| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv; Wet
Mulder)
BESLUIT
ADMINISTRATIEFRECHTELIJKE HANDHAVING
VERKEERSVOORSCHRIFTEN 1994
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 29 juli 1994, houdende regels ter
uitvoering van de artikelen 3, eerste en derde lid, 22, tweede lid, en
35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op voordracht
van Onze Minister van Justitie van 7 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving
Publiekrecht, nr. 429101/94/6, gedaan mede namens Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 3, eerste en derde lid,
22, tweede lid, en 35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften;
De Raad van State gehoord (advies van 1 juli
1994, nr. W03.94.018);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 12 juli 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
447531/94/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan;
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften;
b. administratieve sanctie: de administratieve sanctie, bedoeld
in artikel 1 van de wet;
c. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
d. bevoegde ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2 van
dit besluit;
e. hoofdofficier van justitie: de officier van justitie, hoofd
van het arrondissementsparket;
f. Centraal Justitieel Incassobureau: het Centraal Justitieel
Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling
Centraal Justitieel Incassobureau.
2.Als korpschef in de zin van dit besluit wordt aangemerkt met
betrekking tot:
a. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en
b : de korpschef van het politiekorps waarbij zij in dienst zijn,
dan wel hun praktijkstage vervullen;
b. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c :
1. voor de toepassing van artikel 3: de betrokken
districtscommandant,
2. voor de toepassing van de overige artikelen: de
commandant van de Koninklijke marechaussee;
c. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, tweede lid: het hoofd
van de organisatie, waarbij zij werkzaam zijn.
3.In dit besluit wordt verstaan onder «toezichthouder»
respectievelijk «direct toezichthouder» hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1 van het Besluit buitengewoon
opsporingsambtenaar.
§ 2. De bevoegde ambtenaren en de bevoegdheid tot het opleggen van
de administratieve sanctie
Artikel 2
1.Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, van de wet zijn belast:
a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, aanhef en
onder b, van het Wetboek van Strafvordering;
b. de ambtenaren die een basisopleiding volgen aan een
onderwijsinstelling, ressorterend onder het Landelijk selectie- en
opleidingsinstituut politie, uitsluitend gedurende hun
praktijkstage bij een politiekorps; en
c. de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in
artikel 141, aanhef en onderdeel c, van het Wetboek van
Strafvordering.
2.Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, van de wet zijn mede belast:
a. de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel
142, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering,
voor zover deze ambtenaren krachtens de akte of aanwijzing, de
bevoegdheid hebben tot het opsporen van alle strafbare feiten, dan
wel tot het opsporen van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet
1994, de Provinciewet of de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten;
b. de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel
142, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering, voor
zover die ambtenaren bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de
Provinciewet of de Gemeentewet worden aangewezen voor de opsporing
van de bij of krachtens die wetten strafbaar gestelde feiten, dan
wel voor het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste
lid, van de wet bedoelde voorschriften.
Artikel 3
1.De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat naar zijn oordeel
de taakvervulling van een bevoegde ambtenaar vordert dat tot nader
bericht die ambtenaar geen gebruik zal maken van de verleende
bevoegdheid tot het opleggen van een administratieve sanctie.
Alvorens de beschikking, bedoeld in de eerste volzin, te geven,
hoort de hoofdofficier van justitie de betrokken korpschef.
2.De korpschef draagt zorg voor de uitvoering van de beschikking.
De hoofdofficier van justitie geeft zijn nader bericht slechts na
hernieuwd overleg. Het eerste lid, tweede volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Van de beschikking die betrekking heeft op een ambtenaar als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt een afschrift gezonden aan de
direct toezichthouder. Indien de hoofdofficier van justitie niet
tevens de toezichthouder van de ambtenaar is, wordt tevens een
afschrift gezonden aan de toezichthouder.
§ 3. De betaling en het Centraal Justitieel Incassobureau
Artikel 4
1.De betaling van de administratieve sanctie en de daarop gevallen
verhogingen en kosten geschiedt door storting of overschrijving op een
daartoe bestemde giro- of bankrekening van het Centraal Justitieel
Incassobureau.
2.In bijzondere gevallen kan de betaling plaats vinden op een door
de bevoegde ambtenaar aan te wijzen plaats.
3.Als plaats van betaling, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts
aangewezen een politiebureau, een gebouw op het terrein van de Dienst
der Domeinen alwaar het voertuig buiten gebruik is gesteld of in
bewaring is genomen, dan wel een tijdelijke plaats van betaling,
ingesteld door de betrokken korpschef. Indien de bevoegde ambtenaar
een militair van de Koninklijke marechaussee is, kan eveneens een
brigadebureau of de betrokken doorlaatpost als plaats van betaling
worden aangewezen.
4.Degene die betaalt, maakt daarbij op de door de bevoegde
ambtenaar aan te geven wijze melding van de zaak waarop de betaling
betrekking heeft.
5.Indien de zaak waarop betaling van de administratieve sanctie en
de daarop gevallen verhogingen en kosten betrekking heeft niet is
vermeld op de wijze als bedoeld in het vierde lid, kan het Centraal
Justitieel Incassobureau het aan hem betaalde bedrag terugstorten op
de rekening waarvan het bedrag afkomstig is, of anderszins het bedrag
terugbetalen aan de persoon die heeft betaald.
Artikel 5
1.Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak het openbaar
ministerie te ondersteunen bij zijn taak met betrekking tot de inning
van de administratieve sancties en de daarop gevallen verhogingen en
kosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet.
2.Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht de werkzaamheden
die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de
uitoefening van hun taken verlangen.
3.De bevoegde ambtenaren verstrekken het Centraal Justitieel
Incassobureau de gegevens, die het behoeft in verband met de
uitvoering van dit artikel.
§ 4. Het toezicht
Artikel 6
1.In het belang van een juist gebruik van de bevoegdheid tot het
opleggen van een administratieve sanctie wordt er op toegezien, dat in
de bijzondere gevallen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onverwijld
een betalingsbewijs wordt uitgereikt dat door de ambtenaar aan wie de
administratieve sanctie wordt voldaan, is gedagtekend en ondertekend.
2.De bevoegde ambtenaar en de ambtenaar aan wie de administratieve
sanctie kan worden voldaan, worden in het bezit gesteld van de
bijlage, bedoeld in artikel 2 van de wet. Aan de betrokkenen verlenen
zij desgevraagd inzage in deze bijlage.
Artikel 7
1.De bevoegde ambtenaar houdt aantekening van elke zaak waarin hij
een administratieve sanctie heeft opgelegd. Tevens wordt in de
gevallen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aantekening gehouden van
de voldoening van de administratieve sanctie.
2.De aantekeningen worden, uiterlijk binnen een jaar nadat zij zijn
opgemaakt, desverlangd getoond aan de ambtenaren van het openbaar
ministerie in het arrondissement waar de bevoegde ambtenaren hun
dienst hebben uitgeoefend.
3.De hoofdofficier van justitie wint periodiek rapport in van de
korpschef over de wijze waarop de onder hen ressorterende in het
arrondissement hun dienst uitoefenende ambtenaren gebruik hebben
gemaakt van de toegekende bevoegdheid om een administratieve sanctie
op te leggen.
§ 5. De verantwoording der gelden
Artikel 8
1.Het hoofd van de Directie Financieel-Economische Zaken van het
Ministerie van Justitie draagt zorg voor de opening van een of meer
afzonderlijke giro- of bankrekeningen van het Centraal Justitieel
Incassobureau welke uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van
gelden, voortvloeiend uit het gebruik van de bevoegdheid tot het
opleggen van de administratieve sancties.
2.De directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau is belast
met het beheer van de in het eerste lid bedoelde giro- of
bankrekeningen.
3.Onze Minister stelt nadere voorschriften vast omtrent het beheer
van de in het eerste lid bedoelde giro- en bankrekeningen en de in
verband daarmee te voeren administratie.
Artikel 9
1.Door de betrokken korpschef worden ambtenaren aangewezen aan wie
de administratieve sanctie in de bijzondere gevallen, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, kan worden betaald.
2.Na betaling aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, wordt
een betalingsbewijs uitgereikt. Onze Minister stelt de eisen vast
waaraan het betalingsbewijs moet voldoen.
3.De ontvangen gelden worden regelmatig overgemaakt op de daartoe
bestemde girorekeningen van het Centraal Justitieel Incassobureau.
4.Onze Minister stelt nadere voorschriften vast omtrent de
verstrekking en het beheer van de betalingsbewijzen, de afrekening en
verantwoording van de ontvangen gelden, en de in verband daarmee te
voeren administratie.
Artikel 10
De ambtenaren, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en al degenen die
verder bij de uitvoering van de in artikel 9, vierde lid, bedoelde
voorschriften zijn betrokken, verstrekken desgevraagd alle inlichtingen
hieromtrent aan de hoofdofficier van justitie, alsmede aan de directeur
van het Centraal Justitieel Incassobureau.
Artikel 11
1.Onze Minister zorgt voor de nodige controle bij het Korps
landelijke politiediensten.
2.Wat de regionale politiekorpsen betreft doen de korpsbeheerders
op de door Onze Minister te bepalen wijze jaarlijks opgave van de
uitvoering van de in artikel 9, vierde lid, bedoelde voorschriften en
van de met het oog op de toepassing van dit besluit verrichte
accountantscontrole.
3.Wat de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon
opsporingsambtenaren betreft doen de betrokken korpschefs op de door
Onze Minister te bepalen wijze jaarlijks opgave van de uitvoering van
de in artikel 9, vierde lid, bedoelde voorschriften en van de met het
oog op de toepassing van dit besluit verrichte accountantscontrole.
§ 5a. De administratiekosten en de kosten van verhaal
Artikel 11a
Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is
administratiekosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt
bepaald bij ministeriële regeling. Op de betaling van de
administratiekosten zijn de artikelen van dit besluit betreffende de
betaling van de administratieve sanctie, het toezicht en de
verantwoording van de gelden van overeenkomstige toepassing. De
administratiekosten worden samen met de administratieve sanctie in
rekening gebracht.
Artikel 11b
De kosten van het verhaal van een administratieve sanctie worden op
gelijke voet als de administratieve sanctie verhaald op degene aan wie
deze sanctie is opgelegd. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de
invorderingskosten. De kosten van verhaal, voor zover zij niet betreffen
de invorderingskosten, worden berekend overeenkomstig de bij het Besluit
tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders vastgestelde tarieven. De
omvang van de invorderingskosten wordt bepaald bij ministeriële
regeling.
§ 6. Bijstand
Artikel 12
Ingeval de bevoegdheid tot het opleggen van een administratieve
sanctie wordt uitgeoefend gedurende de periode dat ingevolge Hoofdstuk
IX van de Politiewet 1993 bijstand wordt verleend, geschieden de
betaling van de administratieve sanctie op de wijze van en de afrekening
en verantwoording en controle van de ontvangen gelden door het
politiekorps waaraan bijstand wordt verleend.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 13 [Vervallen per 30-06-1997]
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften 1994.
Artikel 15
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994. Indien het
Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven
na 31 maart 1994, treedt het in werking met ingang van de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt
het terug tot en met 1 april 1994.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 29 juli 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A. Kosto
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.E. Andriessen
Uitgegeven de vijfentwintigste augustus 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|
|
|