|
REGELING van de Minister van
Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875,
houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en
geschiktheid 2011
De Minister van
Infrastructuur en Milieu;
Gelet op de artikelen 130, eerste en derde
lid, 131, eerste en derde lid, 132, tweede lid, 132a, tweede,
derde en vijfde lid, 132b, vijfde lid, 132c, vijfde,
zesde, zevende en negende lid, 132d, eerste, tweede, derde en
vijfde lid, 133, vierde en vijfde lid, 134, tweede, derde, zevende en
achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
ademalcoholgehalte:
ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als
bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid,
onderdeel a, van de wet;
beginnende bestuurder: bestuurder van
een motorrijtuig, voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist
is, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een
rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan wel,
indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft
dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit
rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die
afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,
indien nog geen zeven jaar zijn verstreken sedert de datum waarop
aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, en de eerste
afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft
plaatsgevonden;
bloedalcoholgehalte:
bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek
als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid,
onderdeel b, van de wet;
directeur: directeur van de Stichting
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR);
handset: handset als bedoeld in
artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;
hertest: in het kader van het
alcoholslotprogramma tijdens de rit afgeven van een ademmonster in
het in het motorrijtuig ingebouwde alcoholslot;
initieel ademmonster: initieel
ademmonster als bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling
voertuigen;
vaste eenheid: vaste eenheid als
bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;
wet: Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2
1. Een vermoeden als bedoeld in artikel
130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of
omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage
1.
2. Indien een vermoeden als bedoeld in
het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling
behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III, ‘Drogerende stoffen
Alcohol’, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te
zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.
Artikel 3
1. Feiten of omstandigheden als bedoeld
in artikel 2 kunnen blijken uit:
a. eigen waarneming en gegevens
afkomstig van de politie;
b. gegevens afkomstig van de
officier van justitie, of
c. door de politie nagetrokken
gegevens uit andere bron.
2. Feiten of omstandigheden als bedoeld
in artikel 2 kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien
blijken uit:
a. gegevens door de directeur
verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van
geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement
rijbewijzen;
b. gegevens, door de directeur van
een arts verkregen, of
c. gegevens, door de directeur uit
andere bron verkregen.
3. Het meest recente feit, bedoeld in
artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden
geleden geconstateerd. Indien het een mededeling betreft van de
officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling
uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk
is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk,
indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit
rechtvaardigen.
Artikel 4
1. De mededeling, bedoeld in artikel
130, eerste lid, van de wet kan schriftelijk worden gedaan volgens het
model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, of op
andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in dat model worden
vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via
geautomatiseerde systemen, dan wel via digitale gegevensdragers.
2. De in artikel 130, derde lid, van de
wet bedoelde toezending aan het CBR van een ingevorderd rijbewijs
geschiedt bij aangetekende brief.
§ 2. Vordering tot overgifte van het
rijbewijs en schorsing geldigheid
Artikel 5
Een vordering tot overgifte van het
rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in
de volgende gevallen:
a. betrokkene heeft een motorrijtuig
bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;
b. betrokkene heeft een poging tot
zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;
c. er zijn duidelijke aanwijzingen
dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk
en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige
psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd
wordt door een medisch deskundige;
d. betrokkene heeft met een
motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);
e. betrokkene heeft binnen een
periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;
f. betrokkene is als bestuurder van
een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met
duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de
aanrijding niet te hebben bemerkt;
g. betrokkene is niet in staat het
motorrijtuig in bedwang te houden;
h. betrokkene heeft een aanrijding
veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het
niet intrappen van het juiste pedaal;
i. betrokkene is bewust ingereden op
een andere weggebruiker;
j. bij betrokkene wordt als
bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte
geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l,
respectievelijk 1,3‰;
k. bij betrokkene wordt, in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;
l. betrokkene heeft geweigerd mee te
werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de wet;
m. ten aanzien van betrokkene is
binnen een periode van vijf jaar ten minste vier maal proces-verbaal
opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde
of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn
begaan als houder van een rijbewijs;
n. betrokkene heeft drie maal als
beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel IV,
opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de
in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn
onherroepelijk veroordeeld, dan wel is voor deze feiten tijdens of
na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke
strafbeschikking uitgevaardigd;
o. ten aanzien van betrokkene is
tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal
opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto
vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet.
Artikel 6
In de gevallen, bedoeld in artikel 5,
schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, van de wet de
geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van
motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel
131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het rijbewijs
ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de
wet.
§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol
en verkeer
Artikel 7
Het CBR besluit tot een lichte educatieve
maatregel alcohol en verkeer indien:
a. bij betrokkene een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is
dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l,
respectievelijk 1,0‰;
b. bij betrokkene, in de hoedanigheid
van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is
geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l,
respectievelijk 0,5‰, maar lager is dan 350µg/l, respectievelijk
0,8‰.
Artikel 8
Betrokkene komt niet in aanmerking voor
de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
a. hij een ongeval heeft veroorzaakt
waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk
letsel is toegebracht;
b. blijkt dat hij de Nederlandse taal
dan wel een andere taal waarin de lichte educatieve maatregel
alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate
beheerst;
c. hij de afgelopen vijf jaar aan een
lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
d. hij de afgelopen vijf jaar aan een
educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
e. hij de afgelopen vijf jaar aan het
alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;
f. hij zich de afgelopen vijf jaar
heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid
wegens alcohol;
g. hij naar het oordeel van een
medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of
dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die
deelname onmogelijk maakt;
h. het vermoeden bestaat dat er bij
betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
i. het bij de politie bekend is dat
hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de
vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:
a. de kosten van de educatieve
maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is
vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich
onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;
b. onder invloed van alcohol of
andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;
c. demonstratief niet aan de cursus
deelneemt;
d. zich tijdens de cursus agressief
gedraagt, of
e. tijdens de cursus op andere wijze
het groepsproces verstoort.
Artikel 10
1. De ten laste van betrokkene komende
kosten verbonden aan het opleggen van de lichte educatieve maatregel
alcohol en verkeer worden onderscheiden in:
a. kosten van het opleggen van de
maatregel, die € 300,–bedragen en
b. kosten van de uitvoering van de
maatregel, die € 80,–bedragen.
2. De in het eerste lid bedoelde
bedragen worden telkenjare voor het komende kalenderjaar vastgesteld
met toepassing van de volgende rekenformule:
|

|
bedrag voor het
huidige kalenderjaar
|
= |
bedrag voor het
komende kalenderjaar
|
Voor de toepassing van deze
rekenformule wordt verstaan onder:
C1: het CBS-prijsindexcijfer
(totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie over de
maand juni van het lopende kalenderjaar zoals dat is
gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;
Cv: het CBS-prijsindexcijfer
(totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie over de
maand juni van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende
kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch
Bulletin;
R1: het CBS-indexcijfer van
regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni
van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het
Statistisch Bulletin;
Rv: het CBS-indexcijfer van
regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni
van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar
zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.
3. Alle in het eerste lid bedoelde
kosten worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot
oplegging van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer aan
betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die
bekendmaking.
4. De in het derde lid bedoelde
termijn kan niet worden verlengd.
§ 4. Educatieve maatregel alcohol en
verkeer
Artikel 11
1. Het CBR besluit tot oplegging van
een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
a. bij betrokkene een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is
dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 570
µg/l, respectievelijk 1,3‰;
b. bij betrokkene in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is
dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435
µg/l, respectievelijk 1,0‰;
c. ten aanzien van betrokkene
binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal
proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel
8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van
die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd
dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel hoger
is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten
is begaan als beginnende bestuurder,
d. betrokkene op grond van artikel
8, onderdeel c, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve
maatregel alcohol en verkeer.
2. Artikel 9is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 12
Betrokkene komt niet in aanmerking voor
de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
a. hij een ongeval heeft veroorzaakt
waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk
letsel is toegebracht,
b. blijkt dat hij de Nederlandse taal
dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel alcohol en
verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
c. hij de afgelopen vijf jaar aan een
educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
d. hij de afgelopen vijf jaar aan het
alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;
e. hij zich de afgelopen vijf jaar
heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid
wegens alcohol;
f. hij naar het oordeel van een
medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of
dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die
deelname onmogelijk maakt,
g. het vermoeden bestaat dat er bij
betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
h. dat het bij de politie bekend is
dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.
Artikel 13
1. De ten laste van betrokkene komende
kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel alcohol
en verkeer worden onderscheiden in:
a. kosten met betrekking tot het
opleggen van de maatregel, die€ 300,– bedragen en
b. kosten met betrekking tot de
uitvoering van de maatregel, die € 432,–bedragen.
2. Artikel 10, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Alle in het eerste lid bedoelde
kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot
oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene bekend is
gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.
4. Indien betrokkene zich in een
dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn
redelijkerwijs niet mogelijk is, kan voor de kosten, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, de in het derde lid genoemde termijn worden
verlengd.
§ 5. Educatieve maatregel gedrag en
verkeer
Artikel 14
1. Het CBR besluit tot oplegging van
een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:
a. betrokkene tijdens een rit
herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij
deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III,
Rijgedrag;
b. ten aanzien van betrokkene als
bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, een
overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid
met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;
c. ten aanzien van betrokkene als
bestuurder van een bromfiets een overschrijding is geconstateerd
van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op
wegen binnen de bebouwde kom;
d. ten aanzien van betrokkene als
bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is
geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer
of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden,.
e. de uitslag van het ingevolge
artikel 23, tweede lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft
tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
2. Artikel 9is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15
Betrokkene komt niet in aanmerking voor
de educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:
a. hij een ongeval heeft veroorzaakt
waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk
letsel is toegebracht;
b. hij bewust op een andere
weggebruiker is ingereden;
c. blijkt dat hij de Nederlandse taal
dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel gedrag en
verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
d. hij de afgelopen vijf jaar reeds
twee maal aan de educatieve maatregel gedrag en verkeer heeft
deelgenomen;
e. hij naar het oordeel van een
medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of
dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die
deelname onmogelijk maakt;
f. het vermoeden bestaat dat er bij
betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
g. dat het bij de politie bekend is
dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.
Artikel 16
1. De ten laste van betrokkene komende
kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel gedrag
en verkeer worden onderscheiden in:
a. kosten met betrekking tot het
opleggen van de maatregel, die€ 300,– bedragen en
b. kosten met betrekking tot de
uitvoering van de maatregel, die € 510,–bedragen.
2. De artikelen 10, tweede lid, en 13,
derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Alcoholslotprogramma
Artikel 17
Het CBR besluit dat betrokkene zich dient
te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:
a. bij betrokkene een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is
dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 µg/l,
respectievelijk 1,8‰;
b. bij betrokkene, in de hoedanigheid
van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is
geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l,
respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785µg/l, respectievelijk
1,8‰;
c. betrokkene heeft geweigerd mee te
werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde
lid, van de wet;
d. ten aanzien van betrokkene binnen
een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal
opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde
of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen
een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan
220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88µg/l, respectievelijk
0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder,
of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan
een onderzoek als bedoeld in dat artikel;
e. betrokkene op grond van artikel 8,
onderdelen a, b, d of h, niet in aanmerking komt voor een lichte
educatieve maatregel alcohol en verkeer;
f. betrokkene op grond van artikel
12, onderdelen a, b, c of g, niet in aanmerking komt voor een
educatieve maatregel alcohol en verkeer, of
g. de uitslag van het ingevolge
artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft
tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, tenzij er naar het oordeel
van het CBR sprake is van een bijzondere omstandigheid.
Artikel 18
Betrokkene komt niet in aanmerking voor
het alcoholslotprogramma indien:
a. hij de afgelopen vijf jaar aan het
alcoholslotprogramma heeft deelgenomen, tenzij de doorverwijzing
naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag
van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek;
b. hij zich de afgelopen vijf jaar
heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid,
tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt
op basis van de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid,
opgelegde onderzoek;
c. hij naar het oordeel van een
medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of
dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die
deelname onmogelijk maakt, of
d. dat het bij de politie bekend is
dat hij regelmatig drogerende stoffen, anders dan alcohol, gebruikt;
e. hij uitsluitend de beschikking had
over een rijbewijs voor de categorie A, het rijbewijs voor de
categorie AM niet meegerekend.
Artikel 19
1. Het alcoholslotprogramma omvat de
volgende onderdelen:
a. de inbouw van een alcoholslot
als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;
b. de periodieke uitlezing van de
gegevens uit het alcoholslot door de erkenninghouder, bedoeld in
artikel 132k, eerste lid, van de wet;
c. het volgen van het
begeleidingsprogramma.
2. Voor de toepassing van dit artikel
wordt het alcoholslotprogramma verdeeld in perioden van zes maanden.
3. Bij de aanvang van het
alcoholslotprogramma bepaalt het CBR dat de periodieke uitlezing van
het alcoholslot uiterlijk elke 46 dagen dient plaats te vinden. Het
CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben
plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.
4. In afwijking van het derde lid
bepaalt het CBR dat na de eerste periode van zes maanden de periodieke
uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 92 dagen plaatsvindt,
indien:
a. bij de laatste uitlezing in de
eerste periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is
gebleken dat er ten hoogste driemaal een blaaspoging, niet zijnde
een hertest, is geregistreerd hoger dan 88µg/l;
b. bij een uitlezing in de tweede
periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken
dat er ten hoogste tweemaal een blaaspoging, niet zijnde een
hertest, is geregistreerd hoger dan 88µg/l
c. bij een uitlezing in de derde
periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma ten hoogste
één maal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is
geregistreerd hoger dan 88 µg/l.
d. bij een uitlezing in de vierde
periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma, dan wel bij
de laatste uitlezing tijdens een verlenging, géén blaaspoging,
niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88µg/l.
Het CBR doet van de data waarop de
uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan
betrokkene.
5. Indien bij de eerstvolgende
uitlezing na de uitlezing, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b
of c, blijkt dat betrokkene niet aan de in het vierde lid bedoelde
eisen voldoet, dan stelt het CBR de uitleesperiode vast op uiterlijk
elke 46 dagen. De laatste volzin van het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing.
6. De betrokkene dient, in aanvulling
op de periodieke uitlezingen zoals vastgesteld door het CBR
overeenkomstig het derde, vierde of vijfde lid, het alcoholslot extra
te laten uitlezen, indien:
a. minder dan 10 % van de
geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
b. het alcoholslot bij zelfdiagnose
constateert dat er onregelmatigheden of technische mankementen
zijn;
c. het alcoholslot na de laatste
uitlezing tenminste drie keer een spanningsonderbreking heeft
geregistreerd;
d. het motorrijtuig is gestart
zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit
het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger is
dan 88 µg/l;
e. de bestuurder niet heeft voldaan
aan het verzoek een hertest af te leggen;
f. een hertest is afgelegd, maar
uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het
gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan 88µg/l.
Artikel 20
Betrokkene verleent onder meer niet de
vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet aan
het alcoholslotprogramma indien:
a. hij de kosten, bedoeld in artikel
132c, zesde en zevende lid, van de wet niet, niet binnen de gestelde
termijn of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze
voldoet;
b. hij niet of niet binnen de
gestelde termijn meewerkt aan de uitlezing van de gegevens uit het
alcoholslot, met uitzondering van de in artikel 19, zesde lid,
onderdelen a, b of c, genoemde gevallen;
c. hij niet of niet binnen de door
het CBR gestelde termijn meewerkt aan de vastgestelde bijeenkomsten
of begeleidingsafspraken in het kader van het alcoholslotprogramma
zonder dat daarvoor tijdig een geldige reden van verhindering is
opgegeven;
d. hij onder invloed van alcohol of
andere drogerende stoffen op de vastgestelde periodieke
bijeenkomsten of begeleidingsafspraken verschijnt;
e. hij demonstratief niet aan de
vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken deelneemt;
f. hij zich tijdens de vastgestelde
bijeenkomsten of begeleidingsafspraken agressief gedraagt;
g. hij tijdens de vastgestelde
bijeenkomsten op andere wijze het groepsproces verstoort;
h. hij tijdens het
alcoholslotprogramma een motorrijtuig bestuurt waarvoor een
rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets:
I. dat niet is voorzien van een
alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet,
of
II. waarin een zodanig
alcoholslot is ingebouwd waarvan door een van de in artikel 159,
onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat
het niet functioneert, of
III. waarin wel een alcoholslot
is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van
het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld;
IV. en door een van de in artikel
159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen proces-verbaal is
opgemaakt op basis van eigen constatering, dan wel op basis van
een bekentenis van de bestuurder of van een verklaring of
verklaringen van getuigen, dat een ander dan de bestuurder heeft
geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste
lid, van de wet;
i. ten aanzien van hem, tijdens het
alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b, eerste lid, van de
wet na een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid,
van de wet een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat
hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, dan wel indien hij
tijdens de duur van het alcoholslotprogramma heeft geweigerd mee te
werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde
lid, van de wet;
j. ten aanzien van hem tijdens het
alcoholslotprogramma een rijontzegging van kracht is geworden;
k. het op zijn naam gestelde
rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel
123b van de wet of indien een aantekening is gemaakt op grond van
artikel 123b, derde lid, van de wet;
l. tijdens het alcoholslotprogramma
vier of meer foutieve hertesten zijn geregistreerd;
m. hij de meting of de werking van
het alcoholslot heeft omzeild;
n. indien tijdens het
alcoholslotprogramma uitbouw van het alcoholslot heeft
plaatsgevonden zonder dat een ander alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, van de wet is ingebouwd;
o. indien tijdens de duur van het
alcoholslotprogramma is geconstateerd dat:
I. de bij de installatie
aangebrachte verzegeling van de behuizing van het alcoholslot of
van de bedrading van het alcoholslot is verbroken,
II. een voorziening is
aangebracht waardoor het alcoholslot geheel of gedeeltelijk
buiten werking is gesteld, dan wel is gebleken dat het
motorrijtuig op andere wijze is gestart dan met gebruikmaking
van het alcoholslot of dat met het motorrijtuig is gereden
zonder dat periodiek een hertest is afgelegd;
III. de software van het
alcoholslot zodanig is aangepast of omzeild dat het motorrijtuig
kan worden gestart zonder het afleggen van een initieel
ademmonster of
IV. kan worden gereden zonder dat
periodiek een hertest moet worden afgelegd;
p. indien tijdens het
alcoholslotprogramma is gebleken dat voor de tweede keer bedrading
is onderbroken of beschadigd, de behuizing van het alcoholslot is
beschadigd of onregelmatigheden zijn geconstateerd betreffende de
aansluitpunten tussen de vaste eenheid en de uitleesapplicatie.
Artikel 21
1. De ten laste van betrokkene komende
kosten verbonden aan het opleggen van het alcoholslotprogramma, voor
zover niet betrekking hebbend op de kosten van het huren of kopen, de
inbouw, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhoud en de
uitbouw van het typegoedgekeurde alcoholslot worden onderscheiden in:
a. kosten met betrekking tot het
opleggen van het alcoholslotprogramma, die€ 300,–bedragen;
b. kosten met betrekking tot de
uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132c,
vierde lid, van de wet bedoelde periode, die€ 700,–bedragen;
c. kosten met betrekking tot de
uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132d,
tweede of vierde lid, van de wet bedoelde verlenging, die per
verlenging € 270,– bedragen;
d. kosten verbonden aan het in
stand houden van het alcoholslotregister, welke kostenbij of
krachtens de Wegenverkeerswet 1994zijn vastgesteld.
2. Artikel 10, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing op de kosten, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen a, b en c.
3. De kosten, bedoeld in het eerste
lid, worden betaald in termijnen op de wijze zoals door het CBR
aangegeven bij het besluit, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, van
de wet, dan wel bij het besluit, bedoeld in artikel 132d, tweede of
vierde lid, van de wet.
4. De in het derde lid bedoelde
termijnen kunnen niet worden verlengd.
Artikel 22
Het CBR besluit tot verlenging van het
alcoholslotprogramma indien uit de in artikel 132d, eerste of derde lid,
van de wet bedoelde evaluatie is gebleken dat in de laatste zes maanden
dan wel tijdens de verlenging van het alcoholslotprogramma tenminste
één blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan
88µg/l.
§ 7. Onderzoeken
Artikel 23
1. Het CBR besluit dat betrokkene zich
dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld
in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:
a. bij betrokkene, al dan niet in
hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of
bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is
dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;
b. betrokkene op grond van artikel
8, onderdelen e, f, g, of i, niet in aanmerking komt voor een
lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;
c. betrokkene op grond van artikel
12, onderdelen d, e, f of h, niet in aanmerking komt voor een
educatieve maatregel alcohol en verkeer, of
d. betrokkene op grond van artikel
18 niet in aanmerking komt voor een alcoholslotprogramma.
2. Het CBR besluit voorts dat
betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de
rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene
op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een
educatieve maatregel gedrag en verkeer.
3. Het CBR besluit ten slotte dat
betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de
rijvaardigheid dan wel geschiktheid:
a. in geval van feiten of
omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende
bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III,
Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen‘Alcohol’,
alsmede
b. indien betrokkene op grond van
artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt
voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.
4. Indien de mededeling, bedoeld in
artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en
omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage
1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de
juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel
verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van
een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 24
Betrokkene verleent onder meer niet de
vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of
geschiktheid indien hij:
a. de kosten bedoeld in artikel 25,
eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel
overeengekomen wijze voldoet, of
b. geen gehoor geeft aan oproepen
voor het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, zonder
dat daarvoor tijdig een geldige reden is opgegeven.
Artikel 25
1. De kosten verbonden aan een
onderzoek naar de geschiktheid komen voor rekening van de betrokken
rijbewijshouder:
a. in de in artikel 23, eerste lid,
bedoelde gevallen, en
b. in de in artikel 23, derde lid,
onderdeel a, bedoelde gevallen, voor zover het de gevallen
betreft, bedoeld in bijlage 1, onder B, onderdeel III, Andere
drogerende stoffen.
2. De in het eerste lid bedoelde kosten
worden onderscheiden in:
a. kosten met betrekking tot het
opleggen van het onderzoek, die€ 300,–bedragen;
b. kosten met betrekking tot de
uitvoering van die maatregel, die € 666,–bedragen.
3. De artikelen 10, tweede lid, en 13,
derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26
1. De kosten van het tweede onderzoek,
bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet bedragen voor 2011 €
618,–.artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De kosten van het tweede onderzoek
worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR, bedoeld
in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij die
mededeling is aangegeven. Deze termijn wordt niet verlengd.
§ 8. Ongeldigverklaring van het
rijbewijs
Artikel 27
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring
van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien
de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt
dat betrokkene:
a. niet de rijvaardigheid bezit voor
de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;
b. niet voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de
lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of
meer categorieën motorrijtuigen.
§ 9. Slotbepalingen
Artikel 28
De Regeling maatregelen rijvaardigheid en
geschiktheid wordt ingetrokken.
Artikel 29
Deze regeling treedt in werking op het
tijdstip waarop de artikelen I, onderdeel A, E tot en met DD, en GG tot
en met PP, en II tot en met VIII, van de Wet van 4 juni 2010 tot
wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van
de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb.
259) in werking treden.
Artikel 30
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.
Deze regeling
zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Infrastructuur en
Milieu,
M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.
Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen
rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Feiten dan wel omstandigheden, die een
vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de
vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën
van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met
uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of
geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor
een rijbewijs is afgegeven:
A. Rijvaardigheid en rijgedrag
I. Vaardigheid in het omgaan met het
motorrijtuig
I.1. Bediening van het motorrijtuig
1. Een onjuiste bediening van het
koppelingspedaal dan wel het gaspedaal, zich manifesterend in het bij
herhaling afslaan van de motor dan wel schokkend en slingerend rijden
en bochten te ruim nemen dan wel het intrappen van het onjuiste pedaal
of het niet intrappen van het juiste pedaal;
2. een onjuiste bediening van het
versnellingsmechanisme, al dan niet in combinatie met het koppelings-
of het gaspedaal, waardoor hoorbaar regelmatig de verkeerde
versnelling wordt gekozen, langdurig in een te hoge of te lage
versnelling wordt gereden en met een te laag of te hoog toerental;
3. een onjuiste bediening van de rem,
waardoor bij herhaling abrupt wordt vertraagd en gestopt of met
blokkerende wielen wordt geremd;
4. een onjuist gebruik of nalaten van
het gebruik van mechanismen en apparatuur van het motorrijtuig die van
belang zijn voor de verkeersveiligheid, zoals ruitenwissers,
richtingaanwijzers, verlichting en voorruitverwarming.
I.2. Beheersing van het motorrijtuig
1. Gebrek aan stuurvastheid waardoor,
al dan niet in combinatie:
a. slingerend wordt gereden;
b. bij herhaling van de juiste
koers wordt afgeweken;
c. bij het richting veranderen
bochten niet vloeiend worden genomen;
d. bij het volgen van bochten in
het wegverloop het motorrijtuig uit de bocht‘zeilt’.
2. Onvoldoende rekening houden met de
omvang van het motorrijtuig waardoor bijvoorbeeld bochten te ruim of
te krap worden genomen.
3. Overige feiten of omstandigheden
waaruit een gebrek in de vaardigheid in de beheersing van het
motorrijtuig blijkt:
a. het motorrijtuig niet onder
controle houden;
b. bij herhaling op onjuiste wijze
keren, achteruitrijden of parkeren;
c. bij herhaling veroorzaken van
aanrijdingen.
II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het
verkeer
1. Niet adequaat kijkgedrag
Hanteren van een verkeerde kijktechniek
en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels
waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het
overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:
a) wegrijden;
b) naderen en oprijden van
kruispunten;
c) voorsorteren;
d) inhalen en het wisselen van
rijstrook;
e) invoegen en het uitvoegen;
f. dan wel zich manifesterend door
slecht kijkgedrag in het algemeen.
2. Gebrekkige rijvaardigheid
Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt
uit:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers
aangepaste snelheid;
c. onjuist invoegen en uitvoegen;
d. onnodig remmen en stoppen;
e. naar links of rechts afslaan op
een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;
f. rakelings passeren van andere
weggebruikers en obstakels;
g. onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere deelnemers;
h. niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
i. niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe of interne factoren.
III. rijgedrag
1. Gevaarzettend rijgedrag waardoor:
a) andere weggebruikers of
obstakels rakelings worden gepasseerd;
b) andere weggebruikers worden klem
gereden of de weg wordt afgesneden.
2. Gebrek aan inzicht in risico’s in
het verkeer, zoals:
a) onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere weggebruikers;
b) niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
c) niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de
weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen,
voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de
toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en
van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne
factoren zoals het ‘hand held bellen’, afleiding door
audiovisuele middelen of vermoeidheid;
d) uitvoeren van gevaarlijke
inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen,
waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;
e) met een te hoge snelheid naderen
van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere
onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en
spoorwegovergangen;
f) aanhouden van, gelet op de
snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige
volgafstand;
g) geen rekening houden met de
belangen van andere weggebruikers, zoals het:
1) geen gelegenheid geven tot
invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de
invoegstrook;
2) blokkeren van doorgangen of
dubbel parkeren.
3. Incorrect samenspel met andere
verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:
a) rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers
aangepaste snelheid;
b) onnodig remmen en stoppen;
c) snijden: het niet juist afmaken
van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of
naar links te gaan;
d) op te korte afstand volgen van
voorliggers;
e) onjuist invoegen of onjuist
uitvoegen.
4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden
dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens
ter zake van:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. het inhalen;
c. het verlenen van voorrang;
d. het naar links of rechts
afslaan;
e. het gebruik van lichten en geven
van signalen;
f. het rijden op auto(snel)wegen:
bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het
rode kruis boven een rijstrook;
g. het negeren van een rood
verkeerslicht;
h. het als bestuurder van een
motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de
toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen
binnen de bebouwde kom;
i. het als bestuurder van een
motorrijtuig overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met
31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij
wegwerkzaamheden;
j. het als bestuurder van een
bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31
kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom.
IV. Herhaaldelijk niet of niet op de
juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel
verkeerstekens
In de hoedanigheid van beginnende
bestuurder, onverminderd het overigens in deze bijlage bepaalde, drie
maal een of meer van de navolgende feiten hebben begaan waarvoor hij
tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde
termijn onherroepelijk is veroordeeld, dan wel indien voor deze feiten
tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk
geworden strafbeschikking is uitgevaardigd:
a. overtreding van artikel 5 van de
wet;
b. overtreding van artikel 6 van de
wet;
c. overtreding van artikel 19 van het
RVV 1990;
d. overtreding van de artikelen 20,
21 en 22 RVV 1990;
e. overtredingen van artikel 62
juncto de borden A1 en A3 van het RVV 1990;
f. overige overtredingen van het RVV
1990 indien daarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan
goederen is toegebracht.
B. Geschiktheid
I. Lichamelijke geschiktheid
a. bewusteloosheid of stoornis in het
bewustzijn;
b. wegraking / black-out;
c. hevige duizeligheid;
d. evenwichtsstoornis;
e. coördinatiestoornis,
ongecontroleerde bewegingen;
f. stoornis in het gebruik van één of
meer ledematen;
g. duidelijk verminderd
gezichtsvermogen;
h. betrokkene verklaart geneesmiddelen
te hebben ingenomen die, al dan niet in combinatie met alcohol, de
rijvaardigheid beďnvloeden;
i. lichamelijk gebrek of functieverlies
terwijl op het rijbewijs niet is vermeld dat betrokkene slechts:
– een motorrijtuig mag besturen
dat aan bijzondere eisen voldoet die zijn gericht op dat gebrek of
functieverlies;
– een motorrijtuig mag besturen
onder gebruikmaking van kunst- of hulpstukken;
j. uit een medische verklaring blijkt
van sterke aanwijzingen voor een verhoogd risico op een situatie als
bedoeld onder a tot en met i.
II. geestelijke geschiktheid
a. verwardheid, geheugenstoornissen,
oriëntatiestoornissen;
b. ernstig gestoord inzicht of gedrag;
c. ernstig onaangepast rijgedrag;
d. agressiviteit in het verkeer;
e. paniekaanvallen;
f. abnormale opwindingstoestanden;
g. poging tot zelfdoding in het
verkeer.
III. Drogerende stoffen
Alcohol
a. bij betrokkene is een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;
b. bij betrokkene is in de hoedanigheid
van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte
geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l,
respectievelijk 0,5‰;
c. ten aanzien van betrokkene is binnen
een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal is
opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde
of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een
adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220
µg/l, respectievelijk 0,5‰, of dat hoger is dan 88 µg/l,
respectievelijk 0,2‰, indien tenminste een van de feiten is begaan
als beginnende bestuurder;
d. betrokkene weigert mee te werken aan
een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de
wet;
e. uit een verklaring van een medisch
deskundige blijkt dat betrokkene alcoholafhankelijk is;
f. bij betrokkene is, als deelnemer aan
het alcoholslotprogramma, een adem- of bloedalcoholgehalte
geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ of
betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholonderzoek als
bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet, of
g. betrokkene heeft tijdens de duur van
het alcoholslotprogramma:
– een motorrijtuig bestuurd
waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een
bromfiets, dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid, van de wet;
– een motorrijtuig bestuurd, niet
zijnde een bromfiets, waarvan het kenteken in het in artikel 129a
bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig
is voorzien van een niet functionerend alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid, van de wet;
– een motorrijtuig bestuurd, niet
zijnde een bromfiets, waarin wel een zodanig alcoholslot is
ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het
alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld, of
– een motorrijtuig, niet zijnde
een bromfiets, bestuurd, terwijl door een van de in artikel 159,
onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat een
ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld
in artikel 132e, eerste lid, van de wet.
Andere drogerende stoffen
a. betrokkene is in het bezit van
benodigdheden voor het gebruik van drogerende stoffen en uit een door
betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor
eigen gebruik zijn;
b. betrokkene is in het bezit van een
gebruikershoeveelheid drogerende stoffen en uit een door betrokkene
aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik
is;
c. betrokkene staat bij de politie
bekend als gebruiker van drogerende stoffen;
d. betrokkene is staande gehouden of
aangehouden onder invloed van drogerende stoffen.
Bijlage 2 bij de Regeling maatregelen
rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Model mededeling
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
Divisie Vorderingen
Postbus 3012
2280 GA RIJSWIJK (ZH)
Regiopolitie / Openbaar Ministerie / CBR:
Afdeling / district:
PL-code:
Contactpersoon:
Adres:
Postcode + Plaatsnaam:
Telefoonnummer:
Ons kenmerk:
Mededeling als bedoeld in artikel 130,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
□ De korpschef, bedoeld in
artikel 24, onderscheidenlijk artikel 38 van de Politiewet 1993 en de
door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers,
□ De commandant, bedoeld in
artikel 6, derde lid, van de Politiewet 1993 en de door hem voor dit
doel aangewezen plaatsvervangers,
□ De officier van justitie,
□ De directeur van de Stichting
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, doet mededeling van het
vermoeden dat de hierna genoemde houder van een rijbewijs verder
genoemd betrokkene) niet langer beschikt over de rijvaardigheid
vereist voor het besturen van categorie(ën) /.. /.. /.. / van
motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, dan wel over de
lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen
van categorie(ën) /.. /.. /.. / van motorrijtuigen waarvoor dat
rijbewijs is afgegeven.
Gegevens betrokkene
Naam:
Voornamen:
Geslacht:
Geboortedatum:
Geboorteplaats:
Adres:
Postcode:
Woonplaats:
Rijbewijsgegevens
Rijbewijsnummer:
Burger Service Nummer:
Afgifte autoriteit:
Afgegeven op:
Geldig tot:
Categorie(ën): /.. / ../.. /
Datum feit of feiten
Het vermoeden dat betrokkene niet
beschikt over de vereiste geschiktheid is gebaseerd op de volgende, aan
alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
□ bij betrokkene wordt een
adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of
hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;
□ bij betrokkene is in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan
220µg/l, respectievelijk 0,5‰;
□ ten aanzien van betrokkene is
binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal
opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde
of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen
een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan
220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, of dat hoger is dan 88 µg/l,
respectievelijk 0,2‰, indien tenminste een van de feiten is begaan
als beginnende bestuurder;
□ betrokkene weigert mee te
werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde
lid, van de wet;
□ uit een verklaring van een
medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholafhankelijk is;
□ bij betrokkene is, als
deelnemer aan het alcoholslotprogramma, een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l,
respectievelijk 0,2‰ of betrokkene heeft geweigerd mee te werken
aan een alcoholonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde
lid, van de wet;
□ betrokkene heeft tijdens de
duur van het alcoholslotprogramma:
− een motorrijtuig bestuurd
waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een
bromfiets, dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld
in artikel 132e, eerste lid, van de wet;
− een motorrijtuig
bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarvan het kenteken in het
in artikel 129a van de wet bedoelde register aan hem is
gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien van een
niet-werkend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste
lid, van de wet, of
− een motorrijtuig
bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarin wel een zodanig
alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het
kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is
gekoppeld, of
− een motorrijtuig, niet
zijnde een bromfiets, bestuurd, terwijl door een van de in
artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is
geconstateerd dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in
het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de
wet.
|
Datum: |
Ademalcoholgehalte: |
Bloedalcoholgehalte: |
Weigering: |
|
.... |
.... |
.... |
.... |
|
.... |
.... |
.... |
.... |
|
.... |
.... |
.... |
.... |
Het vermoeden dat betrokkene niet
beschikt over de vereiste rijvaardigheid of zodanig rijgedrag heeft
vertoond dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt
over de vereiste rijvaardigheid, is gebaseerd op de volgende, niet aan
alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
– Betrokkene heeft blijk gegeven
van een gebrekkige rijvaardigheid, die blijkt uit:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers
aangepaste snelheid;
c. onjuist invoegen en uitvoegen;
d. onnodig remmen en stoppen;
e. naar links of rechts afslaan
op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;
f. rakelings passeren van andere
weggebruikers of obstakels;
g. onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere deelnemers;
h. niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
i. niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe of interne factoren.
– Betrokkene heeft gevaarzettend
rijgedrag tentoongespreid waardoor:
a. andere weggebruikers of
obstakels rakelings worden gepasseerd;
b. andere weggebruikers worden
klem gereden of de weg wordt afgesneden, of
– Betrokkene heeft blijk gegeven
van gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer, zoals:
a. onvoldoende anticiperen op het
gedrag van andere weggebruikers;
b. niet adequaat reageren op
bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;
c. niet tijdig onderkennen van de
invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de
weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen,
voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de
toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en
van de vervoerde lading, wegwerkzaamheden, of van interne
factoren, zoals het‘hand held’ bellen, afleiding door
audiovisuele middelen of vermoeidheid;
d. uitvoeren van gevaarlijke
inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen,
waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;
e. met een te hoge snelheid
naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in
andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en
spoorwegovergangen;
f. aanhouden van, gelet op de
snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve
onveilige volgafstand;
g. geen rekening houden met de
belangen van andere weggebruikers, zoals het:
1. geen gelegenheid geven tot
invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de
invoegstrook;
2. blokkeren van doorgangen
of dubbel parkeren, of
– Betrokkene heeft blijk gegeven
van incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het
verkeer, dat blijkt uit:
a. rijden met een niet aan de
snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers
aangepaste snelheid;
b. onnodig remmen en stoppen;
c. snijden: het niet juist
afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar
rechts of naar links te gaan;
d. op te korte afstand volgen van
voorliggers;
e. onjuist invoegen of onjuist
uitvoegen op autowegen en autosnelwegen;
f. onjuist invoegen of onjuist
uitvoegen bij vermindering van het aantal rijstroken, of
– Betrokkene heeft duidelijk een
gedrag tentoongespreid dat in strijd is met de essentiële
verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:
a. de plaats op de weg, waaronder
begrepen spookrijden;
b. het inhalen;
c. het verlenen van voorrang;
d. het naar links of rechts
afslaan;
e. het gebruik van lichten en
geven van signalen;
f. het rijden op auto(snel)wegen:
bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van
het rode kruis boven een rijstrook;
g. het negeren van een rood
verkeerslicht;
h. het als bestuurder van een
motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de
toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen
binnen de bebouwde kom;
i. het als bestuurder van een
motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de
toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen
binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;
j. het als bestuurder van een
bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31
kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom.
Het vermoeden dat betrokkene niet
beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid is gebaseerd op
de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
Het vertoonde gedrag is:
– nader omschreven in bijgaande
afschriften van het proces-verbaal
– nader te bekijken op bijgaande
kopie van een video-opname.
Vordering in het kader van begeleid
rijden
– Betrokkene die voor zijn
achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs
voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn
achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de
begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider
van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een
stof, waarvan het gebruik – al dan niet in combinatie met het
gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen,
dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.
Indien van toepassing:
Invordering als bedoeld in artikel 130,
tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft op grond van het
volgende plaatsgevonden:
□ betrokkene heeft een
motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere
dan alcohol;
□ betrokkene heeft een poging
tot zelfdoding ondernomen in het verkeer;
□ er zijn duidelijke
aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij
geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel
ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel
bevestigd wordt door een medisch deskundige;
□ betrokkene heeft met een
motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);
□ betrokkene heeft binnen een
periode van een jaar tenminste drie aanrijdingen veroorzaakt;
□ betrokkene is rechtstreeks
betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel
letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;
□ betrokkene is niet in staat
het motorrijtuig in bedwang te houden;
□ betrokkene heeft een
aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of
door het niet intrappen van het juiste pedaal;
□ betrokkene is bewust
ingereden op een andere weggebruiker;
□ bij betrokkene wordt als
bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk
is aan of hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰;
□ bij betrokkene wordt in de
hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of
bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is
dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;
□ betrokkene heeft geweigerd
mee te werken naar een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of
derde lid, van de wet;
□ ten aanzien van betrokkene is
binnen een periode van vijf jaar tenminste vier maal proces-verbaal
opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde
of vierde lid, van de wet, waarbij betrokkene ten tijde van de
laatste verdenking houder van een rijbewijs was;
□ betrokkene heeft drie maal
als beginnende bestuurder een of meer van de strafbare feiten begaan
die worden genoemd in bijlage 1, onderdeel IV, bij de Regeling
maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en voor deze feiten is
hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, van
die regeling genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel
voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een
onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;
□ ten aanzien van betrokkene is
tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal
opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto
vierde lid, van de wet of van artikel 9, negende lid, van de wet;
□ betrokkene die voor zijn
achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs
voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn
achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de
begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider
van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een
stof, waarvan het gebruik – al dan niet in combinatie met het
gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen,
dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.
Overige:
□ het rijbewijs is bij de
mededeling gevoegd.
□ betrokkene beheerst de
Nederlandse taal (van belang voor de verschillende educatieve
maatregelen).
□ betrokkene beheerst de
volgende taal of talen (alleen invullen indien betrokkene de
Nederlandse taal niet beheerst): ...........
|
Aantal bijlage(n) meegestuurd: |
........... |
|
Plaats: |
........... |
|
Datum: |
........... |
|
Handtekening: |
........... |
|
Naam: |
........... |
|
Functie: |
........... |
|