|
REGELING houdende voorschriften over de toepassing,
plaatsing en uitvoering van verkeerstekens, uitgezonderd verkeerslichten
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 14 van de Wegenverkeerswet
1994 en de artikelen 4, derde lid, 9, 10, eerste en tweede lid, derde
lid onderdeel a en c, 11 en 48, derde lid, van het Besluit
administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Definities
1.Voorwaarschuwingsbord: een op enige afstand voor het bord
geplaatst identiek bord van bijlage 1 van het RVV 1990, met een
onderbord waarop een afstandsaanduiding is vermeld.
2.Herhalingsbord: een bord geplaatst ter herinnering aan eenzelfde
bord dat aan het begin van een en hetzelfde wegvak geplaatst is.
Paragraaf 2. Algemene bepaling ten aanzien van toepassing
4
Verkeerstekens worden slechts toegepast, voor zover dit bepaald nodig
is en nadat vervangende infrastructurele maatregelen zijn overwogen.
Paragraaf 3. Tijdelijke toepassing van verkeerstekens
5
Bij tijdelijke toepassing van verkeerstekens en onderborden,
overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van het BABW, mag in
spoedeisende gevallen van de voorschriften in de hoofdstukken II en III
worden afgeweken. Dergelijke afwijkingen worden zo spoedig mogelijk
gecorrigeerd.
Hoofdstuk II. Verkeersborden
Paragraaf 1. Algemene bepalingen ten aanzien van de toepassing van
verkeersborden
1.Borden worden slechts toegepast indien de inrichting van de weg
in overeenstemming is met hetgeen bij de afzonderlijke borden is
voorgeschreven.
2.Borden worden niet toegepast indien daarmee een regeling beoogd
wordt die overeenkomt met een gedragsregel of een ander verkeersteken.
Ook indien het gewenste gedrag voortvloeit uit de weginrichting
blijven borden achterwege.
3.Verkeersborden die een gevaar aanduiden worden slechts toegepast,
indien het gevaar voor weggebruikers onvoldoende of niet tijdig
waarneembaar is.
4.Overzicht van mogelijke combinaties bij
zonale toepassing.
| |
A1 |
E1 |
E9 |
E10 |
C.. |
G5 |
G7 |
|
A1 |
X |
J |
J |
J |
J |
N |
N |
|
E1 |
|
X |
J |
J |
J |
N |
N |
|
E9 |
|
|
X |
J |
J |
J |
J |
|
E10 |
|
|
|
X |
J |
J |
N |
|
C..*[1] |
|
|
|
|
J |
J |
N |
|
G5 |
|
|
|
|
|
X |
N |
|
G7 |
|
|
|
|
|
|
X |
J = combinatie van zones mogelijk
N = combinatie van zones niet mogelijk
X = n.v.t.
Paragraaf 2. Algemene bepalingen ten aanzien van plaatsing van
verkeersborden
6. De waarneembaarheid van verkeersborden moet dag en nacht
verzekerd zijn.
7. Borden worden zodanig geplaatst dat zij het zicht op het verkeer
of op verkeerstekens niet belemmeren.
8. Borden worden in beginsel haaks ten opzichte van de wegas
geplaatst.
9. Meer dan twee borden, niet zijnde onderborden, worden buiten de
bebouwde kom niet boven elkaar geplaatst. Borden worden gecombineerd
in de volgorde van bijlage 1 van het RVV 1990, dat wil zeggen dat een
bord geplaatst wordt onder een verderop in die bijlage genoemd bord.
10. Borden worden geplaatst aan de rechterzijde van de weg of boven
een rijstrook indien het bord uitsluitend voor die rijstrook geldt,
dan wel links van de weg indien het bord uitsluitend voor de
linkerzijde geldt.
Borden kunnen ook boven de rijbaan worden aangebracht.
Ter hoogte van rechts geplaatste borden kunnen eveneens aan de
linkerzijde van de weg of rijbaan worden geplaatst indien daaraan uit
oogpunt van waarneembaarheid behoefte bestaat dan wel indien het bord
tevens voor de linkerzijde geldt.
11. Bij gebruik op twee- of meerstrooks gedeelten van autosnelwegen
en dubbelbaans autowegen worden de borden A1 en A4, C22, F 1 tot en
met 4, J (alle), L5, L7 en L11 geplaatst aan beide zijden van de
rijbaan waarop zij betrekking hebben.
12. De hoogte van de onderkant van het bord ten opzichte van het
wegdek bedraagt minimaal:
A. binnen de bebouwde kom: 2,20 m;
de hoogte mag minder zijn indien het bord is geplaatst op een
verkeerseiland of buiten een pad of trottoir, doch bedraagt dan
tenminste 1,20 m.
B. buiten de bebouwde kom: 1,20 m.
12a. De hoogte van de onderkant van bord D2 of D3 ten opzichte van
het wegdek, bedraagt minimaal 0,90 meter indien het bord is geplaatst
op een gele verkeerszuil.
13. Bij plaatsing van borden boven de rijbaan bedraagt de vrije
doorrijhoogte ten minste 4,50 m en boven fiets- en voetpaden ten
minste 2,50 m.
Bij tunnels, viaducten en dergelijke kan hiervan worden afgeweken.
14. Een bord staat tenminste buiten het profiel van vrije ruimte
van de rijbaan. De afstand tussen de rand van het bord en de kant van
de rijbaan dan wel de kant van de verharding bedraagt bij voorkeur
tenminste 0,60 m en ten hoogste 3,60 m. Op wegen buiten de kom, zonder
parkeer- of vluchtstrook, bedraagt de minimumafstand 1,80 m.
Paragraaf 3. Algemene bepalingen ten aanzien van uitvoering van
verkeersborden
15. Borden worden weergegeven in:
– vaste uitvoering, waarbij bij voortduring hetzelfde
verkeersbord wordt getoond, of
– verschijnuitvoering, waarbij één of meerdere
verkeersborden kunnen worden getoond.
Borden in vaste uitvoering, met uitzondering van bord L3, voldoen
aan de paragrafen 5 en 6 van norm NEN 3381 (Verkeerstekens - Algemene
eisen voor borden);
Borden in verschijnuitvoering, met uitzondering van de borden A3 en
F9 en borden in transparante uitvoering, voldoen aan de norm NEN EN
12966 (Verticale verkeerstekens - Variabele verkeersborden)
Ingeval een bord op een elektronisch signaleringsbord wordt
weergegeven kan het symbool in wit op een zwart veld worden uitgevoerd
in plaats van in zwart op een wit veld.
16. Borden, met uitzondering van de borden G13, G14, K1 tot en met
K13, L3 tot en met L7 en L10 tot en met L12 worden ten minste
uitgevoerd overeenkomstig de afmetingen genoemd in paragraaf 4 van
norm NEN 3381, waarbij voor de volgende wegen de volgende typen
gelden:
– op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 120 km/h of
minder: type III;
– op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 80 km/h of
minder: type II;
– op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 50 km/h of
minder: type I, en
– bord B1 als herhalingsbord, alsmede de borden D2 en D3
indien gecombineerd met de gele koker: type 0.
Van de minimummaat kan worden afgeweken indien het bord wordt
geplaatst op een parkeerterrein, verzorgingsplaats of andere
verkeersruimte bestemd voor beperkt gebruik.
17. Borden worden uitgevoerd met de oppervlakte van de afbeelding
in retroreflecterend materiaal. De eigenschappen van het
retroreflecterende materiaal komen minimaal overeen met klasse I van
norm NEN 3381, met dien verstande dat de borden B7 en D2 minimaal
conform klasse II worden uitgevoerd.
Niet retroreflecterend behoeven te zijn:
– borden van hoofdstuk E, binnen de bebouwde kom;
– bord L3;
– borden G7 tot en met G10 alsmede G13 en G14;
– borden in transparante uitvoering, en
– elektronische signaleringsborden.
18. Bewegwijzering ten behoeve van voetgangers mag in afwijking van
het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, van artikel 4 van het
BABW bestaan uit een rechthoekig bord, waarop de letters, cijfers of
symbolen in een veld zijn geplaatst van andere kleur dan blauw.
Paragraaf 4. Voorschriften voor de afzonderlijke borden
Bord A1 (maximumsnelheid)
Toepassing
1. De in te stellen maximumsnelheid dient in overeenstemming te
zijn met het wegbeeld ter plaatse. Dit betekent dat waar nodig de
omstandigheden op zodanige manier zijn aangepast dat de beoogde
snelheid redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van
de betrokken weg en van zijn omgeving.
2. Geen andere dan de volgende maximumsnelheden worden vastgesteld:
a. binnen de bebouwde kom:
-
op wegvakken: 70, 30 km/h
-
bij gevarenpunten: 30, 20 km/h;
b. buiten de bebouwde kom:
op autowegen:
-
op wegvakken: 80 km/h
-
bij gevarenpunten: 70 km/h;
op autosnelwegen:
-
op wegvakken: 130, 120, 110, 100, 90, 80, 70, 60, 50 km/h;
op andere wegen buiten de bebouwde kom:
-
op wegvakken: 60, 30 km/h
-
bij verkeerslichten: 70 km/h
-
bij gevarenpunten: 60, 50 km/h.
3. Binnen de bebouwde kom mag bord A1 worden geplaatst in afwijking
van het bepaalde in Hoofdstuk II, Paragraaf 1 onder punt 2, om zonodig
te herinneren aan de algemene snelheidslimiet van 50 km/h.
4. 30 km/h en 30 km/h-zone, 60 km/h en 60 km/h-zone
Bord A1 (30 km/h binnen en buiten de bebouwde kom en 60 km/h buiten
de bebouwde kom) mag op wegvakken slechts worden toegepast indien
wordt voldaan aan de volgende eisen:
-
iedere weg in het betrokken gebied heeft voornamelijk een
verblijfsfunctie;
-
om te voorkomen dat de verblijfsfunctie wordt aangetast door
een relatief hoge intensiteit van het gemotoriseerde verkeer, is
de weg met zijn omgeving waar nodig aangepast;
-
met het oog op snelheidsbeperking en attentieverhoging is extra
aandacht besteed aan potentieel gevaarlijke punten, zoals:
a. plaatsen waar voetgangers, in het bijzonder
schoolkinderen en bejaarden, plegen over te steken;
b. kruispunten met een hoofdroute voor fietsers en
eventueel bromfietsers;
c. kruispunten waar de voorrang door middel van borden
geregeld is;
-
de overgangen naar een andere maximumsnelheid zijn door de
constructie duidelijk herkenbaar;
-
indien de overgang naar een hogere maximumsnelheid binnen
20 meter van een kruisende weg ligt, dan is de voorrang
geregeld door middel van verkeerstekens of een in- en
uitritconstructie, tenzij de kruisende weg geschikt is om in
het betrokken gebied opgenomen te worden.
Plaatsing
1. Bord A1 wordt bij combinatie met bord H1 daaronder geplaatst.
2. Bij een rijbaan van meer dan 5 m breed of met twee of meer
rijstroken in dezelfde richting, wordt het bord indien mogelijk tevens
aan de linkerzijde van die rijbaan geplaatst.
Onderborden
1. Bij voorkeur wordt de reden van een vastgestelde maximumsnelheid
bij een gevarenpunt zichtbaar gemaakt door bord A1 te combineren met
een bord of onderbord dat de aard van het gevaar of het belang van de
maximumsnelheid aangeeft.
Categorale maxima
1. Om een maximumsnelheid aan te geven voor een bepaalde categorie
bestuurders wordt die categorie aangegeven op een onderbord, en wel zo
mogelijk door het betreffende symbool dat voorkomt in bijlage 1 van
het RVV 1990.
Indien de maximumsnelheden betrekking hebben op motorvoertuigen die
een bepaald maximum toegestane totaalmassa te boven gaan wordt op het
onderbord die massa vermeld in het aantal tonnen, aangegeven door
cijfers met toevoeging van de letter t.
Bord A2 Einde maximumsnelheid
Toepassing
Het bord wordt niet toegepast bij de toegang tot een woonerf.
Bord A3 (maximumsnelheid op een elektronisch signaleringsbord)
Toepassing
Geen andere dan de volgende maximumsnelheden worden vastgesteld op
wegvakken op autosnelwegen: 130, 120, 110, 100, 90, 80, 70, 60, 50 km/h.
Plaatsing
1. Dit bord wordt bij plaatsing boven de rijbaan aangebracht boven
elke rijstrook. Het bord kan ook rechts van de weg worden geplaatst.
In dit geval moet het bord bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m
tevens ter linkerzijde worden geplaatst.
Bord A4 (adviessnelheid)
Toepassing
1. Een adviessnelheid wordt slechts plaatselijk toegepast om aan te
geven met welke veilige snelheid een gevarenpunt gepasseerd kan
worden, waarvan voor de bestuurder niet goed waarneembaar is dat in
aanzienlijke mate snelheid moet worden verminderd.
2. In recreatiegebieden kan buiten de bebouwde kom een
adviessnelheid worden toegepast op verharde wegvakken met gemengd
verkeer, mits de wegen waarvan die wegvakken deel uitmaken hun begin-
of eindpunt binnen het recreatiegebied hebben en geen lagere snelheid
wordt geadviseerd dan 30 km/h.
3. Zo mogelijk wordt de reden van een vastgestelde adviessnelheid
zichtbaar gemaakt door bord A4 te combineren met een bord of onderbord
dat de aard van het gevaar of de reden van het advies aangeeft.
4. Een met bord A4 aan te geven adviessnelheid is tenminste 20 km/h
lager dan de snelheidslimiet op het direct daaraan voorafgaande
weggedeelte.
Voorwaarschuwingsborden
1. Voor het bord wordt geen voorwaarschuwingsbord geplaatst.
Bord A5 (einde adviessnelheid)
Toepassing
1. Dit bord wordt niet toegepast:
a. indien uit andere verkeerstekens of uit een gedragsregel
reeds het einde van de adviessnelheid voortvloeit;
b. ter beëindiging van een adviessnelheid bij een gevarenpunt.
Bord B1 (voorrangsweg)
Toepassing
1. Het bord wordt niet toegepast in erven, op 30 km/h-wegen, in 30
km/h-zones, op 60 km/h-wegen en in 60 km/h-zones.
Plaatsing
1. Binnen de bebouwde kom wordt dit bord geplaatst direct voor
zijwegen van de voorrangsweg.
2. Buiten de bebouwde kom wordt dit bord geplaatst op enige afstand
na zijwegen van de voorrangsweg. Op autosnelwegen wordt dit bord na
toeritten niet geplaatst. Op autowegen wordt dit bord na vloeiende
toeritten niet geplaatst.
Onderborden
1. Het verloop van de voorrangsweg kan op een onderbord worden
weergegeven.
Borden B3, B4 en B5 (voorrangskruispunt)
Toepassing
1. Het bord wordt slechts toegepast indien op de kruisende weg de
voorrang geregeld is door middel van bord B6, B7 en/of door middel van
haaientanden.
Plaatsing
1. Het bord mag achterwege blijven, indien het verwarring kan geven
ten aanzien van de voorrangsregeling op een volgende, op zeer korte
afstand gelegen, kruising of splitsing van wegen. In dit geval worden
op de zijweg zowel bord B6 als haaientanden, dan wel bord B7 en een
stopstreep toegepast.
Bord B6 (verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg)
Toepassing
1. Het bord wordt niet toegepast binnen erven.
2
30 km/h- en 30 km/h-zones
Het bord wordt binnen 30 km/h- en 30 km/h-zones slechts toegepast
bij rotondes en bij kruispunten met:
-
een vrijliggende busbaan;
-
een vrijliggend fietspad;
-
een vrijliggend fiets/bromfietspad;
-
een hoofdfietsroute, die duidelijk als zodanig herkenbaar is en
waarop slechts een ondergeschikte hoeveelheid gemotoriseerd
verkeer voorkomt.
Plaatsing
1. Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord buiten
de bebouwde kom tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.
2. Bij twee of meer rijstroken in dezelfde richting binnen de
bebouwde kom wordt het bord tevens aan de linkerzijde van de rijbaan
geplaatst.
3. Dit bord wordt buiten de bebouwde kom tevens geplaatst op een
middengeleider.
4. Indien een fietspad, of fiets/bromfietspad deel uitmaakt van de
kruisende weg wordt het bord geplaatst in combinatie met een
duidelijke markering van dat pad.
Voorwaarschuwingsborden
1. Op wegen buiten de bebouwde kom wordt een voorwaarschuwing
geplaatst, zonodig aangevuld met een voorwaarschuwingsdriehoek op het
wegdek.
Onderborden
1. Indien het bord betrekking heeft op een in twee richtingen
bereden fietspad dan wel een in twee richtingen bereden
fiets/bromfietspad, wordt een onderbord met een fietssymbool en
eventueel een bromfietssymbool en twee naar elkaar gerichte
horizontale pijlen toegepast.
Bord B7 (stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg)
Toepassing
1. Dit bord wordt slechts toegepast op kruispunten en splitsingen
van wegen, waar de meeste bestuurders voor het oprijden uit eigen
beweging stoppen.
Plaatsing
1. Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord buiten
de bebouwde kom tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.
2. Bij twee of meer rijstroken in dezelfde richting binnen de
bebouwde kom wordt het bord tevens aan de linkerzijde van de rijbaan
geplaatst.
3. Dit bord wordt buiten de bebouwde kom tevens geplaatst op een
middengeleider.
Vooraanduiding
1. Op wegen buiten de bebouwde kom wordt een vooraanduiding
geplaatst. Hiervoor wordt uitsluitend bord B6 gebruikt, met een
onderbord waarop een afstandaanduiding en zonodig het woord “stop”
wordt vermeld. De vooraanduiding kan ondersteund worden door een
voorwaarschuwingsdriehoek op het wegdek.
Bord C1 (gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en
geleiders van rij- of trekdieren of vee)
Toepassing
1. Het bord wordt niet toegepast bij T-kruispunten, waar toepassing
van bord C4, dan wel D4 of D5 mogelijk is.
Bord C2 (eenrichtingweg, in deze richting gesloten voor voertuigen,
ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee)
Toepassing
1. Het bord wordt niet toegepast bij T-kruispunten, waar toepassing
van bord C4, dan wel D4 of D5 mogelijk is.
2. Het bord wordt ter voorkoming van spookrijden geplaatst aan het
einde van afritten van autosnelwegen en dubbelbaans autowegen, ter
weerszijden van de rijbaan. Dit bord wordt op een afstand van
tenminste 100 m herhaald en is voorzien van een onderbord met de tekst
’ga terug’. De onderkant van het onderbord moet zich bij voorkeur
op een hoogte van 0,50 m boven het wegdek bevinden.
Bord C4 (eenrichtingweg)
Plaatsing
1. Dit bord wordt geplaatst tegenover de zijweg van een T-kruispunt,
wanneer er sprake is van eenrichtingverkeer op de doorgaande weg.
Toepassing
1. Dit bord wordt niet toegepast bij een rotonde.
Bord C5 (inrijden toegestaan)
Plaatsing
1. Om verwarring met naastliggende rijbanen te voorkomen mag het
bord aan de linkerzijde van de weg worden geplaatst.
Bord C19 (gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading,
hoger zijn dan op het bord is aangegeven)
Toepassing
1. Het getal op het bord is niet groter dan 3,9 m.
2. Het getal op het bord heeft één decimaal en is altijd 0,10 m
tot 0,20 m lager dan de gemeten doorrijhoogte.
Plaatsing
1. Dit bord wordt in beginsel boven de rijbaan aangebracht.
Bord C22 (gesloten voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen)
Toepassing en plaatsing
1. Het bord wordt geplaatst, bij of voor de ingang van tunnels,
genoemd in de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
2. Het bord wordt voorzien van een onderbord, overeenkomstig
artikel 3 van hoofdstuk II van bijlage 2 van de Regeling vervoer over
land van gevaarlijke stoffen.
Vooraanduiding
1. Op autosnelwegen en autowegen wordt een vooraanduiding in de
vorm van bord L10 geplaatst.
Bord C23-01 Spitsstrook open
Toepassing
Dit bord wordt toegepast op bepaalde trajecten om aan te geven dat
daar de vluchtstrook in verband met grote drukte is opengesteld als
spitsstrook.
Plaatsing
Het bord wordt geplaatst aan de zijde van de rijbaan waar zich de
spitsstrook bevindt.
Uitvoering
De afmeting van het bord bedraagt tenminste 1,85 meter (breedte) bij
tenminste 1,25 meter (hoogte). De borden worden in verschijnuitvoering
uitgevoerd. Er moet ook een blanco vlak of aanduiding kunnen worden
getoond, waaruit blijkt dat de spitsstrook niet operationeel is.
Onderbord
Het bord kan worden voorzien van een onderbord. In dat geval luidt de
tekst: ‘Spitsstrook open’.
Bord C23-02 Spitsstrook vrijmaken
Toepassing
Dit bord wordt uitsluitend gebruikt om aan te geven dat een geopende
spitsstrook dient te worden ontruimd.
Plaatsing
Het bord wordt geplaatst aan de zijde van de rijbaan waar zich de
spitsstrook bevindt. Het bord kan zonodig op enige afstand worden
herhaald.
Uitvoering
De afmeting van het bord bedraagt tenminste 1,85 meter (breedte) bij
tenminste 1,25 meter (hoogte). De borden worden in verschijnuitvoering
uitgevoerd. Er moet ook een blanco vlak of aanduiding kunnen worden
getoond, waaruit blijkt dat de spitsstrook niet operationeel is.
Onderbord
Het bord C23-02 kan worden voorzien van een onderbord. In dat geval
luidt de tekst: ‘Spitsstrook vrijmaken’.
Bord C23-03 Einde spitsstrook
Toepassing
Het bord wordt gebruikt om het einde van de spitsstrook aan te geven.
Plaatsing
Het bord wordt geplaatst aan de zijde van de rijbaan waar zich de
spitsstrook bevindt.
Uitvoering
De afmeting van het bord bedraagt tenminste 1,85 meter (breedte) bij
tenminste 1,25 meter (hoogte). De borden worden in verschijnuitvoering
uitgevoerd. Er moet ook een blanco vlak of aanduiding kunnen worden
getoond, waaruit blijkt dat de spitsstrook niet operationeel is.
Onderbord
Het bord C23-03 kan worden voorzien van een onderbord. In dat geval
luidt de tekst: ‘Einde spitsstrook’.
Bord D1 Rotonde; verplichte rijrichting
Toepassing en plaatsing
1. Dit bord wordt geplaatst op het middeneiland tegenover de
toeleidende wegen. Het bord kan tevens worden geplaatst op de
toeleidende wegen.
2. Dit bord wordt slechts toegepast in combinatie met plaatsing van
bord B6 en haaientanden bij de aansluiting van toeleidende wegen op de
hoofdrijbaan van de rotonde. De vormgeving van de toeleidende wegen is
zonodig aangepast aan de voorrangsregeling.
Bovenstaande gebeurt op zodanige wijze dat de bestuurders op de
toeleidende weg voorrang moeten verlenen aan de bestuurders op de
hoofdrijbaan van de rotonde.
Vooraanduidingsborden
1. Dit bord wordt niet als voorwaarschuwingsbord gebruikt. Als
vooraanduiding kan uitsluitend bord J9 worden gebruikt.
Borden D2 (gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan
de zijde die de pijl aangeeft) en D3 (bord mag aan beide zijden voorbij
worden gegaan)
Toepassing
1. Op andere plaatsen dan aan het begin van een middengeleider
worden deze borden niet toegepast.
2. Dit bord wordt niet toegepast op het middeneiland bij een
rotonde.
Plaatsing
1. Binnen de bebouwde kom wordt dit bord voorzien van een
reflecterend gele koker, verticaal onder het bord geplaatst. Indien
deze borden bevestigd zijn aan masten van verkeerslichten of
verlichting kan de gele koker achterwege blijven.
Bord E1 (parkeerverbod) en bord E2 (verbod stil te staan)
Plaatsing
1. Het einde en het begin van een parkeer- of stopverbod wordt
zonodig aangegeven door middel van een onderbord met een pijl in de
richting van het wegvak waarvoor het verbod geldt. Dit onderbord wordt
evenwijdig aan de wegas aangebracht. Wanneer het einde of het begin
van een verbod met een zijweg samenvalt kan het onderbord achterwege
blijven.
Het einde van deze verboden wordt niet aangegeven indien dit reeds
volgt uit een ander verkeersteken of uit een gedragsregel dan wel uit
de inrichting van de weg.
2. Op rijbanen met verkeer in twee richtingen worden deze borden
zodanig geplaatst dat de verboden voor verkeer in beide richtingen
waarneembaar zijn. Hiertoe mogen de borden, mits voorzien van een
onderbord waaruit begin of eind van het parkeerverbod blijkt,
evenwijdig aan de wegas worden geplaatst.
Bord E5 (taxistandplaats; tevens parkeerverbod voor andere
voertuigen)
Plaatsing
1. Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.
Bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats)
Plaatsing
1. Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.
Onderborden
1. Indien de parkeerplaats is gereserveerd voor een motorvoertuig,
wordt een onderbord met het kenteken van dat motorvoertuig
aangebracht.
2. Indien de parkeerplaats is gereserveerd voor een
gehandicaptenvoertuig, wordt een onderbord ’gehandicaptenvoertuig’
aangebracht.
Bord E7 (gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen
van goederen; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen)
Plaatsing
1. Het bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.
Bord E8 (parkeergelegenheid alleen bestemd voor de voertuigcategorie
die op het bord is aangegeven; tevens parkeerverbod voor andere
voertuigcategorieën)
Uitvoering
1. Afbeeldingen ter aanduiding van de voertuigcategorieën komen
overeen met de afbeeldingen in zijaanzicht op de borden van bijlage 1
van het RVV 1990.
Plaatsing
1. Het bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.
Bord E9 (parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders)
Plaatsing
1. Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.
Bord E10 (Parkeerschijf-zone)
Plaatsing
1. Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.
2. In een zone, aangeduid met bord E10, worden parkeerplaatsen waar
het gebruik van de parkeerschijf niet verplicht is, aangeduid of
aangegeven met een P-tegel of een P-bord.
Bord E12 (Parkeergelegenheid voor openbaar-vervoer-reizigers bij een
Parkeer en Reis halte)
Toepassing
1. De afzonderlijke parkeergelegenheid, bestemd voor openbaar
vervoer reizigers, moet voldoen aan de volgende eisen:
-
voldoende (minimaal 40) parkeerplaatsen bevatten;
-
voorzien zijn van verharding, van een parkeervakindeling en van
openbare verlichting.
2. Een parkeerplaats op deze parkeergelegenheid mag niet verder dan
op ongeveer 250 meter loopafstand zijn gelegen van de Parkeer en Reis
halte.
3. Dit bord mag uitsluitend worden toegepast indien het betrokken
openbaar vervoer op werkdagen gedurende de spitsuren in ieder geval
een frequentie heeft van zes maal per uur voor zoveel het lokaal
vervoer betreft en van twee maal per uur voor zoveel het interlokaal
vervoer betreft.
Plaatsing
1. Dit bord wordt geplaatst bij de parkeergelegenheid van een
Parkeer en Reis halte.
2. Het bord kan tevens als verwijzing worden toegepast. In dat
geval kan het symbool van het bord worden opgenomen in de
bewegwijzering, of wordt het bord voorzien van een pijlaanduiding.
Bord E13 (Parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers)
Toepassing
1. De parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers moet voorzien
zijn van een verharding, een parkeervakindeling en openbare
verlichting.
Plaatsing
1. Dit bord wordt geplaatst bij de parkeergelegenheid ten behoeve
van carpoolers.
2. Het bord kan tevens als verwijzing worden toegepast. In dat
geval wordt de verwijzing door middel van een pijlaanduiding op het
bord aangegeven.
Bord F1 (verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen)
Plaatsing
1. De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voor het
punt of weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.
2. Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord tevens
aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.
Bord F2 (einde verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te
halen)
Plaatsing
1. De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voorbij het
punt of weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.
2. Dit bord wordt niet geplaatst indien de beëindiging van het
inhaalverbod samenvalt met een geplaatst bord B6 of B7.
Bord F3 (verbod voor vrachtauto’s om motorvoertuigen in te halen)
Plaatsing
1. De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voor het
punt of een weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.
2. Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord tevens
aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.
Bord F4 (einde verbod voor vrachtauto’s om motorvoertuigen in te
halen)
Plaatsing
1. De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voorbij het
punt of weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.
2. Dit bord wordt niet geplaatst indien de beëindiging van het
inhaalverbod samenvalt met een geplaatst bord B6 of B7.
Bord F5 (verbod voor bestuurders door te gaan bij nadering van
verkeer uit tegengestelde richting)
Vooraanduidingen
1. Bord F5 wordt niet als voorwaarschuwing gebruikt. Als
vooraanduiding kunnen de borden J17, J18 of J19 worden gebruikt.
Bord F6 (bestuurders uit tegengestelde richting moeten verkeer dat
van deze richting nadert voor laten gaan)
Vooraanduidingen
1. Bord F6 wordt niet als voorwaarschuwing gebruikt. Als
vooraanduiding kunnen de borden J17, J18 of J19 worden gebruikt.
Bord F7 (keerverbod)
Plaatsing
1. Dit bord wordt aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.
Bord F10 (stop. In het bord kan worden aangegeven door wie of waarom
het bord wordt toegepast)
Uitvoering
1. In het bord wordt zo mogelijk aangegeven door wie of waarom het
bord wordt toegepast.
Voorwaarschuwing
1. Buiten de bebouwde kom wordt een voorwaarschuwing geplaatst.
Bord G1 (autosnelweg)
Toepassing
1. De weg waarop dit bord wordt geplaatst voldoet aan de volgende
eisen:
-
de lengte van het als autosnelweg aangeduide weggedeelte
bedraagt minimaal 2,5 km,
-
de weg is gelegen buiten de bebouwde kom en de doorgaande
rijbaan is aangewezen als voorrangsweg,
-
de weg heeft ongelijkvloerse kruisingen, gescheiden rijbanen en
vloeiend verlopende toe- en afritten.
Bord G3 (autoweg)
Toepassing
1. De weg, waarop dit bord wordt geplaatst, voldoet aan de volgende
eisen:
-
de lengte van het als autoweg aangeduide weggedeelte bedraagt
minimaal 2,5 km,
-
de doorgaande rijbaan is aangewezen als voorrangsweg,
-
de weg heeft geen uitritten,
-
overpaden zijn slechts bij hoge uitzondering toegelaten en het
gebruik is beperkt tot agrarisch verkeer,
-
de breedte van de wegverharding bedraagt ten minste 7,00 m,
-
bij kruispunten zijn opstelvakken voor linksafslaand verkeer
aanwezig.
Bord G5 (erf)
Toepassing
1. Het erf moet voornamelijk een verblijfsfunctie hebben. Dit houdt
in, voor zover het gemotoriseerd verkeer betreft, dat de wegen binnen
een erf slechts een functie mogen hebben voor verkeer dat zijn
bestemming of zijn vertrekpunt binnen het erf heeft en de intensiteit
van het verkeer het karakter van het erf niet mag aantasten.
2. De aard en de gesteldheid van de wegen en weggedeelten in het
erf moeten zodanig zijn en op of aan die wegen en weggedeelten moeten
snelheidsbeperkende voorzieningen zijn aangebracht waardoor stapvoets
rijden redelijkerwijze uit die omstandigheden voortvloeit.
3. De indruk moet worden vermeden dat de weg is verdeeld in een
rijbaan en een trottoir. Er mag daarom geen doorlopend hoogteverschil
bestaan in het dwarsprofiel van een weg binnen een erf. Voor zover aan
het vorenstaande wordt voldaan mag een voorziening voor voetgangers
worden gerealiseerd.
4. De in- en uitgangen van een erf moeten reeds door hun
constructie als zodanig duidelijk kenbaar zijn. Voor zover de in- en
uitgangen bij een kruisende weg door motorvoertuigen kunnen worden
gebruikt moeten zij als in- of uitrit zijn uitgevoerd. Het is
toegestaan dat de in- en uitgang van een erf vóór een kruisende weg
is gesitueerd, mits op een zodanige afstand, met een minimum van 20
meter, van de kruisende weg dat geen misverstand kan bestaan over de
op het kruispunt geldende voorrangsregeling.
5. De parkeerplaatsen moeten worden aangeduid of aangegeven met een
P-tegel of een P-bord. Indien het erf tevens is aangewezen als
parkeerschijf-zone moet op de parkeerplaatsen waar de parkeerschijf
verplicht is een blauwe streep worden aangebracht.
Bord G6 (einde erf)
Toepassing
1. Bord G6 wordt toegepast bij elke uitgang van een erf.
Plaatsing
1. Dit bord mag aan de linker- of rechterzijde van de weg worden
geplaatst.
Borden G7 tot en met G14 Voetpad, ruiterpad, verplicht fietspad,
onverplicht fietspad en fiets/bromfietspad, respectievelijk einde van
het pad.
Toepassing
1. Bord G12a wordt slechts toegepast:
-
indien het ongewenst is dat bromfietsers gebruik maken van de
rijbaan of van een andere route;
-
bij een weggedeelte voor fietsers en bromfietsers op een
eenrichtingsweg, aan de zijde waar deze weg voor het overige
verkeer door middel van bord C2 is gesloten, mits dit weggedeelte
is gemarkeerd door een doorgetrokken streep.
Plaatsing
1. De borden G7 tot en met G14 mogen aan de linker- of rechterzijde
van de weg worden geplaatst.
Uitvoering
1. Deze borden mogen op zelfstandige paden in parken, duinen en
boswegen worden uitgevoerd met geringere afmetingen dan type 0.
Borden H1 en H2 (bebouwde kom resp. einde bebouwde kom)
Toepassing
1. De grens van de bebouwde kom, aangegeven door bord H1 en H2,
wordt gekenmerkt door het begin van een langs de weg gelegen
aaneengesloten bebouwing van zodanige omvang en dichtheid, dat een
voor de weggebruiker duidelijk herkenbaar verschil in het karakter van
de wegomgeving aanwezig is met een buiten de bebouwde kom gelegen weg.
Ter plaatse van de komgrens moet een zodanige wijziging van
wegkenmerken voorkomen dat het verschil in karakter van de weg voor en
na bord H1 of H2 aldaar zoveel mogelijk benadrukt wordt.
Plaatsing
1. Bord H2 kan links of rechts van de weg of rijbaan worden
geplaatst.
2. Beide borden kunnen worden weggelaten langs voetpaden,
onverplichte fietspaden en ruiterpaden.
Bord J 9 Rotonde.
Toepassing
1. Dit bord wordt uitsluitend toegepast als vooraanduiding op
geruime afstand van een rotonde.
Bord J15 (beweegbare brug)
Plaatsing
1. Buiten de bebouwde kom wordt dit bord bij aanwezigheid van een
voorwaarschuwingssein daaronder geplaatst.
Onderborden
1. Indien automatische afsluitbomen aanwezig zijn wordt een
onderbord ’slagbomen dalen automatisch’ geplaatst.
Bord J16 (werk in uitvoering)
Toepassing
1. Dit bord wordt uitsluitend tijdelijk toegepast.
Borden J17 tot en met J19 (rijbaanversmalling)
Toepassing
1. Deze borden worden niet gebruikt om het einde van een rijstrook
aan te geven.
Borden J21 (kinderen), J23 (voetgangers), J24 (fietsers en
bromfietsers)
Toepassing
1. Deze borden worden in het algemeen niet toegepast indien de
plaats waar wordt overgestoken, ligt bij een kruising of splitsing van
wegen.
Onderborden
1. Indien bord J24 waarschuwt voor fietsverkeer in twee richtingen,
wordt dit bord voorzien van een onderbord met twee horizontale, naar
elkaar gerichte pijlen.
Bord J25 (losliggende stenen)
Toepassing
1. Dit bord wordt uitsluitend tijdelijk gebruikt.
Bord J29 (tegenliggers)
Plaatsing
1. Het bord wordt geplaatst nabij het punt waar twee gescheiden
rijbanen overgaan in een rijbaan voor verkeer in twee richtingen.
2. Het bord wordt geplaatst aan het begin van een wegvak waar de
bestuurder geen tegenliggers verwacht.
Bord J32 (verkeerslichten)
Toepassing
1. Dit bord wordt toegepast in situaties, waar verkeerslichten door
bestuurders niet worden verwacht.
Uitvoering
1. Op autosnelwegen wordt dit bord uitgevoerd met twee gele
knipperlichten.
2. Op autowegen buiten de bebouwde kom wordt dit bord uitgevoerd
met een geel knipperlicht.
Onderborden
1. Buiten de bebouwde kom wordt de afstand tot de verkeerslichten
op een onderbord vermeld.
Verlichting
1. Op autowegen en autosnelwegen is het bord bij duisternis
verlicht door een eigen verlichting.
Bord J33 (file)
Uitvoering
1. Dit bord wordt als regel uitgevoerd in verschijnuitvoering.
Onderborden
1. Indien het bord niet is uitgevoerd in verschijnuitvoering, dan
wordt op een onderbord aangegeven onder welke omstandigheden
filevorming optreedt.
Borden J34 (ongeval); J35 (slecht zicht door sneeuw, regen of mist;
J36 (ijzel of sneeuw)
Toepassing
1. Deze borden worden uitsluitend tijdelijk toegepast.
Bord J37 (gevaar)
Toepassing
1. Dit bord wordt alleen toegepast, indien het gevaar niet door een
ander bord van bijlage 1 van het RVV 1990 kan worden aangeduid.
Onderborden
1. In alle gevallen wordt de aard van het gevaar op een onderbord
aangegeven.
Bord K14
Toepassing
1. Dit bord wordt toegepast om routes aan te duiden waarop
krachtens gemeentelijke verordening het vervoer van gevaarlijke
stoffen is toegestaan.
Bord L1 (hoogte onderdoorgang)
Toepassing
1. Het getal op het bord is niet kleiner dan 4,0 m en niet groter
dan 4,4 m.
2. Het getal op het bord heeft één decimaal en is altijd 0,10 m
tot 0,20 m lager dan de gemeten doorrijhoogte.
Plaatsing
1. Dit bord wordt in beginsel boven de rijbaan aangebracht.
Bord L2 (voetgangersoversteekplaats)
Toepassing
1. Dit bord wordt uitsluitend toegepast bij een zebra.
Plaatsing
1. Bij voorkeur wordt dit bord in een middengeleider dan wel boven
de rijbaan aangebracht.
Bord L4 (voorsorteren)
Plaatsing
1. De plaatsing van een bord L4 geschiedt op enige afstand voor het
begin van de voorsorteervakken.
Bord L5 (einde rijstrook)
Plaatsing
1. De plaatsing van een bord L5 geschiedt voor het einde van de
rijstrook of het begin van het verdrijvingsvlak.
Bord L13 Verkeerstunnel
Toepassing
1. Het bord wordt geplaatst voor elke tunnel, langer dan 250 meter.
2. De lengte van de tunnel wordt vermeld in het onderste deel van
het bord.
3. De naam van de tunnel kan op het bord of op een onderbord worden
aangegeven.
4. Bij tunnels, langer dan 3000 meter, wordt de resterende lengte
van de tunnel om de 1000 meter aangegeven.
Plaatsing
Het bord wordt aan elke ingang van de tunnel geplaatst.
Bord L15 Vluchthaven
Toepassing
De aanwezigheid van noodtelefoons en brandblusapparaten wordt
aangegeven met bord L 18.
Bord L 20 Dichtstbijzijnde uitgang in de op het bord aangegeven
richting en afstand
Toepassing en plaatsing
Het bord wordt om de 25 meter op een hoogte van ten hoogste 1,5 meter
boven het wegdek op de tunnelwanden geplaatst om aan te geven waar zich
de twee dichtstbijzijnde uitgangen bevinden.
Hoofdstuk III. Onderborden
Uitvoering en plaatsing
1.Onderborden zijn rechthoekig en worden in wit uitgevoerd met
zwarte letters, cijfers en afbeeldingen.
2.
a. Op onderborden worden waar mogelijk de afbeeldingen gebruikt
zoals die voorkomen op de borden van bijlage 1 van het RVV 1990.
b. Om een beperking van de werkingssfeer aan te geven wordt het
woord ’uitgezonderd’ gebruikt.
c. Indien het beoogde verkeersgedrag niet kan worden aangegeven
overeenkomstig de in de onderdelen a en b aangegeven wijze, worden
teksten of tekens, al dan niet in combinatie met symbolen,
gebruikt, waarmee het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven.
3.De grootte en leesbaarheid van het onderbord is in
overeenstemming met die van het bord waaronder het is geplaatst.
4.Het retroreflecterend materiaal waarin het onderbord wordt
uitgevoerd is gelijk aan dat van het bord, waaraan het is toegevoegd.
5.Een afstandsaanduiding en wegvaklengte worden afgerond op:
-
10 m bij afstanden van minder dan 100 m
-
50 m bij afstanden tot 300 m
-
100 m bij afstanden vanaf 300 m.
Bij afstanden van meer dan 1000 m wordt de afstand in kilometers
aangegeven, zonodig met één decimaal.
6.De lengte van een wegvak wordt op het onderbord aangegeven door
een getal met aan weerszijden verticaal omhoogwijzende pijlen.
Hoofdstuk IV. Verkeerstekens op het wegdek
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
1.Tekens op het wegdek zijn wit tenzij voor een afzonderlijk teken
anders is bepaald. Bij tijdelijke toepassing is de kleur in ieder
geval een andere kleur dan wit.
2.De minimale breedte van strepen is 0,10 m. De minimale breedte
van de stopstreep, bedoeld in art. 78 van het RVV 1990, is 0,20 m.
3.In afwijking van het tweede onderdeel, eerste volzin, is de
minimale breedte van de kantstreep 0,05 m indien:
a. deze is aangebracht ter markering van de rechterzijde
respectievelijk linkerzijde van de vluchtstrook, als de
vluchtstrook aan de rechterzijde respectievelijk linkerzijde van
de weg is gelegen, en
b. deze vluchtstrook kan worden opengesteld als spitsstrook.
Paragraaf 2. Voorschriften voor de afzonderlijke tekens op het wegdek
1.De gele doorgetrokken streep, zoals bedoeld in art. 23.1.g van
het RVV 1990
Plaatsing
De gele doorgetrokken streep wordt op of langs de kant van de
rijbaan aangebracht.
2.De gele onderbroken streep, zoals bedoeld in art. 24.1.e van het
RVV 1990
Plaatsing
De gele onderbroken streep wordt op of langs de kant van de rijbaan
aangebracht.
Uitvoering
De verhouding in meters tussen een streep en een onderbreking is:
-
1,00 : 1,00 of
-
0,50 : 0,50 of
-
0,30 : 0,30.
Het minimum aantal aan te brengen strepen bedraagt drie.
3.De blauwe streep als bedoeld in art. 25, tweede lid, van het RVV
1990
Plaatsing
De blauwe streep wordt tenminste aangebracht:
-
aan een lange zijde van een parkeervak bij langsparkeren;
-
aan een korte zijde van een parkeervak bij haaks of schuin
parkeren;
-
of langs de kant van de rijbaan waar parkeren over grotere
lengte met gebruik van de parkeerschijf is toegestaan.
4.De doorgetrokken streep als bedoeld in artikel 76 van het RVV
1990
Uitvoering
De minimumlengte van de doorgetrokken streep bedraagt 20 m.
5.Het verdrijvingsvlak, zoals bedoeld in art. 77 van het RVV 1990
Vooraanduiding
Voor het verdrijvingsvlak, ter aanduiding van een vermindering van
het aantal rijstroken, wordt een vooraanduiding gegeven in de vorm van
verdrijfpijlen op het wegdek voor het einde van een rijstrook,
ongeacht de eventuele aanwezigheid van een bord L5.
6.De stopstreep, zoals bedoeld in art. 79 van het RVV 1990
Toepassing en plaatsing
Voor een verkeerslicht als bedoeld in de artikelen 68 tot en met 72
van het RVV 1990 en voor een bord B7 wordt een stopstreep aangebracht
om duidelijk te maken op welke plaats door bestuurders gestopt dient
te worden.
Uitvoering
De breedte van de stopstreep die wordt aangebracht bij bord B7
bedraagt ten minste 0,30 m.
7.Haaientanden, zoals bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990
Toepassing (van zelfstandige haaientanden)
De toepassing van haaientanden met de betekenis, bedoeld in artikel
80 van het RVV 1990 (dus zonder bord B6 en eventueel tevens zonder een
bord B3, B4, B5 op een kruisende weg) is beperkt tot:
-
fietspaden en parallelwegen indien de aanwezigheid van één
van deze borden verwarring zou kunnen geven voor andere
bestuurders;
-
de ten opzichte van de doorgaande weg ondergeschikte zijtak van
een T-kruispunt, doch uitsluitend indien het informele
voorrangsgedrag overeenkomt met de voorrangsregeling.
Plaatsing (van alle haaientanden)
Haaientanden worden aangebracht op de plaats waar bestuurders bij
het verlenen van voorrang plegen te stoppen dan wel naar inzicht van
de wegbeheerder dienen te stoppen.
8.De blokmarkering, zoals bedoeld in art. 11.4 van het RVV 1990
Uitvoering
De blokmarkering, bedoeld in artikel 11.4 van het RVV 1990, is ten
minste 20 m lang. De blokken bestaan uit witte rechthoekige
markeringen.
9.De voetgangersoversteekplaats (zebra), zoals bedoeld in art. 49.2
van het RVV 1990
Toepassing
Een zebra wordt slechts toegepast:
-
op wegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30
km/h of 50 km/h en;
-
op wegen buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30
km/h mits de naderingssnelheid van minimaal 85% van de
motorvoertuigen lager is dan 50 km/h.
Uitvoering
1.Een zebra bestaat uit een dwars op de wegas aangebrachte
markering met een breedte van ten minste 4 m, bestaande uit witte
strepen met een breedte en een tussenliggende afstand van 0,4 tot 0,6
m.
2.Bij een zebra wordt, behalve bij verkeerslichten, altijd bord L2
geplaatst.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
1
Overgangsbepaling
De verkeerstekens en onderborden, die zijn geplaatst voor de datum
van inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht te zijn
geplaatst overeenkomstig de bepalingen van deze regeling.
2
Intrekking
De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni
1991, nr. RV 93679A, houdende voorschriften over de toepassing,
plaatsing en uitvoering van verkeerstekens, uitgezonderd
verkeerslichten (Stcrt. 134), wordt ingetrokken.
3
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
4
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsvoorschriften BABW
inzake verkeerstekens.
Deze
regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister
van Verkeer en Waterstaat,
A.
Jorritsma-Lebbink.
Voetnoot:
* [1]. Met dien verstande dat een geslotenverklaring voor alle
motorvoertuigen, voortvloeiend uit C1 of C12 de toepassing van de
andere zoneborden meestal overbodig maakt.
|