|
Artikelen 5.4.1 t/m
9.15
BESLUIT van 16 juni 1994, houdende uitvoering van de
Wegenverkeerswet 1994
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 juli 1992,
nr. RW 126565, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 11 maart
1993, nr. W09.92.0298);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 10 juni 1994, nr. RW 176564, Hoofddirectie van
de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende
regelingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
a. 24 GHz-kortbereikradarapparatuur:
24 GHz-kortbereikradarapparatuur als bedoeld in bijlage I, onder
punt 2.1.13, van richtlijn 72/245/EEG;
a1. aanhangwagen: voertuig dat is
bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld, met inbegrip
van een oplegger; als aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een dolly
met een oplegger;
a2. aardopwarmingsvermogen:
klimaatopwarmingsvermogen van een gefluoreerd broeikasgas ten
opzichte van dat van koolstofdioxide als bedoeld in richtlijn
2006/40/EG;
b. achterlicht: licht dat, van de
achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt
en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
c. achteruitrijlicht: licht, bestemd
voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het
waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit
rijdt of achteruit gaat rijden;
d. afsleepdolly: aanhangwagen,
bestemd voor het dragen van één van de assen van een voertuig;
d1: airbag: een inrichting in
motorvoertuigen, gemonteerd ter aanvulling van autogordels, die een
systeem bevat dat bij een ernstige botsing van het voertuig
automatisch een flexibel omhulsel opblaast dat door samendrukking
van het daarin opgesloten gas de ernst van het contact van een of
meer delen van het lichaam van een inzittende van het voertuig met
de binneninrichting van de passagiersruimte beperkt;
e. ambulance: motorrijtuig, bestemd
om te worden gebruikt voor ambulancevervoer als bedoeld in de Wet
ambulancevervoer (Stb. 1971, 369);
f. as: geheel van aslichaam met
inbegrip van wielgeleidingselementen;
f1. ashefinrichting: een op een
voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as of
assen naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te
verlagen of te verhogen;
g. asstel: combinatie van twee of
meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder
dan 1,80 m;
g1. autogordel: een geheel van banden
met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in
een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat
de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge
vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de
bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en
dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee
de gordel wordt ingetrokken;
g2. autonome aanhangwagen:
aanhangwagen met minimaal twee assen, waarvan in ieder geval één
gestuurd is, en die is uitgerust met een beweegbare trekinrichting
die het trekkend voertuig verticaal met minder dan 100 kg belast;
als autonome aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een gekoppelde
dolly met een oplegger;
h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier
of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid,
een landbouw- of bosbouwtrekker een motorrijtuig op vier wielen als
bedoeld in onderdeel q of een vierwielige bromfiets, en
1. ingericht voor het vervoer van
personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats
niet meegerekend, of
2. ingericht voor het vervoer van
goederen, of
3. ingericht voor het uitvoeren
van andere werkzaamheden, of
4. ingericht als kampeerauto;
in ieder geval wordt als bedrijfsauto
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
als bedrijfsauto is aangeduid;
h1. begrafeniswagen: motorrijtuig,
bestemd en speciaal uitgerust voor het vervoer van overledenen;
i. bermlicht: licht, bestemd voor het
verlichten van de berm rechts voor het voertuig;
j. [vervallen;]
k. bestuurde as: as die rechtstreeks
door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden
bediend;
l. bestuurd asstel: asstel dat
rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder
kan worden bediend;
l1: bevestigingspunten: de delen van
de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere
delen van het voertuig waaraan autogordels moeten worden
vastgemaakt;
m. bromfiets:
a. motorrijtuig op twee wielen,
met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet
meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een
cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met
een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW,
niet zijnde een gehandicaptenvoertuig;
b. motorrijtuig op drie wielen,
met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet
meer dan 45 km/h, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig,
uitgerust met:
1°. een motor met
elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer
dan 50 cm3,
2°. een motor met inwendige
verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4
kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of
3°. een elektromotor met een
nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW; dan
wel
c. motorrijtuig op vier wielen,
niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h
en een ledige massa van minder dan 350 kg, de massa van de
batterijen in elektrische voertuigen niet inbegrepen, uitgerust
met:
1°. een motor met
elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer
dan 50 cm3,
2°. een motor met inwendige
verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4
kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of
3°. een elektromotor met een
nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW.
In ieder geval wordt als bromfiets
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
als bromfiets is aangeduid;
n. bus: bedrijfsauto, ingericht en
blijkens het kentekenbewijs bestemd voor het vervoer van personen,
met meer dan acht zitplaatsen de bestuurderszitplaats niet
meegerekend; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een bus van
één van de volgende categorieën:
– klasse I: categorie bussen
met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder
niet meegerekend, gebouwd met ruimte voor staande passagiers,
zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen;
– klasse II: categorie bussen
met een capaciteit van meer dan 22 personen, de bestuurder niet
meegerekend, voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende
passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers
in het gangpad of op een oppervlak dat niet groter is dan de
ruimte voor twee dubbele zitplaatsen;
– klasse III: categorie bussen
met een capaciteit van meer dan 22 personen, de bestuurder niet
meegerekend, uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende
passagiers;
– klasse A: categorie bussen
met een capaciteit van ten hoogste 22 personen, de bestuurder
niet meegerekend, gebouwd voor het vervoer van staande
passagiers en tevens voorzien van zitplaatsen;
– klasse B: categorie bussen
met een capaciteit van ten hoogste 22 personen, de bestuurder
niet meegerekend, gebouwd voor het vervoer van zittende
passagiers en zonder voorzieningen voor staande passagiers.
n1. certificaat van overeenstemming:
document opgesteld door de fabrikant van een voertuig of van een
niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van een
voertuig, die houder is van een typegoedkeuring als bedoeld in
artikel 2 van richtlijn 70/156/EEG, in artikel 4, eerste lid, aanhef
en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of in artikel 4, eerste lid,
aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor dat type
voertuig of dat type niet-oorpronkelijke technische eenheid of
onderdeel, waaruit blijkt dat eerstbedoeld voertuig of
niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel overeenstemt
met het type waarvoor deze goedkeuring is verleend;
n1a. CNG-installatie: het geheel van
gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor
de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG);
n2. contourmarkering: opvallende
markering die dient om de horizontale en verticale dimensie van een
voertuig aan te geven;
n3. dagrijlicht: een licht dat
voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het
overdag rijden beter zichtbaar te maken.
o. dimlicht: licht waarmee de weg
vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere
weggebruikers worden verblind of gehinderd;
p. dolly: aanhangwagen, bestemd voor
het dragen van de voorzijde van een oplegger dan wel een deel van in
de lengte ondeelbare lading;
p1. dubbele verdamper:
klimaatregelingssysteem waarin één verdamper in de motorruimte en
een andere in een andere ruimte van het voertuig is aangebracht, met
dien verstande dat alle overige systemen worden beschouwd als
systemen met één verdamper;
q. driewielig motorrijtuig:
motorrijtuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een door de
constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of
uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van meer
dan 50 cm3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een
landbouw- of bosbouwtrekker of een gehandicaptenvoertuig; onder
driewielig motorrijtuig wordt mede verstaan een vierwielig
motorrijtuig met een motor met een netto maximum vermogen van ten
hoogste 15 kW, en met een ledige massa van ten hoogste 400 kg of 550
kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer, exclusief de
massa van de batterijen in elektrische voertuigen, niet zijnde een
vierwielig motorrijtuig als bedoeld in onderdeel m;
q1. EG-goedkeuringsmerk:
goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 92/61/EEG of
artikel 8 van richtlijn 2002/24/EG;
q2. fabrikant: persoon of organisatie
die verantwoordelijk is voor alle aspecten van de
goedkeuringsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de
productie;
q3. frontbeschermingsinrichting: een
afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak
boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig
behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met
dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met
een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter
bescherming van de lichten;
q4. Geconditioneerd voertuig:
voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht
voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en
waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm
dik zijn;
q5. gedeeltelijke contourmarkering:
contourmarkering die de horizontale dimensie van een voertuig
aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de verticale
dimensie door middel van een markering van de bovenhoeken;
q6. gefluoreerde broeikasgassen:
fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolstoffen (PFK’s) en
zwavelhexafluoride (SF6) zoals vermeld in bijlage A bij het Protocol
van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake
klimaatverandering (Trb. 1998-170, 1999-110, 2005-1), en preparaten
die deze stoffen bevatten, met uitzondering van stoffen waarvan de
controle geschiedt uit hoofde van verordening (EG) nr. 2037/2000 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni
2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEG L 244);
r. gelede bus: bus bestaande uit twee
of meer vaste delen die blijvend zijn verbonden door een
scharnierende verbinding, waarover de passagiers zich van het ene
deel naar het andere kunnen begeven;
s. gestuurde as: as die wordt
gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering
vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
t. gestuurd asstel: asstel dat wordt
gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering
vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
u. groot licht: licht dat de weg
vóór het voertuig over een grote afstand verlicht;
v. handwagen met motorvermogen:
motorrijtuig, hoofdzakelijk bestemd om te worden bestuurd door een
voetganger;
v1. herbruikbaarheid: mogelijkheid om
onderdelen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van het Besluit beheer autowrakken opnieuw te gebruiken voor
hetzelfde doel als waarvoor zij werden ontworpen;
v2. hoeklicht: licht dat wordt
gebruikt voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat
zich bij de voorhoek bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat
draaien;
w. hoofdgroeven: brede groeven in het
middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte
ongeveer drievierde deel van de breedte van het loopvlak inneemt;
x. gehandicaptenvoertuig: voertuig
dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder
is dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel waarvan de
door de constructie bepaalde maximum snelheid niet meer dan 45 km/h
bedraagt indien het voertuig is uitgerust met een motor, en niet
zijnde een bromfiets;
x1. inrichting voor indirect zicht:
een inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te
nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een
spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de
bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;
y. kampeerauto: personenauto of
bedrijfsauto, waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten
minste bestaat uit de volgende uitrusting:
1º. zitplaatsen en een tafel,
2º. slaapaccommodatie die met
behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,
3º. kookgelegenheid en
4º. opbergfaciliteiten,
welke vast in de woonafdeling zijn
bevestigd, met dien verstande dat de tafel zodanig mag zijn
ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;
z. kermis- en circusvoertuig:
voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat wordt gebruikt
voor het kermis- of circusbedrijf;
z1: kinderbeveiligingssysteem: een
geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van
riemen of flexibele componenten met een sluiting,
verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien
van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een
motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de
gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig
te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam
van de gebruiker beperkt;
z2: klapstoel: extra zitplaats om bij
gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt;
z3. klimaatregelingssysteem:
apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de
vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;
aa. lading: alle personen, dieren,
goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van
het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en
voertuiguitrustingen, het reservewiel daaronder niet begrepen;
ab. landbouw- of bosbouwtrekker:
motorrijtuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen en
een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan
6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het
bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in
beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die
voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het
trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk
motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor
landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met
zitplaatsen voor meerijders;
ab1. landbouw- of bosbouwtrekker
categorie T1: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met
een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder
bevindende as van niet minder dan 1150 mm, met een lege massa in
rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven
het wegdek van ten hoogste 1000 mm;
ab2. landbouw- of bosbouwtrekker
categorie T2: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met
een minimumspoorbreedte van minder dan 1150 mm, met een lege massa
in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte
boven het wegdek van ten hoogste 600 mm, met dien verstande dat
wanneer echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de
landbouw- of bosbouwtrekker – ten opzichte van het wegdek gemeten
–, gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van
elke as, meer dan 0,90 bedraagt, de door de constructie bepaalde
maximumsnelheid beperkt is tot 30 km/h;
ab3. landbouw- of bosbouwtrekker
categorie T3: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met
een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
ab4. landbouw- of bosbouwtrekker
categorie T4: landbouw- of bosbouwtrekker voor speciale doeleinden
op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van
niet meer dan 40 km/h;
ab5. landbouw- of bosbouwtrekker
categorie T4.2: brede landbouw- of bosbouwtrekker categorie T4 die
door zijn grote afmetingen wordt gekenmerkt en die in het bijzonder
bestemd is om grote landbouwarealen te bewerken;
ab6. landbouw- of bosbouwtrekker
categorie T5: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h;
ac. lastdrager: constructie, met
inbegrip van hulpmiddelen, die aan de bumper, op de trekhaak of op
het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig
is aangebracht en bestemd is voor het vervoer van goederen;
ad. ledige massa: massa van het
voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half
gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de
normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de
bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd,
met dien verstande dat in afwijking hiervan voor motorfietsen,
driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, die in gebruik zijn
genomen na 16 juni 1999, de ledige massa wordt bepaald met een lege
brandstoftank;
ad1. lege massa in rijklare toestand:
massa van een rijklare landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van
de kantelbeveiligingsinrichting, zonder facultatieve accessoires,
maar met koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, outillage en
bestuurder;
ad2. lijnmarkering: opvallende
markering die dient om de horizontale dimensie van een voertuig aan
te geven door middel van een doorlopende lijn;
ae. loopvlak: deel van de band dat
gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder
bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;
ae1. LPG-installatie: het geheel van
gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor
de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas
(LPG);
af. luchtband: band waarin zich in
normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere
spanning dan de atmosferische;
ag. markeringslicht: licht dat op het
breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht,
waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt
aangegeven;
ah. massa in bedrijfsklare toestand:
massa van het voertuig met carrosserie, in bedrijfsklare toestand,
met inbegrip van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof,
reservewiel, gereedschap en bestuurder; voor het vaststellen van de
massa moet de tank voor 90% zijn gevuld en wordt het gewicht van de
bestuurder op 75 kg gesteld;
ai. massieve band: band zonder
luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal;
aj. mechanische koppelinrichting:
alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten
van de carrosserie en het chassis van voertuigen, waarmee het
trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden
verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen
voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van de bovengenoemde
koppelinrichtingen;
aj1. meeneemheftruck: motorvoertuig
met beperkte snelheid, zonder laadruimte, uitgerust met een
hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen
de wielen ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan
worden ingezet;
ak. metalen band: band waarvan het
loopvlak geheel van vormvast materiaal is vervaardigd;
al. middenasaanhangwagen:
aanhangwagen waarvan de trekinrichting een onbeweeglijk deel vormt,
dan wel slechts in- en uitschuifbaar is, en waarbij, bij gelijkmatig
verdeelde lading, het trekkend voertuig door de trekinrichting van
de aanhangwagen met ten hoogste 10% van de toegestane maximum massa
van de aanhangwagen wordt belast, met een maximum van 1000 kg;
am. mistlicht aan de achterzijde:
licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter
waarneembaar maakt;
an. mistlicht aan de voorzijde:
licht, bestemd voor een betere verlichting van de weg bij mist,
sneeuwval, hevige regenval of stofwolken;
an1. mobiliteitshandicap: eigenschap
welke het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld
als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke
handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
an2. mogelijke nuttige toepassing:
mogelijkheid om met of ten aanzien van onderdelen of materialen van
autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit
beheer autowrakken de toepasselijke handelingen, bedoeld in bijlage
IIB van richtlijn 75/442/EEG, te verrichten;
ao. motorfiets: motorrijtuig op twee
wielen, met of zonder zijspanwagen, alsmede een motorrijtuig op drie
asymmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde
maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een
verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3, niet
zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt
als motorfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven
kentekenbewijs als motorfiets is aangeduid;
ap. motorrijtuig met beperkte
snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw-
of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer
van personen en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar
gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder
motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan:
a. motorrijtuig met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h,
niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets,
niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht
voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of
aan werken op, in, langs en boven wegen;
b. motorrijtuig met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h,
met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet
meegerekend, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een
bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer
aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen;
ap1. niet-oorspronkelijke technische
eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel dat behoort
tot een ander type dan waarvan het voertuig bij de goedkeuring
oorspronkelijk was voorzien en dat uitsluitend mag worden gebruikt
ter vervanging van die oorspronkelijke technische eenheid of dat
oorspronkelijke onderdeel;
aq. ondeelbare lading: lading die ten
behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen
kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico
van schade meebrengt en die wegens haar afmetingen of massa niet kan
worden vervoerd door een motorrijtuig, aanhangwagen of samenstel van
voertuigen dat in alle opzichten aan dit besluit voldoet;
aq1. onderdeel: als onderdeel van een
voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere
richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen
70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet voldoen en
waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke
typegoedkeuring mogelijk maakt onafhankelijk van een type voertuig;
aq2. oorspronkelijke technische
eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel van het type
waarvan het voertuig bij de typegoedkeuring of de uitbreiding
daarvan is voorzien;
ar. oplegger: aanhangwagen die is
bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld op zodanige
wijze, dat een deel ervan op het motorrijtuig rust en dat een
aanzienlijk deel van de massa van de oplegger en van zijn lading
door het motorrijtuig wordt gedragen;
ar1. opvallende markering: inrichting
die dient om een voertuig van de zij- of achterkant gezien meer
zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van
een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer
zich nabij deze lichtbron bevindt;
as. parkeerlicht: licht, bestemd om
de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;
at. personenauto: motorrijtuig op
vier of meer wielen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker,
een gehandicaptenvoertuig een motorrijtuig op vier wielen als
bedoeld in onderdeel q of een vierwielige bromfiets, ingericht voor
het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de
bestuurderszitplaats niet meegerekend, of een kampeerauto; in ieder
geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens
het afgegeven kentekenbewijs als personenauto is aangeduid;
at1. recycleerbaarheid: mogelijkheid
om onderdelen of materialen van autowrakken als bedoeld in artikel
1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken voor het
oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden in een
productieproces op te werken, met uitzondering van terugwinning van
energie;
at2. referentiemassa: referentiemassa
van het voertuig als bedoeld in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad
van de Europese Unie van 20 maart 1970 inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot
maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van
motorvoertuigen (PbEG L 236);
au. remlicht: licht, bestemd om
weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken
dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient;
av. retroreflector: inrichting,
bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door
weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig
behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten
bevindt;
aw. richtingaanwijzer: licht, bestemd
om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het
voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te
veranderen;
ax. richtlicht: licht waarvan de
lichtbundel naar wens kan worden gericht;
ay. rijdend werktuig: bedrijfsauto of
motorrijtuig met beperkte snelheid, ingericht voor het uitvoeren van
in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of
personen;
az. samenstel van voertuigen:
trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;
ba. stadslicht: licht dat, van de
voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en
een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
ba0. taxi: motorrijtuig, bestemd om
te worden gebruikt voor taxivervoer als bedoeld in de Wet
Personenvervoer 2000 en dat blijkens het kentekenbewijs is ingericht
als taxi;
ba1. technische eenheid: als
onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van
een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de
richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet
voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een
afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt uitsluitend in
samenhang met een of meer bepaalde typen voertuigen;
ba2. T100-bus: bus, ten aanzien
waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs dan wel uit het
kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in
aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 km/h;
bb. trekker: bedrijfsauto, voorzien
van een koppeling, bestemd voor het voortbewegen van een oplegger;
bb1. verlicht transparant:
verlichting op een voertuig dat uitsluitend informatie biedt over de
bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen
weergeeft voor het overige wegverkeer;
bb2. vernieuwde banden: banden als
bedoeld in ECE-reglement 108 en ECE-reglement 109;
bc. vervangingskatalysator: een
katalysator of een samenstel van katalysatoren die bestemd is of
zijn om een originele katalysator op een voertuig te vervangen en
waarvoor als technische eenheid volgens de definitie in artikel 4,
eerste lid, onderdeel d, van richtlijn 70/156/EEG of artikel 2,
vijfde lid, van richtlijn 2002/24/EG typegoedkeuring kan worden
verleend;
bc1. verwarmingssysteem op brandstof:
verwarmingssysteem dat rechtstreeks op vloeibare of gasvormige
brandstof werkt en geen gebruik maakt van de door de aandrijfmotor
van het voertuig voortgebrachte afvalwarmte;
bd. voertuig: motorrijtuig,
aanhangwagen, fiets, zijspanwagen, wagen of andere constructie, niet
bestemd om langs spoorstaven te worden voortbewogen; onder een
andere constructie wordt niet verstaan een kinderwagen,
niet-gemotoriseerde rolstoel, kruiwagen of soortgelijke kleine
constructie;
bd1. volledige contourmarkering:
contourmarkering die de omtrek van het voertuig aangeeft door middel
van een doorlopende lijn;
bd2. vooruitkijkspiegel: een spiegel
van klasse VI als bedoeld in bijlage I, punt 1.1.1.14 van richtlijn
2003/97/EG;
be. waarschuwingsknipperlicht:
gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te
geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor
andere weggebruikers;
bf. wagens: voertuigen, met
uitzondering van motorrijtuigen, aanhangwagens, niet-gemotoriseerde
gehandicaptenvoertuigen, fietsen en zijspanwagens, doch met inbegrip
van handwagens met motorvermogen;
bg. werklicht: licht, bestemd voor
het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht;
bh. wet: Wegenverkeerswet 1994;
bi. wielbasis:
1. ten aanzien van vóór 1 april
1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig
aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen
het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of
van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart
van het laatste samenstel van assen,
2. ten aanzien van na 31 maart
1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers: de
horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig
gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de
laatste as van het voertuig,
3. ten aanzien van na 31 maart
1983 in gebruik genomen opleggers: de horizontaal, evenwijdig
aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen
de verticale hartlijn van de koppelingspen en het hart van de
laatste as;
bj. zelfsturende as: as die wordt
gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de
wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan
van het voertuig volgen;
bk. zelfsturend asstel: asstel dat
wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het
wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de
cirkelbaan van het voertuig volgen;
bl. zijmarkeringslicht: licht dat,
van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar
maakt;
bm. zijspanwagen: voertuig,
afneembaar verbonden aan de zijkant van een fiets, bromfiets of
motorfiets;
bn. zitbank: een constructie, die
plaats biedt aan tenminste twee volwassenen;
bo. zitplaats: constructie die al dan
niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig,
die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat
de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een
gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die
afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid:
1. naar voren gerichte zitplaats:
zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in
beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is
gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van
minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van
het voertuig;
2. naar achteren gerichte
zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het
voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van
het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats
een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het
middenlangsvlak van het voertuig;
3. zijdelings gerichte zitplaats:
zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het
middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen
1 en 2;
Artikel 1.1a
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:
a. verordening 3821/85/EEG:
verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het
controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
b. richtlijn 70/156/EEG: richtlijn
nr. 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6
februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen
en aanhangwagens daarvan (PbEG L 24);
b1. richtlijn 70/220/EEG: richtlijn
nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20
maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der
Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden
genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van
motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
c. richtlijn 70/221/EEG: richtlijn
nr. 70/221/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20
maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende reservoirs voor vloeibare brandstof en
beschermingsinrichtingen aan de achterzijde van motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan (PbEG L 76);
d. richtlijn 70/222/EEG: richtlijn
nr. 70/222/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20
maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de plaats en het aanbrengen van de
achterste kentekenplaten van motorvoertuigen en aanhangwagens
daarvan (PbEG L 76);
e. richtlijn 70/311/EEG: richtlijn
nr. 70/311/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8
juni 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de stuurinrichtingen van motorvoertuigen
en aanhangwagens daarvan (PbEG L 133);
f. richtlijn 70/387/EEG: richtlijn
nr. 70/387/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende deuren van motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan (PbEG L 176);
g. richtlijn 70/388/EEG: richtlijn
nr. 70/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de geluidssignaalinrichting van
motorvoertuigen (PbEG L 176);
h. richtlijn 71/127/EEG: richtlijn
nr. 71/127/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1
maart 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende achteruitkijkspiegels van
motorvoertuigen (PbEG L 68);
i. richtlijn 71/320/EEG: richtlijn
nr. 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26
juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde
categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L
202);
j. richtlijn 72/245/EEG: richtlijn
nr. 72/245/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20
juni 1972 betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring
(elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L 152);
k. richtlijn 74/60/EEG: richtlijn
nr. 74/60/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen
(delen van het interieur met uitzondering van
achteruitkijkspiegel(s), plaats van de bedieningsorganen, dak of
rol- of schuifdak, rugleuning en achterzijde van de zitplaatsen) (PbEG
L 38);
l. richtlijn 74/61/EEG: richtlijn
nr. 74/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten betreffende de inrichtingen ter beveiliging tegen
het gebruik van motorvoertuigen door onbevoegden (PbEG L 38);
l1. richtlijn 74/151/EEG: richtlijn
nr. 74/151/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4
maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van
landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
l2. richtlijn 74/152/EEG: richtlijn
nr. 74/152/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4
maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de door de constructie bepaalde
maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
m. richtlijn 74/297/EEG: richtlijn
nr. 74/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4
juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen
(gedrag van de stuurinrichting bij botsingen) (PbEG L 165);
m1. richtlijn 74/346/EEG: richtlijn
nr. 74/346/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25
juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw-
of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 191);
n. richtlijn 74/408/EEG: richtlijn
nr. 74/408/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22
juli 1974 met betrekking tot de zitplaatsen en de bevestiging en
hoofdsteunen daarvan in motorvoertuigen (PbEG L 221);
o. richtlijn 74/483/EEG: richtlijn
nr. 74/483/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
september 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
van de Lid-Staten betreffende de naar buiten uitstekende delen van
motorvoertuigen (PbEG L 266);
o1. richtlijn 75/321/EEG: richtlijn
nr. 75/321/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20
mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de
Lid-Staten betreffende de stuurinrichting van landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147);
o2. richtlijn 75/322/EEG: richtlijn
nr. 75/322/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20
mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende de onderdrukking van radiostoringen
veroorzaakt door motoren met elektrische ontstekingen van
landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147);
o3. richtlijn 75/442/EEG: richtlijn
nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15
juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194);
p. richtlijn 75/443/EEG: richtlijn
nr. 75/443/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26
juni 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende de achteruitrijinrichtingen en de
snelheidsmeter van motorvoertuigen (PbEG L 196);
q. richtlijn 76/114/EEG: richtlijn
nr. 76/114/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18
december 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake de voorgeschreven platen en
gegevens, en de plaats en wijze waarop zij op motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan moeten worden aangebracht (PbEG 1976, L 24);
r. richtlijn 76/115/EEG: richtlijn
nr. 76/115/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18
december 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten betreffende bevestigingspunten voor
veiligheidsgordels van motorvoertuigen (PbEG 1976, L 24);
r1. richtlijn 76/432/EEG: richtlijn
nr. 76/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6
april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 122);
s. richtlijn 76/756/EEG: richtlijn
nr. 76/756/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings- en
lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens
daarvan (PbEG L 262);
t. richtlijn 76/757/EEG: richtlijn
nr. 76/757/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende retroflectoren voor motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
u. richtlijn 76/758/EEG: richtlijn
nr. 76/758/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende markeringslichten, breedtelichten,
achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten
van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 27 september
1976, L 262);
v. richtlijn 76/759/EEG: richtlijn
nr. 76/759/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende richtingaanwijzers van motorvoertuigen
en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
w. richtlijn 76/760/EEG: richtlijn
nr. 76/760/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende de achterkentekenplaatverlichting van
motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
x. richtlijn 76/761/EEG: richtlijn
nr. 76/761/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor
groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische
gloeilampen voor deze koplichten (PbEG L 262);
y. richtlijn 76/762/EEG: richtlijn
nr. 76/762/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende mistlichten voor alsmede lampen daarvan,
voor motorvoertuigen (PbEG L 262);
y1. richtlijn 76/763/EEG: richtlijn
nr. 76/763/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op
landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 262);
y2. richtlijn 77/311/EEG: richtlijn
nr. 77/311/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29
maart 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van
bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L
105);
z. richtlijn 77/389/EEG: richtlijn
nr. 77/389/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
mei 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten inzake sleepinrichtingen voor motorvoertuigen (PbEG
L 145);
z1. richtlijn 77/536/EEG: richtlijn
nr. 77/536/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28
juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op
landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 220);
aa. richtlijn 77/538/EEG: richtlijn
nr. 77/538/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28
juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende de mistlichten achter van motorvoertuigen
en aanhangwagens daarvan (PbEG L 220);
ab. richtlijn 77/539/EEG: richtlijn
nr. 77/539/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28
juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende achteruitrijlichten van motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan (PbEG L 220);
ac. richtlijn 77/540/EEG: richtlijn
nr. 77/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28
juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lid-Staten betreffende parkeerlichten van motorvoertuigen (PbEG L
220);
ad. richtlijn 77/541/EEG: richtlijn
nr. 77/541/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28
juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen
in motorvoertuigen (PbEG L 220);
ae. richtlijn 77/649/EEG: richtlijn
nr. 77/649/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
september 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake het zichtveld van de bestuurder
van motorvoertuigen (PbEG L 267);
af. richtlijn 78/316/EEG: richtlijn
nr. 78/316/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21
december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen
(identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters)
(PbEG 1978, L 81);
ag. richtlijn 78/317/EEG: richtlijn
nr. 78/317/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21
december 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake ontdooiings- en
ontwasemingsinrichtingen voor het glasoppervlak van
motorvoertuigen (PbEG 1978, L 81);
ah. richtlijn 78/318/EEG: richtlijn
nr. 78/318/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21
december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten betreffende ruitewissers en ruitesproeiers van
motorvoertuigen (PbEG 1978, L 81);
ai. richtlijn 78/548/EEG: richtlijn
nr. 78/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12
juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
van de Lid-Staten inzake de verwarming van het interieur van
motorvoertuigen (PbEG L 168), naar de tekst zoals deze luidde op 8
mei 2004;
aj. richtlijn 78/549/EEG: richtlijn
nr. 78/549/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12
juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
van de Lid-Staten inzake de wielafschermingen van motorvoertuigen
(PbEG L 168);
aj1. richtlijn 78/764/EEG:
richtlijn nr. 78/764/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing
van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de
bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG
L 255);
ak. richtlijn 78/932/EEG: richtlijn
nr. 78/932/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16
oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van
motorvoertuigen (PbEG L 325);
ak1. richtlijn 78/933/EEG:
richtlijn nr. 78/933/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 17 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing
van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van
verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 325);
ak2. richtlijn 79/532/EEG:
richtlijn nr. 79/532/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de onderdeelgoedkeuring
van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 145);
ak3. richtlijn 79/533/EEG:
richtlijn nr. 79/533/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de sleepinrichting en de
achteruitrijinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op
wielen (PbEG L 145);
ak4. richtlijn 79/622/EEG:
richtlijn nr. 79/622/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 25 juni 1979 inzake de onderlinge aanpassing
van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de
kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op
wielen (statische proeven; PbEG L 179);
ak5. richtlijn 80/720/EEG:
richtlijn nr. 80/720/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 24 juni 1980 inzake de onderlinge aanpassing
van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de bedieningsruimte,
de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van
landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 194);
al. richtlijn 80/780/EEG: richtlijn
nr. 80/780/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22
juli 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende achteruitkijkspiegels van tweewielige
motorvoertuigen, met of zonder zijspan, en de bevestiging ervan op
deze voertuigen (PbEG L 229);
am. richtlijn 80/1268/EEG:
richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de emissie van
kooldioxide en het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L
375);
an. richtlijn 80/1269/EEG:
richtlijn nr. 80/1269/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het
motorvermogen van motorvoertuigen (PbEG L 375);
an1. richtlijn 86/297/EEG:
richtlijn nr. 86/297/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 mei 1986 inzake de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende aftakassen en de
beveiliging daarvan bij landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG
L 186);
an2. richtlijn 86/298/EEG:
richtlijn nr. 86/298/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 mei 1986 betreffende
kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of
bosbouwsmalspoortrekkers (PbEG L 186);
an3. richtlijn 86/415/EEG:
richtlijn nr. 86/415/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 24 juli 1986 betreffende de installatie,
plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van
landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 240);
an4. richtlijn 87/402/EEG:
richtlijn nr. 87/402/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 25 juni 1987 betreffende vóór de
bestuurderszitplaats bevestigende kantelbeveiligingsinrichtingen
voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (PbEG L 220);
an5. richtlijn 89/173/EEG:
richtlijn nr. 89/173/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 21 december 1988 inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende
bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers
op wielen (PbEG L 67);
ao. richtlijn 89/297/EEG: richtlijn
nr. 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13
april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van
de Lid-Staten betreffende de zijdelingse afscherming (zijdelingse
beschermingsinrichtingen) bij bepaalde motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan (PbEG L 124);
ap. richtlijn 92/6/EEG: richtlijn
nr. 92/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10
februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de
Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën
motorvoertuigen (PbEG L 57);
aq. richtlijn 92/21/EEG: richtlijn
nr. 92/21/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31
maart 1992 betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen
van categorie M1 (PbEG L 129);
ar. richtlijn 92/22/EEG: richtlijn
nr. 92/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31
maart 1992 betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten
van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 129);
as. richtlijn 92/23/EEG: richtlijn
nr. 92/23/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31
maart 1992 betreffende banden voor motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan alsmede betreffende de montage ervan (PbEG L
129);
at. richtlijn 92/24/EEG: richtlijn
nr. 92/24/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31
maart 1992 betreffende snelheidsbegrenzers of soortgelijke
begrenzingssystemen voor bepaalde categorieën motorvoertuigen (PbEG
L 129);
au. richtlijn 92/61/EEG: richtlijn
nr. 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30
juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige
motorvoertuigen (PbEG L 225);
av. richtlijn 92/114/EEG: richtlijn
nr. 92/114/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
december 1992 betreffende de naar buiten uitstekende delen die
zich vóór de achterwand van de cabine van motorvoertuigen van
categorie N bevinden (PbEG L 409);
aw. richtlijn 93/14/EEG: richtlijn
nr. 93/14/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5
april 1993 betreffende de reminrichting van twee- of driewielige
motorvoertuigen (PbEG L 121);
ax. richtlijn 93/29/EEG: richtlijn
nr. 93/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1993 betreffende de identificatie van bedieningsorganen,
verklikkerlichten en meters van motorvoertuigen op twee of drie
wielen (PbEG L 188);
ay. richtlijn 93/30/EEG: richtlijn
nr. 93/30/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1993 betreffende de geluidssignaalinrichting van
motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 188);
az. richtlijn 93/31/EEG: richtlijn
nr. 93/31/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1993 betreffende de standaard van motorvoertuigen op twee
wielen (PbEG L 188);
ba. richtlijn 93/32/EEG: richtlijn
nr. 93/32/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1993 betreffende het beveiligingssysteem voor passagiers van
motorvoertuigen op twee wielen (PbEG L 188);
bb. richtlijn 93/33/EEG: richtlijn
nr. 93/33/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1993 betreffende de inrichting ter beveiliging tegen het
gebruik door onbevoegden van motorvoertuigen op twee of drie
wielen (PbEG L 188);
bc. richtlijn 93/34/EEG: richtlijn
nr. 93/34/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1993 betreffende de voorgeschreven opschriften op twee- of
driewielige motorvoertuigen (PbEG L 188);
bd. richtlijn 93/92/EEG: richtlijn
nr. 93/92/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29
oktober 1993 betreffende de installatie van de verlichtings- en
lichtsignaalinrichtingen op twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG
L 311);
be. richtlijn 93/93/EEG: richtlijn
nr. 93/93/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29
oktober 1993 betreffende de massa's en afmetingen van twee- of
driewielige motorvoertuigen (PbEG L 311);
bf. richtlijn 93/94/EEG: richtlijn
nr. 93/94/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29
oktober 1993 betreffende de plaats van voor de montage van de
achterste kentekenplaat van twee- of driewielige motorvoertuigen
(P.B. L 311);
bg. richtlijn 94/20/EG: richtlijn
nr. 94/20/EG van het Europese Parlement en van de Europese Unie
van 30 mei 1994 betreffende mechanische koppelinrichtingen van
motorvoertuigen en aanhangwagens en de bevestiging van die
inrichtingen aan deze voertuigen (PbEG L 195);
bh. richtlijn 95/1/EG: richtlijn
nr. 95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie
bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het
netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG
L 52);
bi. richtlijn 95/28/EG: richtlijn
nr. 95/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 24 oktober 1995 inzake de verbrandingseigenschappen van
bij de inwendige constructie van bepaalde categorieën
motorvoertuigen gebruikte materialen (PbEG L 281);
bj. richtlijn 96/27/EG: richtlijn
nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 20 mei 1996 betreffende de bescherming van de inzittenden
van motorvoertuigen bij zijdelingse botsingen en houdende
wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 169);
bk. richtlijn 96/79/EG: richtlijn
nr. 96/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 16 december 1996 betreffende de bescherming van de
inzittenden van motorvoertuigen bij frontale botsingen en houdende
wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG) (PbEG 1997 L 18);
bl. richtlijn 97/24/EG: richtlijn
nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of
eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L
226);
bm. richtlijn 97/27/EG: richtlijn
nr. 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 22 juli 1997 betreffende de massa's en afmetingen van
bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en
tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 233);
bn. richtlijn 98/14/EG: richtlijn
nr. 98/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6
februari 1998 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek
van richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende de
goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L
91);
bo. richtlijn 98/91/EG: richtlijn
nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke
goederen over de weg en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG
(PbEG L 11);
bp. richtlijn 2000/7/EG: richtlijn
nr. 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de snelheidsmeter van
twee- of driewielige motorvoertuigen en houdende wijziging van
Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige
motorvoertuigen (PbEG L 106);
bq. richtlijn 2000/40/EG: richtlijn
nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting
aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende
wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203);
br. richtlijn 2001/56/EG: richtlijn
2001/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 27 september 2001 inzake de verwarming van
motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van
richtlijn 70/156/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn
78/548/EEG van de Raad (PbEG L 292);
bs. richtlijn 2001/85/EG: richtlijn
nr. 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20
november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen
bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht
zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot
wijziging van Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad en van
richtlijn 97/27/EG (PbEG L 42);
bt. richtlijn 2002/24/EG: richtlijn
2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002
betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige
motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG (PbEU L
124);
bu. richtlijn 2003/37/EG: richtlijn
nr. 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van
landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare
getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden
daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PbEU
L 171);
bv. richtlijn 2003/97/EG: richtlijn
nr. 2003/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10
november 2003 (PbEG L 25) betreffende de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen van de lidstaten inzake de typegoedkeuring van
inrichtingen voor indirect zicht en van voertuigen met deze
inrichtingen, tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG en tot
intrekking van Richtlijn 71/127/EEG;
bw. richtlijn 2003/102/EG:
richtlijn nr. 2003/102/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 17 november 2003 betreffende de bescherming van voetgangers en
andere kwetsbare weggebruikers voor en bij een botsing met een
motorvoertuig en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van
de Raad (PbEG L 321);
bx. richtlijn 2005/55/EG: richtlijn
2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september
2005 inzake typegoedkeuring van zware bedrijfsvoertuigen en
motoren voor wat betreft hun emissies (Euro IV en V)(PbEU L 275);
bx1. richtlijn 2005/64/EG:
richtlijn nr. 2005/64/EG van het Europees parlement en de Raad van
de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de
typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid,
recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing en tot wijziging
van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 310);
by. richtlijn 2005/66/EG: richtlijn
nr. 2005/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende het gebruik van
frontbeschermingsinrichtingen op motorvoertuigen en houdende
wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 309);
bz. richtlijn nr. 2006/40/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei
2006 (PbEU L 161) betreffende emissies van
klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende
wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van de Europese
Unie;
ca. richtlijn 2008/2/EG: richtlijn
nr. 2008/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari
2008 betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw-
of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 24).
2. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:
a. ECE-reglement 104: VN/ECE-reglement
nr. 104 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van
retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en
hun aanhangwagens, behorende bij de overeenkomst betreffende het
aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen,
uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht
en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor
wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze
eisen;
b. ECE-reglement 108: VN/ECE-reglement
nr. 108 met uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van
de productie van coverbanden voor motorvoertuigen en aanhangwagens
daarvan;
c. ECE-reglement 109: VN/ECE-reglement
nr. 109 met uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van
de productie van coverbanden voor bedrijfsvoertuigen en
aanhangwagens daarvan.
Artikel 1.2
1. Voor de vaststelling van afmetingen
van voertuigen die bij of krachtens dit besluit zijn voorgeschreven of
toegestaan, wordt verstaan onder:
a. as: de horizontale lijn die
loodrecht staat op het middenlangsvlak van het voertuig en gaat
door het midden van één of meer wielen wanneer deze zich in de
stand van rechtuitrijden bevinden;
b. breedte van een voertuig: de
horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die evenwijdig
lopen aan het middenlangsvlak van het voertuig en gaan door de
uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, gemeten in de
stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en
de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten;
c. hoogte van een voertuig: de
verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat
gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een
horizontaal wegdek in de rijstand;
d. lengte van een voertuig of
samenstel van voertuigen: de horizontale afstand tussen twee
verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van
het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de
uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel,
gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek;
de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten
beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor
het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet
gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen
afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten.
2. Onverminderd het eerste lid worden
bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto's en
aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg,
met uitzondering van aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers
of achter motorrijtuigen met beperkte snelheid, die krachtens dit
besluit zijn voorgeschreven of toegestaan, de door Onze Minister bij
ministeriële regeling aan te wijzen delen en onderdelen buiten
beschouwing gelaten.
Artikel 1.3
1. De wielbasis van een voertuig wordt
gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het
wegdek en in de stand van rechtuitrijden. Indien van fabriekswege de
wielbasis links en rechts verschilt, wordt als wielbasis de gemiddelde
waarde aangemerkt.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede
de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in
afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het
voertuig.
Artikel 1.4
1. Voor de bepaling van het aantal
wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn
gemonteerd, aangemerkt als één wiel.
2. In afwijking van het eerste lid
worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen,
driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as
gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de
middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is
dan 460 mm.
Artikel 1.5
1. Voor de bepaling van het aantal
lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of
meer al dan niet identieke lichten die:
a. dezelfde functie vervullen,
b. licht van dezelfde kleur
uitstralen, en
c. een verlichtingsinrichting
vormen waarvan de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een
zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak
van de kleinste rechthoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van
de lichten kan worden beschreven.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid geldt voor lichten waarvoor een goedkeuring als bedoeld in
richtlijn 76/756/EEG is vereist, tevens dat een dergelijke combinatie
als één enkel licht is goedgekeurd.
3. Het eerste lid, voorzover dit
betrekking heeft op voertuigen die niet vallen onder richtlijn
92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG, en het tweede lid zijn niet van
toepassing op groot licht, dimlicht en mistlichten aan de voorzijde.
Artikel 1.6
Met betrekking tot de verlichting moet
voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het
punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste
afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.
Artikel 1.7
1. De vermelding bij of krachtens dit
besluit, voorzover daarbij niet anders is aangegeven, van een
EEG-richtlijn omvat mede elke in het kader van de Europese
Gemeenschappen tot stand gekomen richtlijn tot wijziging van die
richtlijn. Het totstandkomen van een dergelijke richtlijn wordt door
Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
2. Een wijziging van een richtlijn als
bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van dit besluit
in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij
Onze Minister een eerder tijdstip van inwerkingtreding bepaalt. Indien
een wijzigingsrichtlijn of een gewijzigde richtlijn de lidstaten
verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk
bepalen van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van
die wijzigingsrichtlijn respectievelijk gewijzigde richtlijn, wordt
deze eveneens door Onze Minister bepaald.
3. De in het eerste lid bedoelde
bekendmaking vermeldt de vindplaats van de wijzigingsrichtlijn, het
artikel of artikelonderdeel waarop de wijziging betrekking heeft,
alsmede het in het tweede lid bedoelde tijdstip van inwerkingtreding
van de wijzigingsrichtlijn en in voorkomend geval het tijdstip van de
toepassing van het in de desbetreffende bekendmaking daarbij te
vermelden deelaspect van de wijzigingsrichtlijn of de gewijzigde
richtlijn.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de reglementen van de
Economische Commissie voor Europa (ECE-Reglementen), met dien
verstande dat Onze Minister zorg draagt voor de vertaling van deze
gewijzigde reglementen en van de wijze van bekendmaking mededeling
doet in de Staatscourant.
Artikel 1.8
Waar in hoofdstuk 3 wordt bepaald dat
voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter
bescherming van bestuurders en passagiers moeten voldoen aan het
bepaalde in een EEG-richtlijn, mag in plaats daarvan worden voldaan aan
voorschriften die door de Raad van de Europese Gemeenschappen
overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG als
gelijkwaardig zijn erkend en in het Publikatieblad van de Europese
Gemeenschappen zijn bekendgemaakt.
Artikel 1.9
Indien van een voertuig het
identificatienummer, bedoeld in de hoofdstukken 3 en 5, geheel of ten
dele onleesbaar is geworden of teniet is gegaan, kan vanwege Onze
Minister van Financiën een nieuw identificatienummer als bedoeld in
richtlijn 76/114/EEG worden ingeslagen.
Artikel 1.10
1. Onder de datum waarop een voertuig
in gebruik is genomen, wordt in dit besluit verstaan de datum van
eerste toelating van het voertuig.
2. Voor voertuigen waarvoor vóór 1
januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum van
eerste toelating is vermeld, wordt als datum van eerste toelating
beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel
I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder
"bijzonderheden" een bouwjaar is vermeld, wordt als datum
van eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
3. Onze Minister stelt regels vast
omtrent de wijze waarop de in het eerste lid genoemde datum van eerste
toelating wordt bepaald.
Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in
verband met het in de handel brengen
Artikel 1a.1
1. Het is met ingang van 1 oktober 2002
tot 20 oktober 2007 verboden nieuwe personenauto's die niet vergezeld
gaan van een krachtens richtlijn nr. 70/156/EEG verleend certificaat
van overeenstemming waaruit blijkt dat ter zake van autogordels en
bevestigingssystemen wordt voldaan aan de eisen van richtlijn nr.
77/541/EEG zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2000/3/EG van de
Commissie van 22 februari 2000 (PbEG L 53) tot aanpassing aan de stand
van de techniek van richtlijn nr. 77/541/EEG van de Raad betreffende
veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen, in
voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, behoudens
in geval een beroep wordt gedaan op artikel 8, tweede lid, van
richtlijn nr. 70/156/EEG.
2. Met ingang van 20 oktober 2007 is
het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad
te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor
wat betreft de installatie van veiligheidsgordels of
beveiligingssystemen niet voldoen aan richtlijn 77/541/EEG en
voorzover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig
certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
van richtlijn 70/156/EEG.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor
krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en
die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
Artikel 1a.2
1. Het is tot 9 november 2004 de
fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een
bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel
van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of
onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn
92/61/EG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te
bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of
het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van
overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A,
van die richtlijn.
2. Het is met ingang van 9 november
2004 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een
bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel
van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of
onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn
92/61/EEG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te
bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of
het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van
overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A,
van richtlijn 2002/24/EG.
3. Het is met ingang van 9 november
2003 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een
bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel
van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of
onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn
2002/24/EG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te
bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of
het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van
overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A,
van die richtlijn.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn
niet van toepassing indien de daar bedoelde technische eenheden of
onderdelen zijn voorzien van een EG-goedkeuringsmerk overeenkomstig
richtlijn 92/61/EG of richtlijn 2002/24/EG.
5. Het eerste tot en met derde lid zijn
niet van toepassing op fietsen met trapondersteuning, voorzien van een
elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW
waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt
onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of
eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, en technische
eenheden of onderdelen daarvan.
Artikel 1a.3
1. Het is verboden nieuwe bromfietsen
te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren indien
deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type, bedoeld in artikel
4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG.
2. Het is verboden nieuwe technische
eenheden of onderdelen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of
bromfietsen te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te
leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn
2002/24/EG.
3. Het eerste en tweede lid zijn tot 1
december 2003 niet van toepassing op bromfietsen en technische
eenheden of onderdelen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of
bromfietsen ten aanzien waarvan een nationale typegoedkeuring is
verleend.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op fietsen met trapondersteuning, voorzien van een
elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW
waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt
onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of
eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, en technische
eenheden of onderdelen daarvan.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing op bromfietsen ten aanzien waarvan een goedkeuring voor een
individueel voertuig als bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet
1994 is verleend of op bromfietsen met een door de constructie
bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en technische eenheden
of onderdelen daarvan voor zover deze bestemd zijn om op deze
bromfietsen te worden gemonteerd.
Artikel 1a.4
1. Met ingang van 10 augustus 2003 is
het verboden nieuwe bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een
toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg te koop aan te bieden,
af te leveren of in te voeren indien deze niet voldoen aan de
voorschriften van richtlijn 2000/40/EG.
2. Met ingang van 10 augustus 2003 is
het verboden beschermingsinrichtingen aan de voorzijde tegen
klemrijden als bedoeld in richtlijn 2000/40/EG te koop aan te bieden,
af te leveren of in te voeren als technische eenheid, indien deze niet
zijn goedgekeurd overeenkomstig richtlijn 2000/40/EG.
3. Met ingang van 11 maart 2010 is het
verboden nieuwe personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens in
voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien
deze wat betreft de bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden
niet voldoen aan Richtlijn 70/221/EEG.
4. Met ingang van 11 maart 2010 is het
verboden beschermingsinrichtingen tegen klemrijden die bestemd zijn om
aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s of
aanhangwagens te worden gemonteerd, als technische eenheden in
voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien
deze niet voldoen aan Richtlijn 70/221/EEG.
Artikel 1a.5
1. Met ingang van 4 februari 2005 is
het verboden nieuwe personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens
die ter zake van banden niet voldoen aan richtlijn nr. 92/23/EEG, te
koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
2. Met ingang van 1 oktober 2009 is het
verboden nieuwe banden, bestemd voor montage op personenauto's,
bedrijfsauto's of aanhangwagens, die niet voldoen aan richtlijn nr.
92/23/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
3. In afwijking van het tweede lid is
het daarin bedoelde verbod voor banden van de klassen C1d en C1e als
bedoeld in bijlage V, punt 2.4 en 4.2.1, van richtlijn nr. 92/23/EEG,
van toepassing met ingang van 1 oktober 2010, respectievelijk 1
oktober 2011.
4. Het is verboden vernieuwde banden,
bestemd voor montage op personenauto’s, bedrijfsauto’s of
aanhangwagens, waarvan het productieproces niet voldoet aan
ECE-reglement 108 of 109, te koop aan te bieden, af te leveren of in
te voeren.
Artikel 1a.6
1. Het is verboden veiligheidsruiten of
materialen voor ruiten, bestemd voor montage op nieuwe personenauto's,
bedrijfsauto's of aanhangwagens, die niet voldoen aan richtlijn
92/22/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, geldt niet voor veiligheidsruiten en materialen voor ruiten:
a. bestemd voor montage op
voertuigen waarop richtlijn 70/156/EEG niet van toepassing is of
die met betrekking tot dit aspect van de toepassing van deze
richtlijn zijn vrijgesteld;
b. die voldoen aan artikel 2,
vierde lid van richtlijn nr. 2001/92/EG van de Europese Commissie
van 30 oktober 2001 tot aanpassing aan de technische vooruitgang
van Richtlijn 92/22/EEG van de Raad betreffende veiligheidsruiten
en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens
daarvan en van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad betreffende de
goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L
291).
Artikel 1a.7
1. Het is verboden om
radarontvangstapparaten die geschikt zijn om de aanwezigheid aan te
tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de
maximumsnelheid vast te stellen, in te voeren, te koop aan te bieden,
in voorraad te hebben of af te leveren.
2. Het eerste lid geldt niet voor de
apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van
handelsbescheiden wordt aangetoond dat de apparaten aansluitend worden
uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 1a.8
1. Met ingang van 9 mei 2005 is het
verboden nieuwe personenauto's te koop aan te bieden, in voorraad te
hebben of af te leveren, indien deze zijn voorzien van een
verwarmingssysteem dat niet voldoet aan richtlijn 2001/56/EG.
2. Met ingang van 9 mei 2005 is het
verboden verwarmingssystemen op brandstof voor personenauto's,
bedrijfsauto's en aanhangwagens te koop aan te bieden, in voorraad te
hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn
2001/56/EG.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op voertuigen waarvoor krachtens artikel 2.2 een
goedkeuring is verleend en deze voertuigen voldoen aan de krachtens
dat artikel gestelde eisen.
Artikel 1a.9
1. Met ingang van 25 mei 2007 is het
verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa van
niet meer dan 3500 kg of nieuwebedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, in
voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien
deze wat betreft frontbeschermingsinrichtingen niet voldoen aan
richtlijn 2005/66/EG, en, voor zover daarin is voorzien, niet
vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
2. Met ingang van 25 mei 2007 is het
verboden frontbeschermingsinrichtingen die als technische eenheden
bestemd zijn voor personenauto’s of bedrijfsauto’s als bedoeld in
het eerste lid, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te
leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 2005/66/EG.
3. Met ingang van 31 december 2012 is
het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa
van niet meer dan 2500 kg en bedrijfsauto’s die van een personenauto
zijn afgeleid, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2500
kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren,
indien deze niet voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I van
richtlijn 2003/102/EG.
4. Met ingang van 1 september 2015 is
het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa
van niet meer dan 2500 kg en bedrijfsauto’s die van een personenauto
zijn afgeleid, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2500
kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren,
indien deze niet voldoen aan punt 3.2 van bijlage I van richtlijn
2003/102/EG.
Artikel 1a.10
1. Het is met ingang van 1 januari 2005
verboden bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer
dan 3.500 kg of bussen te koop aan te bieden, af te leveren of in te
voeren, indien de snelheidsbegrenzer of het ingebouwde
snelheidsbegrenzingssysteem niet voldoet aan het bepaalde in richtlijn
92/24/EEG.
2. Het is met ingang van 1 januari 2005
verboden snelheidsbegrenzers of ingebouwde
snelheidsbegrenzingssystemen, bestemd voor het gebruik in bedrijfsauto’s
met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg of in bussen,
te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren, indien deze niet
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG.
Artikel 1a.11
1. Met ingang van 26 januari 2007 is
het verboden nieuwe bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met
een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die ter zake van een
inrichting voor indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG
te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
2. Met ingang van 26 januari 2010 is
het verboden nieuwe personenauto’s of nieuwe bedrijfsauto’s, met
uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 3500 kg die ter zake van een inrichting voor indirect zicht
niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te
leveren of in te voeren.
3. Met ingang van 26 januari 2007 is
het verboden nieuwe bussen die ter zake van een inrichting voor
indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te
bieden, af te leveren of in te voeren.
4. Met ingang van 26 januari 2007 is
het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op
bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg, die niet voldoen aan richtlijn
2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
5. Met ingang van 26 januari 2010 is
het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op
personenauto’s of op bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen,
met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die niet
voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren
of in te voeren.
6. Met ingang van 26 januari 2007 is
het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op
bussen, die niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te
bieden, af te leveren of in te voeren.
7. Het vijfde en het zesde lid zijn
niet van toepassing op inrichtingen voor indirect zicht bestemd voor
voertuigen waarvoor krachtens artikel 2.2 een goedkeuring is verleend
en welke voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
Artikel 1a.12
1. Met ingang van 1 januari 2006, of 1
januari 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft, is
het verboden nieuwe bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet
zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500
kg en met een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van
niet meer dan 1305 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of
af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 80/1268/EEG.
2. Met ingang van 1 januari 2008, of 1
januari 2009 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft, is
het verboden nieuwe bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet
zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500
kg en met een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van
meer dan 1305 kg doch niet meer dan 3500 kg te koop aan te bieden, in
voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan
richtlijn 80/1268/EEG.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet
zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500
kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan
tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype
waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG.
Artikel 1a.13
1. Met ingang van 1 juli 2009 is het
verboden nieuwe landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te
koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen
met een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, van richtlijn 2003/37/EG, en niet vergezeld gaan van een
geldig certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in
bijlage III, van die richtlijn.
2. Met ingang van 1 juli 2009 is het
verboden nieuwe systemen, onderdelen of technische eenheden bestemd
voor landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te koop aan
te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen met een
goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c,
van richtlijn 2003/37/EG.
Artikel 1a.14
1. Met ingang van 1 januari 2009 is het
verboden nieuwe personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens in
voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien
deze voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit niet voldoen
aan de bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG, en, voor
zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig
certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
van richtlijn 70/156/EEG.
2. Met ingang van 1 januari 2009 is het
verboden nieuwe systemen, onderdelen en technische eenheden bestemd
voor personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens in voorraad
te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor
wat betreft elektromagnetische compatibiliteit niet voldoen aan de
bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG.
3. Met ingang van 1 juli 2013 is het
verboden personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens die met
24 GHz-kortbereikradarapparatuur zijn uitgerust in voorraad te hebben,
te koop aan te bieden of af te leveren.
Artikel 1a.15
1. Met ingang van 20 oktober 2007 is
het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad
te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor
wat betreft de zitplaatsen en de bevestigingen en hoofdsteunen
daarvan, niet voldoen aan richtlijn 74/408/EEG en voorzover daarin is
voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van
overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn
70/156/EEG.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor
krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en
die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
Artikel 1a.16
1. Met ingang van 20 oktober 2007 is
het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad
te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor
wat betreft de bevestigingspunten voor veiligheidsgordels niet voldoen
aan richtlijn 76/115/EEG en voorzover daarin is voorzien, niet
vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor
krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en
die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
Artikel 1a.17
Met ingang van 15 juli 2010 is het
verboden nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een
maximummassa van niet meer dan 3500 kg in voorraad te hebben, te koop
aan te bieden of af te leveren, indien deze wat betreft herbruikbaarheid,
recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing niet voldoen aan
richtlijn 2005/64/EG.
Artikel 1a.18
In afwijking van artikel 1a.3, tweede
lid, is het met ingang van 1 januari 2009 verboden
vervangingskatalysatoren, die bestemd zijn om te worden geïnstalleerd
in voertuigen waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig
richtlijn 2002/24/EG, te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af
te leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als
bedoeld in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 1a.19
1. Met ingang van 21 juni 2009 is het
verboden nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een
referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die
zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om
gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen
van meer dan 150, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af
te leveren indien deze voertuigen wat betreft emissies van het
klimaatregelingssysteem niet voldoen aan richtlijn 2006/40/EG en voor
zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig
certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
van richtlijn 70/156/EEG.
2. Het eerste lid is tot en met 31
december 2016 niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en
bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg,
niet zijnde bussen, die voor zover daarin is voorzien, vergezeld gaan
van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel
7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG en die zijn voorzien van:
a. een klimaatregelingssysteem met
één verdamper voorzover de lekkagewaarden als bedoeld in
richtlijn 2006/40/EG, voor het klimaatregelingssysteem niet meer
dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen per jaar bedragen;
b. een klimaatregelingssysteem met
twee verdampers voorzover de lekkagewaarden als bedoeld in
richtlijn 2006/40/EG, voor het klimaatregelingssysteem niet meer
dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen per jaar bedragen.
Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
§ 1. Categorieën toelatingskeuring
Artikel 2.1
De in hoofdstuk 3 genoemde categorieën
voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te zijn goedgekeurd
voor toelating tot het verkeer op de weg.
Artikel 2.2
1. Onze Minister kan bepalen dat
goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden
voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het
voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister
zijn aangewezen, voor:
a. voertuigen die in een kleine
serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG, artikel
15 van richtlijn 2002/24/EG of artikel 9 van richtlijn 2003/37/EG
worden vervaardigd;
b. voertuigen waarvoor een
goedkeuring voor een individueel voertuig wordt aangevraagd, als
bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet;
c. voertuigen die zijn vervaardigd
voor een speciaal gebruiksdoel.
2. Voor het verlenen van goedkeuring
aan de voertuigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt
artikel 4 van richtlijn 70/156/EEG in acht genomen.
3. Onze Minister kan bepalen dat voor
voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die
wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften
van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan
worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld
of aan de in hoofdstuk 3 gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke
goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden
voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het
voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister
zijn aangewezen.
4. Onze Minister kan in de gevallen,
bedoeld in het eerste en derde lid, nadere eisen stellen waaraan het
voertuig moet voldoen.
§ 2. Restantvoorraden van voertuigen
Artikel 2.3
In afwijking van het bepaalde in artikel
24 van de wet kunnen voertuigen op grond van een reeds verleende
goedkeuring nog gedurende een periode van een jaar na het van kracht
worden van zwaardere eisen, tot het verkeer op de weg worden toegelaten,
mits deze goedkeuring:
a. een ingevolge richtlijn 70/156/EEG
verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden,
genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn
70/156/EEG, en bijlage XII.B, eerste alinea, onder 1, bij richtlijn
70/156/EEG;
b. een ingevolge richtlijn 2002/24/EG
verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden
genoemd in artikel 16, eerste lid, van richtlijn 2002/24/EG en
bijlage VIII, onder a, bij richtlijn 2002/24/EG.
c. een op basis van nationale eisen
verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de door Onze
Minister gestelde voorwaarden.
§ 3. Beperking reikwijdte eisen
toelating
Artikel 2.4
De afdelingen 4, 5 en 6 van hoofdstuk 3
zijn niet van toepassing op:
a. motorrijtuigen met een door de
constructie bepaalde maximum snelheid van ten hoogste 6 km/h;
b. motorrijtuigen die bestemd zijn om
door een voetganger te worden meegevoerd;
c. motorrijtuigen die bestemd zijn
voor gebruik door lichamelijk gehandicapten;
d. landbouw- of bosbouwtrekkers en
andere motorrijtuigen die bestemd zijn voor de landbouw of daarmee
vergelijkbare doeleinden;
e. motorrijtuigen met drie
symmetrisch geplaatste wielen, waarvan een wiel aan de voorzijde en
twee wielen aan de achterzijde, die voornamelijk zijn ontworpen voor
gebruik buiten de wegen en voor vrijetijdsbesteding;
f. onderdelen of technische eenheden
van de in de onderdelen a tot en met e bedoelde voertuigen voor
zover deze niet bestemd zijn om op motorfietsen, driewielige
motorrijtuigen of bromfietsen gemonteerd te worden;
g. fietsen met trapondersteuning,
voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van
maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en
ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van
25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met
trappen;
h. onderdelen of technische eenheden
van de in onderdeel g bedoelde voertuigen.
Hoofdstuk 3. Eisen toelating
Afdeling 1. Algemeen kampeerauto’s
Artikel 3.1.1
1. Kampeerauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg moeten, onverminderd het
bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, voor toelating tot het verkeer op
de weg voldoen aan de in afdeling 2 met betrekking tot personenauto’s
gestelde eisen.
2. Kampeerauto’s met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg moeten, onverminderd het bepaalde
in artikel 6.3, tweede lid, voor toelating tot het verkeer op de weg
voldoen aan de in afdeling 3 met betrekking tot bedrijfsauto’s
gestelde eisen.
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 0. Algemeen
Artikel 3.2.1
1. Personenauto’s met een
verbrandingsmotor, met uitzondering van personenauto’s met een motor
die wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas, moeten
voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in richtlijn
70/156/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in
deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld
in artikel 3.2.13.
2. Personenauto’s met een andere dan
een verbrandingsmotor moeten voor het verkrijgen van een nationale
typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn
92/53/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in
deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld
in de artikelen 3.2.12, 3.2.13, eerste lid, 3.2.14, 3.2.15 en 3.2.16.
Artikel 3.2.2
Personenauto’s moeten van deugdelijke
bouw en inrichting zijn.
Artikel 3.2.3
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een
identificatienummer dat:
a. voor elke personenauto van
hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of
cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast
voertuigdeel is ingeslagen.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 3.2.6
1. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1995 moeten voor wat betreft de lengte, de
breedte en de hoogte voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1996 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
Artikel 3.2.9
1. De toegestane maximum last onder de
assen en de toegestane maximum massa van personenauto’s die in
gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2. De last onder de assen van
personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mag
niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum last, en
b. 10 000 kg voor een
niet-aangedreven as en 11 500 kg voor een aangedreven as.
3. Op personenauto’s met meer dan
twee assen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 is het
bepaalde in artikel 3.3.9 van overeenkomstige toepassing.
4. De toegestane maximum massa van
personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mag
niet meer bedragen dan de door de fabrikant van het voertuig opgegeven
toegestane maximum massa.
Artikel 3.2.10
1. De toegestane maximum massa van
samenstellen van een personenauto die in gebruik is genomen na 31
december 1995 en een aanhangwagen moet voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 92/21/EEG.
2. De toegestane maximum massa van
samenstellen van een personenauto die in gebruik is genomen voor 1
januari 1996 en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan de door de
fabrikant van de personenauto voor het samenstel van voertuigen
opgegeven toegestane maximum massa.
3. De toegestane maximum massa van een
door een personenauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996
voort te bewegen aanhangwagen mag niet meer bedragen dan:
a. de daarvoor door de fabrikant
van de personenauto opgegeven toegestane maximum massa, en
b. indien het een ongeremde
aanhangwagen betreft, niet meer dan 750 kg en niet meer dan:
1°. de helft van de massa in
bedrijfsklare toestand van de personenauto indien de
personenauto in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, of
2°. de helft van de ledige
massa van de personenauto, vermeerderd met 50 kg, indien de
personenauto in gebruik is genomen voor 1 januari 1995.
§ 3. Motor
Artikel 3.2.12
1. Personenauto’s die zijn voorzien
van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet
tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 31
december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn
70/221/EEG.
2. Van fabrieksmatig in serie
vervaardigde complete personenauto’s die in gebruik zijn genomen na
30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten het
brandstofreservoir alsmede de plaats van het originele
brandstofreservoir van voertuigen voldoen aan de door de fabrikant van
het voertuig gestelde eisen.
3. Van personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, mogen
delen van het brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen
en leidingen, in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn
gelegen dan 0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het
chassis of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming
bieden.
Artikel 3.2.13
1. Het brandstofsysteem van
personenauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen
aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2. Personenauto’s die elektrisch
kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een
verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen.
Artikel 3.2.14
Personenauto’s die in gebruik worden
genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische
compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.2.15
Personenauto’s moeten voor wat betreft
geluidproduktie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie
motorvoertuigen (Stb. 1981, 741).
Artikel 3.2.16
1. Personenauto’s met een
verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen
aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen
luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393).
2. Personenauto’s met een
verbrandingsmotor die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995
moeten voor wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 80/1268/EEG.
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 3.2.17
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt
gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in
verordening 3821/85/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien
van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de
bestuurder goed afleesbaar is.
3. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting
om achteruit te rijden.
Artikel 3.2.18
1. Personenauto’s moeten sneller
kunnen rijden dan 25 km/h.
2. Personenauto’s met een
verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEGdie
in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voor betreft de
wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het bepaalde in deze
richtlijn.
§ 6. Ophanging
Artikel 3.2.23
1. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van banden die
voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in
richtlijn 92/23/EEG.
2. Indien een personenauto als bedoeld
in het eerste lid is voorzien van een reservewiel dat afwijkt van de
overige wielen, moeten dat reservewiel en het weggedrag van het
voertuig bij gebruikmaking van dat wiel voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 92/23/EEG.
3. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 30 september 1971 en voor 1 januari 1995 moeten zijn
voorzien van banden:
a. die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 92/23/EEG, of
b. waarvan de technische gegevens
zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
4. Indien een personenauto als bedoeld
in het derde lid is voorzien van een reservewiel dat afwijkt van de
overige wielen, moeten dat reservewiel en het weggedrag van het
voertuig bij gebruikmaking van dat wiel voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 92/23/EEG.
5. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de montage van banden van personenauto’s als bedoeld
in het derde lid.
Artikel 3.2.24
1. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1996 moeten zijn voorzien van een goed werkend
veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem
beschouwd.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1996 moeten zijn voorzien van deugdelijk
bevestigde en goed werkende schokdempers.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 3.2.25
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een deugdelijke
stuurinrichting.
§ 8. Reminrichting
Artikel 3.2.26
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde
eisen.
§ 9. Carrosserie
Artikel 3.2.27
1. De deuren, sloten en scharnieren van
personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994,
moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG.
2. Van personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 30 september 1971, moeten de scharnieren van
opendraaiende zijdeuren aan de langszijden van het voertuig, met
uitzondering van vouwdeuren, aan de voorzijde van de deuren zijn
aangebracht. Bij dubbele deuren geldt dit voor de deurvleugel die het
eerst wordt geopend. De andere deurvleugel moet kunnen worden
vergrendeld.
Artikel 3.2.28
Personenauto’s die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft het gezichtsveld
van de bestuurder voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/649/EEG.
Artikel 3.2.29
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van ruiten die
voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in
richtlijn 92/22/EEG.
2. De voorruiten van personenauto’s
die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.2.30
1. Personenauto’s met een voorruit,
die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn
voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van een
ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
78/318/EEG.
2. Personenauto’s met een voorruit,
die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien
van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder
voldoende uitzicht geeft.
3. Personenauto’s met een voorruit,
die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari
1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitensproeierinstallatie.
Artikel 3.2.31
Personenauto’s met een voorruit, die in
gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van
een installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. De
bedoelde installatie van personenauto’s die in gebruik worden genomen
na 31 december 1994, moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn
78/317/EEG.
Artikel 3.2.32
1. Personenauto’s, in gebruik genomen
na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht
betreft aan richtlijn 2003/97/EG.
2. Personenauto’s, in gebruik genomen
na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen wat spiegels
betreft aan richtlijn 71/127/EEG.
3. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een
linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel.
4. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een
rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste
gezichtsveld op de weg niet wordt verkregen. Indien de binnenspiegel
geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te
zijn.
5. Spiegels als bedoeld in het derde en
het vierde lid moeten voor wat betreft oppervlakte, plaatsing,
verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen.
Artikel 3.2.33
Personenauto’s die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de identificatie
van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 78/316/EEG.
Artikel 3.2.34
1. Personenauto's, in gebruik genomen
na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn
2001/56/EG.
2. Personenauto's, in gebruik genomen
na 31 december 1994 doch voor 9 mei 2004, voldoen wat
verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 78/548/EEG.
Artikel 3.2.35
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de
bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan het
bepaalde in de richtlijnen 74/60/EEG en 74/297/EEG.
2. Bij personenauto’s die in gebruik
zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen delen van het voertuig waaraan
inzittenden zich wanneer zij door een plotselinge vertraging of
stilstand van het voertuig naar voren worden geworpen, zouden kunnen
stoten, niet zijn uitgevoerd met gevaarlijke scherpe delen of kanten,
die het gevaar voor dan wel de ernst van verwondingen zouden kunnen
vergroten.
3. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting,
sterkte en bevestiging van zitplaatsen en hoofdsteunen aan de volgende
eisen:
a. indien zij in gebruik zijn
genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar
voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen daarvan aan de
richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG;
b. indien zij in gebruik zijn
genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de
zijdelings gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG en voor
wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen
daarvan aan de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG.
4. Bij personenauto’s die in gebruik
zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten:
a. de zitplaatsen deugdelijk aan
het voertuig zijn bevestigd;
b. verschuifbare zitplaatsen in
elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld indien deze
personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen;
c. verstelbare rugleuningen van
zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld
indien deze personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn
genomen;
d. de voorste zitplaatsen, indien
zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste
zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand
automatisch zijn vergrendeld indien deze personenauto’s na 30
september 1971 in gebruik zijn genomen;
5. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 30 september 1998 moeten voor wat betreft de bescherming
van de inzittenden bij zijdelingse botsingen voldoen aan het bepaalde
in richtlijn 96/27/EG.
6. Personenauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 2500 kg, die in gebruik zijn genomen
na 30 september 1998, moeten voor wat betreft de bescherming van de
inzittenden bij frontale botsingen voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 96/79/EG. Op verzoek van de fabrikant wordt deze eis ook
toegepast ten aanzien van personenauto’s die in gebruik zijn genomen
na 30 september 1998 en waarvan de toegestane maximum massa meer
bedraagt dan 2500 kg of ten aanzien van personenauto’s die na 30
september 1998 in fasen worden gebouwd.
7. Het bepaalde in het vijfde en het
zesde lid is niet van toepassing op in fasen gebouwde personenauto’s
die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan is
vastgesteld voor kleine series als bedoeld in artikel 8 van richtlijn
70/156/EEG;
Artikel 3.2.36
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van
bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in
richtlijn 76/115/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn
voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze
bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik
van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze
plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een
portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn
aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995, moeten tevens
zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere
naar voren gerichte zitplaatsen dan in het tweede lid bedoeld. De
bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de
door Onze Minister vastgestelde eisen.
4. De aanwezigheid van de in het tweede
en derde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor
voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien
degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel
is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig
aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing
te doen zijn.
5. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van
autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG voor
die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn
voorzien.
6. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin
bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik
van autogordels op de in het tweede en derde lid bedoelde zitplaatsen,
moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De
autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde
eisen.
Artikel 3.2.37
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de naar
buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn
74/483/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, mogen geen scherpe delen hebben die in
geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers kunnen opleveren.
3. Onverminderd het bepaalde in het
tweede lid moeten uitstekende delen van bedoelde personenauto’s, die
in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4. Het bepaalde in het tweede en derde
lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m
boven het wegdek bevinden.
5. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de
bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn
70/221/EEG.
6. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van
voorzieningen ter afscherming van de wielen, welke voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 78/549/EEG.
7. De wielen van personenauto’s die
in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten doelmatig zijn
afgeschermd.
Artikel 3.2.37a
1. Personenauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen
na 30 september 2005 moeten voor wat betreft de bescherming van
voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van
bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
2. Personenauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen
na 31 augustus 2010 moeten voor wat betreft de bescherming van
voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I
bij richtlijn 2003/102/EG.
3. Personenauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die zijn voorzien van een
frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden genomen na 24
november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van voetgangers en
andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van
carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen
van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is
verleend.
Artikel 3.2.38
De wielen onderscheidenlijk banden van
personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen
niet kunnen aanlopen.
Artikel 3.2.39
Personenauto’s moeten aan de
achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een
kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor personenauto"s
die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
Artikel 3.2.39a
1. Het klimaatregelingssysteem van
personenauto’s die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008 is
ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een
aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft
emissies aan richtlijn 2006/40/EG.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt
niet voor personenauto’s die in gebruik worden genomen voor 1
januari 2011 en die zijn voorzien een klimaatregelingssysteem dat is
ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een
aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden
voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g
gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee
verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 3.2.40
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft
retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en
lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan aan richtlijn
76/756/EEG.
2. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende
voorzieningen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1
januari 1995.
Artikel 3.2.41
Personenauto’s die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die
voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het
bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in de
richtlijnen 76/756/EEG en 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die voldoen
aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan het
bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het
bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, met dien
verstande dat een derde remlicht slechts verplicht is indien het
voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2000.
g. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen
76/756/EEG en 76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen
aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
i. mistlichten aan de achterzijde van
het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen
76/756/EEG en 77/538/EEG;
j. een achteruitrijlicht dat voldoet
aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen aan
het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG indien het
voertuig breder is dan 2,10 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het
voertuig langer is dan 6,00 m;
m. ambergele retroreflectoren aan de
zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de
richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig langer is
dan 6,00 m.
Artikel 3.2.46
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van
het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen
76/756/EEG en 76/762/EEG;
b. parkeerlichten die voldoen aan
het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/540/EEG, indien
het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m;
c. zijmarkeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien
het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
d. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de
richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig niet
langer is dan 6,00 m;
e. witte retroreflectoren aan de
voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de
richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
f. markeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG,
indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan
2,10 m;
g. een derde remlicht dat voldoet
aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig in
gebruik is genomen voor 1 oktober 2000;
h. dagrijlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
i. en extra achteruitrijlicht dat
voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
j. twee hoeklichten die voldoen aan
richtlijn 76/756/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1996 mogen bovendien zijn voorzien van:
a. een richtlicht;
b. een bermlicht aan de voorzijde
van het voertuig;
c. werklichten.
3. Personenauto’s mogen zijn voorzien
van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,
extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan
de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben
op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende
voorzieningen.
Artikel 3.2.48
1. Het richtlicht en het bermlicht van
personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen
naar voren niet anders dan wit of geel licht stralen.
2. Het derde remlicht mag niet anders
dan rood stralen.
Artikel 3.2.50
Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1996 mogen, met uitzondering van grote lichten,
niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.2.51
Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1996 mogen niet zijn voorzien van meer lichten en
retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.2.41 en 3.2.46
dan wel krachtens artikel 3.2.40, tweede lid, is voorgeschreven of
toegestaan.
§ 11. Verbinding tussen personenauto en
aanhangwagen
Artikel 3.2.52
1. De mechanische koppelinrichting,
indien aanwezig, van een personenauto die in gebruik is genomen na 31
december 1995 en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG.
2. De mechanische koppelinrichting,
indien aanwezig, van een personenauto die in gebruik is genomen voor 1
januari 1996 moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG of
behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd
type, zijn voorzien van de door hem bij de goedkeuring voorgeschreven
identificatiekenmerken en zijn bevestigd overeenkomstig de
voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de
personenauto is voorzien van een kogelkoppeling, moet worden voldaan
aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
§ 12. Diversen
Artikel 3.2.54
1. Personenauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
geluidssignaalinrichting die voldoet aan en is gemonteerd
overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien an ten minste een
hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige,
tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in
gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70
decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in
gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel
en niet meer dan 104 decibel, te meten op de door Onze Minister
vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt
niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3. Personenauto’s mogen zijn voorzien
van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers er op attent
maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld,
alsmede van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt
ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
4. Personenauto’s mogen, onverminderd
het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige
hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan
bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 3.2.55
Personenauto’s die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van inrichtingen ter
bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke
inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG.
Artikel 3.2.56
Personenauto’s die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de aanwezigheid van
een sleepinrichting en de sterkte daarvan voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 77/389/EEG.
Artikel 3.2.62
Personenauto’s die in gebruik worden
genomen na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid,
recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn
2005/64/EG.
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 0. Algemeen
Artikel 3.3.1
Bedrijfsauto’s moeten voor toelating
tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde
eisen.
Artikel 3.3.1a
1. Een T100-bus voldoet aan de in deze
afdeling en aan de ingevolge artikel 28, eerste lid, van de wet
gestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer op de
weg van bussen, alsmede aan de bij ministeriële regeling voor
T100-bussen vastgestelde eisen.
2. Indien een bus bij keuring door de
Dienst Wegverkeer voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen
wordt, op verzoek van degene aan wie het kenteken voor de
desbetreffende bus is opgegeven, door de Dienst Wegverkeer hiervan
onverwijld een aantekening gemaakt op het kentekenbewijs en in het
kentekenregister.
Artikel 3.3.2
Bedrijfsauto’s moeten:
a. van deugdelijke bouw en inrichting
zijn;
b. voldoen aan de in hoofdstuk 5,
afdeling 3, bedoelde permanente eisen.
Artikel 3.3.3
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een
identificatienummer dat:
a. voor elke bedrijfsauto van
hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of
cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast
voertuigdeel is ingeslagen.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 3.3.5
Het hart van de opleggerkoppeling van
trekkers mag niet achter de achterste as van het voertuig zijn gelegen.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 3.3.6
1. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende
werktuigen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor
wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/27/EG.
2. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende
werktuigen, die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1
juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het
bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn.
3. Bedrijfsauto's die in gebruik zijn
genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m,
met uitzondering van bussen met twee assen die niet langer mogen
zijn dan 13,50 m, bussen met meer dan twee assen die niet langer
mogen zijn dan 15,00 m en gelede bussen die niet langer mogen zijn
dan 18,75 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m, met
uitzondering van geconditioneerde voertuigen, die niet breder
mogen zijn dan 2,60 m; en
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende
werktuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, moeten
rijdend naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven
binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels,
waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal
van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig
buiten de omtrek van de cirkels komt.
5. Rijdende werktuigen mogen niet
langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig
noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum
breedte van 3,00 m.
6. In afwijking van het eerste tot en
met het derde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn
dan 14,00 m.
7. In de afmetingen, bedoeld in het
eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en
gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
Artikel 3.3.7 [Vervallen per 10-10-2001]
Artikel 3.3.8
Onze Minister kan bij ministeriële
regeling voor rijdende werktuigen regels vaststellen met betrekking tot
de maximum bestreken baan.
Artikel 3.3.9
1. De last onder de as of assen van
bedrijfsauto’s die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen,
mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum last,
b. voor enige as: 10 000 kg voor
een niet-aangedreven as en 11 500 kg voor een aangedreven as,
c. voor voertuigen met een asstel
met twee niet-aangedreven assen:
1°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11 000 kg
te zamen,
2°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,80 m, 18 000 kg te zamen,
d. voor voertuigen met een asstel
met twee assen waarvan 1 of 2 assen zijn aangedreven:
1°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11 500 kg
te zamen,
2°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,80 m:
a. 18 000 kg te zamen,
b. 19 000 kg te zamen
indien de aangedreven as is voorzien van banden in dubbele
montage alsmede van gasvering of van in het kader van de
Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte
vering,
c. 19 000 kg te zamen
indien beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in
dubbele montage, waarbij de last onder ieder der assen
niet meer mag bedragen dan 9500 kg.
2. In afwijking van het bepaalde in het
eerste lid mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet
meer bedragen dan:
a. voor de bruikbaarheid als
werktuig noodzakelijk is,
b. de door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum last, en
c. 12 000 kg per as.
3. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van
bedrijfsauto’s die niet in het eerste lid zijn genoemd dan wel die
voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen.
Artikel 3.3.10
1. De toegestane maximum massa van
bedrijfsauto’s alsmede de toegestane maximum massa van samenstellen
van bedrijfsauto en aanhangwagen mogen niet meer bedragen dan:
a. 50 000 kg,
b. de door de fabrikant van de
bedrijfsauto voor de bedrijfsauto onderscheidenlijk voor het
samenstel van voertuigen opgegeven toegestane maximum massa,
c. vijf maal de toegestane maximum
last onder de aangedreven as of assen,
d. de ten aanzien van het
remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa,
en
e. indien de bedrijfsauto na 30
juni 1967 in gebruik is genomen, het vermogen van de motor,
vastgesteld volgens richtlijn 80/1269/EEG, gedeeld door de factor
3,68 * 10-3kW/kg.
2. De toegestane maximum massa van een
door de bedrijfsauto voort te bewegen aanhangwagen mag niet meer
bedragen dan:
a. de daarvoor door de fabrikant
van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa,
b. de daarvoor ten aanzien van de
sterkte van de koppeling toegestane maximum massa,
c. de daarvoor ten aanzien van de
sterkte en de bevestiging van de delen van het chassisraam waaraan
de koppeling is bevestigd, toegestane maximum massa,
d. de daarvoor ten aanzien van het
remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa,
e. de helft van de ledige massa van
de bedrijfsauto met een maximum van 750 kg indien het een
ongeremde aanhangwagen betreft, en
f. 3.500 kg indien het trekkende
voertuig een bus betreft.
3. In afwijking van het bepaalde in het
tweede lid mag de toegestane maximum massa van een door een
bedrijfsauto voort te bewegen geremde middenasaanhangwagen niet meer
bedragen dan:
a. 24 000 kg,
b. de toegestane maximum massa van
de bedrijfsauto, tenzij deze een toegestane maximum massa heeft
van meer dan 3 500 kg, of de bedrijfsauto als een terreinvoertuig
overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn
70/156/EEG kan worden aangemerkt,
c. 1,5 maal de toegestane maximum
massa van de bedrijfsauto, voorzover de bedrijfsauto als een
terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van
richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt, met een maximum van 3
500 kg,
d. 1,5 maal de toegestane maximum
massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een toegestane
maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg.
4. In afwijking van het tweede lid mag
de toegestane maximum massa van een door een bedrijfsauto met een
zelfdragende carrosserie en met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 3 500 kg voort te bewegen aanhangwagen niet meer bedragen dan
de door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum
massa.
5. In afwijking van het bepaalde in het
eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig
alsmede van een samenstel van een rijdend werktuig en een aanhangwagen
meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid
als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg.
6. Bij bedrijfsauto’s die zodanig
zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een
of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van
het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid deze incidenteel
aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de
snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten
minste 60 km/h bedraagt.
Artikel 3.3.11
1. De last onder de bestuurde as of
assen van bedrijfsauto’s mag niet minder bedragen dan een vijfde
deel van de massa van het voertuig.
2. Bussen die na 12 februari 2004 in
gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot hun stabiliteit
voldoen aan het bepaalde in bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
3. Gelede bussen die na 12 februari
2004 in gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot
richtingvastheid voldoen aan bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
4. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de stabiliteit en de richtingvastheid als bedoeld in
het tweede en derde lid.
§ 3. Motor
Artikel 3.3.12
1. Bedrijfsauto’s die zijn voorzien
van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet
tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 31
december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn
70/221/EEG.
2. Van fabrieksmatig in serie
vervaardigde complete bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na
30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten het
brandstofreservoir alsmede de plaats van het originele
brandstofreservoir voldoen aan de door de fabrikant van het voertuig
gestelde eisen.
3. Van bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, mogen
delen van het brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen
en leidingen, in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn
gelegen dan 0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het
chassis of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming
bieden.
Artikel 3.3.13
1. Het brandstofsysteem van
bedrijfsauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen
aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2. Bedrijfsauto’s die elektrisch
kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een
verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.14
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden
genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische
compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.3.15
Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft
geluidproduktie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie
motorvoertuigen (Stb. 1981, 741).
Artikel 3.3.16
1. Bedrijfsauto’s met een
verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen
aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen
luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393).
2. De volgende bedrijfsauto’s voldoen
wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik aan richtlijn
80/1268/EEG:
a. bedrijfsauto’s met een
verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane
maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als
bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van niet meer dan 1305 kg die in
gebruik zijn genomen na 31 december 2004, of na 31 december 2005
indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft;
b. bedrijfsauto’s met een
verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane
maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als
bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van meer dan 1305 kg die in
gebruik zijn genomen na 31 december 2006, of na 31 december 2007
indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde
bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die
worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend
per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor
goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG.
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 3.3.17
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt
gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in
verordening 3821/85/EEG.
2. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien
van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de
bestuurder goed afleesbaar is.
3. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting
om achteruit te rijden.
4. De volgende categorieën
motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer die voldoet
aan het bepaalde in richtlijn 92/6/EEG en in richtlijn 92/24/EEG:
a. bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan
12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31
december 1987 in gebruik zijn genomen;
c. bussen met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004
in gebruik zijn genomen;
d. bussen met een toegestane
maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in
gebruik zijn genomen.
5. In afwijking van het vierde lid mag
de snelheidsbegrenzer van een bedrijfsauto of bus, die na 31 december
1987 doch vóór 1 januari 1994 in gebruik is genomen, behoren tot een
door Onze Minister goedgekeurde soort.
6. De in het vierde lid bedoelde
verplichting geldt niet voor:
a. motorrijtuigen als bedoeld in
artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
1990;
b. motorrijtuigen waarvan, naar het
oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is
belast:
1°. het gebruiksdoel zich
verzet tegen het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer;
2°. de door de constructie
bepaalde maximumsnelheid minder bedraagt dan de in richtlijn
92/6/EEG voor het desbetreffende motorrijtuig voorgeschreven
afstelsnelheid;
c. motorrijtuigen waarvan, naar het
oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is
belast, door de aanvrager van een kentekenbewijs aannemelijk wordt
gemaakt dat het motorrijtuig gebruikt wordt:
1°. door een openbare dienst,
uitsluitend binnen de bebouwde kom;
2°. voor wetenschappelijke
proefnemingen op de weg.
Artikel 3.3.18
1. Bedrijfsauto’s moeten sneller
kunnen rijden dan 25 km/h.
2. Bedrijfsauto's met een
verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEG
die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten voor wat
betreft de wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het
bepaalde in deze richtlijn.
§ 5. Assen
Artikel 3.3.21
1. De ashefinrichting van
bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 31 maart 1983 dient,
voorzover deze inrichting werkt door het optrekken van de wielen van
de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem en de bedrijfsauto
is voorzien van een samenstel van assen, zodanig te zijn uitgevoerd
dat deze inrichting automatisch buiten werking wordt gesteld niet
later dan nadat de aslast van een van de op het rijvlak rustende assen
van dat samenstel de grootste voor deze as toegestane waarde heeft
bereikt.
2. In afwijking van het eerste lid
mogen bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999
zijn voorzien van een ashefinrichting die voldoet aan het bepaalde in
Bijlage IV, onderdeel 3, van richtlijn 97/27/EG.
§ 6. Ophanging
Artikel 3.3.23
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van banden
die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG. In afwijking
hiervan mogen bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30
september 1971 doch voor 1 januari 1995, zijn voorzien van banden
waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze
Minister vastgestelde tabel.
2. Het draagvermogen van de banden moet
voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven
draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd.
3. De banden moeten geschikt zijn voor
de door de fabrikant van het voertuig opgegeven maximum snelheid die
met het voertuig kan worden bereikt bij het door de fabrikant
opgegeven draagvermogen.
4. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de montage van banden.
Artikel 3.3.24
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn
voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel
van het veersysteem beschouwd.
2. Bedrijfsauto's die zijn voorzien van
gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten
hoogste 3500 kg moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en
goedwerkende schokdempers.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 3.3.25
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een deugdelijke
stuurinrichting.
§ 8. Reminrichting
Artikel 3.3.26
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde
eisen.
§ 9. Carrosserie
Artikel 3.3.27
1. De deuren, sloten en scharnieren van
bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 31 december 1994 en bestemd voor
het vervoer van goederen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn
70/387/EEG.
2. Bestuurderscabines van bedrijfsauto’s
die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari
1995, moeten indien de cabine door middel van een schot van het
overige deel van de carrosserie is gescheiden, zowel aan de linker-
als aan de rechterzijde over een uitgang beschikken met zodanige
minimumafmetingen dat daarin een ellips kan worden beschreven met een
korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m.
3. Een van de in het tweede lid
genoemde uitgangen mag zijn vervangen door een gelijkwaardige uitgang
in het dak of in de achterwand van de cabine.
4. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op rijdende werktuigen.
5. Bussen die in gebruik worden genomen
na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van een carrosserie en
inrichting welke voldoen aan hetgeen voor de onderscheiden klassen is
bepaald in richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.3.27a
Bussen van klasse I die in gebruik worden
genomen na 12 februari 2004 alsmede bussen van een andere klasse dan
klasse I die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen en voorzien
zijn van technische voorzieningen ter verbetering van de
toegankelijkheid voor personen met een mobiliteitshandicap, moeten
voldoen aan bijlage VII van richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.3.28
Bussen moeten voor wat betreft het
gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.29
1. De ruiten van bedrijfsauto’s die
in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
2. De voorruiten van bedrijfsauto’s
die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.30
1. Bedrijfsauto’s met een voorruit
moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die
de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2. Bedrijfsauto's met een voorruit, die
in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van
bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitensproeierinstallatie.
3. Bussen die na 30 juni 1985 in
gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitensproeierinstallatie.
Artikel 3.3.31
1. Bedrijfsauto's met een voorruit, die
in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van
bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter
ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
2. Bussen die na 30 juni 1985 in
gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
Artikel 3.3.32
1. Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht
betreft aan richtlijn 2003/97/EG.
2. In afwijking van het eerste lid zijn
de bepalingen voor vooruitkijkspiegels van toepassing met ingang van
26 januari 2007.
3. Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van
een rechterbuitenspiegel.
4. In afwijking van het derde lid mogen
voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen
voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van
een binnenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste
gezichtsveld op de weg wordt verkregen.
5. Voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer
dan 7500 kg, alsmede rijdende werktuigen, in gebruik genomen voor 26
januari 2006, zijn voorzien van een trottoirspiegel mits deze zodanig
op het voertuig kan worden aangebracht dat in elke stand geen enkel
punt van de spiegel of van de steun waarop deze is bevestigd, zich op
een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt bij een
belasting van het voertuig die overeenkomt met de toegestane maximum
massa.
6. Voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer
dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, waarvan de
linker- of rechterbuitenspiegel niet convex is, en voor het vervoer
van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum
massa van meer dan 7500 kg zijn voorzien van een breedtespiegel.
7. Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
voor 26 januari 2006, mogen met inachtneming van richtlijn 71/127/EEG
zijn voorzien van meer spiegels dan in de voorgaande leden genoemd.
8. De spiegels van bedrijfsauto’s, in
gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen
voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen
en gezichtsveld op de weg aan richtlijn 71/127/EEG.
9. De spiegels van bedrijfsauto’s, in
gebruik genomen voor 1 januari 1995, voldoen voor wat betreft
oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld aan de door
Onze Minister vastgestelde eisen.
10. In afwijking van het achtste lid
mogen bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 14 oktober 2002 doch
voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een breedtespiegel die voor
wat betreft verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld voldoet aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.33
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de identificatie
van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 78/316/EEG.
Artikel 3.3.34
Bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 8
mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn
2001/56/EG.
Artikel 3.3.35
1. Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 1500 kg, die in gebruik worden genomen
na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming van de
inzittenden bij een ongeval voldoen aan het bepaalde in richtlijn
74/297/EEG.
2. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting,
sterkte en bevestiging van zitplaatsen aan de volgende eisen:
a. indien zij in gebruik zijn
genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar
voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG;
b. indien zij in gebruik zijn
genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de
zijdelings en de naar voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn
74/408/EEG.
3. Bedrijfsauto’s bestemd voor het
vervoer van goederen en met een toegestane maximum massa van niet meer
dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998, moeten
voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij zijdelingse
botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/27/EG.
Artikel 3.3.36
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van
bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in
richtlijn 76/115/EEG.
2. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 en die beurtelings
voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht,
moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze
bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik
van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze
plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een
portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn
aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 en die
beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden
ingericht, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor
autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in
het tweede lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en
zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
4. De aanwezigheid van de in het tweede
en derde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor
voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien
degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel
is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig
aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing
te doen zijn.
5. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van
autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG voor
die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn
voorzien.
6. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin
bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik
van autogordels op de in het tweede en derde lid bedoelde zitplaatsen,
moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De
autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde
eisen.
Artikel 3.3.37
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de naar
buiten uitstekende delen die zich vóór de achterwand van de cabine
bevinden, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG.
2. Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe
delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel
voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3. Onverminderd het bepaalde in het
tweede lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval
van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4. Het bepaalde in het tweede en derde
lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m
boven het wegdek bevinden.
5. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van trekkers,
moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG. Deze bepaling geldt niet voor
voertuigen waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die
met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de
aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
6. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, met uitzondering van
trekkers, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde,
behoudens indien zij hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn
70/221/EEG, voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze
bepaling geldt niet voor voertuigen waarvan het gebruik zich naar het
oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast,
verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de
achterzijde.
7. Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na
31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras en de voorste
achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan
het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste
achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen.
8. In afwijking van het zevende lid
moeten bedrijfsauto's met een maximum toegestane massa van meer dan 3
500 kg en die zijn uitgerust met meer dan drie assen ter zake van de
zijdelingse afscherming voldoen aan door Onze Minister vastgestelde
eisen.
9. Op bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse
afscherming tussen de achterste vooras en de voorste achteras het in
richtlijn 89/297/EEG voor bedrijfsauto’s met een toegestane maximum
massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12 000 kg bepaalde van
overeenkomstige toepassing. Zij moeten voorts achter de voorste
achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen.
10. Bedrijfsauto’s die in gebruik
zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn
voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze
Minister vastgestelde eisen.
11. De in het zevende, achtste, negende
en tiende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt
niet voor trekkers alsmede voor bedrijfsauto’s die zijn gebouwd voor
speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk
is zijdelingse afscherming aan te brengen.
12. De wielen van bedrijfsauto's in
gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd
overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van
bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten
deugdelijk zijn afgeschermd.
13. Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen,
met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik
genomen na 9 augustus 2003, moeten zijn voorzien van een
beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden die voldoet
aan richtlijn 2000/40/EG.
Artikel 3.3.37a
1. Bedrijfsauto’s die van een
personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 30 september 2005
moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een
botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I bij richtlijn
2003/102/EG.
2. Bedrijfsauto’s die van een
personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 31 augustus 2010
moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een
botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
3. Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, die zijn
voorzien van een frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden
genomen na 24 november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van
voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn
2005/66/EG.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van
carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen
van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is
verleend.
Artikel 3.3.38
De wielen onderscheidenlijk banden van
bedrijfsauto’s mogen niet kunnen aanlopen.
Artikel 3.3.39
Bedrijfsauto’s moeten aan de
achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een
kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor bedrijfsauto’s die
in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen aan het bepaalde
in richtlijn 70/222/EEG.
Artikel 3.3.39a
1. Het klimaatregelingssysteem van
bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg,
niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008, is
ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een
aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft
emissies aan richtlijn 2006/40/EG.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt
niet voor bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan
1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen voor 1
januari 2011 en die zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat
is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een
aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden
voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g
gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee
verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 3.3.40
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft
retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en
lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan, aan richtlijn
76/756/EEG.
2. Het eerste lid is wat betreft
retroreflecterende voorzieningen en extra richtingaanwijzers als
bedoeld in artikel 30a, van het RVV 1990, niet van toepassing op
bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of
artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende
striping en de extra richtingaanwijzers, bedoeld in het tweede lid.
4. In afwijking van het eerste lid
moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994
doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn
voorzien van niet-driehoekige dan wel driehoekige rode
retroreflectoren.
5. Indien het als gevolg van de
constructie van een rijdend werktuig niet mogelijk is de
zijrichtingaanwijzers en de zijretroreflectoren aan te brengen op de
ingevolge het bepaalde in het eerste lid voorgeschreven plaats, moeten
deze lichten en retroreflectoren zo ver mogelijk naar voren tegen de
zijkanten van het voertuig zijn geplaatst met inachtneming van de
toegestane maximum hoogte waarop deze lichten en retroreflectoren
mogen worden geplaatst.
6. De in de lichtarmaturen toegepaste
gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende
bij Richtlijn 76/761/EEG.
7. Het derde lid is niet van toepassing
ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten
eenheid vormen.
8. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende
voorzieningen van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1
januari 1995.
Artikel 3.3.41
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
g. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
i. mistlichten aan de achterzijde
van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
77/538/EEG;
j. achteruitrijlichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG indien het voertuig
breder is dan 2,10 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG,
indien het voertuig langer is dan 6,00 m; deze bepaling geldt niet
voor chassiscabines;
m. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
n. een markering aan de achterzijde
van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het
voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor
trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer
dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede
door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de
inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de
markering.
2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel h, moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31
december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het
voertuig zijn voorzien van driehoekige dan wel niet-driehoekige rode
retroreflectoren die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
3. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van
niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van een derde
remlicht dat voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG.
4. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van
meer dan 7500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van opvallende
markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en
waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104.
5. Het vierde lid is niet van
toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste
lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6. Binnen de volledige contourmarkering
aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het vierde lid, mogen
retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht
die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen
nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering
en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder
geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen
niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van
de volledige contourmarkering uitmaken.
7. Onze Minister draagt zorg voor een
vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking
mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3.3.46
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van
het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
76/762/EEG;
b. parkeerlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 77/540/EEG, indien het voertuig niet
langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/759/EEG, aangebracht op het breedste punt zo hoog
mogelijk aan de achterzijde van het voertuig;
d.
herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren
gelegen deel van de zich aan de zij- of achterkant van het
voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die
voldoen aan het bepaalde in de onder c genoemde richtlijn, met
uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven
het wegdek;
e. zijmarkeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG,
indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m of indien het een
chassiscabine betreft;
f. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00
m;
g. witte retroreflectoren aan de
voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/757/EEG;
h. markeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig
breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde
van het voertuig;
k. werklichten;
l. een derde remlicht dat voldoet
aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
m. dagrijlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
n. een markering aan de achterzijde
van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister
vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het
voertuig meer bedraagt dan 3500 kg;
n. extra achteruitrijlichten die
voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
o. hoeklichten die voldoen aan
richtlijn 76/756/EEG.
2. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien
van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,
extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan
de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben
op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende
voorzieningen.
3. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen
voor 10 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan
3500 kg, mogen zijn voorzien van:
a. opvallende markeringen die zijn
geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het
gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of
b. een lijnmarkering of
contourmarkering, die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig
ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij
Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen
voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware
en lange voertuigen en hun aanhangwagens.
4. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen
na 9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn
geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte
materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds
ingevolge artikel 3.3.41 verplicht zijn.
5. Het derde en vierde lid zijn niet
van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29,
eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6. Binnen de volledige contourmarkering
aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het derde of vierde lid,
mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn
aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat
deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze
contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende
voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers,
letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale
oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering
uitmaken.
7. Onze Minister draagt zorg voor een
vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking
mededeling in de Staatscourant.
8. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de
in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten mogen
zijn voorzien van retroreflecterende striping.
Artikel 3.3.48
1. De extra richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
2. Het richtlicht en het bermlicht
mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
3. Het derde remlicht mag niet anders
dan rood stralen.
Artikel 3.3.50
Bedrijfsauto's mogen, met uitzondering
van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.3.51
Bedrijfsauto's mogen, onverminderd het in
de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en
knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en
retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.3.41 en 3.3.46
dan wel krachtens artikel 3.3.40, vijfde lid, is voorgeschreven of
toegestaan.
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en
aanhangwagen
Artikel 3.3.52
1. Indien de bedrijfsauto in gebruik
genomen is na 30 juni 1967 en is voorzien van een mechanische
koppelinrichting voor het koppelen van een aanhangwagen, moet deze
inrichting:
a. voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de bedrijfsauto voor 1
januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze
Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van
de door hem in de goedkeuring voorgeschreven
identificatiekenmerken, en zijn bevestigd overeenkomstig de
voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de
bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel, moet worden
voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2. Indien de bedrijfsauto is voorzien
van een inrichting tot het koppelen van een middenasaanhangwagen met
een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, moet de afstand
van het laagste punt van de koppeling van het trekkend voertuig tot
het wegdek ten minste een vijfde deel bedragen van de afstand van het
laagste punt van die koppeling tot het hart van de achterste as van
het trekkend voertuig.
3. Indien voor het koppelen van
voertuigen bijzondere constructies aan de voertuigen worden toegepast,
moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen.
§ 12. Diversen
Artikel 3.3.54
1. Bedrijfsauto’s die in gebruik
worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
geluidssignaalinrichting overeenkomstig het bepaalde in richtlijn
70/388/EEG.
2. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van ten minste een
hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige,
tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in
gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70
decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in
gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel
en niet meer dan 104 decibel, te meten op door Onze Minister
vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt
niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien
van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers er op attent
maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld,
alsmede van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt
ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
4. Bedrijfsauto’s mogen, onverminderd
het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige
hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan
bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 3.3.55
1. Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3.500 kg, met uitzondering van bussen,
die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien
van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het
voertuig, welke inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn
74/61/EEG.
2. Indien bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1994, zijn voorzien van inrichtingen ter
bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moeten deze
inrichtingen voldoen aan richtlijn 74/61/EEG.
Artikel 3.3.56
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de aanwezigheid van
een sleepinrichting en de sterkte daarvan voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 77/389/EEG.
Artikel 3.3.58
1. Bussen
a. met een toegestane maximum massa
van meer dan 5000 kg,
b. bestemd voor het vervoer van
meer dan 22 passagiers, de bestuurder daaronder niet begrepen,
c. niet bestemd voor het vervoer
van staande passagiers,
d. niet bestemd voor vervoer binnen
één gemeente, en
e. in gebruik genomen na 25 oktober
1999, moeten voor wat betreft de verbrandingseigenschappen van bij
de inwendige constructie gebruikte materialen voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 95/28/EG.
2. Bussen die na 12 februari 2004 in
gebruik worden genomen, moeten voor wat betreft het gebruik van
brandbaar materiaal binnen een straal van 100 mm van het
uitlaatsysteem of een andere belangrijke warmtebron voldoen aan
bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.3.62
1. Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximummassa van niet meer dan 3500 kg die in gebruik worden genomen
na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid,
recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn
2005/64/EG.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op de voertuigen, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van
richtlijn 2005/64/EG.
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
Artikel 3.4.1
1. Motorfietsen moeten tot 9 november
2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG
of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg
voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2. Motorfietsen moeten met ingang van 9
november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn
2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in
deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.4.2
Motorfietsen moeten van deugdelijke bouw
en inrichting zijn.
Artikel 3.4.3
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van een constructieplaat
en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
93/34/EEG.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn
genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van:
a. een identificatienummer dat:
1°. voor elke motorfiets van
hetzelfde merk verschillend is;
2°. uit ten minste 3 letters
of cijfers bestaat, welke minimaal 5 mm hoog zijn;
3°. goed leesbaar op een vast
voertuigdeel is ingeslagen, en
b. een merk of een
fabrieksaanduiding.
3. Motorfietsen die zijn voorzien van
een identificatienummer dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn
76/114/EEG voldoen aan het bepaalde in het tweede lid.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 3.4.5
Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 16 juni 1999 moeten ter zake van maatregelen tegen het
onbevoegd opvoeren voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
§ 2. Afmetingen en massa's
Artikel 3.4.6
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft afmetingen en
massa's voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/93/EEG.
2. Motorfietsen zonder zijspanwagen die
in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen niet breder zijn
dan 1,00 m.
3. Motorfietsen met zijspanwagen die in
gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen niet breder zijn dan
2,55 m.
Artikel 3.4.9
De toegestane maximum massa van
motorfietsen mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum massa.
§ 3. Motor
Artikel 3.4.12
Motorfietsen die zijn voorzien van een
brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot
vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 16 juni
1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.4.13
Het brandstofsysteem van motorfietsen
voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze
Minister gestelde eisen.
Artikel 3.4.14
Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 16 juni 1999, moeten ter zake van elektromagnetische
compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.4.15
Motorfietsen moeten voor wat betreft
geluidproductie voldoen aan het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen.
Artikel 3.4.16
Motorfietsen met een verbrandingsmotor
die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft
luchtverontreiniging voldoen aan het Besluit typekeuring motorrijtuigen
luchtverontreiniging.
§ 4. Krachtoverbrenging.
Artikel 3.4.17
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 30 juni 2001 moeten zijn voorzien van een snelheidsmeter
die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG.
2. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn
voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor
de bestuurder goed afleesbaar is.
Artikel 3.4.18
Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft de wijze van meten van
de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het maximum koppel en
het netto-maximum vermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn
95/1/EG.
§ 6. Ophanging
Artikel 3.4.23
1. Motorfietsen die in gebruik zijn
genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van luchtbanden die
voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn
genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van banden waarvan de
technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister
vastgestelde tabel, met dien verstande dat in afwijking hiervan
motorfietsen met zijspanwagen mogen zijn voorzien van banden die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG, dan wel van banden
overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
3. Het draagvermogen van de banden,
bedoeld in het tweede lid, moet voldoende zijn voor het door de
fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop de
band is gemonteerd.
4. De banden, bedoeld in het tweede
lid, moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant opgegeven maximum
snelheid die met het voertuig kan worden bereikt bij het door de
fabrikant opgegeven draagvermogen.
5. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de montage van de banden, bedoeld in het tweede lid.
§ 7
Artikel 3.4.25 [Vervallen per 19-09-2001]
§ 8. Reminrichting
Artikel 3.4.26
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 maart 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting
die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/14/EG.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn
genomen voor 1 april 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting
die voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
§ 9. Carrosserie
Artikel 3.4.28 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.4.32
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van spiegels die voldoen
aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
2. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn
voorzien van:
a. een linkerbuitenspiegel;
b. een rechterbuitenspiegel indien
de maximum snelheid van het voertuig 100 km/h of meer bedraagt en
het voertuig na 31 december 1994 in gebruik wordt genomen.
3. De spiegels van motorfietsen die in
gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999,
moeten voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid,
afmetingen en gezichtsveld op de weg voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 80/780/EEG.
4. De linkerbuitenspiegel van
motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor
1 januari 1995, moet voor wat betreft afmetingen, plaatsing,
verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister
gestelde eisen.
Artikel 3.4.33
Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 mei 1995 moeten voor wat betreft de identificatie van
bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde
in richtlijn 93/29/EEG.
Artikel 3.4.36
Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 mei 1995 moeten, indien een passagier kan worden vervoerd,
zijn voorzien van een riem dan wel een of meer handgrepen voor deze
passagier, welke moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/32/EEG.
Artikel 3.4.37
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 16 juni 1999, moeten voor wat betreft de naar buiten
uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn
genomen voor 17 juni 1999 mogen geen scherpe delen hebben die in geval
van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers
kunnen opleveren.
3. De wielen van motorfietsen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten deugdelijk zijn
afgeschermd, overeenkomstig de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.4.38 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.4.39
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft de plaats voor de
montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 93/94/EEG.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn
genomen voor 1 november 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien
van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 3.4.40
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de installatie
van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het bepaalde in richtlijn
93/92/EEG.
2. De in de lichtarmaturen toegepaste
gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3. Het eerste lid is voor motorfietsen
die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november
1995, niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur
en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
4. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende
voorzieningen van motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1
januari 1995.
Artikel 3.4.41
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van grote lichten,
dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten,
remlichten, een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde
van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 oktober 1995 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn
voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn
76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. richtingaanwijzers die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. achterlichten die voldoen aan
het bepaalde inrichtlijn 97/24/EG;
e. remlichten die voldoen aan het
bepaalde inrichtlijn 97/24/EG;
f. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
g. niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, moeten zijn
voorzien van:
a. een groot licht en een dimlicht,
die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn
76/761/EEG;
b. richtingaanwijzers die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
c. een achterlicht dat voldoet aan
het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
d. een remlicht dat voldoet aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
e. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
f. een niet-driehoekige rode
retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet
aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
Artikel 3.4.42
Zijspanwagens, verbonden aan een
motorfiets die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 doch voor 1
november 1995, moeten zijn voorzien van:
a. een achterlicht, aangebracht aan
de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m
boven het wegdek;
b. een niet-driehoekige rode
retroreflector, aan de achterzijde aangebracht aan de uiterste
buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het
wegdek, welke retroreflector voldoet aan het bepaalde in richtlijn
76/757/EEG.
Artikel 3.4.43 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.4.46
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 oktober 1995, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van
het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. mistlichten aan de achterzijde
van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG;
c. waarschuwingsknipperlichten die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn
76/759/EEG;
d. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG.
2. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, mogen zijn
voorzien van:
a. een stadslicht dat voldoet aan
het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. een mistlicht aan de voorzijde
van het voertuig, dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG;
c. een mistlicht aan de achterzijde
van het voertuig, dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG;
d. waarschuwingsknipperlichten die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn
76/759/EEG;
e. een of twee parkeerlichten;
f. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/757/EEG;
g. een witte retroreflector aan de
voorzijde van het voertuig, aangebracht op ten minste 0,35 m en
ten hoogste 0,90 meter boven het wegdek;
h. een richtlicht;
i. een bermlicht aan de voorzijde
van het voertuig;
j. werklichten.
3. De motorfietsen, bedoeld in het
tweede lid, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende
voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra
ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige
invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en
retroreflecterende voorzieningen.
Artikel 3.4.47
1. Zijspanwagens, verbonden aan een
motorfiets die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 doch voor
1 november 1995, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, aangebracht aan
de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m
boven het wegdek;
b. richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, aangebracht aan de uiterste
buitenzijde van de zijspanwagen op ten minste 0,35 m en ten
hoogste 1,20 m boven het wegdek; de op de motorfiets aangebrachte
richtingaanwijzers aan de zijde van de zijspanwagen mogen dan niet
functioneren;
c. een remlicht, aangebracht op ten
minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
d. een witte retroreflector aan de
voorzijde van de zijspanwagen, aangebracht op ten minste 0,35 m en
ten hoogste 0,90 m boven het wegdek;
e. ambergele retroreflectoren,
aangebracht aan elke zijkant van de zijspanwagen, op ten minste
0,35 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek;
f. een parkeerlicht aan de verst
van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen.
2. Zijspanwagens mogen zijn voorzien
van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,
extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van
het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de
effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende
voorzieningen.
Artikel 3.4.48
1. Het richtlicht, het bermlicht en het
stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2. De parkeerlichten mogen naar voren
niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3. De richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren en naar achteren niet
anders dan ambergeel stralen.
4. Het remlicht mag niet anders dan
rood stralen.
Artikel 3.4.50
Motorfietsen mogen, met uitzondering van
groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.4.51
Motorfietsen mogen, onverminderd het in
de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-,
flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien
van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen
3.4.41, 3.4.42, 3.4.46 en 3.4.47 dan wel krachtens artikel 3.4.40,
vijfde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en
aanhangwagen
Artikel 3.4.52
De mechanische koppelinrichting, indien
aanwezig, van een motorfiets die in gebruik is genomen na 16 juni 1999
en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
§ 12. Diversen
Artikel 3.4.54
1. Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
geluidssignaalinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
93/30/EEG.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van ten minste een
hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige,
tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in
gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70
decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in
gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel
en niet meer dan 104 decibel, te meten op de door Onze Minister
vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt
niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3. Motorfietsen mogen zijn voorzien van
een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of
diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede
van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de
richtingaanwijzer is ingeschakeld.
4. Motorfietsen mogen, onverminderd het
in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige
hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan
bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 3.4.55
Motorfietsen die in gebruik worden
genomen na 31 mei 1995 moeten zijn voorzien van een inrichting ter
bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke
inrichting voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/33/EEG.
Artikel 3.4.57
Motorfietsen op twee wielen, die in
gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten zijn voorzien van een
standaard die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/31/EEG.
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 0. Algemeen
Artikel 3.5.1
1. Driewielige motorrijtuigen moeten
tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn
92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de
weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2. Driewielige motorrijtuigen moeten
met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een
typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer
op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid zijn op driewielige motorrijtuigen met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen vóór
1 november 1995, de in afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde eisen van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het derde
lid bedoelde driewielige motorrijtuigen.
Artikel 3.5.2
Driewielige motorrijtuigen moeten van
deugdelijke bouw en inrichting zijn.
Artikel 3.5.3
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van een
constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 93/34/EEG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van:
a. een identificatienummer dat:
1°. voor elk motorrijtuig van
hetzelfde merk verschillend is;
2°. uit ten minste 3 letters
of cijfers bestaat, welke minimaal 5 mm hoog zijn;
3°. goed leesbaar op een vast
voertuigdeel is ingeslagen, en
b. een merk of een
fabrieksaanduiding.
3. Driewielige motorrijtuigen die
voorzien zijn van een identificatienummer dat voldoet aan het bepaalde
in richtlijn 76/114/EEG voldoen aan het bepaalde in het tweede lid.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 3.5.6
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft
afmetingen en massa's voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/93/EEG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
Artikel 3.5.7
De afstand van de voorzijde van
driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november
1995, tot het hart van het stuur mag niet meer bedragen dan 3,50 m.
Artikel 3.5.9
1. De last onder enige as van
driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november
1995, mag niet meer bedragen dan:
a. 2800 kg, en
b. de door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum last.
2. De toegestane maximum massa van
driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november
1995, mag niet meer bedragen dan:
a. 3500 kg, en
b. de door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum massa.
Artikel 3.5.10
1. De toegestane maximum massa van
samenstellen van een driewielig motorrijtuig dat in gebruik is genomen
voor 1 november 1995, en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan
de door de fabrikant van het driewielig motorrijtuig voor het
samenstel van voertuigen opgegeven toegestane maximum massa.
2. De toegestane maximum massa van een
ongeremde aanhangwagen achter een driewielig motorrijtuig dat in
gebruik is genomen voor 1 november 1995, mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het
driewielig motorrijtuig opgegeven toegestane maximum massa van de
aanhangwagen,
b. de helft van de ledige massa van
dat driewielig motorrijtuig, en
c. 750 kg.
Artikel 3.5.11
De last onder de bestuurde as van
driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november
1995, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het
voertuig.
§ 3. Motor
Artikel 3.5.12
1. Driewielige motorrijtuigen die zijn
voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al
dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen
na 16 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
2. Van driewielige motorrijtuigen die
in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 mogen delen van het
brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen en leidingen,
in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn gelegen dan
0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het chassis, het
frame of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming
bieden.
Artikel 3.5.13
1. Het brandstofsysteem van driewielige
motorrijtuigen voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen
aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2. Driewielige motorrijtuigen die
elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met
een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister
gestelde eisen.
Artikel 3.5.14
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik
worden genomen na 16 juni 1999, moeten ter zake van elektromagnetische
compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.5.15
Driewielige motorrijtuigen moeten voor
wat betreft geluidproductie voldoen aan het Besluit geluidproduktie
motorvoertuigen.
Artikel 3.5.16
Driewielige motorrijtuigen met een
verbrandingsmotor die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten
voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het Besluit
typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging.
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 3.5.17
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 30 juni 2001 moeten zijn voorzien van een
snelheidmeter die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999,
moeten zijn voorzien van een snelheidsmeter die ook bij nacht voor de
bestuurder goed afleesbaar is.
3. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 met een toegestane maximum
massa van meer dan 1000 kg, dan wel met een ledige massa van meer dan
400 kg, moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te
rijden.
Artikel 3.5.18
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik
worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft de wijze van
meten van de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het maximum
koppel en het netto-maximum vermogen voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 95/1/EG.
§ 6. Ophanging
Artikel 3.5.23
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van
luchtbanden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 doch na 30 september 1971,
moeten zijn voorzien van banden overeenkomstig het bepaalde in
richtlijn 92/23/EEG of van banden die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG, met dien verstande dat in afwijking hiervan
driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september
1971 doch voor 1 januari 1995, mogen zijn voorzien van banden waarvan
de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister
vastgestelde tabel.
3. Het draagvermogen van de banden van
driewielige motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid moet
voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven
draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd.
4. De banden, bedoeld in het tweede
lid, moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant opgegeven maximum
snelheid die met het voertuig kan worden bereikt bij het door de
fabrikant opgegeven draagvermogen.
5. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de montage van de banden, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3.5.24 [Vervallen per 19-09-2001]
§ 7
Artikel 3.5.25 [Vervallen per 19-09-2001]
§ 8. Reminrichting
Artikel 3.5.26
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 maart 1995, moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/14/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 1 april 1995, moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
§ 9. Carrosserie
Artikel 3.5.27 [Vervallen per 28-06-2000]
Artikel 3.5.28 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.5.29
1. De ruiten van driewielige
motorrijtuigen met een carrosserie die in gebruik worden genomen na 16
juni 1999 moeten voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. De ruiten van driewielige
motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch
voor 17 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn
92/22/EEG.
3. De voorruiten van driewielige
motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten
voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.5.30
1. Driewielige motorrijtuigen met een
voorruit, die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn
voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van een
ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen met een
voorruit, met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, die in
gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999,
alsmede driewielige motorrijtuigen met een voorruit, met een ledige
massa van meer dan 400 kg, moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
3. Driewielige motorrijtuigen met een
voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor
17 juni 1999, moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitensproeierinstallatie.
Artikel 3.5.31
1. Driewielige motorrijtuigen met een
voorruit, die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn
voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en
ontwaseming van de voorruit, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen met een
voorruit en met een gesloten carrosserie, die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn
voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en
ontwaseming van de voorruit.
Artikel 3.5.32
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van
spiegels die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van een
linkerbuitenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen:
a. waarvan de ledige massa niet
meer bedraagt dan 400 kg,
b. waarbij de bestuurder een
zodanige plaats inneemt dat hij van zijn zitplaats het achter hem
gelegen weggedeelte kan overzien, en
c. die in gebruik zijn genomen
vóór 27 november 1975.
3. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 met een gesloten carrosserie
moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. Deze eis geldt niet voor
voertuigen die voldoen aan de in het tweede lid, onderdelen a en b,
genoemde voorwaarden.
4. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van een
rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het
vereiste gezichtsveld op de weg niet wordt verkregen. Indien de
binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze
niet aanwezig te zijn.
5. De spiegels van driewielige
motorrijtuigen als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid moeten
voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en
gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.5.33
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik
worden genomen na 31 mei 1995, moeten voor wat betreft de identificatie
van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 93/29/EEG.
Artikel 3.5.35 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.5.36
1. Driewielige motorrijtuigen met een
carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn
voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen met een
gesloten carrosserie, die in gebruik worden genomen na 31 december
1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van
bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig de eisen in
richtlijn 76/115/EEG.
3. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 en die
zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor
het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten
zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze
bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik
van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze
plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een
portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn
aangebracht volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
4. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 en
die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings
voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht,
moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels
voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het derde lid
bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht
volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
5. De aanwezigheid van de in het derde
en vierde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor
voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien
degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel
is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig
aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing
te doen zijn.
6. Driewielige motorrijtuigen met een
carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn
voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
7. Driewielige motorrijtuigen met een
gesloten carrosserie die in gebruik worden genomen na 31 december 1994
doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van autogordels
overeenkomstig de eisen in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen
die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
8. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995,
waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het
gebruik van autogordels op de in het derde lid en het vierde lid
bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die
zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister
gestelde eisen.
Artikel 3.5.37
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten voor wat betreft de
naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 mogen geen scherpe delen hebben
die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers kunnen opleveren.
3. Onverminderd het bepaalde in het
tweede lid moeten uitstekende delen die in geval van botsing het
gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk
kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4. Het bepaalde in het tweede en derde
lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m
boven het wegdek bevinden.
5. Op driewielige motorrijtuigen met
twee wielen aan de achterzijde, die in gebruik worden genomen na 31
december 1994 doch voor 17 juni 1999, zijn de eisen in richtlijn
70/221/EEG inzake de bescherming aan de achterzijde van
overeenkomstige toepassing.
6. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999,
moeten zijn voorzien van voorzieningen ter afscherming van de wielen
overeenkomstig de eisen in richtlijn 78/549/EEG.
Artikel 3.5.38 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.5.39
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de
plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 1 november 1995 moeten aan de achterzijde
zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een
kentekenplaat.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 3.5.40
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de
installatie van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het bepaalde
in richtlijn 93/92/EEG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995
moeten voor wat betreft de installatie van verlichting en
lichtsignalen voldoen aan het gestelde in artikel 3.5.41, derde lid.
3. De in de lichtarmaturen van
driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31
december 1994, toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde
in richtlijn 97/24/EG.
4. Het derde lid is niet van toepassing
ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten
eenheid vormen.
5. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende
voorzieningen van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995.
Artikel 3.5.41
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van grote
lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten,
remlichten, een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde
van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 doch voor 17 juni 1999,
moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn
76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde
inrichtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. achterlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
e. remlichten die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
f. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG
of richtlijn 76/760/EEG;
g. niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995,
moeten zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn
76/761/EEG;
b. twee dimlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
c. twee stadslichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
d. twee richtingaanwijzers aan de
voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, en
waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/759/EEG;
e. twee achterlichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
f. twee remlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
g. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
76/760/EEG;
h. twee niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
4. Driewielige motorrijtuigen met een
breedte van niet meer dan 1,50 m mogen in afwijking van het bepaalde
in het derde lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van:
a. één groot licht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht;
d. één achterlicht;
e. één remlicht;
f. één niet-driehoekige rode
retroreflector.
Artikel 3.5.44
1. De in artikel 3.5.41, derde en
vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met
uitzondering van de kentekenplaatverlichting, niet lager dan 0,35 m en
niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2. De in artikel 3.5.41, derde en
vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met
uitzondering van de kentekenplaatverlichting, symmetrisch ten opzichte
van het midden van het voertuig zijn aangebracht.
3. De in artikel 3.5.41, derde lid,
bedoelde grote lichten, dimlichten, stadslichten en niet-driehoekige
rode retroreflectoren moeten niet verder dan 0,40 m van de zijkanten
van het voertuig zijn aangebracht.
4. De richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, achterlichten, remlichten en
niet-driehoekige rode retroreflectoren, bedoeld in artikel 3.5.41,
tweede, derde en vierde lid, moeten op een onderlinge afstand van ten
minste 0,60 m zijn aangebracht, waarbij de afstand vanaf het punt van
de grootste breedte van het voertuig niet meer dan 0,40 m mag
bedragen.
5. De in artikel 3.5.41, vierde lid,
bedoelde lichten en retroreflector moeten in afwijking van het
bepaalde in het tweede, derde en vierde lid in het midden van het
voertuig zijn aangebracht.
Artikel 3.5.45
1. Lichten met dezelfde functie moeten
van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke
sterkte zijn.
2. De in artikel 3.5.41 bedoelde
lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
Artikel 3.5.46
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, mogen zijn voorzien van:
a. één of twee mistlichten aan de
voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG;
b. één of twee mistlichten aan de
achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG;
c. één of twee
achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG of richtlijn 77/539/EEG;
d. een niet-driehoekige ambergele
retroflector aan de zijkant van het voertuig die voldoet aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995,
mogen zijn voorzien van:
a. twee mistlichten aan de
voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG;
b. een of twee mistlichten aan de
achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG;
c. parkeerlichten, indien het
voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
d. een of twee achteruitrijlichten
die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG;
e. een zijrichtingaanwijzer aan
elke zijkant van het voertuig;
f.
herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren
gelegen deel van de zich aan de zij- of achterkant van het
voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, met uitzondering
van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
g. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG;
h. witte retroreflectoren aan de
voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde
van het voertuig;
k. werklichten.
3. Driewielige motorrijtuigen als
bedoeld in het tweede lid, mogen zijn voorzien van extra witte
retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de
achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits
deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de
verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
4. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van
een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn
76/756/EEG.
Artikel 3.5.48
1. Indien één parkeerlicht is
aangebracht, mag dit naar voren niet anders dan wit en naar achteren
niet anders dan rood stralen. Indien twee parkeerlichten zijn
aangebracht, moet het voorste wit en het achterste rood stralen.
2. De zijrichtingaanwijzers mogen niet
anders dan ambergeel stralen.
3. Het richtlicht en het bermlicht
mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
4. Het derde remlicht mag niet anders
dan rood stralen.
Artikel 3.5.49
1. De mistlichten aan de voorzijde en
de parkeerlichten moeten niet lager dan 0,25 m, niet hoger dan 1,20 m
boven het wegdek en niet verder dan 0,40 m van de zijkanten van het
voertuig zijn aangebracht.
2. De mistlichten aan de achterzijde
moeten op een afstand van ten minste 0,10 m van het remlicht en niet
hoger dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. De mistlichten aan
de achterzijde moeten symmetrisch ten opzichte van het midden van het
voertuig zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit
links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
3. De witte retroreflectoren moeten
zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0.40 m vanaf het
punt van de grootste breedte van het voertuig.
Artikel 3.5.50
Driewielige motorrijtuigen mogen, met
uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende
verlichting.
Artikel 3.5.51
Driewielige motorrijtuigen mogen niet
zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan
in de artikelen 3.5.41 en 3.5.46 dan wel krachtens artikel 3.5.40,
vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
§ 11. Verbinding tussen driewielig
motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 3.5.52
1. De mechanische koppelinrichting,
indien aanwezig, van een driewielig motorrijtuig dat in gebruik is
genomen na 16 juni 1999 en de bevestiging daarvan aan het voertuig
moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Indien een driewielig motorrijtuig
dat in gebruik is genomen voor 17 juni 1999 is voorzien van een
mechanische koppelinrichting voor het koppelen van een aanhangwagen,
moet deze inrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of
aan de door Onze Minister gestelde eisen.
§ 12. Diversen
Artikel 3.5.54
1. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik worden genomen na 31 mei 1995, moeten zijn voorzien van een
geluidssignaalinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
93/30/EEG.
2. Driewielige motorrijtuigen die in
gebruik zijn genomen voor 1 juni 1995, moeten zijn voorzien van ten
minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van
zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor
voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder
bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor
voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet
minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op de
door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van
104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 70/388/EEG.
3. Driewielige motorrijtuigen mogen
zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere
weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het
voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die
ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te
voorkomen.
4. Driewielige motorrijtuigen mogen
niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld
in het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 3.5.55
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik
worden genomen na 31 mei 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting
ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke
inrichting voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/33/EEG.
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 0. Algemeen
Artikel 3.6.1
1. Bromfietsen moeten tot 9 november
2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG
of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg
voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2. Bromfietsen moeten met ingang van 9
november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn
2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in
deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.6.2
Bromfietsen moeten van deugdelijke bouw
en inrichting zijn.
Artikel 3.6.3
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een
constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 93/34/EEG.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 3.6.5
Bromfietsen op twee wielen moeten ter
zake van maatregelen tegen het onbevoegd opvoeren voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
§ 2. Afmetingen en massa's
Artikel 3.6.6
Bromfietsen moeten voor wat betreft
afmetingen en massa's voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/93/EEG.
§ 3. Motor
Artikel 3.6.12
Bromfietsen die zijn voorzien van een
brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot
vloeistof verdicht gas, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
Artikel 3.6.14
Bromfietsen moeten ter zake van
elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
Artikel 3.6.15
Bromfietsen moeten voor wat betreft
geluidproductie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie
bromfietsen.
Artikel 3.6.16
Bromfietsen met een verbrandingsmotor
moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in
het Besluit typegoedkeuring bromfietsen luchtverontreiniging.
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 3.6.17
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een
snelheidsmeter die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG.
Artikel 3.6.18
Bromfietsen moeten voor wat betreft de
wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximum snelheid,
het maximum koppel en het netto-maximum vermogen voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 95/1/EG.
Artikel 3.6.19 [Vervallen per 19-09-2001]
§ 6. Ophanging
Artikel 3.6.23
Bromfietsen moeten zijn voorzien van
luchtbanden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
§ 7
Artikel 3.6.25 [Vervallen per 19-09-2001]
§ 8. Reminrichting
Artikel 3.6.26
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/14/EEG.
§ 9. Carrosserie
Artikel 3.6.28 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.6.29
Bromfietsen op drie of vier wielen met
een carrosserie moeten zijn voorzien van ruiten die voldoen aan en zijn
gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.30
Bromfietsen op drie of vier wielen met
een voorruit moeten zijn voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van
een ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/24/EG.
Artikel 3.6.31
Bromfietsen op drie of vier wielen met
een voorruit en met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van
een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de
voorruit, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.32
Bromfietsen moeten wat betreft spiegels
en de montage daarvan voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.33
Bromfietsen moeten voor wat betreft de
identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 93/29/EEG.
Artikel 3.6.36
1. Bromfietsen op drie of vier wielen
met een carrosserie moeten wat betreft bevestigingspunten voor
autogordels voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Bromfietsen op drie of vier wielen
met een carrosserie moeten wat betreft autogordels voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3. Bromfietsen op twee wielen moeten,
indien een passagier kan worden vervoerd, zijn voorzien van een riem
dan wel een of meer handgrepen voor deze passagier, welke moeten
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/32/EEG.
Artikel 3.6.37
Bromfietsen op twee wielen zonder
carrosserie en bromfietsen op drie of vier wielen moeten voor wat
betreft de naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.38 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.6.39
Bromfietsen moeten voor wat betreft de
plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 3.6.40
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een
installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen die voldoet
aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
Artikel 3.6.41
Bromfietsen moeten dan wel mogen zijn
voorzien van grote lichten, dimlichten, stadslichten,
richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten en niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig overeenkomstig het
bepaalde in richtlijnen 93/92/EEG en 97/24/EG.
Artikel 3.6.44 [Vervallen per 12-01-1996]
Artikel 3.6.45 [Vervallen per 12-01-1996]
Artikel 3.6.46 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.6.49 [Vervallen per 12-01-1996]
Artikel 3.6.50 [Vervallen per 19-09-2001]
Artikel 3.6.51 [Vervallen per 19-09-2001]
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en
aanhangwagen
Artikel 3.6.52
De mechanische koppelinrichting, indien
aanwezig, van een bromfiets en de bevestiging daarvan aan het voertuig
moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
§ 12. Diversen
Artikel 3.6.54
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een
geluidssignaalinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
93/30/EEG, dan wel van een goed werkende bel indien het een bromfiets
betreft met een motorvermogen van niet meer dan 0,5 kW en met een door
de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h.
Artikel 3.6.55
Indien een bromfiets is voorzien van een
inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig,
welke inrichting werkt op de stuurinrichting of op de overbrenging, moet
deze inrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/33/EEG.
Artikel 3.6.57
Bromfietsen op twee wielen moeten zijn
voorzien van een standaard die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
93/31/EEG.
Afdeling 7. Aanhangwagens met een
toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van
aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter
motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0. Algemeen
Artikel 3.7.1
Aanhangwagens met een toegestane maximum
massa van meer dan 750 kg moeten voor toelating tot het verkeer op de
weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.7.2
Aanhangwagens moeten:
a. van deugdelijke bouw en inrichting
zijn;
b. voldoen aan de in hoofdstuk 5,
afdeling 12, bedoelde permanente eisen.
Artikel 3.7.3
1. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een
constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2. Aanhangwagens die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een
identificatienummer dat:
a. voor elke aanhangwagen van
hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of
cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast
voertuigdeel is ingeslagen.
Artikel 3.7.4
Op elk onderdeel dat tot een goedgekeurd
type behoort, moeten de in de typegoedkeuring daarvan genoemde kenmerken
gemakkelijk zichtbaar en duidelijk leesbaar aanwezig zijn.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 3.7.5
Onze Minister kan voor
middenasaanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500
kg regels vaststellen voor wat betreft het asstel, de soort koppeling,
de dynamische verticale last onder de koppeling en de afstand van het
hart van de koppeling tot het hart van het asstel.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 3.7.6
1. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en
wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
2. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft
afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn
97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel
7.6.1.2.
3. Aanhangwagens die in gebruik zijn
genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet breder zijn dan 2,55 m, met
uitzondering van geconditioneerde voertuigen die niet breder mogen
zijn dan 2,60 m; en
b. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4. Aanhangwagens, niet zijnde
opleggers, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen niet
langer zijn dan 12,00 m.
5. Van opleggers die na 31 december
1994 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand
tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van
de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m.
6. Van opleggers die na 31 december
1994 maar voor 22 juli 1999 in gebruik zijn genomen, mag de
horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en
enig deel aan de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan
12,00 m.
7. Van opleggers die voor 1 januari
1995 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand
tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van
de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een
puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak
wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken
van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op
maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
8. Van aanhangwagens, met uitzondering
van kermis- of circusvoertuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22
juli 1999, mag bij het inrijden en vervolgens doorrijden van een
cirkel met een straal van 12,50 m, waarbij het inrijden van de cirkel
geschiedt met de buitenzijde van het samenstel van voertuigen langs de
binnenzijde van de raaklijn aan de cirkel, en het doorrijden van de
cirkel geschiedt over een hoek van 360 graden met de voorzijde van het
samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de cirkel, de
uitscheermaat van het samenstel van voertuigen niet meer dan 0,80 m
bedragen en de bestreken baan niet meer dan 7,20 m bedragen. Deze
bepaling geldt niet voor opleggers die voor 1 april 1983 in gebruik
zijn genomen, waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op
gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het
wegdek bevindt en die worden gebruikt voor het vervoer van ondeelbare
lading.
9. Het eerste en het tweede lid zijn
voor wat betreft wendbaarheid niet van toepassing op kermis- of
circusvoertuigen.
10. In afwijking van het bepaalde in
het vierde lid mogen:
a. middenasaanhangwagens die na 30
juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet
langer zijn dan 10,00 m, indien de toegestane maximum massa meer
bedraagt dan 2 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg;
b. middenasaanhangwagens die voor 1
juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m.
11. In afwijking van het bepaalde in
het eerste tot en met vierde lid mogen kermis- of circusvoertuigen
niet langer zijn dan 14,00 m.
12. In afwijking van het bepaalde in
het eerste, tweede en zesde lid mag voor een kermis- of circusvoertuig
de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en
de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
13. Bij de vaststelling van de afstand,
bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, worden markeringslichten,
zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten,
zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van
het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
14. In de afmetingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en
gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
Artikel 3.7.8 [Vervallen per 29-01-1999]
Artikel 3.7.9
1. Bij middenasaanhangwagens mag de
last onder de koppeling:
a. alleen in neerwaartse richting
zijn gericht;
b. niet meer bedragen dan de door
de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven toegestane maximum last
onder de koppeling;
c. niet meer bedragen dan 10,0% van
de toegestane maximum massa van de aanhangwagen en niet meer dan
1000 kg;
d. niet minder bedragen dan 1,0%
van de toegestane maximum massa van de aanhangwagen, doch de last
behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.
2. De last onder de as of assen van
aanhangwagens die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag
niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum last,
b. voor enige as, 10 000 kg,
c. voor aanhangwagens met een
asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de
onderlinge afstand tussen de assen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m,
11 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. 1,30 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,80 m, 18 000 kg te zamen,
d. voor aanhangwagens met een
asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:
1°. indien de afstand tot de
dichtstbij zijnde naastgelegen as van dat asstel minder
bedraagt dan 1,30 m, 7 000 kg per as;
2°. indien de afstand tot de
dichtstbij zijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of
meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8 000 kg per as, dan wel
9 000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of
van in het kader van de Europese Gemeenschappen als
gelijkwaardig aangemerkte vering,
e. voor aanhangwagens met twee in
elkaars verlengde gelegen enkele assen, 13 000 kg, waarbij de last
onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6500 kg,
f. voor aanhangwagens, bestemd voor
het vervoer van ondeelbare lading, met twee in elkaars verlengde
gelegen enkele assen, 16 000 kg, waarbij de last onder ieder der
assen niet meer mag bedragen dan 8000 kg,
g. voor aanhangwagens met twee
achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e, waarbij de
onderlinge afstand tussen de aslijnen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m,
13 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,30 m, 17 000 kg te zamen,
3°. 1,30 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,80 m, 21 000 kg te zamen,
waarbij de last onder ieder der
assen niet meer mag bedragen dan 6 500 kg,
h. voor aanhangwagens, bestemd voor
het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer achter elkaar
gelegen aslijnen als bedoeld onder e, waarbij de onderlinge
afstand tussen de aslijnen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m,
16 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt,
12 000 kg vermenigvuldigd met het aantal aslijnen,
waarbij de last onder ieder der
assen niet meer mag bedragen dan 8 000 kg,
i. voor aanhangwagens met meer dan
twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e, waarbij
de onderlinge afstand tussen de aslijnen 1,30 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,80 m, het aantal aslijnen vermenigvuldigd met 13
000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag
bedragen dan 6500 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of
van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig
aangemerkte vering,
j. voor aanhangwagens, bestemd voor
het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer achter elkaar
gelegen aslijnen als bedoeld onder e, waarbij de onderlinge
afstand tussen de aslijnen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan
1,80 m, het aantal aslijnen vermenigvuldigd met 16 000 kg, waarbij
de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8000 kg,
mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van
de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering.
3. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van
aanhangwagens die niet in het tweede lid zijn genoemd dan wel die voor
1 januari 1995 in gebruik zijn genomen.
4. De toegestane maximum massa van
middenasaanhangwagens mag niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de
middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van
de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag
de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan:
a. 20 000 kg, of
b. 24 000 kg indien de
middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen.
§ 5. Assen
Artikel 3.7.20
1. Van een meervoudige asconstructie
van een aanhangwagen die in gebruik wordt genomen na 30 september
1974, mogen niet meer dan drie assen star zijn uitgevoerd, waarbij de
afstand tussen de twee uiterste starre assen niet meer mag bedragen
dan 2,80 m.
2. Van een meervoudige asconstructie
van een aanhangwagen die in gebruik is genomen na 30 september 1974
doch voor 1 januari 1995, mogen een of meer assen zelfsturend zijn
uitgevoerd mits de toegestane maximum last onder de zelfsturende assen
niet meer bedraagt dan 45,0% van de toegestane maximum last onder de
meervoudige asconstructie.
3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder een starre as verstaan een as waarvan de wielen niet
gestuurd of zelfsturend zijn.
Artikel 3.7.21
1. De ashefinrichting van aanhangwagens
die in gebruik worden genomen na 31 maart 1983 dient, voorzover deze
inrichting werkt door het optrekken van de wielen van de bodem of het
neerlaten van de wielen op de bodem en de aanhangwagen is voorzien van
een samenstel van assen, zodanig te zijn uitgevoerd dat deze
inrichting automatisch buiten werking wordt gesteld niet later dan
nadat de aslast van een van de op het rijvlak rustende assen van dat
samenstel de grootste voor deze as toegestane waarde heeft bereikt.
2. In afwijking van het eerste lid
mogen aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 zijn
voorzien van een ashefinrichting die voldoet aan het bepaalde in
Bijlage IV, onderdeel 3, van richtlijn 97/27/EG.
Artikel 3.7.22
1. Assen van aanhangwagens moeten door
de fabrikant van de as zijn voorzien van:
a. een merk- of fabrieksaanduiding;
b. een typeaanduiding;
c. een opgave van de maximale
technisch toelaatbare aslast.
2. De door de fabrikant van het
voertuig opgegeven toegestane maximum aslast mag niet meer bedragen
dan de opgave, bedoeld in onderdeel c van het eerste lid.
§ 6. Ophanging
Artikel 3.7.23
1. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van banden die
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG. In afwijking hiervan
mogen aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971
doch voor 1 januari 1995, zijn voorzien van banden waarvan de
technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister
vastgestelde tabel.
2. Het draagvermogen van de banden moet
voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven
draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd, bij een snelheid
van 100 km/h.
3. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de montage van banden.
Artikel 3.7.24
1. Aanhangwagens moeten zijn voorzien
van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het
veersysteem beschouwd.
2. Aanhangwagens die zijn voorzien van
gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten
hoogste 3500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn
voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 3.7.25
1. Aanhangwagens die in gebruik genomen
worden na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de stuurinrichting
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2. De stuurinrichting van aanhangwagens
die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moet deugdelijk zijn.
§ 8. Reminrichting
Artikel 3.7.26
1. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de reminrichting
voldoen aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2. Aanhangwagens die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een
reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde
eisen.
§ 9. Carrosserie
Artikel 3.7.27 [Vervallen per 28-06-2000]
Artikel 3.7.29
De ruiten van aanhangwagens die in
gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
Artikel 3.7.34
Aanhangwagens, in gebruik genomen na 8
mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn
2001/56/EG.
Artikel 3.7.37
1. Aanhangwagens mogen geen scherpe
delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel
voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid moeten uitstekende delen die in geval van botsing het
gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk
kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede
lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m
boven het wegdek bevinden.
4. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming
aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG.
Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich
naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is
belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting
aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn
gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
5. Aanhangwagens die in gebruik zijn
genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten voor wat
betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien zij
hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen
aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze bepaling geldt niet
voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van
degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen
de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde,
alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer
van in de lengte ondeelbare lading.
6. Aanhangwagens met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na
31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras of de
koppelingspen indien het een oplegger betreft, en de voorste achteras
zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde
in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste achteras zijn
voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze
Minister vastgestelde eisen.
7. Op aanhangwagens met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen
na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming
tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger
betreft en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEG voor
aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg
doch niet meer dan 10 000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing.
Zij moeten voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van
zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen.
8. Onverminderd het bepaalde in het
zesde en zevende lid moeten middenasaanhangwagens voor de voorste as
zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze
Minister vastgestelde eisen.
9. Aanhangwagens die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn
voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze
Minister vastgestelde eisen.
10. De in het zesde, zevende, achtste
en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt
niet voor aanhangwagens die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en
waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse
afscherming aan te brengen, alsmede voor aanhangwagens die speciaal
zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
11. De wielen van aanhangwagens in
gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd
overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van
aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten
deugdelijk zijn afgeschermd.
Artikel 3.7.38
De wielen onderscheidenlijk banden van
aanhangwagens mogen niet kunnen aanlopen.
Artikel 3.7.39
1. Aanhangwagens die in gebruik genomen
worden na 31 december 1994, moeten aan de achterzijde zijn voorzien
van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat, die
voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
2. Aanhangwagens die in gebruik zijn
genomen voor 1 januari 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien
van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 3.7.40
1. Aanhangwagens in gebruik genomen na
31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen,
verlichting en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan
aan richtlijn 76/756/EEG.
2. Het eerste lid is wat
retroreflecterende voorzieningen betreft niet van toepassing op
aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel
30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende
voorzieningen bedoeld in het tweede lid.
4. De in de lichtarmaturen toegepaste
gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende
bij Richtlijn 76/761/EEG.
5. Het tweede lid is niet van
toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron
een gesloten eenheid vormen.
6. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende
voorzieningen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1
januari 1995.
Artikel 3.7.41
1. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. stadslichten die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is
dan 1,60 m;
b. richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/759/EEG;
c. achterlichten die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
d. remlichten die voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
e. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn
76/760/EEG;
f. driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. mistlichten aan de achterzijde
van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn
77/538/EEG;
h. witte retroreflectoren aan de
voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/757/EEG;
i. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/757/EEG;
j. markeringslichten, die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig
breder is dan 2,10 m;
k. zijmarkeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG,
indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
l. een markering aan de achterzijde
van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister
vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het
voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor door
Onze Minister aangewezen aanhangwagens waarvan de bouw, de
inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de
markering;
m. achteruitrijlichten die voldoen
aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG.
2. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer
dan 3500 kg, zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn
geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte
materiaal voldoet aan ECE-reglement 104.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste
lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
4. Binnen de volledige contourmarkering
aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het tweede lid, mogen
retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht
die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen
nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering
en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder
geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen
niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van
de volledige contourmarkering uitmaken.
5. Onze Minister draagt zorg voor een
vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking
mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3.7.46
1. Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. extra achteruitrijlichten die
voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
b. twee extra richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 76/759/EEG, aangebracht op het breedste punt zo hoog
mogelijk aan de achterzijde van het voertuig;
c.
herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren
gelegen deel van de zich aan de zijof achterkant van het voertuig
bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan
het bepaalde in de onder b genoemde richtlijn, met uitzondering
van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
d. markeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig
breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
e. zijmarkeringslichten die voldoen
aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG,
indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
f. niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die zijn
opgenomen in het lamphuis van andere lichten en die voldoen aan
het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. werklichten;
h. een derde remlicht dat voldoet
aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
2. Aanhangwagens mogen zijn voorzien
van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,
extra rode niet-driehoekige aan de achterzijde en extra ambergele aan
de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben
op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende
voorzieningen.
3. Aanhangwagens in gebruik genomen
voor 10 juli 2008 mogen zijn voorzien van:
a. opvallende markeringen die zijn
geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het
gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of
b. een lijnmarkering of
contourmarkering die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig
ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij
Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen
voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware
en lange voertuigen en hun aanhangwagens.
4. Aanhangwagens in gebruik genomen na
9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn
geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte
materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds
ingevolge artikel 3.7.41 verplicht zijn.
5. Het derde en vierde lid zijn niet
van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29,
eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6. Binnen de volledige contourmarkering
aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het derde of vierde lid
mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn
aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat
deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze
contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende
voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers,
letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale
oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering
uitmaken.
7. Onze Minister draagt zorg voor een
vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking
mededeling in de Staatscourant.
8. Aanhangwagens in gebruik bij de in
artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde
diensten mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping.
9. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende
striping, bedoeld in het achtste lid.
Artikel 3.7.48
Het derde remlicht mag slechts rood
stralen.
Artikel 3.7.51
Aanhangwagens mogen, onverminderd het in
artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten,
niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen
dan in de artikelen 3.7.41 en 3.7.46 dan wel krachtens artikel 3.7.40,
vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
§ 11. Verbinding tussen trekkend
motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 3.7.52
1. De mechanische koppelinrichting van
aanhangwagens in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet:
a. voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de aanhangwagen voor 1
januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze
Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van
de door hem in de goedkeuring voorgeschreven
identificatiekenmerken,en zijn bevestigd overeenkomstig de
voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de
oplegger is voorzien van een stuurwig, moet worden voldaan aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen.
2. Middenasaanhangwagens waarvan de
toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 1500 kg en die niet
zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van
een hulpkoppeling.
3. Indien voor het koppelen van
voertuigen bijzondere constructies worden toegepast, moeten deze
constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.7.53
Delen van de koppeling van aanhangwagens
mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand
het wegdek niet kunnen raken.
§ 12. Diversen
Artikel 3.7.54
Aanhangwagens die in gebruik worden
genomen na 1 januari 1996, moeten ter zake van elektromagnetische
compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Afdeling 8. Voertuigonderdelen,
technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming
van weggebruikers en passagiers
Artikel 3.8.1
Onze Minister stelt de eisen vast
waaraan:
a. achterlichten voor fietsen en
aanhangwagens achter fietsen,
b. niet-driehoekige rode
retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen,
aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens,
c. witte of gele retroreflectoren
voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en
aanhangwagens achter fietsen,
d. ambergele of gele retroreflectoren
voor de trappers van fietsen, en
e. rode retroreflectoren in de vorm
van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte
snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen
aanhangwagens, alsmede wagens,
moeten voldoen.
Artikel 3.8.2
Uitlaatsystemen voor motorrijtuigen
moeten voldoen aan het bepaalde in het Besluit uitlaatsystemen
motorvoertuigen en bromfietsen (Stb. 1985, 474).
Artikel 3.8.3
1. Mechanische koppelinrichtingen voor
het koppelen van een aanhangwagen aan een personenauto of een
bedrijfsauto moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG.
2. Mechanische koppelinrichtingen voor
het koppelen van een aanhangwagen aan een motorfiets, driewielig
motorrijtuig of een bromfiets moeten voldoen aan het bepaalde in
richtlijn 97/24/EG.
3. Luchtbanden voor motorfietsen,
driewielige motorrijtuigen of bromfietsen moeten voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
4. Verlichtings- en
lichtsignaalinrichtingen voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen
of bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
5. Achteruitkijkspiegels voor
motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen moeten voldoen
aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
6. Brandstoftanks voor motorfietsen,
driewielige motorrijtuigen of bromfietsen moeten voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
7. Autogordels voor driewielige
motorrijtuigen en bromfietsen op drie of vier wielen moeten, indien
deze zijn voorzien van een gesloten carrosserie, voldoen aan het
bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
8. Ruiten, ruitenwissers,
ruitensproeiers en ontdooiings- en ontwaseminrichtingen voor
driewielige motorrijtuigen en bromfietsen op drie of vier wielen
moeten, indien deze zijn voorzien van een voorruit en een gesloten
carrosserie, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.8.4
Helmen voor bestuurders en passagiers van
bromfietsen, motorfietsen en driewielige motorrijtuigen voldoen aan het
bepaalde in het Warenwetbesluit motor- en bromfietshelmen.
Artikel 3.8.5
Kinderbeveiligingssystemen, als bedoeld
in artikel 59, eerste en tweede lid, van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn nr.
77/541/EEG.
Artikel 3.8.6
1. Beschermingsinrichtingen aan de
voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in artikel 3.3.37, dertiende
lid, moeten voldoen aan richtlijn 2000/40/EG.
2. Beschermingsinrichtingen tegen
klemrijden die bestemd zijn om aan de achterzijde van personenauto’s,
bedrijfsauto’s of aanhangwagens te worden gemonteerd, waarvoor als
technische eenheden een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen
met ingang van 11 september 2007 aan Richtlijn 70/221/EEG.
Artikel 3.8.7
1. Materiaal dat bestemd is voor
gebruik als opvallende markering of voor gebruik als retroreflecterend
cijfer, of retroreflecterende letter of afbeelding, voldoet aan
ECE-reglement 104.
2. Onze Minister draagt zorg voor een
vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking
mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3.8.8
Banden bestemd voor montage op
personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens moeten voldoen aan
richtlijn nr. 92/23/EEG.
Artikel 3.8.9
Veiligheidsruiten of materialen voor
ruiten, bestemd voor montage op personenauto's, bedrijfsauto's of
aanhangwagens, moeten voldoen aan richtlijn nr. 92/22/EEG.
Artikel 3.8.10
1. De carrosserie van een bus van
klasse I, II, III, A en B die in gebruik wordt genomen na 12 februari
2004, moet voldoen aan richtlijn 2001/85/EG.
2. De carrosserie van een bus van
klasse I, II, III, A en B die in gebruik wordt genomen na 12 februari
2004 en voorzien is van technische voorzieningen ter verbetering van
de toegankelijkheid voor personen met een mobiliteitshandicap, moet
voldoen aan bijlage VII van richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.8.11
1. Een vervangingskatalysator bestemd
om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring
is verleend overeenkomstig richtlijn 70/156/EEG, moet voldoen aan
richtlijn 70/220/EEG.
2. Een vervangingskatalysator bestemd
om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring
is verleend overeenkomstig richtlijn 2002/24/EG, moet voldoen aan
richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.8.12
Verwarmingssystemen op brandstof voor
personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens, voldoen aan richtlijn
2001/56/EG.
Artikel 3.8.13
Een snelheidsbegrenzer of ingebouwd
snelheidsbegrenzingssysteem als bedoeld in artikel 1 van richtlijn
92/24/EEG, voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG.
Artikel 3.8.14
1. Inrichtingen voor indirect zicht
voor personenauto’s en bedrijfsauto’s voldoen met ingang van 26
januari 2006 aan richtlijn 2003/97/EG.
2. In afwijking van het eerste lid
voldoen vooruitkijkspiegels voor personenauto’s en bedrijfsauto’s
met ingang van 26 januari 2007 aan richtlijn 2003/97/EG.
3. Het eerste en het tweede lid zijn
niet van toepassing op een spiegel, bestemd om als
vervangingsonderdeel te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een
EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 71/127/EEG.
Artikel 3.8.15
De systemen, onderdelen en technische
eenheden, bedoeld in Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van richtlijn
2003/37/EG, waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen
aan het bepaalde in de op grond van Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van
richtlijn 2003/37/EG bij het desbetreffende systeem, het onderdeel of de
technische eenheid behorende bijzondere richtlijn.
Artikel 3.8.16
Systemen, onderdelen en technische
eenheden bestemd voor personenauto’s, bedrijfsauto’s en
aanhangwagens waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen
voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit aan de bijlagen I
tot en met X van richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.8.17
Frontbeschermingsinrichtingen bestemd
voor personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan
3500 kg of bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, waarvoor als technische eenheden
een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen met ingang van 25
november 2006 wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere
kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG.
Afdeling 9. Voertuigen bestemd voor het
vervoer van gevaarlijke goederen over de weg
Artikel 3.9
Voertuigen van de categorieën N en O als
omschreven in artikel 2 en Bijlage II van Richtlijn 70/156/EEG, bestemd
voor het vervoer van gevaarlijke goederen, moeten, onverminderd de
overige bepalingen van dit hoofdstuk, tevens voldoen aan de bepalingen
van Richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en
aanhangers daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen
over de weg en tot wijziging van Richtlijn nr.70/156/EEG betreffende de
typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangers daarvan.
Afdeling 10. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0. Algemeen
Artikel 3.10.1
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2 en T3 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het
verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, onderdeel
a, van richtlijn 2003/37/EG voor toelating tot het verkeer op de weg
aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorie T4.2 voldoen met ingang van 1 januari 2008 voor het
verkrijgen van een typegoedkeuring voor toelating tot het verkeer op
de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen.
3. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorie T5 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het verkrijgen
van een typegoedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg aan
de in deze afdeling vermelde eisen.
4. Met een typegoedkeuring, bedoeld in
het tweede of derde lid, wordt gelijkgesteld een verklaring van
goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in
een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een
daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland
bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die
een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Artikel 3.10.2
Landbouw- of bosbouwtrekkers zijn van
deugdelijke bouw en inrichting.
Artikel 3.10.3
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de voorgeschreven platen
aan richtlijn 89/173/EEG.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 3.10.6
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen wat betreft de afmetingen aan
richtlijn 89/173/EEG.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorie T4.2:
a. voldoen wat betreft de lengte en
de hoogte aan richtlijn 89/173/EEG;
b. zijn niet breder dan 3,00 m.
Artikel 3.10.9
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de massa in volbelaste
toestand aan richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.10
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de maximaal getrokken
massa aan richtlijn 89/173/EEG.
§ 3. Motor
Artikel 3.10.12
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft reservoirs voor
vloeibare brandstof aan richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.14
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de elektromagnetische
compatibiliteit aan richtlijn 75/322/EEG.
Artikel 3.10.15
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
externe geluidsniveaus aan richtlijn 74/151/EEG.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
interne geluidsniveaus aan richtlijn 77/311/EEG.
Artikel 3.10.16
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de uitstoot van
verontreinigende gassen en deeltjes aan het Besluit typekeuring
luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines.
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 3.10.17
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
achteruitrijinrichtingen aan richtlijn 79/533/EEG.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 die zijn voorzien van een
snelheidsregulateur voldoen voor wat betreft deze snelheidsregulateur
aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.18
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3 en T4.2 voldoen voor wat betreft de maximumsnelheid aan
richtlijn 74/152/EEG.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 3.10.25
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de stuurinrichting aan
richtlijn 75/321/EEG.
§ 8. Reminrichting
Artikel 3.10.26
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
reminrichting aan richtlijn 76/432/EEG.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
remverbinding met getrokken voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG.
§ 9. Carrosserie
Artikel 3.10.27
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de bedieningsruimte en
toegankelijkheid van de cabine aan richtlijn 80/720/EEG.
Artikel 3.10.28
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft het zichtveld aan richtlijn
2008/2/EG.
Artikel 3.10.29
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruiten aan richtlijn
89/173/EEG.
Artikel 3.10.30
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruitenwissers aan
richtlijn 2008/2/EG.
Artikel 3.10.32
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de achteruitkijkspiegels aan
richtlijn 74/346/EEG.
Artikel 3.10.33
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de installatie van
bedieningsorganen aan richtlijn 86/415/EEG.
Artikel 3.10.35
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
zitplaats van de bestuurder aan richtlijn 78/764/EEG.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft zitplaatsen
voor meerijders aan richtlijn 76/763/EEG.
3. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
kantelbeveiliging aan richtlijn 77/536/EEG en richtlijn 79/622/EEG.
4. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de
kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde aan richtlijn
86/298/EEG.
5. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de
kantelbeveiligingsinrichtingen aan de voorzijde aan richtlijn
87/402/EEG.
Artikel 3.10.36
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de bevestigingspunten van de
veiligheidsgordels aan richtlijn 76/115/EEG.
Artikel 3.10.37
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de bescherming van de
aandrijfelementen, uitstekende delen en wielen aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.39
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de plaats en het
aanbrengen van de achterste kentekenplaat aan richtlijn 74/151/EEG.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 3.10.40
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan richtlijn 79/532/EEG.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers
categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan de
richtlijn 78/933/EEG.
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of
bosbouwtrekker en aanhangwagen
Artikel 3.10.52
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de mechanische
koppelingen tussen de landbouw- of bosbouwtrekkers en getrokken
voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG.
§ 12. Diversen
Artikel 3.10.54
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de
geluidssignaalinrichting aan richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.56
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de sleepinrichtingen aan
richtlijn 79/533/EEG.
Artikel 3.10.59
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft extra gewichten aan
richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.60
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de aftakassen aan
richtlijn 86/297/EEG.
Artikel 3.10.61
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën
T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft het laadplatform aan
richtlijn 74/152/EEG.
Afdeling 11. Productieprocessen
Artikel 3.11.1
Het productieproces voor de vervaardiging
van personenauto’s en bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet
meer dan 3500 kg dient wat betreft de herbruikbaarheid,
recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing te zijn goedgekeurd
alvorens producten voortkomend uit dit productieproces worden toegelaten
tot het verkeer op de weg.
Artikel 3.11.2
Het productieproces voor de vervaardiging
van vernieuwde banden, bestemd voor montage op personenauto’s,
bedrijfsauto’s of aanhangwagens, dient te zijn goedgekeurd alvorens
producten voortkomend uit dit productieproces worden toegelaten tot het
verkeer op de weg.
Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van
voertuigen
Afdeling 1. Uitzondering keuringsplicht
§ 1. Uitzondering voertuigen
Artikel 4.1
1. Artikel 72, eerste lid, van de wet
geldt niet voor motorfietsen, bromfietsen alsmede driewielige
motorrijtuigen waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg.
2. Artikel 72, eerste lid, van de wet
geldt niet voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, met uitzondering
van taxi’s en bussen, waarvan de datum van eerste toelating voor 1
januari 1960 is gelegen.
Artikel 4.2
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvan de toegestane maximum
massa meer bedraagt dan 3500 kg, niet zolang sinds de datum van eerste
toelating van het voertuig nog geen jaar is verstreken.
Artikel 4.3
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
voor een motorrijtuig, waarvan de toegestane maximum massa niet meer dan
3500 kg bedraagt en dat is bestemd om te worden gebruikt voor het
vervoer van personen waarop de Wet personenvervoer 2000 betrekking
heeft, niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig
nog geen jaar is verstreken.
Artikel 4.4
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
voor ambulance’s niet zolang sinds de datum van eerste toelating van
het voertuig nog geen jaar is verstreken.
Artikel 4.5
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.4
bedoeld, niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het
voertuig nog geen drie jaren zijn verstreken, voor zover deze datum ligt
voor 1 januari 2005.
Artikel 4.5a
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.5
bedoeld, niet ten aanzien van:
a. motorrijtuigen met een
verbrandingsmotor die al dan niet gedeeltelijk wordt gevoed door al
dan niet tot vloeistof verdicht gas of diesel zolang sinds de datum
van eerste toelating van het motorrijtuig nog geen drie jaren zijn
verstreken;
b. motorrijtuigen, niet zijnde de
motorrijtuigen als bedoeld in onderdeel a, zolang sinds de datum van
eerste toelating van het motorrijtuig nog geen vier jaren zijn
verstreken.
§ 2. Overige uitzonderingen
Artikel 4.6
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
niet voor een motorrijtuig of een aanhangwagen op de dag waarop dat
voertuig naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsrapport aan een
keuring wordt onderworpen.
Artikel 4.6a
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
niet voor:
a. bij ministeriële regeling
aangewezen motorrijtuigen en aanhangwagens:
1°. waarvoor een bijzonder
kenteken als bedoeld in het Kentekenreglement is opgegeven,
2°. die een keuring als bedoeld
in de artikelen 22 of 26 van de wet ondergaan en waarvoor een
bij ministeriële regeling vastgesteld kenteken is opgegeven, of
3°. op de dag waarop zij
overeenkomstig de bij ministeriële regeling vastgestelde
voorschriften worden onderzocht in verband met de afgifte of
wijziging van een kenteken- of registratiebewijs of met de
teruggave van het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs
waarvan op grond van artikel 60 van de wet de overgifte is
gevorderd;
b. bij ministeriële regeling
aangewezen categorieën van rijdende werktuigen.
Artikel 4.7
1. Een motorrijtuig of een aanhangwagen
mag gedurende twee maanden na het tijdstip waarop artikel 72, eerste
lid, van de wet voor dat voertuig gelding verkrijgt, op de weg staan
zonder dat voor dat voertuig een keuringsbewijs is afgegeven waarvan
de geldigheidsduur niet is verstreken.
2. Een motorrijtuig of een aanhangwagen
mag gedurende twee maanden na het tijdstip waarop de geldigheidsduur
van een voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven
keuringsbewijs verstrijkt, op de weg staan zonder dat voor dat
motorrijtuig of die aanhangwagen een keuringsbewijs is afgegeven
waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken.
Artikel 4.8
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt
niet voor motorrijtuigen en aanhangwagens, die behoren tot de
bedrijfsvoorraad van een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie
een erkenning als bedoeld in artikel 62 van de wet is verleend.
Afdeling 2. Keuringsrapport
§ 1. Aanvraag keuringsrapport en
verplichtingen
Artikel 4.9
1. De aanvrager dient bij de aanvraag
van een keuringsrapport deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs
over te leggen, dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de
aanhangwagen waarop de aanvraag betrekking heeft.
2. Degene bij wie de aanvraag is
ingediend, geeft het deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs na
behandeling van de aanvraag terug aan de aanvrager.
Artikel 4.10
1. Degene die een keuringsrapport
aanvraagt bij de Dienst Wegverkeer, stelt ter verkrijging daarvan het
motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte van het rapport
wordt gevraagd, voor een keuring ter beschikking van een door de
Dienst Wegverkeer met het verrichten van de keuring belaste
functionaris, op een door deze bepaalde plaats en bepaald tijdstip.
2. Degene die een keuringsrapport
aanvraagt bij een ingevolge artikel 84 van de wet erkende natuurlijke
persoon of rechtspersoon, stelt ter verkrijging daarvan het
motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte van het rapport
wordt gevraagd, voor een keuring ter beschikking van een door die
persoon met het verrichten van de keuring belaste functionaris op een
door deze bepaalde plaats en bepaald tijdstip.
§ 2. Aanvang geldigheidsduur
keuringsbewijs
Artikel 4.11
1. De geldigheidsduur van een
keuringsbewijs vangt aan met ingang van de dag van afgifte daarvan.
2. Indien een keuringsbewijs wordt
afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop artikel 72,
eerste lid, van de wet voor het betrokken voertuig gelding verkrijgt,
vangt de geldigheidsduur van het keuringsbewijs aan met ingang van dat
tijdstip, mits, voorzover artikel 72, eerste lid, van de wet vóór
dat tijdstip op grond van een ingevolge een andere wet dan de wet
afgegeven keuringsbewijs niet geldt, dat document voorafgaande aan de
behandeling van de aanvraag wordt overgelegd.
3. Indien een keuringsbewijs wordt
afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de
geldigheidsduur van een eerder voor het betrokken voertuig afgegeven
keuringsbewijs verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het
keuringsbewijs aan met ingang van dat tijdstip, mits vorenbedoeld
eerder afgegeven keuringsbewijs voorafgaande aan de behandeling van de
aanvraag wordt overgelegd.
§ 3. Geldigheidsduur keuringsbewijs
Artikel 4.11a
1. Een keuringsbewijs is geldig voor de
duur van een jaar.
2. In afwijking van het eerste lid is
het keuringsbewijs geldig voor de duur van twee jaren indien het
keuringsbewijs is afgegeven voor een ander motorrijtuig dan in de
artikelen 4.2 tot en met 4.5 bedoeld, en:
a. dat is uitgerust met een
verbrandingsmotor die niet wordt gevoed door al dan niet tot
vloeistof verdicht gas of diesel,
b. waarvan de datum van eerste
toelating van het motorrijtuig ligt na 31 december 2004, en
c. waarvan gerekend vanaf de datum
van eerste toelating op het moment van afgifte van het
keuringsbewijs een termijn van zeven jaren nog niet is verstreken.
3. In afwijking van het eerste lid is
voorts het keuringsbewijs geldig voor de duur van twee jaren indien
het desbetreffende keuringsbewijs is afgegeven voor een ander
motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.4 bedoeld en waarvan
de datum van afgifte 30 jaren of meer ligt na de datum van eerste
toelating van het motorrijtuig.
§ 4. Afgifte keuringsbewijs
Artikel 4.11b
De afgifte van een keuringsbewijs
geschiedt niet elektronisch.
Artikel 4.11c
De termijn bedoeld in artikel 91, tweede
lid, van de wet waarbinnen tegen een beschikking tot afgifte van een
keuringsbewijs bezwaar kan worden gemaakt bedraagt een jaar.
Afdeling 3. Herkeuring en
deskundigenonderzoek
§ 1. Herkeuring
Artikel 4.12
Het verzoek om herkeuring, bedoeld in
artikel 90 van de wet, wordt ingediend door op het keuringsrapport aan
te tekenen dat om herkeuring wordt verzocht en deze aantekening te
ondertekenen alsmede hiervan kennis te geven aan degene die het
keuringsrapport heeft afgegeven. Laatstgenoemde doet hiervan onverwijld
mededeling aan de Dienst Wegverkeer.
Artikel 4.13
1. De verzoeker legt voorafgaande aan
de herkeuring aan de deskundige die door de Dienst Wegverkeer is
aangewezen om de herkeuring te verrichten, de volgende bescheiden
over:
a. deel I dan wel deel I A van het
kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de
aanhangwagen, waarop het verzoek betrekking heeft, en
b. het keuringsrapport.
2. De in het eerste lid bedoelde
deskundige geeft de daar bedoelde bescheiden na afloop van de
herkeuring aan de verzoeker terug.
3. De verzoeker mag bij de herkeuring
aanwezig zijn.
Artikel 4.14
De Dienst Wegverkeer doet, indien een
beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs is
afgegeven door een erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan
deze afschrift toekomen van het na de herkeuring afgegeven
keuringsrapport.
§ 2. Deskundigenonderzoek
Artikel 4.15
1. De verzoeker legt voorafgaande aan
het in artikel 91 van de wet bedoelde deskundigenonderzoek aan de
deskundige die door de Dienst Wegverkeer is aangewezen om het
onderzoek te verrichten, de volgende bescheiden over:
a. deel I dan wel deel I A van het
kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de
aanhangwagen waarop het verzoek betrekking heeft, en
b. het keuringsbewijs dat is
afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het
verzoek betrekking heeft.
2. De in het eerste lid bedoelde
deskundige geeft de daar bedoelde bescheiden na afloop van het
onderzoek aan de verzoeker terug, met dien verstande dat het
keuringsbewijs niet wordt teruggegeven indien de geldigheid van het
voor het voertuig afgegeven keuringsbewijs vervalt overeenkomstig
artikel 91, vierde lid, van de wet.
3. De verzoeker mag bij het onderzoek
aanwezig zijn.
Artikel 4.16
De Dienst Wegverkeer doet, indien de
keuring op grond waarvan het keuringsrapport werd afgegeven is verricht
door een erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan deze
afschrift toekomen van de uitslag van het onderzoek.
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1. Algemeen. Verbodsbepalingen
Artikel 5.1.1
1. Het is de bestuurder van een
voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden
daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
a. niet deugdelijk van bouw of
inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van
onderhoud verkeert,
b. zodanig is gebouwd of ingericht
dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft,
of
c. niet voldoet aan de in de
afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de
bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het
voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar
of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan,
indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met
17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte niet-driehoekige
dan wel driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van
voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde
in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op
motorrijtuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2
tot en met 8 van dit hoofdstuk genoemde categorieën motorrijtuigen,
de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of
een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar
of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan
aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van
voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of
categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Artikel 5.1.3
Het is de bestuurder van een voertuig
verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te
laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de bepalingen of
voorwaarden, welke ingevolge artikel 52, tweede lid, van de wet in het
voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn opgenomen.
Artikel 5.1.4 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 5.1.5
1. Gehandicaptenvoertuigen die zijn
uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een
gesloten carrosserie, moeten voldoen aan de in afdeling 6 aan
bromfietsen gestelde eisen, met dien verstande dat:
a. het bepaalde in artikel 5.6.1,
eerste lid, onderdelen a, c, d en e, geen toepassing vindt,
b. voor het in artikel 5.6.6 ter
zake van de afmetingen bepaalde artikel 5.10.6 in de plaats
treedt, en
c. de cylinderinhoud van de
verbrandingsmotor van het gehandicaptenvoertuig niet meer dan 50
cm3 mag bedragen.
2. Gehandicaptenvoertuigen zonder motor
moeten voldoen aan de in de afdelingen 9 en 18, paragraaf 4, van dit
hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in
artikel 5.9.6 ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel
5.10.6 in de plaats treedt.
Artikel 5.1.6
Het is de bestuurder van een motorrijtuig
verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te
laten rijden, indien in of aan het motorrijtuig een
radarontvangstapparaat aanwezig is, dat geschikt is om de aanwezigheid
aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding
van de maximumsnelheid vast te stellen.
Artikel 5.1.7
1. Het is de bestuurder van een
personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan
1305 kg, niet zijnde een bus, die in gebruik is genomen na 31 december
2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een
klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit
klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde
broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2. Het is de bestuurder van een
personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan
1305 kg, niet zijnde een bus, welke is voorzien van een
klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te
vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een
aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in
gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem
reeds dergelijke gassen bevat.
3. Het is de bestuurder van een
personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan
1305 kg, niet zijnde bussen, die is voorzien van een
klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid
koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen
of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de
noodzakelijke herstelling is voltooid.
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 0. Algemeen
Artikel 5.2.0 [Vervallen per 10-12-1997]
Artikel 5.2.1
Personenauto’s moeten voldoen aan de
volgende eisen:
a. het voertuig moet in
overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven
kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig
vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op
een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. de kentekenplaten moeten zijn
voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement
voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst
tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een
keuringsrapport;
d. de kentekenplaten moeten
deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn
bevestigd;
e. het kenteken moet goed leesbaar
zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.2.3
1. De langs- en dwarsliggers en
chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in
de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van
personenauto’s mogen:
a. geen breuken of scheuren
vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd,
vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de
sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende
carrosserie in gevaar worden gebracht.
2. Onze Minister stelt regels vast
inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede
de bevestiging daarvan.
Artikel 5.2.4
De bovenbouw van personenauto’s moet
deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
§ 2. Afmetingen en massa's
Artikel 5.2.6
Personenauto's mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
Artikel 5.2.7
1. De last onder de assen van
personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken
voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde
toegestane maximum aslasten.
2. De totale massa of de som van de
aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het
betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs
vermelde toegestane maximum massa.
§ 3. Motor
Artikel 5.2.9
1. Alle onderdelen van het
brandstofsysteem van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk
zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de
deugdelijkheid van de bevestiging.
2. Het brandstofsysteem mag geen
lekkage vertonen.
3. De vulopening van het
brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
Artikel 5.2.10
1. Indien de personenauto is voorzien
van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in
artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht
aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn
aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3. De LPG-tank mag niet in de
motorruimte zijn geplaatst en indien het voertuig in gebruik is
genomen na 31 december 1994, niet op het dak zijn geplaatst.
4. De volgende onderdelen moeten
aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de
buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al
dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien het
voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in
de open lucht is geplaatst;
d. de automatische inrichting ter
begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig na 30 juni
1983 in gebruik is genomen;
e. de automatische afnameklep op de
tank indien het voertuig na 31 december 1987 in gebruik is
genomen;
f. het gasmengstuk dan wel een
inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
5. Op de LPG-installatie mogen geen
andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk
zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6. Indien het voertuig na 30 september
1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten
het voertuig kunnen geschieden.
7. De in het vierde lid genoemde
onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet
door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het
oppervlak.
8. De leidingen mogen geen knikken
vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering
van corrosie van het oppervlak.
9. De gasvoerende slangen mogen geen
beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De
slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien,
mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.2.10a
1. Indien de personenauto is voorzien
van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.2.9,
voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht
aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3. De CNG-tank mag niet in de
motorruimte zijn geplaatst.
4. Indien de CNG-tank in gebruik is
genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet
verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn
genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de
goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar,
dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
5. Op de CNG-installatie mogen geen
andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk
zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met
uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de
personenruimte of laadruimte.
6. Indien het voertuig in gebruik
genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een
goed werkende automatische tankafsluiter.
7. De onderdelen van de CNG-installatie
moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door
corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het
oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen
mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen
beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
Artikel 5.2.11
1. Personenauto’s met een
verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over
de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de
afwateringsgaatjes.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk
zijn bevestigd.
3. Personenauto’s moeten blijven
behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het
Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (Stb. 1990,
393). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring
ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Personenauto’s moeten blijven
behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het
Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). Aan deze eis
wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de
afgifte van een keuringsrapport.
5. Personenauto’s mogen in de
nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger
geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is
vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Het
geluidsniveau van de uitlaat wordt vastgesteld op een door Onze
Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze. Aan deze eis wordt niet
getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van
een keuringsrapport.
6. De uitlaatgassen van personenauto’s
met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij
stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:
a. niet meer dan 4,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986;
b. niet meer dan 3,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
30 september 1986 doch voor 1 juli 2002;
c. niet meer dan 1,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens
een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs
wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas;
d. niet meer dan 0,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is
uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding
van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte
van de uitlaatgassen;
e. niet meer dan 0,3% vol
koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
30 juni 2002.
7. De afstelling van het stationaire
mengsel van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische
ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met
uitzondering van personenauto’s die zijn uitgerust met een
brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof
voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen,
dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het
desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde
van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing
aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de
meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen
bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt
alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de
afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de
afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
8. De in het zevende lid bedoelde
controle van de afstelling van het stationaire mengsel vindt bij
personenauto’s die worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof
verdicht gas en die in gebruik zijn genomen:
a. na 31 december 1993, of
b. na 31 december 1990 doch vóór
1 januari 1994, indien aan de typeaanduiding op het voor het
voertuig afgegeven kentekenbewijs de aanduiding S6, K6, S9, K9,
U9, N9, E2 of N2 is toegevoegd,
plaats aan de hand van de afstel- en
controlegegevens, vermeld op het op het voertuig aangebrachte symbool,
bedoeld in artikel 3a, tweede lid, van het Besluit typekeuring
motorrijtuigen luchtverontreiniging, dan wel aan de hand van de
gegevens vermeld in het kentekenregister.
9. Bij personenauto’s die zijn
uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van
lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de
uitlaatgassen, dient het brandstofdoseringssysteem goed te werken. De
goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte
koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op
grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende
lucht-brandstofverhouding. Deze beoordeling vindt plaats op een door
Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
10. [Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
11. De uitlaatgassen van personenauto’s
met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik
zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze
Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij
de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden
genomen.
12. Bij personenauto’s met een
verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1992 en die zijn voorzien van een
emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven
onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
Artikel 5.2.12
1. De accu van personenauto’s moet
deugdelijk zijn bevestigd.
2. De bedrading van personenauto’s
moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.2.13
1. De motorsteunen van personenauto’s
moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan
de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn
samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als
motorsteunen beschouwd.
2. De motorsteunen mogen niet in
ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn
doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
3. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.2.15
Personenauto’s die na 30 juni 1967 in
gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
Artikel 5.2.16
1. De onderdelen van de aandrijving van
personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten
deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de
hoezen niet meer afdichten.
3. Kruiskoppelingen moeten een
zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
§ 5. Assen
Artikel 5.2.18
1. De assen van personenauto’s moeten
deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of
scheuren vertonen.
2. De assen mogen niet zodanig zijn
vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn
bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt
beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door
corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt
gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen
voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
5. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de
deugdelijkheid van de bevestiging.
Artikel 5.2.19
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen
en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten
deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de
hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen
en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen
niet te veel speling vertonen.
4. Indien een gedeelte van de
binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is
doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen
corrosie vertonen.
5. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het derde lid.
Artikel 5.2.20
1. De wiellagers van personenauto’s
mogen niet teveel speling vertonen.
2. Verschijnselen van slijtage of
beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 5.2.21
1. De wielbasis van personenauto's mag
niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is
vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis
wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de
afgifte van een keuringsrapport.
2. Behoudens fabrieksmatige verschillen
mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm
verschillen.
Artikel 5.2.22
De afstanden tussen de fuseedraaipunten
en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die
symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig
zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan
15 mm verschillen.
Artikel 5.2.23
De spoorbreedte van personenauto’s mag
niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is
vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.
Artikel 5.2.24
1. De wielen onderscheidenlijk velgen
van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk
laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen
moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn
bevestigd.
§ 6. Ophanging
Artikel 5.2.27
1. De wielen van personenauto’s
moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2. De banden mogen geen beschadigingen
vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3. De banden mogen geen uitstulpingen
vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven
van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste
1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5. De banden mogen niet zijn
opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn
weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de
originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas
van de band zichtbaar is.
6. De banden op een as moeten dezelfde
karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32.
7. Het loopvlak van de banden mag geen
metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen
uitsteken.
Artikel 5.2.28
1. Personenauto's moeten zijn voorzien
van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het
veersysteem beschouwd.
2. De onderdelen van het veersysteem
mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door
corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3. Personenauto's moeten zijn voorzien
van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
4. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.2.29
1. De bestuurde wielen van personenauto’s
moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot
aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de
wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3. De voor de overbrenging van de
stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met
alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen
breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet
ernstig door corrosie zijn aangetast.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de
stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig
zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
5. Kruiskoppelingen moeten een
zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in
ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige
mate zijn losgeraakt.
7. De verbindingen in het
stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
8. Indien een gedeelte van de
binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is
doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen
corrosie vertonen.
9. Slangen ten behoeve van de
stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het
wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
10. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.2.31
1. Personenauto’s moeten zijn
voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de
daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door
corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd
of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige
lekkage vertonen.
2. De rembekrachtiger en de
remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3. Bij hydraulische remsystemen mag bij
het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een
aanslag worden beperkt.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet
stroef zijn.
5. Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn
misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen
schuren;
c. geen zodanige beschadigingen
vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
6. Wielen die zijn voorzien van een
trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen
draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen
die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in
beide richtingen enigszins slepen.
7. De remtrommel of remschijf mag
tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als
drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
8. De noodzakelijke bewegingsvrijheid
van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
9. Remcylinders moeten zijn voorzien
van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
10. Anti-blokkeersystemen moeten goed
functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke
waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
11. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, en het
vijfde lid, onderdeel a.
Artikel 5.2.32
1. Personenauto’s, in gebruik genomen
na 30 juni 1967, moeten indien het hydraulisch remsysteem niet is
voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het
vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, zijn
voorzien van:
a. een deugdelijke
waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van
de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden
remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking
treedt zodra een van de kringen van het remsysteem faalt.
2. De goede werking van het signaal van
de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen
worden gecontroleerd.
3. In de reservoirs van het hydraulisch
remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
Artikel 5.2.38
1. Personenauto’s, in gebruik genomen
na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de
remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal
liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van
niet meer dan 500 N.
2. Personenauto’s, in gebruik genomen
voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de
remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal
liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
3. De bedrijfsrem moet op alle wielen
werken.
4. Personenauto’s mogen op een droge
of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in
remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge
van overberemming van de achteras.
5. In afwijking van het eerste lid
moeten ambulances, kampeerauto's en begrafeniswagens met een maximum
toegestane massa van meer dan 2500 kg waarvoor overeenkomstig
richtlijn 98/14/EG, Bijlage XI, aanhangsel 1, een goedkeuring is
verleend, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging
op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg
ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan
700 N.
6. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, vierde en vijfde
lid.
Artikel 5.2.39
1. Personenauto’s moeten zijn
voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.
2. De parkeerrem van personenauto’s,
in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling
van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan
wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van
een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en
ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de
rem ook in achterwaartse richting functioneert.
3. De remvertraging van de parkeerrem
van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een
droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten
minste 1,0 m/s2 bedragen.
Artikel 5.2.40
1. Indien de personenauto na 30 juni
1967 in gebruik is genomen en is voorzien van een geheel afzonderlijk
hulpremsysteem, moet:
a. het hulpremsysteem goed
functioneren;
b. de remwerking redelijk
gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn
verdeeld.
Aan deze eisen wordt niet getoetst
tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een
keuringsrapport.
2. De remvertraging van het in het
eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge
en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,6 m/s2 bedragen. Aan
deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve
van de afgifte van een keuringsrapport.
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.2.41
1. De deuren van personenauto’s
moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de
personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf
de buitenzijde kunnen worden geopend.
2. Het slot en de scharnieren van de
motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten
een goede sluiting waarborgen.
3. De bevestiging van de scharnieren
van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige
mate door corrosie zijn aangetast.
4. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het derde lid.
Artikel 5.2.42
1. De voorruit en de zijruiten van
personenauto’s mogen:
a. geen beschadigingen of
verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige
voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder
belemmeren.
2. Indien de personenauto niet is
voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of
verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige
voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder
belemmeren.
3. Onze Minister kan regels vaststellen
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 5.2.43
1. Personenauto’s met een voorruit
moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die
de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2. Personenauto’s met een voorruit,
die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien
van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
Artikel 5.2.44
Personenauto’s met een voorruit, die na
30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een
goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
Artikel 5.2.45
1. Personenauto’s, in gebruik genomen
na 25 januari 2010, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een
rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel.
2. Indien met de in het eerste lid
bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte
niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te
zijn.
3. Personenauto’s, in gebruik genomen
voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een
binnenspiegel.
4. De in het derde lid bedoelde
personenauto’s zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met
de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet
voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar
achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5. De aan de zijde van de bestuurder
bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten
portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor personenauto’s
die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van
deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder
verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.
6. De spiegels moeten deugdelijk zijn
bevestigd.
7. Het spiegelglas van de verplichte
spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in
ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.2.46
1. Personenauto’s, in gebruik genomen
na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte
zitplaatsen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie
of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën
voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3. De zitplaatsen van personenauto’s
moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto’s
die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in
elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld,
b. verstelbare rugleuningen van
zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld, en
c. de voorste zitplaatsen, indien
zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste
zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand
automatisch zijn vergrendeld.
4. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het
derde lid.
Artikel 5.2.47
1. Personenauto's die na 30 september
2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels
voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
2. Personenauto’s die na 31 december
1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn
voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3. Personenauto’s die na 1 januari
1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn
voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de
naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een
portier grenzen.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn
niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn
bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig.
5. De in het tweede en derde lid
bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari
1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het
voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten
voor autogordels behoeven te zijn voorzien.
6. Autogordels in personenauto's die na
30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van
een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7. De autogordels moeten deugdelijk
zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte
ervan in gevaar wordt gebracht.
8. De autogordels moeten zijn voorzien
van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering.
Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na
het omdoen ervan.
9. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het
zevende lid.
Artikel 5.2.47a
Personenauto’s die na 1 september 2008
in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of
meer passagiers in een rolstoel voldoen aan de bij regeling van Onze
Minister vastgestelde eisen.
Artikel 5.2.48
1. Personenauto’s mogen geen scherpe
delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel
voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid moeten uitstekende delen van personenauto’s, die in geval
van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste lid en
tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan
2,00 m boven het wegdek bevinden.
4. De wielen onderscheidenlijk banden
van personenauto's:
a. moeten goed zijn afgeschermd;
b. mogen niet meer dan 30 mm buiten
de afscherming uitsteken;
c. mogen niet aanlopen.
5. Een reservewielhouder die zich aan
de buitenzijde van de personenauto bevindt, moet deugdelijk zijn
bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat
wiel goed zijn opgesloten.
6. Geen deel van de buitenzijde van de
personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door
corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.2.49a
1. Personenauto’s die in gebruik zijn
genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een
klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde
broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan
150.
2. Het eerste lid is tot 1 januari 2018
niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen
voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname
van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
3. Aan de in het eerste en tweede lid
opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten
behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.50
Frontbeschermingsinrichtingen van
personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500
kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor
het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een
EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de door Onze Minister gestelde
eisen.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.2.51
1. Personenauto’s moeten zijn
voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten, met dien
verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met
gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december
2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde
eisen, alsmede voor de installatie daarvan;
c. twee stadslichten indien het
voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of
vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in
gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de
voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel
één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig
vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de
richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in
gebruik zijn genomen moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten
indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan
elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december
1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari
1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de
voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers
indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit
een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en
1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het
voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of
vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in
gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het
voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of
twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik
is genomen;
i. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat;
j. twee niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
k. een of twee mistlichten aan de
achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december
1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet
dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het
voertuig;
l. een of twee achteruitrijlichten
indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten aan de
voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het
voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is
dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en
breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het
voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is
dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister
vastgestelde eisen;
o. ten minste twee ambergele
retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het
voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is
dan 6,00 m;
p. een derde remlicht indien het
voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht
zodanig dat:
1º. het midden van het
lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak
van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte
op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit
middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast
deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2º. de onderzijde van het
lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de
remlichten, bedoeld in onderdeel h.
2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel h, worden twee extra remlichten aangebracht, indien het
derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw
binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd.
Artikel 5.2.51a
1. Personenauto’s in gebruik bij de
in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de
daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van
retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto
herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze
voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of
knipperlicht.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de
installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters,
cijfers, tekens of lichten.
3. Het eerste lid geldt niet voor
personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en
personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990
bedoelde diensten.
Artikel 5.2.53
1. De grote lichten, dimlichten,
stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel
stralen.
2. De richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel
of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De zijrichtingaanwijzers, bedoeld in
artikel 5.2.51, onderdeel f, mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De achterlichten en mistlichten aan
de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
5. De remlichten mogen niet anders dan
rood of ambergeel stralen.
6. De kentekenplaatverlichting mag niet
anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
7. De markeringslichten mogen naar
voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood
stralen.
8. De zijmarkeringslichten mogen niet
anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht
onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode
retroreflector, mag dit licht rood stralen.
Artikel 5.2.55
1. De in artikel 5.2.51 bedoelde
lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de
onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de
verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd
of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie
nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten
van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke
sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde
functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het
voertuig zijn bevestigd.
5. De in artikel 5.2.51 bedoelde
lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend
gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd
onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6. De retroreflectoren van het voertuig
mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7. Onze Minister kan regels vaststellen
omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
Artikel 5.2.56
1. Het dimlicht van personenauto’s
moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een
koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde
beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de
volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder
het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten
dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet
zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de
scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het
scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het
verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de
lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de
koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale
scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale
gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden
van de verticale hartlijn op het scherm van het
koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het
horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een
koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn
op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een
verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de
geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het
verlichtingsscherm vallen.
2. Het voor het dimlicht bestemde deel
van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet
in ernstige mate hebben verloren.
3. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 5.2.57
1. Personenauto’s mogen zijn voorzien
van:
a. twee mistlichten aan de
voorzijde van het voertuig;
b. parkeerlichten indien het
voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig.
Personenauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en
artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar
genoemde signalen mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee
extra richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig;
d. één zijrichtingaanwijzer aan
elke zijkant van het voertuig indien het voertuig voor 1 januari
1998 in gebruik is genomen;
e. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet
reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn;
f. twee witte retroreflectoren aan
de voorzijde van het voertuig;
g. twee markeringslichten aan de
voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien deze
lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn en het
voertuig breder is dan 1,80 m;
h. zijmarkeringslichten, indien
deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn,
aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde
eisen;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde
van het voertuig;
k. werklichten;
l. een derde remlicht, indien het
voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2001, aangebracht
zodanig dat:
1º. het midden van het
lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak
van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte
op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit
middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast
deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2º. de onderzijde van het
lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de
remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h;
m. twee dagrijlichten;
n. een markering aan de achterzijde
van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit
een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien
van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien
de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan
3500 kg;
o. verlichte transparanten.
2. Lichten die ingevolge artikel 5.2.51
verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel
genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op
voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits
wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten,
met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten,
gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten
alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen g onderscheidenlijk h
van het eerste lid.
3. Personenauto’s mogen zijn voorzien
van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,
extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan
de zijkanten van het voertuig.
4. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel l, kunnen twee extra remlichten worden aangebracht, indien
het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of
bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd.
Artikel 5.2.58
1. Personenauto’s in gebruik bij de
in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar
genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-,
flits- of knipperlicht.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits-
of knipperlicht.
Artikel 5.2.59
1. De mistlichten aan de voorzijde, het
richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of
geel stralen.
2. De parkeerlichten mogen naar voren
niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen,
tenzij zij zijn ingebouwd in ambergeel stralende
zijrichtingaanwijzers.
3. De extra richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De zijrichtingaanwijzers mogen naar
voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders
dan rood of ambergeel stralen.
5. De zijmarkeringslichten mogen niet
anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht
onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode
retroreflector, mag dit licht rood stralen.
6. De markeringslichten mogen naar
voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood
stralen.
7. Artikel 5.2.55, tweede, derde,
vierde en zevende lid, is van toepassing.
8. Het derde remlicht mag niet anders
dan rood stralen.
9. Op de mistlichten aan de voorzijde
van het voertuig is artikel 5.2.55, eerste tot en met vijfde en
zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
10. De dagrijlichten mogen niet anders
dan wit stralen.
11. Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig
waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig
waarop de verlichting is gemonteerd.
Artikel 5.2.61
1. Bij personenauto's in gebruik
genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en
5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf
het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor
richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het
voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt
niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten,
achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat
aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde
van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en
werklichten.
Artikel 5.2.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht
of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel
van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.2.63
Achteruitrijlichten van personenauto’s
mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het
voertuig is ingeschakeld.
Artikel 5.2.64
1. Personenauto’s mogen, met
uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende
verlichting.
2. Personenauto’s mogen, met
uitzondering van de richtingaanwijzers en de
waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende
verlichting.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste
lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.2.65
Personenauto’s mogen, onverminderd het
bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990
bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra
richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en
retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51, 5.2.52,
5.2.57 en in of krachtens artikel 5.2.58 is voorgeschreven of
toegestaan.
§ 11. Verbinding tussen personenauto en
aanhangwagen
Artikel 5.2.66
Indien de personenauto is voorzien van
een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze
inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd,
gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot
de deugdelijkheid van de bevestiging.
Artikel 5.2.67
1. Indien een personenauto is voorzien
van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50
mm:
a. moet de diameter van de kogel
ten minste 49,0 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting
van een afneembare kogel goed functioneren en moet de bevestiging
van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
2. Bij personenauto’s die zijn
voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen
dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde
bij of krachtens de artikelen 5.3.68 en 5.3.70.
§ 12. Diversen
Artikel 5.2.71
1. Personenauto’s moeten zijn
voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit
een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van
zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2. Personenauto’s mogen zijn voorzien
van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent
maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld,
alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd
gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te
voorkomen.
3. Personenauto’s mogen, onverminderd
het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990
bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere
geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 0. Algemeen
Artikel 5.3.0 [Vervallen per 10-12-1997]
Artikel 5.3.1
Bedrijfsauto’s moeten voldoen aan de
volgende eisen:
a. het voertuig moet in
overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven
kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig
vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op
een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. bedrijfsauto’s die in gebruik
zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een
constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in
overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande
dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten
minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het
kentekenregister en op het kentekenbewijs. Aan deze eis wordt niet
getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte
van een keuringsrapport;
d. de kentekenplaten moeten zijn
voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement
voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst
tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een
keuringsrapport;
e. de kentekenplaten moeten
deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn
bevestigd;
f. het kenteken moet goed leesbaar
zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.3.3
1. De langs- en dwarsliggers en
chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in
de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van
bedrijfsauto’s mogen:
a. geen breuken of scheuren
vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd,
vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de
sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende
carrosserie in gevaar worden gebracht.
2. Onze Minister stelt regels vast
inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede
de bevestiging daarvan.
Artikel 5.3.4
1. De bovenbouw van bedrijfsauto’s
moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2. De ondersteuning van de laadvloer
onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Onze Minister stelt
regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de ondersteuning.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3.6
1. Bedrijfsauto’s mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
2. In afwijking van het bepaalde in het
eerste lid, onderdeel a, mogen:
a. bussen met twee assen niet
langer zijn dan 13,50 m;
b. bussen met twee assen die in
gebruik genomen zijn vóór 10 september 2003 tot 1 januari 2021
niet langer zijn dan 15,00 m;
c. bussen met meer dan twee assen
niet langer zijn dan 15,00 m;
d. gelede bussen niet langer zijn
dan 18,75 m;
e. rijdende werktuigen niet langer
zijn dan 20,00 m;
f. kermis- en circusvoertuigen niet
langer zijn dan 14,00 m.
3. In afwijking van het bepaalde in het
eerste lid, onderdeel b, mogen:
a. geconditioneerde voertuigen niet
breder zijn dan 2,60 m;
b. rijdende werktuigen niet breder
zijn dan 3,00 m.
4. In de afmetingen, bedoeld in het
eerste en het derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en
gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
Artikel 5.3.7
1. De last onder de assen van
bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken
voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde
toegestane maximum aslasten.
2. De totale massa of de som van de
aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het
betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs
vermelde toegestane maximum massa.
§ 3. Motor
Artikel 5.3.9
1. Alle onderdelen van het
brandstofsysteem van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk
zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de
deugdelijkheid van de bevestiging.
2. Het brandstofsysteem mag geen
lekkage vertonen.
3. De vulopening van het
brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
Artikel 5.3.10
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien
van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in
artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht
aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn
aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3. De LPG-tank mag niet in de
motorruimte zijn geplaatst en indien het voertuig in gebruik is
genomen na 31 december 1994, niet op het dak zijn geplaatst.
4. De volgende onderdelen moeten
aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de
buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al
dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien het
voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in
de open lucht is geplaatst;
d. de automatische inrichting ter
begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig na 30 juni
1983 in gebruik is genomen;
e. de automatische afnameklep op de
tank indien het voertuig na 31 december 1987 in gebruik is
genomen;
f. het gasmengstuk dan wel een
inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
5. Op de LPG-installatie mogen geen
andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk
zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6. Indien het voertuig na 30 september
1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten
het voertuig kunnen geschieden.
7. De in het vierde lid genoemde
onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet
door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het
oppervlak.
8. De leidingen mogen geen knikken
vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering
van corrosie van het oppervlak.
9. De gasvoerende slangen van rubber
mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal
zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen
wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.3.10a
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien
van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3.9,
voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht
aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3. De CNG-tank mag niet in de
motorruimte zijn geplaatst.
4. Indien de CNG-tank in gebruik is
genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet
verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn
genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de
goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar,
dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
5. Op de CNG-installatie mogen geen
andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk
zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met
uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de
personenruimte of laadruimte.
6. Indien het voertuig in gebruik
genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een
goed werkende automatische tankafsluiter.
7. De onderdelen van de CNG-installatie
moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door
corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het
oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen
mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen
beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
Artikel 5.3.11
1. Bedrijfsauto’s met een
verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over
de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de
afwateringsgaatjes.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk
zijn bevestigd.
3. Bedrijfsauto’s moeten blijven
behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het
Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (Stb. 1990,
393). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring
ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Bedrijfsauto’s moeten blijven
behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het
Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). Aan deze eis
wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de
afgifte van een keuringsrapport.
5. De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s
met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij
stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:
a. niet meer dan 4,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986;
b. niet meer dan 3,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
30 september 1986 doch voor 1 juli 2002;
c. niet meer dan 1,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens
een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs
wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas;
d. niet meer dan 0,5 % vol
koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is
uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding
van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte
van de uitlaatgassen;
e. niet meer dan 0,3% vol
koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na
30 juni 2002.
6. De afstelling van het stationaire
mengsel van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische
ontsteking, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500
kg, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met uitzondering
van bedrijfsauto’s die zijn uitgerust met een
brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof
voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen,
dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het
desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde
van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing
aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de
meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen
bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt
alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de
afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de
afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
7. De in het zesde lid bedoelde
controle van de afstelling van het stationaire mengsel vindt bij
bedrijfsauto’s die worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof
verdicht gas en die in gebruik zijn genomen na 1 juli 1997 plaats aan
de hand van de afstel- en controlegegevens, vermeld op het op het
voertuig aangebrachte symbool, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, van
het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging, dan wel
aan de hand van de gegevens vermeld in het kentekenregister.
8. Bij bedrijfsauto’s die zijn
uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van
lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de
uitlaatgassen, dient het brandstofdoseringssysteem goed te werken. De
goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte
koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op
grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende
lucht-brandstofverhouding. Deze beoordeling vindt plaats op een door
Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
9. [Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
10. De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s
met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik
zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze
Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij
de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden
genomen.
11. Bij bedrijfsauto's met een
verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn
genomen na 31 december 1994 en die zijn voorzien van een
emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven
onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
Artikel 5.3.12
1. De accu van bedrijfsauto’s moet
deugdelijk zijn bevestigd.
2. De bedrading van bedrijfsauto’s
moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.3.13
1. De motorsteunen van bedrijfsauto’s
moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan
de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn
samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als
motorsteunen beschouwd.
2. De motorsteunen mogen niet in
ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn
doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
3. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.3.15
1. Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967
in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar
is.
2. De volgende categorieën
motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer:
a. bedrijfsauto’s met een
dieselmotor, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500
kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch
voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan
12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
c. bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31
december 1987 in gebruik zijn genomen;
d. bussen met een dieselmotor, met
een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na
30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn
genomen;
e. bussen met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004
in gebruik zijn genomen;
f. bussen met een toegestane
maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in
gebruik zijn genomen.
3. De snelheidsbegrenzer moet zijn
afgesteld op:
a. een zodanige snelheid, dat de
maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, niet
meer dan 90 km/h kan bedragen;
b. een zodanige snelheid, dat de
maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen;
c. maximaal 100 km/h, indien het
een bus betreft met een maximum massa van meer dan 10.000 kg, die
voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen.
De ingestelde snelheid is onuitwisbaar
vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare
plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht.
4. De snelheidsbegrenzer en de voor het
functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een
verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te
gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of
onderbreking van de stroomvoorziening.
5. De in het tweede lid bedoelde
verplichting geldt niet voor:
a. motorrijtuigen als bedoeld in
artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
1990;
b. motorrijtuigen die blijkens een
aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet
van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien.
6. Indien een bedrijfsauto met een
toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet zijn voorzien van
een controleapparaat als bedoeld in verordening 3821/85/EEG:
a. mag de op het installatieplaatje
vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande
dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de
installatiedatum bedraagt;
b. moet het onder a bedoelde
installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel
zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar
wordt beschadigd;
c. mag de omtrek van de op de
aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken
van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is
vermeld;
d. moeten het controleapparaat en
de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp
van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane
wijziging in de instellingen of onderbreking van de
stroomvoorziening.
Artikel 5.3.16
1. De onderdelen van de aandrijving van
bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten
deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de
hoezen niet meer afdichten.
3. Kruiskoppelingen moeten een
zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
§ 5. Assen
Artikel 5.3.18
1. De assen van bedrijfsauto’s moeten
deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of
scheuren vertonen.
2. De assen mogen niet zodanig zijn
vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn
bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt
beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door
corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt
gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen
voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
5. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de
deugdelijkheid van de bevestiging.
Artikel 5.3.19
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen
en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten
deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de
hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen
en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen
niet te veel speling vertonen.
4. Indien een gedeelte van de
binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is
doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen
corrosie vertonen.
5. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het derde lid.
Artikel 5.3.20
1. De wiellagers van bedrijfsauto’s
mogen niet te veel speling vertonen.
2. Verschijnselen van slijtage of
beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 5.3.21
1. De wielbasis van bedrijfsauto’s
mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is
vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis
wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de
afgifte van een keuringsrapport.
2. Behoudens fabrieksmatige verschillen
mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan:
a. 15 mm verschillen bij
bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van ten hoogste
3500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst
gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum
massa van meer dan 3500 kg.
Artikel 5.3.22
De afstanden tussen de fuseedraaipunten
en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die
symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig
zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer
dan:
a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s
met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst
gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa
van meer dan 3500 kg.
Artikel 5.3.23
De spoorbreedte van bedrijfsauto’s met
een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg mag niet meer dan
2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het
kentekenbewijs of in het kentekenregister.
Artikel 5.3.24
1. De wielen onderscheidenlijk velgen
van bedrijfsauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk
laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen
moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn
bevestigd.
Artikel 5.3.25
De wielnaven van bedrijfsauto’s moeten
met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn
bevestigd.
Artikel 5.3.26
Stabilisatoren moeten met alle daarvoor
bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd en mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet te veel speling op de
draaipunten vertonen.
§ 6. Ophanging
Artikel 5.3.27
1. De wielen van bedrijfsauto’s
moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2. De banden mogen geen beschadigingen
vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3. De banden mogen geen uitstulpingen
vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven
van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa
van niet meer dan 3500 kg en van T100-bussen moet over de gehele
omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering
van slijtage-indicatoren.
5. De banden van bedrijfsauto’s mogen
niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien
slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de
groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van
de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het
hiervoor bepaalde is opsnijden toegestaan indien de mogelijkheid
daartoe op de band is vermeld door de aanduiding "REGROOVABLE"
of door het teken "
[Illustratie verwijderd]
", met dien verstande dat het
karkas van de band niet zichtbaar mag zijn.
6. De banden op een as moeten dezelfde
karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32.
7. De op de band van een bedrijfsauto,
in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus
vermelde load-index mag niet kleiner zijn dan de load-index, behorende
bij de maximum last per band van de in het kentekenregister vermelde
aslast.
8. Het loopvlak van de banden mag geen
metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen
uitsteken.
9. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het zevende lid.
Artikel 5.3.28
1. Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien
van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het
veersysteem beschouwd.
2. De onderdelen van het veersysteem
mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door
corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij
luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet
beschadigd.
3. Bedrijfsauto's die zijn voorzien van
gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten
hoogste 3500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers.
4. Schokdempers van bedrijfsauto's
moeten deugdelijk zijn bevestigd.
5. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het tweede en vierde lid.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.3.29
1. De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s
moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot
aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de
wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3. De voor de overbrenging van de
stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met
alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen
breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet
ernstig door corrosie zijn aangetast.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de
stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig
zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
5. Kruiskoppelingen moeten een
zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in
ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige
mate zijn losgeraakt.
7. De verbindingen in het
stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
8. Indien een gedeelte van de
binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is
doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen
corrosie vertonen.
9. Slangen ten behoeve van de
stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het
wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
10. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.3.31
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn
voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de
daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door
corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd
of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige
lekkage vertonen.
2. De rembekrachtiger en de
hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3. De compressor en de drukregelaar
moeten goed functioneren en tijdig in werking treden.
4. Bij hydraulische remsystemen mag bij
het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een
aanslag worden beperkt.
5. Het oppervlak van het rempedaal moet
stroef zijn.
6. Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn
misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen
schuren;
c. geen zodanige beschadigingen
vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
7. Kunststofremleidingen mogen geen
knikken vertonen.
8. Wielen die zijn voorzien van een
trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen
draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen
die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in
beide richtingen enigszins slepen.
9. De remtrommel of remschijf mag
tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als
drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
10. De noodzakelijke bewegingsvrijheid
van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
11. Remcylinders moeten zijn voorzien
van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
12. Anti-blokkeersystemen moeten goed
functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke
waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
13. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, het zesde
lid, onderdeel a, het zevende lid.
Artikel 5.3.32
1. Bedrijfsauto’s met een hydraulisch
remsysteem, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten indien het
remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk
remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is
zonder het reservoir te openen, zijn voorzien van:
a. een deugdelijke
waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van
de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden
remsysteem, een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking
treedt zodra een van de kringen van het remsysteem faalt.
2. De goede werking van het signaal van
de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen
worden gecontroleerd.
3. In de reservoirs van het hydraulisch
remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
Artikel 5.3.33
Bedrijfsauto’s met een
drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten
zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting die in werking treedt
zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de
vereiste minimum druk is gedaald.
Artikel 5.3.34
Bedrijfsauto’s met een veerrem, die in
gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een
optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt
zodra de veerrem in werking is gesteld.
Artikel 5.3.35
1. Bedrijfsauto’s met een geheel of
gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van:
a. drukmeetpunten waarmee de
drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcylinders op
iedere as, kunnen worden gemeten;
b. een drukmeetpunt waarmee de druk
vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten;
c. een goed functionerend
meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is
genomen na 30 september 1975.
2. Drukluchtremkrachtregelaars moeten
goed functioneren.
3. Bedrijfsauto’s met
drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981,
moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de
afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde
drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal
zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is
vermeld op genoemde plaat.
4. De ontwateringsventielen van
reservoirs moeten goed functioneren.
Artikel 5.3.36
1. De slag van drukluchtremcylinders
die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden
begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.
2. De slag van drukluchtremcylinders
van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand
niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken
remcylinder.
Artikel 5.3.37
1. Bedrijfsauto’s met een
tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de
aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een
grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de
commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een
grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar.
2. Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
na 31 december 1997 mogen niet zijn voorzien van een
éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen.
3. Bij bedrijfsauto’s met een
éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de
aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze
druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen.
4. Bedrijfsauto's in gebruik genomen na
31 december 1997 mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke
inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen.
5. Bij bedrijfsauto’s in gebruik
genomen na 31 december 1997 moeten de voorraad- en commandoleiding
zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters.
Artikel 5.3.38
1. Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
na 31 december 1997, en bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967,
moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op
een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten
minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700
N.
2. Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, met uitzondering van bussen,
moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op
een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten
minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700
N.
3. Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de
remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal
liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
4. De bedrijfsrem moet op alle wielen
werken.
5. Bedrijfsauto’s mogen op een droge
of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in
remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge
van overberemming van de achteras.
6. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vijfde
lid.
Artikel 5.3.39
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn
voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.
2. De parkeerrem van bedrijfsauto’s,
in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling
van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan
wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van
een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en
ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de
rem ook in achterwaartse richting functioneert.
3. De remvertraging van de parkeerrem
van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een
droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten
minste 1,0 m/s2 bedragen.
Artikel 5.3.40
1. Indien de bedrijfsauto na 30 juni
1967 in gebruik is genomen en is voorzien van een geheel afzonderlijk
hulpremsysteem, moet:
a. het hulpremsysteem goed
functioneren;
b. de remwerking redelijk
gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn
verdeeld.
Aan deze eisen wordt niet getoetst
tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een
keuringsrapport.
2. De remvertraging van het in het
eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge
en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen
indien het een bedrijfsauto, niet zijnde een bus, betreft, en ten
minste 2,2 m/s2 bedragen indien het een bus betreft. Aan deze eis
wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de
afgifte van een keuringsrapport.
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.3.41
1. De deuren en de laadbakkleppen van
bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang
geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de
binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2. Het slot en de scharnieren van de
motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten
een goede sluiting waarborgen.
3. De bevestiging van de scharnieren
van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige
mate door corrosie zijn aangetast.
4. Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een
stilstaande bus die na 12 februari 2004 in gebruik is genomen, moeten
van binnen en van buiten kunnen worden geopend.
5. Constructie en bedieningssysteem van
een bedrijfsdeur van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004,
moet zodanig zijn dat een passagier niet door een deur verwond kan
worden of bij het sluiten tussen de deur bekneld kan raken.
6. Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een
bus in gebruik genomen na 12 februari 2004 die niet volledig zijn
gesloten, dienen een verklikker te activeren die voor de bestuurder
goed waarneembaar is.
7. Noodluiken van een bus in gebruik
genomen na 12 februari 2004, dienen gemakkelijk van binnen en van
buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. De vrije doorgang mag
daarbij niet worden belemmerd.
8. Noodramen van een bus in gebruik
genomen na 12 februari 2004, moeten op geschikte wijze kunnen worden
geopend met een als toereikend beschouwde voorziening. Een
scharnierend noodraam dat niet duidelijk vanuit de
bestuurderszitplaats zichtbaar is, dient te zijn uitgerust met een
akoestische voorziening om de bestuurder te waarschuwen wanneer het
raam niet volledig gesloten is.
9. Nooduitgangen en de
noodbedieningsinrichtingen van bedrijfsdeuren en van alle
nooduitgangen van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004,
dienen als zodanig aan de binnen- en buitenzijde van het voertuig te
zijn aangeduid, hetzij door een representatief symbool, hetzij door
een duidelijk geformuleerd opschrift, en voorzien van duidelijke
aanwijzingen over de bedieningswijze.
10. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het derde tot en
met negende lid.
Artikel 5.3.41a
1. Een bus in gebruik genomen na 12
februari 2004, moet voor wat betreft de binneninrichting voldoen aan
de volgende eisen:
a. de toegang tot bedrijfsdeuren,
nooddeuren en noodramen moet vrij zijn van obstakels en
uitstekende voorwerpen die tot de inrichting behoren.
b. er moeten voorzieningen zijn om
de bestuurder te beschermen tegen verblinding door en weerkaatsing
van de binnenverlichting;
c. vormen van visueel vermaak voor
passagiers moeten zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder
bevinden.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 5.3.42
1. De voorruit en de zijruiten van
bedrijfsauto’s mogen:
a. geen beschadigingen of
verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige
voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder
belemmeren.
2. Indien de bedrijfsauto niet is
voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of
verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige
voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder
belemmeren.
3. Onze Minister kan regels vaststellen
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 5.3.43
1. Bedrijfsauto's met een voorruit
moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die
de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2. Bedrijfsauto's met een voorruit, die
na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van
bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitensproeierinstallatie.
3. Bussen die na 30 juni 1985 in
gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitensproeierinstallatie.
Artikel 5.3.44
1. Bedrijfsauto's met een voorruit, die
na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van
bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter
ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
2. Bussen die na 30 juni 1985 in
gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
Artikel 5.3.45
1. Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien
van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel.
2. In afwijking van het bepaalde in het
eerste lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's
met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik
genomen voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een
linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien het gezichtsveld
van de binnenspiegel zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak
en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak
door de lengte-as van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een
afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de
horizon over een breedte van 20,00 m.
3. Voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2010, zijn tevens
voorzien van een binnenspiegel tenzij het gezichtsveld van deze
spiegel niet zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en
horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door
de lengteas van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van
60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over
een breedte van 20,00 m.
4. De volgende bedrijfsauto’s zijn
aan de rechterzijde tevens voorzien van een trottoirspiegel:
a. voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer
dan 7500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000;
b. rijdende werktuigen;
c. voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer
dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999.
5. De verplichting, genoemd in het
vierde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om op een bedrijfsauto
een trottoirspiegel zodanig te monteren dat deze aan de volgende
voorwaarden voldoet:
a. geen enkel punt van de spiegel
bevindt zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek,
bij een belasting die overeenkomt met het maximale technisch
toelaatbare gewicht; en
b. de spiegel is volledig zichtbaar
vanaf de bestuurdersplaats.
6. De volgende bedrijfsauto’s zijn
tevens voorzien van een breedtespiegel:
a. voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer
dan 3500 kg, waarvan de linker- of rechterbuitenspiegel niet
convex is en die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2000;
b. voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer
dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999; en
c. voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer
dan 7500 kg.
7. De verplichting, genoemd in het
zesde lid, geldt niet indien het voertuig is voorzien van een
breedtespiegel waarmee wordt voldaan aan artikel 5.3.45a, eerste of
tweede lid.
8. De verplichtingen, genoemd in het
vierde en zesde lid, gelden niet indien:
a. het voertuig is voorzien van
andere inrichtingen voor indirect zicht, die zijn voorgeschreven
door maatregelen van de lidstaten van de Europese Unie die voor de
data, genoemd in de artikelen 2 en 5 van richtlijn nr. 2003/97/EG,
in werking zijn getreden en waarmee minstens 95% van het in die
richtlijn voor spiegels van klasse IV (breedtespiegels) en V
(trottoirspiegels) voorgeschreven totale gezichtsveld op
grondniveau kan worden overzien;
b. het voertuig is voorzien van
breedtespiegels en trottoirspiegels, waarmee minstens 95% voor een
spiegel van klasse IV (breedtespiegels) en minstens 85% voor een
spiegel van klasse V (trottoirspiegels) van het in richtlijn nr.
2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan
worden overzien;
c. het voertuig bij gebrek aan
beschikbare en economisch haalbare technische oplossingen niet kan
worden uitgerust met spiegels die voldoen aan de uitzondering,
genoemd in onderdeel b, of aan de verplichtingen, genoemd in het
vierde en het zesde lid, en het is voorzien van extra spiegels of
andere inrichtingen voor indirect zicht, mits daarmee minstens 95%
voor een spiegel van klasse IV (breedtespiegel) en minstens 85%
voor spiegels van klasse V (trottoirspiegel) van het in richtlijn
nr. 2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau
kan worden overzien.
9. Voor het vervoer van goederen
bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximum
massa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2008,
zijn tevens voorzien van:
a. een vooruitkijkspiegel dan wel
een camera-monitorsysteem en
b. een breedtespiegel aan de
bestuurderszijde.
10. De vooruitkijkspiegel is zodanig
aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop
deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het
wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan
dit voorschrift kan worden voldaan, mag de bedrijfsauto niet van een
vooruitkijkspiegel zijn voorzien en is geen andere inrichting voor
indirect zicht vereist.
11. In afwijking van het vierde lid is
een trottoirspiegel niet vereist indien het daarvoor voorgeschreven
gezichtsveld wordt verkregen door een combinatie van een
vooruitkijkspiegel en een breedtespiegel.
12. De aan de zijde van de bestuurder
bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten
portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor
bedrijfsauto's die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De
spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn
omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen
klappen.
13. De spiegels en
camera-monitorsystemen zijn deugdelijk bevestigd.
14. Het spiegelglas van de verplichte
spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in
ernstige mate zijn verweerd.
15. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de gezichtsvelden van de verplichte spiegels en
camera-monitorsystemen.
Artikel 5.3.45a
1. Onverminderd artikel 5.3.45 zijn
bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500
kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen
na 31 december 1977, voorzien van een gezichtsveldverbeterende
voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de
weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden.
2. In afwijking van het eerste lid zijn
bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500
kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen
na 31 december 1977 en met een bestuurderszitplaats aan de
rechterzijde van het voertuig, voorzien van een
gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht
verschaft op de weggebruikers die zich links van het voertuig
bevinden.
3. Het eerste en tweede lid gelden niet
voor bedrijfsauto’s:
a. die in een andere lidstaat van
de Europese Gemeenschappen zijn geregistreerd, of
b. die voldoen aan de in de
artikelen 2.9.15 en 2.9.16 van de Regeling permanente eisen
vereiste gezichtsvelden voor voertuigen in gebruik genomen na 31
december 1999.
4. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het eerste en tweede lid.
Artikel 5.3.46
1. Bedrijfsauto’s met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg en bussen behorende tot de
klasse III of B als bedoeld in artikel 1.1, in gebruik genomen na 19
oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie
of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën
voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3. Het eerste lid is tot 21 oktober
2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximum massa
van meer dan 10.000 kg behorende tot de klasse III of B als bedoeld in
artikel 1.1, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het
voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10
plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen,
onverminderd artikel 5.3.47, zijn voorzien van een hoofdsteun en een
tweepuntsgordel met oprolmechanisme.
4. De zitplaatsen van bedrijfsauto’s
moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De
verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden
vergrendeld.
5. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het
vierde lid.
Artikel 5.3.47
1. bedrijfsauto's, die na 31 december
1997 in gebruik zijn genomen, en T100-bussen moeten zijn voorzien van
autogordels voor:
a. de zitplaats van de bestuurder
en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en
b. de overige naar voren gerichte
zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1.30 m voor de
rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of
rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt.
2. In afwijking van het eerste lid
moeten:
a. bussen met een toegestane
maximum massa van niet meer dan 3500 kg die na 30 september 2002
in gebruik zijn genomen, en
b. bussen met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg die na 30 september 2000 in
gebruik zijn genomen, zijn voorzien van autogordels voor alle naar
voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
3. Bedrijfsauto’s die na 31 december
1989 doch voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die
beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden
ingericht, moeten voorzien zijn van autogordels voor alle naar voren
gerichte zitplaatsen.
4. Bedrijfsauto’s die na 1 januari
1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen en die
beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden
ingericht, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van
de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor
zover deze aan een portier grenzen.
5. Het eerste tot en met het vierde lid
is niet van toepassing op:
a. klapstoelen en zitplaatsen die
uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig;
b. bussen die zijn bestemd voor
stadsgebruik;
c. bussen die beschikken over
speciaal voor staande passagiers bedoelde plaatsen, en
d. voertuigen die voor 1 januari
1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in
het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van
bevestigingspunten voor autogordels hoeven te zijn voorzien.
6. Autogordels van bedrijfsauto's die
na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van
een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7. De autogordels moeten deugdelijk
zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte
ervan in gevaar wordt gebracht.
8. De autogordels moeten zijn voorzien
van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering.
Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na
het omdoen ervan.
9. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het
zevende lid.
Artikel 5.3.47a
Bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, die
na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het
vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan bij
regeling van Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 5.3.48
1. Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe
delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel
voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval
van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede
lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m
boven het wegdek bevinden.
4. De wielen onderscheidenlijk banden
van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn
afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en
mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van
bedrijfsauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1975 moeten
deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
5. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen
na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming.
Deze verplichting geldt niet voor:
a. trekkers;
b. bedrijfsauto’s die blijkens
een aantekening op het kentekenbewijs hiervan zijn uitgezonderd;
c. het gedeelte achter de achterste
as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 3500 kg.
6. Een reservewielhouder die zich aan
de buitenzijde van de bedrijfsauto bevindt, moet deugdelijk zijn
bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat
wiel goed zijn opgesloten.
7. Geen deel aan de buitenzijde van de
bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door
corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
8. De beweging van een intrekbare trede
van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, mag geen letsel
kunnen toebrengen aan passagiers of mensen buiten de bus.
9. Bussen van klasse I in gebruik
genomen na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van:
a. een deugdelijk functionerend
knielsysteem tezamen met een deugdelijk functionerende lift of
oprijplaat,
b. duidelijk gemarkeerde
bedieningsinrichtingen voorzien van een verklikkerinrichting bij
een aanwezige lift of oprijplaat,
c. een deugdelijke voorziening die
de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de
rolstoelgebruiker waarborgt, en
d. ten minste vier gereserveerde
zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap, voorzien van
handgrepen en dichtbij een geschikte bedrijfsdeur.
10. Op bussen van een andere klasse dan
klasse I, in gebruik genomen na 12 februari 2004 en die voorzien zijn
van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor
personen met een mobiliteitshandicap, is het vorige lid van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het aantal
gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap voor
bussen van klasse II en III ten minste twee bedraagt, en voor bussen
van klasse A en B ten minste één. Een stoel die wordt ingeklapt
wanneer hij niet wordt gebruikt, mag niet worden aangeduid als
gereserveerde zitplaats.
11. Voor bussen als bedoeld in het
negende en tiende lid geldt, dat bussen van klasse I en II moeten zijn
voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste
een naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld
en van merktekens voorzien voor andere passagiers met een
mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze plaatsen moeten dicht
bij een voor deze passagiers geschikte ingang geplaatst zijn.
12. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het vierde,
vijfde en achtste tot en met elfde lid.
Artikel 5.3.49
1. Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967
in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke
wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de
onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle
breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen
van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter de
achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55
m indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen.
2. De afstand van de onderzijde van de
stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen
na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan
0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december
1997, niet meer bedragen dan 0,55 m.
3. Indien de bedrijfsauto in gebruik is
genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor
het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden
voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing
gelaten. In afwijking hiervan geldt voor bedrijfsauto's, ingericht als
betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste
punt van het voertuig mag zijn gelegen.
4. Indien de bedrijfsauto in gebruik is
genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet
meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen.
Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek
buiten beschouwing gelaten.
5. De stootbalk van bedrijfsauto's mag
niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn
dan:
a. het voertuig op de plaats waar
de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste
achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de
banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor bedrijfsauto's die zijn bestemd
voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde
maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
6. De stootbalk en de bevestiging
daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren
vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor
functieverlies optreedt.
7. De uiteinden van de stootbalk mogen
niet naar achteren zijn omgebogen.
8. Het bepaalde in het eerste lid geldt
niet voor:
a. trekkers;
b. voertuigen die blijkens een
aantekening in het kentekenbewijs van het bepaalde in het eerste
lid zijn uitgezonderd.
9. Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen,
met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik
genomen na 9 augustus 2004, moeten op deugdelijke wijze zijn voorzien
van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.
10. De afstand van de onderzijde van de
beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer
dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn
gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen,
waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing
wordt gelaten.
11. De afstand van de voorzijde van het
voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer
dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m
boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten.
12. De bescherminrichting mag:
a. niet breder zijn dan de breedte
van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as;
b. aan weerszijden niet meer dan
0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen,
waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten
beschouwing wordt gelaten, of
c. aan weerszijden niet meer dan
0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste
punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine.
13. De beschermingsinrichting aan de
voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd
of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast,
dat hierdoor functieverlies optreedt.
14. Het negende lid geldt niet voor:
a. bedrijfsauto's die blijkens een
aantekening in het kentekenbewijs of blijkens gegevens in het
kentekenregister de toegevoegde categorie-aanduiding« G» als
beschreven in bijlage I, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG hebben;
b. bedrijfsauto's waarvan het
gebruik blijkens een aantekening in het kentekenbewijs
onverenigbaar is met het voldoen aan de voorschriften voor een
beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.
15. Het elfde en twaalfde lid zijn niet
van toepassing op bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van
niet meer dan 7500 kg.
Artikel 5.3.49a
1. Bedrijfsauto’s met een
referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in
gebruik zijn genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een
klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde
broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan
150.
2. Het eerste lid is tot 1 januari 2017
niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een referentiemassa van
niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik zijn genomen
voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname
van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
3. Aan de in het eerste en tweede lid
opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten
behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3.50
1. Frontbeschermingsinrichtingen van
bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan
3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd
voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een
EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de bij regeling van Onze
Minister gestelde eisen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op bussen.
§ 10. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3.51
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn
voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten, met dien
verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met
gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december
2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde
eisen, alsmede voor de installatie daarvan;
c. twee stadslichten indien het
voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of
vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in
gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de
voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel
één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig
vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de
richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30
juni 1967 moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten
indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan
elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan
6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor
voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden
de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd
als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan
duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de
voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het
voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of
vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in
gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het
voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of
twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik
is genomen;
i. een installatie ter verlichting
van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte
kentekenplaat;
j. twee niet-driehoekige rode
retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig,
onderscheidenlijk twee driehoekige dan wel niet-driehoekige, rode
retroreflectoren indien het een gelede bus betreft die in gebruik
is genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005;
k. één of twee mistlichten aan de
achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december
1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet
dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het
voertuig;
l. één of twee
achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in
gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten aan de
voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het
voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is
dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en
breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het
voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is
dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister
vastgestelde eisen; deze lichten zijn niet verplicht voor
chassiscabines;
o. niet-driehoekige ambergele
retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het
voertuig langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door
Onze Minister vastgestelde eisen;
p. een markering aan de achterzijde
van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het
voertuig meer bedraagt dan 3500 kg en het voertuig in gebruik is
genomen na 30 juni 1967; deze eis geldt niet voor trekkers,
voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht
personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze
Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of
het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.
2. Onverminderd het eerste lid, voldoen
begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het
BABW, aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 5.3.51a
1. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de
in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de
daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van
retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto
herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze
voertuigen zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of
knipperlicht.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de
installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters,
cijfers, tekens of licht.
3. Het eerste lid geldt niet voor
bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en
bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990
bedoelde diensten.
Artikel 5.3.53
1. De grote lichten, dimlichten,
stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel
stralen.
2. De richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen
naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet
anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De achterlichten en mistlichten aan
de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan
rood of ambergeel stralen.
5. De kentekenplaatverlichting mag niet
anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
6. De markeringslichten mogen naar
voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood
stralen.
7. De zijmarkeringslichten mogen niet
anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht
onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode
retroreflector, mag dit licht rood stralen.
8. De markering aan de achterzijde moet
bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of
vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende
en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen.
Artikel 5.3.55
1. De in artikel 5.3.51 bedoelde
lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de
onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de
verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd
of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie
nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten
van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke
sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde
functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het
voertuig zijn bevestigd.
5. De in artikel 5.3.51 bedoelde
lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend
gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd
onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6. De retroreflectoren en de markering
aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die
de retroreflectie beïnvloeden.
7. Onze Minister kan regels vaststellen
omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
Artikel 5.3.56
1. Het dimlicht van bedrijfsauto’s
moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een
koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde
beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de
volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder
het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten
dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet
zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de
scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het
scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het
verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de
lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de
koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale
scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale
gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden
van de verticale hartlijn op het scherm van het
koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het
horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een
koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn
op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een
verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de
geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het
verlichtingsscherm vallen.
2. Het voor het dimlicht bestemde deel
van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet
in ernstige mate hebben verloren.
3. Onze Minister stelt regels vast
omtrent het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 5.3.57
1. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien
van:
a. twee mistlichten aan de
voorzijde van het voertuig;
b. parkeerlichten, indien het
voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en
waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig.
Bedrijfsauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van
het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen
mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee extra
richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig;
d. één zijrichtingaanwijzer aan
elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds
ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn;
e. twee
herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren
gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het
voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
f. ambergele retroreflectoren aan
de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is
dan 6,00 m;
g. twee witte retroreflectoren aan
de voorzijde van het voertuig;
h. twee markeringslichten aan de
voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien deze
lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn en het
voertuig breder is dan 1,80 m;
i. zijmarkeringslichten, indien
deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn,
aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde
eisen;
j. een richtlicht;
k. een bermlicht aan de voorzijde
van het voertuig;
l. werklichten;
m. een derde remlicht, aangebracht
zodanig dat:
1°. het midden van het
lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak
van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte
op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit
middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast
deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2°. de onderzijde van het
lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de
remlichten, bedoeld in artikel 5.3.51, onderdeel h;
n. In afwijking van onderdeel m
kunnen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van
niet meer dan 3500 kg twee extra remlichten worden aangebracht,
indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie
of bovenbouw binnen 0.15m vanaf het middenlangsvlak kan worden
bevestigd;
o. Bij bedrijfsauto’s met een
toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg kunnen, in afwijking
van onderdeel m, twee extra remlichten worden aangebracht;
p. twee dagrijlichten;
q. verlichte transparanten;
r. een markering aan de achterzijde
van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister
vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het
voertuig meer bedraagt dan 3500 kg.
2. Lichten die ingevolge artikel 5.3.51
verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel
genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op
voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits
wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten,
met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten,
gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten
alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen h onderscheidenlijk i
van het eerste lid.
3. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien
van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,
extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan
de zijkanten van het voertuig.
4. Bedrijfsauto's met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een
ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of
van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van
het voertuig.
5. Bedrijfsauto's met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een
ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of
een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van
het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het
voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn
aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de
effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en
retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de
retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van
de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering
uitmaken
6. Ieder afzonderlijk deel van de lijn-
en contourmarkering en van het materiaal voor de retroreflecterende
letters of afbeeldingen binnen de contourmarkering is voorzien van een
door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7. Bij regeling van Onze Minister
worden voorschriften gesteld met betrekking tot de installatie van de
lijn- en contourmarkering.
Artikel 5.3.58
1. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de
in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar
genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-,
flits- of knipperlicht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van
het RVV 1990 bedoelde diensten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits-
of knipperlicht.
Artikel 5.3.59
1. De mistlichten aan de voorzijde, het
richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of
geel stralen.
2. De parkeerlichten mogen naar voren
niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen,
dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet
anders dan ambergeel stralen.
3. De extra richtingaanwijzers,
waarschuwingsknipperlichten en herhalingswaarschuwingsknipperlichten
mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De zijrichtingaanwijzers mogen naar
voren niet anders dan ambergeel of wit, en naar achteren niet anders
dan ambergeel of rood stralen.
5. De zijmarkeringslichten mogen niet
anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht
onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode
retroreflector, mag dit licht rood stralen.
6. Artikel 5.3.55, tweede, derde,
vierde en zevende lid, is van toepassing.
7. Op de mistlichten aan de voorzijde
van het voertuig is artikel 5.3.55, eerste tot en met vijfde en
zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
8. De markeringslichten mogen naar
voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood
stralen.
9. De dagrijlichten mogen niet anders
dan wit stralen.
10. Het derde remlicht mag niet anders
dan rood stralen.
11. Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig
waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig
waarop de verlichting is gemonteerd.
Artikel 5.3.61
1. Bij bedrijfsauto's in gebruik
genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en
5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf
het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor
richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het
voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt
niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten,
achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat
aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde
van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig en
werklichten.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze of plaats van
bevestiging van verlichte transparanten op begeleidingsvoertuigen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW.
Artikel 5.3.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht
of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel
van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.3.63
Achteruitrijlichten van bedrijfsauto’s
mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het
voertuig is ingeschakeld.
Artikel 5.3.64
1. Bedrijfsauto’s mogen, met
uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende
verlichting.
2. Bedrijfsauto’s mogen, met
uitzondering van de richtingaanwijzers en de
waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende
verlichting.
Artikel 5.3.65
Bedrijfsauto’s mogen onverminderd het
bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990
bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra
richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en
retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57
dan wel bij of krachtens artikel 5.3.51a is voorgeschreven of
toegestaan.
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en
aanhangwagen
Artikel 5.3.66
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien
van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze
inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd,
gebroken, vervormd dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het
bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Onze Minister
stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de
bevestiging.
2. De achtertraverse met inbegrip van
alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn
bevestigd en mag:
a. geen breuken of scheuren
vertonen;
b. niet door corrosie zijn
aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
Artikel 5.3.67
Indien de bedrijfsauto is voorzien van
een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten
minste 49,0 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting
van een afneembare kogel goed functioneren en moet de bevestiging
van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
Artikel 5.3.68
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien
van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van:
a. 40 mm, moet de pendiameter ten
minste 36,5 mm bedragen;
b. 50 mm, moet de pendiameter ten
minste 46 mm bedragen;
c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten
minste 55 mm bedragen.
2. De in het eerste lid bedoelde
koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. de opwaartse speling van de pen
mag niet meer dan 5 mm bedragen;
b. de radiale speling in de
onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen;
c. de onderste lagerbus mag niet
loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen;
d. de sluit- en borginrichting moet
goed functioneren;
e. de radiale speling van de
trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm
bedragen;
f. axiale speling van de trekstang
in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan;
g. de bevestigingsmoer van de
trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn;
h. het gedeelte van de vangmuil dat
als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld,
mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen
vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de
koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt
aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan.
Artikel 5.3.69
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien
van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag:
a. de onvlakheid van de schotel
niet meer dan 3,5 mm bedragen;
b. de onvlakheid van de schotel, in
afwijking van het bepaalde onder a, voor wat betreft de uiterste
linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf
de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen;
c. de diepte van groeven langer dan
100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
Dit lid is niet van toepassing op
kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak.
2. Een schotelkoppeling moet deugdelijk
zijn bevestigd.
3. De speling in de sluitinrichting van
een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2
inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm
bedragen.
4. De sluit- en borginrichting moet
goed functioneren.
Artikel 5.3.70
Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot bijzondere constructies voor het koppelen van voertuigen
en andere koppelingen dan bedoeld in de artikelen 5.3.67, 5.3.68 en
5.3.69.
§ 12. Diversen
Artikel 5.3.71
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn
voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit
een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van
zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien
van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent
maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een
geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of
diefstal van het voertuig te voorkomen.
3. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de
in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar
genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een
tweetonige hoorn.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990
bedoelde diensten.
5. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
6. Bedrijfsauto’s mogen niet zijn
voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het
eerste tot en met vijfde lid.
Artikel 5.3.72 [Vervallen per 15-07-2005]
Artikelen
5.4.1 t/m 9.15
|