| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM)
BESLUIT
VASTSTELLING VERZEKERINGSBEWIJS NIET-KENTEKENPLICHTIGE
MOTORRIJTUIGEN EN REGELS VRIJSTELLINGSBEWIJS
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 16 september 1965, houdende vaststelling
van het bewijs van verzekering voor de niet-kentekenplichtige
motorrijtuigen en enkele regelen met betrekking tot het bewijs van
vrijstelling
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juli 1965,
nr. A-2/031133, Directoraat-Generaal van het Verkeer, mede namens Onze
Minister van Justitie;
Gelet op de artikelen 14, 34 en 38 van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
De Raad van State gehoord (advies van 18
augustus 1965, nr. 34);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 8 september 1965, nr. A-2 1031777,
Directoraat-Generaal van het Verkeer, mede namens Onze Minister van
Justitie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Definities
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
c. motorrijtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1
van de wet;
d. gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is uitgerust met een
motor, dat niet breder is dan 1,10 m, waarvan de door de constructie
bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en
dat is ingericht voor het vervoer van een invalide;
e. verzekeraar: de verzekeraar, als bedoeld in artikel 2, vijfde
lid, der wet;
f. weg en terrein: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1
van de wet;
g. motorrijtuig, dat gewoonlijk in het buitenland is gestald;
1°. een motorrijtuig waarvoor een kenteken met beperkte
geldigheidsduur overeenkomstig een door Onze Minister aangewezen
model is opgegeven;
2°. een motorrijtuig dat van de toepassing van artikel 36,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is uitgezonderd en
waarvoor een militair registratienummer is opgegeven;
3°. een motorrijtuig dat in een ander land krachtens de
aldaar geldende wettelijke regeling is geregistreerd of van een
verzekeringsplaat of ander onderscheidingsteken is voorzien;
4°. een motorrijtuig dat niet in een ander land krachtens
een aldaar geldende wettelijke regeling is geregistreerd of van
een verzekeringsplaat of ander onderscheidingsteken is voorzien,
waarvoor noch in Nederland noch elders een kenteken is opgegeven
en dat gewoonlijk in een ander land dan Nederland is gestald.
§ 2. Bewijs van verzekering binnenlandse niet-kentekenplichtige
motorrijtuigen
Artikel 2
1.Behoudens het bepaalde in artikel 6 moet de bestuurder van een
gehandicaptenvoertuig bij zich hebben:
a. een geldige verzekeringsplaat, welke op de in artikel 3,
tweede lid, voorgeschreven wijze op het gehandicaptenvoertuig is
bevestigd en welke behoort bij de verzekering bedoeld onder b;
alsmede
b. een document waaruit blijkt dat met betrekking tot het door
hem bestuurde gehandicaptenvoertuig een verzekering overeenkomstig
de wet van kracht is.
2.De verzekeringsplaat en het document, bedoeld in het eerste lid,
worden verstrekt door de verzekeraar.
Artikel 3
1.Als verzekeringsplaat, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a,
geldt een vierkante plaat van 80 * 80 mm met afgeronde hoeken, waarop
letters en cijfers zijn vermeld als in dit artikel omschreven.
2.De verzekeringsplaat wordt bevestigd op het achterspatbord in
verticale of nagenoeg verticale stand en in de breedterichting van het
gehandicaptenvoertuig, op zodanige wijze dat de letters zich boven de
cijfers bevinden en de letters en cijfers goed zichtbaar zijn. Indien
het gehandicaptenvoertuig meer achterwielen heeft, behoeft slechts
één verzekeringsplaat op één der achterspatborden te worden
aangebracht. Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een bak
of opbouw mag de verzekeringsplaat in plaats van op het achterspatbord
ook worden bevestigd op de achterzijde van de bak of opbouw, zoveel
mogelijk aan de uiterste linkerzijde daarvan.
3.Op de verzekeringsplaat worden bovenaan drie hoofdletters naast
elkaar en daaronder drie cijfers naast elkaar geplaatst. De afmetingen
van deze letters en cijfers zijn ten minste 24 mm hoog en ten minste
16 mm breed, met dien verstande dat het cijfer 1 ten minste 7 mm breed
moet zijn, terwijl de letters A, C, E, I, K, O, U en Y niet worden
gebezigd. Op de plaat worden tevens het woord Nederland en een jaartal
geplaatst;
deze letters en cijfers zijn ten minste 5 mm hoog. Onze Minister
stelt jaarlijks de plaats van deze aanduidingen op de plaat vast,
alsmede de volgorde van de aanduidingen.
4.Onze Minister stelt de kleur vast
a. van de ondergrond van de verzekeringsplaat met daarbij
eventueel de mate van de retroflectie van de kleur;
b. waarin de letters en cijfers, het woord Nederland en het te
vermelden jaartal alsmede een eventuele rand jaarlijks moeten
worden uitgevoerd.
Onder kleur wordt voor de toepassing van dit lid mede verstaan
zwart. Onze Minister kan voorschriften geven ten aanzien van het
materiaal, waarvan de verzekeringsplaat moet worden vervaardigd.
5.Onze Minister stelt de lettercombinaties vast, welke een
verzekeraar moet doen aanbrengen op de door hem af te geven
verzekeringsplaten.
6.De verzekeringsplaat kan worden gebezigd met ingang van de eerste
januari van het kalenderjaar, dat erop staat vermeld. De
geldigheidsduur van de plaat eindigt op 30 april van het daarop
volgende jaar te 24.00 uur.
Artikel 4
1.In het document, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b,
worden ten tenminste de volgende gegevens vermeld:
a. naam en adres van de verzekeraar;
b. naam en adres van de verzekeringnemer;
c. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de
dekking;
d. merk en, indien het gehandicaptenvoertuig hiervan is
voorzien, identificatienummer;
e. letters en cijfers van de verzekeringsplaat.
2.Indien overeenkomstig artikel 12, derde lid, der wet is bedongen,
dat de verzekering eindigt wanneer de verplichting tot verzekering met
betrekking tot het gehandicaptenvoertuig op een ander overgaat, moet
dit op het document worden vermeld.
3.De geldigheidsduur van het document eindigt gelijktijdig met die
van de bijbehorende verzekeringsplaat en vangt niet eerder aan dan met
ingang van 1 januari van het op de verzekeringsplaat vermelde jaar.
4.Het model van het document, bedoeld in dit artikel, behoeft de
goedkeuring van of wordt vastgesteld door Onze Minister, na overleg
met Onze Minister van Justitie. Onze laatstgenoemde Minister kan, na
overleg met Onze Minister, bepalen, dat door of vanwege de verzekeraar
een afschrift van het document of van een deel daarvan binnen een
bepaalde termijn aan een door hem aangewezen instantie moet worden
toegezonden.
5.In afwijking van het eerste lid kan een verzekeraar, mits hem een
geldig ten name van de verzekeringnemer gesteld fabrikanten- of
handelaarsbewijs W.A.M. (gehandicaptenvoertuigen) wordt getoond, in
het document, in plaats van het merk en ingeslagen identificatienummer
van het gehandicaptenvoertuig vermelden: «gehandicaptenvoertuig, deel
uitmakende van de fabrieks- of handelsvoorraad van de
verzekeringnemer». De verzekeraar tekent de verstrekking van een
zodanig document op door Onze Minister te bepalen wijze op het in de
eerste volzin bedoelde bewijs aan.
6.Een document, als bedoeld in het vijfde lid, is slechts geldig
indien:
a. tevens een geldig ten name van de verzekeringnemer gesteld
fabrikanten- of handelaarsbewijs W.A.M. (gehandicaptenvoertuigen)
bij het gehandicaptenvoertuig aanwezig is en dit bewijs op de
eerste vordering van de personen, belast met de opsporing van de
in de wet strafbaar gestelde feiten, behoorlijk ter inzage wordt
afgegeven;
b. het gehandicaptenvoertuig deel uitmaakt van de fabrieks- of
handelsvoorraad van de verzekeringnemer;
c. het gehandicaptenvoertuig wordt gebruikt hetzij door de
verzekeringnemer, hetzij door een door hem aangewezen persoon, en
d. het gehandicaptenvoertuig wordt gebruikt hetzij voor het
verrichten van een proefrit ter controle van de goede werking of
ten behoeve van de verkoop van het gehandicaptenvoertuig of de
fiets met trapondersteuning, hetzij in verband met een zodanige
proefrit of met de aflevering van het gehandicaptenvoertuig.
Artikel 5
1. Behoudens het bepaalde in artikel 6 of ontheffing door Onze
Minister moet de bestuurder van een motorrijtuig, dat geen kenteken
als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
behoeft en dat geen gehandicaptenvoertuig is, een document bij zich
hebben, waaruit blijkt, dat met betrekking tot het door hem bestuurde
motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de wet van kracht is.
2. Het document, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt door de
verzekeraar. In dit document moeten tenminste de volgende gegevens
zijn vermeld:
a. naam en adres van de verzekeraar(s);
b. naam en adres van de verzekeringnemer;
c. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de
dekking;
d. omschrijving van het motorrijtuig.
3. Indien overeenkomstig artikel 12, derde lid, der wet is
bedongen, dat de verzekering eindigt wanneer de verplichting tot
verzekering met betrekking tot het motorrijtuig op een ander overgaat,
moet dit op het document worden vermeld.
4. Het model van het document, bedoeld in dit artikel, behoeft de
goedkeuring van of wordt vastgesteld door Onze Minister, na overleg
met Onze Minister van Justitie.
5. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een
verzekeraar, mits hem een geldig ten name van de verzekeringnemer
gesteld fabrikanten- of handelaarsbewijs W.A.M. (andere
niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigen)
wordt getoond, in het document in plaats van de omschrijving van het
motorrijtuig vermelden: motorrijtuig, deel uitmakende van de fabrieks-
of handelsvoorraad van de verzekeringnemer. De verzekeraar tekent de
verstrekking van een zodanig document op door Onze Minister te bepalen
wijze op het in de eerste volzin bedoelde bewijs aan.
6. Een document, als bedoeld in het vorige lid, is slechts geldig
indien:
a. tevens een geldig ten name van de verzekeringnemer gesteld
fabrikanten- of handelaarsbewijs W.A.M. (andere
niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigen)
bij het motorrijtuig aanwezig is en dit bewijs op de eerste
vordering van de personen, belast met de opsporing van de in de
wet strafbaar gestelde feiten, behoorlijk ter inzage wordt
afgegeven;
b. het motorrijtuig deel uitmaakt van de fabrieks- of
handelsvoorraad van de verzekeringnemer;
c. het motorrijtuig wordt gebruikt hetzij door de
verzekeringnemer, hetzij door een door hem aangewezen persoon; en
d. het motorrijtuig wordt gebruikt hetzij voor het verrichten
van een proefrit ter controle van de goede werking of ten behoeve
van de verkoop van het motorrijtuig, hetzij in verband met een
zodanige proefrit, met de in- of uitvoer of met de aflevering van
het motorrijtuig.
7. De bestuurder van een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft
tevens een geldige verzekeringsplaat bij zich, welke op de in het
achtste lid voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd en welke
behoort bij de verzekering bedoeld in het eerste lid.
8. De verzekeringsplaat wordt bevestigd op de achterzijde van de
bromfiets, op zodanige wijze dat de letters zich boven de cijfers
bevinden en de letters en cijfers goed zichtbaar zijn. Artikel 3,
eerste en derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
9. De verzekeringsplaat wordt verstrekt door de verzekeraar.
Artikel 5a
1. Onze Minister kan op verzoek aan fabrikanten van of handelaren
in gehandicaptenvoertuigen of andere niet-kentekenplichtige
motorrijtuigen één of meer fabrikanten- of handelaarsbewijzen W.A.M.
(gehandicaptenvoertuigen) of één of meer fabrikanten- of
handelaarsbewijzen W.A.M. (andere niet-kentekenplichtige
motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigen) afgeven voor
motorrijtuigen, die deel uitmaken van de fabrieks- of handelsvoorraad
van verzoeker, en ten behoeve van het gebruik van de betrokken
motorrijtuigen als omschreven in artikel 4, zesde lid, onder d,
onderscheidenlijk in artikel 5, zesde lid, onder d. Een dergelijk
bewijs, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld, is ten
hoogste vijf jaren geldig.
2. [Vervallen.]
3. Onze Minister kan een bewijs, als bedoeld in het eerste lid,
ongeldig verklaren, indien naar zijn oordeel degene aan wie het is
afgegeven niet langer fabrikant van of handelaar in
gehandicaptenvoertuigen onderscheidenlijk andere
niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigenis,
dan wel indien een bewijs voor andere doeleinden, dan waarvoor het
geldig is, wordt of is gebruikt. Een bewijs, dat ongeldig is
verklaard, moet door degene aan wie het is afgegeven binnen een week
worden ingeleverd bij Onze Minister.
Artikel 6
Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op de
bestuurder van een motorrijtuig, dat gewoonlijk in het buitenland is
gestald, en op de bestuurder van een motorrijtuig, met betrekking
waartoe de bezitter dan wel de in artikel 2, tweede lid, der wet
bedoelde houder van de verplichting tot het sluiten van een verzekering
bij of krachtens de wet is vrijgesteld.
§ 3. Bewijs van verzekering buitenlandse motorrijtuigen
Artikel 7
De bestuurder van een motorrijtuig, dat gewoonlijk in het buitenland
is gestald, moet, behoudens ontheffing door Onze Minister, bij zich
hebben:
hetzij een bewijs waaruit blijkt, dat het bureau, bedoeld in artikel
2, zesde lid, der wet, is belast met de afwikkeling van de schade, welke
in Nederland door dat motorrijtuig is veroorzaakt (groene kaart);
hetzij een bewijs, waaruit blijkt, dat met betrekking tot dat
motorrijtuig een verzekering waarvan de voorwaarden voldoen aan de
bepalingen van de wet van kracht is.
§ 4. Vrijstellingsplaten
Artikel 8
1. Wanneer aan de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, welke
aan de Staat toebehoort, dan wel aan de bezitter of de in artikel 2,
tweede lid, van de wet bedoelde houder van een gehandicaptenvoertuig,
die is vrijgesteld van de verplichting tot het sluiten van een
verzekering, een vrijstellingsplaat is uitgereikt, moet deze plaat op
het gehandicaptenvoertuig worden bevestigd op dezelfde wijze als is
voorgeschreven ten aanzien van de verzekeringsplaten.
2. Wanneer aan de bestuurder van een bromfiets als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de
Wegenverkeerswet 1994, welke aan de Staat toebehoort, dan wel aan de
bezitter of de in artikel 2, tweede lid, van de wet bedoelde houder
van een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, die is vrijgesteld van
de verplichting tot het sluiten van een verzekering, een
vrijstellingsplaat is uitgereikt, wordt deze plaat op de bromfiets
bevestigd op dezelfde wijze als is voorgeschreven ten aanzien van de
verzekeringsplaten.
3. De vrijstellingsplaat kan worden gebezigd met ingang van de
eerste januari van het kalenderjaar, dat erop staat vermeld. De
geldigheidsduur van de plaat eindigt op 30 april van het daarop
volgende jaar te 24.00 uur.
§ 5. Strafbepalingen
Artikel 9
1. Het is verboden om als bezitter dan wel als houder in de zin van
artikel 2, tweede lid, van de wet, een gehandicaptenvoertuig, waarop
ingevolge paragraaf 2 een verzekeringsplaat moet zijn bevestigd, op
een weg te doen rijden of te laten staan of toe te laten dat daarmee
op een weg wordt gereden of gestaan, of buiten een weg met zodanig
gehandicaptenvoertuig deel te nemen of toe te laten dat daarmee wordt
deelgenomen aan het verkeer op een terrein zonder dat een geldige
verzekeringsplaat op de voorgeschreven wijze op het
gehandicaptenvoertuig is bevestigd of indien de letters en cijfers van
de verzekeringsplaat niet goed zichtbaar zijn. Het voorgaande is niet
van toepassing jegens de bezitter en de houder op wie de verplichting
tot verzekering niet rust.
2. Het is verboden om als bestuurder met een gehandicaptenvoertuig,
waarop ingevolge het bepaalde in paragraaf 2 een verzekeringsplaat
moet zijn bevestigd, op een weg te rijden of te staan of buiten een
weg met zodanig gehandicaptenvoertuig deel te nemen aan het verkeer op
een terrein zonder dat een geldige verzekeringsplaat op de
voorgeschreven wijze op het gehandicaptenvoertuig is bevestigd of
indien de letters en cijfers van de verzekeringsplaat niet goed
zichtbaar zijn.
3. Het is verboden om als bezitter dan wel als houder in de zin van
artikel 2, tweede lid, van de wet, een bromfiets als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de
Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge paragraaf 2 een
verzekeringsplaat moet zijn bevestigd, op een weg te doen rijden of te
laten staan of toe te laten dat daarmee op een weg wordt gereden of
gestaan, of buiten een weg met zodanige bromfiets deel te nemen of toe
te laten dat daarmee wordt deelgenomen aan het verkeer op een terrein
zonder dat een geldige verzekeringsplaat op de voorgeschreven wijze op
de bromfiets is bevestigd of indien de letters en cijfers van de
verzekeringsplaat niet goed zichtbaar zijn. Het voorgaande is niet van
toepassing jegens de bezitter en de houder op wie de verplichting tot
verzekering niet rust.
4. Het is verboden om als bestuurder met een bromfiets als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de
Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge het bepaalde in paragraaf 2
een verzekeringsplaat moet zijn bevestigd, op een weg te rijden of te
staan of buiten een weg met zodanige bromfiets deel te nemen aan het
verkeer op een terrein zonder dat een geldige verzekeringsplaat op de
voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd of indien de letters
en cijfers van de verzekeringsplaat niet goed zichtbaar zijn.
Artikel 10
1. Het is verboden om als bezitter dan wel als houder in de zin van
artikel 2, tweede lid, van de wet, een gehandicaptenvoertuig, waarop
ingevolge artikel 8 een vrijstellingsplaat moet zijn bevestigd, op een
weg te doen rijden of te laten staan of toe te laten dat daarmee op
een weg wordt gereden of gestaan, of buiten een weg met een zodanig
gehandicaptenvoertuig deel te nemen of toe te laten dat daarmee wordt
deelgenomen aan het verkeer op een terrein zonder dat een geldige
vrijstellingsplaat op de voorgeschreven wijze op het
gehandicaptenvoertuig is bevestigd of indien de letters en cijfers van
de vrijstellingsplaat niet goed zichtbaar zijn. Het voorgaande is niet
van toepassing jegens de bezitter van het gehandicaptenvoertuig,
indien de houder van het gehandicaptenvoertuig een houder is als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet.
2. Het is verboden om als bestuurder met een gehandicaptenvoertuig,
waarop ingevolge artikel 8 een vrijstellingsplaat moet zijn bevestigd,
op een weg te rijden of te staan of buiten een weg met zodanig
gehandicaptenvoertuig deel te nemen aan het verkeer op een terrein
zonder dat een geldige vrijstellingsplaat op de voorgeschreven wijze
op het gehandicaptenvoertuig is bevestigd of indien de letters en
cijfers van de vrijstellingsplaat niet goed zichtbaar zijn.
3. Het is verboden om als bezitter dan wel als houder in de zin van
artikel 2, tweede lid, van de wet, een bromfiets als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de
Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge artikel 8 een
vrijstellingsplaat moet zijn bevestigd, op een weg te doen rijden of
te laten staan of toe te laten dat daarmee op een weg wordt gereden of
gestaan, of buiten een weg met een zodanige bromfiets deel te nemen of
toe te laten dat daarmee wordt deelgenomen aan het verkeer op een
terrein zonder dat een geldige vrijstellingsplaat op de voorgeschreven
wijze op de bromfiets is bevestigd of indien de letters en cijfers van
de vrijstellingsplaat niet goed zichtbaar zijn. Het voorgaande is niet
van toepassing jegens de bezitter van de bromfiets als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de
Wegenverkeerswet 1994, indien de houder van de bromfiets een houder is
als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet.
4. Het is verboden om als bestuurder met een bromfiets als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de
Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge artikel 8 een
vrijstellingsplaat moet zijn bevestigd, op een weg te rijden of te
staan of buiten een weg met zodanige bromfiets deel te nemen aan het
verkeer op een terrein zonder dat een geldige vrijstellingsplaat op de
voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd of indien de letters
en cijfers van de vrijstellingsplaat niet goed zichtbaar zijn.
Artikel 10a
Overtreding van het bepaalde in de artikelen 5a, derde lid, tweede
volzin, 9 en 10 is een strafbaar feit.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 11
Ons Besluit van 14 december 1964, Stb. 1964, 493, wordt
ingetrokken.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 1966, met
uitzondering van artikel 1, het vierde en vijfde lid van artikel 3, het
vierde lid van artikel 4 en het vierde lid van artikel 5, welke in
werking treden met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin het besluit wordt geplaatst.
Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en
van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in
het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal
worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 16 september 1965
JULIANA
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.G. Suurhoff
De Minister van Justitie,
Samkalden
Uitgegeven de achtentwintigste september 1965
De Minister van Justitie,
Samkalden
|
|
|