|
REGELING tot uitvoering de hoofdstukken III en VI
van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 21, eerste en derde lid,
22, eerste, derde, vierde, en vijfde lid, 22a, eerste lid, 23, derde
lid, 25a, eerste en derde lid, 25b, derde lid, 25c,
25e, vierde lid, 26, eerste en tweede lid, 30, eerste, derde en
vierde lid, 31, derde lid, 34, derde en vierde lid, 58, tweede lid,
onderdeel b, 60, eerste lid, onderdeel c, derde lid,
vijfde lid, onderdeel c, en achtste lid, 71, 71a, 72, 75,
derde lid, 76, derde lid, 81, tweede lid, 83, vierde lid, 84, eerste en
tweede lid, 85a, vierde en vijfde lid, 86, zevende lid, 86a,
eerste en tweede lid, 88, tweede lid, 98, 99, tweede en derde lid, 101,
eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
aanhangwagen: voertuig van de
voertuigcategorie O; in ieder geval wordt als aanhangwagen
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
een aanhangwagen is;
achterlicht: licht dat, van de
achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt
en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
achteruitrijlicht: licht, bestemd
voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het
waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit
rijdt of achteruit gaat rijden;
afneembare bovenbouw: zonder gebruik
van gereedschap van een voertuig afneembare constructie met een
vloeroppervlak van ten minste 5 m2, ingericht voor het vervoer van
goederen of ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere
werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen, niet zijnde
een gestandaardiseerde laadstructuur;
afsleepas: hulpmiddel bedoeld om
één van de assen van een motorvoertuig te dragen;
ambulance: voertuig voor speciale
doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SC dat
bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een
speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als ambulance
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
een ambulance is;
as: aslichaam, of geheel van
aslichamen in geval van onafhankelijke wielophanging, met inbegrip
van twee wielen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het
voertuig;
ashefinrichting: een op een voertuig
vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as(sen) naar
gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te
verhogen door het optrekken van de wielen van de bodem of het
neerlaten van de wielen op de bodem, dan wel zonder het optrekken
van de wielen van de bodem, teneinde de slijtage van de banden te
verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, of het
wegrijden van motorvoertuigen of voertuig-combinaties op een gladde
bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te
vergroten;
asstel: combinatie van twee of meer
assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan
1,80 m;
autonome aanhangwagen: aanhangwagen
met carrosserietype DB met ten minste twee assen, waarvan er ten
minste één een gestuurde as is, en uitgerust is met een ten
opzichte van de aanhangwagen verticaal beweegbare trekinrichting die
minder dan 100 kg belasting overbrengt op het trekkende voertuig; in
ieder geval wordt als autonome aanhangwagen aangemerkt een voertuig
dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een autonome aanhangwagen
is;
bedrijfsauto: voertuig van de
voertuigcategorie N, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een
motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als
bedrijfsauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven
kentekenbewijs een bedrijfsauto is;
belastbare as: een as waarvan de
belasting met behulp van de ashefinrichting kan worden gevarieerd
zonder dat de as wordt opgetrokken;
bestuurde as: as die rechtstreeks
door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden
bediend;
bestuurd asstel: asstel dat
rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder
kan worden bediend;
bochtverlichting: een
verlichtingsfunctie voor betere verlichting in bochten;
bromfiets: voertuig van de
voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e,
niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met
beperkte snelheid; in ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een
voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een bromfiets is;
bus: voertuig van de
voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M2 of M3, niet
zijnde een gehandicaptenvoertuig of motorrijtuig met beperkte
snelheid; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een voertuig dat
blijkens het afgegeven kentekenbewijs een bus is;
CNG-installatie: het geheel van
gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor
de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG);
contourmarkering: opvallende
markering die dient om de horizontale en verticale dimensie (lengte,
breedte en hoogte) van een voertuig aan te geven;
dagrijlicht: een licht dat voorwaarts
gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag
rijden beter zichtbaar te maken;
dimlicht: licht waarmee de weg vóór
het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers
worden verblind of gehinderd;
dolly: aanhangwagen met
carrosserietype DA, DB of DC, bestemd voor:
a. het koppelen van een oplegger
aan een trekkend voertuig waarbij de dolly de voorzijde van een
oplegger draagt;
b. het dragen van de achterzijde
van in de lengte ondeelbare lading, indien deze lading het
chassis van het voertuig vervangt;
c. het koppelen van een
ontheffingsplichtige oplegger aan een trekkend voertuig, waarbij
de dolly de massa van de lading verdeelt over de achteras(sen)
van het trekkend voertuig en de as(sen) van de dolly; of
d. het dragen van één van de
assen van een motorvoertuig; de afsleepdolly;
in ieder geval wordt als dolly
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
een dolly is;
driewielig motorrijtuig: voertuig van
de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L5e of L7e, niet
zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte
snelheid; in ieder geval wordt als driewielig motorrijtuig
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
een driewielig motorrijtuig is;
elektrisch aangedreven voertuig: een
motorvoertuig, uitsluitend aangedreven door een elektromotor waarvan
de tractie-energie wordt geleverd door een in het motorvoertuig
geïnstalleerde tractiebatterij;
elektrische aandrijflijn: het
elektrische circuit, bestaande uit:
1. de tractiebatterij;
2. de elektronische omzetters;
3. de tractiemotoren;
4. het laadcircuit;
5. de kabelset en de connectoren;
en
6. de elektronische
hulpapparatuur;
fietsaanhangwagen: een
niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd
om door een fiets te worden getrokken;
frontbeschermingsinrichting: een
afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak
boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig
behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met
dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met
een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter
bescherming van de lichten;
geconditioneerd voertuig: voertuig
waarvan de vaste bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur
speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een
gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van
de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn;
gedeeltelijke contourmarkering:
contourmarkering die de horizontale dimensie (lengte) van een
voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de
verticale dimensie (hoogte) van het voertuig door middel van een
markering van de bovenhoeken;
gehandicaptenvoertuig: voertuig dat
is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is
dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel waarvan de
door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km/h
bedraagt indien het voertuig is uitgerust met een motor, en niet
zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of een landbouw- of
bosbouwtrekker;
gelede bus: bus met carrosserietype
CC, CD, CG, CH, CK, CL, CO, CP, CS of CT die bestaat uit twee of
meerdere starre delen die scharnierend met elkaar verbonden zijn; de
passagiersruimten van elk deel zijn zodanig met elkaar verbonden dat
de passagiers zich vrij van het ene naar het andere deel kunnen
bewegen; de starre delen zijn permanent met elkaar verbonden zodat
deze alleen kunnen worden losgemaakt door ingrepen waarvoor
uitrusting benodigd is die men gewoonlijk alleen in een werkplaats
aantreft; in ieder geval wordt als gelede bus aangemerkt een
voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een gelede bus
is;
gepantserd voertuig: voertuig voor
speciale doeleinden van de voertuigcategorie M, N of O en
carrosserietype SB dat bestemd is voor de bescherming van te
vervoeren passagiers of goederen die voldoen aan de voorschriften
inzake kogelwerende bepantsering; in ieder geval wordt als
gepantserd voertuig aangemerkt een voertuig dat blijkens het
afgegeven kentekenbewijs een gepantserd voertuig is;
gestandaardiseerde laadstructuur:
zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare laadbak
als bedoeld in ISO 668:1995 die uitsluitend is ingericht voor het
vervoer van goederen, niet zijnde een lastdrager of een tot het
voertuig behorende uitrusting;
gestuurde as: as die wordt gestuurd
door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het
voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
gestuurd asstel: asstel dat wordt
gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering
vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
gordel: een geheel van banden met
sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een
motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de
kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge
vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de
bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en
dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee
de gordel wordt ingetrokken;
gordelbevestigingspunten: de delen
van de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere
delen van het voertuig waaraan gordels moeten worden vastgemaakt;
groot licht: licht dat de weg vóór
het voertuig over een grote afstand verlicht;
handwagen met motorvermogen:
motorrijtuig, hoofdzakelijk bestemd om te worden bestuurd door een
voetganger;
hefbare as: een as die door de
ashefinrichting kan worden opgetrokken en neergelaten;
hoeklicht: licht dat wordt gebruikt
voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat zich bij de
voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig
gaat draaien;
hoofdgroeven: brede groeven in het
middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte
ongeveer 75% van de breedte van het loopvlak inneemt;
hybride elektrisch voertuig: een
motorvoertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en
ten minste twee verschillende energie-opslagsystemen aan boord ten
behoeve van de mechanische aandrijving van het voertuig, waarbij in
ieder geval energie wordt geput uit een opslagvoorziening voor
elektrische energie of kracht;
inrichting voor indirect zicht: een
inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen
dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel,
een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder
informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;
kampeerwagen: voertuig voor speciale
doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SA
waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten minste bestaat
uit de volgende uitrusting welke vast in de woonafdeling zijn
bevestigd, met dien verstande dat de tafel zodanig mag zijn
ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd:
1°. zitplaatsen en een tafel;
2°. slaapaccommodatie die met
behulp van de zitplaatsen mag worden gecreëerd;
3°. kookgelegenheid, en
4°. opbergfaciliteiten;
in ieder geval wordt als kampeerwagen
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
een kampeerwagen of kampeerauto is;
kermis- en circusvoertuig: voertuig,
niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat feitelijk wordt gebruikt
voor het kermis- of circusbedrijf;
kinderbeveiligingssysteem: een geheel
van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of
flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en
bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of
botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met
het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing
of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat
het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker
beperkt;
klapstoel: extra zitplaats om bij
gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt;
klimaatregelingssysteem: apparatuur
die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de
vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;
lading: alle personen, dieren,
goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van
het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en
voertuiguitrustingen, het reservewiel alsmede verwisselbare
uitrustingsstukken daaronder niet begrepen;
landbouw- of bosbouwtrekker: voertuig
van de voertuigcategorie T of motorvoertuig op rupsbanden, niet
zijnde een gehandicaptenvoertuig of motorrijtuig met beperkte
snelheid, met ten minste twee assen en een door de constructie
bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, dat
voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder
is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen
van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de
land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens
voor de land- of bosbouw; het voertuig kan zijn ingericht om een
lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan
worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders;
lastdrager: afneembare of
uitschuifbare constructie die is bestemd voor het vervoer van
goederen, met inbegrip van hulpmiddelen en die:
a. aan de bumper, op de trekhaak
of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto, of driewielig
motorrijtuig is aangebracht , dan wel is geïntegreerd in de
achterzijde van het voertuig;
b. aan de achterzijde, op de
trekdriehoek of trekboom van een (middenas) aanhangwagen met een
technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg is
aangebracht, of
c. uitsluitend voor het vervoer
van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of
beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een
technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is
aangebracht;
licht: inrichting voor het verlichten
van de weg of het geven van een lichtsignaal aan andere
weggebruikers, waaronder begrepen de achterkentekenplaatverlichting
en retroreflectoren;
ligplaats: de voorgeschreven ruimte
om een persoon liggend in een bus, of op een draagbaar in een
personenauto te vervoeren;
lijkwagen: voertuig voor speciale
doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SD dat
bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale
uitrusting heeft; in ieder geval wordt als lijkwagen aangemerkt een
voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een lijkwagen,
begrafeniswagen of begrafenisauto is;
lijnmarkering: opvallende markering
die dient om de horizontale dimensie (lengte en breedte) van een
voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn;
loopvlak: deel van de band dat
gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder
bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;
LPG-installatie: het geheel van
gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor
de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas (LPG);
luchtband: band waarin zich in
normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere
spanning dan de atmosferische;
markeringslicht: licht dat op het
breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht,
waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt
aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde voertuigen en
aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door in het
bijzonder de aandacht te vestigen op de omvang;
massa ledig voertuig voor voertuigen
van de voertuigcategorieën M en N: massa van het voertuig in
rijklare toestand verminderd met 100 kg;
massa ledig voertuig voor voertuigen
van de voertuigcategorie O: massa van het voertuig in rijklare
toestand;
massa ledig voertuig voor voertuigen
van de voertuigcategorie L: massa van het voertuig, gereed voor
normaal gebruik, inclusief:
a. de aanvullende uitrusting die
alleen voor het beschouwde normale gebruik is vereist;
b. de volledige elektrische
installatie, met inbegrip van de door de fabrikant geleverde
verlichtings- en lichtsignaalinrichting;
c. de instrumenten en
voorzieningen die vereist zijn bij de wet waarvoor de meting van
de ledige massa van het voertuig geschiedt;
d. de vloeistoffen die nodig zijn
om de goede werking van alle delen van het voertuig te
garanderen. De brandstof of mengsmering wordt bij deze meting
niet meegerekend, doch met vloeistoffen zoals accuzuur, de
vloeistof voor de hydraulische circuits, de koelvloeistof en de
motorolie moet wel rekening worden gehouden;
massa in rijklare toestand voor
voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O: massa van het
voertuig met carrosserie, in bedrijfsklare toestand, met inbegrip
van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel voor zover
gemonteerd door de fabrikant, gereedschap, bestuurder en voor bussen
een bijrijder voor zover daarvoor een zitplaats aanwezig is; voor
het vaststellen van de massa moet de brandstoftank voor 90% zijn
gevuld en wordt de massa van de bestuurder en de bijrijder elk op 75
kg gesteld;
massa in rijklare toestand voor
voertuigen van de voertuigcategorie L: massa van het voertuig met
carrosserie, in bedrijfsklare toestand, met inbegrip van
koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel en gereedschap;
voor het vaststellen van de massa moet de brandstoftank voor 90%
zijn gevuld;
massa in rijklare toestand voor
voertuigen van de voertuigcategorie T: massa van een rijklare
landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van de
kantelbeveiligingsinrichting, zonder facultatieve accessoires, maar
met koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, outillage en
bestuurder; voor het vaststellen van de massa wordt de massa van de
bestuurder op 75 kg gesteld;
massieve band: band zonder
luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal;
mechanische koppelinrichting: alle
onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van
de carrosserie en het chassis van voertuigen, waarmee het trekkend
voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden
verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen
voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van de bovenvermelde
koppelinrichtingen;
meeneemheftruck: motorrijtuig met
beperkte snelheid, zonder laadruimte, uitgerust met een
hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen
de wielen ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan
worden ingezet;
metalen band: band waarvan het
loopvlak geheel van vormvast materiaal is vervaardigd;
middenasaanhangwagen: aanhangwagen
met carrosserietype DC en met een stijve dissel waarvan de as(sen),
indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het
voertuig bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische
verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch
toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting
of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting van toepassing is,
wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt
als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het
afgegeven kentekenbewijs een middenasaanhangwagen is;
mistachterlicht: licht dat het
voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar
maakt;
mistvoorlicht: licht dat dient voor
een betere verlichting van de weg bij mist of een soortgelijke
toestand van verminderd zicht;
mobiele kraan: voertuig voor speciale
doeleinden van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie
N3 en met carrosserietype SF dat niet is uitgerust voor het vervoer
van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment
ten minste 400 kNm bedraagt; in ieder geval wordt als mobiele kraan
aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs
een mobiele kraan is;
mobiliteitshandicap: eigenschap die
het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als
gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap,
meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
motorfiets: voertuig van de
voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L3e of L4e, niet
zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte
snelheid; in ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een
voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een motorfiets
is;
motorrijtuig met beperkte snelheid:
motorvoertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid
van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of
bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van
personen en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar
gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder
motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan:
a. motorrijtuig met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h,
niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets,
niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht
voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of
aan werken op, in, langs en boven wegen;
b. motorrijtuig met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h,
met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet
meegerekend, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een
bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer
aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen;
motorvoertuig: een motorrijtuig als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
noodstopsignaal: signaal om andere
weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken
dat het voertuig sterk vertraagt en dat wordt gegeven door de
gelijktijdige werking van alle remlichten of richtingaanwijzers;
ondeelbare lading: lading die ten
behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen
kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico
van schade meebrengt;
onderdeel: inrichting als bedoeld in
de richtlijnen 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG, die bedoeld is
om deel uit te maken van een voertuig waarvoor onafhankelijk van een
voertuig typegoedkeuring kan worden verleend;
oplegger: aanhangwagen met
carrosserietype DA dat ontworpen is om aan een opleggertrekkend
voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het
trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale
belasting overbrengt; in ieder geval wordt als oplegger aangemerkt
een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een oplegger
is;
opvallende markering: markering die
dient om een voertuig van de zij- of achterkant gezien meer
zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van
een niet tot het voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer
zich nabij deze lichtbron bevindt;
overig voertuig voor speciale
doeleinden: motorvoertuig of aanhangwagen voor speciale doeleinden
met carrosserietype SG niet zijnde een caravan, gepantserd voertuig,
kampeerwagen, lijkwagen, ambulance, mobiele kraan of een voor een
rolstoel toegankelijk voertuig; in ieder geval wordt als overig
voertuig voor speciale doeleinden aangemerkt een voertuig dat
blijkens het afgegeven kentekenbewijs een overig voertuig voor
speciale doeleinden is;
parkeerlicht: licht, bestemd om de
aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;
pendelas: samenstel van twee of meer
assen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig
zodanig ingericht dat de belasting op alle wielen gelijkmatig
verdeeld wordt overgebracht op het wegdek. Een samenstel van wielen
op één wielnaaf wordt aangemerkt als één wiel;
personenauto: voertuig van de
voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M1 niet zijnde een
gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid; in
ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat
blijkens het afgegeven kentekenbewijs een personenauto is;
remlicht: een licht dat wordt
gebruikt om de weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden
kenbaar te maken dat de longitudinale beweging van het voertuig
opzettelijk wordt vertraagd;
retroreflector: inrichting, bestemd
om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door
weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig
behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten
bevindt;
richtingaanwijzer: een licht, bestemd
om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het
voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te
veranderen;
rijdend werktuig: bedrijfsauto of
motorrijtuig met beperkte snelheid, ingericht voor het uitvoeren van
in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of
personen;
samenstel van voertuigen trekkend
voertuig met een of meer aanhangwagens;
schadevoertuig: voertuig als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de wet. Onder een
schadevoertuig wordt in ieder geval verstaan een voertuig:
1°. waarvan de dragende
carrosseriedelen ernstig zijn vervormd;
2°. waarvan de langsbalken van
het chassis ernstig zijn vervormd;
3°. waarvan één of meer
deurstijlen ernstig zijn vervormd;
4°. waarvan het dak is
verwijderd of de deur- of raamstijlen zijn doorgeknipt;
5°. waarvan één of meer
wielophangingen ernstig zijn vervormd in combinatie met één
van de overige punten;
6°. met ernstige brand- of
waterschade, of
7°. waarvan het frame ernstig is
beschadigd;
staaklicht: licht aan de achterzijde
van het voertuig dat voor de bestuurder de lengte van het voertuig
kenbaar maakt;
stadslicht: licht dat, van de
voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en
een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
taxi: personenauto bestemd voor
taxivervoer als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet
personenvervoer 2000; in ieder geval wordt als taxi aangemerkt een
voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een taxi is;
technische eenheid: als onderdeel van
een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een
bijzondere richtlijn als bedoeld in de richtlijnen 2002/24/EG,
2003/37/EG of 2007/46/EG moet voldoen en waarvan de betrokken
bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk
maakt uitsluitend in samenhang met een of meer bepaalde typen
voertuigen;
terreinvoertuig: voertuig zoals
gedefinieerd in bijlage II, onder A, onder punt 4, van richtlijn
2007/46/EG;
T100-bus: bus, die blijkens het
afgegeven kentekenbewijs of blijkens het kentekenregister is
goedgekeurd voor een maximumsnelheid van 100 km/h;
trekker: bedrijfsauto met
carrosserietype BC; in ieder geval wordt als trekker aangemerkt een
voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een trekker is;
verlicht transparant: verlichting op
een voertuig dat uitsluitend informatie biedt over de bestemming of
het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor
het overige wegverkeer;
verwisselbare getrokken machine: in
de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die is ontworpen om door
een landbouw- of bosbouwtrekker of een motorrijtuig met beperkte
snelheid te worden getrokken en die de landbouw- of bosbouwtrekker
of een motorrijtuig met beperkte snelheid een andere of extra
functie geeft. Een verwisselbare getrokken machine kan een
laadplatform omvatten dat ontworpen en gebouwd is om de voor de
uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijke gereedschappen en
hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of
benodigde materiaal tijdelijk op te slaan. Een voertuig dat bestemd
is om door een landbouw- of bosbouwtrekker of een motorrijtuig met
beperkte snelheid te worden getrokken en van een vast gemonteerd
werktuig is voorzien of voor de bewerking van materiaal is
ontworpen, wordt gelijkgesteld met een verwisselbare getrokken
machine, indien de verhouding tussen de technisch toegestane massa
en de lege massa van dit voertuig kleiner is dan 3,0;
verwisselbaar uitrustingsstuk:
inrichting die is ontworpen om door een voertuig te worden gedragen
of aan een voertuig te worden gekoppeld en waarmee aan het voertuig
een extra functie wordt gegeven;
voertuig voor speciale doeleinden:
een voertuig dat bedoeld is voor het verrichten van diensten
waarvoor een bijzondere carrosserie-uitvoering of uitrusting vereist
is. Hieronder vallen kampeerwagens, gepantserde voertuigen,
ambulances, lijkwagens, caravans, mobiele kranen, voor rolstoelen
toegankelijke voertuigen en overige voertuigen voor speciale
doeleinden;
voertuigen van de voertuigcategorie
L: motorvoertuigen op twee, drie of vier wielen, al dan niet met
dubbellucht, gedefinieerd overeenkomstig de volgende
voertuigclassificatie:
a. L1e: tweewielige
motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h met de volgende
kenmerken:
een motor met:
1°. een cilinderinhoud van
ten hoogste 50 cm3 indien het een motor met inwendige
verbranding betreft, of
2°. een nominaal continu
maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een
elektrische motor betreft;
b. L2e: driewielige
motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h met de volgende
kenmerken:
een motor met:
1°. een cilinderinhoud van
ten hoogste 50 cm3 indien het een motor met elektrische
ontsteking betreft, of
2°. een nettomaximumvermogen
van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met
inwendige verbranding, of
3°. een nominaal continu
maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een
elektrische motor betreft;
c. L3e: tweewielige
motorvoertuigen zonder zijspanwagen, uitgerust met een motor met
een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³, indien het een motor
met inwendige verbranding betreft, of met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h;
d. L4e: tweewielige
motorvoertuigen met zijspanwagen, uitgerust met een motor met
een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³, indien het een motor
met inwendige verbranding betreft, of met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h;
e. L5e: driewielers, dat wil
zeggen motorvoertuigen op drie symmetrisch geplaatste wielen,
met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm³
bedraagt indien het een motor met inwendige verbranding betreft,
of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer
dan 45 km/h;
f. L6e: lichte vierwielige
motorvoertuigen met een lege massa van ten hoogste 350 kg,
exclusief de massa van de accu’s in elektrische
motorvoertuigen, met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h, en
1°. een motor met een
cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 voor motoren met een
elektrische ontsteking, of
2°. een nettomaximumvermogen
van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met
inwendige verbranding, of
3°. een nominaal continu
maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een
elektrische motor betreft;
g. L7e: andere vierwielige
motorvoertuigen dan motorvoertuigen van de categorie L6e met een
lege massa van ten hoogste 400 kg, of 550 kg voor
motorvoertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer, exclusief
de massa van de accu’s in elektrische motorvoertuigen, en met
een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW;
voertuigen van de voertuigcategorie
M: voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde
motorvoertuigen met ten minste vier wielen, gedefinieerd
overeenkomstig de onderstaande voertuigclassificatie:
a. M1: voor het vervoer van
personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten hoogste
acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend en
welke de volgende carrosserietypen kan hebben:
– AA: sedan;
– AB: hatchback;
– AC: stationwagen;
– AD: coupé;
– AE: cabriolet;
– AF: MPV, met dien
verstande dat voldaan dient te worden aan de in richtlijn
2007/46/EG gestelde voorwaarden;
– SA: kampeerwagen;
– SB: gepantserd voertuig;
– SC: ambulance;
– SD: lijkwagen;
– SG: overig voertuig voor
speciale doeleinden, of
– SH: voor rolstoelen
toegankelijk voertuig;
b. M2: voor het vervoer van
personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met meer dan acht
zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekenden met een
technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 5.000 kg;
c. M3: voor het vervoer van
personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met meer dan acht
zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekenden met een
technisch toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg;
Motorvoertuigen met de
voertuigclassificatie M2 en M3 kunnen de volgende carrosserietypen
hebben:
– SA: kampeerwagen;
– SB: gepantserd voertuig;
– SC: ambulance;
– SD: lijkwagen, of
– SG: overig voertuig voor
speciale doeleinden;
Motorvoertuigen met de
voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse I als bedoeld in richtlijn
2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
– CA:enkeldeks;
– CB: dubbeldeks;
– CC: geleed enkeldeks;
– CD: geleed dubbeldeks;
– CE: enkeldeks met lage vloer;
– CF: dubbeldeks met lage
vloer;
– CG: geleed enkeldeks met lage
vloer, of
– CH: geleed dubbeldeks met
lage vloer;
Motorvoertuigen met de
voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse II als bedoeld in
richtlijn 2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
– CI: enkeldeks;
– CJ: dubbeldeks;
– CK: geleed enkeldeks;
– CL: geleed dubbeldeks;
– CM: enkeldeks met lage vloer;
– CN: dubbeldeks met lage
vloer;
– CO: geleed enkeldeks met lage
vloer, of
– CP: geleed dubbeldeks met
lage vloer;
Motorvoertuigen met de
voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse III als bedoeld in
richtlijn 2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
– CQ: enkeldeks;
– CR: dubbeldeks;
– CS: geleed enkeldeks, of
– CT: geleed dubbeldeks;
Motorvoertuigen met de
voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse A als bedoeld in richtlijn
2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
– CU: enkeldeks, of
– CV: enkeldeks met lage vloer;
Motorvoertuigen met de
voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse B als bedoeld in richtlijn
2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
– CW: enkeldeks;
voertuigen van de voertuigcategorie
N: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde
motorvoertuigen met ten minste vier wielen, gedefinieerd
overeenkomstig onderstaande voertuigclassificatie:
a. N1: voor het vervoer van
goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch
toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg;
b. N2: voor het vervoer van
goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch
toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer
dan 12.000 kg;
c. N3: voor het vervoer van
goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch
toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg;
In het geval van een voor koppeling
aan een oplegger of middenasaanhangwagen bestemd motorvoertuig met
carrosserietype BC of BD is de voor indeling van het voertuig
geldende massa de massa van het motorvoertuig in rijklare toestand,
vermeerderd met de massa die overeenkomt met de maximale statische
verticale belasting die op het motorvoertuig wordt overgebracht door
de oplegger of de middenasaanhangwagen en, indien van toepassing,
met de maximummassa van de eigen belasting van het motorvoertuig;
Voertuigen van deze voertuigcategorie
kunnen de volgende carrosserietypen hebben, met dien verstande dat
wordt voldaan aan de in richtlijn 2007/46/EG gestelde voorwaarden:
– BA: vrachtwagen. een
motorvoertuig van categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of
hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van
goederen. Een dergelijk voertuig kan ook een aanhangwagen
trekken;
– BB: bestelwagen. Vrachtwagen
met in de carrosserie geïntegreerde cabine;
– BC: opleggertrekkend voertuig
(opleggertrekker). Een trekkend voertuig dat uitsluitend of
hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van
opleggers;
– BD: aanhangwagen trekkend
voertuig (aanhangwagentrekker). een trekkend voertuig dat
uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het
trekken van aanhangwagens anders dan opleggers. Een dergelijk
voertuig kan uitgerust zijn met een laadplatform;
– SB: gepantserd voertuig;
– SF: mobiele kraan, of
– SG: overig voertuig voor
speciale doeleinden;
voertuig van de voertuigcategorie O:
een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en
gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken, gedefinieerd
overeenkomstig onderstaande voertuigclassificatie:
a. O1: aanhangwagens met een
technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 750 kg;
b. O2: aanhangwagens met een
technisch toegestane maximummassa van meer dan 750 kg, doch niet
meer dan 3.500 kg;
c. O3: aanhangwagens met een
technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch
niet meer dan 10.000 kg;
d. O4: aanhangwagens met een
technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg;
In het geval van een oplegger of
middenasaanhangwagen is de voor indeling van de aanhangwagen of
oplegger geldende maximummassa de statische verticale belasting die
naar de grond wordt overgebracht door de as of assen van de oplegger
of middenasaanhangwagen, wanneer die aan het motorvoertuig gekoppeld
is en de maximumlast draagt.
Voertuigen van deze voertuigcategorie
kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
– DA: oplegger;
– DB: autonome aanhangwagen;
– DC: middenasaanhangwagen;
– SB: gepantserd voertuig;
– SE: caravan, of
– SG: overig voertuig voor
speciale doeleinden;
voertuig van de voertuigcategorie T:
motorvoertuig op wielen, met ten minste twee assen en een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die
voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder
is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen
van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de
landbouw of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van
aanhangwagens voor de landbouw of bosbouw, welk motorvoertuig kan
zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of
bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor
meerijders, gedefinieerd overeenkomstig onderstaande
voertuigclassificatie:
a. T1: landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een
minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder
bevindende as van niet minder dan 1.150 mm, met een lege massa
in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte
boven het wegdek van ten hoogste 1.000 mm;
b. T2: landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een
minimumspoorbreedte van minder dan 1.150 mm, met een lege massa
in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte
boven het wegdek van ten hoogste 600 mm, met dien verstande dat
wanneer echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van
de landbouw- of bosbouwtrekker – ten opzichte van het wegdek
gemeten –, gedeeld door het gemiddelde van de
minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, de
door de constructie bepaalde maximumsnelheid beperkt is tot 30
km/h;
c. T3: landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een lege massa in
rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
d. T4: landbouw- of
bosbouwtrekkers voor speciale doeleinden op wielen met een door
de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40
km/h;
De voertuigclassificatie T4 is
onderverdeeld in:
– T4.1: portaaltrekkers
voor het bewerken van hoge, in rijen geplante gewassen,
bijvoorbeeld in de wijnbouw, die worden gekenmerkt door een
(gedeeltelijk) verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat
zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen,
waarbij de linker-en rechterwielen zich aan weerszijden van
één of meer rijen planten bevinden; zij zijn ontworpen om
werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de
voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een
platform bevinden; in de werkpositie bedraagt de verticaal
gemeten afstand tot de grond op de plaats van de rijen
planten meer dan 1.000 mm, met dien verstande dat wanneer
echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de
trekker – ten opzichte van het wegdek gemeten –, gedeeld
door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as,
meer dan 0,90 bedraagt, de door de constructie bepaalde
maximumsnelheid beperkt is tot 30 km/h;
– T4.2: brede landbouw- of
bosbouwtrekkers die door hun grote afmetingen worden
gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote
landbouwarealen te bewerken;
– T4.3: landbouw- of
bosbouwtrekkers met geringe hoogte boven het wegdek met vier
aangedreven wielen, waarvan de verwisselbare
uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of
bosbouw en die gekenmerkt worden door een dragend chassis,
uitgerust zijn met één of meer aftakassen en een technisch
toelaatbare massa van ten hoogste 10.000 kg hebben en
waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale lege
massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt; voorts
bevindt het zwaartepunt van deze trekkers zich – ten
opzichte van het wegdek gemeten – op minder dan 850 mm;
e. T5: landbouw- of
bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van meer dan 40 km/h;
volledige contourmarkering:
contourmarkering die de omtrek (lengte, breedte en hoogte) van een
voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn;
voor rolstoelen toegankelijk
voertuig: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie
M met voertuigclassificatie M1 en met carrosserietype SH dat
specifiek gebouwd of verbouwd is ten behoeve van een of meer
personen die in hun rolstoel zijn gezeten, wanneer zij reizen over
de weg; in ieder geval wordt als voor rolstoelen toegankelijk
voertuig aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven
kentekenbewijs een voor rolstoelen toegankelijk voertuig is;
waarschuwingsknipperlicht:
gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te
geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor
andere weggebruikers;
wagens: voertuigen, met uitzondering
van motorrijtuigen, aanhangwagens, niet-gemotoriseerde
gehandicaptenvoertuigen, fietsen en zijspanwagens, doch met inbegrip
van handwagens met motorvermogen;
werklicht: licht, bestemd voor het
verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht;
wet: Wegenverkeerswet 1994;
wielbasis:
a. ten aanzien van vóór 1 april
1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig
aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen
het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of
van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart
van het laatste samenstel van assen;
b. ten aanzien van na 31 maart
1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers of na
29 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de
horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig
gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de
laatste as van het voertuig;
c. ten aanzien van na 31 maart
1983 in gebruik genomen opleggers of na 29 april 2009 in gebruik
genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan
het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de
verticale hartlijn van de koppeling en het hart van de laatste
as;
zelfsturende as: as die wordt
gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de
wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan
van het voertuig volgen;
zelfsturend asstel: asstel dat wordt
gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de
wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan
van het voertuig volgen;
zijmarkeringslicht: licht dat, van de
zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt;
zijspanwagen: voertuig, al dan niet
afneembaar verbonden aan de zijkant van een fiets, bromfiets of
motorfiets;
zitbank: een constructie, die plaats
biedt aan ten minste twee volwassenen;
zitplaats: een constructie, inclusief
bekleding, die al dan niet een integrerend deel vormt van de
constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen
persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke
zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt
aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt
aangeduid:
1. naar voren gerichte zitplaats:
zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in
beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is
gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van
minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van
het voertuig;
2. naar achteren gerichte
zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het
voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van
het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats
een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het
middenlangsvlak van het voertuig;
3. zijdelings gerichte zitplaats:
zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het
middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen
1 en 2.
Afdeling 2. Besluiten van
volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de
europese unie
Artikel 1.2
In deze regeling wordt verstaan onder:
richtlijn 2002/24/EG:richtlijn nr.
2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of
driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG
(PbEU L 124);
richtlijn 2003/37/EG:richtlijn nr.
2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of
bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines,
systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot
intrekking van richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PbEU L 171);
richtlijn 2007/46/EG:richtlijn nr.
2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de
goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van
systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke
voertuigen zijn bestemd (PbEU L 263).
Artikel 1.2a
In deze regeling wordt verstaan onder:
EN ISO/IEC 17025: Algemene eisen voor
de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria (General
requirements for the competence of testing and calibration
laboratories);
ISO/IEC 15408-1: Informatie
technologie – beveiligingstechnieken – evaluatiecriteria voor
informatie technologie beveiliging – deel 1: introductie en
algemeen model (Information technology – Security techniques –Evaluation
criteria for IT security – Part 1: Introduction and general
model);
ISO/IEC 15417:2007:
Informatietechnologie – Automatische identificatie en data
capture-technieken – Code 128a streepjescode symbologie
specificatie;
NEN-EN 50436-1: Alcoholsloten –
Beproevingsmethoden en prestatie-eisen – Deel 1: apparaten voor
gebruik in programma's voor overtreders van de alcoholverkeerswet,
december 2005.
Artikel 1.3
1. De vermelding in deze regeling,
voorzover daarbij niet anders is aangegeven, van een EG-richtlijn
omvat mede elke in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen
richtlijn tot wijziging van die richtlijn. Het totstandkomen van een
dergelijke richtlijn wordt door de Minister van Infrastructuur en
Milieu bekendgemaakt in de Staatscourant.
2. Een wijziging van een richtlijn als
bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van deze regeling
in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij de
Minister van Infrastructuur en Milieu een eerder tijdstip van
inwerkingtreding bepaalt. Indien een wijzigingsrichtlijn of een
gewijzigde richtlijn de lidstaten verplicht tot dan wel de
mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bepalen van de datum van
toepassing van een of meer deelaspecten van die wijzigingsrichtlijn
respectievelijk gewijzigde richtlijn, wordt deze eveneens door de
Minister van Infrastructuur en Milieu bepaald.
3. De in het eerste lid bedoelde
bekendmaking vermeldt:
a. de vindplaats van de
wijzigingsrichtlijn;
b. de kaderrichtlijn of de
bijzondere richtlijn die wordt gewijzigd;
c. het artikel of artikelonderdeel
waarop de wijziging betrekking heeft;
d. het in het tweede lid bedoelde
tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn, en
e. in voorkomend geval het tijdstip
van de toepassing van het in de desbetreffende bekendmaking
daarbij te vermelden deelaspect van de wijzigingsrichtlijn of de
gewijzigde richtlijn.
4. Indien een verordening of een
gewijzigde verordening de lidstaten verplicht tot dan wel de
mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bekendmaken van de datum van
toepassing van een of meer deelaspecten van die verordening
respectievelijk gewijzigde verordening, wordt deze datum door de
Minister van Infrastructuur en Milieu bekend gemaakt.
5. Het eerste tot en met derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van Reglementen van de
Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE-Reglementen)
en verordeningen tot wijziging van een richtlijn.
Artikel 1.4
Waar in deze regeling wordt bepaald dat
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en
passagiers moeten voldoen aan het bepaalde in een EG-richtlijn of
EG-verordening, mag in plaats daarvan worden voldaan aan voorschriften
die door de Raad van de Europese Unie als gelijkwaardig zijn erkend en
in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.
Afdeling 3. Aanwijzing van een technische
dienst
§ 1. Eisen voor de aanwijzing
Artikel 1.5. (eisen technische dienst)
Een aanwijzing als technische dienst op
grond van artikel 132e, eerste lid, van de wet kan worden verleend aan
een natuurlijke persoon of rechtspersoon, indien:
a. de hoofdvestiging van de aanvrager
zich binnen Nederland bevindt of binnen een andere lidstaat van de
Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
b. de aanvrager door een bij het
Internationaal Accreditatie Forum aangesloten
accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een
staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland is geaccrediteerd overeenkomstig
EN ISO/IEC 17025, of een aanvraag daartoe heeft ingediend bij die
accreditatie-instelling;
c. het accreditatiecertificaat is
afgegeven door een van de in onderdeel b bedoelde
accreditatie-instellingen;
d. het accreditatiecertificaat geldig
is voor meetmiddelen voor ademalcoholgehalte.
Artikel 1.6. (procedure aanwijzing)
1. De aanvraag tot aanwijzing als
technische dienst op grond van artikel 132e, eerste lid, van de wet
wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Op de aanwijzing tot technische
dienst als bedoeld in het eerste lid is bijlage V, Aanhangsel 2, bij
richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
3. Van de aanwijzing van een technische
dienst als bedoeld in het eerste lid wordt door de Dienst Wegverkeer
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 1.7. (toezicht)
1. Nadat een aanwijzing als technische
dienst is verleend, wordt door de Dienst Wegverkeer periodiek door
middel van een controlebeoordeling onderzocht of de technische dienst
nog voldoet aan de aan die dienst gestelde eisen.
2. De in het eerste lid bedoelde
periodieke controle vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats,
indien het een technische dienst betreft die is geaccrediteerd
overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 door een bij het Internationaal
Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat
van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst
inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die
accreditatie geldig is voor meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
3. De in het eerste lid bedoelde
periodieke controle vindt ten minste eenmaal per jaar plaats indien
het een technische dienst betreft die een aanvraag heeft ingediend tot
accreditatie overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 bij een bij de het
Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling
in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de
Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en
het verzoek tot accreditatie zich mede uitstrekt tot meetmiddelen voor
het ademalcoholgehalte.
4. Op de uitvoering van de in het
eerste lid bedoelde periodieke controles is bijlage V, Aanhangsel 2,
bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.8. (schorsing aanwijzing)
1. De aanwijzing kan worden geschorst
indien niet meer wordt voldaan aan de in artikel 1.5 genoemde eisen.
2. Bij schorsing van een aanwijzing kan
worden bepaald dat indien niet binnen een termijn van ten hoogste
twaalf weken wordt aangetoond dat weer aan de eisen wordt voldaan,
alsnog intrekking van de aanwijzing volgt.
Artikel 1.9. (intrekking aanwijzing)
De aanwijzing wordt door de Dienst
Wegverkeer ingetrokken indien:
a. de betrokken technische dienst
daarom verzoekt;
b. de betrokken technische dienst
niet meer voldoet aan de in artikel 1.5 opgenomen eisen;
c. de accreditatie van de betrokken
technische dienst is ingetrokken of de aanvraag tot accreditatie is
afgewezen door de bij het Internationaal Accreditatie Forum
aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese
Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland.
Artikel 1.10
Deartikelen 1.8 en 1.9 laten onverlet de
bevoegdheid tot schorsing of intrekking van de aanwijzing in andere
gevallen als omschreven in deze paragraaf.
Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer
en datum eerste toelating
Artikel 2.1
1. In het kader van een aanvraag van
een kentekenbewijs, een individuele goedkeuring of een door de Dienst
Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het
voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.
2. Indien van een voertuig het
voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of
ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een
voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en
ingeslagen.
3. Het voertuigidentificatienummer
wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld
in bijlage I.
Artikel 2.2
1. Onder de datum waarop een voertuig
in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van
eerste toelating van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid vermelde datum
van eerste toelating wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de
wijze zoals vermeld in bijlage II.
3. Voor voertuigen waarvoor vóór 1
januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste
toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op
het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het
kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’
een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30
juni van dit bouwjaar.
Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg en
typegoedkeuring van alcoholsloten
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 3.1
1. De in dit hoofdstuk vermelde
categorieën voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers
en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd,
moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg. Deze
goedkeuring kan bestaan uit een EG-typegoedkeuring, nationale
typegoedkeuring, EG-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine
serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring
afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement. Een alcoholslot moet
zijn typegoedgekeurd alvorens het in het kader van het
alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 118, derde lid, of artikel
131, eerste lid, onderdeel b, van de wet, kan worden ingebouwd.
2. De in dit hoofdstuk vermelde
productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische
eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, alsmede van alcoholsloten als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid, van de wet, moeten zijn goedgekeurd.
3. In afwijking van het eerste lid
worden bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
subonderdeel d, van de wet niet goedgekeurd voor de toelating tot het
verkeer op de weg.
4. Met een nationale typegoedkeuring,
een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele
goedkeuring als bedoeld in deze regeling wordt gelijkgesteld een
verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke
keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel
in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die
partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag
dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van
onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen
wordt nagestreefd.
Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
§ 1. Typegoedkeuring
Artikel 3.2
1. Voertuigen van de
voertuigcategorieën M, N en O, moeten voor het verkrijgen van een
EG-typegoedkeuring voldoen aan richtlijn 2007/46/EG.
2. Voertuigen met de
voertuigclassificatie M1 moeten voor het verkrijgen van een EG-kleine
serie typegoedkeuring voldoen aan richtlijn 2007/46/EG.
3. Voertuigen van de
voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een
nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in
bijlage IIIA.
Artikel 3.3
1. Voertuigen van de voertuigcategorie
L moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan
richtlijn 2002/24/EG.
2. Voertuigen van de voertuigcategorie
L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie
typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in bijlage IIIB.
Artikel 3.4
1. Voertuigen met de
voertuigclassificatie T1 tot en met T3 moeten voor het verkrijgen van
een EG-typegoedkeuring voldoen aan richtlijn 2003/37/EG.
2. Voertuigen met de
voertuigclassificatie T4.2 en T5 moeten voor het verkrijgen van een
nationale typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in bijlage IIIC.
Artikel 3.5
De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige
EG-typegoedkeuring als bedoeld in artikel 16, derde lid, van richtlijn
2002/24/EG, artikel 11 van richtlijn 2003/37/EG of artikel 20 van
richtlijn 2007/46/EG verlenen aan voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming
van weggebruikers en passagiers indien hierin nieuwe technologieën of
nieuwe concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer
bijzondere EG-richtlijnen.
Artikel 3.6
1. Richtlijn 2002/24/EG is niet van
toepassing op voertuigen van de voertuigcategorie L als bedoeld in
artikel 1, onder a tot en met h, van richtlijn 2002/24/EG.
2. Richtlijn 2003/37/EG is niet van
toepassing op voertuigen van de voertuigcategorie T met de
voertuigclassificatie T1 tot en T3 als bedoeld in artikel 1, tweede
lid, van richtlijn 2003/37/EG.
3. Richtlijn 2007/46/EG is niet van
toepassing op voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2007/46/EG.
§ 2. Individuele goedkeuring
Artikel 3.7
1. Voertuigen van de
voertuigcategorieën M, N, O, L en T, moeten voor het verkrijgen van
een individuele goedkeuring voldoen aan de eisen gesteld in bijlage IV
bij deze regeling.
2. Voertuigen van de
voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een
individuele goedkeuring voldoen aan richtlijn 2007/46/EG en aan de
eisen opgenomen in bijlage IV bij deze regeling.
3. De Dienst Wegverkeer kan
alternatieve voorschriften vaststellen voor de inbijlage IV bij deze
regeling opgenomen eisen.
Artikel 3.8
De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor
prototypen van voertuigen of voertuigen waarin technologieën of
concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een of
meer van de voorschriften van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan
bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn
kan worden vastgesteld of aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen wordt
voldaan, tijdelijke individuele goedkeuring kan worden verleend, mits
naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer er geen gevaar is voor de
verkeersveiligheid.
Afdeling 3. Goedkeuring systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken, voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede alcoholsloten
Artikel 3.9
1. Een systeem, onderdeel, technische
eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van
een voertuig van de voertuigcategorie M, N, O, L of T met de
voertuigclassificatie T1 tot en met T3 en waarvoor onafhankelijk van
een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend, moet voor het
verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van
de relevante bijzondere EG-richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen
in:
a. bijlage II, deel 2, van
richtlijn 2002/24/EG;
b. bijlage II, hoofdstuk B, van
richtlijn 2003/37/EG, en
c. bijlage IV of XI van richtlijn
2007/46/EG.
2. Een systeem, onderdeel, technische
eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van
een voertuig met de voertuigclassificatie T4.2 of T5 en waarvoor
onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend
moet voor het verkrijgen van een nationale of EG-typegoedkeuring
voldoen aan de voorschriften van de relevante bijzondere
EG-richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in bijlage II, hoofdstuk
B, van richtlijn 2003/37/EG.
3. De systemen, onderdelen, technische
eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers als bedoeld in bijlage VA moeten voor het
verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem,
onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde
VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften
van het relevante VN/ECE-reglement.
4. Retroreflecterende voorzieningen
voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen
en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring
voldoen aan de voorschriften opgenomen in bijlage VB.
5. Een brandstoftank, reminrichting of
stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig
van de voertuigcategorie M, N, O, L en T moet voor het verkrijgen van
een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende
onderdeel relevante voorschriften opgenomen in bijlage IIIA tot en met
IIIC.
6. Een alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid, van de wet voldoet voor het verkrijgen van
een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid,
van de wet aan de in bijlage XII bij deze regeling vermelde eisen. De
houder van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste
lid, van de wet verstrekt bij het alcoholslot een afschrift van het
typegoedkeuringscertificaat.
Afdeling 4. Goedkeuring
productieprocessen
Artikel 3.10
1. Het productieproces van voertuigen
met de voertuigclassificaties M1 en N1 moet voor het verkrijgen van
een goedkeuring van het productieproces wat betreft herbruikbaarheid,
recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing voldoen aan de
voorschriften van de relevante EG-richtlijn opgenomen in bijlage IV of
XI van richtlijn 2007/46/EG.
2. Bijlage X bij richtlijn 2007/46/EG
is van overeenkomstige toepassing op het productieproces van
alcoholsloten, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, met
dien verstande dat:
a. voor EG-typegoedkeuring wordt
gelezen: typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid,
van de wet;
b. voor
EG-typegoedkeuringsinstantie wordt gelezen: de Dienst Wegverkeer.
Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal
gebruiksdoel
Artikel 3.11
De volgende voertuigen voor speciale
doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het
verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan
het gestelde inbijlage IIID:
a. kampeerwagens;
b. gepantserde voertuigen;
c. ambulances;
d. lijkwagens;
e. caravans;
f. mobiele kranen;
g. voor rolstoelen toegankelijke
voertuigen, en
h. overige voertuigen voor speciale
doeleinden.
Afdeling 6. Goedkeuring taxi
Artikel 3.12
Een taxi moet in het kader van de
toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen
in afdeling 2 van dit hoofdstuk, voldoen aan de in deze afdeling
opgenomen eisen.
Artikel 3.13
1. Een taxi met een EG-typegoedkeuring
wordt verondersteld te voldoen aan het gestelde in bijlage VI, indien
het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling
en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van
minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te
vervoeren personen gelijk gesteld aan het aantal zitplaatsen, met
uitzondering van de bestuurderszitplaats.
2. Een taxi met een EG-typegoedkeuring
met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide
zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd indien het voertuig voldoet
aan het gestelde in bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide
zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI.
Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkt gesteld
aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de
bestuurderszitplaats.
3. Een taxi met een variabele indeling
wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan het
gestelde in bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren
personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare
zitplaatsen met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Overige taxi’s worden beoordeeld
op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:
a. een vaste indeling volgens de
typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
b. inrichtingen met zitplaatsen
anders dan onder a, en
c. de gedeelten ten behoeven van
andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen.
Hierbij wordt het hoogste aantal te
vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal
bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met
uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Artikel 3.14
Deze afdeling is van overeenkomstige
toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld
in artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000.
Artikel 3.15
1. Op het kentekenbewijs van de taxi
als bedoeld in artikel 3.13, eerste en tweede lid, wordt onder
bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten
hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
2. Op het kentekenbewijs van de taxi
als bedoeld in artikel 3.13, derde en vierde lid, wordt onder
bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, zie bijlage’.
3. Op het kentekenbewijs van het
voertuig als bedoeld in artikel 3.14 wordt onder bijzonderheden
vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […]
personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie bijlage’.
Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
§ 1. Aanvraag en toezicht
EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring
Artikel 3.16
1. De aanvraag van een
EG-typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen, technische
eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers of een EG-typegoedkeuring voor een
productieproces wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst
Wegverkeer.
2. De aanvraag en behandeling van een
EG-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn
2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG daaromtrent gegeven
voorschriften.
Artikel 3.17
1. De aanvraag van een typegoedkeuring
voor onderdelen, systemen en technische eenheden op basis van een VN/ECE-reglement
of een typegoedkeuring voor een productieproces op basis van een VN/ECE-reglement
wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. De aanvraag en behandeling van een
typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met
inachtneming van de in het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent
gegeven voorschriften.
Artikel 3.18
1. Het toezicht op een verleende
EG-typegoedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.
2. Het toezicht op een
EG-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn
2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG daaromtrent gegeven
voorschriften.
3. Indien er niet wordt voldaan aan de
in richtlijn 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG, vermelde
verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde
tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn
te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.
Artikel 3.19
1. Het toezicht op een typegoedkeuring
verleend op basis van een VN/ECE-reglement wordt uitgeoefend door de
Dienst Wegverkeer.
2. Het toezicht op een typegoedkeuring
op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met inachtneming van de in
het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent gegeven voorschriften.
3. Indien er niet wordt voldaan aan de
in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring wordt
aangevraagd vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat
gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst
Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden
geïntensiveerd.
Artikel 3.20
1. De aanvraag van een EG-kleine serie
typegoedkeuring voor voertuigen wordt door de fabrikant ingediend bij
de Dienst Wegverkeer.
2. De aanvraag en behandeling van een
EG-kleine serie goedkeuring geschiedt met inachtneming van de in
richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Artikel 3.21
1. Het toezicht op een verleende
EG-kleine serie goedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst
Wegverkeer.
2. Het toezicht op een EG-kleine serie
goedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG
daaromtrent gegeven voorschriften.
3. Indien er niet wordt voldaan aan de
in richtlijn 2007/46/EG vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in
staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de
Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht
worden geïntensiveerd.
§ 2. Aanvraag en toezicht nationale
typegoedkeuring
Artikel 3.22
De artikelen 3.16 en 3.18 zijn van
overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een
nationale typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen en
technische eenheden.
Artikel 3.23
1. De aanvraag van een nationale
typegoedkeuring voor taxi’s wordt ingediend bij de Dienst
Wegverkeer.
2. Het toezicht op een verleende
nationale typegoedkeuring voor taxi’s wordt uitgeoefend door de
Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze.
Artikel 3.23a
1. De aanvraag van een nationale
typegoedkeuring voor een alcoholslot en de daarbij behorende
uitleesapparatuur of een aanvraag voor een goedkeuring voor een
productieproces van een alcoholslot wordt door de fabrikant ingediend
bij de Dienst Wegverkeer.
2. Bij de aanvraag worden een of
meerdere verklaringen gevoegd, afgegeven door de Dienst Wegverkeer of
een door de Dienst Wegverkeer aangewezen technische dienst, waaruit
blijkt dat wordt voldaan aan bijlage XII bij deze regeling.
3. Bij de aanvraag wordt een document
overgelegd, waaruit blijkt dat de eisen uit artikel 5, tweede lid, van
bijlage XII, bij deze regeling zijn getoetst door een laboratorium dat
door een bij het Common Criteria Recognition Agreement aangesloten
accreditatie-instelling is geaccrediteerdvoor het uitvoeren van common
criteria evaluaties.
Artikel 3.23b
De Dienst Wegverkeer houdt op door deze
dienst te bepalen wijze toezicht op de nationale typegoedkeuring van
alcoholsloten en de daarbij behorende uitleesapparatuur, alsmede op de
goedkeuring van de productieprocessen van deze alcoholsloten en
bijbehorende uitleesapparatuur.
Artikel 3.24
1. De artikelen 3.20 en 3.21 zijn van
overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een
nationale kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen van de
voertuigcategorieën M, N, O en L.
2. De fabrikant mag de in richtlijn
2002/24/EG en 2007/46/EG vermelde maximale aantal jaarlijks te
verkopen, registreren, of in het verkeer te brengen voertuigen niet
overschrijden en doet opgave aan de Dienst Wegverkeer van de per
kalenderjaar verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte
voertuigen.
§ 3. Aanvraag individuele goedkeuring
Artikel 3.24a
1. De aanvraag van een individuele
goedkeuring voor voertuigen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. De aanvraag en behandeling van een
individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorie M, N
en O geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG
daaromtrent gegeven voorschriften en op een door de Dienst Wegverkeer
te bepalen wijze.
3. De aanvraag en behandeling van een
individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorie L en
T geschiedt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en
verlies geldigheid typegoedkeuring
Artikel 3.25
1. Een EG-typegoedkeuring vervalt van
rechtswege zodra voor de registratie, verkoop of het in het verkeer
brengen van nieuwe voertuigen zwaardere eisen van kracht worden,
tenzij:
a. in richtlijn 2002/24/EG,
2003/37/EG of 2007/46/EG, of een hierop gebaseerde bijzondere
EG-richtlijn, anders is bepaald, of
b. artikel 3.26, eerste tot en met
zesde lid van toepassing is.
2. Een typegoedkeuring op basis van een
VN/ECE-reglement vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van
kracht worden, tenzij in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de
typegoedkeuring is verleend anders is bepaald.
3. Een EG-kleine serie typegoedkeuring
vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden,
tenzij:
a. in 2007/46/EG, of een hierop
gebaseerde bijzondere EG-richtlijn, anders is bepaald, of
b. artikel 3.26, eerste tot en met
zesde lid van toepassing is.
4. Een nationale kleine serie
typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van
kracht worden, tenzij artikel 3.27 van toepassing is.
5. Een individuele goedkeuring vervalt
zodra zwaardere eisen van kracht worden.
6. Een typegoedkeuring voor een
alcoholslot, inclusief de bijbehorende uitleesapparatuur, als bedoeld
in artikel 132e, eerste lid, van de wet vervalt van rechtswege zodra
zwaardere eisen van kracht worden, hetzij voor het alcoholslot, hetzij
voor het productieproces van het desbetreffende alcoholslot. Bij het
vervallen van de typegoedkeuring op grond van dit lid is artikel 3.36,
zevende en achtste lid, van toepassing.
Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot
verliest zijn geldigheid indien:
a. een wijziging in het alcoholslot
of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden,
waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven
typegoedkeuring wordt voldaan;
b. een wijziging in het alcoholslot
of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in
strijd is met de typegoedkeuring;
c. de voorschriften worden gewijzigd
en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de
gewijzigde voorschriften.
Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds
ingebouwde alcoholsloten
Artikel 3.26
1. Voertuigen mogen op grond van een
ingevolge richtlijn 2002/24/EG verleende goedkeuring nog gedurende een
periode van 12 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen
tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de
voorwaarden genoemd in artikel 16 en bijlage VIII, onder b, van deze
richtlijn.
2. Complete voertuigen mogen op grond
van een ingevolge richtlijn 2003/37/EG verleende goedkeuring nog
gedurende een periode van 24 maanden na het van kracht worden van
zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan
aan de voorwaarden genoemd in artikel 10 en bijlage V, deel B, van
deze richtlijn.
3. Voltooide voertuigen mogen op grond
van een ingevolge richtlijn 2003/37/EG verleende goedkeuring nog
gedurende een periode van 30 maanden na het van kracht worden van
zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan
aan de voorwaarden genoemd in artikel 10 en bijlage V, deel B, van
deze richtlijn.
4. Complete voertuigen mogen op grond
van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog
gedurende een periode van 12 maanden na het van kracht worden van
zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan
aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27 en bijlage XII, deel B,
tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
5. Voltooide voertuigen mogen op grond
van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog
gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van
zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan
aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27 en bijlage XII, deel B,
tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
6. Met betrekking tot het opnemen van
voertuigen in een restantvoorraad, als bedoeld in het eerste tot en
met vijfde lid, moet worden voldaan aan de in bijlage VII van deze
regeling opgenomen voorschriften.
7. Alcoholsloten die op basis van de
oude eisen zijn typegoedgekeurd mogen tot twee jaar na de dag waarop
de zwaardere eisen van kracht zijn geworden, worden ingebouwd.
8. Uiterlijk vier jaren na de dag
waarop zwaardere eisen van kracht zijn geworden, voldoen alle in het
kader van het alcoholslotprogramma in gebruik zijnde alcoholsloten aan
de nieuwe eisen.
Artikel 3.27
Voertuigen mogen op grond van een
verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog
gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van
zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan
aan de in bijlage VII opgenomen voorschriften.
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Artikel 4.1
Het is verboden nieuwe voertuigen van de
voertuigcategorieën M, N, O, L of T met de voertuigclassificaties T1
tot en met T3 die op grond van richtlijn 2007/46/EG, 2002/24/EG of
richtlijn 2003/37/EG moeten beschikken over een EG-typegoedkeuring te
verkopen of in het verkeer te brengen, indien deze voertuigen niet over
een EG-typegoedkeuring beschikken.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een nieuw onderdeel
dat, of een nieuwe technische eenheid die bedoeld is om deel uit te
maken van een voertuig van één van de voertuigcategorieën, bedoeld
in artikel 4.1, te verkopen of in het verkeer te brengen indien het
onderdeel of de technische eenheid:
a. niet voldoet aan de
voorschriften van de relevante bijzondere richtlijnen of
EG-verordeningen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn
2007/46/EG, bijlage II, deel 2, van richtlijn 2002/24/EG, bijlage
II, en hoofdstuk B, van richtlijn 2003/37/EG, of de relevante VN/ECE-reglementen,
of
b. niet is voorzien van het
krachtens de relevante bijzondere EG-richtlijn, EG-verordening of
krachtens het relevante VN/ECE-reglement vereiste
typegoedkeuringsmerk.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op onderdelen of technische eenheden die:
a. speciaal worden gebouwd of
ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder de in het eerste
lid genoemde richtlijnen vallen;
b. zijn bedoeld voor montage op
voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 3.2, tweede lid,
typegoedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het
desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
c. zijn bedoeld voor montage op
voertuigen van voertuigcategorie M, N, O, L waarvoor uit hoofde
van artikel 3.2, derde lid, en artikel 3.3, tweede lid,
goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het
desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
d. zijn bedoeld voor montage op
voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 3.4, tweede lid,
goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het
desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid,
of
e. zijn bedoeld voor montage op
voertuigen waarvoor goedkeuringen zijn verleend als bedoeld in
artikel 3.7.
Artikel 4.3
Het is slechts toegestaan de onderdelen
of uitrustingstukken die zijn opgenomen in bijlage XIII van richtlijn
2007/46/EG te verkopen, te koop aan te bieden of in het verkeer te
brengen indien hiervoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel
31 van die richtlijn, tenzij de in het derde lid van dat artikel
vermelde uitzonderingen van toepassing zijn.
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 5.1.1
1. Het is de bestuurder van een
voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden
daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
a. niet deugdelijk van bouw of
inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van
onderhoud verkeert;
b. zodanig is gebouwd of ingericht
dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft,
of
c. niet voldoet aan de in de
afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de
bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het
voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar
of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan,
indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met
17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte rode
retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde
in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op
motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2
tot en met 8 van dit hoofdstuk vermelde categorieën motorvoertuigen,
de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of
een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar
of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan
aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van
voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of
categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Artikel 5.1.3
Het is de bestuurder van een voertuig
verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te
laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de bepalingen of
voorwaarden, welke ingevolge artikel 52, tweede lid, van de wet in het
voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn opgenomen.
Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor
moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen
gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6 ter zake van
de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.
Artikel 5.1.5
1. Artikel 72, eerste lid, van de
Wegenverkeerswet 1994 is niet van toepassing op:
a. een voertuig waarvoor een
kenteken is opgegeven dat de lettergroep ZZ of de enkele letter A,
E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee
cijfers bevat;
b. een voertuig waarvoor een
kenteken is opgegeven ter zake waarvan een kentekenbewijs als
bedoeld in artikel 17, zesde lid, van het Kentekenreglement is
afgegeven;
c. een voertuig op de dag dat deze
door ambtenaren van de Dienst Wegverkeer of door de ambtenaren,
bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, worden
onderzocht in verband met de afgifte of wijziging van een
kentekenbewijs of met de teruggave van het voor dat voertuig
afgegeven kentekenbewijs waarvan op grond van artikel 60 van de
wet de overgifte is gevorderd;
d. rijdende werktuigen, niet zijnde
motorrijtuigen met beperkte snelheid, met:
1°. een lengte van meer dan
12,00 m;
2°. een breedte van meer dan
2,55 m indien de toegestane maximummassa niet meer bedraagt
dan 10.000 kg;
3°. een breedte van meer dan
2,60 m indien de toegestane maximummassa meer bedraagt dan
10.000 kg;
4°. een toegestane
maximummassa van meer dan 50.000 kg, dan wel
5°. een toegestane maximumlast
onder enige as van meer dan 10.000 kg voor een
niet-aangedreven as dan wel van meer dan 11.500 kg voor een
aangedreven as.
2. Van de in het eerste lid, onderdeel
d, bedoelde uitzondering wordt melding gemaakt op het kentekenbewijs.
Artikel 5.1.6
1. Het is de bestuurder van een
personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan
1.305 kg, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds
vóór de datum van eerste ingebruikname van een
klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit
klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde
broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2. Het is de bestuurder van een
personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan
1.305 kg, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden
dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met
gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer
dan 150, tenzij het voertuig ingebruik is genomen voor 1 januari 2018
en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.
3. Het is de bestuurder van een
personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan
1.305 kg, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een
abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit
klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met
gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is
voltooid.
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken
voertuigen
Artikel 5.1a.1
1. Voor de vaststelling van afmetingen
van voertuigen of samenstel van voertuigen wordt verstaan onder:
a. as: de horizontale lijn die
loodrecht staat op het middenlangsvlak van het voertuig en gaat
door het midden van één of meer wielen wanneer deze zich in de
stand van rechtuitrijden bevinden;
b. lengte van een voertuig of
samenstel van voertuigen: de horizontale afstand tussen twee
verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van
het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de
uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel,
gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek;
de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten
beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor
het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet
gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen
afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten;
c. breedte van een voertuig: de
horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die evenwijdig
lopen aan het middenlangsvlak van het voertuig en gaan door de
uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, gemeten in de
stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en
de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten;
d. hoogte van een voertuig: de
verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat
gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een
horizontaal wegdek in de rijstand.
2. Onverminderd het eerste lid worden
bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto’s en
aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg en
de daarmee gevormde samenstellen van voertuigen, met inbegrip van
daarmee vervoerde lading, met uitzondering van aanhangwagens achter
landbouw- of bosbouwtrekkers of achter motorrijtuigen met beperkte
snelheid, de volgende aan te wijzen delen en onderdelen buiten
beschouwing gelaten:
a. bij de vaststelling van de
lengte van het voertuig of het samenstel van voertuigen:
1°. hefplatforms, oprijplaten
en soortgelijke uitrustingen in bedrijfsklare toestand,
voorzover het laadvermogen niet wordt vergroot en deze
uitrustingen niet meer dan 30 cm uitsteken;
2°. kentekenplaten;
3°. koppelinrichtingen,
uitgezonderd koppelinrichtingen aan aanhangwagens;
4°. langsaanslagen voor
afneembare carrosserieën;
5°. luchtinlaatpijpen;
6°. stootrubbers en
soortgelijke uitrusting;
7°. stroomafnemers van
elektrisch aangedreven voertuigen;
8°. verlichtingsuitrusting;
9°. voetsteunen en handgrepen;
10°. voorzieningen voor de
bevestiging van dekzeil en de afscherming daarvan;
11°. voorzieningen voor
douaneverzegelingen en de afscherming daarvan;
12°. voorzieningen voor
indirect zicht en kijkhulpmiddelen;
13°. voorzieningen voor het
waarnemen van de ruimte achter het voertuig;
14°. wis- en
sproei-inrichtingen;
15°. maximaal 0,80 m van een
gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45'
container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte
van maximaal 2,50 m, indien deze container stapelbaar is en
geschikt is voor vervoer op een zeeschip, mits het voertuig
een oorsprong en bestemming heeft in Nederland en Nederland
tussentijds niet verlaat;
b. bij de vaststelling van de
breedte van het voertuig:
1°. bandenspanningsmeters;
2°. douaneverzegelingen,
alsmede de voorzieningen hiervoor en de afscherming daarvan;
3°. flexibele spatlappen;
4°. opklapbare treden;
5°. sneeuwkettingen;
6°. uitstekende flexibele
delen van een overeenkomstig het bepaalde in richtlijn nr.
91/226/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27
maart 1991 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen van de Lid-Staten inzake
opspatafschermingssystemen bij bepaalde categorieën
motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 23 april 1991,
L 103) goedgekeurde opspatafscherming;
7°. verklikkerinrichtingen
voor lekke banden;
8°. verlichtingsuitrusting;
9°. voorzieningen voor het
bevestigen van dekzeil en de afscherming daarvan;
10°. voorzieningen voor
indirect zicht en kijkhulpmiddelen;
11°. de bollingen van de
banden boven het wegdek;
12°. in breedte uitschuifbare
en uitklapbare delen, voorzover uitgeschoven of uitgeklapt, en
13°. indien het een bus
betreft:
– hefplatforms, oprijplaten
en soortgelijke uitrustingen in bedrijfsklare toestand,
voorzover zij niet meer dan 1 cm aan de zijkant uitsteken, en
in geval van oprijplaten, de hoeken en de randen zijn afgerond
tot een straal van respectievelijk minstens 5 mm en 2,5 mm;
– niet ingetrokken intrekbare
zijdelingse geleidingsinrichtingen op bussen bestemd voor
gebruik op geleide bussystemen;
c. bij de vaststelling van de
hoogte van het voertuig: worden de volgende delen en onderdelen
buiten beschouwing gelaten:
1°. antennes, en
2°. stroomafnemers of
trolleystangen in uitgeschoven stand.
Artikel 5.1a.2
1. De wielbasis van een voertuig wordt
gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het
wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede
de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in
afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het
voertuig.
Artikel 5.1a.3
1. Voor de bepaling van het aantal
wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn
gemonteerd, aangemerkt als één wiel.
2. In afwijking van het eerste lid
worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen,
driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as
gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de
middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is
dan 460 mm.
Artikel 5.1a.4
Voor de bepaling van het aantal lichten
wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan
niet identieke lichten die:
a. dezelfde functie vervullen;
b. licht van dezelfde kleur
uitstralen, en
c. een verlichtingsinrichting vormen
waarvan de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde
verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de
kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de
lichten kan worden beschreven.
Artikel 5.1a.5
Met betrekking tot de verlichting
moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf
het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de
kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.
[De artikelen 5.1b.1 tot en met
5.17.65 inzake de wijze van keuren zijn niet opgenomen]
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 0. Algemeen
Artikel 5.18.0
Verwisselbare uitrustingsstukken mogen
slechts worden gebruikt door:
a. landbouw- of bosbouwtrekkers;
b. motorrijtuigen met beperkte
snelheid, en
c. bedrijfsauto’s die worden
ingezet voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of
inrichtingen op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen
gladheidsbestrijding of sneeuwruimen.
Artikel 5.18.1. Alle categorieën
voertuigen
1. Met een motorvoertuig mag niet meer
dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
2. Met een gelede bus mag geen
aanhangwagen worden voortbewogen.
3. Met een gehandicaptenvoertuig mag
geen aanhangwagen worden voortbewogen.
4. Met een motorfiets met zijspanwagen
mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de
zijspanwagen is beremd.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met
beperkte snelheid.
6. Het eerste lid is niet van
toepassing op een motorvoertuig waarmee meerdere aanhangwagens worden
voortbewogen en waarbij de samenstelling van deze aanhangwagens
blijkens het afgegeven kentekenbewijs of blijkens het kentekenregister
leidt tot één aanhangwagen.
7. Een oplegger gekoppeld aan een dolly
wordt beschouwd als één autonome aanhangwagen.
Artikel 5.18.2
1. Met een motorvoertuig mag niet meer
dan één motorvoertuig worden gesleept.
2. Voertuigen voorzien van een
drukluchtremsysteem mogen alleen met behulp van een sleepstang worden
gesleept.
3. Het drukluchtremsysteem van het
gesleepte voertuig dient te zijn aangesloten op het
drukluchtremsysteem van het trekkende voertuig.
4. Een dolly of afsleepas en een zich
daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig
beschouwd. De dolly of afsleepas dient in dat geval te zijn voorzien
van een reminrichting.
5. Een afsleepas mag slechts gebruikt
worden als zich daarop een motorvoertuig bevindt.
6. Met een motorvoertuig mag geen
tweewielig motorvoertuig worden gesleept.
7. Met een tweewielig motorvoertuig,
een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig
of samenstel van voertuigen worden gesleept.
Artikel 5.18.3
1. De bestuurder mag bij het besturen
van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze
worden gehinderd.
2. In een voertuig waarin vervoer van
een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen
aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of
een botsing kunnen verhogen.
Artikel 5.18.4
De bestuurder van een voertuig of een
samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en
opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten, en
b. voldoende zicht hebben op het
naast en achter hem gelegen weggedeelte met behulp van de voor dat
voertuig of samenstel van voertuigen voorgeschreven spiegels dan wel
een camera-monitorsysteem.
Artikel 5.18.5
1. De spiegels en
gezichtveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten
zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de
vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 2,
titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor
voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort
voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de
achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het
voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet
het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk
rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in bijlage VIII,
hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld
weggedeelte kan overzien.
3. Indien het gezichtsveld van de voor
landbouw- of bosbouwtrekkers voorgeschreven spiegels wordt beperkt
door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of
door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van
de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel
onderscheidenlijk een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder het
in artikel 5.8.45, eerste lid, vastgestelde weggedeelte kan overzien.
Artikel 5.18.6
1. De lading of delen daarvan moeten
zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties,
waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en
slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen.
2. Losse lading ten aanzien waarvan het
gevaar bestaat dat deze of delen daarvan tijdens het rijden van het
voertuig vallen, moet deugdelijk zijn afgedekt.
Artikel 5.18.7
1. Bij het vervoer van goederen aan de
achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een technisch
toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, driewielig
motorrijtuig, of aan de achter- of voorzijde van een aanhangwagen met
een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet
worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de goederen moeten deugdelijk
zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
b. de lastdrager moet deugdelijk
aan het voertuig zijn bevestigd;
c. de lastdrager mag met inbegrip
van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het
voertuig uitsteken;
d. indien de lastdrager is
geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen
andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan
waarvoor de constructie is bestemd;
e. indien de verlichting en
retroreflectoren van het voertuig door de lastdrager of de
goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde
zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten,
twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers,
die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50
m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met
inbegrip van de lastdrager;
f. indien de op het voertuig
aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt
afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een
kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de
lastdrager is aangebracht, alsmede van
achterkentekenplaatverlichting; het kenteken moet goed leesbaar
zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5
van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag
niet zijn afgeschermd;
g. indien de lastdrager is
bevestigd op een trekhaak aan de achterzijde van een personenauto,
bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet
meer dan 3.500 kg, driewielig motorrijtuig:
1°. mag de door de fabrikant
van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de
koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak
hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet
meer dan 75 kg bedragen;
2°. mag de lastdrager met
inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale
gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;
3°. mogen bevestigingsdelen,
die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de
trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een
aangekoppelde aanhangwagen niet beperken;
h. indien de lastdrager is
bevestigd op de voorzijde van de aanhangwagen:
1°. mag de door de fabrikant
van de trekhaak vastgestelde maximumlast onder de koppeling
niet worden overschreden; indien dit gegeven niet bekend is,
mag de maximumlast onder de koppeling niet meer dan 75 kg
bedragen;
2°. mag de lastdrager met
inbegrip van de lading op de trekdriehoek of trekboom de
bewegingsvrijheid van de aanhangwagen niet beperken.
2. Bij het vervoer van goederen op het
dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa
van niet meer dan 3.500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden
voldaan aan de volgende eisen:
a. de goederen moeten deugdelijk
zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
b. de lastdrager moet deugdelijk
aan het voertuig zijn bevestigd;
c. de door de fabrikant van het
voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden
overschreden;
d. indien de lastdrager is
geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen
andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan
waarvoor de constructie is bestemd.
3. Bij vervoer van glas, plaatmateriaal
of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een
bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa
van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de lading moet deugdelijk zijn
bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
b. de lastdrager moet deugdelijk
aan het voertuig zijn bevestigd;
c. de lastdrager met inbegrip van
de lading mag niet meer dan 0,35 m buiten de zijkanten van het
voertuig uitsteken, met dien verstande dat de totale breedte van
het voertuig inclusief de lastdrager en de lading niet meer mag
bedragen dan 2,75 m;
d. de lading mag niet meer dan 1,00
m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
e. de lastdrager die in de breedte
meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient
aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die
voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 130 tot en
met 133, gestelde eisen.
Artikel 5.18.8
1. De lading van voertuigen en
verwisselbare uitrustingsstukken mogen geen scherpe delen hebben die
in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het eerste lid moeten
uitstekende delen van verwisselbare uitrustingstukken, die in geval
van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere
weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede
lid is niet van toepassing op lading, verwisselbare uitrustingsstukken
of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4. Geen deel van de buitenzijde van
verwisselbare uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd,
beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar
bestaat voor losraken.
Artikel 5.18.9
1. Opklapbare delen aan de buitenzijde
van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de
weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
2. Tenzij voor het gebruik op de weg
noodzakelijk moeten opklapbare delen van verwisselbare
uitrustingsstukken tijdens het transport van het voertuig in
opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
Artikel 5.18.10
1. Aanhangwagens met een toegestane
maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een
toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land
waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven,
moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorvoertuig waarvoor een
kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend
motorvoertuig.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet
meer dan 750 kg die afkomstig zijn uit een land waar voor deze
aanhangwagen een afzonderlijk kenteken is opgegeven, indien de bij het
kenteken behorende kentekenplaat wordt gevoerd.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien
van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven
goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de
aanhangwagen zijn bevestigd.
4. Het kenteken moet goed leesbaar zijn
en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s,
bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen
aanhangwagens
Artikel 5.18.11
1. De lengte van een samenstel van
trekker en oplegger mag niet meer bedragen dan 16,50 m.
2. Van een samenstel van bedrijfsauto
en aanhangwagen, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger,
mag:
a. de lengte niet meer bedragen dan
18,75 m;
b. de afstand tussen het voorste
punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en
het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet
meer dan 16,40 m bedragen;
c. de afstand tussen het voorste
punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en
het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen,
verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte
van het motorvoertuig en de voorzijde van de laadruimte van de
aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
3. In de afmetingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en
gestandaardiseerde laadstructuren inbegrepen.
4. Bij een samenstel van bedrijfsauto
en een aanhangwagen, beide met een toegestane maximummassa van meer
dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, mag
de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as
van de aanhangwagen niet minder bedragen dan 3,00 m.
5. De lengte van samenstellen van
personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, mag niet meer
bedragen dan 18,00 m.
6. De lengte van een samenstel van
voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen
dan 24,00 m.
7. In afwijking van het tweede lid,
onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en
aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.
8. De lengte van een samenstel van een
bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
Artikel 5.18.12
1. Bij het vervoer van lading met een
voertuig of samenstel van voertuigen:
a. mag de lading niet meer dan 1,00
m achter het voertuig uitsteken;
b. mag de lading niet meer dan 5,00
m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
c. moet in afwijking van het
bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk zijn
aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde
van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van
de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
d. mag de lading niet voor het
voertuig uitsteken;
e. mag het zicht op de verlichting,
de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van
het voertuig niet worden belemmerd.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of
circusvoertuigen.
3. Het eerste lid, onderdeel c, is niet
van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in
gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1996.
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet
van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op
gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting,
retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat
voertuig zijn aangebracht.
5. Ter ondersteuning van de lading mag
een uitschuiflade of laadklep worden gebruikt voor zover daardoor de
in de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en
5.18.11, eerste en tweede lid, opgenomen afmetingen niet worden
overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade,
laadklep of enige andere laadvloerverlenging rusten.
6. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van
een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen:
a. meer dan 1,00 m, doch niet meer
dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
b. meer dan 1,20 m, doch niet meer
dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de
fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een
door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het
voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de
koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de
meeneemheftruck voldoen aan artikel 5.18.18, tweede, derde of
vierde lid. De verklaring bevat een aanduiding van het type
meeneemheftruck.
7. In afwijking van het eerste lid,
onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of
gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as
van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig
bedragen, zoals vermeld op het kentekenbewijs of na meting
vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger
geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of
gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as
van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart
koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m.
Artikel 5.18.12a [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 5.18.13
1. In afwijking van artikel 5.18.12
mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van
voertuigen, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig
of samenstel van voertuigen, kan worden geladen, bij het vervoer van
in de lengte ondeelbare lading:
a. de lengte van de vervoerde
lading meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12, eerste lid, is
toegestaan waarbij:
1°. de lading aan de
achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een
toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en
driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het
voertuig mag uitsteken;
2°. de uitsteek van de lading
achter het hart van de achterste as van bedrijfsauto’s met
een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en
aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het
voertuig mag bedragen, zoals vermeld op het kentekenbewijs of
na meting is vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij
voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de lading achter
het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag
zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot
achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m;
3°. de lading aan de voorzijde
van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane
maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige
motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m voor het voertuig mag
uitsteken;
4°. de lading aan de voorzijde
van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer
dan 3.500 kg niet meer dan 4,30 m voor het hart van de voorste
as van het voertuig mag uitsteken;
5°. de lading niet voor de
voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag
uitsteken;
6°. de lading die voor of
achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de
voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn
voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in
bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
7°. het zicht op de
verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de
kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag
worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende
lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn
aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers
of de kentekenplaat van dat voertuig;
b. onverminderd onderdeel a, de
lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading,
meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.11, eerste lid, is
toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met
een maximum van 22,00 m.
c. onverminderd onderdeel a, de
lengte van een oplegger met inbegrip van de lading, meer bedragen
dan ingevolge artikel 5.12.6, derde en vierde lid, is toegestaan
doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is met een
maximum combinatielengte van 22,00 m.
2. In afwijking van artikel 5.18.12 mag
de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet
zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor
het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel
5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
1°. de lading niet meer dan 2,00 m
achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van
de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 0,50 m
voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
3°. de lading die achter het
voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn
voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage
VIII, artikelen 130 tot en met 133.
Artikel 5.18.14
1. De breedte van driewielige
motorrijtuigen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997,
personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen alsmede daardoor
voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading niet meer
bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in
onbeladen toestand, dan wel niet meer dan 2,20 m op onverharde wegen.
2. Met inbegrip van de lading mag de
breedte van voertuigen, waarvan de lading bestaat uit in de breedte
ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van
die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het
vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3. Lading die in de breedte meer dan
0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn
voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage
VIII, artikelen 130 tot en met 133.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in
gebruik zijn genomen en op lading van personenauto’s.
5. Lading van driewielige
motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en van
personenauto’s, mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het
voertuig uitsteken.
Artikel 5.18.15
De hoogte van personenauto’s,
bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor
voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading, mag niet meer
bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.16
1. Een bedrijfsauto, bus of een
samenstel van voertuigen moet naar beide zijden een volledige cirkel
kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee
concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en
de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de
buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich
geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of
lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt
gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór
1 april 1983 in gebruik is genomen.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende
werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
4. Het bepaalde in het eerste lid is
niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als
bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.
5. Ten aanzien van het gesteld in het
eerste lid moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het
loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het
voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee
stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanner het voertuig de in het
eerste lid beschreven cirkelvormige ruimte in rechte lijn binnenrijdt,
mag geen voertuigdeel meer dan 0.60 m buiten het vermelde loodrecht
vlak komen.
Artikel 5.18.17a
1. De op het Nederlandse kentekenbewijs
van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde
toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de
aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen
dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.
2. Indien op het Nederlandse
kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het
kentekenregister de toegestane maximummassa niet is vermeld dan wel
indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd mag
de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig
in beladen toestand niet meer bedragen dan:
a. 50.000 kg;
b. de technisch toegestane
maximummassa van het voertuig;
c. vijf maal de toegestane
maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
d. indien de bedrijfsauto na 30
juni 1967 in gebruik is genomen, de uitkomst van de som: het
vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,00368 kW/kg.
3. In afwijking van het bepaalde in het
tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van
de aslasten van het voertuig in beladen toestand van een rijdend
werktuig meer bedragen dan 50.000 kg, doch niet meer dan 60.000 kg.
Artikel 5.18.17b
1. De op het Nederlandse kentekenbewijs
van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde
toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus
met een aanhangwagen mag niet worden overschreden en de som van de
aslasten van het samenstel in beladen toestand mag niet meer bedragen
dan de vermelde toegestane maximummassa van het samenstel.
2. Indien op het Nederlandse
kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus de toegestane
maximummassa van het samenstel van een bedrijfauto of bus met een
aanhangwagen of in het kentekenregister niet is vermeld dan wel indien
de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd mag de
toegestane maximummassa van het samenstel of de som van de aslasten
van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan:
a. 50.000 kg;
b. de technisch toegestane
maximummassa van het samenstel van de bus of bedrijfauto met een
aanhangwagen;
c. vijf maal de toegestane
maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
d.
1°. indien het een bus of een
bedrijfsauto, niet zijnde een trekker, betreft die na 30 juni
1967, doch voor 30 april 2009, in gebruik is genomen, de
uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld
door 0,00368 kW/kg, of
2°. indien het een bus of een
bedrijfsauto, niet zijnde een trekker, betreft die na 29 april
2009 in gebruik is genomen, de uitkomst van de som: het
vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,005 kW/kg, of
3°. indien het een trekker
betreft, de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in
kW, gedeeld door 0,0022 kW/kg.
3. In afwijking van het bepaalde in het
tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een
samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen
toestand van een rijdend werktuig met een aanhangwagen meer bedragen
dan 50.000 kg, doch niet meer dan 60.000 kg.
Artikel 5.18.17c
1. Indien voor een aanhangwagen een
Nederlands kentekenbewijs is afgegeven, mag de op dit kentekenbewijs
of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet
worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in
beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome
aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane
maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de de som van
de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de
last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet
meer bedragen dan de toegestane maximummassa.
2. Indien op het Nederlandse
kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister
geen toegestane maximummassa is vermeld dan wel indien de
middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de
toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in
beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het
voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan 20.000 kg. Indien
de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader
van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte als
gelijkwaardig aangemerkte vering en is voorzien van drie assen, mag de
toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in
beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het
voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan 24.000 kg.
3. Indien van een aanhangwagen de
toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid
kan worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane
maximummassa van 750 kg.
Artikel 5.18.17d
1. De op het Nederlandse kentekenbewijs
van de bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde
toegestane maximumlast onder de as alsmede de toegestane maximumlast
onder het asstel mag niet worden overschreden.
2. Indien op het Nederlandse
kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het
kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn
vermeld, danwel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is
geregistreerd mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet
meer bedragen dan:
a. de voor het voertuig opgegeven
technisch toegestane maximum last onder de as of asstel;
b. voor enige as: 10.000 kg voor
een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
c. voor voertuigen met een asstel
met twee niet-aangedreven assen:
1°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg
tezamen;
2°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
3°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
d. voor voertuigen met een asstel
met twee assen waarvan 1 of 2 assen zijn aangedreven:
1°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.500 kg
tezamen;
2°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
3°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,80 m:
– 18.000 kg tezamen;
– 19.000 kg tezamen indien de
aangedreven as is voorzien van banden in dubbele montage
alsmede van gasvering of van in het kader van de EG als
gelijkwaardig aangemerkte vering;
– 19.000 kg tezamen indien
beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in dubbele
montage, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag
bedragen dan 9.500 kg;
e. voor voertuigen met een asstel
met 3 achter elkaar gelegen assen:
1°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg
per as;
2°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,80 m, 8.000 kg per as;
3°. de onder 2 vermelde
maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as
betreft, worden verhoogd tot:
– 10.000 kg indien slechts
één as van het asstel is aangedreven;
– 9.000 kg indien twee assen
van het asstel zijn aangedreven;
waarbij de last onder het
asstel niet meer mag bedragen dan 24.000 kg tezamen;
4°. indien de onderlinge
afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder
dan 1,80 m, 9.000 kg per as mits het asstel is voorzien van
gasvering of van in het kader van de EG als gelijkwaardig
aangemerkte vering, waarbij de last onder het asstel niet meer
mag bedragen dan 27.000 kg tezamen;
5°. de onder 4° vermelde
maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft
die is voorzien van banden in dubbele montage, worden verhoogd
tot:
– 11.500 kg indien slechts
één as van het asstel is aangedreven;
– 9.500 kg indien twee assen
van het asstel zijn aangedreven;
waarbij de last onder het
asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg tezamen.
3. In afwijking van het tweede lid mag
de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen
dan:
a. de voor het voertuig opgegeven
toegestane maximumlast onder de as of asstel, en
b. 12.000 kg per as.
Artikel 5.18.17e
1. De op het Nederlandse kentekenbewijs
van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane
maximumlast onder de as alsmede de toegestane maximumlast onder het
asstel mag niet worden overschreden.
2. Indien op het Nederlandse
kentekenbewijs van een aanhangwagen of in het kentekenregister de in
het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, of indien de
aanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane
maximumlast onder de as of asstel niet meer mag bedragen dan:
a. de voor het voertuig opgegeven
technische toegestane maximumlast;
b. voor enige as, 10.000 kg;
c. voor aanhangwagens met een
asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de
onderlinge afstand tussen de assen:
1°. minder bedraagt dan 1,00
m, 11.000 kg tezamen;
2°. 1,00 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
3°. 1,30 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
d. voor aanhangwagens met een
asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:
1°. indien de afstand tot de
dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel minder
bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;
2°. indien de afstand tot de
dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of meer
bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as, dan wel
9.000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of
van in het kader van de EG als gelijkwaardig aangemerkte
vering;
e. voor aanhangwagens met één
pendelas, 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet
meer mag bedragen dan 6.500 kg;
f. voor aanhangwagens, bestemd voor
het vervoer van ondeelbare lading, met één pendelas, 16.000 kg,
waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan
8.000 kg;
g. voor aanhangwagens met twee
pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen:
1°. minder bedraagt dan 1,00
m, 13.000 kg tezamen;
2°. 1,00 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,30 m, 17.000 kg tezamen;
3°. 1,30 m of meer bedraagt
maar minder dan 1,80 m, 21.000 kg tezamen;
waarbij de last onder ieder der
assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;
h. voor aanhangwagens, bestemd voor
het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen,
waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen:
1°. minder bedraagt dan 1,00
m, 16.000 kg tezamen;
2°. 1,00 m of meer bedraagt,
12.000 kg vermenigvuldigd met het aantal pendelassen;
waarbij de last onder ieder der
assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;
i. voor aanhangwagens met meer dan
twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de
pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het
aantal pendelassen vermenigvuldigd met 13.000 kg, waarbij de last
onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg, mits
het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de EG
als gelijkwaardig aangemerkte vering;
j. voor aanhangwagens, bestemd voor
het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen
als bedoeld onder e, waarbij de onderlinge afstand tussen de
pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het
aantal pendelassen vermenigvuldigd met 16.000 kg, waarbij de last
onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg, mits
het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de EG
als gelijkwaardig aangemerkte vering;
k. De last onder de assen van
aanhangwagens bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, mag
niet meer bedragen dan 24.000 kg te zamen indien het betreft
aanhangwagens met een asstel bestaande uit:
1°. een pendelas, en
2°. een enkele as, waarbij de
onderlinge afstand tussen de pendelas en de enkele as 1,00 m
of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m.
Artikel 5.18.17f
1. De op het Nederlandse kentekenbewijs
van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane
maximumlast onder de koppeling mag niet worden overschreden.
2. Indien op het Nederlandse
kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister
de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld danwel indien de
middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de
toegestane last onder de koppeling:
a. alleen in neerwaartse richting
zijn gericht;
b. niet meer bedragen dan voor het
voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de
koppeling;
c. niet meer bedragen dan 10,0% van
de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen en niet
meer dan 1.000 kg, en
d. niet minder bedragen dan 1,0%
van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen, doch
de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.
Artikel 5.18.17g
1. De op het Nederlandse kentekenbewijs
van een bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde
toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet
worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen mag
niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximum te trekken
massa.
2. Indien op het Nederlandse
kentekenbewijs van een bedrijfsauto of bus of in het kentekenregister
de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld, danwel indien de
bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd mag de
toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen niet meer
bedragen dan:
a. de voor de bedrijfsauto of bus
opgegeven technisch toegestane maximummassa;
b. de daarvoor ten aanzien van de
sterkte van de koppeling technisch toegestane maximummassa;
c. de daarvoor ten aanzien van de
sterkte en de bevestiging van de delen van het chassisraam waaraan
de koppeling is bevestigd, technisch toegestane maximummassa;
d. de daarvoor ten aanzien van het
remsysteem van het trekkend motorrijtuig technisch toegestane
maximummassa;
e. 1,5 maal de toelaatbare
maximummassa in beladen toestand van het voertuig voor voertuigen
die bestemd zijn voor het trekken van aanhangwagens met een
continureminrichting;
f. 3.500 kg indien:
1°. de bedrijfsauto
uitsluitend bestemd is voor het trekken van aanhangwagens die
zijn voorzien van een oploopreminrichting, of
2°. het trekkende voertuig een
bus betreft, en
g. de helft van de massa in
rijklare toestand van de bedrijfsauto of bus met een maximum van
750 kg indien het een ongeremde aanhangwagen betreft.
3. In afwijking van het tweede lid mag
de toegestane maximum te trekken massa van een geremde
middenasaanhangwagen niet meer bedragen dan:
a. 24.000 kg;
b. de technisch toegestane
maximummassa van de bedrijfsauto, tenzij deze een technisch
toegestane maximummassa heeft van meer dan 3.500 kg, of de
bedrijfsauto een aantekening in het kentekenbewijs of in het
kentekenregister ‘G’ heeft;
c. 1,5 maal de technisch toegestane
maximummassa van de bedrijfsauto, voorzover de bedrijfsauto een
aantekening in het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’
heeft en de technisch toegestane maximummassa van de bedrijfsauto
niet meer is dan 3.500 kg;
d. 1,5 maal de technisch toegestane
maximummassa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een
technisch toegestane maximummassa heeft van meer dan 3.500 kg.
Artikel 5.18.17h
1. Personenauto’s mogen niet zodanig
zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de
maximum last onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het
voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer
bedraagt dan de toegestane maximummassa.
2. Bussen mogen niet meer passagiers
vervoeren dan het maximum aantal passagiers dat op het kentekenbewijs
of in het kentekenregister, danwel op de plaat als bedoeld in artikel
5.3a.1, zevende lid, is vermeld. Indien het maximum aantal passagiers
niet op het kentekenbewijs, in het kentekenregister, danwel de plaat
als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld, wordt het
maximaal aantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa
te verminderen met de massa in rijklare toestand te delen door 68 kg.
Artikel 5.18.18
1. De totale massa of de som van de
aslasten van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s,
bedrijfsauto’s of bussen waarvan de toegestane maximummassa niet
meer bedraagt dan 3.500 kg, mag niet meer bedragen dan de maximummassa
die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig
aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de
koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa of
de som van de aslasten van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750
kg en niet meer dan:
a. de ledige massa van het trekkend
motorvoertuig, of
b. de massa in rijklare toestand
van het trekkend motorvoertuig.
2. De last onder de bestuurde as of
assen van motorvoertuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen
dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand.
Indien het een gelede bus betreft, mag die last niet minder bedragen
dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het
motorvoertuig in beladen toestand.
3. De last onder de gestuurde as of
assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in
beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de
massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
4. De last onder de koppeling van
opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde
deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.
5. Op onverharde wegen mag de last
onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2.400 kg bedragen.
Artikel 5.18.18a
1. Als in het kentekenregister of op
het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa
aanhangwagen is vermeld, dan mag de totale massa van aanhangwagens of
de som van de aslasten van autonome aanhangwagens met een
bedrijfsremsysteem achter die personenauto’s maximaal 3.500 kg
bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet
overschrijden:
a. de maximum te trekken massa
aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
b. de door de fabrikant bepaalde
technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de
constructie van het trekkend voertuig;
c. de door de fabrikant bepaalde
technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de
sterkte van de mechanische koppelinrichting;
d. de technisch toegestane
maximummassa van het trekkend voertuig, of 1,5 maal de technisch
toegestane maximummassa van de personenauto, voorzover de
personenauto een aantekening in het kentekenbewijs of in het
kentekenregister ‘G’ heeft.
2. Als in het kentekenregister of op
het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa
aanhangwagen is vermeld, dan mag de totale massa van aanhangwagens of
de som van de aslasten van autonome aanhangwagens zonder een
bedrijfsremsysteem achter die personenauto’s maximaal 750 kg
bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet
overschrijden:
a. de maximum te trekken massa
aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op het
kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
b. de door de fabrikant bepaalde
technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de
constructie van het trekkend voertuig;
c. de helft van de massa van het
trekkende voertuig in rijklare toestand.
3. De massa van aanhangwagens of de som
van de aslasten van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen
mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van het
trekkende driewielige motorrijtuig.
4. Als in het kentekenregister of op
het kentekenbewijs van een personenauto geen maximum te trekken massa
aanhangwagen is vermeld, mag géén aanhangwagen worden voortbewogen.
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen
aanhangwagens
Artikel 5.18.19
1. Lading van motorfietsen op 2 wielen
mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig
uitsteken.
2. Aanhangwagens achter motorfietsen
moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de breedte van het voertuig mag
met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
b. de hoogte van het voertuig mag
met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
c. de totale massa van het voertuig
mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de
trekkende motorfiets;
d. de afstand van de achteras van
de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met
inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers,
motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen
aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
Artikel 5.18.20
De lengte van samenstellen van landbouw-
of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer
aanhangwagens of één of meer verwisselbare getrokken machines dan wel
een combinatie hiervan mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
Artikel 5.18.21
1. Bij het vervoer van lading met een
landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of
een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met
beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens:
a. mag de lading niet meer dan 1,00
m achter het voertuig uitsteken;
b. mag de lading niet meer dan 5,00
m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
c. mag de lading niet voor het
voertuig uitsteken;
d. mag het zicht op de verlichting,
de retroreflectoren of de richtingaanwijzers aan de achterzijde
niet worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de
uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig
verlichting, retroreflectoren of de richtingaanwijzers zijn
aangebracht.
2. In afwijking van het eerste lid mag
voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van
voertuigen, of voor zover niet binnen de bestaande afmetingen van het
voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het
vervoer van in de lengte ondeelbare lading, met uitzondering van
afneembare bovenbouwen of gestandaardiseerde laadstructuren, de lengte
van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is
toegestaan, waarbij:
1°. de lading niet meer dan 5,00 m
achter het hart van de achterste as van het voertuig mag
uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 3,50 m
voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
3°. de lading die voor of achter
het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde dan wel
de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet
aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
3. Ter ondersteuning van de lading mag
een uitschuiflade of laadklep dan wel een uitschuifbare stootbalk
worden gebruikt voor zover daardoor de in de artikelen 5.7.6, eerste
lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.18.20 opgenomen
afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de
uitschuiflade of op de laadklep rusten.
Artikel 5.18.21a
1. De lengte van een motorrijtuig met
beperkte snelheid of een landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van
één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen
dan in de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.8.6, eerste
lid, onderdeel a, is bepaald waarbij:
a. de verwisselbare
uitrustingstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven,
ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
b. geen lading op de verwisselbare
uitrustingstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de
functie van het verwisselbare uitrustingsstuk;
c. het zicht op de verlichting, de
retroreflectoren of de richtingaanwijzers aan de achterzijde van
het voertuig niet mag worden belemmerd;
d. de verwisselbare
uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m
uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn
voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage
VIII, artikelen 130 tot en met 133.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet
van toepassing indien aan de achterzijde van de verwisselbare
uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig
verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.
Artikel 5.18.22
1. De breedte van landbouw- of
bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor
voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading en
verwisselbare uitrustingsstukken niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien
de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading
niet meer dan 3,50 m bedragen.
2. Op onverharde wegen mag de breedte
van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen.
3. Lading en verwisselbare
uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant
van het voertuig uitsteken zijn voorzien van een markering die voldoet
aan de in de in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133
vastgestelde eisen.
Artikel 5.18.23
De hoogte van landbouw- of
bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor
voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer
bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.24
1. De last onder de bestuurde as of
assen van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte
snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van
het voertuig in rijklare toestand.
2. De last onder de gestuurde as of
assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouw- of
bosbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid
voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet
minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen
in beladen toestand.
3. Op onverharde wegen en wegen die
zijn voorzien van een klinkerverharding mag de totale massa van walsen
niet meer dan 8.000 kg bedragen.
4. Op onverharde wegen mag de last
onder enig wiel van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met
beperkte snelheid niet meer dan 2.400 kg bedragen.
Artikel 5.18.25
1. De totale massa van samenstellen van
landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en
één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen
dan 50.000 kg.
2. De last onder enige as van
samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers en één of meer
aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan:
a. 11.500 kg voor een aangedreven
as;
b. 10.000 kg voor een niet
aangedreven as.
3. De last onder enige as van
samenstellen van motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer
aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 10.000
kg.
4. De som van de aslasten van
samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met
beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen
toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg.
Artikel 5.18.25a
Indien met een motorrijtuig met beperkte
snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die
zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1
geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het
motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen
aanhangwagens
Artikel 5.18.26
1. Bromfietsen op twee wielen mogen met
inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
2. Bromfietsen op meer dan twee wielen
mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 2,00 m.
Artikel 5.18.27
1. Aanhangwagens achter tweewielige
bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende
eisen:
a. de breedte van het voertuig mag
met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
b. de hoogte van het voertuig mag
met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
c. de totale massa van het voertuig
mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de
trekkende bromfiets;
d. de afstand van de achteras van
de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met
inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,00 m.
2. Aanhangwagens achter bromfietsen op
meer dan twee wielen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de
volgende eisen:
a. de breedte van het voertuig mag
met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
b. de hoogte van het voertuig mag
met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m;
c. de totale massa van het voertuig
mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de
trekkende bromfiets;
d. de afstand van de achteras van
de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met
inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
E. Fietsen en daardoor voortbewogen
aanhangwagens
Artikel 5.18.28
1. Fietsen op twee wielen mogen met
inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
2. Fietsen op meer dan twee wielen en
fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder
zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.18.29
1. Aanhangwagens achter tweewielige
fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading
niet breder zijn dan 1,00 m.
2. Aanhangwagens achter fietsen op meer
dan twee wielen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de
lading niet breder zijn dan 1,50 m.
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 5.18.30
1. De breedte van
gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer
bedragen dan 1,10 m.
2. De breedte van wagens mag met
inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m.
3. De breedte van bespannen wagens mag
met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,60 m. Indien de
lading bestaat uit losse veldgewassen, mag de breedte van de lading
niet meer bedragen dan 3,50 m.
4. De hoogte van
gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer
bedragen dan 2,00 m.
5. De hoogte van wagens mag met
inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
G. Middenasaanhangwagens
Artikel 5.18.31
Middenasaanhangwagens moeten in
aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de som van de aslasten van een
middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 12
000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten
van het trekkend motorvoertuig;
b. de last onder de koppeling van een
middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag
alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50
kg bedragen;
c. de last onder de koppeling van een
middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan
750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane
maximummassa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te
bedragen.
§ 2. Ophanging personenauto’s,
bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
Artikel 5.18.32
Personenauto’s, bedrijfsauto’s,
bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te
voldoen aan de artikelen 5.2.27, achtste lid,5.3.27, negende lid,
5.3a.27, negende lid, en 5.5.27, achtste lid, mits in dat geval de
rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant
vastgestelde voorschriften.
§ 3. Reminrichting
A. Aanhangwagens
Artikel 5.18.33
Aanhangwagens met een totale massa van
niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of
driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een
reminrichting, als deze totale massa niet hoger is dan de helft van de
massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
B. Alle categorieën samenstellen van
voertuigen
Artikel 5.18.34
1. Bij samenstellen van voertuigen
waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de
reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen
van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
2. Indien de aanhangwagen is voorzien
van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van
het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de
trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking
treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
3. Indien zowel het trekkend voertuig
als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten
de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar
verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide
voertuigen ontbreekt moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten
dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met
de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
4. Het derde lid, tweede volzin, is
niet van toepassing op aanhangwagens voor landbouw- of bosbouwtrekkers
en aanhangwagens voor motorrijtuig met beperkte snelheid die niet zijn
voorzien van een ABS-systeem.
Artikel 5.18.35
1. De remvertraging van de bedrijfsrem
van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel
beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer
horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
2. In afwijking van het eerste lid moet
de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of
bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend
voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking
hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
Artikel 5.18.35a
Dubbel uitgevoerde rempedalen van
landbouw- of bosbouwtrekkers zijn gekoppeld.
Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend
motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet
het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide
richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn
voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van
15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende
weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en
retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.18.36a [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 5.18.36b
1. Motorrijtuigen met beperkte
snelheid, landbouw- en bosbouwtrekkers en hun aanhangwagens alsmede
wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van één rode
retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
2. De in het eerste lid bedoelde
retroreflector moet als volgt zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig
dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder
van 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks
niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die
gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een
hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het
wegdek zijn aangebracht.
3. De in het eerste lid bedoelde rode
retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het
bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is.
Artikel 5.18.36c
Extra achteruitrijlichten die
overeenkomstig artikel 5.3.57, zevende lid,5.3a.57, zevende lid, of
5.12.57, zesde lid, op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn
gemonteerd mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de
voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt worden
de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat
zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van
personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen
door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden
geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
a. het antiblokkeersysteem in
werking is;
b. indien de toegestane
maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de
remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
c. indien de toegestane
maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de
remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt
automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in
werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
A. Samenstellen van personenauto,
bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte
snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto,
bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte
snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt
voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één
zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
B. Aanhangwagens en lastdragers
Artikel 5.18.38
1. De verlichtingsinstallatie van
aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de
verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het
trekkend voertuig.
2. De verlichtingsinstallatie van
lastdragers moet zodanig functioneren dat de functies van de
verlichting en de lichtsignalen op de lastdrager overeenstemmen met
die van het voertuig.
Artikel 5.18.38a
1. Indien een aanhangwagen wordt
voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is
voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking
van artikel 5.18.38, eerste lid, alleen de één of twee
mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van
de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen
vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
2. Indien een voertuig aan de
achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van
artikel 5.18.38, tweede lid, alleen het mistachterlicht op de
lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de
lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de
lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de
één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden
wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 5.18.43
1. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust
met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie,
die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd,
worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
a. twee lichten aan de voorzijde
indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één
licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één
voorwiel;
b. twee achterlichten indien het
voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één
achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
2. Gehandicaptenvoertuigen zonder
motor,die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt
belemmerd worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
a. twee lichten aan de voorzijde
indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één
licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één
voorwiel;
b. twee achterlichten indien het
voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één
achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of
bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.
Artikel 5.18.44
1. De in artikel 5.18.43 bedoelde
lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de
onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de
verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd
of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie
nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten
van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke
sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde
functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het
voertuig zijn bevestigd.
5. De in artikel 5.18.43 bedoelde
lichten mogen niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.45
1. De lichten aan de voorzijde mogen
niet anders dan wit of geel stralen.
2. De achterlichten mogen niet anders
dan rood stralen.
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee
wielen
Artikel 5.18.46
Aanhangwagens achter fietsen die bij
nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden
gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.
Artikel 5.18.47
1. Het achterlicht dient goed te
werken.
2. Het verlichtingsarmatuur en de
onderdelen daarvan dienen deugdelijk aan het voertuig te zijn
bevestigd.
3. Het glas van de verlichtingsarmatuur
mag niet zodanig zijn beschadigd,gerepareerd of bewerkt dat de
lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed;
4. Het achterlicht mag niet zijn
afgeschermd.
Artikel 5.18.48
Het achterlicht mag niet anders dan rood
stralen.
Artikel 5.18.49
Het achterlicht dient uiterst links aan
de achterzijde van het voertuig te zijn aangebracht op een hoogte van
niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
E. Wagens
Artikel 5.18.50
Wagens die bij nacht of bij dag indien
het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien
van:
a. twee voorlichten;
b. twee achterlichten indien het een
wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel
ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de
breedte niet meer dan 1,50 m bedraagt.
Artikel 5.18.51
1. De in artikel 5.18.50 bedoelde
lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de
onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de
verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd
of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt
beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten
van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke
sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde
functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden
van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in artikel 5.18.50 bedoelde
lichten mogen niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.52
1. De voorlichten mogen niet anders dan
wit of geel stralen.
2. De achterlichten mogen niet anders
dan rood stralen.
Artikel 5.18.53
1. De voorlichten moeten aan de
voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet
meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.
2. De achterlichten moeten aan de
achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet
meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde
en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
3. Indien één achterlicht is
toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht
op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde
van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het
wegdek.
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van
voertuigen
Artikel 5.18.54
Bij samenstellen van voertuigen moet de
aanhangwagen door een enkele, passende en geschikte koppeling, die niet
kan lostrillen, zodanig aan het trekkend voertuig zijn verbonden dat
zijdelings uitwijken van de aanhangwagen zoveel mogelijk wordt
voorkomen.
B. Samenstellen van personenauto,
bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 5.18.55
Aanhangwagens moeten zich zodanig ten
opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in
hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd
door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van
de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van
de besturingsonderdelen.
Artikel 5.18.56
1. Bij samenstellen van voertuigen moet
het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of
nagenoeg horizontaal liggen indien het samenstel zich op een
horizontaal wegdek bevindt.
2. Bij gebruik van aanhangwagens,
voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op
het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet
beweegbaar is.
3. Opleggers mogen alleen aan een
trekker zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de
opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het
samenstel van trekker en oplegger zich op een horizontaal wegdek
bevindt.
Artikel 5.18.57
De hulpkoppeling van aanhangwagens met
een toegestane maximummassa van niet meer dan 1.500 kg moet zodanig met
een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde
inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in
werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling, en dat bij
gebruik van de hulpkoppeling de trekboom of koppeling van de
aanhangwagen de grond niet raakt.
C. Samenstellen van motorfiets of
bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.18.58
Aanhangwagens moeten zodanig aan een
motorfiets of een bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel
bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as,
loodrecht op de lengte-as van de motorfiets; indien de aanhangwagen meer
dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as
in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
Artikel 5.18.59
Een aanhangwagen achter een fiets moet
goed met de fiets zijn verbonden.
§ 6. Diversen
Artikel 5.18.60
Bromfietsen op drie of meer wielen met
een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond
bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur
met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de
aanduiding 45 in zwarte kleur.
Artikel 5.18.61
Onverminderd de artikelen 5.3.1, 5.3a.1
en 5.12.1 moeten:
a. bedrijfsauto’s met een
toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het
vervoer van goederen,
b. bussen, en
c. aanhangwagens met een toegestane
maximummassa van meer dan 3.500 kg,
zijn voorzien van:
1°. een constructieplaat,
waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het
kentekenregister, en een plaat waarop zijn vermeld:
– de naam van de fabrikant;
– het
voertuigidentificatienummer;
– de lengte van het
motorvoertuig of de aanhangwagen;
– de breedte van het
motorvoertuig of de aanhangwagen;
– de afstand tussen de
voorkant van het motorvoertuig en het middelpunt van de
koppelinrichting ervan, en
– de afstand tussen het
middelpunt van de koppelinrichting van de aanhangwagen en de
achterkant van de aanhangwagen, hetzij
2°. één plaat waarop de
gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld, hetzij
3°. een door de Dienst
Wegverkeer afgegeven document waarin de gegevens van de onder
1° bedoelde platen zijn vermeld.
Artikel 5.18.62
1. Op een afsleepas zijn de artikelen
5.12.3, 5.12.6, zesde lid, 5.12.18,5.12.27, 5.12.31, eerste tot en met
zevende lid, 5.12.66 en 5.12.68 van overeenkomstige toepassing.
2. Een afsleepas moet zijn voorzien van
een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch
toegestane maximummassa is aangegeven.
3. Aan de achterzijde van het door de
afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is
aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten
minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode
retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 1. Algemeen
Artikel 6.1
1. De in paragraaf 2 vermelde
wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten,
voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van
het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden
voldaan aan de in paragraaf 2 ter zake van de betrokken wijziging
vermelde eisen.
2. Indien het voertuig gaat behoren tot
een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie, dan
die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is
goedgekeurd, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe
voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het
voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie
geldende eisen.
3. Indien een kentekenplichtig voertuig
gewijzigd wordt in een niet-kentekenplichtig voertuig moet het
voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 5 gestelde eisen en indien van
toepassing aan de eisen vermeld in bijlage IV zoals die eisen luidden
ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
Artikel 6.2
1. Op de wijziging in de constructie
van een gekentekend voertuig, met uitzondering van de inbouw van een
elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al of niet tot
vloeistof verdicht gas, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden
ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
2. Op de inbouw van een elektrische
aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof
verdicht gas in een gekentekend voertuig zijn de eisen van toepassing
zoals die luidden op de datum van de aanvraag van de goedkeuring.
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Artikel 6.3
1. Bij wijziging in de constructie van
een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen, en na
deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet
het voertuig voldoen aan de in bijlage IV voor het betrokken voertuig
opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de
aangebrachte wijziging, respectievelijk aan de in bijlage IIIA, IIIB
of IIID voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die
eisen verband houden met een in het kader van een erkenning GWC als
bedoeld in de Regeling aanpassing voertuigen aangebrachte wijziging;
a. het aantal assen;
b. het aantal wielen;
c. de wielbasis van voertuigen met
kettingaandrijving, met uitzondering van bromfietsen, indien deze
meer dan 60 mm afwijkt van de in het kentekenregister
geregistreerde oorspronkelijke waarde en van overige voertuigen,
met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 2% afwijkt
van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke
waarde;
d. een vergroting van de
spoorbreedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een
toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, bussen met een
toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige
motorrijtuigen, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het
kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
e. de lengte van voertuigen met een
toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een
personenauto indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het
kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
f. de afstand voorzijde voertuig
tot hart koppeling van een motorvoertuig met een toegestane
maximummassa van meer dan 3.500 kg indien deze meer dan 1% afwijkt
van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke
waarde;
g. de afstand hart koppeling tot de
achterzijde van aanhangwagens indien deze meer dan 1% afwijkt van
de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
h. de breedte van bedrijfsauto’s,
bussen en aanhangwagen, indien deze meer dan 50 mm afwijkt van de
in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
i. de massa in rijklare toestand
indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister
geregistreerde oorspronkelijke waarde;
j. de massa ledig voertuig, indien
deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister
geregistreerde oorspronkelijke waarde;
k. de technisch toegestane
maximummassa voertuig van voertuigen met uitzondering van
motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
l. het aanbrengen van een hefbare
as op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer
dan 3.500 kg danwel aanhangwagen met een toegestane maximummassa
van meer dan 3.500 kg;
m. de technisch toegestane te
trekken aanhangwagenmassa’s van voertuigen met uitzondering van
motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
n. de motorcode of het motortype
van motorvoertuigen;
o. het aantal cilinders van
motorvoertuigen met uitzondering van bromfietsen;
p. de cilinderinhoud van
motorvoertuigen;
q. de brandstofsoort van
motorvoertuigen;
r. het vermogen van motorfietsen,
driewielige motorrijtuigen en bromfietsen alsmede het vermogen van
overige motorvoertuigen, indien deze meer dan 20% afwijkt van de
in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
s. de vering van de aangedreven as
van motorvoertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan
3500 kg;
t. de inrichtingsomschrijving van
personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens;
u. het type carrosserie van
personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens;
v. het aantal zitplaatsen van
motorvoertuigen indien het aantal aanwezige zitplaatsen groter is
dan het in het register vermelde aantal;
w. het aantal staanplaatsen van
bussen;
x. de maximum constructiesnelheid
van bromfietsen, en
y. het geluidsniveau bij stilstand
en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
2. In aanvulling op het eerste lid moet
bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende
wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de inbijlage
IX opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag,
voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende
voertuigcategorie:
a. de vergroting van de wielbasis,
indien het een personenauto met een volledig zelfdragende
carrosserie, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet
meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie, bus
met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een
volledig zelfdragende carrosserie of motorfiets betreft;
b. de spoorbreedte, indien het een
personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van
niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van
niet meer dan 3.500 kg betreft;.
c. de inrichtingsomschrijving, voor
zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de
sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto,
bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie, of
d. het type carrosserie, voor zover
naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte
van de dragende constructie, indien het een personenauto,
bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.
3. In aanvulling op het eerste lid moet
bij wijziging van de brandstofsoort in een al of niet tot vloeistof
verdicht gas het voertuig tevens voldoen aan de in bijlage X,
hoofdstuk 1, opgenomen eisen.
4. In aanvulling op het eerste lid moet
bij wijziging van de brandstofsoort van een al of niet tot vloeistof
verdicht gas naar benzine of diesel het voertuig tevens voldoen aan de
in bijlage X, hoofdstuk 2, opgenomen eisen.
5. Een personenauto, bedrijfsauto of
bus moet bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan artikel 3,
onderdeel b, van bijlage IX, hoofdstuk 3, voor zover dit naar het
oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het
verkeersveilig gebruik van het voertuig.
6. Voor zover dit naar het oordeel van
de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig
gebruik van het voertuig, moet een motorfiets, bromfiets of driewielig
motorrijtuig bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan
artikel 6 van bijlage IX, hoofdstuk 5, titel 2.
Artikel 6.4
1. Bij wijziging van de onderstaande
voertuigonderdelen moet het voertuig voldoen aan de in bijlage IV voor
het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband
houden met de aangebrachte wijziging respectievelijk aan de in bijlage
IIIA, IIIB of IIID voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor
zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de
wijziging is aangebracht in het kader van de erkenning GWC als bedoeld
in de Regeling aanpassing voertuigen.
a. het remsysteem van voertuigen,
voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats,
bedieningsmanier en bedieningskracht;
b. de stuurinrichting van
voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige
motorrijtuigen en bromfietsen, voor zover deze van invloed is op
de bedieningsplaats, bedieningsmanier, en bedieningkracht;
c. de bevestigingspunten van de
zitplaats(en) van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 29
april 2009;
d. de bevestigingspunten van de
gordel(s) van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 29 april
2009;
e. de rolstoelvastzetsystemen en
veiligheidssystemen van personenauto’s en bedrijfsauto’s,
ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een
rolstoel, die in gebruik zijn genomen zijn na 1 september 2008, en
f. de ligplaatsen van een
personenauto.
2. Bij het aanbrengen van een
knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in bijlage IV voor het
betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden
met de aangebrachte wijziging respectievelijk aan de in bijlage IIIA,IIIB
of IIID voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die
eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging
is aangebracht in het kader van de erkenning GWC als bedoeld in de
Regeling aanpassing voertuigen.
3. Bij wijziging van de inrichting van
een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in bijlage
VI, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
4. Bij wijziging van de inrichting van
een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen van bijlage
IV, respectievelijk aan de in bijlage IIIA of IIID voor het betrokken
voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de
aangebrachte wijziging in het kader van de erkenning GWC als bedoeld
in de Regeling aanpassing voertuigen.
Artikel 6.5
1. Indien een snelheidsbegrenzer wordt
aangebracht in een motorvoertuig uit een van de
voertuigclassificaties, vermeld in artikel 5.3.15, tweede lid,
respectievelijk artikel 5.3a.15, tweede lid, moet:
a. het motorvoertuig voldoen aan de
in bijlage IV opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden
met de aangebrachte wijziging, en
b. het aanbrengen, het afstellen en
het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer
ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of
rechtspersoon, op de wijze beschreven in de Regeling aanpassing
voertuigen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is
tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het
bepaalde in artikel 5.3.15, vijfde lid, respectievelijk artikel
5.3a.15, vijfde lid.
Artikel 6.6
1. Indien voor een bus een goedkeuring
als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in bijlage
XI opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een
bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht,
wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling
3a, opgenomen eisen en aan de in bijlage XI opgenomen eisen voor zover
die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.7
Indien een koppeling wordt aangebracht op
een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
of een bus met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moet
het motorvoertuig voldoen aan de in bijlage IV opgenomen eisen voor
zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging,
respectievelijk aan de inbijlage IIIA of IIID voor het betrokken
voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de
aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader
van een erkenning GWC als bedoeld in de Regeling aanpassing voertuigen.
Artikel 6.8
Indien de vering van een aanhangwagen met
een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet
het voertuig voldoen aan de in bijlage IVopgenomen eisen voor zover die
eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, respectievelijk aan
de in bijlage IIIA of IIID voor het betrokken voertuig opgenomen eisen
voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien
de wijziging is aangebracht in het kader van een erkenning GWC als
bedoeld in de Regeling aanpassing voertuigen.
Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in
een taxi of in een voertuig bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in
artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000, moet het
voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3, afdeling 6, opgenomen eisen.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Artikel 7.0
Een schadevoertuig moet na herstel
voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en wordt beoordeeld
volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Artikel 7.1
| |
Eisen |
Wijze van keuren |
|
1. |
Een schadevoertuig moet na herstel
voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. |
– |
|
2. |
De voor het betreffende voertuig
opgenomen eisen in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10 zijn
van toepassing. |
De in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1,
7, 8 en 10 vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
|
3. |
Het chassis, frame dan wel de
zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering
hebben. |
Visuele controle. |
|
4. |
De wielstanden moeten overeenkomen
met de fabrieksgegevens. |
Visuele controle. |
|
5. |
Indien elektronische
veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. |
Visuele controle. |
|
6. |
De autogordels moeten deugdelijk
zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Indien
gordelspanners geactiveerd zijn geweest moeten deze zijn
vervangen. |
Visuele controle. |
|
7. |
Airbagsystemen moeten goed
functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke
waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem
faalt. |
Het contact wordt ingeschakeld,
waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens
wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat,
mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. |
|
8. |
Op plaatsen waar is aangegeven dat
zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag
aanwezig zijn. |
Visuele controle, indien mogelijk,
door middel van het uitlezen van het elektronische systeem. |
|
9. |
Het voertuig moet van deugdelijke
bouw en inrichting zijn. |
Visuele controle. |
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 8.1.1
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
aanwijsbereik: het bereik begrensd
door de laagste en hoogste waarde waarvoor het instrument een
meetwaarde presenteert of registreert;
afleeseenheid: de waarde,
uitgedrukt in de eenheid van de gemeten grootheid, van het
verschil tussen de aanwijzingen bij naast elkaar liggende
schaaldeelstrepen voor analoog aanwijzende instrumenten of van het
kleinste verschil tussen de aanwijzingen bij digitaal aanwijzende
meetinstrumenten;
analoge aanwijzing: aanwijzing die
de gemeten waarde weergeeft als een continue of nagenoeg continue
functie door middel van een index langs een schaalverdeling;
certificaat van eerste keuring:
document afgegeven dan wel een melding in het Register
Meetmiddelen naar aanleiding van de eerste keuring van een bepaald
meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele
eigenschappen van het meetmiddel met het ingevolge dit hoofdstuk
goedgekeurde type wordt bevestigd;
certificaat van herkeuring:
document afgegeven dan wel een melding in het Register
Meetmiddelen naar aanleiding van de herkeuring van een in gebruik
genomen meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele
eigenschappen van het meetmiddel met de eisen uit dit hoofdstuk
wordt herbevestigd;
controlecertificaat: document
afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar
aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in
gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de
individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de
eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
datum ingebruikname: datum waarop
het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van
de controle van de in hoofdstuk 5 gestelde permanente eisen;
digitale aanwijzing: aanwijzing die
de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
eerste keuring: keuring die voor de
eerste maal wordt verricht aan een bepaald meetmiddel. Bij de
eerste keuring wordt de overeenstemming met het goedgekeurde type
onderzocht alsook de exemplaargebonden eigenschappen;
fout: de afwijking in positieve of
in negatieve zin van een aangewezen of geregistreerde waarde van
de werkelijke waarde, welke kan zijn weergegeven als een vaste
waarde, uitgedrukt in de meetgrootheid, dan wel zijn weergegeven
als een relatieve fout, uitgedrukt in procenten van de werkelijke
waarde van de gemeten grootheid;
herkeuring: de keuring die na een
vastgestelde periode, dan wel als gevolg van een reparatie of
justering moet worden uitgevoerd, waarbij vooral de eigenschappen
onderzocht worden die door gebruik en tijd kunnen wijzigen;
hulpinrichting: inrichting die in
combinatie met het meetmiddel kan worden gebruikt, doch die voor
de primaire meetfunctie van het meetmiddel niet nodig of
voorgeschreven is;
invloedsfactor: een
invloedsgrootheid met een waarde liggend binnen de vastgelegde
gebruiksomstandigheden;
invloedsgrootheid: een grootheid
die geen onderwerp van de meting is, maar die de waarde van de te
meten grootheid of de aanwijzing van het instrument beïnvloedt,
zoals de omgevingstemperatuur;
justering: handeling die is bedoeld
om een instrument in een zodanige toestand te brengen dat het
geschikt is voor gebruik;
keuring: de aanduiding voor de
typekeuring, de eerste keuring en de herkeuring;
keuringscertificaat: een
certificaat van eerste keuring, dan wel van herkeuring;
keuringsinstelling: een op grond
van artikel 71a van de wet aangewezen instelling;
maximale fout: de maximaal
toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort
meetmiddel;
onderzoeksgerechtigde: onderneming
of instelling die op grond van afdeling 2, paragraaf 2, van dit
hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen
afgeven van certificaten van eerste keuring dan wel herkeuring ten
aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen
meetmiddelen;
primair meetsignaal: het in
apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezige analoge
of digitale meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede
weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle
relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid
proportioneel aanwezig;
Register Meetmiddelen (RME): door
de Dienst Wegverkeer gehouden Register Meetmiddelen waarin de
certificaten van eerste keuringen en de certificaten van
herkeuringen van meetmiddelen ten behoeve van de periodieke
keuring zijn geregistreerd;
registratie: vastlegging van een
meetresultaat, hetzij getalsmatig of analoog;
registratie-inrichting: inrichting
voor het vastleggen van meetresultaten, zoals een
afdrukinrichting;
testaansluiting: voorziening in het
meetmiddel, waardoor het mogelijk is bij de keuring zowel het
primaire meetsignaal van praktijkmetingen te bemonsteren alsook
gesimuleerde primaire meetsignalen aan te bieden aan het
signaalverwerkende gedeelte van het instrument. Met eventueel
noodzakelijke buffering is de testaansluiting opgenomen als een
schakel in het normale signaalpad;
testcertificaat: certificaat
afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaalde
hulpinrichting of onderdeel van een meetmiddel, waarin de
karakteristieke eigenschappen van die hulpinrichting of dat
onderdeel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die
eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;
typekeuring: de eenmalige keuring
van een meetmiddel, waarbij de typegebonden eigenschappen worden
onderzocht;
typekeuringscertificaat:
certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een
bepaald meetmiddeltype, waarin de karakteristieke eigenschappen
van het desbetreffende meetmiddel zijn vastgelegd en de
overeenstemming van die eigenschappen met de eisen uit deze
regeling wordt bevestigd;
vastgelegde gebruiksomstandigheden:
gebruiksomstandigheden beschreven door vastgelegde maximale
waarden van invloedsgrootheden waaronder het meetinstrument aan de
maximaal fout moet voldoen;
verstoring: invloedsgrootheid met
een waarde buiten de vastgelegde gebruiksomstandigheden, dan wel
een invloedsgrootheid waarvoor de gebruiksomstandigheden niet zijn
vastgelegd;
wegweerstand: sommatie van de bij
een bepaalde snelheid optredende rolweerstand en luchtweerstand
onder de condities als beschreven in bijlage I van richtlijn nr.
95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 1995
betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het
maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of
driewielige motorvoertuigen (PbEG L 52).
2. In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
richtlijn 2004/22/EG:richtlijn nr.
2004/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004
betreffende meetinstrumenten (PbEG L 135);
richtlijn 70/157/EEG:richtlijn nr.
70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het
toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van
motorvoertuigen (PbEG L 42).
Artikel 8.1.2
1. Met de in dit hoofdstuk opgenomen
technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend
of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, zijn
vastgesteld en die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt
nagestreefd.
2. Met de in dit hoofdstuk bedoelde
certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van
goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in
een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een
daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland
bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden
dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale
eisen wordt nagestreefd.
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de
keuring van meetmiddelen
§ 2.1. Keuringen en van toepassing
zijnde eisen
Artikel 8.1.3
1. De onder a tot en met h, j en k
vermelde meetmiddelen moeten zijn typegoedgekeurd:
a. roetmeter;
b. toerenteller;
c. olietemperatuurmeter;
d. manometer;
e. pedaalkrachtmeter;
f. remvertragingsmeter;
g. rollenremtestbank;
h. platenremtestbank;
i. uitlaatgastester met
lambdabepaling;
j. bromfietsrollentestbank;
k. geluidsniveaumeter.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring
als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat
verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan
aan de in afdeling 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen
algemene respectievelijk specifieke eisen.
Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in
artikel 8.1.3, eerste lid, onder i:
a. ondergaat vóór ingebruikname een
conformiteitsbeoordeling ingevolge richtlijn 2004/22/EG;
b. moet zijn voorzien zijn van de
documenten als voorgeschreven in richtlijn 2004/22/EG waaruit blijkt
dat wordt voldaan aan de eisen van bijlage I en bijlage MI-010 van
richtlijn 2004/22/EG, en
c. moet zijn voorzien van een
CE-markering, de aanvullende metrologische markering en eventueel
het identificatienummer als bedoeld in artikel 17 van richtlijn
2004/22/EG.
Artikel 8.1.4a
1. Meetmiddelen, genoemd in artikel
8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k, ondergaan vóór
ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als
bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring
verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan
aan de in afdeling 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen
algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006 mogen tot 1 november
2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de afdeling 3 en 4
voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke
eisen.
Artikel 8.1.5
1. Meetmiddelen, genoemd in artikel
8.1.3, eerste lid, ondergaan na ingebruikname periodiek een
herkeuring.
2. Ten bewijze van een herkeuring als
bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven.
Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in
afdeling 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene
respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de in artikel
8.1.4 bedoelde markeringen. Een dergelijke uitlaatgastester moet voor
het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen
opgenomen in de bijlagen I en bijlage MI-010 van richtlijn 2004/22/EG.
Artikel 8.1.6
1. Kalibratiegas ten behoeve van
uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in afdeling 4, §
9.5 opgenomen specifieke eisen.
2. Kalibratiegas ten behoeve van
alcoholsloten is gecertificeerd op grond van de inafdeling 4, § 9.5a,
opgenomen specifieke eisen.
3. Koplamptestapparaten voldoen aan de
in afdeling 4 opgenomen specifieke eisen.
Artikel 8.1.7
1. Indien ter uitvoering van de in deze
paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of
informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring
aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.
2. Het niet beschikbaar stellen van
noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet
goedkeuren van het meetmiddel.
§ 2.2. Certificaten
Artikel 8.1.8
Een typekeuringscertificaat verliest zijn
geldigheid indien:
a. een wijziging in het meetmiddel
wordt aangebracht, waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk
kunnen worden verkregen niet meer voldoen aan de maximale fout;
b. een wijziging in het meetmiddel
wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat
of de bijbehorende beschrijving;
c. de voorschriften worden gewijzigd
en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften;
d. de in artikel 8.1.11 vermelde
termijn is verstreken, waarbinnen de daar bedoelde tijdelijke
voorwaarde moet zijn vervallen dan wel moet zijn omgezet in een
definitieve voorwaarde.
Artikel 8.1.9
1. De geldigheidsduur van een
keuringscertificaat bedraagt ten minste 12 maanden.
2. De geldigheidsduur van een
keuringscertificaat kan langer zijn dan 12 maanden, indien bij de
typegoedkeuring een langere geldigheidsduur wordt vastgesteld.
3. De geldigheidsduur van een
keuringscertificaat vangt aan met ingang van de datum van afgifte
daarvan dan wel eindigt met de vervaldatum zoals vermeld in het
Register Meetmiddelen.
4. Indien een keuringscertificaat wordt
afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de in het
eerste lid vermelde termijn verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van
het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.
5. Een keuringscertificaat verliest
zijn geldigheid indien:
a. een wijziging of herstel van het
meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn
veranderd;
b. de verzegeling is verbroken;
c. een zodanige mechanische of
elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren
niet meer gewaarborgd kan worden, of
d. de geldigheidsduur is
verstreken.
6. Specifieke gebruiksomstandigheden
van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel,
worden vermeld in het keuringscertificaat.
Artikel 8.1.10
1. De aanvraag van een
typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in afdeling 3
en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de Minister van
Infrastructuur en Milieu aangewezen keuringsinstelling.
2. De aanvraag van een certificaat van
eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor
meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in artikel 8.1.3,
eerste lid, onderdelen a tot en met i, met inachtneming van de in
afdeling 3 en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de
Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen keuringsinstelling of
bij een onderzoeksgerechtigde.
3. De aanvraag van een certificaat van
eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor
meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in artikel 8.1.3,
eerste lid, onderdelen j en k, ingediend bij een door de Minister van
Infrastructuur en Milieu aangewezen keuringsinstelling.
4. De aanvraag van een erkenning voor
het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
wordt, met inachtneming van de in afdeling 4 gestelde voorschriften,
ingediend bij een door de Minister van Infrastructuur en Milieu
aangewezen keuringsinstelling.
Artikel 8.1.11
Voorzover dit in de specifieke eisen van
afdeling 4 is bepaald, wordt in het typekeuringscertificaat een
tijdelijke voorwaarde opgenomen met betrekking tot de daar vermelde
aspecten. Deze tijdelijke voorwaarde moet binnen de termijn genoemd in
het typegoedkeuringscertificaat zijn komen te vervallen dan wel zijn
omgezet in een definitieve voorwaarde op grond van een in afdeling 4
vereist onderzoek naar de gedragingen in de praktijk van een
representatief aantal meetmiddelen uitgevoerd door de keuringsinstelling
op kosten van de aanvrager van de typekeuring.
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
Artikel 8.1.12
1. Elk meetmiddel dat een keuring of
herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de
verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.
2. Onder verzegeling wordt verstaan:
a. het aanbrengen van een
beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of
instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan
plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door
beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een
loodzegel of een sticker;
b. een elektronische verzegeling
die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen
niet-terugstelbare teller, waarvan de inhoud automatisch wordt
verhoogd indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin
beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze
teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet
overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat
is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.
3. Na de eerste keuring alsmede na de
herkeuring wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht
door de keuringsinstelling of door een onderzoeksgerechtigde.
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning
instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
Artikel 8.2.1
1. De aanwijzing door de Minister van
Infrastructuur en Milieu van een keuringsinstelling als bedoeld in
artikel 8.1.10, eerste lid, kan beperkt blijven tot een of meerdere
bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen. Van de
aanwijzing van een keuringsinstelling wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
2. De in het eerste lid bedoelde
keuringsinstelling beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de
procedures zijn vastgelegd voor:
a. het verstrekken van
typekeuringscertificaten en certificaten van eerste keuring;
b. het erkennen van
onderzoeksgerechtigden en het door deze verstrekken van
certificaten van herkeuring;
c. het erkennen van instellingen
tot het certificeren van kalibratiegas.
3. De aanwijzing kan door de Minister
van Infrastructuur en Milieu worden ingetrokken indien de betrokken
keuringsinstelling daarom verzoekt, indien de keuringsinstelling niet
meer beschikt over het in het tweede lid vereiste kwaliteitssysteem of
indien de keuringsinstelling de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen
niet naleeft.
Artikel 8.2.2
De in artikel 8.1.10, eerste lid,
bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de
naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van
onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het
certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door
hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Artikel 8.2.3
1. Een onderneming of instelling kan
door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend
ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in artikel 8.1.3,
eerste lid, onder a tot en met i, indien wordt voldaan aan de in de
artikelen 8.2.4 en 8.2.5 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van
de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt
vastgesteld.
2. De erkenning wordt verleend op
aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling
vastgestelde tarief.
3. De aanvraag bevat gegevens met
betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar
personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken
standaarden en andere materiële middelen.
Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat
betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en
beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een
voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in
de afdelingen 3 en 4 ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel
gestelde eisen.
Artikel 8.2.5
De aanvrager van een erkenning als
onderzoeksgerechtigde beschikt over een relevant kwaliteitssysteem dat
zodanig is opgezet, dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO
9001 in de meest recente versie of dat een naar het oordeel van de
keuringsinstelling minimaal gelijkwaardig kwaliteitsniveau biedt.
Hieraan wordt in ieder geval voldaan indien de aanvrager het
desbetreffende NEN-EN-ISO-certificaat kan overleggen.
Artikel 8.2.6
1. In de beschikking van de
keuringsinstelling houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde worden
de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met
betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting
van de onderneming of instelling vastgelegd.
2. Van de beschikking houdende
erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 8.2.7
Op een onderneming of instelling die als
onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
a. steeds wordt voldaan aan de in de
artikelen 8.2.4 en 8.2.5 gestelde eisen;
b. de standaarden en andere
hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in
goede staat van onderhoud;
c. elke eerste keuring of herkeuring
wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van
zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan
de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een
eerste keuring of herkeuring is vastgelegd in het in artikel 8.2.5
bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
d. ten hoogste tien werkdagen na elke
eerste keuring of herkeuring met een positief resultaat wordt:
1°. voor meetmiddelen ten
behoeve van de periodieke keuring, hiervan een melding in het
Register Meetmiddelen gedaan, waarbij de door de Dienst
Wegverkeer voorgeschreven gegevens worden gemeld;
2°. voor overige meetmiddelen
aan de eigenaar of houder van het betrokken meetmiddel een
certificaat van eerste keuring of herkeuring afgegeven van een
door de keuringsinstelling vastgesteld model;
e. gedurende ten minste twee jaar
wordt een afschrift bewaard van elk overeenkomstig onderdeel d, sub
2, afgegeven certificaat;
f. er worden geen certificaten
afgegeven of gemeld voor meetmiddelen ten aanzien waarvan de
erkenning niet geldt, voor meetmiddelen die niet aan de eisen
voldoen of voor meetmiddelen waarvoor een certificaat niet vereist
wordt.
Artikel 8.2.8
1. Een onderneming of instelling die
als onderzoeksgerechtigde is erkend, stelt voorafgaand aan de
herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de
documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende
typegoedkeuring, vast dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige
wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het
meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.
2. Zolang er geen specifieke
meetvoorwaarden zijn voor een meetmiddel en nadat vastgesteld is dat
het meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer
verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het
goedgekeurde type, mag de herkeuring door elke onderzoeksgerechtigde
uitgevoerd worden.
Artikel 8.2.9
1. De erkenning wordt door de
keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken indien niet langer
wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikelen 8.2.4 en 8.2.5 of
indien één of meer van de in artikel 8.2.7 vermelde verplichtingen
of de financiële verplichting als bedoeld in artikel 8.2.10 niet
worden nageleefd.
2. Van de beschikking houdende
intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.10
De onderzoeksgerechtigde is gehouden tot
betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling
terzake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
§ 3. Instellingen voor het certificeren
van kalibratiegas
Artikel 8.2.11
1. Een onderneming of instelling kan
door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van
kalibratiegas voor uitlaatgastesters, respectievelijk van
kalibratiegas voor alcoholsloten worden erkend, indien wordt voldaan
aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van
de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt
vastgesteld.
2. De organisatie, het personeel en
materieel is zodanig ingericht, dat met voldoende zekerheid kan worden
vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste
kwaliteit heeft. De standaarden die bij het certificeren worden
gebruikt, zijn afgeleid van standaarden van de instelling, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van de Metrologiewet, dan wel van andere, door
de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen standaarden.
Artikel 8.2.12
1. De erkenning wordt verleend op
aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling
vastgestelde tarief.
2. De aanvraag bevat gegevens met
betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar
personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken
standaarden en andere materiële middelen.
Artikel 8.2.13
1. In de beschikking van de
keuringsinstelling houdende erkenning als erkende instelling of
onderneming voor het certificeren van kalibratiegas worden de in
verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking
tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de
onderneming of instelling vastgelegd.
2. Van de beschikking houdende
erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.14
Op de tot het certificeren van
kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
a. steeds wordt voldaan aan de in
artikel 8.2.11 gestelde eisen;
b. de standaarden en hulpmiddelen,
benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede
staat van onderhoud;
c. een certificaat wordt slechts
afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd
overeenkomstig:
I. artikel 8.4.89, eerste lid, en
dat als gecertificeerd kalibratiegas voor uitlaatgastesters in
de handel wordt gebracht, of
II. artikel 8.4.89a, eerste en
tweede lid, en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor
alcoholsloten in de handel wordt gebracht;
d. de gegevens betreffende de
uitvoering van het gestelde in artikel 8.2.12, voorzover van belang
met betrekking tot het certificeren, worden vastgelegd;
e. de gegevens, bedoeld in onderdeel
d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
Artikel 8.2.15
1. De erkenning tot het certificeren
van kalibratiegas wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan
aan de eisen bedoeld in artikel 8.2.11 of indien één of meer van de
in artikel 8.2.14 vermelde verplichtingen niet worden nageleefd.
2. Van de beschikking tot intrekking
van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.16
De erkende onderneming of instelling is
gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze
keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde
tarief.
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan
meetmiddelen
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle
meetmiddelen
Artikel 8.3.1
De in artikel 8.1.3 vermelde meetmiddelen
voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze
afdeling gestelde eisen.
Artikel 8.3.2
1. Het meetmiddel is van een zodanige
opbouw en werking, dat de toetsing aan dit hoofdstuk redelijkerwijs
mogelijk is.
2. Het meetmiddel is zodanig ingericht,
dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de
aangewezen of geregistreerde meetwaarde.
3. Het meetmiddel is niet voorzien van
een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere
instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij
het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is
toegestaan.
4. Het meetmiddel heeft zodanige
eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de
vaardigheid en inspanning van de gebruiker.
Artikel 8.3.3
1. Bij het onderzoek naar de
gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één
onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.
2. In afwijking van het eerste lid
geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet
worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen genoemd in artikel 8.3.4,
vierde lid, en 8.3.8 moet worden voldaan.
Artikel 8.3.4
1. Indien in de specifieke eisen van
afdeling 4 een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking
en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant
vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het
controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel,
wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder
overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in
afdeling 4, gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij
gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende
bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt
blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg
zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet
meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in afdeling 4. Aan
deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot
gevolg heeft dat:
a. het meetresultaat niet kan
worden vastgesteld, of
b. het meetresultaat een zodanige
fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van
de meting zal opmerken.
4. De vastgelegde
gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het
temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het vermelde
temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C
tot 40 °C.
5. Bij het onderzoek voor de
typekeuring overlegt de aanbieder een schriftelijke verklaring waarin
wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen.
Tevens doet hij daarbij een opgave van de periode waarover het
meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van
eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht
te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.
Artikel 8.3.5
1. Elk meetmiddel is voorzien van de
volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:
a. het fabrikaat;
b. het bouwjaar;
c. de type-aanduiding;
d. het typegoedkeuringsnummer;
e. het serienummer;
f. de eenheid waarin de gemeten
grootheid wordt uitgedrukt;
g. het aanwijsbereik;
h. eventuele gebruiksbeperkende
omstandigheden, en
i. het temperatuurgebied waarbinnen
aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is
aangegeven in afdeling 4.
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit
een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn
de aanduidingen a tot en met e tevens vermeld op de separate
meeteenheid. De aanduidingen f tot en met h zijn aangebracht in de
onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke
aanwijsinrichting.
2. Voor zover de meetmiddelen zijn
voorzien van een registratie-inrichting worden op elke registratie ten
minste de aanduidingen, genoemd in het eerste lid, onder e en f,
vastgelegd.
3. Aanwijzingen en registraties bedoeld
voor de gebruiker van het meetmiddel moeten in de Nederlandse taal
zijn gesteld.
4. Andere vermeldingen dan genoemd in
de voorgaande leden mogen worden aangebracht, mits deze geen
aanleiding kunnen geven tot misleiding of misvatting.
Artikel 8.3.6
1. Meetmiddelen zijn voorzien van een
handleiding in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald in
afdeling 4.
2. Ter beoordeling van de
meetresultaten bevat de in het eerste lid bedoelde handleiding ten
minste:
a. een korte en overzichtelijke
procedure voor het gebruik van het meetmiddel bij de uitvoering
van de algemene periodieke keuring van een voertuig, waaronder in
elk geval wordt verstaan een stroomschema;
b. de uit te voeren controles
voorafgaande aan of tijdens de metingen;
c. de betekenis van een
controleresultaat;
d. een beschrijving van eventueel
door het instrument gegeven meldingen;
e. de informatie benodigd voor een
juiste interpretatie van het meetresultaat, en
f. de in afdeling 4 vermelde nadere
informatie.
§ 2. Algemene eisen gesteld aan
elektronische meetmiddelen
Artikel 8.3.7
Elektronische meetmiddelen, genoemd in
artikel 8.1.3, voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders bepaald, aan de
in deze paragraaf gestelde eisen.
Artikel 8.3.8
De eisen met betrekking tot de maximale
fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende
voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt
voldaan indien het instrument voldoet aan artikel 8.3.9, onderdeel a.
Artikel 8.3.9
Het meetmiddel voldoet wat betreft
storingsgevoeligheid aan de volgende eisen:
a. het meetmiddel is ongevoelig voor
elektromagnetische invloeden. Aan deze eis wordt voldaan, indien de
apparatuur de testen van International Document n° 11 General
Requirements for Electronic Measuring Instruments (1994) doorstaat.
De volgende testen met het aangegeven storingsniveau (zwaarte) zijn
van toepassing:
|
Omschrijving |
Geldende eis |
Artikel |
Zwaarte |
|
spanningsvariatie |
8.3.4, tweede lid |
B.6 |
1 |
|
spanningsonderbreking |
8.3.4, derde lid |
B.7 |
2a en 2b |
|
bursts (transienten) |
8.3.4, derde lid |
B.8 |
2 |
|
elektrostatische ontlading |
8.3.4, derde lid |
B.9 |
1 |
|
elektromagnetische instraling |
8.3.4, derde lid |
B.10 |
2 |
b. indien het meetmiddel is uitgerust
om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet
dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;
c. indien het meetmiddel is opgebouwd
uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke
onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig
ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien
verstoringen van een andere aard dan genoemd onder a en b, zoals
mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen
worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van
deze verstoringen voldaan wordt aan artikel 8.3.4, derde lid;
d. in afwijking van het in onderdeel
a genoemde storingsniveau geldt voor een bromfietsrollentestbank het
storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.
Artikel 8.3.10
De metrologisch relevante programmatuur
van het meetmiddel voldoet aan de volgende eisen:
a. bij de typekeuring moet de te
gebruiken programmatuur redelijkerwijs kunnen worden onderzocht. De
aanbieder moet daartoe de middelen ter beschikking stellen zoals de
benodigde documentatie waarin de werking van de programmatuur in
voldoende detail wordt weergegeven;
b. de programmatuur is in een
zodanige vorm in het meetmiddel aanwezig, dat wijziging van de
programmatuur, leidend tot een besturingscode die niet in de
typekeuring is onderzocht niet mogelijk is zonder verbreking van een
verzegeling;
c. de programmatuur is voorzien van
een routine waardoor een zodanige identificatiecode wordt
gegenereerd, dat elke wijziging in de programmatuur automatisch door
middel van deze identificatiecode kan worden gesignaleerd;
d. door de fabrikant wordt aan elke
programmatuurversie een vast versienummer toegekend, dat tezamen met
de door de programmatuur zelf gegenereerde identificatiecode als
bedoeld onder c, de volledige identificatie van de programmatuur
vormt. Dit versienummer wordt bij elke programmatuurwijziging die
invloed kan hebben op de functies en de juistheid van het
meetmiddel, door de fabrikant aangepast;
e. indien de frequentie van een
interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de
frequentie geen grotere afwijking hebben van zijn nominale waarde
dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.
§ 3. Algemene eisen gesteld aan
hulpinrichtingen
Artikel 8.3.11
1. Een hulpinrichting is zodanig
opgebouwd dat zij:
a. de eigenschappen van het
meetmiddel niet nadelig kan beïnvloeden;
b. onder gebruiksomstandigheden
zoals deze voor het meetmiddel gelden, juist blijft functioneren;
c. geen aanleiding kan vormen tot
misleiding of misvatting.
2. Een testcertificaat, bedoeld in het
eerste lid, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond
van een door die instelling uitgevoerd onderzoek. De hulpinrichting is
zodanig opgebouwd, dat zij:
a. de eigenschappen van het
meetmiddel niet nadelig kan beïnvloeden;
b. onder gebruiksomstandigheden
zoals deze voor het meetmiddel gelden, juist blijft functioneren;
c. geen aanleiding kan vormen tot
misleiding of misvatting.
Artikel 8.3.12
1. Hulpinrichtingen mogen worden
aangesloten op de in deze regeling vermelde meetmiddelen indien de
desbetreffende combinatie voor gebruik is goedgekeurd.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
combinatie niet voor gebruik is goedgekeurd, mag een hulpinrichting
worden aangesloten op een in deze regeling genoemd meetmiddel indien
wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de hulpinrichting voldoet aan de
voorwaarden gesteld in het typekeuringscertificaat van het
meetmiddel, waarin in elk geval de aansluiting van de
desbetreffende hulpinrichting op het meetmiddel wordt toegestaan;
b. de hulpinrichting is voorzien
van een CE-markering als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van
het Meetinstrumentenbesluit I, en
c. voor de hulpinrichting is een
testcertificaat afgegeven, tenzij anders is vermeld in het
typekeuringscertificaat.
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan
hulpinrichtingen
Artikel 8.3.13
1. Een hulpinrichting, bestaande uit
een voorziening als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, onderdeel b,
van bijlage XII, is voorzien van een geldig testcertificaat.
2. Het testcertificaat wordt afgegeven
door een keuringsinstelling.
3. Artikel 8.1.8 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8.3.14
1. Een hulpinrichting, bestaande uit
een voorziening als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van
de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK is voorzien van een
geldig controle certificaat.
2. Het controlecertificaat wordt
afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.
3. De artikelen 8.1.9 en 8.2.1 tot en
met 8.2.9 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan
meetmiddelen
§ 1. Roetmeters
§ 1.1. Algemeen
Artikel 8.4.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. opaciteit: de mate waarin
lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter
wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de
weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid
door de grootheid N die de afname van de lichtflux over de weglengte
in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte
lichtflux. In formule:
[Illustratie Verwijderd]
Hierin is:
N de opaciteit (uitgedrukt in %);
φo de onverzwakte lichtflux;
φL de lichtflux resterend na de
lichtweg L;
b. absorptiecoëfficiënt: maat voor
de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de
opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van
de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De
absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid k, die de
negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per
meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule:
[Illustratie Verwijderd]
Hierin is:
K de absorptiecoëfficiënt
(uitgedrukt in m–1);
L de weglengte die het licht in het
uitlaatgas aflegt in meter;
c. fysische responsie: het specifieke
dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de
absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de
opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;
d. normlengte: de gestandaardiseerde
lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de
genormeerde opaciteit te weten 430 mm;
e. ongecorrigeerde opaciteit: het
meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet
gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke
lengte en de normlengte van de meetkamer;
f. genormeerde opaciteit: de
berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in
een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;
g. correctiefilter: een elektrisch
filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast
aan de fysische responsie;
h. hoofdfilter: het elektrisch filter
met een vaste karakteristiek, dat is opgenomen in het signaalpad en
dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;
i. piekwaarde detectie-inrichting: de
inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot,
uitgaande van het, gedurende de vrije acceleratie van de
voertuigmotor, gemeten verloop van deze roetuitstoot;
j. meetresultaat: de waarde van de
absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloedt
door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is
gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde
detectie-inrichting.
Artikel 8.4.2
In de handleiding behorende bij de
roetmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6 het volgende
zijn opgenomen:
a. de wijze waarop een sonde in de
uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
b. eventuele aanwijzingen met
betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen.
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
Artikel 8.4.3
De roetmeter is voorzien van:
a. een analoge of digitale aanwijzing
van de ongecorrigeerde opaciteit;
b. een automatisch werkende
instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De
desbetreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking
kunnen worden gesteld in de functiestand CONTROLE (of een
gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker
kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig
functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen
onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer
binnentredende uitlaatgassen;
c. een inrichting waarmee de
lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan
worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig
zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt
optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een
aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en
waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in
ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
d. een software-routine waarmee een
afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke
parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale
voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist
indien door middel van software-identificatie als bedoeld in artikel
8.3.10, onderdeel c, op een eenvoudige manier is vast te stellen dat
de correcte parameters zijn ingesteld;
e. een beveiliging die het gebruik in
de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming)
verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de
olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan
60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig
een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere
waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten
herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde
beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval
moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn
weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
f. een testaansluiting die, in
afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.1, onder ‘testaansluiting’,
de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende
ten minste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de
absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het
hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
§ 1.2.2. Maximale fout
Artikel 8.4.4
1. De in de volgende leden opgenomen
eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot
als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale
gasstroomsnelheid optreedt.
2. De maximale fout van de roetmeter
wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor
roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en
bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend
uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1
+ 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van
ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde
waarde binnen deze 0,25 seconde.
3. De specifieke fysische responsie van
de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch
correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit
het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5%
afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische
responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke
waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een
eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een
stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige
vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan
worden verkregen.
4. De roetmeter moet zijn voorzien van
een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het
meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het
meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit
hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:
[Illustratie Verwijderd]
Hierin is:
Ni het ingangssignaal van het filter;
Nu het uitgangssignaal van het filter;
t de tijd in seconden;
τ de filterconstante in seconden;
De nominale waarde voor τ hierin
is:
[Illustratie Verwijderd]
De tolerantie van de karakteristiek van
het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor
τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.
De overeenkomstige karakteristiek in
numerieke vorm wordt weergegeven door:
Yn = (1 – δ ) * Xn + δ * Yn–1
Hierin geldt voor δ de volgende
waarde:
δ = 10 –ts
In het bovenstaande is ts de
bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y
is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het
volgnummer van de bemonstering voor.
5. De maximale verschuiving van de
aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100%
opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per
uur of, indien justering als bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel b, na
een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5%
ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
§ 1.2.3. Optisch systeem
Artikel 8.4.5
Het optisch systeem voldoet aan de
volgende eisen:
a. de toegepaste lichtbron is hetzij
een gloeilamp, waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben
die tussen 2800 K en 3250 K ligt, hetzij een diode die licht
emitteert met een golflengte- piekwaarde tussen de 550 nm en 570 nm;
b. indien als lichtbron een gloeilamp
wordt gebruikt, komt de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de
foto-elektrische cel overeen met de genormeerde spectrale
gevoeligheidskromme van het menselijk oog;
c. de opbouw van het optisch systeem
moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties
geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;
d. de opbouw van het optisch systeem
moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter
en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed
heeft op de effectieve waarde van het optisch filter tenzij deze
reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze
effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op
de controle van de lineariteit;
e. de opbouw van het optisch systeem
dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien
noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden
uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter
hierdoor nadelig wordt beïnvloed.
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
Artikel 8.4.6
1. Een meetcuvet wordt op een
temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C,
tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt
aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van
een verwarming van dat cuvet een verwaarloosbare invloed heeft.
2. De temperatuur van het uitlaatgas
moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en
de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen
gesteld is in het vierde lid.
3. De opwarmtijd van de roetmeter mag
niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10
°C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10
°C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet
mogelijk zijn.
4. Het meetresultaat moet zijn
gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter
plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet
zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt
wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
Artikel 8.4.7
1. Een in de uitlaat van het
motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de
motorwerking.
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde
moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het
uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de
opening van de sonde zich op een afstand van ten minste 5 mm van de
wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een
zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden
geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur
van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C
bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en
een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een
beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als
bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, geldt. De monsternameslang moet
zijn voorzien van een identificatie.
§ 1.2.6. Functiestanden
Artikel 8.4.8
1. De roetmeter moet ten minste in de
twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
a. de functiestand CONTROLE (of een
gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van
de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de
justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle als
bedoeld in artikel 4.3, onderdeel c, plaats kunnen vinden;
b. de functiestand PIEKMETING (of
een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de
gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek
zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden
weergegeven.
2. De roetmeter mag zijn voorzien van
een functiestand ‘ONGEFILTERDE PIEKWAARDE’, waarin de piekwaarde
van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door
de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie
het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
3. Andere functiestanden en
aanwijzingen zijn toegestaan, mits deze geen aanleiding tot misleiding
of misvatting geven.
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.9
De roetmeter is voorzien van een analoge
of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen
presenteert:
a. in de functiestand ‘CONTROLE’
(of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de
opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de
aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;
b. de piekwaarde van de gecorrigeerde
absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m–1 tot 5,5
m–1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan
0,02 m–1 bedragen.
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
Artikel 8.4.10
1. De roetmeter is voorzien van een
interne of externe afdruk-inrichting waarmee ten minste de volgende
gegevens worden vastgelegd:
a. de datum en het tijdstip waarop
de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet
automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het
tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
b. de informatie van het
desbetreffende voertuig:
1°. de minimale en maximale
waarde van het stationair toerental;
2°. de minimale en maximale
waarde van het afregeltoerental;
3°. de maximale waarde van de
absorptiecoëfficiënt;
4°. de minimale waarde van de
motorolietemperatuur;
c. de uitgangspunten:
1°. de soort meetsonde: opgave
volgens handleiding roetmeter;
2°. de aanduiding van de
functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of
PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
d. de meetresultaten van de drie
geldige meetcycli:
1°. de gemiddelde waarde van
het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden
voor het gasgeven;
2°. de gemiddelde waarde van
het afregeltoerental;
3°. de piekwaarde van de
absorptiecoëfficiënt;
4°. de voor de aanvang van de
cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als
bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel e.
2. Indien de meting, ongeacht de reden,
vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met
de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
3. Andere informatie, dan bedoeld in
het eerste of tweede lid, mag worden geregistreerd voorzover deze niet
leidt tot misleiding of misvatting.
§ 1.2.9. Toerental- en
olietemperatuurmeting
Artikel 8.4.11
1. De roetmeter mag zijn voorzien van
een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig
het bepaalde in de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.
2. Indien de roetmeter niet is voorzien
van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de
roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal
van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden
overgedragen naar de roetmeter.
§ 1.2.10. Meetprogramma
Artikel 8.4.12
1. Alvorens tot de meting wordt
overgegaan, moeten de gegevens, zoals bedoeld in artikel 8.4.10,
eerste lid, onderdeel b, in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
2. De programmatuur van de roetmeter
moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door
de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
3. De meetprocedure moet
achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
a. invoeren van de gegevens als
bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c;
b. automatische controle of:
1°. alle onder punt a bedoelde
gegevens zijn ingevoerd;
2°. de minimum
motorolietemperatuur, zoals bedoeld in artikel 8.4.3,
onderdeel e, is bereikt, tenzij deze controle is
uitgeschakeld;
3°. het stationair toerental
gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
4°. het afregeltoerental
gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;
c. indien de resultaten van de
onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de
testprocedure vrijgeven;
d. nadat het stationair toerental
na een periode van ten minste 10 seconden gedurende 5 seconden
binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het
gaspedaal moet worden ingedrukt;
e. nadat het afregeltoerental 2
seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet
worden losgelaten;
f. de roetmeter geeft aan dat de
meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt
van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de
maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is
de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de
berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien
de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de
eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de
maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten
d en e automatisch eenmaal herhaald;
g. automatisch, indien van
toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de
absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen
berekend. Als de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of
gelijk is aan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie
testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m–1. Als de
berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m–1, dan
mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer
afwijken dan 0,7 m–1. Indien blijkt dat de afwijking groter is
dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1 moet de test een of
meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens
opnieuw wordt uitgevoerd.
Artikel 8.4.12a
1. In afwijking van artikel 8.4.12,
derde lid, onderdeel f,
a. mogen tot 1 januari 2019 voor
het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor
roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een
typekeuringscertificaat is afgegeven de punten d en e van dat
artikel ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
b. kan het ten minste tweemaal
automatisch herhalen van de punten d en e van dat artikel van
toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van
herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een
typekeuringscertificaat is afgegeven.
2. Roetmeters waarvoor vóór 10
december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden
omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt
beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede
meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt
minus 0,5 m–1.
§ 2. Toerentellers
§ 2.1. Algemeen
Artikel 8.4.13
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. toerenteller: meetinstrument voor
het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;
b. geïntegreerde toerenteller:
toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander
meetmiddel;
c. toerenopnemer: onderdeel van de
toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in
een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van
de toerenteller.
Artikel 8.4.14
In de handleiding behorende bij de
toerenteller moet naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6 het
volgende zijn opgenomen:
a. indien de toerenteller voorzien is
van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de
keuze van een geschikte toerenopnemer;
b. de wijze waarop de toerenopnemer
op of bij de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde
toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de
handleiding van het betreffende meetmiddel.
§ 2.2. Technische eisen
Artikel 8.4.15
De maximale fout voor toerentellers
bedraagt 10 min–1 voor toerentallen kleiner dan 1000 min–1 en 1%
voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1000 min–1.
Artikel 8.4.16
1. De toerenteller moet zijn voorzien
van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten
toerental aangeeft.
2. De aanwijzing van het toerental moet
plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
3. De kleinste afleeseenheid mag ten
hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
4. Het meetbereik van een toerenteller
moet ten minste het gebied van 500 min–1 tot 6000 min–1 omvatten.
Artikel 8.4.17
Niet-geïntegreerde toerentellers die
worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn
voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten
toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover
koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 3.1. Algemeen
Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. olietemperatuurmeter:
meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van
een voertuigmotor;
b. geïntegreerde
olietemperatuurmeter: olietemperatuurmeter deel uitmakend van en
ingebouwd in een ander meetmiddel;
c. temperatuuropnemer: onderdeel van
de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt
en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het
verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
Artikel 8.4.19
In de handleiding behorende bij de
olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6
het volgende zijn opgenomen:
a. indien de olietemperatuurmeter
voorzien is van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn
voor de keuze van een geschikte opnemer;
b. de wijze waarop de opnemer in de
voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde
olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van
de handleiding van het betreffende meetmiddel.
§ 3.2. Technische eisen
Artikel 8.4.20
De maximale fout voor
olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60
°C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C
tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C.
Artikel 8.4.21
1. De aanwijzing van de olietemperatuur
moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
2. De kleinste afleeseenheid mag ten
hoogste een waarde hebben van 2 °C.
3. Het meetbereik van een
olietemperatuurmeter moet ten minste het gebied van 50 °C tot 100 °C
omvatten.
Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte
hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een
eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld
die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters
die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn
voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten
olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor
zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
§ 4. Manometers
§ 4.1. Algemeen
Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
manometer: meetinstrument voor het
bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
geïntegreerde manometer: manometer
deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
Artikel 8.4.25
In afwijking van het bepaalde in artikel
8.3.6 is een handleiding voor de manometer niet vereist.
§ 4.2. Technische eisen
Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende
eisen:
a. de gemeten druk moet worden
weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
b. de gemeten waarde moet door
analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk
afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
c. de maximale fout, in plus en in
min, van de aangewezen druk bedraagt:
1°. in geval van een
aanwijsinrichting:
voor nieuwe manometers:
I. bij een druk van ten
hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
II. bij een druk die groter
is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
voor manometers die in gebruik
zijn:
I. bij een druk van ten
hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter
is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
2°. in geval van een
registratie-inrichting:
voor nieuwe manometers:
I. bij een druk van ten
hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
II. bij een druk die groter
is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
voor manometers die in gebruik
zijn:
I. bij een druk van ten
hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter
is dan 500 kPa (5 bar): 5%;
d. indien gelijktijdig met de
registratie van de druk door middel van dezelfde
registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of
remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige
veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil
optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het
voertuig wordt belemmerd.
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 5.1. Algemeen
Artikel 8.4.27
1. Onder pedaalkrachtmeter wordt
verstaan: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het
rempedaal van een voertuig wordt bediend.
2. De pedaalkrachtmeter is voorzien van
een Nederlandstalige handleiding.
§ 5.2. Technische eisen
Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de
volgende eisen:
a. de aanwijzing van de pedaalkracht
dient te geschieden in Newton (N);
b. de meter heeft een bereik van 0 N
tot ten minste 700 N;
c. de eisen, gesteld onder d en e,
hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
d. de maximale fout, in plus en in
min, van de aangegeven pedaalkracht moet bedragen:
1°. bij een centrisch
uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
2°. bij een centrisch
uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de
uitgeoefende pedaalkracht;
3°. bij een excentrisch
uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
e. het verschil tussen de resultaten
van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder
dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn
dan 30 N.
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 6.1. Algemeen
Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
gemiddelde waarde: het rekenkundig
gemiddelde van, op vaste tijdsafstanden, bepaalde momentele waarden,
in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
resulterende meetwaarde: de
gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest,
berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de
tijd;
standaanwijsinrichting: aanwijzing of
signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
grenswaarde van de
standaanwijsinrichting: de door een standaanwijsinrichting
aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de
remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit
een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2
mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
justeerinrichting: inrichting voor
het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
standcorrectie-inrichting: inrichting
waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand
waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
Artikel 8.4.30
In de handleiding behorende bij de
remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 3.6 de
wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij
het volgende nader moet worden belicht:
a. de plaatsing in het voertuig;
b. de werkwijze voor het horizontaal
plaatsen van de remvertragingsmeter;
c. de betekenis en beperkingen in het
gebruik van de resulterende meetwaarde;
d. de juiste werkwijze bij het
gebruik van een justeerinrichting.
§ 6.2. Technische eisen
Artikel 8.4.31
1. De remvertragingsmeter is zodanig
ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en
bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige
wijze mogelijk is.
2. De remvertragingsmeter is voorzien
van een standaanwijsinrichting tenzij een automatische inrichting een
juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van
een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
a. de remvertragingsmeter is voorzien
van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de
remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
b. de remvertragingsmeter is voorzien
van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan
deze eis wordt voldaan indien gebruik van de remvertragingsmeter
alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval
voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige
justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien
van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende
eisen:
a. de standcorrectie-inrichting moet
handmatig in werking worden gesteld;
b. een remvertragingsmeter met een
standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een
justeerinrichting;
c. een remvertragingsmeter mag alleen
dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een
automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht
indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
d. een standcorrectie mag alleen
kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele
meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2
m/s2.
Artikel 8.4.34
1. De maximale fout voor zowel
toenemende als afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s2.
2. De maximale fout in de registratie
van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
3. De maximale fout in de meettijd voor
de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van
het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
4. De maximale fout veroorzaakt door de
standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de
standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
5. De maximale fout in de berekening
van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door
een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie zoals
bedoeld in artikel 8.4.39, derde lid, bedraagt 0,02 m/s2.
Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien
van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien
van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één
aanwijsbereik hebben dat ten minste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2
omvat.
Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een
ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van
een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als
functie van de tijd wordt vastgelegd.
Artikel 8.4.39
1. De remvertragingsmeter moet zijn
voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de
remvertraging over ten minste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
2. Een analoge registratie moet
plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende
bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
3. Indien de analoge registratie van de
remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel
bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten
waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van
1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie
van ten minste 5 mm.
4. Voor remvertragingsmeters waarbij de
analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een
globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de
verandering in de registratiepositie zoals bedoeld in het derde lid,
ten minste 2,5 mm zijn.
Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet
voldoet aan de eis genoemd in artikel 8.4.39, derde lid, of de eis
genoemd in artikel 8.4.34, zesde lid, moet de remvertragingsmeter na
elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de
remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende
meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging
moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden
van ten hoogste 0,1 seconde.
Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is
representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
a. in de meetperiode zich uitsluitend
meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in
beweging is;
b. de maximale waarde van de
remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt;
onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die
aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
c. de resulterende meetwaarde wordt
berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
A. bepaal de maximale meetwaarde
van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);
B. bepaal met een interval van
0,1 seconde de 5 gemeten waarden direct vóór de maximale
meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden
direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);
C. voer de volgende 6
berekeningen uit:
i. (a+a+a+a+a+am)/6;
ii. (a+a+a+a+am+a)/6;
iii. (a+a+a+a+a+a)/6;
iv. (a+a+a+a+a+a)/6;
v. (a+a+a+a+a+a)/6;
vi. (a+a+a+a+a+a)/6;
D. de hoogste van de onder C
berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij
uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen
die opgebouwd zijn uit meetwaarden die ten minste gelijk zijn
aan 75% van de maximale meetwaarde.
d. het grootste verschil tussen de
meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5
seconde na de meetperiode, 1 m/s2 bedraagt.
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 7.1. Algemeen
Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
rollenremtestbank: meetmiddel waarmee
de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten
van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden
aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
gemiddelde waarde: rekenkundig
gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden,
in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
remkracht: tangentieel aan de omtrek
van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen
aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van
de reminrichting;
ingestuurde druk: druk ingestuurd op
de drukluchtremcilinders van het voertuig;
resulterende meetwaarde: de door de
rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als
uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
extrapolatie-inrichting: inrichting
waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de
ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze
zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
extrapolatiedruk (PX): waarde van de
ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door
de extrapolatie-inrichting is berekend;
extrapolatiewaarde: met behulp van
een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de
remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de
extrapolatiedruk;
extrapolatiedruk (PEX): gegarandeerde
druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is
beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
rotatieperiode: tijdsperiode
overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor
de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
remkrachthelling: verhouding tussen
een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële
toename van de ingestuurde druk;
berekende remvertraging: door de
rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze
wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de
remkrachten en de massa van het voertuig;
rolweerstand: kracht ter aandrijving
van de ongeremde wielen;
klasse I rollenremtestbank:
rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met
een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en die kan
worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane
maximum massa van meer dan 3.500 kg mits de asdruk van deze
voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals
aangegeven op de rollenremtestbank;
klasse II rollenremtestbank:
rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de
keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer
bedraagt dan 3.500 kg;
klasse I/II rollenremtestbank:
rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het
eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank
en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank
voldoet.
Artikel 8.4.43
In de handleiding behorende bij de
rollenremtestbank is opgenomen:
a. de informatie genoemd in artikel
8.3.6;
b. de betekenis en beperkingen in het
gebruik van de berekende remvertraging.
Artikel 8.4.44
In aanvulling op artikel 8.1.12, tweede
lid, onderdeel a, wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de
rollenremtestbank en zijn fundering.
§ 7.2. Technische eisen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening
hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen
van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht
kan worden gesimuleerd.
Artikel 8.4.46
1. Een rollenremtestbank moet zijn
voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
a. een testaansluiting;
b. een inrichting waarmee
automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de
gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel
b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de
rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle
circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de
nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief
de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn
uitgezonderd.
§ 7.2.2. De maximale fout
Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of
pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 4
respectievelijk paragraaf 5 van deze afdeling.
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij
statische meting
Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank,
dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II
rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
a. die niet groter is dan 2500 N:
100 N;
b. die groter is dan 2500 N: 4% van
de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank,
dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II
rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
a. die niet groter is dan 10.000 N:
400 N;
b. die groter is dan 10.000 N: 4%
van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen
van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor
beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten
bedoeld in artikel 8.4.48.
Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van
een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de
gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van
lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een
ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden
de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan
2,5 maal de waarde genoemd in artikel 8.4.48, tweede lid.
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de
dynamische meting
Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende
meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze
uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de
meetsignalen.
§ 7.2.3. Uitvoering
Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is
van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de
ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de
paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn
voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een
digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II
rollenremtestbanken zijn voorzien van:
a. een analoge aanwijzing in
combinatie met een digitale aanwijzing;
b. een extrapolatie-inrichting, en
c. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een
extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer
voor de ingestuurde druk.
Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een
zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden
verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het
aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van
een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden
voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de
rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in
kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan 1/6 maal de maximale waarde
van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet
kleiner zijn dan:
a. 0,15 m voor klasse I
rollenremtestbanken;
b. 0,25 m voor klasse II en klasse
I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de
omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van
een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt
voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet
plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de
instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, is zodanig
dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten
minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op
zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat
de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet,
dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een
typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan
de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de
rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, genoemd in het
eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de
desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als
remkracht gepresenteerd.
Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen
gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten
minste de volgende waarden worden vastgesteld:
a. voorafgaand aan de remtest: de
rolweerstand;
b. tijdens de remtest:
1°. de momentele waarde van de
remkracht;
2°. de fluctuaties in de
momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling
van het geteste remsysteem;
c. na correcte uitvoering van de
remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
1°. de resulterende meetwaarde;
2°. de waarde van het verschil
in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en
rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste
remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
– de resulterende
meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
– de niet-geëxtrapoleerde
resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II
rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van
klasse I/II rollenremtestbanken.
Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank
voorzien is van een presentatie van een berekende maximale
remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden
overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende
extrapolatiewaarde zoals bedoeld in artikel 8.4.69 , en M is de
maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld op het
kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen
tezamen zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde
moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische
remvertraging’.
Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een
juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet
worden gepresenteerd indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn
dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in artikel 3.7.10.
3. Een resulterende meetwaarde mag niet
eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
a. het in werking treden van de
inrichting genoemd in artikel 3.7.16, eerste lid, of
b. een daling van de remkracht tot
een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn
voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de
verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de
remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
§ 7.2.5. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van
opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden
geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem
relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker-
en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.
Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een
analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
a. worden de resulterende meetwaarde
en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal
aangewezen;
b. worden uitsluitend de momentele
remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en
moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale
Aanwijzing’.
Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een
analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de
resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker-
en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte
afleesnauwkeurigheid, niet meer dan 1/5 van de maximale fout voor
statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
a. de onnauwkeurigheid in de
resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het
linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte
afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout
voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
b. de afmetingen van de cijfers,
alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk
maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op
gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde
resulterende meetwaarde
Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde
niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben
op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één
rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die
voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt
beëindigd voordat de inrichting, genoemd in artikel 8.4.57, eerste
lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de
registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de
vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald
over de rotatieperiode als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende
meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
a. op de testaansluiting wordt een
simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde,
echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend
met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde
moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een
constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een
tolerantie van 2,5%;
b. op de testaansluiting wordt een
simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en
periodiek variërende waarde met een laagste frequentie
overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
1°. mag slechts worden
gepresenteerd indien de hoogste gemiddelde waarde van het
simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt
met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende
rotatieperiode, en
2°. komt overeen met de
aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een
gemiddelde gelijk aan de onder 1 vermelde hoogste gemiddelde
waarde, met een tolerantie van 2,5%.
Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van
een extrapolatie-inrichting moet:
a. de momentele meetwaarde van de
remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
b. remkrachtwaarden, verkregen met
een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet
meerekenen in de extrapolatiewaarde.
§ 7.2.7. Eisen aan de
extrapolatie-inrichting
Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject
waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het
druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de
volgende voorwaarde:
[Illustratie Verwijderd]
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject
dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject
dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde
extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het
eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de
maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door
een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of
de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling
voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden
tot verschillende extrapolatiewaarden.
Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde
reageert als volgt op testsignalen:
a. op de testaansluiting wordt door
gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de
ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een
meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in
afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de
remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk
zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van
voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de
remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie
overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde
extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de
referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde
van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde
druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend
uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de
remkracht;
b. op de testaansluiting wordt een
meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met
simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met
de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde
moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier
bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van
toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door
lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee
punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek:
FL is de gesimuleerde remkracht bij
een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de
gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2
bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van
de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van
de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven
de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar
aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de
referentiewaarden genoemd in het eerste lid, onder a en b, wordt
rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch
simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij
de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn
geëlimineerd.
Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast
de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de
remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze
gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces
gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per
rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over
dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in
paragraaf 7.2.6 met uitzondering van artikel 8.4.65, onderdeel b.
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II
rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe
afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden
vastgelegd:
a. de informatie zoals vermeld in
artikel 8.3.5, derde lid;
b. de datum en het tijdstip van de
metingen aan het betreffende voertuig;
c. de ingevoerde informatie van het
betreffende voertuig:
1°. identificatie bestaande
uit het kenteken of de meldcode;
2°. maximummassa c.q. de
maximum af te remmen massa;
3°. de maximum
extrapolatiedruk PEX per as;
4°. de wettelijk vereiste
remvertraging;
d. een getalsmatige of grafische
weergave van de relatie tussen:
1°. de pedaalkracht en de
daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil
in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het
geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
2°. de ingestuurde druk en de
daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil
in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het
geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de
relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk
PL en PH, bedoeld in artikel 8.4.67, gebruikt bij de remtest
van het voertuig;
e. de berekende waarden:
1°. de resulterende meetwaarde
gesommeerd per as;
2°. de berekende statische
remvertraging;
f. de vermelding, bedoeld in
artikel 8.4.64, tweede lid;
g. de waarschuwing, genoemd in
artikel 8.4.67, tweede lid.
2. Andere informatie als bedoeld in het
eerste lid mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot
misleiding of misvatting.
§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen
Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en
klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik
waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een
certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de
eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten
blijven voldoen aan die eisen.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het
eerste lid, moeten in afwijking van de eisen gesteld aan
meetnauwkeurigheid voldoen aan de volgende eisen: de maximale fout in
plus en min bedraagt bij een kracht:
1°. die niet groter is dan 1800 N:
180 N;
2°. die groter is dan 1800 N: 10%
van de werkelijke remkracht.
Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en
klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische
of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande
aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is
afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de
eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de
datum van afgifte van het certificaat zoals daarop vermeld, worden
gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het
eerste lid, moeten na 3 jaar na de in het eerste lid, vermelde datum,
voldoen aan de eisen genoemd in dit hoofdstuk met uitzondering van de
artikelen 8.3.4, vijfde lid, 8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g,
8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, 8.3.11, 8.4.56, tweede lid, en
8.4.57, derde lid met dien verstande dat:
a. in afwijking van artikel 8.4.57,
tweede lid, de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,5
maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn
ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog
is;
b. in afwijking van artikel 8.4.62
het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 25
schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de
schaalverdeling ten minste 0,15 m moet bedragen. Voor
cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte
van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt.
Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet
eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge
gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het
aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
c. in afwijking van artikel 8.4.63,
het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100
schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de
cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave
zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
§ 8. Platenremtestbanken
§ 8.1. Algemeen
Artikel 8.4.74
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
platenremtestbank: meetmiddel waarmee
de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten
van de remkracht van de wielen van een afremmend voertuig op vlakke,
horizontale meetplaten;
remkracht: horizontaal op de
meetplaten van de platenremtestbank werkende kracht, overgedragen
aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van
de reminrichting;
resulterende meetwaarde: de door de
platenremtestbank aangewezen waarde die als uiteindelijk resultaat
van de remtest wordt gepresenteerd;
meetperiode: de periode dat remkracht
aanwezig is.
Artikel 8.4.74a
Onverminderdartikel 8.1.12, tweede lid,
onderdeel a, wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de
platenremtestbank en zijn fundering.
§ 8.2. Technische eisen
§ 8.2.1. Controle-inrichting
Artikel 8.4.75
1. De platenremtestbank moet een
voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door
het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een
statische remkracht kan worden gesimuleerd.
2. De platenremtestbank moet zijn
voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
a. een testaansluiting;
b. een inrichting waarmee
automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de
gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
3. Met de in het tweede lid, onderdeel
b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de
platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle
circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de
nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief
de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn
uitgezonderd.
§ 8.2.2. De maximale fout
Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter moet
voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 8.4.27 en 8.4.28 en is
voorzien van een arreteerinrichting.
Artikel 8.4.75b
1. De maximale fout in plus en in min,
van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
a. bij een kracht die niet groter
is dan 2500 N: 100 N;
b. bij een kracht die groter is dan
2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
2. Bij meting van de remkracht van de
wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in
aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de
maximale fout, als bedoeld in het tweede lid.
3. De maximale fout in de resulterende
meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze
uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de
meetsignalen.
§ 8.2.3. Uitvoering
Artikel 8.4.75c
1. De resulterende meetwaarden worden
door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
2. Indien een registratie-inrichting
aanwezig is moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
3. De aanwijzingen moeten:
a. zijn voorzien van een
nulstelinrichting; en
b. zodanig zijn uitgevoerd dat per
as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing
of verdere verwerking beschikbaar zijn.
4. Een analoge of digitale aanwijzing
is zodanig dat:
a. de onnauwkeurigheid in de
resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het
linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte
afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale
fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
b. de aflezing op eenvoudige wijze
mogelijk is.
Artikel 8.4.75d
1. De platenremtestbank is op
eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
2. Het oppervlak van de meetplaten is
zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht
ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel
op zijn ondersteuning uitoefent.
3. De minimale lengte van de meetplaat
bedraagt 1,35 m.
Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale
gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het
begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen
Artikel 8.4.76
1. Typekeuringscertificaten die
afgegeven zijn vóór 1 januari 2012 vervallen met ingang van 1 mei
2012.
2. Platenremtestbanken die op basis van
vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik
genomen zijn moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht
waren op 31 december 2011.
§ 9. Uitlaatgastesters met
lambda-bepaling
§ 9.1. Algemeen
Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
automatische controle-inrichting: een
controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de
gebruiker;
automatische justeerinrichting:
voorziening die de justering van het instrument volgens het
programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het
starten van deze justering of de grootte ervan;
CO: koolmonoxide;
CO2: kooldioxide;
controle-inrichting: een voorziening,
ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante
fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder ‘reageren op’
wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument (zoals bv. een
waarschuwingslamp, geluidssignaal, het afbreken van de meting)
verstaan;
filter: voorziening die bepaalde
bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;
gasbehandelingssysteem: alle delen
van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters,
waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;
HC: n-hexaan: koolwaterstoffen;
interne justeerinrichting:
voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde
waarde zonder gebruik te maken van een kalibratie-gas;
justeerinrichting met kalibratie-gas:
voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een
kalibratie-gas;
kalibratie-gas: een stabiel
gasmengsel met bekende samenstelling, gebruikt voor de periodieke
controle en diverse keuringen van het instrument;
lambda: dimensieloos getal dat een
maat is voor de volledigheid van de verbranding in een motor,
uitgedrukt als de verhouding van lucht en brandstof in de
uitlaatgassen. De waarde wordt vastgesteld met een vastgestelde
formule;
nulstelinrichting: voorziening om de
aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;
opwarmtijd: de tijd die verstrijkt
tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht
en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische
eisen;
O2: zuurstof;
referentie-omstandigheden:
gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de
prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van
meetresultaten;
responsietijd: het tijdsinterval
tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een
voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een
gasmengsel en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven
grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;
semi-automatische justeerinrichting:
voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het
instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de
grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering
automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden
van de volume-bestanddelen van het standaard gasmengsel met de hand
in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening
geacht semi-automatisch te zijn;
sonde: het deel van het
gasbehandelingssysteem, dat in de uitlaat van een voertuig wordt
geschoven voor het nemen van gasmonsters;
uitlaatgastester: meetmiddel, bestemd
voor het meten van het gehalte CO en van lambda van de
uitlaatgassen, afkomstig van draaiende motoren met elektrische
ontsteking van in gebruik zijnde motorvoertuigen, en dat het
meetresultaat van CO direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet
tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen
voorkomende bestanddelen;
waterafscheider: inrichting die
zoveel water verwijdert dat in het gasbehandelingssysteem daarachter
condensatie wordt voorkomen.
Artikel 8.4.78
Uitlaatgastesters uitsluitend ingericht
voor het meten van koolmonoxide die in gebruik zijn genomen na 31
december 1997 moeten voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen met
uitzondering van de eisen ten aanzien van de meting van CO2 HC, O2 en
lambda.
Artikel 8.4.79
In de handleiding behorende bij de
uitlaatgastester is naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6, het
volgende opgenomen:
a. de tijdsintervallen en procedures
voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat
voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de
maximale fouten;
b. de tijdsintervallen tussen de
automatische controles op gaskalibratie en lek;
c. een beschrijving van de procedure
voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het
in artikel 8.4.85, achtste lid, gespecificeerde lek te detecteren;
d. een instructie aan de gebruiker
dat voorafgaande aan elke HC-meting een controle op het HC-residu
moet plaatsvinden, inclusief een beschrijving van de procedure voor
de controle op het HC-residu;
e. de maximale en minimale
opslagtemperatuur;
f. een opgave van de
gebruiksomstandigheden;
g. in het geval dat een lambdawaarde
wordt berekend, een beschrijving van de toegepaste berekening; en
h. een instructie voor de vervanging
van de zuurstofbrandstofcel.
Artikel 8.4.80
1. De uitlaatgastester is, naast de in
artikel 8.3.5, eerste lid, vermelde opschriften, voorzien van een
opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het
merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
2. Bij elke uitlaatgastester is de
waarde van de propaan-equivalentiefactor (PEF) aangebracht op de
voorzijde van het instrument of moet zichtbaar gemaakt kunnen worden
op de aanwijsinrichting.
§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan
uitlaatgastesters
Artikel 8.4.81
1. Het aandeel van de gasvormige
componenten wordt aangewezen in volume % voor CO, CO2 en O2 en in
volume-ppm (delen per miljoen) voor HC. De aanduidingen van deze
eenheden moeten ondubbelzinnig zijn verbonden met de aangewezen
waarde, bijvoorbeeld: % vol CO, % vol CO2, % vol O2 en ppm vol HC.
2. De afleeseenheid mag niet meer
bedragen dan de volgende waarden:
|
CO |
CO2 |
O2 |
HC |
|
0,01% vol |
0,1% vol |
0,02% vol voor meetwaarden ≤
4% vol |
1 ppm vol |
| |
|
0,1% vol voor meetwaarden > 4%
vol |
|
Ten behoeve van controles is het
instrument uitgevoerd met een mogelijkheid om negatieve waarden tot
ten minste 1% en ten hoogste 5% van het meetbereik weer te geven.
Artikel 8.4.82
De meetbereiken voor elk der componenten
hebben ten minste de volgende waarden:
|
CO |
CO2 |
O2 |
HC |
|
(0–5)% vol |
(0–16)% vol |
(0–21)% vol |
(0–2000) ppm vol |
Artikel 8.4.83
De maximale fout in de aanwijzing van de
uitlaatgastester bij typekeuring, onder referentie-omstandigheden, en
bij eerste keuring en herkeuring, onder gebruiksomstandigheden,
bedraagt:
| |
Grootste waarde van: |
CO |
CO2 |
O2 |
HC |
|
onder referentie-omstandigheden |
absolute afwijking (volume)
|
0,06% |
0,4% |
0,1% |
12 ppm |
|
relatieve afwijking |
3% |
4% |
3% |
5% |
|
onder gebruiksomstandigheden |
absolute afwijking (volume)
|
0,06% |
0,5% |
0,1% |
12 ppm |
|
relatieve afwijking |
5% |
5% |
5% |
5% |
Artikel 8.4.84
1. De in artikel 8.4.83 vermelde
maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, worden onder de volgende
condities niet overschreden:
a. de in artikel 8.3.4, derde lid,
vermelde gebruiksomstandigheden;
b. relatieve luchtvochtigheid: tot
90% R.V.;
c. atmosferische druk: (860 –
1060) hPa.
2. De keuringen, met uitzondering van
onderzoek naar de invloed van temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk
en voedingsspanning en -frequentie, in het kader van typekeuringen,
worden uitgevoerd onder de volgende omstandigheden:
a. temperatuur (20 ± 2) °C;
b. relatieve luchtvochtigheid: (55
± 5)% R.V.;
c. atmosferische druk: stabiele
omgevingsdruk;
d. nominale voedingsspanning: ±
2%;
e. nominale frequentie van de
voedingsspanning: ± 1%.
3. De invloed van andere gascomponenten
dan het te meten gas mag niet groter zijn dan de helft van de maximale
fout onder gebruiksomstandigheden, indien deze andere gassen ten
hoogste in de volgende volumedelen voorkomen: 16% vol CO2, 6% vol CO,
10% vol O2, 5% vol H2, 0,3% vol NO, 2000 ppm vol HC (als n-hexaan) en
waterdamp tot verzadiging.
4. De volgende verstoringen mogen geen
invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring
onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument
worden gedetecteerd en aangegeven:
a. de in artikel 3.9 vermelde
invloeden;
b. mechanische schokken,
veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten
op een vast oppervlak.
5. Bij de meting van:
a. CO, CO2 en HC wijst een
instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor
gasbehandeling, bij onderzoek met standaard gasmengsels binnen 15
seconde 95% van de uiteindelijke waarde aan;
b. O2 wijst een instrument, na
overschakeling van lucht op een zuurstof-vrij standaard
gasmengsel, binnen 60 seconde een waarde aan die een afwijking
heeft van minder dan 0,1% vol ten opzichte van de uiteindelijke
waarde.
6. Na afloop van de opwarmtijd voldoet
het instrument aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. De
instrumenten zijn voorzien van een voorziening waardoor wordt
voorkomen dat er een aanwijzing van gemeten gascomponenten plaatsvindt
gedurende de opwarmtijd.
7. Het bestanddeel hydrocarbonaten
wordt uitgedrukt in ppm vol n-hexaan (C₆H14) equivalent. De
justering mag worden uitgevoerd met behulp van propaan (C2H2). Daartoe
is een conversie-factor, die wordt aangeduid als ‘C3/C6-factor’ of
‘PEF’ (Propaan-equivalentiefactor), permanent en duidelijk
zichtbaar op het instrument aangebracht, dan wel eenvoudig zijn op te
roepen op de aanwijzing. De waarde van deze conversiefactor wordt door
de fabrikant voor elk instrument opgegeven in drie significante
cijfers. Als de gassensor wordt vervangen of gerepareerd, wordt een
nieuwe conversiefactor op het instrument aangebracht.
8. Instrumenten die zijn uitgevoerd met
een aanwijzing van de lambda-waarde, voeren de betreffende berekening
uit met behulp van de volgende formule:
[Illustratie Verwijderd]
Hierin geldt:
|
[…] |
= concentratie in % vol |
|
K1 |
= conversiefactor voor FID (Flame
Ionisation Detector) meting naar NDIR (Non Dispersive Infra Red)
meting. |
| |
Deze moet door de fabrikant van het
meetinstrument worden verstrekt. |
|
Hcv |
= atoom-verhouding waterstof –
koolstof, deze bedraagt voor benzine 1,850 en voor LPG 2,525 |
|
Ocv |
= atoom-verhouding zuurstof –
koolstof, deze bedraagt voor benzine 0,0175 en voor LPG 0. |
9. Bij normaal gebruik van het
instrument mogen de meetresultaten, na justering met een
kalibratiegas of de interne justeerinrichting, de maximale fouten
die gelden onder gebruiksomstandigheden gedurende ten minste 4 uur
niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt
gemaakt van een kalibratiegas of interne justering door de
gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor
drift-compensatie, zoals een automatische nulstelling of een
automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen
geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een
meting van een extern gas.
10. Indien door dezelfde persoon met
hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd 20 opeenvolgende
metingen aan hetzelfde standaard gasmengsel worden uitgevoerd, mag
de standaarddeviatie van deze 20 resultaten niet groter zijn dan een
derde van de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout onder
gebruiksomstandigheden.
§ 9.3. Technische eisen
§ 9.3.1. Constructie
Artikel 8.4.85
1. Alle onderdelen van het
gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand
zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde
bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte
materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet
beïnvloeden.
2. De sonde is zodanig ontworpen dat
deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden
gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging
op zijn plaats wordt gehouden.
3. Het gasbehandelingssysteem is
voorzien van een filter, met regenereerbare of verwisselbare
elementen, dat bestanddelen met een diameter groter dan 5μm
verwijderd. Het instrument moet gedurende ten minste ½ uur kunnen
worden gebruikt met uitlaatgas van een automotor dat een HC
bestanddeel van ca. 800 ppm vol bevat. Het moet mogelijk zijn de mate
van vervuiling van het filter vast te stellen zonder dat dit
verwijderd moet worden. Filterelementen moeten, indien nodig,
eenvoudig en zonder gebruik van speciaal gereedschap kunnen worden
vervangen.
4. Het gasbehandelingssysteem bevat een
waterafscheider, die:
a. voorkomt dat water voorbij deze
waterafscheider op oppervlakken in het instrument condenseert;
b. automatisch wordt geleegd.
5. Het gasbehandelingssysteem is,
behalve van een aansluiting voor de sonde, voorzien van afzonderlijke
aansluitingen voor:
a. de toevoer van omgevingslucht
als referentie voor de nulstelling van het instrument;
b. de toevoer van het
kalibratie-gas.
Deze aansluitingen zijn achter de
waterafscheider en het filter geplaatst opdat de vervuiling van het
toegevoerde gas minimaal is. Indien bij een instrument omgevingslucht
wordt gebruikt, wordt deze door een afzonderlijk koolstoffilter of een
gelijkwaardig systeem gevoerd. Er is een voorziening om de druk binnen
de detector gedurende nulstellen, gaskalibratie en monstername gelijk
te houden.
6. De pomp waarmee het gas wordt
aangezogen:
a. is zodanig gemonteerd dat zijn
trillingen de metingen niet beïnvloeden;
b. kan onafhankelijk van de overige
delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het
echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een
uitgeschakelde pomp.
7. Het instrument bevat een inrichting,
waarmee wordt aangegeven wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat
zou veroorzaken dat:
a. de responsietijd wordt
overschreden, of
b. de invloed op de aanwijzing
groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout
onder gebruiksomstandigheden.
Deze inrichting moet voorkomen dat er
metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden
is bereikt.
8. Het gasbehandelingssysteem is
zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning
met omgevingslucht niet meer bedraagt dan:
a. voor CO, CO2 en HC: de helft van
de absolute waarde van de maximale fout onder
gebruiksomstandigheden;
b. voor O2: 0,1% vol.
Wanneer een zodanig lek optreedt dat
één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen
worden uitgevoerd.
Artikel 8.4.86
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van
een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld
in paragraaf 2 van deze afdeling.
§ 9.3.2. Beveiligingen
Artikel 8.4.87
1. Indien het instrument is uitgevoerd
met één of meer automatische controle-inrichting(en), moet het
mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
2. Bij een uitlaatgastester is, door
middel van een controle-inrichting voor het vaststellen van restanten
HC-gas, gewaarborgd dat, voordat een meting kan plaatsvinden, de
aangewezen waarde voor een monster omgevingslucht door de sonde minder
is dan 20 ppm vol hexaan.
3. Een instrument met een O2 kanaal is
uitgevoerd met een voorziening die verouderen van de sensor
automatisch detecteert.
§ 9.4. Justeringen
Artikel 8.4.88
1. Voor zover het instrument is
voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering vindt deze
justering plaats door middel van een semi-automatische
justeerinrichting waarmee uitsluitend een nulstelling kan
plaatsvinden.
2. Indien bij een instrument,
uitgevoerd met een automatische of semi-automatische
justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk
zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
3. Zowel bij een automatische als een
semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor
een noodzaak tot justering.
4. Als tijdelijke voorwaarde als
bedoeld in artikel 8.1.11 geldt dat een instrument moet worden
gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval
gelijk aan de helft van de periode die op grond van artikel 8.3.4,
vijfde lid, door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven
als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt
omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek zoals
bedoeld in artikel 8.1.11 verricht aan vijf verzegelde instrumenten
geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt
plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde
controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken
instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder
bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode
gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk
aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum
van drie controles.
5. Indien bij dit onderzoek gedurende
het beoogde justeerinterval blijkt dat:
a. alle in het onderzoek betrokken
instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder
bedrijfsomstandigheden voldoen wordt het definitieve
justeerinterval vastgesteld op het beoogde justeerinterval;
b. één of meer instrumenten niet
voldoen aan de eisen voor de maximale fout onder
gebruiksomstandigheden blijft het tijdelijk vastgestelde
justeerinterval zoals bedoeld in het vierde lid van kracht tenzij
één of meer instrumenten reeds binnen de periode van dit
tijdelijk vastgestelde justeerinterval niet aan deze eisen
voldoen. In dit geval wordt een nieuw tijdelijk vastgesteld
justeerinterval van kracht gelijk aan de helft van de periode
waarin alle instrumenten aan deze eisen bleken te voldoen. In elk
geval wordt hierna een nieuw onderzoek uitgevoerd overeenkomstig
het vierde lid, echter voor een beoogd justeerinterval gelijk aan
het gehele aantal maanden waarvoor alle instrumenten in het
voorgaande onderzoek aan de eisen voor de maximale fout onder
bedrijfsomstandigheden bleken te voldoen.
§ 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten
behoeve van uitlaatgastesters
Artikel 8.4.89
1. Gecertificeerd kalibratiegas voldoet
aan de volgende eisen:
Het gasmengsel bestaat uit de volgende
componenten in draaggas N-2:
|
Mengsel 1 |
|
|
CO |
3,5% vol |
|
CO2 |
14% vol |
|
C3H8 |
2000 ppm vol |
|
Mengsel 2 |
|
|
CO |
0,5% vol |
|
CO2 |
4% vol |
|
C3H8 |
200 ppm vol |
De nominale waarde mag ten hoogste
15% afwijken van de vermelde concentraties. De maximale relatieve
fout in de opgegeven concentraties bedraagt 2% voor de concentratie
van C3H8 in mengsel 2 en 1% voor de overige concentraties.
2. Een gecertificeerd kalibratiegas
is vervaardigd door een ingevolge artikel 8.2.12 erkende inrichting.
3. Een fles met gecertificeerd
kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop ten
minste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van
de ingevolge artikel 8.2.12 erkende inrichting is vastgelegd.
§ 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten
behoeve van alcoholsloten
Artikel 8.4.89a
1. Gecertificeerd kalibratiegas ten
behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
a. Het kalibratiegas moet zodanig
zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een
alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten
aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze
van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op
de juiste werking van het alcoholslot;
b. het kalibratiegas moet een
nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van
het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
c. het kalibratiegas moet telkens
worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van
niet meer dan 3%.
2. Bij de productie van het in het
eerste lid bedoelde kalibratiegas:
a. is de fabrikant vrij in de keuze
van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet
aan de voorschriften van dit artikel;
b. moet het kalibratiegas zodanig
zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities
voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
I. omgevingstemperaturen van 10
graad Celsius tot en met 33 graad Celsius;
II. luchtdrukken van 970 hPa
tot en met 1050 hPa;
III. relatieve luchtvochtigheid
van 5% tot en met 95%;
c. moet het kalibratiegas zodanig
zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan
voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten
minste 200 dagen;
3. Artikel 8.4.89, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 10.1. Algemeen
Artikel 8.4.90
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
bromfietsrollentestbank:
testinrichting voor het vaststellen van de snelheid van een
bromfiets;
resulterende meetwaarden: door de
bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als
uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
§ 10.2. Technische eisen
Artikel 8.4.91
1. Een bromfietsrollentestbank is
voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
a. een testaansluiting;
b. een inrichting waarmee
automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de
gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel
b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de
bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden
alle circuits gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de
nauwkeurigheid van de aanwijzing.
§ 10.3. De maximale fout
Artikel 8.4.92
De maximale fout bedraagt bij een
snelheid:
die niet groter is dan 50 km/h: 5 km/h;
die groter is dan 50 km/h: 10%.
Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een
weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de
omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout
bedoeld in artikel 8.4.92.
Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende
meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze
uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de
meetsignalen.
§ 10.4. Uitvoering
Artikel 8.4.96
1. De bromfietsrollentestbank is
voorzien van een digitale aanwijzing.
2. De bromfietsrollentestbank mag zijn
voorzien van:
a. een analoge aanwijzing in
combinatie met een digitale aanwijzing;
b. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een
zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden
verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn
aanwijsbereik is bestemd.
Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig,
dat in de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten
minste de volgende waarden vast:
a. tijdens de test de momentele
waarde van de snelheid;
b. na correcte uitvoering van de test
de resulterende meetwaarde.
Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste
wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
§ 10.6. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de
helderheid en het contrast van de weergave van een digitale
aanwijsinrichting zijn zodanig, dat ook onder minder gunstige
omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende
meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over
minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
§ 10.8. Registratie-inrichting
Artikel 8.4.103
1. Indien een bromfietsrollentestbank
is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting worden ten
minste de volgende gegevens vastgelegd:
a. de datum en het tijdstip van de
metingen aan het desbetreffende voertuig;
b. de ingevoerde informatie
betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het
kenteken of de meldcode;
c. de resulterende meetwaarde.
2. Andere informatie dan bedoeld in het
eerste lid mag worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot
misleiding of misvatting.
§ 10.9. Overige
Artikel 8.4.104
Indien een bromfietsrollentestbank
bedoeld is voor installatie in de vloer, wordt een verzegeling
aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
Artikel 8.4.105
In de handleiding behorende bij een
bromfietsrollentestbank is opgenomen:
a. een korte en overzichtelijke
procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering
van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt
verstaan een stroomschema;
b. de uit te voeren controles
voorafgaande aan of tijdens de metingen;
c. de betekenis van een
controleresultaat;
d. een beschrijving van eventueel
door het instrument gegeven meldingen, en
e. de informatie benodigd voor een
juiste interpretatie van het meetresultaat.
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 11.1. Algemeen
Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
geluidsniveaumeter:
precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in publicatienr. IEC651,
tweede uitgave van de Internationaal elektronische Commissie;
callibratiebron: geluidsbron die ten
minste voldoet aan het bepaalde in publicatienr. 942, eerste editie
van het IEC voor calibratiebronnen met een nauwkeurigheidsklasse 1.
Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de
calibratiegeluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd
volgens de eisen in artikel 8.4.108.
§ 11.2. Technische eisen
Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de
calibratiegeluidsbron voldoen ten minste aan richtlijn 70/157/EEG.
Hiervan zijn verklaringen aanwezig van een door de minister
overeenkomstig artikel 8.1.10 aangewezen keuringsinstelling.
Artikel 8.4.109
De geluidsniveaumeter voldoet aan de
eisen van IEC651 tweede uitgave voor Type 1 geluidsniveaumeters, en de
kalibratiegeluidsbron voldoet aan IEC942:1998, nauwkeurigheidsklasse 1.
§ 12. Koplamptestapparaten
Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de
volgende eisen:
a. indien de stralenbundel van een
koplamp met ingeschakeld dimlicht op de lens van het apparaat wordt
geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding
nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt
gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van de koplamp
bevindt;
b. het projectievlak van het apparaat
dient zodanig te zijn uitgevoerd of te kunnen worden versteld, dat
hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de
koplampen voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan
worden gecontroleerd;
c. de verstelbaarheid van het
apparaat in verticale richting moet zodanig zijn dat koplampen
waarvan de onderzijde zich ten minste 0,35 m en de bovenzijde ten
hoogste 1,20 m boven het wegdek bevindt, met het apparaat kunnen
worden gecontroleerd;
d. het apparaat moet zijn voorzien
van een inrichting waarmee het met een nauwkeurigheid van 5 graden
in plus en in min ten opzichte van de lengtehartlijn van het
voertuig kan worden gericht. Indien het apparaat is gemonteerd op
rails, moet het ten opzichte van de rails ten minste 5 graden naar
links en naar rechts kunnen zwenken;
e. de afstelling van het apparaat
moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
Artikel 9.1
Onverminderd artikel 149a, tweede lid,
van de wet kan het ingevolge artikel 149 van de wet bevoegde gezag
ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 5.1.1, eerste lid,
aanhef en onderdeel c, en tweede lid, 5.1.2 en 5.1.3.
§ 2. Aanvraag ontheffing
Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij
zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd
gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de
beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende
gegevens:
a. de artikelen waarvan ontheffing is
verleend dan wel een aanduiding daarvan;
b. de beperkingen waaronder de
ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing
zijn verbonden;
c. de datum van afgifte;
d. de geldigheidsduur, en
e. het bevoegd gezag.
§ 4. Tarieven
Artikel 9.4
1. Het bevoegd gezag kan tarieven
vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
2. Het bevoegd gezag kan bij de
vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of
buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane
tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Artikel 10.1
Overtreding van de artikelen 5.1.1,
eerste en tweede lid, 5.1.2, en 5.1.3 is een strafbaar feit.
Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van
een motorvoertuig wegens overtreding van artikel 5.1.1, eerste of tweede
lid, of artikel 5.1.2 kan hem de bevoegdheid tot het besturen van
motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 11.1
1. Richtlijn 2007/46/EG is wat betreft
de EG-typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypes van toepassing met
ingang van de in artikel 45, eerste en tweede lid, jo. bijlage XIX van
deze richtlijn vermelde data.
2. Richtlijn 2007/46/EG is wat betreft
de EG-typegoedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en
technische eenheden van toepassing met ingang van de in artikel 45,
zesde lid, van deze richtlijn vermelde datum.
Artikel 11.2
Een EG-typegoedkeuring voor voertuigen
van de voertuigclassificatie M1, afgegeven voor 29 april 2009, blijft op
grond van artikel 45, vijfde lid, van richtlijn 2007/46/EG na de
inwerkingtreding van deze regeling geldig en kan na deze datum worden
uitgebreid op grond van deze regeling.
Artikel 11.3
1. Nationale typegoedkeuringen,
afgegeven voor 29 april 2009, blijven op grond van artikel 45, derde
lid, van richtlijn 2007/46/EG geldig:
a. voor voertuigen van de
voertuigclassificatie M1 tot 29 oktober 2014, en
b. voor de voertuigen van de
voertuigclassificatie M2, M3 en de voertuigcategorieën N en O tot
de in bijlage XIX, vierde kolom, van richtlijn 2007/46/EG voor de
desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Voor 29 april 2009 verleende
nationale typegoedkeuringen voor een brandstoftank, reminrichting of
stuurinrichting blijven geldig totdat op basis richtlijn 2007/46/EG
zwaardere eisen worden gesteld aan deze onderdelen.
Artikel 11.4
1. Nationale typegoedkeuringen kunnen
worden verleend tot de in bijlage XIX, derde kolom, van richtlijn
2007/46/EG voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Nationale typegoedkeuringen als
bedoeld in artikel 11.3, eerste lid, en 11.4, eerste lid, kunnen
worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van richtlijn
2007/46/EG voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
3. Op de aanvraag, het verlenen en het
aanpassen van een nationale typegoedkeuring alsmede het houden van
toezicht daarop, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden voor
de inwerkingtreding van deze regeling.
4. Indien op basis van richtlijn
2007/46/EG zwaardere eisen worden gesteld dan de eisen als bedoeld in
het derde lid, dan komen deze zwaardere eisen daarvoor in de plaats.
Artikel 11.5
Indien een voor de inwerkingtreding van
deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is artikel
3.27 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.6
Bussen die voor 29 april 2009 in
Nederland zijn geregistreerd en waarvan de inrichting door de Dienst
Wegverkeer niet is gekeurd behoeven tot 1 januari 2015 niet te voldoen
aan hoofdstuk 5, afdeling 3a, artikelen 5.3a.1, zevende en achtste lid,
5.3a.6, zesde lid, 5.3a.41, derde tot en met twaalfde lid, 5.3a.42,
vierde en vijfde lid, 5.3a.43, tweede lid, 5.3a.44, 5.3a.46, eerste en
derde tot en met tiende lid, 5.3a.47, 5.3a.48, vijfde, zevende tot en
met negende en vijftiende lid, en de in bijlage IV gestelde eisen
betreffende de inrichting van het voertuig.
Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die
voor 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen,
ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en
waarvoor na 29 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd blijven
tot deze voertuigcategorie behoren mits de inrichting dan wel de
typecarrosserie niet is gewijzigd.
Artikel 11.8
1. Voor middenasaanhangwagens waarvoor
voor 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is
afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal,
evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand
tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het
voertuig.
2. Voor middenasaanhangwagens in
gebruik genomen na 29 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een
nationale typegoedkeuring die is afgegeven voor 30 april 2009, is de
wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het
voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van
de laatste as van het voertuig.
Artikel 11.9
Indien na 29 april een beslissing wordt
genomen op de aanvraag voor een kentekenbewijs die is ingediend voor 29
april 2009, zijn op het voertuig de eisen van toepassing zoals die
luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
Artikel 11.10
1. Motorvoertuigen die zijn ingericht
voor het vervoer van een gehandicapte, die zijn uitgerust met een
elektromotor of met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van
ten hoogste 250 cm3 en die niet zijn gehandicaptenvoertuigen, welke
motorvoertuigen vóór 1 januari 2000 in het verkeer zijn gebracht,
mogen tot 1 januari 2010 in afwijking van de voor personenauto’s
geldende eisen, voldoen aan de in de artikelen 5.10.1 tot en met
5.10.71 gestelde eisen voor gehandicaptenvoertuigen die zijn voorzien
van een gesloten carrosserie en die zijn uitgerust met een
verbrandingsmotor of een elektromotor, met uitzondering van de eisen
in de artikelen 5.10.6, onderdeel b, 5.10.38 en 5.10.39.
2. De remvertraging van de in het
eerste lid bedoelde motorvoertuigen moet op een droge of nagenoeg
droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2
bedragen.
3. De in het eerste lid bedoelde
motorvoertuigen mogen uitsluitend door gehandicapten worden gebruikt.
4. De in het eerste lid bedoelde
motorvoertuigen mogen uitsluitend binnen de bebouwde kom worden
gebruikt, behoudens ontheffing door het bevoegd gezag.
5. Ontheffingen als bedoeld in het
vierde lid, welke zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding
van dit artikel, blijven geldig voor de geldigheidsduur van die
ontheffingen. Zij kunnen door het gezag dat de ontheffing heeft
verleend, worden verlengd.
Artikel 11.11
1. Indien het kentekenbewijs of het
kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat
als bedoeld in artikel 5.2.7, eerste of tweede lid, artikel 5.2.23,
artikel 5.3.23, of artikel 5.4.21, blijft toepassing van het betrokken
artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of
artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig
achterwege.
2. Indien het kentekenbewijs of het
kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven
bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, eerste lid, worden voor de
toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’
aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het
kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’
en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
3. Indien het kentekenbewijs of het
kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven
bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, tweede lid, wordt voor de
toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’
aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het
kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’,
dan wel de op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum massa beladen
voertuig’.
4. Indien het kentekenbewijs of het
kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven
bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, eerste lid, worden voor de
toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’
aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het
registratiebewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen
tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.
Als ‘last onder de koppeling’ wordt in dat geval aangemerkt de op
het registratiebewijs vermelde ‘druk onder de koppeling’.
5. Indien het kentekenbewijs of het
kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven
bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, tweede lid, wordt voor de
toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’
aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op het
registratiebewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’,
dan wel het op het registratiebewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag
zijn voorleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling,
blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
Artikel 11.13
De volgende regelingen worden
ingetrokken:
a. Erkenningsregeling APK;
b. Erkenningsregeling
snelheidsbegrenzers;
c. Kleine serie-regeling;
d. LPG-Erkenningsregeling;
e. Regeling aanvraag en toezicht
typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
f. Regeling aanvraag en toezicht
typegoedkeuring;
g. Regeling deugdelijkheid en
weggedrag;
h. Regeling eisen individuele
goedkeuring;
i. Regeling gelijkwaardige
snelheidsbegrenzers;
j. Regeling meetmethoden massa’s en
afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
k. Regeling permanente eisen;
l. Regeling permanente eisen bussen;
m. Regeling permanente eisen taxi’s;
n. Regeling restantvoorraden
voertuigen;
o. Regeling T100-bussen;
p. Regeling toelatingseisen;
q. Regeling toelatingseisen
voertuigonderdelen;
r. Regeling tot wijziging van de
Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van
richtlijn nr. 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van
Richtlijn 92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het
gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde
categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
s. Regeling tot wijziging van enkele
regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband
met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen
en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt.
2005, 161);
t. Regeling uitzondering
keuringsplicht;
u. Regeling vaststelling datum eerste
toelating van voertuigen;
v. Regeling vaststelling
keuringsrapport;
w. Regeling vaststelling regels voor
de keuring van auto’s;
x. Regeling vaststelling regels voor
de keuring van bussen;
y. Regeling voertuigen met een
speciaal gebruiksdoel;
z. Regeling wijze van keuren APK;
aa. Regeling wijze van keuren
niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
ab. Regeling wijziging constructie;
ac. Regeling zitplaatsverdeling
bussen en auto’s;
ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
ae. Wijziging Regeling aanvraag en
toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van
richtlijn 2002/24/EG (Stcrt. 2003, 197);
af. Wijziging Regeling vaststelling
keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt.
2004, 99);
ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr.
HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse
ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het
model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
ah. Regeling tot wijziging van de
Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de
eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en
tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in
verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van
achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden
ingetrokken:
a. Bekendmaking EG-richtlijnen en
ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en
Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247).
b. Bekendmaking voornemen tot
vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader
van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van
Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt.
1996, 157);
c. Bekendmaking voornemen tot
vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het
kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van
motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30
september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
d. Bekendmaking EG-richtlijnen en
ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en
Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999,
43);
e. Implementatie richtlijnen
motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt.
2000, 40);
f. Bekendmaking EG-richtlijnen en
ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16
maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
g. Bekendmaking EG-richtlijnen en
ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en
Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000,
243);
h. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30
mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
i. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21
mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
j. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27
augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
k. Implementatie van richtlijn
2002/78/EG door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de
Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012
(Stcrt. 2002, 238);
l. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18
september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
m. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26
november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
n. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11
december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
o. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli
2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
p. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30
augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
q. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31
mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
r. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11
november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
s. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13
december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
t. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13
december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
u. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14
februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
v. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27
april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
w. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28
april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
x. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31
mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
y. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7
augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
z. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20
oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
aa. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7
november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
ab. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14
november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
ac. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9
januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
ad. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2
mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
ae. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8
mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
af. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28
juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
ag. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27
augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
ah. Bekendmaking EG-richtlijnen
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11
december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
ai. Bekendmaking terinzakelegging
vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en
Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt.
2008, 137);
aj. Bekendmaking EG-richtlijn
Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30
september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008,
194).
Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het
tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling voertuigen.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings.
Bijlagen niet opgenomen
|