| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
BESLUIT
VOERTUIGEN
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 februari 2009, houdende de
vaststelling van nationale verkoopverboden en bepalingen met betrekking
tot de algemene periodieke keuring van voertuigen, en tot intrekking van
het Voertuigreglement (Besluit voertuigen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 4 december 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1657
sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 34, eerste lid, 73,
tweede lid, onderdeel a en b, 81, eerste lid, 91, tweede
lid, en 179, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 17
december 2008, nr. W09.08.0530/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 12 februari 2009, nr. CEND/HJDZ-2009/51 sector
AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
wet: Wegenverkeerswet 1994.
Hoofdstuk 2. Verbodsbepalingen
Artikel 2
1.Het is verboden om radarontvangstapparaten die geschikt zijn om
de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om
een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen, in te
voeren, te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren.
2.Het eerste lid geldt niet voor de apparaten die in Nederland
worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt
aangetoond dat de apparaten aansluitend worden uitgevoerd naar een
andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 3
Het is de bestuurder van een motorrijtuig verboden met dat
motorrijtuig te rijden en de eigenaar of houder van een motorrijtuig
verboden met dat motorrijtuig te laten rijden, indien in of aan het
motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig is als bedoeld in
artikel 2, eerste lid.
Hoofdstuk 3. Periodieke keuring van voertuigen
Afdeling 1. Uitzondering keuringsplicht
§ 1. Uitzondering voertuigen
Artikel 4
1.Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorfietsen,
bromfietsen alsmede driewielige motorrijtuigen waarvan de ledige massa
niet meer bedraagt dan 400 kg.
2.Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een
motorrijtuig of een aanhangwagen, met uitzondering van taxi’s en
bussen, waarvan de datum van eerste toelating is gelegen voor 1
januari 1960.
Artikel 5
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een motorrijtuig
of een aanhangwagen, waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt
dan 3500 kg, zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig
nog geen jaar is verstreken.
Artikel 6
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een taxi, zolang
sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen jaar is
verstreken.
Artikel 7
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor ambulances zolang
sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen jaar is
verstreken.
Artikel 8
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een ander
motorrijtuig dan in de artikelen 5 tot en met 7 bedoeld, ten aanzien
van:
a. motorrijtuigen met een verbrandingsmotor die wordt gevoed door
al dan niet tot vloeistof verdicht gas of diesel zolang sinds de
datum van eerste toelating van het motorrijtuig nog geen drie jaren
zijn verstreken;
b. motorrijtuigen, niet zijnde de motorrijtuigen als bedoeld in
onderdeel a, zolang sinds de datum van eerste toelating van het
motorrijtuig nog geen vier jaren zijn verstreken.
§ 2. Overige uitzonderingen
Artikel 9
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een motorrijtuig
of een aanhangwagen op de dag waarop dat voertuig naar aanleiding van de
aanvraag van een keuringsrapport aan een keuring wordt onderworpen.
Artikel 10
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor:
a. bij ministeriële regeling aangewezen motorrijtuigen en
aanhangwagens:
1°. waarvoor een bijzonder kenteken als bedoeld in het
Kentekenreglement is opgegeven,
2°. die een keuring als bedoeld in de artikelen 22 of 26 van
de wet ondergaan en waarvoor een bij ministeriële regeling
vastgesteld kenteken is opgegeven, of
3°. op de dag waarop zij overeenkomstig de bij ministeriële
regeling vastgestelde voorschriften worden onderzocht in verband
met de afgifte of wijziging van een kenteken- of
registratiebewijs of in verband met de teruggave van het voor
dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs waarvan op grond van
artikel 60 van de wet de overgifte is gevorderd;
b. bij ministeriële regeling aangewezen categorieën van
rijdende werktuigen.
Artikel 11
1.Een motorrijtuig of een aanhangwagen mag gedurende twee maanden
na het tijdstip waarop artikel 72, eerste lid, van de wet voor dat
voertuig gelding verkrijgt, op de weg staan zonder dat voor dat
voertuig een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur
niet is verstreken.
2.Een motorrijtuig of een aanhangwagen mag gedurende twee maanden
na het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een voor dat
motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven keuringsbewijs verstrijkt,
op de weg staan zonder dat voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen
een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is
verstreken.
Artikel 12
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorrijtuigen en
aanhangwagens die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke
persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 62
van de wet is verleend.
Afdeling 2. Keuringsrapport
§ 1. Aanvraag keuringsrapport en verplichtingen
Artikel 13
1. De aanvrager dient bij de aanvraag van een keuringsrapport de
bijlage bij het deel I dan wel deel IA van het kentekenbewijs dat is
afgegeven voor het motorrijtuig waarop de aanvraag betrekking heeft
over te leggen, indien blijkens het kentekenregister of kentekenbewijs
bij bijzonderheden is vermeld: «– Taxi, zie bijlage» of «–
OV-auto, zie bijlage».
2. Degene bij wie de aanvraag is ingediend, geeft de in het eerste
lid bedoelde bijlage bij het deel I dan wel deel I A van het
kentekenbewijs na behandeling van de aanvraag terug aan de aanvrager.
Artikel 14
1.Degene die een keuringsrapport aanvraagt bij de Dienst
Wegverkeer, stelt het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de
afgifte van het rapport wordt gevraagd, voor een keuring ter
beschikking van een door de Dienst Wegverkeer met het verrichten van
de keuring belaste functionaris, op een door deze bepaalde plaats en
bepaald tijdstip.
2.Degene die een keuringsrapport aanvraagt bij een ingevolge
artikel 84 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon,
stelt ter verkrijging daarvan het motorrijtuig of de aanhangwagen
waarvoor de afgifte van het rapport wordt gevraagd, voor een keuring
ter beschikking van een door die persoon met het verrichten van de
keuring belaste functionaris op een door deze bepaalde plaats en
bepaald tijdstip.
§ 2. Aanvang geldigheidsduur keuringsbewijs
Artikel 15
1.De geldigheidsduur van een keuringsbewijs vangt aan met ingang
van de dag van afgifte.
2.Indien een keuringsbewijs wordt afgegeven binnen twee maanden
vóór het tijdstip waarop artikel 72, eerste lid, van de wet voor het
betrokken voertuig gelding verkrijgt, vangt de geldigheidsduur van het
keuringsbewijs aan met ingang van dat tijdstip, mits, voor zover
artikel 72, eerste lid, van de wet vóór dat tijdstip op grond van
een ingevolge een andere wet dan de wet afgegeven keuringsbewijs niet
geldt, dat document voorafgaande aan de behandeling van de aanvraag
wordt overgelegd.
3.Indien een keuringsbewijs wordt afgegeven binnen twee maanden
vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een eerder voor het
betrokken voertuig afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, vangt de
geldigheidsduur van het keuringsbewijs aan met ingang van dat
tijdstip, mits vorenbedoeld eerder afgegeven keuringsbewijs
voorafgaande aan de behandeling van de aanvraag wordt overgelegd.
§ 3. Geldigheidsduur keuringsbewijs
Artikel 16
1.Een keuringsbewijs is geldig voor de duur van een jaar.
2.In afwijking van het eerste lid is het keuringsbewijs geldig voor
de duur van twee jaren indien het keuringsbewijs is afgegeven voor een
ander motorrijtuig dan in de artikelen 5 tot en met 7 bedoeld, en:
a. dat is uitgerust met een verbrandingsmotor die niet wordt
gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas of diesel,
b. waarvan de datum van eerste toelating van het motorrijtuig
ligt na 31 december 2004, en
c. waarvan gerekend vanaf de datum van eerste toelating op het
moment van afgifte van het keuringsbewijs een termijn van zeven
jaren nog niet is verstreken.
3.In afwijking van het eerste lid is voorts het keuringsbewijs
waarvan de datum van afgifte 30 jaren of meer ligt na de datum van
eerste toelating geldig voor de duur van twee jaren indien het
desbetreffende keuringsbewijs is afgegeven voor een ander motorrijtuig
dan in de artikelen 5 tot en met 7 bedoeld.
§ 4. Afgifte keuringsbewijs
Artikel 17
De afgifte van een keuringsbewijs geschiedt niet elektronisch.
Artikel 18
De termijn, bedoeld in artikel 91, tweede lid, van de wet, waarbinnen
tegen een beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs bezwaar kan
worden gemaakt, bedraagt een jaar.
Afdeling 3. Herkeuring en deskundigenonderzoek
§ 1. Herkeuring
Artikel 19
Het verzoek om herkeuring, bedoeld in artikel 90, derde lid, van de
wet, wordt ingediend door op het keuringsrapport aan te tekenen dat om
herkeuring wordt verzocht en deze aantekening te ondertekenen alsmede
hiervan kennis te geven aan degene die het keuringsrapport heeft
afgegeven. Laatstgenoemde doet hiervan onverwijld mededeling aan de
Dienst Wegverkeer.
Artikel 20
1. De verzoeker legt voorafgaande aan de herkeuring aan de
deskundige die door de Dienst Wegverkeer is aangewezen om de
herkeuring te verrichten, de volgende bescheiden over:
a. de bijlage bij het deel I dan wel deel I A van het
kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig waarop het
verzoek betrekking heeft, indien blijkens het kentekenregister of
kentekenbewijs bij bijzonderheden is vermeld: «– Taxi, zie
bijlage» of «– OV-auto, zie bijlage», en
b. het keuringsrapport.
2. De in het eerste lid bedoelde deskundige geeft de daar bedoelde
bescheiden na afloop van de herkeuring aan de verzoeker terug.
3. De verzoeker heeft het recht bij de herkeuring aanwezig te zijn.
Artikel 21
De Dienst Wegverkeer doet, indien een beschikking tot weigering van
de afgifte van een keuringsbewijs is afgegeven door een erkende
natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan deze afschrift toekomen van
het na de herkeuring afgegeven keuringsrapport.
§ 2. Deskundigenonderzoek
Artikel 22
1. De verzoeker legt voorafgaande aan het in artikel 91 van de wet
bedoelde deskundigenonderzoek aan de deskundige die door de Dienst
Wegverkeer is aangewezen om het onderzoek te verrichten, de volgende
bescheiden over:
a. de bijlage bij het deel I dan wel deel I A van het
kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig waarop het
verzoek betrekking heeft, indien blijkens het kentekenregister of
kentekenbewijs bij bijzonderheden is vermeld: «– Taxi, zie
bijlage» of «– OV-auto, zie bijlage», en
b. het keuringsbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of
de aanhangwagen waarop het verzoek betrekking heeft.
2. De in het eerste lid bedoelde deskundige geeft de daar bedoelde
bescheiden na afloop van het onderzoek aan de verzoeker terug, met
dien verstande dat het keuringsbewijs niet wordt teruggegeven indien
de geldigheid van het voor het voertuig afgegeven keuringsbewijs
vervalt overeenkomstig artikel 91, zesde lid, van de wet.
3. De verzoeker heeft het recht bij het onderzoek aanwezig te zijn.
Artikel 23
De Dienst Wegverkeer doet, indien de keuring op grond waarvan het
keuringsrapport werd afgegeven is verricht door een erkende natuurlijke
persoon of rechtspersoon, aan deze afschrift toekomen van de uitslag van
het onderzoek.
Hoofdstuk 4. Strafbepalingen
Artikel 24
Overtreding van artikel 3 is een strafbaar feit.
Artikel 25
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens
overtreding van artikel 5.1.1, eerste of tweede lid, of artikel 5.1.2
van de Regeling voertuigen kan hem de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 26
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de Regeling
uitzondering keuringsplicht en de Regeling transitokentekenbewijzen op
artikel 10 van dit besluit.
Artikel 27
De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. Voertuigreglement;
b. besluit van 8 juni 1998, houdende wijziging van het
Voertuigreglement (Stb. 410);
c. besluit van 11 juni 1998, houdende wijziging van het
Voertuigreglement (Stb. 404);
d. besluit van 18 januari 1999, houdende wijziging van het
Voertuigreglement (Stb. 28);
e. besluit van 12 november 2003, houdende wijziging van het
Voertuigreglement ter uitvoering van richtlijn nr. 2001/85/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende
speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van
passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder
niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de
Raad en van richtlijn 97/27/EG (PbEG L42) betreffende bussen (Stb.
484);
f. besluit van 3 februari 2004, houdende wijziging van het
Voertuigreglement in verband met de implementatie van richtlijn nr.
2004/56/EG met betrekking tot de verwarming van motorvoertuigen en
aanhangwagens daarvan (Stb. 60);
g. besluit van 21 juli 2004, houdende wijziging van het
Voertuigreglement in verband met de implementatie van Richtlijn nr.
2003/102/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november
2003 betreffende de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare
weggebruikers voor en bij een botsing met een motorvoertuig (Stb.
401);
h. besluit van 2 november 2004, houdende wijziging van het
Voertuigreglement in verband met de implementatie van Richtlijn nr.
2003/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 november
2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de
lidstaten inzake de typegoedkeuring van inrichtingen voor indirect
zicht en van voertuigen met deze inrichtingen, tot wijziging van
Richtlijn 70/156/EEG en tot intrekking van Richtlijn 71/127/EEG (Stb.
586);
i. besluit van 3 november 2004, houdende wijziging van het
Voertuigreglement tot uitvoering van richtlijn nr. 2002/85/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5
november 2002 tot wijziging van richtlijn nr. 92/6/EEG van de Raad
betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van
snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stb.
659);
j. besluit van 23 december 2004, houdende wijziging van het
Voertuigreglement in verband met de implementatie van Richtlijn
2004/3/EG (Stb. 2005, 19);
k. besluit van 1 februari 2005, houdende wijziging van het
Voertuigreglement tot uitvoering van richtlijn nr. 2003/37/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 mei
2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers
(Stb. 69);
l. besluit van 28 januari 2008, houdende wijziging van het
Voertuigreglement in verband met de implementatie van richtlijn nr.
2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 17 mei 2006 (PbEU L 161) betreffende emissies van
klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging
van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad en in verband met enkele
correcties van technische aard (Stb. 53).
Artikel 28
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 29
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voertuigen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 21 februari 2009
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings
Uitgegeven de zesentwintigste maart 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|