| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet agrarisch
grondverkeer (Wag)
BESCHIKKING
GRONDBANKSTELSEL
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
De
Staatssecretaris van Landbouw en Visserij;
Gelet op de artikelen 57 en 58 van de Wet
agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248) en artikel 2 van het
Besluit grondbankstelsel (Stb. 1982, 692);
Gehoord de commissie
beheer landbouwgronden;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze beschikking wordt verstaan
onder:
a. 'commissie': commissie beheer landbouwgronden als bedoeld
in artikel 30 van de Wet agrarisch grondverkeer;
b. 'uitgifte': uitgifte in erfpacht van landbouwgronden door
het bureau;
c. 'aanvrager': degene, die op de voet van deze beschikking
een aanvrage voor uitgifte heeft ingediend;
d. 'sub-commissie': subcommissie van de provinciale
commissie beheer landbouwgronden, als bedoeld in artikel 11, tweede
lid, van de Instellingsbeschikking provinciale commissies beheer
landbouwgronden (Stcrt. 1982, 236);
e. 'bedrijfsomvang': de bedrijfsomvang naar de toestand op
het tijdstip van de, bij het indienen van de aanvrage, laatst bekende,
in artikel 24 van de Landbouwwet bedoelde, landbouwtelling;
f. 's.b.e.': standaardbedrijfseenheden, te weten de door het
Landbouw-Economisch Instituut berekende verhoudingsgetallen, die een
beoordeling mogelijk maken van de produktie-omvang van het gehele
bedrijf, alsmede van de afzonderlijke produktierichtingen, zoals
aangegeven op de bij deze beschikking behorende bijlage;
g. 'akkerbouwbedrijf': bedrijf waarvan de bedrijfsomvang van
de sector akkerbouw, in s.b.e. uitgedrukt, ten minste 80% van de
totale bedrijfsomvang uitmaakt;
h. 'Landinrichtingcommissie':commissie als bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de Landinrichtingswet;
i. 'directeur': directeur van het bureau;
j. 'besluit': Besluit grondbankstelsel (Stb. 1982, 692).
2. Voor de toepassing van deze beschikking wordt:
a. onder landinrichtingscommissie mede begrepen de
reconstructiecommissie als bedoeld in artikel 1 van de
Reconstructiewet Midden-Delfland en de herinrichtingscommissie als
bedoeld in artikel 1 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën;
b. in afwijking van artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer
onder landbouw niet de bosbouw begrepen.
Artikel 2
1. Uitgifte als bedoeld in artikel 2 van het besluit kan
plaatsvinden aan:
a. een natuurlijk persoon die voor eigen rekening een bedrijf
uitoefent;
b. meerdere natuurlijke personen die voor gezamenlijke rekening een
bedrijf uitoefenen;
c. een rechtspersoon die een bedrijf uitoefent.
2. Om voor uitgifte in aanmerking te komen dient aan de in deze
beschikking neergelegde voorwaarden te zijn voldaan.
Hoofdstuk II. Regelen om voor uitgifte in
aanmerking te komen
Titel I. Algemene regelen
Paragraaf 1. Regelen met betrekking tot de ondernemer
Artikel 3
1. Voor zover de aanvrager als natuurlijk
persoon een bedrijf uitoefent, kan uitgifte slechts plaatsvinden indien
hij ten tijde van het indienen van de aanvrage;
a. het hoofdberoep in de landbouw heeft;
b. beschikt over voldoende ondernemerschap en vakbekwaamheid;
c. in de gevallen bedoeld in artikel 2, onder a en b, van het
besluit, de 35-jarige leeftijd en in het geval bedoeld in artikel 2,
onder c, van het besluit, de 44-jarige leeftijd niet heeft
overschreden.
2. Het in het eerste lid, onder a, bedoelde vereiste wordt niet
gesteld, indien uitgifte plaatsvindt in het geval van opvolging, als
bedoeld in artikel 2, onder a, van het besluit, en mits degene die wordt
opgevolgd aan dit vereiste voldoet.
3. In de gevallen van bedrijfsvergroting, als bedoeld in artikel
2, onder c, van het besluit, kan, indien de aanvrager de leeftijd van 44
jaar heeft overschreden, in afwijking van het bepaalde in het eerste
lid, onder c, uitgifte plaatsvinden, indien de aanvrager een bloed- of
aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind heeft van 16 jaar of
ouder, waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat hij de aanvrager zal
opvolgen.
Artikel 4
Indien meer natuurlijke personen voor gezamenlijke rekening een
bedrijf uitoefenen, kan uitgifte slechts plaatsvinden, indien:
a. ieder van hen voldoet aan het bepaalde in artikel 3, eerste
lid, onder a, b en c;
b. de door hen aangegane samenwerkingsovereenkomst schriftelijk
is aangegaan en voorts:
1°. een regeling bevat met betrekking tot de beëindiging van
de samenwerking;
2°. voorziet in de wijze van inbreng van het erfpachtrecht in
de samenwerking.
Artikel 5
Indien een rechtspersoon een bedrijf uitoefent, kan uitgifte slechts
plaatsvinden indien:
1°. de bedrijfsleider:
a. voldoet aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onder a,
b en c;
b. duurzaam met de leiding van het bedrijf zal zijn belast;
c. niet tevens buiten het betrokken bedrijf bedrijfsleider is;
2°. de rechtspersoon bij de aanvrage tot uitgifte de navolgende
gegevens overlegt:
a. de rechtsvorm;
b. de naam van de rechtspersoon;
c. de arbeidsovereenkomst met de bedrijfsleider;
d. de statuten, voor zover de rechtspersoon deze heeft.
Paragraaf 2. Regelen met betrekking tot het bedrijf
Artikel 6
De aanvrage dient betrekking te hebben op een bedrijf waarvan de
bedrijfsomvang van de sector veehouderij, dan wel van de sector
akkerbouw, dan wel van deze sectoren gezamenlijk, in s.b.e. uitgedrukt,
ten minste 80% van de totale bedrijfsomvang uitmaakt.
Artikel 7
Ten behoeve van het bedrijf mag gedurende een tijdvak van drie jaren
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvrage
geen aanvrage zijn ingediend die tot uitgifte op de voet van deze
beschikking heeft geleid.
Artikel 8
De bedrijfsoppervlakte mag gedurende een tijdvak van vijf jaren
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvrage
niet zijn verkleind, tenzij verkleining heeft plaatsgevonden door
onteigening, minnelijke verkoop ter voorkoming van onteigening, een
rechterlijke uitspraak ingevolge artikel 370, eerste lid, onder b, of
377 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een verdeling als bedoeld in
artikel 3:178 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel onderbedeling in het
kader van landinrichting als gevolg van toepassing van de artikelen 139
tot en met 144 van de Landinrichtingswet, of van artikel 56 van de Wet
inrichting landelijk gebied, in het kader van de reconstructie als
gevolg van toepassing van artikel 15 van de Reconstructiewet
Midden-Delfland of in het kader van de herinrichting als gevolg van
toepassing van artikel 55 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën.
Artikel 9
1. Uitgifte vindt plaats, indien de aanvrager aantoont dat:
a. bij eigendomsverkrijging van de voor uitgifte in aanmerking
komende landbouwgrond de financieringsstructuur van het bedrijf
ongunstig wordt, en
b. de uitgifte leidt tot een verantwoorde financieringsstructuur
van het bedrijf.
2. Ter beoordeling van de financieringsstructuur van het bedrijf
dient de aanvrager de boekhouding over de drie jaren voorafgaande aan
het jaar van indiening van de aanvrage over te leggen.
3. Geen uitgifte vindt plaats, indien is gebleken dat een
eigenaar, een (mede) rechthebbende, een aandeelhouder, dan wel een
eigenaar van een of meerdere bewijzen van deelgerechtigheid van,
onderscheidenlijk in het bedrijf, over voldoende financiële middelen
beschikt om het met de aanvrage beoogde doel anders dan door uitgifte te
kunnen realiseren.
4. Geen uitgifte vindt plaats, indien is gebleken dat de
aanvrager een of meerdere onroerende goederen, die tot het bedrijf
behoren, heeft verkregen of zal verkrijgen tegen een prijs, die
duidelijk uitgaat boven de prijs, die in de regio waarbinnen het bedrijf
gelegen is, gangbaar is bij de aankoop van met betrokken onroerende
goederen vergelijkbare goederen.
Paragraaf 3. Regelen met betrekking tot de voor uitgifte in
aanmerking komende landbouwgrond
Artikel 10
De doelstellingen van het landbouwstructuurbeleid mogen door de
uitgifte niet in nadelige zin worden beïnvloed. Van een zodanige
beïnvloeding is onder meer sprake, indien: a. de levensvatbaarheid van
het bedrijf waarvan de landbouwgrond afkomstig is door de uitgifte
vermindert; b. met de uitgifte de verkavelingssituatie van het bedrijf
waarop de aanvrage betrekking heeft, niet verantwoord is.
Artikel 11
In afwijking van artikel 10, onder b, zal, voor zover één of meer
in de uitgifte betrokken percelen zijn gelegen in Midden-Delfland als
bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet Midden-Delfland, in een
deelgebied, genoemd in artikel 1 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen
en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, in een gebied ten aanzien waarvan
een besluit tot landinrichting als bedoeld in de hoofdstukken III en IV
van de Landinrichtingswet is genomen, of in een gebied ten aanzien
waarvan een besluit tot landinrichting als bedoeld in artikel 17 van de
Wet inrichting landelijk gebied is genomen, uitgifte kunnen
plaatsvinden, indien blijkens een schriftelijke verklaring inzake de
toedeling van de landinrichtingscommissie, respectievelijk van
gedeputeerde staten, na de verwezenlijking van het plan van toedeling de
verkavelingssituatie van het bedrijf verantwoord zal zijn.
Artikel 12
1. De oppervlakte van de uit te geven landbouwgrond dient ten
minste 5 ha te bedragen.
2. Landbouwgrond waarvan de aanvrager eigenaar of mede-eigenaar
is kan niet in eigendom aan het bureau worden overgedragen.
Titel II. Bijzondere regelen
Paragraaf 1. Regelen met betrekking tot de uitgifte in geval van
bedrijfsopvolging en uitoefening van het voorkeursrecht door de pachter
Artikel 13
1. In de gevallen van opvolging en uitoefening van het
voorkeursrecht door de pachter als bedoeld in artikel 2, onder a en b,
van het besluit, kan uitgifte slechts plaatsvinden:
a. nadat de aanvrager er voor zorg heeft gedragen dat alle percelen
landbouwgrond die op het tijdstip van het indienen van de aanvraag bij
het betrokken bedrijf in gebruik zijn daarbij in gebruik blijven;
b. nadat de in erfpacht uit te geven landbouwgrond in eigendom is
overgedragen aan het bureau;
c. indien de met de eigendomsoverdracht als bedoeld onder b
gemoeide tegenprestatie van het bureau niet meer bedraagt dan €
100.000,-, met inbegrip van de kosten van de notariële akten met de
daarbij behorende rechten en verschotten;
d. indien voldaan wordt aan het bepaalde in de artikelen 14 en 15.
Artikel 14
De oppervlakte van de uit te geven landbouwgrond bedraagt ten hoogste
5 ha, tenzij de aanvrager aantoont dat de financieringsstructuur van het
bedrijf bij uitgifte van slechts 5 ha ongunstig wordt. De toepassing van
het laatste zinsdeel laat het bepaalde in artikel 13, onder c, onderlet.
Artikel 15
1. De bedrijfsoppervlakte dient na uitgifte ten minste te zijn:
a. 40 ha voor een akkerbouwbedrijf;
b. 25 ha voor elk ander bedrijf.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid dient de
bedrijfsoppervlakte, indien de aanvrager de dertigjarige leeftijd nog
niet heeft overschreden, na uitgifte ten minste te zijn:
a. 32 ha voor een akkerbouwbedrijf;
b. 20 ha voor elk ander bedrijf;
c. 17,5 ha voor een bedrijf, waarop de intensieve veehouderij wordt
uitgeoefend en waarvan de bedrijfsomvang van de intensieve veehouderij
ten minste 40 s.b.e. bedraagt.
3. Onder intensieve veehouderij als bedoeld in het tweede lid,
onder c, wordt verstaan het in daartoe bestemde bedrijfsgebouwen houden
van:
- mestkalveren;
- stieren, daaronder begrepen ossen, voor de mesterij, jonger dan
24 maanden en niet zijnde mestkalveren;
- mestvarkens;
- fokvarkens;
- slachtkuikens;
- leghennen;
- kalkoenen.
Paragraaf 2. Regelen met betrekking tot de uitgifte in geval van
vergroting van de bedrijfsoppervlakte
Artikel 16
In geval van vergroting van de bedrijfsoppervlakte als bedoeld in
artikel 2. onder c, van het besluit, kan uitgifte slechts plaatsvinden,
indien:
a. de uit te geven landbouwgrond reeds voor het tijdstip van de
indiening van de aanvrage door het bureau in eigendom is verworven
en deze gronden door de directeur voor vergroting van de
bedrijfsoppervlakte door uitgifte op grond van deze beschikking zijn
aangewezen, of
b. de uit te geven landbouwgrond gelegen is in een beheersgebied
als bedoeld in artikel 1 van de Beschikking beheersovereenkomsten
1983.
Artikel 17
Indien de uit te geven landbouwgrond gelegen is in een beheersgebied
als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling
beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, kan de uitgifte slechts
plaatsvinden:
a. nadat de in erfpacht uit te geven landbouwgrond, voor zover
dit niet reeds aan het bureau in eigendom toebehoort op het tijdstip
van het indienen van de aanvrage, in eigendom is overgedragen aan
het bureau;
b. indien met betrekking tot de in de uitgifte begrepen gronden
een beheersovereenkomst, als bedoeld in als bedoeld in hoofdstuk 3
van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling wordt
gesloten, indien een begrenzingenplan als bedoeld in hoofdstuk 2 van
de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, is
vastgesteld.
Artikel 18
1. De oppervlakte van de in erfpacht uit te geven landbouwgrond
bedraagt ten hoogste 10 ha.
2. Indien de uitgifte van ten hoogste 10 ha zou leiden tot een
ongewenste versnippering van de eigendom van een topografisch perceel
landbouwgrond, kan uitgifte plaatsvinden tot een oppervlakte van ten
hoogste 15 ha.
Artikel 19
1. De som van de oppervlakte van de in erfpacht uit te geven
percelen grond en van de bedrijfsoppervlakte op het tijdstip van het
indienen van de aanvrage dient te zijn:
a. ten minste 40 ha en ten hoogste 60 ha voor een akkerbouwbedrijf;
b. ten minste 25 ha en ten hoogste 40 ha voor elk ander bedrijf.
2. Indien de aanvrager de dertigjarige leeftijd nog niet heeft
overschreden, dient in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de
minimale bedrijfsoppervlakte na uitgifte te zijn:
a. 32 ha voor een akkerbouwbedrijf;
b. 20 ha voor elk ander bedrijf;
c. 17,5 ha voor een bedrijf, waarop de intensieve veehouderij wordt
uitgeoefend en waarvan de bedrijfsomvang van de intensieve veehouderij
ten minste 40 s.b.e. bedraagt.
3. Onder intensieve veehouderij als bedoeld in het tweede lid,
onder c, wordt verstaan het in daartoe bestemde bedrijfsgebouwen houden
van:
- mestkalveren;
- stieren, daaronder begrepen ossen, voor de mesterij, jonger dan
24 maanden en niet zijnde mestkalveren;
- mestvarkens;
- fokvarkens;
- slachtkuikens;
- leghennen;
- kalkoenen.
Hoofdstuk III. De aanvraagprocedure
Artikel 20
1. Om voor uitgifte in aanmerking te komen dient een aanvrage
op een volledig ingevuld en ondertekend daartoe strekkend
aanvraagformulier bij het hoofd beheer landbouwgronden te worden
ingediend.
2. Het aanvraagformulier wordt door de directeur vastgesteld.
Artikel 21
Het hoofd beheer landbouwgronden onderzoekt of er sprake is van een
van de gevallen als bedoeld in artikel 2 van het besluit, alsmede of en
in hoeverre wordt voldaan aan de in de artikelen 3, eerste lid, onder a
en c, 4, onder a, voor zover het betreft het bepaalde in artikel 3,
onder a en c, 5, 6, 7, 8, 14, eerste lid, 15, 16, 18 en 19 gestelde
voorwaarden.
Artikel 22
1. Indien blijkt dat aan de voorwaarden, als bedoeld in artikel
21, niet wordt voldaan, wijst de inspecteur de aanvrage namens de
commissie af.
2. Geen afwijzing vindt plaats, indien artikel 3, derde lid van
toepassing kan zijn.
3. De directeur Landelijke Gebieden en Kwaliteitszorg deelt de in
het eerste lid bedoelde afwijzing onder vermelding van de redenen
schriftelijk namens de commissie mede aan de aanvrager en zendt
afschrift van zodanige mededeling aan de commissie en de sub-commissie.
Artikel 23
Het hoofd beheer landbouwgronden bereidt de verdere behandeling van
aanvragen, waarop niet afwijzend is beslist, voor en gaat daarbij in
ieder geval na of wordt voldaan aan de voorwaarden van deze beschikking
om voor een toewijzing van een aanvrage in aanmerking te komen.
Artikel 24
Namens de commissie legt de inspecteur een voorstel voor een
beslissing omtrent een aanvrage met het verzoek om advies voor aan de
sub-commissie.
Artikel 25
De sub-commissie brengt over de aanvrage een met redenen omkleed
advies uit en doet dit aan de directeur toekomen.
Artikel 26
De inspecteur deelt de aanvrager namens de commissie mede dat
uitgifte zal kunnen plaatsvinden, indien:
a. aan de sub-commissie is voorgesteld tot uitgifte te besluiten;
b. het voorstel in overeenstemming is met de uitgebrachte
adviezen;
c. de sub-commissie zich unaniem met het voorstel kan verenigen
en
d. de directeur zich met het voorstel kan verenigen.
Artikel 27
1. In alle gevallen, waarin de mededeling als bedoeld in
artikel 26, aanhef, niet kan worden gedaan, wordt de aanvrage door de
commissie behandeld.
2. De directeur doet de commissie ten behoeve van de behandeling
van de aanvrage de noodzakelijke stukken toekomen.
3. De beslissing van de commissie wordt schriftelijk door de
commissie aan de aanvrager medegedeeld.
Hoofdstuk IV. De overeenkomst
Artikel 28
1. De uitgifte vindt plaats door het sluiten van een
erfpachtovereenkomst met het bureau.
2. In geval van uitgifte ten behoeve van een bedrijf dat door
meer natuurlijke personen voor gezamenlijke rekening wordt uitgeoefend,
wordt de erfpachtovereenkomst tussen het bureau en deze personen
gezamenlijk gesloten, indien het personen uit dezelfde generatie
betreft.
3. Indien de samenwerking als bedoeld in het tweede lid is
aangegaan tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of met een
pleegkind, wordt de erfpachtovereenkomst tussen het bureau en, na
overleg, één van deze personen gesloten.
4. In geval van uitgifte ten behoeve van een bedrijf dat door een
rechtspersoon wordt uitgeoefend, wordt de erfpachtovereenkomst, tussen
het bureau en deze persoon gesloten.
Artikel 29
De in de Beschikking uitgiftevoorwaarden grondbank opgenomen
voorwaarden maken deel uit van de in artikel 28 bedoelde
erfpachtovereenkomst.
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 30
[Vervallen.]
Artikel 31
1. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking
grondbankstelsel.
2. Zij wordt in de
Nederlandse Staatscourant bekend
gemaakt en treedt in werking met ingang van 1 januari 1983.
De Staatseacretaris van Landbouw en Visserij,
A. Ploeg.
Bijlage als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Beschikking grondbankstelsel
Standaardbedrijfseenheden (S.B.E.)
|
|
Aantal s.b.e. |
|
|
per ha. |
|
AKKERBOUW |
|
|
|
|
|
Granen |
2,5 |
|
Korrelmaïs |
2,5 |
|
|
|
|
Vroege aardappelen |
9,0 |
|
Pootaardappelen
(zand of veen) |
9,0 |
|
Pootaardappelen
(klei) |
12,0 |
|
Consumptie-aardappelen
(zand) |
6,0 |
|
Consumptie-aardappelen
(klei) |
7,5 |
|
Fabrieksaardappelen |
4,5 |
|
Suikerbieten |
6,5 |
|
Pootbieten |
16,0 |
|
Aardappelen
te velde verkocht |
5,5 |
|
|
|
|
Groene erwt |
3,5 |
|
Bruine
bonen/witte bonen |
3,5 |
|
Conservenerwten
(contract) |
2,0 |
|
Tuinbonen
(contract) |
2,5 |
|
Stamslabonen
(contract) |
2,5 |
|
Erwten,
capucijners |
3,5 |
|
Vlas |
3,5 |
|
Bietenzaad |
9,0 |
|
Koolzaad,
blauwmaanzaad kanariezaad, graszaad, klaverzaad etc. |
3,0 |
|
Overige
landbouwzaden |
3,0 |
|
Vlas te
velde verkocht |
2,5 |
|
|
|
|
Voederbieten |
4,5 |
|
Snijmaïs |
3,5 |
|
Koolrapen,
wortelen |
7,0 |
|
Klaver
en luzerne |
1,5 |
|
Grasland |
1,0 |
|
Overige
voedergewassen |
2,5 |
|
Snijmaïs
te velde verkocht |
2,5 |
|
Overige
knol- en wortelgewassen |
4,5 |
|
Vervoerderde
nagewassen, raaigrassen e.d. |
1,5 |
|
Stoppelknollen
e.d. |
4,0 |
|
Bladkool
e.d. |
4,5 |
|
|
|
|
DIVERSEN |
|
|
|
|
|
Grasland |
1,0 |
|
Zaaiklaar
verhuurd land |
1,5 |
|
Deelbouw
op eigen land |
2,5 |
|
Werk
voor derden |
0,19 |
|
Boerenkaas |
0,2 |
|
|
|
|
GROENTEN OPEN GROND |
|
|
|
|
|
Tuinbonen (handpluk) |
25,0 |
|
Stamslabonen
(handpluk) |
29,0 |
|
Stokbonen |
39,0 |
|
|
|
|
Zaaiuien |
7,0 |
|
Zaaiuien
te velde verkocht |
5,0 |
|
Zilveruien |
6,0 |
|
Poot- en
plantuien |
14,0 |
|
Sjalotten |
13,0 |
|
Waspeen |
23,0 |
|
Bospeen
(incl. nateelt) |
44,0 |
|
Witlofwortelen |
9,0 |
|
Winterwortelen |
15,0 |
|
Kroten |
14,0 |
|
Knolselderij |
18,0 |
|
Knolselderij
(contract) |
11,0 |
|
Radijs (incl.
nateelt) |
74,0 |
|
Schorseneren |
31,0 |
|
Kropsla |
28,0 |
|
Andijvie |
28,0 |
|
Spinazie |
22,0 |
|
Spinazie
(contract) |
2,5 |
|
Prei |
32,0 |
|
Rabarber |
29,0 |
|
Asperges |
20,0 |
|
Augurken |
39,0 |
|
Aardbeien |
42,0 |
|
Spruitkool |
19,0 |
|
Witte
kool (vroege) |
10,0 |
|
Rode,
savooiekool (vroege) |
17,0 |
|
Herfst-
en bewaarkool |
18,0 |
|
Bloemkool
(incl. nateelt) |
29,0 |
|
Spitskool
(incl. nateelt) |
22,0 |
|
Overige
groentegewassen Boomgaard en landbouwbedrijven |
4,5 |
|
|
|
|
TUINBOUW |
|
|
|
|
|
Appelen |
20 |
|
Peren |
19 |
|
Kersen,
pruimen |
17 |
|
Frambozen |
57 |
|
Rode
bessen |
52 |
|
Zwarte
bessen |
35 |
|
Tuinbouwzaden |
20 |
|
Bloemkwekerijgewassen |
55 |
|
Boomkwekerijgewassen |
75 |
|
Vaste
planten |
140 |
|
Hyacinten |
65 |
|
Tulpen |
55 |
|
Narcissen |
32 |
|
Gladiolen |
20 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Aantal s.b.e. |
|
|
per dier |
|
|
|
|
Melkkoeien |
2,5 |
|
Stieren
ouder dan 1 jaar |
1,25 |
|
Jongvee |
0,7 |
|
Mestkalveren |
0,4 |
|
Mestvee,
meststieren |
0,7 |
|
Paarden
(excl. werkpaarden) |
0,7 |
|
Schapen |
0,3 |
|
Mestvarkens |
0,18 |
|
Opfokzeugen
en -beren |
0,18 |
|
Fokzeugen
en -beren |
1,4 |
|
Leghennen
5 mnd en ouder |
0,013 |
|
Opfokkuikens/jonge
hennen |
0,006 |
|
Slachtkuikens |
0,0035 |
|
Slachtkuikenouderdieren |
0,03 |
|
Slachtkuikenouderdieren
jonger dan 6 mnd |
0,01 |
|
Eenden
voor de leg |
0,03 |
|
Eenden
voor de slacht |
0,01 |
|
Kalkoenen
voor de slacht |
0,008 |
|
Kalkoenen
voor de broed |
0,07 |
|
Kalkoenen
voor de broed jonger dan 7 mnd |
0,02 |
|
Overig
pluimvee |
0,02 |
|
Nertsen |
0,2 |
|
Konijnen,
voedsters |
0,2 |
|
Konijnen
voor de slacht |
0,02 |
|
|
|