| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
REGELING
OPTISCHE EN GELUIDSSIGNALEN 2009
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING houdende aanwijzing hulpverleningsdiensten, omschrijving
werkzaamheden en omstandigheden, en vaststelling van optische en
geluidssignalen (Regeling optische en geluidssignalen 2009)
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 13, tweede lid, 22, 26 en
71 van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Artikel 1
1. Als hulpverleningsdiensten worden aangewezen die diensten die,
voor zover de aan hen opgedragen taak hierin voorziet, voor het
vervullen van een dringende taak worden ingezet.
2. De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de volgende:
a. de door de directie van het Rode Kruis aangewezen onderdelen
van Noodhulp Nationaal;
b. de Stichting Sanquin voor een spoedtransport van bloed of
bloedproducten;
c. Prorail voor de inzet van hulpverleningsvoertuigen ten
behoeve van ongevallen op het spoor;
d. de door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Justitie, van Verkeer en
Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer of van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen,
onder zijn verantwoordelijkheid vallende diensten ten behoeve van
crisisbeheersing of rampenbestrijding;
e. de Stafafdeling Beveiliging, Bewaking & Vervoer van de
Arrondissementale Stafdienst Amsterdam;
f. de Milieudienst Zuid-Holland Zuid;
g. de DCMR Milieudienst Rijnmond;
h. de divisie Rotterdam Port Authority van Havenbedrijf
Rotterdam N.V. ten behoeve van het gebruik van uitrukwagens;
i. de door de minister van Justitie aangewezen functionarissen
van de Landelijke Vervoersdienst Justitie of de Landelijke
Bijzondere Bijstandsverlening van de Dienst Justitiële
Inrichtingen;
j. het door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
aangewezen orgaancentrum, bedoeld in artikel 24 van de Wet op de
orgaandonatie, ten behoeve van het spoedeisende vervoer van
transplantatieorganen en het spoedeisende vervoer van
transplantatieteams;
k. de door de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van
Drenkelingen aangewezen reddingsbrigades;
l. het wapen der Koninklijke Marechaussee, alsmede andere door
de Minister van Defensie aangewezen bijstandseenheden;
m. de militair geneeskundige dienst, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel f, van de Militaire Ambtenarenwet 1931.
Artikel 2
Er is slechts sprake van een dringende taak als bedoeld in artikel
29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,
en in artikel 1, eerste lid, in geval van:
a. een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp
van de betrokken hulpverleningsdiensten vergt;
b. het voorkomen van een voor de mens levensbedreigende situatie
of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen
ontstaat;
c. een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde,
waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is.
Artikel 3
1.De politie, de brandweer en de diensten voor spoedeisende
medische hulpverlening stellen elk een richtlijn op met betrekking tot
de werkzaamheden en de omstandigheden, waarin van de optische en
geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt.
2.De in of krachtens de in artikel 1, tweede lid, aangewezen
hulpverleningsdiensten verklaren een van de in het eerste lid bedoelde
richtlijnen van overeenkomstige toepassing of stellen een richtlijn op
met betrekking tot de werkzaamheden en de omstandigheden, waarin van
de optische en geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde richtlijn bevat in ieder
geval:
a. de branchespecifieke criteria waaronder met de optische en
geluidssignalen mag worden gereden, ter nadere invulling van de in
artikel 2 genoemde criteria;
b. de prioritering van de meldingen en de rol die de meldkamer
speelt bij het verlenen van toestemming om met de optische en
geluidssignalen te mogen rijden;
c. het branchespecifieke gedrag van de bestuurder;
d. de vaardigheden van de bestuurder;
e. de opleiding van de bestuurder;
f. de manier waarop de vaardigheden van de bestuurder actueel
en op peil worden gehouden.
4.Naast de in het derde lid genoemde eisen bevat de in het eerste
en tweede lid bedoelde richtlijn ten aanzien van de bestuurder van het
voorrangsvoertuig de volgende eisen:
a. het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een
snelheid van maximaal 20 km per uur;
b. een vluchtstrook wordt bereden met een snelheid van maximaal
20 km per uur boven de snelheid van het verkeer op de rijbaan, met
een snelheid van maximaal 80 km per uur. Wanneer de snelheid van
het andere verkeer lager is dan 30 km per uur, mag op de
vluchtstrook maximaal 50 km per uur worden gereden;
c. de rijbaan wordt bereden met een snelheid van maximaal 40 km
per uur boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid. De politie
mag hiervan in overleg met de meldkamer in uitzonderlijke gevallen
afwijken.
Artikel 4
1.De in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 genoemde diensten en de in artikel 1 aangewezen
hulpverleningsdiensten wijzen personen of groepen van personen aan,
die daartoe ingerichte motorvoertuigen met de inwerking zijnde
optische en geluidsignalen mogen besturen.
2.De in het eerste lid bedoelde personen worden aangewezen, nadat
zij een speciale instructie hebben gekregen, waarin gewezen wordt op
onder andere de strafrechtelijke en civielrechtelijke consequenties
van het direct of indirect veroorzaken van schade of letsel tijdens de
rit, het gedrag en de reactie van weggebruikers op de optische en
geluidssignalen en het gewenste rijgedrag van de betrokken bestuurder.
Artikel 5
De signalen zijn als volgt uitgevoerd:
1. blauw zwaai-, flits- of knipperlicht: licht, bestaande uit
één set blauwe signaalverlichting; de set voldoet aan klasse 2 van
ECE reglement 65 en is overeenkomstig dat reglement gecertificeerd.
Het licht is zodanig gemonteerd dat het signaal kan worden
waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het
voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek; ter ondersteuning van
de set mag aan de voorzijde van het voertuig symmetrisch ten
opzichte van de lengteas van het voertuig op een hoogte tussen 0,4 m
en 1,2 m boven het wegdek een set secundaire blauwe
signaalverlichting zijn aangebracht; ook deze set is gecertificeerd
overeenkomstig ECE reglement 65; de secundaire set is alleen in
werking wanneer de primaire signaalverlichting is ingeschakeld; de
secundaire set signaalverlichting straalt naar voren, evenwijdig aan
de lengteas van het voertuig; de secundaire set mag separaat
uitschakelbaar zijn; een voertuig in gebruik bij politie, brandweer
of diensten voor spoedeisende medische hulpverlening is slechts van
deze signaalverlichting voorzien als het door middel van de in de
artikelen 5.2.51a, 5.3.51a, 5.4.51a, 5.4.52a of 5.5.51a van de
Regeling voertuigen bedoelde, door de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde retroreflecterende
striping, letters, cijfers of tekens als zodanig herkenbaar is voor
de overige weggebruikers. Een voertuig van de in artikel 1
aangewezen diensten dat gebruikt wordt voor het vervullen van een
dringende taak, is van de blauwe signaalverlichting voorzien als het
aan weerszijden door middel van een embleem of naam van de dienst
herkenbaar is voor de overige weggebruikers. Een embleem of naam van
de dienst heeft een oppervlak van ten minste 314 cm2.
2. geel zwaai-, flits- of knipperlicht: licht, bestaande uit
één set gele signaalverlichting; de set voldoet aan ECE reglement
65 en is overeenkomstig dat reglement gecertificeerd; het licht is
zodanig gemonteerd dat het signaal kan worden waargenomen rondom het
voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op
1,5 m boven het wegdek.
3. groen zwaai-, flits- of knipperlicht: een rondom schijnend
groen permanent licht, zwaai-, flits- of knipperlicht, waarmee een
voertuig dat is uitgerust met de in het eerste en tweede lid
bedoelde signaalverlichting eveneens mag worden uitgerust; het
groene licht wordt alleen gebruikt bij een stilstaand voertuig om
daarmee het voertuig van de hoogste betrokken leidinggevende van de
betrokken hulpverleningsdienst aan te geven.
4. knipperende koplampen: koplampen die tegelijkertijd aan en uit
gaan.
5. tweetonige hoorn: hoorn die achtereenvolgens twee tonen
aangeeft. De geluidssterkte van elke toon is bij dag ten minste 110
db(A) en ’s nachts ten minste 100 dB(A). De minimale
geluidssterkte wordt tussen 10 en 100 ms na het inschakelen bereikt.
De geluidssterkte is maximaal 125 dB(A). De meting van de
geluidssterkte van de hoorn vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk 11
van de Regeling toelatingseisen, zoals die regeling luidde voor 1
mei 2009, maar met een meetpositie op het wegdek. De on- en offset
ligt tussen de 1 en 10 dB/ms. De wisselfrequentie van de tonen is
eenparig en ligt tussen de 0,5 en 5 Hz. De wisselfrequentie mag
middels een schakelaar zolang de bestuurder de hoorn bedient, worden
verhoogd. Ook in dat geval is de wisselfrequentie maximaal 5 Hz.
Deze verhoogde wisselfrequentie bedraagt een verdubbeling van de
basisfrequentie. De toonhoogte van de lage toon is circa 375 Hz. De
toonhoogte van de hoge toon is circa 500 Hz. De hoorn is alleen in
werking wanneer de in het eerste lid bedoelde primaire blauwe
signaalverlichting is ingeschakeld.
6. extra richtingaanwijzers: richtingaanwijzers als bedoeld in
artikel 30a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Deze richtingaanwijzers worden alleen gevoerd in combinatie met het
blauwe zwaai-, knipper- of flitslicht.
Artikel 6
1. Bij de volgende werkzaamheden of omstandigheden voert een
voertuig, indien de kans bestaat dat het voertuig niet tijdig door
andere weggebruikers wordt opgemerkt, geel zwaai-, flits- of
knipperlicht:
a. werkzaamheden ten behoeve van de hulpverlening op of langs
de weg met kennelijk daartoe ingerichte motorvoertuigen;
b. werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen
op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidbestrijding
of sneeuwruimen;
c. werkzaamheden met kennelijk daartoe ingerichte
motorvoertuigen voor de hulpverlening aan en het repareren of
bergen en wegslepen van voertuigen;
d. vervoer van ondeelbare lading voor zover het voertuigen
betreft waarvoor krachtens de Regeling voertuigen ontheffing is
verleend inzake de afmetingen van deze voertuigen of hun lading;
e. het begeleiden van transporten waarvoor een ontheffing is
verleend, voor zover die begeleiding uit de ontheffing voortvloeit
en dit geschiedt met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen;
f. het begeleiden van militaire colonnes;
g. het rijden met landbouw- of bosbouwtrekkers en
motorvoertuigen met beperkte snelheid, of daardoor voortbewogen
aanhangwagens, die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan
2,60 meter.
2. Met ingang van 1 maart 2014 bestaat het geel zwaai-, flits- of
knipperlicht uit een set gele signaalverlichting; deze voldoet aan ECE
reglement 65 en is overeenkomstig dat reglement gecertificeerd.
Artikel 7
1.Artikel 5 is tot 1 maart 2014 niet van toepassing op
motorvoertuigen die op het moment van inwerkingtreding van deze
regeling zijn voorzien van blauw zwaai- of knipperlicht, geel zwaai-
of knipperlicht of een twee- of drietonige hoorn overeenkomstig het
bepaalde in artikel 3 van de Regeling optische en geluidssignalen.
2.Artikel 5, eerste lid, is wat de eis betreft dat de set blauwe
signaalverlichting en de secundaire set zijn gecertificeerd
overeenkomstig ECE reglement 65 tot 1 september 2009 niet van
toepassing op voertuigen, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die op de datum van
inwerkingtreding van deze regeling niet zijn voorzien van een set
blauwe signaalverlichting en een secundaire set die aan deze eis
voldoet.
Artikel 8
De Regeling optische en geluidssignalen en de regeling van 19 mei
2000, nr. DGP/VI/U000167, houdende erkenning van bepaalde Belgische en
Duitse hulpverleningsdiensten en vrijstelling van de Regeling optische
en geluidssignalen, worden ingetrokken.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2009.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling optische en
geluidssignalen 2009.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings.
|
|
|