|
BESLUIT van 26 juli 1990, houdende vaststelling van
een nieuw Reglement verkeersregels en verkeerstekens
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 mei 1989,
nr. RW 26148, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 2 en 34 van de
Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554);
Gelet op het op 8 november 1968 te Wenen tot
stand gekomen Verdrag inzake het wegverkeer (Trb. 1974, 35), het
op 8 november 1968 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake
verkeerstekens (Trb. 1974, 36), de op 1 mei 1971 te Genève tot
stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag
inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening
werd opengesteld (Trb. 1974, 37), de op 1 mei 1971 te Genève tot
stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag
inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening
werd opengesteld (Trb. 1974, 38) en het op 1 maart 1973 te
Genève tot stand gekomen Protocol inzake tekens op het wegdek,
aanvulling op de Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag
inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening
werd opengesteld (Trb. 1975, 114);
De Raad van State gehoord (advies van 2 maart
1990, nr. W09.89.0262);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 16 juli 1990, nr. RW65898, Hoofddirectie van
de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. aanhangwagens: voertuigen die door
een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus
te worden voortbewogen, alsmede opleggers;
a1. ambulance: motorvoertuig,
ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer als
bedoeld in de Wet ambulancevervoer;
b. autobus: motorvoertuig, ingericht
voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder
niet begrepen;
c. autosnelweg: weg, aangeduid door
bord G1 van bijlage I; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen,
tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg
uit;
d. autoweg: weg, aangeduid door bord
G3 van bijlage I; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen,
tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit;
da. bedrijfsauto: bedrijfsauto als
bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
db. bestelauto: motorvoertuig,
bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum
massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;
e. bestemmingsverkeer: bestuurders
wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn
gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door
verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde
categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te
bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen;
f. bestuurder van een motorvoertuig:
1. hij die het motorvoertuig
bestuurt of
2. voor zover het betreft een
motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C,
D of E, is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening,
hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van
een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de
rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in artikel
131, eerste lid, van de wet;
g. bestuurders: alle weggebruikers
behalve voetgangers;
h. bevoegd gezag: gezag als bedoeld
in artikel 18, eerste lid, van de wet;
ha. brombakfiets: bromfiets op drie
symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen met een diameter
van meer dan 0,40 m, uitsluitend ingericht voor het vervoer van de
bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder
gezeten passagier;
i. [vervallen;]
ia. brommobiel: bromfiets op meer dan
twee wielen, die is voorzien van een carrosserie;
j. busbaan: rijbaan waarop het woord
«BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;
k. busstrook: door doorgetrokken of
onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het
woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;
l. dag: de periode tussen zonsopgang
en zonsondergang;
l1. diensten voor spoedeisende
medische hulpverlening: de ambulancediensten waaraan krachtens de
Wet ambulancevervoer vergunning is verleend voor het verrichten van
ambulancevervoer, alsmede daartoe uitgeruste voertuigen van andere
hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een centrale post
als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambulancevervoer bezighouden met
het verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening;
l2. dierenambulance: motorvoertuig,
ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van
zieke en gewonde dieren;
m. doorgaande rijbaan: rijbaan zonder
de invoeg- en uitrijstroken;
ma. driewielig motorvoertuig:
driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling
voertuigen;
n. fietsstrook: door doorgetrokken of
onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop
afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht;
o. geslotenverklaring: verbod de
betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te
gebruiken;
p. haaietanden: voorrangsdriehoeken
op het wegdek;
q. [vervallen;]
r. gehandicaptenvoertuig: voertuig
dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder
is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is
uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde
maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen
bromfiets is;
s. invoegstrook: door een
blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat
is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden;
t. kruispunt: kruising of splitsing
van wegen;
u. ligplaats: ligplaats als bedoeld
in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
v. lijnbus: motorvoertuig, gebezigd
voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet
personenvervoer 2000;
w. [vervallen;]
x. militaire kolonne: een aantal zich
achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de
rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen,
onder één commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens
voeren;
y. motorfiets: motorvoertuig op twee
wielen al dan niet met zijspan- of aanhangwagen;
z. motorvoertuigen: alle
gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met
trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan
langs rails te worden voortbewogen;
aa. nacht: de periode tussen
zonsondergang en zonsopgang;
aab. overweg: kruising van een weg en
een spoorweg die wordt aangeduid door middel van bord J12 of J13 van
bijlage 1;
ab. parkeerhaven of parkeerstrook:
langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande
of geparkeerde voertuigen;
ac. parkeren: het laten stilstaan van
een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en
gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers
of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;
aca. personenauto: personenauto als
bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
acb. puntstuk: meerhoekig vlak op het
wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen,
rijstroken of rijbanen;
ad. rijbaan: elk voor rijdende
voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en
de fiets/bromfietspaden;
ae. rijstrook: door doorgetrokken of
onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige
breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen
daarvan gebruik kunnen maken;
af. snorfiets: bromfiets die blijkens
de gegevens in het kentekenregister of het voor het voertuig
afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid
die niet meer bedraagt dan 25 km per uur of bromfiets als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet;
afa. spitsstrook: de vluchtstrook die
als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01 van bijlage 1;
afb. T100-bus: autobus, ten aanzien
waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs of uit het
kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in
aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.
Met een T100-bus als bedoeld in dit
besluit wordt gelijkgesteld een autobus die is geregistreerd in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde
een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe
strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en
ten aanzien waarvan uit het kentekenbewijs of uit een verklaring
afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling, afgegeven op
basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten
minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale
onderzoekingen wordt nagestreefd, blijkt dat de autobus geschikt is
voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur;
ag. uitrijstrook: door een
blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat
is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten;
aga. uitvaartstoet van
motorvoertuigen: een stoet, bestaande uit motorvoertuigen, die een
lijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
op de lijkbezorging of de as van een gecremeerd lijk begeleiden en
die de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens voeren;
ah. veiligheidscel: onderdeel van de
constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig
motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen
hoofdletsel;
ai. verdrijvingsvlak: gedeelte van de
rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht;
aj. verkeer: alle weggebruikers;
aja. verkeersregelaar: persoon als
bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit administratieve
bepalingen inzake het wegverkeer;
aj1. verlicht transparant: verlicht
transparant als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
ak. vluchthaven of vluchtstrook: door
een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of
autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in
noodgevallen, behoudens voor de duur van openstelling als
spitsstrook;
al. voertuigen: fietsen, bromfietsen,
gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens;
am. voorrang verlenen: het de
betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te
vervolgen;
an. voorrangsvoertuig: motorvoertuig
dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29;
ao. vrachtauto: motorvoertuig, niet
ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane
maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg;
ap. weggebruikers: voetgangers,
fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig,
van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij-
of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen
wagen;
aq. wet: Wegenverkeerswet 1994;
ar. zitplaats: zitplaats als bedoeld
in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.
Artikel 1a
Onder de vermelding in dit besluit van
een EG-richtlijn of VN/ECE-reglement wordt verstaan hetgeen daaronder
wordt begrepen in artikel 1.2 van de Regeling voertuigen, met inbegrip
van de ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigen
bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling
voertuigen is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2
1.De regels van dit besluit betreffende
voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een
gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik
maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.
2.De regels van dit besluit betreffende
voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet
een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op
personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde
voertuigen.
3.De regels van dit besluit betreffende
wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde kolonnes,
optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.
Artikel 2a
De regels van dit besluit betreffende
motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn,
in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en
passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en
bestuurders en passagiers van brommobielen, tenzij anders is bepaald.
Artikel 2b
De regels van dit besluit betreffende
fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende
bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en
snorfietsers, tenzij anders is bepaald.
Hoofdstuk II. Verkeersregels
§ 1. Plaats op de weg
Artikel 3
1.Bestuurders zijn verplicht zoveel
mogelijk rechts te houden.
2.Fietsers mogen met zijn tweeën naast
elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.
Artikel 4
1.Voetgangers gebruiken het trottoir of
het voetpad.
2.Zij gebruiken het fietspad of het
fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.
3.Zij gebruiken de berm of de uiterste
zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een
fiets/bromfietspad ontbreekt.
4.In afwijking van het eerste en het
tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van
voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het
fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de
rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of
een voetpad ontbreekt.
Artikel 5
1. Fietsers gebruiken het verplichte
fietspad of het fiets/bromfietspad.
2. Zij gebruiken de rijbaan indien een
verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.
3. Zij mogen het onverplichte fietspad
gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een
verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken
met uitgeschakelde motor.
4. Bestuurders van fietsen op meer dan
twee wielen en fietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de
lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.
5. Bestuurders vanaf 16 jaar van
snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
subonderdeel d, van de wet die beschikken over een
gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen
kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten mogen het trottoir
en het voetpad gebruiken.
6. Bestuurders jonger dan 16 jaar van
snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
subonderdeel d, van de wet die beschikken over een
gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen
kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten gebruiken het
trottoir of het voetpad.
7. Het eerste lid, het tweede lid en
het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde
lid.
Artikel 6
1.Bromfietsers gebruiken het
fiets/bromfietspad.
2.Zij gebruiken de rijbaan indien een
fiets/bromfietspad ontbreekt.
3.Bestuurders van bromfietsen op meer
dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van
de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.
Artikel 7
Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig
gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het
fiets/bromfietspad of de rijbaan.
Artikel 8
1.Ruiters gebruiken het ruiterpad.
2.Zij gebruiken de berm of de rijbaan
indien een ruiterpad ontbreekt.
Artikel 9
Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken,
indien zij een kolonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.
Artikel 10
1.Andere bestuurders dan die genoemd in
de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en
voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is
om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het
parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken,
behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het
fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
2.Andere bestuurders dan fietsers en
bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met
doorgetrokken strepen niet gebruiken.
§ 2. Inhalen
Artikel 11
1.Inhalen geschiedt links.
2.Bestuurders die links voorgesorteerd
hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan,
worden rechts ingehaald.
3.Fietsers dienen elkaar links in te
halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.
4.Bestuurders die zich rechts van een
blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze
markering bevinden rechts inhalen.
5.Bestuurders mogen trams rechts
inhalen.
Artikel 12
Het is verboden een voertuig vlak voor of
op een voetgangersoversteekplaats in te halen.
§ 3. Files
Artikel 13
1.Bij fileverkeer behoeft, indien de
rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest
rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd.
2.Files mogen aan de rechterzijde
worden ingehaald.
§ 4. Oprijden van kruispunten
Artikel 14
Bestuurders mogen een kruispunt niet
blokkeren.
§ 5. Verlenen van voorrang
Artikel 15
1.Op kruispunten verlenen bestuurders
voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.
2.Op deze regel gelden de volgende
uitzonderingen:
a. bestuurders op een onverharde
weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg;
b. bestuurders verlenen voorrang
aan bestuurders van een tram.
§ 5a. Gedrag bij overwegen
Artikel 15a
1.Weggebruikers mogen een overweg
opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen
vrijmaken.
2.Bij overwegen laten weggebruikers een
spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij.
§ 6. Doorsnijden militaire kolonnes en
uitvaartstoeten van motorvoertuigen
Artikel 16
Weggebruikers mogen militaire kolonnes en
uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden.
§ 7. Afslaan
Artikel 17
1.Bestuurders die willen afslaan, mogen
voorsorteren door:
a. indien zij naar rechts willen
afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden;
b. indien zij naar links willen
afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij
rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel
mogelijk links te houden.
2.Bestuurders moeten alvorens af te
slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven.
Artikel 18
1.Bestuurders die afslaan, moeten het
verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg
zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor
laten gaan.
2.Bestuurders die naar links afslaan,
moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar
rechts afslaan voor laten gaan.
3.Het eerste en het tweede lid gelden
niet voor bestuurders van een tram.
§ 8. Maximumsnelheid
Artikel 19
De bestuurder moet in staat zijn zijn
voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg
kan overzien en waarover deze vrij is.
Artikel 20
Binnen de bebouwde kom gelden de volgende
maximumsnelheden:
a. voor motorvoertuigen 50 km per
uur;
b. voor bromfietsen en
gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:
1. op het fietspad of het
fiets/bromfietspad 30 km per uur;
2. op de rijbaan 45 km per uur;
c. voor gehandicaptenvoertuigen,
uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir
of het voetpad 6 km per uur.
Artikel 21
Buiten de bebouwde kom gelden de volgende
maximumsnelheden:
a. voor motorvoertuigen op
autosnelwegen 120 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op
andere wegen 80 km per uur;
b. voor bromfietsen en
gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:
1. op het fietspad of het
fiets/bromfietspad 40 km per uur;
2. op de rijbaan 45 km per uur;
c. voor gehandicaptenvoertuigen,
uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir
of het voetpad 6 km per uur.
Artikel 22
Voor zover niet ingevolge andere
artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor
de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:
a. voor kampeerwagens die volgens het
kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan
de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s
en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;
b. voor T100-bussen 100 km per uur;
c. voor landbouw- of bosbouwtrekkers
en motorvoertuigen met beperkte snelheid, als bedoeld in artikel 1.1
van de Regeling voertuigen, al dan niet met aanhangwagen, 25 km per
uur;
d. voor brommobielen 45 km per uur;
e. voor snorfietsen 25 km per uur;
f. voor personenauto’s, bestelauto’s,
motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een
aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500
kg voortbewegen, 90 km per uur;
g. voor andere dan de in onderdelen c
en f genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur.
Artikel 22a [Vervallen per 01-01-2011]
§ 9. Stilstaan
Artikel 23
1.De bestuurder mag zijn voertuig niet
laten stilstaan:
a. op een kruispunt of een overweg;
b. op een fietsstrook of op de
rijbaan langs een fietsstrook;
c. op een oversteekplaats of binnen
een afstand van vijf meter daarvan;
d. in een tunnel;
e. bij een bord bushalte ter hoogte
van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is
aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;
f. op de rijbaan langs een
busstrook en
g. langs een gele doorgetrokken
streep.
2.Onderdeel e van het eerste lid geldt
niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.
§ 10. Parkeren
Artikel 24
1. De bestuurder mag zijn voertuig niet
parkeren:
a. bij een kruispunt op een afstand
van minder dan vijf meter daarvan;
b. voor een inrit of een uitrit;
c. buiten de bebouwde kom op de
rijbaan van een voorrangsweg;
d. op een parkeergelegenheid:
1°. voor zover zijn voertuig
niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven
voertuigcategorie of groep voertuigen;
2°. op een andere wijze of met
een ander doel dan op het bord of op het onderbord is
aangegeven;
3°. op dagen of uren waarop
dit blijkens het onderbord is verboden;
e. langs een gele onderbroken
streep;
f. op een gelegenheid bestemd voor
het onmiddellijk laden en lossen van goederen;
g. op een parkeerplaats voor
vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I,
indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die
plaats is verleend.
2. Indien onder de verkeersborden E4
tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of
uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende
geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.
3. De bestuurder mag zijn voertuig niet
dubbel parkeren.
4. Indien een parkeergelegenheid,
aangeduid met een van de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van
bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken
worden geparkeerd.
Artikel 25
1. Het is verboden in een
parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als
zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van
een blauwe streep.
2. Op plaatsen die zijn voorzien van
een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan
twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig overeenkomstig
het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een duidelijk
zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een
voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.
3. Op de parkeerschijf staat het
tijdstip aangegeven waarop met parkeren is begonnen. Een parkeerschijf
voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van
aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt.
4. Bij het instellen mag het tijdstip
van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of
halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken.
5. Indien op een onderbord dagen of
uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts
gedurende die dagen of uren.
Artikel 26
1. Op een gehandicaptenparkeerplaats
mag slechts worden geparkeerd:
a. een gehandicaptenvoertuig,
indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van
een gehandicapte;
b. een motorvoertuig op meer dan
twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk
zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband
houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is
verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen
die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur
van die instelling is verstrekt; of
c. indien de
gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald
voertuig, dat voertuig.
2. Indien op een onderbord een maximale
parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn
voorzien van een blauwe streep.
§ 11. Het plaatsen van fietsen en
bromfietsen
Artikel 27
Fietsen en bromfietsen worden geplaatst
op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het
bevoegde gezag aangewezen plaatsen.
§ 12. Signalen en herkenningstekens
Artikel 28
Bestuurders mogen slechts geluidssignalen
en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.
Artikel 29
1. Bestuurders van motorvoertuigen in
gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij
diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen
van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren
blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om
kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.
2. De in het eerste lid genoemde
bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting
overdag knipperende koplampen voeren.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits-
of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen.
Artikel 30
1.Bestuurders van motorvoertuigen die
voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder
nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of
knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid, genoemde bestuurders
voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in
plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het
motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan
hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw
zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.
2.Bij ministeriële regeling worden
voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits-
of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze
signalen worden gevoerd.
Artikel 30a
1.Bestuurders van de in artikel 29,
eerste lid, bedoelde motorvoertuigen mogen onder nader aan te geven
omstandigheden extra richtingaanwijzers voeren.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld betreffende de in het eerste lid
bedoelde richtingaanwijzers en de omstandigheden waarin deze worden
gebruikt.
Artikel 30b
De artikelen 29 tot en met 30a zijn niet
van toepassing op Belgische en Duitse motorvoertuigen in gebruik bij
politie en brandweer, in gebruik bij diensten voor eerstelijns
spoedeisende hulpverlening alsmede motorvoertuigen van Belgische en
Duitse hulpverleningsdiensten, aangewezen bij of krachtens artikel 29,
eerste lid, mits deze voertuigen elk de signalen voeren overeenkomstig
de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels.
Artikel 30c
De motorvoertuigen die onderdeel uitmaken
van een uitvaartstoet van motorvoertuigen voeren een herkenningsteken.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het
herkenningsteken en de wijze waarop dit wordt gevoerd.
Artikel 31
Signalen mogen niet worden gegeven en de
in artikel 30c bedoelde herkenningstekens mogen niet worden gevoerd in
andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in
deze paragraaf is bepaald.
§ 13. Gebruik van lichten tijdens het
rijden
Artikel 32
1. Bestuurders van een motorvoertuig,
een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet, een
gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of
een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en
voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het
zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van
een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en
niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in
artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen bedoelde
lichten.
2. Het voeren van groot licht in plaats
van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:
a. bij dag;
b. bij het tegenkomen van een
andere weggebruiker en
c. bij het op korte afstand volgen
van een ander voertuig.
3. Achterlicht en de verlichting van de
achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht,
dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.
Artikel 33
Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag,
indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht,
verlichting van de achterkentekenplaat en het in de Regeling voertuigen
voorgeschreven stadslicht voeren.
Artikel 34
1.Bij mist, sneeuwval of regen, die het
zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en
van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren. In
dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren.
2.Bij mist of sneeuwval, die het zicht
beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht
worden gevoerd.
Artikel 35
1. Fietsers voeren tijdens het rijden
bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd,
verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.
2. Een fiets op twee wielen en een
fiets op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een
wit of geel licht dat aan de voorzijde wordt gevoerd, tenzij de
bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst.
3. Op een fiets op meer dan twee wielen
met twee voorwielen moeten aan de voorzijde twee witte of twee gele
symmetrisch links en rechts van het midden bevestigde lichten worden
gevoerd.
4. Een fiets moet zijn voorzien van een
rood achterlicht dat aan de achterzijde wordt gevoerd, tenzij de
bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood
licht voert op zijn rug.
5. Een fiets mag zijn voorzien van twee
ambergeel licht stralende richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee
aan de achterzijde.
6. Er mogen niet meer lichten worden
gevoerd op een fiets, door de bestuurder daarvan of door een achter de
bestuurder gezeten passagier dan de in het tweede tot en met vijfde
lid genoemde lichten.
Artikel 35a
1. De in artikel 35 bedoelde
verlichting mag andere weggebruikers niet verblinden.
2. De in artikel 35, eerste tot en met
vierde lid, bedoelde verlichting mag niet knipperen.
3. De in artikel 35, eerste tot en met
vierde lid, bedoelde verlichting moet:
a. aan de voorzijde voortdurend
zichtbaar zijn voor tegemoetkomende weggebruikers;
b. aan de achterzijde voortdurend
zichtbaar zijn voor van achteren naderende weggebruikers.
Artikel 35b
1. Bestuurders van een wagen voeren bij
dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en
achterlicht.
2. Bestuurders van een
gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, voeren bij
dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en
achterlicht indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of
het fiets-/bromfietspad.
Artikel 35c
De artikelen 35, eerste tot en met vierde
lid en zesde lid, en 35a zijn van overeenkomstige toepassing op
bestuurders van snorfietsen, zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet.
Artikel 36
Ruiters en geleiders van rij- of
trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt
belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of
geel licht en naar achteren rood licht moet stralen.
Artikel 37
Door voetgangers gevormde kolonnes en
optochten moeten buiten de bebouwde kom bij dag, indien het zicht
ernstig wordt belemmerd, en bij nacht aan de linker voorzijde een naar
alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker
achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn
meevoeren.
§ 14. Gebruik van lichten tijdens het
stilstaan
Artikel 38
Bestuurders van een motorvoertuig op meer
dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en
op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken,
parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het
zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht
voeren.
Artikel 39
Stilstaande aanhangwagens moeten buiten
de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen
gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij
dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht
en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.
Artikel 40
Stilstaande wagens moeten buiten de
bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt
belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren.
§ 15. Bijzondere lichten
Artikel 41
1. Onverminderd artikel 32, eerste lid,
mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren.
Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de
voorzijde van het voertuig gevoerd.
2. Bestuurders van een motorvoertuig
mogen tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bermlicht,
bochtlicht, hoeklicht, richtlicht, markeringslichten of staaklichten
voeren.
Artikel 41a
1. Verlichte transparanten die
informatie bieden over de bestemming of het gebruik van het voertuig
mogen worden gevoerd door:
a. personenauto’s, bedrijfsauto’s
en motorfietsen:
1°. in gebruik bij de politie;
2°. in gebruik bij de
brandweer;
3°. in gebruik bij
pechhulpdiensten;
4°. in gebruik bij
Rijkswaterstaat;
5°. die worden gebruikt door
artsen;
6°. die worden gebruikt voor
het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef;
7°. die worden gebruikt door
ambulancediensten waaraan krachtens de Wet ambulancevervoer
een vergunning is verleend voor het verrichten van
ambulancevervoer;
8°. van hulpverleningsdiensten
die zich in opdracht van een meldkamer als bedoeld in artikel
35 van de Wet veiligheidsregio’s bezighouden met het
verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening;
b. autobussen van openbaar
vervoerdiensten;
c. bedrijfsauto’s van
transportbegeleiders;
d. personen- en bedrijfsauto’s
ingericht als dierenambulance;
e. taxi’s.
2. Personenauto’s, bedrijfsauto’s
en motorfietsen die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht
of het afleggen van een rijproef mogen slechts zijn voorzien van een
verlicht transparant die de ingevolge het Reglement rijbewijzen
voorgeschreven letter «L» weergeeft.
3. Onverminderd het eerste lid mogen:
a. verlichte transparanten die
worden gevoerd door de voertuigen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 4° en onderdeel c, aanwijzingen
weergeven voor het overige wegverkeer,
b. taxi’s zijn voorzien van
verlichte transparanten die de volgende informatie weergeven:
1°. tarieven;
2°. naam van het taxibedrijf;
en
3°. telefoonnummer van het
taxibedrijf.
4. Taxi’s die zijn voorzien van
verlichte transparanten die tarieven weergeven, mogen deze verlichting
slechts voeren wanneer zij zich op een taxistandplaats bevinden.
5. Verlichte transparanten worden niet
gevoerd door andere voertuigen dan genoemd in het eerste lid en worden
niet gevoerd op een andere wijze dan bepaald in het eerste tot en met
vierde lid.
§ 16. Autosnelwegen en autowegen
Artikel 42
1.Het gebruik van de autosnelweg is
slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met
een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.
2.Het gebruik van de autoweg is slechts
toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een
snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden.
Artikel 43
1.Het is de bestuurders verboden op een
autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.
2.Het is de bestuurders voorts verboden
op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten
stilstaan.
3.Behoudens in noodgevallen is het de
weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken
van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.
4.Op een autosnelweg is het bestuurders
van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7
meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer
rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te
gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten
voorsorteren.
§ 17. Erven
Artikel 44
Voetgangers mogen wegen gelegen binnen
een erf over de volle breedte gebruiken.
Artikel 45
Bestuurders mogen binnen een erf niet
sneller rijden dan stapvoets.
Artikel 46
1.Het is bestuurders van een
motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op
parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.
2.Indien het erf tevens is aangeduid
als parkeerschijf-zone, is ten aanzien van het parkeren van voertuigen
artikel 25 van toepassing.
§ 18. Rotondes
Artikel 47
Het is bestuurders van een motorvoertuig
en bromfietsers die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op
rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden.
Artikel 48
Het is bestuurders toegestaan vlak voor
of op rotondes rechts in te halen.
§ 19. Voetgangers
Artikel 49
1. Bestuurders moeten blinden, voorzien
van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle
personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.
2. Bestuurders moeten voetgangers en
bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een
voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan
zulks te doen, voor laten gaan.
3. Het tweede lid geldt niet voor
bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire
kolonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.
4. Het tweede lid geldt evenmin, indien
voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig
een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in
artikel 74, tweede lid, van toepassing is.
§ 20. Voorrangsvoertuigen
Artikel 50
Weggebruikers moeten bestuurders van een
voorrangsvoertuig voor laten gaan.
§ 21. Loslopend vee
Artikel 51
1.Het is verboden rij- of trekdieren of
vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.
2.Het eerste lid geldt niet ten aanzien
van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.
§ 22. In- en uitstappende passagiers
Artikel 52
Bestuurders die een stilstaande tram of
autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en
uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven.
§ 23. Slepen
Artikel 53
Het is bestuurders van een motorvoertuig
verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de
achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het
gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.
§ 24. Bijzondere manoeuvres
Artikel 54
Bestuurders die een bijzondere manoeuvre
uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg
oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de
doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook
oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor
laten gaan.
Artikel 55
Bestuurders van een motorvoertuig
respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer
geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm
geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een
motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en
verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle
andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.
Artikel 56
1. Binnen de bebouwde kom moeten
bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van
een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door
het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om
weg te rijden kenbaar maakt.
2. Het eerste lid geldt niet voor
bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire
kolonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.
§ 25. Onnodig geluid
Artikel 57
Bestuurders van een motorvoertuig,
bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid
veroorzaken.
§ 26. Gevarendriehoek
Artikel 58
1.Stilstaande motorvoertuigen op meer
dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een
gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door
naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.
2.De gevarendriehoek moet goed
zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30
meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het
voertuig gevaar oplevert.
3.Het eerste lid geldt niet wanneer
knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.
§ 26a. Zitplaatsen
Artikel 58a
1. Tijdens deelname aan het verkeer
zitten bestuurders en passagiers op de voor hen bestemde zitplaatsen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. staande passagiers van
autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is
toegestaan;
b. passagiers van autobussen zonder
staanplaatsen bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet;
c. passagiers die worden vervoerd
overeenkomstig artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d;
d. passagiers, jonger dan 3 jaar,
in autobussen;
e. passagiers jonger dan 18 jaar en
met een lengte van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een
voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt
van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is
bevestigd en is voorzien van autogordels;
f. het vervoer van passagiers die
gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in artikel 59, vierde
lid;
g. het vervoer van één persoon
van 8 jaar of ouder op de bagagedrager door fietsers met
uitzondering van snorfietsers.
h. passagiers die gebruik maken van
een ligplaats, indien op één ligplaats ten hoogste één
passagier is gelegen.
3. In afwijking van het eerste lid
worden op fietsen en bromfietsen passagiers jonger dan 8 jaar alleen
vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige
voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten.
4. Het is bestuurders verboden
passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is
voorgeschreven.
§ 27. Autogordels en
kinderbeveiligingssystemen
Artikel 59
1. Bestuurders van een personenauto,
een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten
carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de
voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18
jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van
een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van
een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet.
Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn
van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers
vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn.
2. Met een personenauto, een
bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of
een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of
kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen
passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in
de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter
op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.
3. Passagiers die jonger zijn dan 18
jaar, worden niet in een naar achteren gericht
kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een
voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of
automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.
4. Het eerste lid geldt niet voor
passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden
vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een
wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de
rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van de
veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig of van het
systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is
bevestigd, tenzij gebruik gemaakt wordt van een door Onze Minister
aangewezen constructie.
5. Het eerste lid, tweede volzin, en
het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s.
In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden
passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder
dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste
zitplaatsen vervoerd.
6. Het eerste lid voor zover dat op
bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het
vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet
personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in
taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is
gesloten als bedoeld in artikel 84, derde lid, van die wet, of anders
dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor
rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de
Regeling voertuigen.
7. De autogordel of het
kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de
beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan
beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18
jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van
een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door
middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder
wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere
eisen stellen.
8. Het is bestuurders van de in het
eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar
en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een
andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.
9. Het eerste lid geldt niet voor
passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken,
indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde
veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het
systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is
bevestigd.
Artikel 59a
1. Bestuurders van een autobus en hun
passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het
kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij
zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het
verkeer.
2. Passagiers van een autobus die in
beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken
van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich
op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer.
Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren:
a. door de bestuurder, de
conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen
persoon;
b. door audiovisuele middelen;
c. door opschriften of het volgende
pictogram:
_001.gif)
Het pictogram wordt bij
gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht.
3. In afwijking van het eerste lid
behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande
passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en
behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling
stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen
beveiligingssysteem te gebruiken.
4. Het is bestuurders van een autobus
verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere
wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.
5. Het eerste lid geldt niet voor
passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken,
indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde
veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het
systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is
bevestigd.
Artikel 59b
1.In afwijking van artikel 59, eerste
en achtste lid, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in
personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van
twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde
kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen
in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met
een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een
autogordel gebruikt. Artikel 59, zevende lid, is van toepassing.
2.In afwijking van artikel 59, eerste
lid, tweede volzin, en achtste lid, mogen in incidentele gevallen en
over korte afstand in personenauto's en bestelauto's op andere dan de
voorste zitplaatsen passagiers die 3 jaar of ouder zijn en met een
lengte van minder dan 1,35 meter worden vervoerd wanneer deze
passagiers een autogordel gebruiken. Dit geldt niet met betrekking tot
passagiers waarvan een ouder de auto bestuurt dan wel daarvan eigenaar
of houder is.
§ 28. Helmen
Artikel 60
1.De bestuurder en de passagiers van
bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en
driewielige motorvoertuigen moeten een goed passende helm dragen, die
door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is
bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in
artikel 22, vierde lid, van de wet.
2.Het eerste lid geldt niet voor:
a. de bestuurder en de passagiers
van een snorfiets;
b. de bestuurder en de achter hem
zittende passagier van een brombakfiets;
c. de bestuurder of de passagier
van een door de Dienst Wegverkeer aangewezen type bromfiets, niet
zijnde een brommobiel, of motorfiets van wie de zitplaats
beschermd wordt door een veiligheidscel en voorzien is van
autogordels. Bij de aanwijzing kan onderscheid gemaakt worden
tussen de bestuurder en de passagiers ten aanzien van de gelding
van het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld betreffende de eisen waaraan een type bromfiets of
motorfiets moet voldoen om te kunnen worden aangewezen. Deze
regels zien in elk geval op de eisen die gesteld worden aan de
veiligheidscel en de autogordels;
d. de bestuurder of de passagiers
van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig
motorvoertuig, van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat
motorvoertuig is voorzien van bevestigingspunten voor autogordels
overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG, zoals deze gold
op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en van
autogordels die voldoen aan het bepaalde in artikel 5.2.47, vijfde
en zesde lid, van de Regeling voertuigen.
3.Het is bestuurders verboden
passagiers beneden de twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze
dan in dit artikel is voorgeschreven.
§ 29 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 61 [Vervallen per 01-07-2010]
§ 30. Gebruik van mobiele
telecommunicatieapparatuur
Artikel 61a
Het is degene die een motorvoertuig,
bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een
motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te
houden.
§ 31. Vervoer van personen in of op
aanhangwagens en in laadruimten
Artikel 61b
1.Het is verboden personen te vervoeren
in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets
en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. op het vervoer van personen in
de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het
vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen
in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op
het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer.
b. op het vervoer van personen in
de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en
brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen
hulpverleningsdiensten;
c. op het vervoer van een persoon
op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een
bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig
of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt
voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken
voertuig als hier bedoeld, voor wie geen zitplaats in het
trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is;
d. in het geval het vervoer van
personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht
waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening
is afgegeven.
Hoofdstuk III. Verkeerstekens
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 62
Weggebruikers zijn verplicht gevolg te
geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.
Artikel 63
Verkeerstekens gaan boven verkeersregels,
voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.
Artikel 63a
Tijdelijke geplaatste of toegepaste
verkeerstekens op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere
verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens
onverenigbaar zijn.
Artikel 63b
1.Wanneer verkeerstekens die een
maximumsnelheid aanduiden een hogere snelheid aangeven dan :
a. de in de artikelen 20, onderdeel
b, 21, onderdeel b, en 22 vastgestelde maximumsnelheden, of
b. de ingevolge een ministeriële
regeling krachtens artikel 86a geldende maximumsnelheid, of
c. de in artikel 45 aangegeven
snelheid,
geldt de laagste aangegeven snelheid.
2.Indien zowel door verkeerstekens op
borden als door elektronische signaleringsborden een maximumsnelheid
wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.
Artikel 64
Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens
die de voorrang regelen.
§ 2. Verkeersborden
Artikel 64a
Verkeersborden mogen op een elektronisch
signaleringsbord worden weergegeven.
Artikel 65
1.Ingeval een weg is verdeeld in
rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot
één of meer rijstroken.
2.De verkeersborden E1, E2 en E3 van
bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn
geplaatst.
3.Het parkeren van een voertuig en het
plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de
daartoe bestemde weggedeelten.
Artikel 66
1.Indien boven een verkeersbord het
woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de
zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide
gebied.
2.Indien boven een verkeersbord het
woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de
zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het
verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord
geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing, als bord E 10 van bijlage 1 is geplaatst.
Artikel 67
1.Onder verkeersborden aangebrachte
onderborden kunnen inhouden:
a. een nadere uitleg van het
verkeersbord;
b. ingeval op een onderbord
uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts
voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide
verkeersgedrag;
c. ingeval op een onderbord het
woord "uitgezonderd" in combinatie met symbolen
voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide
weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag.
2.Indien het beoogde verkeersgedrag
wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in
combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het
onderbord.
3.Symbolen op onderborden hebben
dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opgenomen.
§ 3. Verkeerslichten
Artikel 68
1.Bij driekleurige verkeerslichten
betekent:
a. groen licht: doorgaan;
b. geel licht: stop; voor
bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen
redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
c. rood licht: stop.
2.Indien in een driekleurig
verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht
een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de
door de pijl aangegeven richting.
3.Indien een verlichte afbeelding van
een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op
een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.
4.Bestuurders van een motorvoertuig dat
behoort tot een militaire kolonne die het verkeerslicht bij groen
licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een
andere kleur licht zichtbaar is geworden.
5.Indien onder of bij een driekleurig
verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor
(brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij»
gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers,
bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig
respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een
gehandicaptenvoertuig.
6.Zij dienen alsdan het overige verkeer
ter plaatse voor te laten gaan.
7.Ingeval een weg is verdeeld in
rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een
verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat
geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de
aangeduide rijstrook.
Artikel 69
1.Bij tweekleurige verkeerslichten
betekent:
a. geel licht: stop; voor
bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen
redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
b. rood licht: stop.
2.Het tweede tot en met zevende lid van
artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 70
1.Bij tram/buslichten betekent:
a. wit licht of wit knipperlicht:
doorgaan;
b. geel licht: stop; voor
bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen
redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
c. rood licht: stop.
2.Het witte licht en het witte
knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen.
3.De tram/buslichten gelden voor
bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen
waarop het licht betrekking heeft.
4.De tram/buslichten gelden tevens voor
bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan
of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft.
Artikel 71
Bij overweglichten betekent:
a. wit knipperlicht: er nadert geen
trein;
b. rood knipperlicht: stop.
Artikel 72
Bij bruglichten betekent rood licht of
rood knipperlicht: stop.
Artikel 73
Bij rijstrooklichten betekent:
a. groene pijl of maximumsnelheid,
aangeduid door bord A3 van bijlage I: de rijstrook mag worden
gebruikt;
b. rood kruis: de rijstrook mag niet
worden gebruikt. De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden
gebruikt;
c. witte pijl: voorwaarschuwing rood
kruis;
d. het woord «BUS»: de rijstrook
mag slechts gebruikt worden door bestuurders van een lijnbus en
bestuurders van een autobus;
e. het woord «LIJNBUS»: de
rijstrook mag slechts worden gebruikt door bestuurders van een
lijnbus.
Artikel 74
1.Bij voetgangerslichten betekent:
a. groen licht: voetgangers mogen
oversteken;
b. groen knipperend licht:
voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoedig;
c. rood licht: voetgangers mogen
niet meer beginnen over te steken; reeds overstekende voetgangers
moeten zo snel mogelijk doorlopen.
2.Indien het rode licht is vervangen
door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75, mogen
voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor
laten gaan.
Artikel 75
Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk
punt; voorzichtigheid geboden.
§ 4. Verkeerstekens op het wegdek
Artikel 76
1. Een doorgetrokken streep die zich
niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden
overschreden.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing als:
a. de streep wordt overschreden om
een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook
of spitsstrook te bereiken of te verlaten;
b. aan de zijde vanwaar men de
streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht;
c. zich een doorgetrokken streep
bevindt tussen rijstroken voor verkeer in tegenovergestelde
richtingen en aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een
onderbroken streep is aangebracht;
d. zich een doorgetrokken streep
bevindt tussen een rijstrook en een fietsstrook, voor bestuurders
die ingevolge artikel 10, tweede lid, de fietsstrook mogen
gebruiken.
Artikel 77
1. Bestuurders mogen
verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een
splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing wanneer bestuurders rechtmatig een busbaan of busstrook
volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of
rijbanen passeert.
Artikel 78
1.Bestuurders die de rijbaan volgen
zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de
voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een
voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze
voorsorteerstrook.
2.Bestuurders die de doorgaande rijbaan
verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de
daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de
uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft.
Artikel 79
Bestuurders moeten voor een voor hen
bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is
verplicht.
Artikel 80
Haaietanden hebben de volgende betekenis:
de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende
weg.
Artikel 81
Busbanen en busstroken waarop het woord
«BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders
van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop
het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door
bestuurders van een lijnbus of een tram.
Hoofdstuk IV. Aanwijzingen
§ 1. Verplichtingen weggebruikers
Artikel 82
1.Weggebruikers zijn verplicht de
aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren
worden gegeven door:
a. de daartoe bevoegde en als
zodanig kenbare ambtenaren,
b. de militairen van de Koninklijke
Marechaussee voor zover niet behorend tot de in onderdeel a
bedoelde ambtenaren,
c. de daartoe bevoegde en als
zodanig kenbare verkeersregelaars, en
d. de personen die optreden tijdens
de praktijklessen of het praktijkexamen in het kader van een
opleiding tot verkeersregelaar of een cursus voor
verkeersregelaars, voor de duur van deze praktijklessen of dit
praktijkexamen en voor zover gebruik wordt gemaakt van de bij
ministeriële regeling voor verkeersregelaars voorgeschreven
kleding.
2.Bij het geven van aanwijzingen door
middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II
vastgestelde aanwijzingen gegeven.
3.Bestuurders zijn tevens verplicht de
in bijlage II, onderdeel 8, vastgestelde aanwijzing om te stoppen op
te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig
kenbare verkeersbrigadiers.
4.Weggebruikers zijn voorts verplicht
te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een
stopteken volgens model F10 van bijlage 1, een rode vlag of een rode
lamp wordt getoond.
Artikel 82a
Weggebruikers zijn voorts verplicht de
aanwijzingen op te volgen die worden gegeven door middel van de
verlichte transparanten op personenauto’s, bedrijfsauto’s en
motorfietsen in gebruik bij de in artikel 41a, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° en 4°, genoemde diensten en op bedrijfsauto’s van
transportbegeleiders.
Artikel 83
Weggebruikers zijn voorts verplicht te
stoppen indien hen een stopteken wordt getoond dat bestaat uit een rode
lamp dan wel uit een aan een voertuig van de politie of van
weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat aangebracht verlicht
transparant, waarin de woorden "stop" of "stop
politie" in rode letters tegen donkere achtergrond worden verlicht.
§ 2. Rangorde aanwijzingen,
verkeerstekens en verkeersregels
Artikel 84
Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en
verkeersregels.
Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen ten
behoeve van gehandicapten
§ 1. Uitzonderingen voor gehandicapten
Artikel 85
1.Op bestuurders van een motorvoertuig
op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven
wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is
aangebracht, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd
dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62,
voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.
2.Op bestuurders van
gehandicaptenvoertuigen, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt
geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, en
62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.
3.In de gevallen, waarin niet langer
dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig
overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien
van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat
aangegeven waarop met parkeren is begonnen.
§ 2. Buiten Nederland afgegeven
gehandicaptenparkeerkaarten
Artikel 86
Met een gehandicaptenparkeerkaart worden
gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland
afgegeven parkeerkaarten voor gehandicapten, voor zover deze bij
ministeriële regeling zijn aangewezen.
Hoofdstuk VA. Tijdelijke verlaging
maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer
Artikel 86a
1.In geval van een ernstige verstoring
van de olieaanvoer kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald
dat op autosnelwegen en op autowegen, in afwijking van artikel 21,
aanhef en onderdeel a, voor motorvoertuigen een maximumsnelheid geldt
van 90 kilometer per uur.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op vrachtauto’s, motorvoertuigen met aanhangwagen of autobussen,
niet zijnde T100-bussen.
3.Onze Minister stelt de regeling, als
bedoeld in het eerste lid, vast in overeenstemming met Onze Ministers
van Justitie en van Economische Zaken.
4.De regeling, als bedoeld in het
eerste lid, vervalt uiterlijk met ingang van de eerste dag van de
vijfde kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding.
Artikel 86b
Het is de bestuurders van de in artikel
86a, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen verboden de ingevolge artikel
86a bepaalde maximumsnelheid te overschrijden.
Hoofdstuk VB. Milieuzones
Artikel 86c
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
a. datum van de eerste toelating
tot het verkeer: datum van de eerste toelating van een
motorvoertuig tot het verkeer op de weg zoals vastgesteld
ingevolge bijlage II bij de Regeling voertuigen;
b. dieselmotor: motor die werkt
volgens het principe van ontsteking door compressie;
c. roetfilter: roetfilter als
bedoeld in de Regeling typegoedkeuring roetfilters;
d. richtlijn 88/77/EEG: richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987
inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de
lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van
verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met
compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen
door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren
met elektrische ontsteking (PbEG 1988, L36), zoals deze gold tot 9
november 2006 en laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr 96/1/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 22 januari 1996 (PbEG L
040);
e. richtlijn 2005/55/EG: richtlijn
van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake
de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met
betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende
gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking (PbEG
2005, L 275);
f. Euronorm II: richtlijn 88/77/EEG
(de grenswaarden in regel B van punt 6.2.1 dan wel punt 8.3.1.1
van bijlage I bij die richtlijn);
g. Euronorm III: richtlijn
2005/55/EG (de grenswaarden in rij A van de tabellen in punt 6.2.1
van bijlage I bij die richtlijn);
h. Euronorm IV: richtlijn
2005/55/EG (de grenswaarden in rij B1 van de tabellen in punt
6.2.1 van bijlage I bij die richtlijn);
2. Een wijziging van de in het eerste
lid, onderdeel e, genoemde richtlijn gaat voor de toepassing van
artikel 86d gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 86d
1. De geslotenverklaring krachtens bord
C22a van bijlage I is niet van toepassing:
a. tot 1 januari 2010 op vrachtauto’s,
1°. waarvan de dieselmotor
blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of
2°. waarvan de dieselmotor
blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs voldoet aan Euronorm II of III, en die blijkens
de aantekening in het kentekenregister zijn uitgerust met een
roetfilter, of
3°. die niet worden
aangedreven door een dieselmotor.
b. vanaf 1 januari 2010 tot 1 juli
2013 op vrachtauto’s,
1°. waarvan de dieselmotor
blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of
2°. waarvan de dieselmotor
blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs voldoet aan Euronorm III en, waarvoor geldt dat
sedert de datum van de eerste toelating tot het verkeer niet
meer dan acht jaar zijn verstreken, en die voorts blijkens de
aantekening in het kentekenregister zijn uitgerust met een
roetfilter, of
3°. die niet worden
aangedreven door een dieselmotor.
c. vanaf 1 juli 2013 op vrachtauto’s,
1°. waarvan de dieselmotor
blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of
2°. die niet worden
aangedreven door een dieselmotor.
2. Vrachtauto’s waarvan ten aanzien
van de emissienorm geen aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs aanwezig is, worden voor de toepassing van het eerste
lid geacht:
a. te voldoen aan Euronorm II,
wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na
30 september 1995, maar voor 1 oktober 2000 ligt;
b. te voldoen aan Euronorm III,
wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na
30 september 2000, maar voor 1 oktober 2005 ligt;
c. ten minste te voldoen aan
Euronorm IV, wanneer blijkens de aantekening in het
kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste
toelating tot het verkeer na 30 september 2005 ligt.
Hoofdstuk VI. Ontheffingen en
vrijstellingen
§ 1. Algemeen
Artikel 87
Door het bevoegd gezag kan ontheffing
worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede
lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26,
42, 43, 46, 53, 61b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de
verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22a, D2, D4 tot en met
D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen
73, 76, 77, 78, 81 en 98.
§ 2. Autogordels en
kinderbeveiligingssystemen
Artikel 88
1.Indien op grond van medische noodzaak
toepassing wordt gevraagd van artikel 149, tweede lid, van de wet voor
wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels
en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van
een arts worden verlangd.
2.De ontheffing vermeldt een
geldigheidsduur van maximaal twintig jaar.
3.Op de ontheffing wordt het symbool
zoals aangeduid in artikel 5 van de richtlijn nr 91/671/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende
het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder
dan 3,5 ton (PbEG L 373) aangebracht.
4.Een wijziging van de richtlijn nr
91/671/EEG gaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang
van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven.
5.De aan de behandeling van de aanvraag
van een ontheffing van het gebruik van autogordels en
kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de
aanvrager gebracht.
§ 3
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 4
Artikel 90 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 5. Voorrangsvoertuigen
Artikel 91
Bestuurders van een voorrangsvoertuig
mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de
uitoefening van hun taak dit vereist.
Hoofdstuk VII. Strafbepalingen
Artikel 92
1. Overtreding van de artikelen 3 tot
en met 12, 14 tot en met 27, 30, eerste lid, 31 tot en met 43, 45, 46,
49 tot en met 61b, 62, met uitzondering van verkeersbord C22 van
bijlage 1, 68, zesde lid, 74, tweede lid, 82, 82a, 83 en 86b is een
strafbaar feit.
2. Bij de veroordeling van de
bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser
wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de
bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen
voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
Hoofdstuk VIII. Overgangsbepalingen
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 95 [Vervallen per 01-05-2009]
Artikel 96
1.De in de rechterkolom genoemde borden
volgens het model van bijlage 2, behorende bij het met ingang van 1
november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens
(Stb. 1966, 181), blijven van kracht. Zij hebben de betekenis die is
toegekend aan de overeenkomstige in de linker kolom genoemde borden
opgenomen in bijlage 1 van het RVV 1990.
2.In afwijking van het eerste lid
behouden de in de rechter kolom genoemde borden 46 en 47 de betekenis
die daaraan is toegekend in het in het eerste lid, eerste volzin,
genoemde reglement. Zij blijven van kracht tot 1 januari 2009.
|
Bijlage I RVV 1990 |
Bijlage II RVV 1966 |
|
A1 |
1 |
|
A2 |
2 |
|
A4 |
1a (eerste model) |
|
A5 |
2a (eerste model) |
|
B1 |
6 |
|
B2 |
7 |
|
B3 |
8 |
|
B4 |
8 (uitgevoerd conform onderschrift) |
|
B5 |
8 (uitgevoerd conform onderschrift) |
|
B7 |
10 |
|
C3 |
13 |
|
C4 |
14 |
|
C6 |
17 |
|
C7 |
17a |
|
C8 |
17b |
|
C10 |
18 |
|
C11 |
19 |
|
C12 |
20 |
|
C13 |
21 |
|
C14 |
22 |
|
C15 |
23 |
|
C16 |
27 |
|
C17 |
32 |
|
C18 |
33 |
|
C19 |
34 |
|
C20 |
35 |
|
C21 |
36 |
|
C22 |
98a |
|
D1 |
15 |
|
D2 |
16 |
|
D3 |
63 |
|
D4 tot en met D6 |
46 en 47 |
|
E3 |
52 |
|
E4 |
99 |
|
E5 |
54a |
|
E6 |
54b en 54c |
|
E7 |
54d |
|
E8 |
99 (met onderbord waarop de
betrokken categorie is aangegeven) |
|
E9 |
99a |
|
E10 |
53 |
|
E11 |
54 |
|
F1 |
40 |
|
F2 |
41 |
|
F3 |
42 |
|
F4 |
43 |
|
F5 |
44 |
|
F6 |
45 |
|
F7 |
48 |
|
F8 |
55 |
|
G1 |
57a |
|
G2 |
58a |
|
G3 |
57b |
|
G4 |
58b |
|
G5 |
57c |
|
G6 |
58c |
|
G7 |
61 |
|
G11 |
59 |
|
G13 |
60 |
|
H1 |
3 en 4 |
|
H2 |
5 |
|
J2 |
66 |
|
J3 |
67 |
|
J4 |
69 |
|
J5 |
68 |
|
J1 |
73 |
|
J15 |
79 |
|
J16 |
80 |
|
J20 |
82 |
|
J21 |
83 |
|
J22 |
84 |
|
J23 |
84 |
|
J24 |
87 |
|
J25 |
85 |
|
J26 |
86 |
|
J27 |
88 |
|
J28 |
89 |
|
J29 |
91 |
|
J31 |
93 |
|
J33 |
94a |
|
J34 |
94b |
|
J35 |
94c |
|
J37 |
90 |
|
K14 |
98 |
|
L2 |
96 |
|
L3 |
102 |
|
L4 |
100 |
|
L8 |
101, onderdeel a |
|
L9 |
101, onderdeel b |
Artikel 97
Bewegwijzeringsborden, geplaatst voor 1
november 1991, blijven van kracht totdat zij door in bijlage I
vastgestelde borden zijn vervangen.
Artikel 98 [Vervallen per 01-05-2009]
Artikel 99 [Vervallen per 01-01-1995]
Hoofdstuk IX. Wijziging van het
wegenverkeersreglement
Artikel 100 [Vervallen per 01-01-1995]
Hoofdstuk X. Wijziging van de bijlage,
behorende bij het Wegenverkeersreglement
Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1995]
Hoofdstuk XI. Wijziging van andere
Besluiten
Artikel 102 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 103 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 105 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 106 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 107 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 108 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 109 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 110 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 111 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 114 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 115 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 116 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 118 [Vervallen per 01-01-1995]
Hoofdstuk XII. Intrekking RVV 1966
Artikel 119 [Vervallen per 01-01-1995]
Hoofdstuk XIII. Inwerkingtreding
Artikel 120
De artikelen van dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
gesteld.
Hoofdstuk XIV. Citeertitel
Artikel 121
Dit besluit kan worden aangehaald als
"Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" of als
"RVV 1990".
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State.
Tavarnelle, 26 juli
1990
BEATRIX
De Minister van
Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de elfde
oktober 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage 1.
Verkeersborden
Hoofdstuk A. Snelheid
|
Bord
|
Omschrijving
|
A1
|
|
|
Maximumsnelheid
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
A2
|
|
|
Einde
maximumsnelheid
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
A3
|
|
|
Maximumsnelheid
op een elektronisch signaleringsbord
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
A4
|
|
|
Adviessnelheid
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
A5
|
|
|
Einde
adviessnelheid
|
|
Hoofdstuk B. Voorrang
|
Bord
|
Omschrijving
|
B1
|
|
|
Voorrangsweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
B2
|
|
|
Einde
voorrangsweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
B3
|
|
|
Voorrangskruispunt
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
B4
|
|
|
Voorrangskruispunt;
zijweg links
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
B5
|
|
|
Voorrangskruispunt;
zijweg rechts
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
B6
|
|
|
Verleen voorrang
aan bestuurders op de kruisende weg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
B7
|
|
|
Stop; verleen
voorrang aan bestuurders op de kruisende weg
|
|
Hoofdstuk C.
Geslotenverklaring
|
Bord
|
Omschrijving
|
C1
|
|
|
Gesloten in
beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van
rij- of trekdieren of vee
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C2
|
|
|
Eenrichtingsweg,
in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en
geleiders van rij- of trekdieren of vee
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C3
|
|
|
Eenrichtingsweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C4
|
|
|
Eenrichtingsweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C5
|
|
|
Inrijden
toegestaan
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C6
|
|
|
Gesloten voor
motorvoertuigen op meer dan twee wielen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C7
|
|
|
Gesloten voor
vrachtauto's
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C7a
|
|
|
Gesloten voor
autobussen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C7b
|
|
|
Gesloten voor
vrachtauto's en autobussen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C8
|
|
|
Gesloten voor
motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden
dan 25 km/h
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C9
|
|
|
Gesloten voor
ruiters, vee, wagens, motorvoertuigen die niet sneller
kunnen of mogen rijden dan 25 km/h en brommobielen alsmede
fietsen, bromfietsen en gehandicapten
voertuigen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C10
|
|
|
Gesloten voor
motorvoertuigen met aanhangwagen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C11
|
|
|
Gesloten voor
motorfietsen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C12
|
|
|
Gesloten voor
alle motorvoertuigen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C13
|
|
|
Gesloten voor
bromfietsen, snorfietsen en gehandicapten
voertuigen, met
in werking zijnde motor
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C14
|
|
|
Gesloten voor
fietsen en voor gehandicapten
voertuigen zonder motor
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C15
|
|
|
Gesloten voor
fietsen, bromfietsen en gehandicapten
voertuigen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C16
|
|
|
Gesloten voor
voetgangers
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C17
|
|
|
Gesloten voor
voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met
inbegrip van de lading, langer zijn dan op het bord is
aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C18
|
|
|
Gesloten voor
voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn
dan op het bord is aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C19
|
|
|
Gesloten voor
voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan
op het bord is aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C20
|
|
|
Gesloten voor
voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is
aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C21
|
|
|
Gesloten voor
voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de
totaalmassa hoger is dan op het bord is aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C22
|
|
|
Gesloten voor
voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C22a
|
|
Gesloten voor
vrachtauto’s die niet voldoen aan de eisen, genoemd in
artikel 86d
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C22b
|
|
Einde
geslotenverklaring voor vrachtauto’s die niet voldoen
aan de eisen, genoemd in artikel 86d
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C23-01
|
|
|
Spitsstrook open
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C23-02
|
|
|
Spitsstrook
vrijmaken
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
C23-03
|
|
|
Einde
spitsstrook
|
|
Hoofdstuk D.
Rijrichting
|
Bord
|
Omschrijving
|
D1
|
|
|
Rotonde;
verplichte rijrichting
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
D2
|
|
|
Gebod voor alle
bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de
pijl aangeeft
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
D3
|
|
|
Bord mag aan
beide zijden worden voorbijgegaan
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
D4
|
|
|
Gebod tot het
volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
D5
|
|
|
Gebod tot het
volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
D6
|
|
|
Gebod tot het
volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn
aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
D7
|
|
|
Gebod tot het
volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn
aangegeven
|
|
Hoofdstuk E. Parkeren
en stilstaan
|
Bord
|
Omschrijving
|
E1
|
|
|
Parkeerverbod
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E2
|
|
|
Verbod stil te
staan
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E3
|
|
|
Verbod fietsen
en bromfietsen te plaatsen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E4
|
|
|
Parkeergelegenheid
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E5
|
|
|
Taxistandplaats
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E6
|
|
|
Gehandicaptenparkeerplaats
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E7
|
|
|
Gelegenheid
bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E8
|
|
|
Parkeergelegenheid
alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep
voertuigen die op het bord is aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E9
|
|
|
Parkeergelegenheid
alleen bestemd voor vergunninghouders
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E10
|
|
|
Parkeerschijfzone
met verplicht gebruik van parkeerschijf, tevens
parkeerverbod indien er langer wordt geparkeerd dan de
parkeerduur die op het bord is aangegeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E11
|
|
|
Einde
parkeerschijfzone met verplicht gebruik van parkeerschijf
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E12
|
|
|
Parkeergelegenheid
ten behoeve van overstappers op het openbaar vervoer
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
E13
|
|
|
Parkeergelegenheid
ten behoeve van carpoolers
|
|
Hoofdstuk F. Overige
geboden en verboden
|
Bord
|
Omschrijving
|
F1
|
|
|
Verbod voor
motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F2
|
|
|
Einde verbod
voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F3
|
|
|
Verbod voor
vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F4
|
|
|
Einde verbod
voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F5
|
|
|
Verbod voor
bestuurders door te gaan bij nadering van verkeer uit
tegengestelde richting
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F6
|
|
|
Bestuurders uit
tegengestelde richting moeten verkeer dat van deze
richting nadert voor laten gaan
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F7
|
|
|
Keerverbod
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F8
|
|
|
Einde van alle
door verkeersborden aangegeven verboden
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F9
|
|
|
Einde van alle
door verkeersborden aangegeven verboden en adviezen op een
elektronisch signaleringsbord
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
F10
|
|
|
Stop. In het
bord kan worden aangegeven door wie of waarom het bord
wordt toegepast
|
|
Hoofdstuk G.
Verkeersregels
|
Bord
|
Omschrijving
|
G1
|
|
|
Autosnelweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G2
|
|
|
Einde autosnelweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G3
|
|
|
Autoweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G4
|
|
|
Einde autoweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G5
|
|
|
Erf
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G6
|
|
|
Einde erf
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G7
|
|
|
Voetpad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G8
|
|
|
Einde voetpad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G9
|
|
|
Ruiterpad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G10
|
|
|
Einde ruiterpad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G11
|
|
|
Verplicht
fietspad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G12
|
|
|
Einde verplicht
fietspad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G12a
|
|
|
Fiets-/bromfietspad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G12b
|
|
|
Einde fiets-/bromfietspad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G13
|
|
|
Onverplicht
fietspad
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
G14
|
|
|
Einde
onverplicht fietspad
|
|
Hoofdstuk H. Bebouwde
kom
|
Bord
|
Omschrijving
|
H1
|
|
|
Bebouwde kom
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
H2
|
|
|
Einde bebouwde
kom
|
|
Hoofdstuk J.
Waarschuwing
|
Bord
|
Omschrijving
|
J1
|
|
|
Slecht wegdek
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J2
|
|
|
Bocht naar
rechts
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J3
|
|
|
Bocht naar links
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J4
|
|
|
S-bocht(en),
eerst naar rechts
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J5
|
|
|
S-bocht(en),
eerst naar links
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J6
|
|
|
Steile helling
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J7
|
|
|
Gevaarlijke
daling
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J8
|
|
|
Gevaarlijk
kruispunt
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J9
|
|
|
Rotonde
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J10
|
|
|
Overweg met
slagbomen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J11
|
|
|
Overweg zonder
slagbomen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J12
|
|
|
Overweg met
enkel spoor
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J13
|
|
|
Overweg met twee
of meer sporen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J14
|
|
|
Tram(kruising)
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J15
|
|
|
Beweegbare brug
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J16
|
|
|
Werk in
uitvoering
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J17
|
|
|
Rijbaanversmalling
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J18
|
|
|
Rijbaanversmalling
rechts
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J19
|
|
|
Rijbaanversmalling
links
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J20
|
|
|
Slipgevaar
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J21
|
|
|
Kinderen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J22
|
|
|
Voetgangersoversteekplaats
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J23
|
|
|
Voetgangers
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J24
|
|
|
Fietsers en
bromfietsers
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J25
|
|
|
Losliggende
stenen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J26
|
|
|
Kade of
rivieroever
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J27
|
|
|
Groot wild
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J28
|
|
|
Vee
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J29
|
|
|
Tegenliggers
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J30
|
|
|
Laagvliegende
vliegtuigen
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J31
|
|
|
Zijwind
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J32
|
|
|
Verkeerslichten
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J33
|
|
|
File
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J34
|
|
|
Ongeval
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J35
|
|
|
Slecht zicht
door sneeuw, regen of mist
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J36
|
|
|
IJzel of sneeuw
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J37
|
|
|
Gevaar (de aard
van het gevaar is aangegeven op het onderbord)
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
J38
|
|
|
Verkeersdrempel
|
|
Hoofdstuk K.
Bewegwijzering
|
Bord
|
Omschrijving
|
K1
|
|
|
Lage beslissingswegwijzer langs autosnelweg voor de doorgaande
richting, met interlokale doelen en routenummer
autosnelweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K2
|
|
_126b.gif)
|
Voorwegwijzer
langs autosnelweg voor de afgaande richting, met
afstandaanduiding, afritnummer, interlokale doelen (bovenste doel =
afritnaam), verwijzing naar vliegveld/luchthaven en
routenummer niet-autosnelweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K3
|
|
|
Beslissingswegwijzer
langs autosnelweg voor de afgaande richting naar een
verzorgingsgsplaats, met de naam van de parkeerplaats en
symbolen die de aard van de voorzieningen aangeven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K4
|
|
_128b.gif)
|
Hoge
beslissingswegwijzer langs autosnelweg met rijstrookpaneel
voor de doorgaande richting en aftakkingspaneel voor de
afgaande richting, met interlokale doelen, routenummers
autosnelwegen en Europese hoofdroutes
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K5
|
|
|
Voorwegwijzer
langs niet-autosnelweg, met interlokale doelen,
routenummers, viaductsymbool en aanduiding
industrieterrein
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K6
|
|
|
Beslissingswegwijzer
langs niet-autosnelweg met interlokale doelen en
routenummer niet-autosnelweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K7
|
|
|
Wegwijzer voor
fietsers en bromfietsers (handwijzer), met lokaal doel,
interlokaal doel, stedelijk fietsroutenummer (boven), en
met interlokale doelen en interlokaal fietsroutenummer
(onder)
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K8
|
|
|
Wegwijzer voor
fietsers en bromfietsers (stapelbord), met interlokale
doelen en een via een alternatieve route te bereiken doel
(cursief)
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K9
|
|
|
Omleiding.
Maatregel op voorwegwijzer langs niet-autosnelweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K10
|
|
|
Voorwegwijzer
binnen de bebouwde kom met interlokaal doel, lokaal doel,
een dagrecreatiecentrum, objecten en stadsroutenummers
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K11
|
|
|
Voorsorteren op
niet-autosnelweg. Bord met interlokale doelen,
routenummers en verwijzing naar autosnelweg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K12
|
|
|
Wijkwegwijzer
binnen de bebouwde kom, met wijknamen (in
verkeersgebieden)
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K13
|
|
|
Wijkwegwijzer
binnen de bebouwde kom, met wijknummers (in
verkeersgebieden)
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
K14
|
|
|
Route voor het
vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen
|
|
Hoofdstuk L.
Informatie
|
Bord
|
Omschrijving
|
L1
|
|
|
Hoogte
onderdoorgang
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L2
|
|
|
Voetgangersoversteekplaats
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L3
|
|
_164.gif)
|
Bushalte/tramhalte
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L4
|
|
|
Voorsorteren
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L5
|
|
|
Einde rijstrook
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L6
|
|
|
Splitsing
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L7
|
|
|
Aantal
doorgaande rijstroken
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L8
|
|
|
Doodlopende weg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L9
|
|
|
Vooraanduiding
doodlopende weg
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L10
|
|
|
Vooraanduiding
verkeersmaatregel voor de aangegeven richting
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L11
|
|
|
Verkeersbord
geldt alleen voor de aangegeven rijstrook/rijstroken
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L12
|
|
|
Verkeersbord
geldt alleen voor de aangegeven rijstrook
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L13
|
|
|
Verkeerstunnel
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L14
|
|
|
Vluchthaven
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L15
|
|
|
Vluchthaven
voorzien van een noodtelefoon en brandblusapparaat
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L16
|
|
|
Noodtelefoon
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L17
|
|
|
Brandblusapparaat
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L18
|
|
|
Noodtelefoon en
brandblusapparaat
|
|
|
Bord
|
Omschrijving
|
L19
|
|
|
Dichtstbijzijnde
uitgang of twee dichtstbijzijnde uitgangen in de op het
bord aangegeven richting en afstand
|
|
Bijlage 2. Aanwijzingen
[De redactie heeft helaas niet
de beschikking over een leesbare afbeelding]
|