nederlandse
omwisselingscertificaten;
j. het uitreiken van
deelcertificaten;
k. het ongeldig verklaren van
getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing
en Nederlandse omwisselingscertificaten.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld inzake de taken, bevoegdheden en
werkwijze van de aangewezen exameninstantie.
§ 2. Aanvraag van verklaringen van
vakbekwaamheid, verklaringen van nascholing, Nederlandse
omwisselingscertificaten en deelcertificaten
Artikel 156d
1.De aanvraag van een verklaring van
vakbekwaamheid, een verklaring van nascholing, een Nederlands
omwisselingscertificaat of een deelcertificaat geschiedt op de door de
aangewezen exameninstantie vastgestelde wijze.
2.De aanvraag van een verklaring van
vakbekwaamheid dan wel een verklaring van nascholing als bedoeld in
artikel 156a, vierde lid, geschiedt op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze.
3.Bij de aanvraag raadpleegt de
aangewezen exameninstantie dan wel de Dienst Wegverkeer de in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven
persoonsgegevens van de aanvrager.
§ 3. Stelsel van basiskwalificatie
Artikel 156e
Het stelsel van basiskwalificatie omvat:
a. een theorie-examen vakbekwaamheid
bestaande uit drie toetsen, en
b. een praktijkexamen vakbekwaamheid
bestaande uit drie toetsen.
§ 4. Theorie-examen vakbekwaamheid
Artikel 156f
1. Het theorie-examen vakbekwaamheid
voor de rijbewijscategorieën C en E bij C kan slechts worden afgelegd
door personen die de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt.
2. Het theorie-examen vakbekwaamheid
voor de rijbewijscategorieën D en E bij D kan slechts worden afgelegd
door personen die de leeftijd van zeventien jaren hebben bereikt.
Artikel 156g
Voor toelating tot het theorie-examen
vakbekwaamheid zijn de voorwaarden voor toelating tot het theorie-examen
voor de rijbewijscategorieën C of D van overeenkomstige toepassing.
Artikel 156h
1.Het theorie-examen vakbekwaamheid
voor rijbewijscategorie C bestaat uit theorietoets rijbewijs en
vakbekwaamheid 1, theorietoets vakbekwaamheid 2 en theorietoets
vakbekwaamheid 3.
2.Bij het theorie-examen vakbekwaamheid
voor de rijbewijscategorie C wordt getoetst of een aanvrager beschikt
over grondige kennis van de onderwerpen die voor bestuurders van
motorrijtuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van de
richtlijn vakbekwaamheid bestuurders alsmede het op juiste wijze
toepassen van die kennis.
3.De aanvrager die het theorie-examen
vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie C met goed gevolg heeft
afgelegd, is vrijgesteld van het theorie-examen voor
rijbewijscategorie C.
4.De aanvrager die reeds beschikt over
een geldig rijbewijs van de categorie C1, C of E bij C, verwerft het
theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door in
aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriële
regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.
5.De aanvrager die het theorie-examen
vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D met goed gevolg heeft
afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor
rijbewijscategorie C door met goed gevolg de bij ministeriële
regeling vastgestelde additionele onderdelen af te leggen.
Artikel 156i
1.Het theorie-examen vakbekwaamheid
voor rijbewijscategorie D bestaat uit theorietoets rijbewijs en
vakbekwaamheid 1, theorietoets vakbekwaamheid 2 en theorietoets
vakbekwaamheid 3.
2.Bij het theorie-examen vakbekwaamheid
voor de rijbewijscategorie D wordt getoetst of een aanvrager beschikt
over grondige kennis van bij ministeriële regeling vastgestelde eisen
omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van motorrijtuigen van die
categorie zijn opgenomen in bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders alsmede het op juiste wijze toepassen van die kennis.
3.De aanvrager die het theorie-examen
vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorie D met goed gevolg heeft
afgelegd, is vrijgesteld van het theorie-examen voor
rijbewijscategorie D.
4.De aanvrager die reeds beschikt over
een geldig rijbewijs van de categorie D1, D of E bij D, verwerft het
theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door in
aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriële
regeling vastgestelde onderdelen van dat theorie-examen af te leggen.
5.De aanvrager die het theorie-examen
vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C met goed gevolg heeft
afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor
rijbewijscategorie D door met goed gevolg de bij ministeriële
regeling vastgestelde additionele onderdelen af te leggen.
§ 5. Praktijkexamen vakbekwaamheid
Artikel 156j
1. Het gedeelte van het praktijkexamen
vakbekwaamheid dat niet op de openbare weg wordt afgelegd, kan worden
afgelegd:
a. door personen die de leeftijd
van zeventien jaren hebben bereikt indien het betreft een
praktijkexamen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieën C en E
bij C, of
b. door personen die de leeftijd
van zeventien jaren hebben bereikt indien het betreft een
praktijkexamen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieën D en E
bij D.
2. Het gedeelte van het praktijkexamen
vakbekwaamheid dat op de openbare weg wordt afgelegd kan slechts
worden afgelegd:
a. door personen die de leeftijd
van achttien jaren hebben bereikt indien het betreft een
praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C en E bij
C, of
b. door personen die de leeftijd
van achttien jaar hebben bereikt indien het betreft een
praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D en E bij
D.
Artikel 156k
1.Voor toelating tot het praktijkexamen
vakbekwaamheid op de openbare weg zijn de voorwaarden voor toelating
voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorieën C, E bij C, D of
E bij D van overeenkomstige toepassing.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld inzake de toegang tot het praktijkexamen
vakbekwaamheid.
Artikel 156l
1.Het praktijkexamen vakbekwaamheid
voor rijbewijscategorie C bestaat uit een rijproef die geïntegreerd
wordt afgelegd met het praktijkexamen voor het rijbewijs C, en uit de
praktijktoetsen vakbekwaamheid 1 en 2. De praktijktoets vakbekwaamheid
1 bestaat uit een praktische test. De praktijktoets vakbekwaamheid 2
kan op een besloten terrein of een simulator worden afgelegd.
2.De eisen voor het praktijkexamen
vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C worden bij ministeriële
regeling vastgesteld en betreffen in ieder geval:
a. bedrevenheid in rationeel rijden
op basis van veiligheidsvoorschriften;
b. het kunnen toepassen van
voorschriften omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van
motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van
de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
c. het op juiste en veilige wijze
kunnen toepassen van kennis en vaardigheden met betrekking tot een
aantal bijzondere onderwerpen die voor bestuurders van
motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van
de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders.
3.De aanvrager die reeds beschikt over
een geldig rijbewijs van de categorie C1 of C, verwerft het
praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door in
aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriële
regeling vastgestelde onderdelen van dat praktijkexamen af te leggen.
Artikel 156m
1.Het praktijkexamen vakbekwaamheid
voor rijbewijscategorie D bestaat uit een rijproef die geïntegreerd
wordt afgelegd met het praktijkexamen voor het rijbewijs D, en uit de
praktijktoetsen vakbekwaamheid 2 en 3. De praktijktoets vakbekwaamheid
1 bestaat uit een praktische toets. De praktijktoets vakbekwaamheid 2
kan op een besloten terrein of een simulator worden afgelegd.
2.De eisen voor het praktijkexamen
vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D worden bij ministeriële
regeling vastgesteld en betreffen in ieder geval:
a. bedrevenheid in rationeel rijden
op basis van veiligheidsvoorschriften;
b. het kunnen toepassen van
voorschriften omtrent de onderwerpen die voor bestuurders van
motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van
de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
c. het op juiste en veilige wijze
kunnen toepassen van kennis en vaardigheden met betrekking tot een
aantal bijzondere onderwerpen die voor bestuurders van
motorvoertuigen van die categorie zijn opgenomen in bijlage I van
de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders.
3.De aanvrager die reeds beschikt over
een geldig rijbewijs van de categorie D1 of D, verwerft het
praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door in
aanvulling op dat rijbewijs met goed gevolg de bij ministeriële
regeling vastgestelde onderdelen van dat praktijkexamen af te leggen.
Artikel 156n
1.De aangewezen exameninstantie kan een
rij-instructeur die ingevolge de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993
bevoegd is tot het geven van rijonderricht en die voldoet aan de door
haar opgestelde eisen, aanwijzen tot het afnemen van praktijktoetsen
vakbekwaamheid 1 en 2 voor de rijbewijscategorieën C en D.
2.Een rij-instructeur als bedoeld in
het eerste lid neemt de praktijktoetsen af met gebruikmaking van de
exameneisen.
3.Een rij-instructeur als bedoeld in
het eerste lid meldt aan de aangewezen exameninstantie binnen de door
deze vastgestelde termijn of een aanvrager voldoet aan de exameneisen.
Artikel 156o
Bij ministeriële regeling worden nadere
regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 156g tot en met 156n.
Artikel 156p
Op een praktijktoets vakbekwaamheid
bedoeld in hoofdstuk VIIA zijn deartikelen 78, 81, 82, eerste lid, en 84
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van
«rijproef» telkens wordt gelezen «praktijktoets vakbekwaamheid», en
dat inartikel 82, eerste lid, in plaats van «het CBR» wordt gelezen:
de aangewezen exameninstantie.
§ 6. Vrijstellingen basiskwalificatie
Artikel 156q
1.De volgende bestuurders zijn
vrijgesteld van het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid:
a. een bestuurder die houder is van
een geldig rijbewijs van één van de categorieën D1, E bij D1, D
of E bij D of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, mits dat
rijbewijs uiterlijk op 9 september 2008 is afgegeven;
b. een bestuurder die houder is van
een geldig rijbewijs van één van de categorieën C1, E bij C1, C
of E bij C of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, mits dat
rijbewijs uiterlijk op 9 september 2009 is afgegeven.
2.Een bestuurder als bedoeld in artikel
151d, tweede lid, onderdeel a, van de wet is bij het behalen van een
getuigschrift van vakbekwaamheid vrijgesteld van het afleggen van bij
ministeriële regeling te bepalen onderdelen van het
vakbekwaamheidsexamen.
3.Een bestuurder als bedoeld in artikel
151d, tweede lid, onderdeel b, van de wet die een op het beroep van
chauffeur goederenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de
Wet educatie en beroepsonderwijs of een bij ministeriële regeling
daaraan gelijkwaardig verklaarde opleiding volgt, is éénmaal voor
een aaneengesloten periode van maximaal drie jaar voor Nederlands
grondgebied vrijgesteld van de verplichting over een getuigschrift van
vakbekwaamheid te beschikken indien hij:
a. een door het bevoegd gezag van
de opleiding gewaarmerkte verklaring kan overleggen waaruit blijkt
sinds welke datum hij de opleiding volgt, en
b. hij door middel van een geldig
bewijs van inschrijving kan aantonen dat hij nog staat
ingeschreven bij de opleiding.
4.Een bestuurder die houder is van een
getuigschrift van vakbekwaamheid voor één van de in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde rijbewijscategorieën is vrijgesteld van de
verplichting een dergelijk getuigschrift te behalen voor de overige in
genoemd onderdeel vermelde rijbewijscategorieën.
5.Een bestuurder die houder is van een
getuigschrift van vakbekwaamheid voor één van de in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde rijbewijscategorieën is vrijgesteld van de
verplichting een dergelijk getuigschrift te behalen voor de overige in
genoemd onderdeel vermelde rijbewijscategorieën.
6.Een bestuurder, geboren vóór 1 juli
1955, is vrijgesteld van de verplichting een getuigschrift van
vakbekwaamheid te behalen.
7.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over de vrijstelling bedoeld in het zesde
lid.
§ 7. Stelsel van nascholing
Artikel 156r
1.Het stelsel van nascholing, bedoeld
in hoofdstuk VIIA van de wet, bevat de verplichting van de bestuurder
om bij een of meer erkende opleidingscentra per vijf jaren 35 uur
nascholingscursussen te volgen.
2.Voor bestuurders bedoeld in artikel
156q, eerste lid, wordt de periode waarin de eerste nascholing kan
worden gevolgd verlengd tot zeven jaren.
Artikel 156s
1.De nascholing bestaat uit
nascholingscursussen die worden aangeboden in eenheden van ten minste
7 uur, waarin de onderwerpen die zijn opgenomen in bijlage I van de
richtlijn vakbekwaamheid bestuurders opnieuw worden bestudeerd en
uitgediept.
2.Het raamwerk van nascholingscursussen
wordt periodiek vastgesteld door de aangewezen exameninstantie, die
daarbij rekening houdt met de bij ministeriële regeling vastgestelde
eisen voor nascholingscursussen.
3.Bij de nascholingscursussen kan
gebruik worden gemaakt van simulatoren.
Artikel 156t
1.Een bestuurder die tegen overlegging
van bewijsstukken, afgegeven door bevoegde autoriteiten van andere
lidstaten van de Europese Gemeenschap, ten genoegen van de aangewezen
exameninstantie kan aantonen dat hij een gedeelte van de nascholing
aldaar heeft gevolgd, kan het voor hem nog resterende gedeelte van de
nascholing in Nederland afronden.
2.De aangewezen exameninstantie kan bij
de toetsing van de in het eerste lid bedoelde bewijsstukken de hulp
van de Dienst Wegverkeer inroepen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld inzake de toekenning van de nascholing.
Artikel 156u
1.Een erkend opleidingscentrum meldt
binnen de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde termijn
voorafgaand aan de dag waarop een nascholingscursus wordt gehouden de
voorgenomen cursus aan de aangewezen exameninstantie. De melding bevat
de door de aangewezen exameninstantie bepaalde onderwerpen.
2.Een erkend opleidingscentrum meldt
binnen de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde termijn aan
deze het feit dat een bestuurder een nascholingsonderdeel heeft
gevolgd.
§ 8. Vrijstellingen nascholing
Artikel 156v
1.Een bestuurder die houder is van een
getuigschrift van nascholing voor één van de rijbewijscategorieën
C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1 is vrijgesteld
van de verplichting een getuigschrift van nascholing te behalen voor
de overige genoemde rijbewijscategorieën.
2.Een bestuurder, geboren vóór 1 juli
1955, is vrijgesteld van de verplichting een getuigschrift van
nascholing te behalen.
§ 9. Erkenning opleidingscentra
Artikel 156w
1.De aangewezen exameninstantie kan aan
een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is nascholing te organiseren.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld.
Artikel 156x
1.Een erkenning als opleidingscentrum
voor het verrichten van nascholing wordt op aanvraag en tegen
betaling, op de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde wijze,
van het daarvoor door deze instantie vastgestelde tarief verleend
indien is voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2.De in het eerste lid bedoelde eisen
kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de certificering van de
aangeboden nascholingscursussen;
b. de kwalificaties en
werkterreinen van de nascholingsdocenten en -instructeurs;
c. de cursuslocaties;
d. het voor het praktijkgedeelte
gebruikte wagenpark, en
e. de omvang van het aantal
deelnemers per nascholingscursus.
3.Een erkenning heeft een
geldigheidsduur van maximaal vijf jaren.
4.Een erkenning als bedoeld in het
eerste lid kan door de aangewezen exameninstantie worden geschorst of
ingetrokken indien:
a. de handelingen waarvoor de
erkenning is verleend, niet meer worden verricht, of
b. niet meer aan de in het tweede
lid bedoelde eisen wordt voldaan.
5.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere eisen worden vastgesteld met betrekking tot de aanvraag,
schorsing en intrekking van een erkenning.
§ 10. Onderricht
Artikel 156y
1.Degene die in het kader van hoofdstuk
VIIA van de wet onderricht verricht anders dan rijonderricht bedoeld
in de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, dan wel in het kader van
dat hoofdstuk betrokken is bij de training, instructie of scholing van
bestuurders, voldoet aan:
a. de eisen die zijn opgenomen in
onderdeel 5.2.3 van bijlage I van de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders, en
b. de bij ministeriële regeling
bepaalde eisen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld aan het toezicht op de in het eerste lid
bedoelde personen.
Artikel 156z
Indien bij een praktijkexamen
vakbekwaamheid of bij een nascholingscursus gebruik wordt gemaakt van
een simulator voldoet deze aan de door de aangewezen exameninstantie
gestelde en door Onze Minister goedgekeurde eisen.
§ 11. Registratie van verklaringen van
vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing
Artikel 156aa
1.Indien de aanvrager naar het oordeel
van de aangewezen exameninstantie de basiskwalificatie heeft behaald,
registreert de aangewezen exameninstantie in het rijbewijzenregister
ten behoeve van de aanvrager een verklaring van vakbekwaamheid voor de
rijbewijscategorieën waarvoor de aanvrager de basiskwalificatie heeft
behaald.
2.Nadat uit de inartikel 156u bedoelde
meldingen is gebleken dat een bestuurder de nascholing heeft afgerond,
registreert de aangewezen exameninstantie ten behoeve van de aanvrager
in het rijbewijzenregister een verklaring van nascholing.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit artikel
bedoelde registraties en meldingen.
Artikel 156ab
1.Een getuigschrift van vakbekwaamheid
behaald voor één van de rijbewijscategorieën C1, E bij C1, C of E
bij C wordt op het rijbewijs tevens vermeld naast alle andere van deze
categorieën voor zover de desbetreffende bestuurder daarover
beschikt.
2.Een getuigschrift van vakbekwaamheid
behaald voor één van de rijbewijscategorieën D1, E bij D1, D of E
bij D wordt op het rijbewijs tevens vermeld naast alle andere van deze
categorieën voor zover de desbetreffende bestuurder daarover
beschikt.
3.Een getuigschrift van nascholing
behaald voor de rijbewijscategorieën C1, E bij C1, C, E bij C, D1, E
bij D1, D of E bij D wordt op het rijbewijs tevens vermeld naast alle
andere categorieën waarvoor de desbetreffende bestuurder over een
getuigschrift van vakbekwaamheid beschikt.
4.Een Nederlands
omwisselingscertificaat geeft aan
a. voor welke rijbewijscategorieën
een bestuurder de basiskwalificatie heeft behaald of
b. dat de bestuurder de nascholing
heeft afgerond.
Artikel 156ac
Voor de toepassing van hoofdstuk VIIA
wordt met een geldig rijbewijs van de rijbewijscategorieën C1, E bij
C1, C, E bij C, D1, E bij D1, D of E bij D gelijkgesteld een geldig
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
lidstaat van de Europese Gemeenschap, in een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in
Zwitserland.
Artikel 156ad
Een wijziging van bijlage I van de
richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gaat voor de toepassing van
hoofdstuk VIIA gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Hoofdstuk VIII. Bromfietscertificaten
§ 1 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 157 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 158 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 159 [Vervallen per 01-10-2006]
§ 2 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 160 [Vervallen per 01-10-2006]
§ 3 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 161 [Vervallen per 01-10-2006]
§ 4 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 162 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 163 [Vervallen per 01-10-2006]
§ 5 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 164 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 165 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 166 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 167 [Vervallen per 01-10-2006]
§ 6. Het register betreffende de afgifte
van bromfietscertificaten
Artikel 168
De Dienst Wegverkeer is verantwoordelijke
voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het register
betreffende de afgifte van bromfietscertificaten.
Artikel 169
In het register betreffende de afgifte
van bromfietscertificaten worden de navolgende gegevens verwerkt:
a. geslachtsnaam, voorvoegsels,
voorletters, plaats en datum en eventueel land van geboorte van
degenen aan wie een bromfietscertificaat is afgegeven;
b. adres van degenen aan wie een
bromfietscertificaat is afgegeven, zoals dat bekend was ten tijde
van de afgifte;
c. nummer en datum van afgifte van
bromfietscertificaten;
d. gegevens omtrent de
ongeldigverklaring van bromfietscertificaten.
Artikel 170
Het CBR verwerkt in het
rijbewijzenregister gegevens omtrent de afgifte van
bromfietscertificaten alsmede omtrent de ongeldigverklaring van
bromfietscertificaten.
Artikel 171 [Vervallen per 01-10-2004]
Artikel 172
Het in artikel 145 van de wet bedoelde
reglement alsmede de wijziging en intrekking daarvan wordt voor een
ieder ter inzage gelegd bij de Dienst Wegverkeer te Veendam alsmede bij
de vestigingen van het CBR.
Artikel 173
Uit het register betreffende de afgifte
van bromfietscertificaten worden door de Dienst Wegverkeer inlichtingen
verstrekt aan de volgende belanghebbenden:
a. degenen omtrent wie gegevens in
het register zijn opgenomen;
b. het CBR;
c. het Centraal Bureau voor de
Statistiek, voor statistische doeleinden, voor zover het betreft
niet tot personen herleidbare informatie;
d. het Verbond van Verzekeraars, ten
behoeve van het vaststellen van rechten en plichten in het kader van
de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten, voor zover het betreft
de datum van afgifte van bromfietscertificaten;
e. overige door Onze Minister
aangewezen belanghebbenden ten behoeve van het bij de aanwijzing
aangegeven doel.
Hoofdstuk VIIIa. Experiment verlaging
minimumleeftijd buschauffeurs
§ 1. Algemeen
Artikel 173a
1. Er wordt een experiment gehouden
waarbij de minimumleeftijd voor het besturen van motorrijtuigen van
rijbewijscategorie D wordt verlaagd.
2. Het experiment beoogt een
vermindering van het tekort aan buschauffeurs onder voorwaarde van
gelijkblijvende verkeersveiligheid.
3. Het experiment vindt plaats
overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIIIa.
§ 2. Afwijkingen
Artikel 173b
1. De in artikel 110, eerste lid, van
de wet vastgestelde minimumleeftijd van eenentwintig jaren voor het
besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D geldt niet
indien:
a. de bestuurder de leeftijd van
achttien jaren heeft bereikt,
I. voor zover het vervoer
betreft zonder passagiers;
II. voor zover het openbaar en
besloten vervoer betreft waarvan het traject ten hoogste 50 km
bedraagt; of
b. de bestuurder de leeftijd van
twintig jaren heeft bereikt voor zover het openbaar en besloten
vervoer betreft; en
c. de bestuurder beschikt over het
getuigschrift van vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D;
d. het vervoer in Nederland
plaatsvindt;
e. de bestuurder beschikt over een
arbeidsovereenkomst met een busvervoerder, niet zijnde een
uitleenovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek; en
f. de bestuurder een
begeleidingstraject volgt.
2. Onze Minister verstrekt de
bestuurder die deelneemt aan het experiment een bewijs van deelname.
3. Onze Minister trekt een bewijs van
deelname in indien:
a. een bewijs van deelname is
afgegeven op grond van door de aanvrager verschafte onjuiste
gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van
die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;
b. na afgifte van het bewijs van
deelname blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is
afgegeven;
c. niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 173c
In afwijking van artikel 67, zesde lid,
wordt voor de toepassing van artikel 67, derde lid, met een rijbewijs B
gelijkgesteld een in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring
van rijvaardigheid voor de rijbewijscategorie B, waarbij de datum van
registratie niet langer dan drie jaar vóór het examen mag liggen, voor
zover de aanvraag betrekking heeft op de rijbewijscategorie D en de
aanvrager een op het beroep van chauffeur personenvervoer gerichte
beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs
volgt.
Artikel 173d
In afwijking van artikel 110b, eerste
lid, aanhef en onderdeel b, van de wet mag degene die rijonderricht in
de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft, rijonderricht
geven aan degene die de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, voor zover
het betreft motorrijtuigen van de categorie waarvoor rijbewijs D wordt
afgegeven en het rijonderricht plaatsvindt in het kader van een
opleiding tot beroepschauffeur in het personenvervoer over de weg als
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 173da
In afwijking van artikel 9, eerste lid,
onderdeel d, is geen rijbewijs B vereist voor degene die rijonderricht
ontvangt in het kader van een op het beroep van chauffeur
personenvervoer gerichte beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie
en beroepsonderwijs.
Artikel 173e
In afwijking van artikel 34 is ten
behoeve van de aanvrager in het rijbewijzenregister tevens geregistreerd
een verklaring van vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D indien nog
niet eerder een rijbewijs is afgegeven.
Artikel 173f
In afwijking van artikel 111, eerste lid,
onderdeel a, van de wet wordt een rijbewijs met code vakbekwaamheid op
aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief,
afgegeven aan diegene die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt
voor zover het betreft een rijbewijs voor het besturen van
motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D.
Artikel 173g
Het rijbewijs dat overeenkomstig artikel
173fis afgegeven, is gedurende de periode dat de houder de leeftijd van
eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt, voor de rijbewijscategorie D
slechts geldig in Nederland in combinatie met een aan de houder van het
rijbewijs afgegeven bewijs van deelname.
§ 3. Evaluatie van het experiment
Artikel 173h
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
zendt drie jaar na de inwerkingtreding van deze algemene maatregel van
bestuur en ten minste zes maanden voor de beëindiging van het
experiment aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van dit besluit in de praktijk.
Hoofdstuk VIIIb. Experiment begeleid
rijden
§ 1. Algemeen
Artikel 173i
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
begeleiderspas: begeleiderspas als
bedoeld in artikel 173k.
Artikel 173j
1. Er wordt een experiment gehouden
waarbij jongeren die vanaf 1 november 2011 de leeftijd van zeventien
jaren hebben bereikt, vanaf zeventienjarige leeftijd hun rijbewijs
kunnen halen en tot hun achttiende verjaardag alleen onder begeleiding
mogen rijden.
2. In afwijking van het eerste lid
kunnen jongeren die in het kader van een op het beroep van chauffeur
goederenvervoer of chauffeur personenvervoer gerichte beroepsopleiding
volgen, als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en die op
het in het eerste lid genoemde tijdstip de leeftijd van zeventien
jaren hebben bereikt, vanaf de leeftijd van zeventien jaren hun
rijbewijs halen en tot hun achttiende verjaardag alleen onder
begeleiding rijden.
3. Het experiment beoogt een gunstig
effect op de verkeersveiligheid van jonge beginnende bestuurders.
4. Het experiment vindt plaats
overeenkomstig hoofdstuk VIIIb.
§ 2. Afwijkingen
Artikel 173k
1. De in artikel 110, eerste lid, van
de wet voor het besturen van motorrijtuigen vastgestelde
minimumleeftijd van achttien jaren geldt niet voor zover:
a. de bestuurder vanaf 1 november
2011 de leeftijd van zeventien jaren heeft bereikt,
b. aan de bestuurder een rijbewijs
B is afgegeven,
c. de bestuurder een motorrijtuig
van de rijbewijscategorie B bestuurt, en
d. naast de bestuurder een in de
begeleiderspas vermelde begeleider zit ten aanzien van wie de
bestuurder weet dat deze niet onder zodanige invloed verkeert van
een stof, waarvan het gebruik daarvan – al dan niet in
combinatie met het gebruik van een andere stof – de
rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk
begeleiden in staat moet worden geacht.
2. De begeleiderspas dient:
a. te voldoen aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting,
uitvoering en invulling,
b. zijn geldigheid niet te hebben
verloren en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
Artikel 173l
In afwijking van artikel 110b, eerste
lid, aanhef en onder b, van de wet mag degene die rijonderricht in de
zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft, rijonderricht
geven aan degene die de leeftijd van zestien jaren en zes maanden heeft
bereikt, voor zover het betreft motorrijtuigen van de rijbewijscategorie
B.
Artikel 173m
In afwijking van artikel 111, eerste lid,
aanhef en onder a, van de wet wordt een rijbewijs op aanvraag en tegen
betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, afgegeven aan degene die
vanaf 1 november 2011 de leeftijd van zeventien jaren heeft bereikt voor
zover:
a. het betreft een rijbewijs voor het
besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, en
b. aan de aanvrager een
begeleiderspas is afgegeven.
Artikel 173n
Het rijbewijs dat overeenkomstig artikel
173mis afgegeven is gedurende de periode dat de houder de leeftijd van
achttien jaren nog niet heeft bereikt, voor de rijbewijscategorie B
slechts geldig:
a. in combinatie met een aan de
houder van het rijbewijs afgegeven begeleiderspas, en
b. in het Europese deel van
Nederland.
Artikel 173o
1. In aanvulling op artikel 126, tweede
lid, van de wet verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent de
begeleider en de begeleiderspas, voor zover deze gegevens noodzakelijk
zijn voor een goede uitvoering van de wet en voor de handhaving van de
bij of krachtens de wet vastgestelde voorschriften.
2. De in het eerste lid bedoelde
gegevens worden gedurende een periode van zeven jaar bewaard.
Artikel 173p
Onverminderd artikel 33 dient bij de
aanvraag van een rijbewijs van de rijbewijscategorie B door een
aanvrager die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt ten
aanzien van hem in het rijbewijzenregister de afgifte van een
begeleiderspas te zijn geregistreerd.
Artikel 173q
In afwijking van artikel 56, tweede lid,
kan het theorie-examen voor de rijbewijscategorie B worden afgelegd door
personen die de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt.
Artikel 173r
Onverminderd artikel 145 worden in het
rijbewijzenregister de navolgende gegevens opgenomen:
a. geslachtsnaam, voorvoegsels,
eerste voornaam voluit, voorletters van eventuele overige voornamen
en burgerservicenummer van degenen aan wie een begeleiderspas is
afgegeven alsmede geslachtsnaam, eerste voornaam voluit, voorletters
van eventuele overige voornamen en geboortedatum en geboorteplaats
van de in de begeleiderspas genoemde begeleiders;
b. nummer en datum van afgifte van
begeleiderspassen;
c. gegevens omtrent het verlies van
geldigheid van begeleiderspassen ingevolgeartikel 173y;
d. gegevens omtrent de
ongeldigverklaring van begeleiderspassen ingevolgeartikel 173z.
Artikel 173s
Onverminderd artikel 152 verwerkt de
Dienst Wegverkeer in het rijbewijzenregister gegevens omtrent de
aanvraag, afgifte, verlies van geldigheid en ongeldigverklaring van
begeleiderspassen.
Artikel 173t
Onverminderd artikel 156 verstrekt de
Dienst Wegverkeer inlichtingen aan Onze Minister en aan de Stichting
Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid ten behoeve van de
monitoring en evaluatie van begeleid rijden.
§ 3. Aanvraag en afgifte van de
begeleiderspas
Artikel 173u
1. De begeleiderspas kan worden
aangevraagd door een persoon die ten tijde van de aanvraag de leeftijd
van ten minste zestien jaren en zes maanden heeft bereikt en wordt, na
betaling van de hiervoor bij ministeriële regeling vastgestelde
kosten, door de Dienst Wegverkeer aan deze persoon verstrekt.
2. Ten behoeve van de begeleiderspas
heeft zich op zijn vroegst zes maanden voor de zeventiende verjaardag
van de te begeleiden persoon ten minste een begeleider gemeld bij de
Dienst Wegverkeer op de door die dienst voorgeschreven wijze.
3. Het model van de begeleiderspas
wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. De aanvraag van een begeleiderspas,
alsmede de wijze van betaling van de daarvoor overeenkomstig het
eerste lid vastgestelde kosten, geschiedt op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze.
Artikel 173v
Ten behoeve van de aanvraag van een
begeleiderspas raadpleegt de Dienst Wegverkeer:
a. de in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens geregistreerde persoonsgegevens
van de aanvrager en van de begeleider;
b. ten behoeve van de begeleider, het
CBR, teneinde na te gaan of er sprake is van een van de in artikel
173w, onderdelen g, i, j en k, bedoelde situaties;
c. de in het rijbewijzenregister
opgenomen gegevens ten aanzien van de begeleider teneinde na te gaan
of er sprake is van een van de in artikel 173w, onderdelen a tot en
met f en h, bedoelde situaties.
Artikel 173w
1. Een begeleiderspas wordt slechts
afgegeven indien de aanvraag betrekking heeft op een begeleider:
a. die in het bezit is van een
rijbewijs voor categorie B waarvan sinds de datum van eerste
afgifte ten minste 5 jaren verstreken zijn en die de leeftijd van
tenminste 27 jaren heeft bereikt;
b. van wie de bevoegdheid tot het
besturen van motorrijtuigen niet op enig moment binnen een periode
van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk is
ontzegd;
c. van wie niet ingevolge artikel
130, tweede lid, van de wet de overgifte van het rijbewijs is
gevorderd dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat
rijbewijs niet is teruggegeven;
d. van wie niet ingevolge artikel
131, het tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het
rijbewijs voor een of meer categorieën is geschorst;
e. van wie niet ingevolge artikel
164, eerste lid, van de wet de overgifte van het rijbewijs is
gevorderd dan wel het rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat
rijbewijs niet is teruggegeven;
f. van wie het rijbewijs zijn
geldigheid niet op enig moment binnen een periode van vier jaren
voorafgaand aan de aanvraag ingevolge artikel 123b, eerste lid,
van de wet heeft verloren, dan wel ten aanzien van wie in die
periode in het rijbewijzenregister een aantekening is gemaakt als
bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de wet;
g. aan wie niet op enig moment
binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag
ingevolge artikel 132c, eerste lid, onder d, van de wet een
rijbewijs is afgegeven waarop de bij ministeriële regeling
vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot is
vermeld;
h. van wie niet ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de
inlevering van het rijbewijs is gevorderd noch het rijbewijs
krachtens die wet is ingenomen, en
i. aan wie het CBR niet op enig
moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de
aanvraag de verplichting heeft opgelegd zich aan een educatieve
maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid te
onderwerpen;
j. van wie het rijbewijs niet op
enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de
aanvraag ongeldig is verklaard op grond van artikel 134, tweede
lid, van de wet na een onderzoek naar de rijvaardigheid of een
onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol of drugs;
k. van wie het rijbewijs niet op
enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de
aanvraag ongeldig is verklaard op grond van artikel 132, tweede
lid, van de wet wegens het niet meewerken aan een educatieve
maatregel of een onderzoek naar de rijvaardigheid of een onderzoek
naar de geschiktheid wegens alcohol of drugs.
2. De in het eerste lid, onderdeel a,
gestelde eis geldt niet, indien de begeleider overeenkomstig artikel
7, eerste lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 over het
in dat lid bedoelde certificaat beschikt.
3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of
in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Artikel 173x
De Dienst Wegverkeer geeft op aanvraag
een nieuwe begeleiderspas af:
a. bij wijziging van de personalia
van de houder of de begeleider;
b. indien de houder een nieuwe
begeleider opgeeft;
c. na ongeldigverklaring van de
eerder afgegeven begeleiderspas op grond vanartikel 173z, eerste
lid;
d. in geval de eerder afgegeven
begeleiderspas versleten of geheel of ten dele onleesbaar is;
e. indien de eerder afgegeven
begeleiderspas verloren is geraakt of teniet is gegaan.
§ 4. Verlies van geldigheid van de
begeleiderspas
Artikel 173y
De begeleiderspas verliest zijn
geldigheid:
a. door uitreiking van een nieuwe
begeleiderspas;
b. door het onbevoegd daarin
aanbrengen van wijzigingen;
c. door wijziging van de
geslachtsnaam, de voornamen, de plaats of datum van geboorte of het
geslacht van één van de daarop vermelde personen;
d. op de dag dat de houder de
leeftijd van achttien jaren bereikt.
Artikel 173z
Een begeleiderspas wordt door de Dienst
Wegverkeer ongeldig verklaard indien:
a. de begeleiderspas is afgegeven op
grond van door de aanvrager verschafte onjuiste gegevens en hij niet
zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde
van de aanvraag bekend zou zijn geweest;
b. na afgifte van de begeleiderspas
blijkt dat hij kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven.
§ 5. Maatregelen bij rijden zonder
begeleider
Artikel 173aa
1. Indien een van de in artikel 159,
onderdeel a, van de wet bedoelde personen vaststelt dat de bestuurder
die nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een
motorrijtuig bestuurt zonder dat naast hem een in de begeleiderspas
genoemde begeleider zit, doet hij daarvan zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen zes maanden, mededeling aan het CBR onder vermelding
van de feiten en omstandigheden die aan de vaststelling ten grondslag
liggen.
2. De in het eerste lid bedoelde
mededeling wordt ook uitgebracht indien naast de bestuurder een op de
begeleiderspas vermelde begeleider zit ten aanzien van wie de
bestuurder weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof,
waarvan het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het
gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen, dat
hij niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.
3. Op de eerste vordering van de in
artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is de
bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie het vermoeden
bestaat dat hij een motorrijtuig bestuurt zonder begeleider of zonder
dat naast hem een in de begeleiderspas genoemde begeleider zit,
verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs, alsmede van
de begeleiderspas.
4. Artikel 130, derde lid, laatste
volzin, en vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
5. De mededeling, bedoeld in het eerste
en tweede lid, wordt schriftelijk gedaan volgens bij ministeriële
regeling vastgesteld model of op andere wijze, mits daarbij dezelfde
gegevens als in het model worden vermeld. Hieronder wordt tevens
verstaan aanlevering via geautomatiseerde systemen.
Artikel 173bb
1. Indien een mededeling als bedoeld in
artikel 173aa, eerste of tweede lid, is gedaan, verklaart het CBR het
rijbewijs van betrokkene voor categorie B ongeldig. Dit geldt ook
indien de betrokkene inmiddels de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
2. Het besluit is van kracht met ingang
van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring
aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.
3. Het CBR doet mededeling aan
betrokkene dat hij een rijbewijs voor de categorie AM kan aanvragen of
overeenkomstig artikel 173cc een rijbewijs voor de categorie B.
4. De houder van het ongeldig
verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs, zodra de ongeldigverklaring
van kracht is geworden, in te leveren bij het CBR, ook indien de
ongeldigverklaring niet alle categorieën betreft waarvoor het
rijbewijs geldig was.
Artikel 173cc
1. Indien de aanvraag van een rijbewijs
betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor
een categorie waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs
door het CBR op grond vanartikel 173bb ongeldig is verklaard, dient
onverminderdartikel 33 in het rijbewijzenregister ten behoeve van de
aanvrager een verklaring van rijvaardigheid te zijn geregistreerd voor
iedere rijbewijscategorie waarop de ongeldigverklaring betrekking
heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar
vóór de aanvraag mag liggen, alsmede een verklaring van geschiktheid
waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vóór de
aanvraag mag liggen.
2. Artikel 173qis niet van toepassing.
Hoofdstuk IX. Overgangsbepalingen
Artikel 174
Aanvragen van rijbewijzen die betrekking
hebben op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een op
basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat
na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van
de geldigheidsduur en dat behoort tot een bij ministeriële regeling
aangewezen model, dienen:
a. indien de aanvrager woonachtig is
in Nederland, te zijn gericht tot de Dienst Wegverkeer en te worden
ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager
woonachtig is;
b. indien de aanvrager niet in
Nederland woonachtig is, te zijn gericht tot en te worden ingediend
bij de Dienst Wegverkeer.
Artikel 175 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 176 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 177 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 178
Voor de toepassing van artikel 9, eerste
lid, onderdeel d, wordt onder een rijbewijs B mede verstaan een op basis
van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs B dat op het moment van de
aanvraag na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij
ministeriële regeling aangewezen model.
Artikel 179
1.Voor de toepassing van artikel 18,
eerste lid, wordt onder een rijbewijs B dat is voorzien van een bij
ministeriële regeling vastgestelde code waaruit blijkt dat de houder
van dat rijbewijs het praktijk-examen heeft afgelegd in een
motorrijtuig dat is voorzien van een automatische gangwissel of van
een automatische koppeling mede verstaan een op basis van de
Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs B met de aanduiding «Automaat».
2.Voor de toepassing van artikel 18,
tweede lid, wordt onder een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een
op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs dat zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur
en dat niet behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen
model.
3.Voor de toepassing van artikel 18,
vijfde lid, onderdeel a, wordt onder een rijbewijs B dat zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur
mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs
B dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur.
Artikel 180 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 181 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 182 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 183
1. Voor de toepassing van de artikelen
35, aanhef en onderdeel a, 36 en 38 tot en met 43, wordt onder een
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een eerder
op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs
dat op het moment van de aanvraag na 30 juni 1985 zijn geldigheid
heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.
2. Voor de toepassing van artikel 35,
onderdeel b, onder III, wordt onder een rijbewijs waarvan de
geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van
70 jaren bereikt, mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet
afgegeven rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de
dag waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt.
3. Voor de toepassing van de artikelen
44, derde lid, artikel 46, derde en zesde lid, 107 en 108 wordt onder
een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs mede verstaan een
eerder op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs dat op het moment van de aanvraag na 30 juni 1985 zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur
of door omwisseling tegen een rijbewijs dat is afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland.
Artikel 184
1.Voor de toepassing van de artikelen
36, 43 en 59, derde lid, wordt onder een eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs mede verstaan een eerder op basis van de
Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs dat op het
moment van de aanvraag na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren
door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot
een bij ministeriële regeling aangewezen model.
2.Voor de toepassing van artikel 59,
eerste lid, onderdeel e, wordt onder een aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs B dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken
van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de
Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs B dat hetzij nog
geldig is, hetzij na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door
het verstrijken van de geldigheidsduur.
Artikel 185
Voor de toepassing van de artikelen 45,
eerste lid, onderdeel b onder II, 47, eerste lid, onderdeel c onder II,
en 48, eerste lid, onderdeel c onder II, worden in het overgelegde
rijbewijs omschreven eisen ten aanzien van de inrichting van het
voertuig en de eis dat de aanvrager corrigerende lenzen draagt, niet
aangemerkt als beperkende aantekeningen die niet zijn aangeduid met de
geharmoniseerde codes van de Europese Gemeenschap.
Artikel 186
1.Voor de toepassing van artikel 67,
derde lid, wordt onder een rijbewijs B, al dan niet voorzien van een
bij ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de
houder het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig zonder
koppelingspedaal, dat zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de
Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs B, al dan niet voorzien van een
bij ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de
houder het praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig zonder
koppelingspedaal, dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren
door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet behoort tot
een bij ministeriële regeling aangewezen model.
2.Voor de toepassing van artikel 67,
vierde lid, wordt onder een rijbewijs voor het trekkende motorrijtuig,
al dan niet voorzien van een bij ministeriële regeling vastgestelde
codering waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het
praktijkexamen heeft afgelegd in een motorrijtuig dat is voorzien van
een automatische gangwissel of van een automatische koppeling, dat
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur mede verstaan een op basis van de Wegenverkeerswet
afgegeven rijbewijs voor het trekkende motorrijtuig, al dan niet
voorzien van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering
waaruit blijkt dat de houder van dat rijbewijs het praktijkexamen
heeft afgelegd in een motorrijtuig dat is voorzien van een
automatische gangwissel of van een automatische koppeling, dat na 30
juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriële regeling
aangewezen model.
Artikel 187
Voor de toepassing van artikel 69, tweede
lid, onderdeel a, wordt onder een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur mede verstaan een
op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs dat op het moment
van de aanvraag zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van
de geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriële
regeling aangewezen model.
Artikel 188 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 189 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 190 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 191
Voor de toepassing van de artikelen 145
tot en met 152 wordt onder rijbewijzen mede verstaan rijbewijzen als
bedoeld in artikel 9, eerste lid onder 3e, van de Wegenverkeerswet.
Artikel 192 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 193
Indien de aanvraag van een rijbewijs
betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs in verband met het
verstrijken van de geldigheidsduur van een voor de datum van
inwerkingtreding van dit besluit op basis van de Wegenverkeerswet
afgegeven rijbewijs dat geldig is voor de rijbewijscategorie A wordt,
indien de aanvrager ten behoeve van het besturen van een motorrijtuig op
drie wielen, waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg,
belang heeft bij afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het
besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, tegen
overlegging van dat eerder afgegeven rijbewijs en een vóór 1 juni 1996
op zijn naam gesteld kentekenbewijs dat is afgegeven voor een
motorrijtuig als hier bedoeld, een rijbewijs afgegeven voor de
rijbewijscategorieën A en B, dat voor wat betreft de rijbewijscategorie
B slechts geldig is voor het besturen van motorrijtuigen op drie wielen,
waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg. In het rijbewijs
is deze beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling
vastgestelde codering.
Artikel 194
Indien de aanvraag van een rijbewijs
betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van
een op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur en waarin de aanduiding
«Automatische gangwissel of koppeling», al dan niet in combinatie met
de aanduiding «Tot één jaar na datum van afgifte beperkt geldig» is
geplaatst, wordt een rijbewijs afgegeven zonder die beperkende
aanduiding of aanduidingen.
Artikel 195
1.Indien de aanvraag van een rijbewijs
betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van
een op basis van de Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven
rijbewijs dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur en waarin vermeldingen of
beperkende aantekeningen zijn aangebracht, wordt een rijbewijs
afgegeven waarin die vermeldingen of beperkende aantekeningen zijn
aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.
2.Indien het op basis van de
Wegenverkeerswet aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, bedoeld in het
eerste lid, niet kan worden overgelegd omdat het verloren is geraakt
of teniet is gegaan, neemt degene die een rijbewijs afgeeft de in het
rijbewijzenregister opgenomen vermeldingen of beperkende aantekeningen
in de vorm van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering
over in het af te geven rijbewijs.
Artikel 196
Indien de aanvrager van een rijbewijs in
het bezit is van:
a. een op basis van de
Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs C met de
aanduiding«Automaat», dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet
behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen model, en hij
ter verkrijging van een rijbewijs D een verklaring van
rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen
heeft afgelegd met een motorrijtuig zonder koppelingspedaal,
b. een op basis van de
Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs D met de
aanduiding«Automaat», dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur en dat niet
behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen model, en hij
ter verkrijging van een rijbewijs C een verklaring van
rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij het praktijkexamen
heeft afgelegd met een motorrijtuig zonder koppelingspedaal,
c. een op basis van de
Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs C dat na 30 juni 1985 zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriële
regeling aangewezen model, en hij ter verkrijging van een rijbewijs
D een verklaring van rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij
het praktijkexamen heeft afgelegd met een motorrijtuig zonder
koppelingspedaal, dan wel
d. een op basis van de
Wegenverkeerswet afgegeven rijbewijs D dat na 30 juni 1985 zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur en dat niet behoort tot een bij ministeriële
regeling aangewezen model, en hij ter verkrijging van een rijbewijs
C een verklaring van rijvaardigheid overlegt waaruit blijkt dat hij
het praktijkexamen heeft afgelegd met een motorrijtuig zonder
koppelingspedaal,
wordt een rijbewijs afgegeven voor het
besturen van de betrokken, in het van toepassing zijnde onderdeel a, b,
c of d bedoelde categorieën van motorrijtuigen, zonder dat voor één
van die categorieën een beperking tot motorrijtuigen zonder
koppelingspedaal geldt.
Artikel 197
1. Met ingang van de datum waarop de
bevoegdheid van een Nederlands-Antilliaans bestuursorgaan tot afgifte
van rijbewijzen is overgegaan op een bestuursorgaan van Curaςao
of Sint Maarten, worden voor de toepassing van het Reglement
rijbewijzen, rijbewijzen die op grond van die bevoegdheid vóór het
tijdstip van transitie zijn afgegeven door het bevoegde gezag op de
Nederlandse Antillen, gelijkgesteld met rijbewijzen die vanaf het
tijdstip van transitie zijn afgegeven door het daartoe bevoegde gezag
op Curaςao of Sint Maarten.
2. Onder tijdstip van transitie als
bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het tijdstip waarop artikel I
van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de
Nederlandse Antillen in werking treedt.
Hoofdstuk X. Strafbepaling
Artikel 198
Overtreding van artikel 2, tweede lid, is
een strafbaar feit.
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 199
De artikelen van dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 200
Dit besluit wordt aangehaald als:
Reglement rijbewijzen.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 30 mei 1996
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de eenendertigste mei 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|