BESLUIT van 16 oktober 1981, houdende nadere
voorschriften met betrekking tot de omschrijving en aanduiding van het
gebied als bedoeld in artikel 3 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb.
1981, 248)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 29 juni 1981,
Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J.4247;
Gelet op artikel 3, zevende lid, van de Wet
agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248);
De Raad van State gehoord (advies van 17
augustus 1981, nr. 810805/20);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Landbouw en Visserij van 8 oktober 1981, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J.6158;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. De omschrijving en de aanduiding van het gebied waarvan bij
besluit van het college van burgemeester en wethouders wordt
verklaard, dat daarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend onroerend
goed is gelegen, dat duurzaam voor andere dan landbouwkundige
doeleinden wordt gebruikt dan wel onroerend goed dat niet als
natuurterrein dient te worden aangemerkt, geschiedt in dat besluit
door de vermelding van alle tot het gebied behorende percelen, met
gebruikmaking van hun kadastrale aanduiding, welke bestaat uit
achtereenvolgens de naam der kadastrale gemeente, de aanduiding der
sectie en het perceelnummer.
2. Indien alle percelen die binnen één kadastrale sectie zijn
gelegen tot het gebied behoren, wordt volstaan met de vermelding van de
naam der kadastrale gemeente en de aanduiding der sectie.
3. Indien van de in één kadastrale sectie gelegen percelen het
aantal der duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden gebruikt
wordende percelen dan wel de percelen die niet als natuurterreinen
dienen te worden aangemerkt, aanmerkelijk groter is dan het aantal
overige percelen, wordt het gebied omschreven en aangeduid als
omvattende de gehele sectie, met uitzondering van die overige percelen,
welke laatste als zodanig worden vermeld en daarbij door hun nummer
worden aangegeven.
4. Bij de vermeldingen ingevolge het eerste en het derde lid
worden de perceelnummers in hun numerieke volgorde geplaatst.
5. Als kadastrale aanduiding waarvan vermelding geschiedt
ingevolge het eerste, tweede en derde lid, wordt aangemerkt die, welke
bestaat op een tijdstip dat het college van burgemeester en wethouders
in het besluit aanwijst.
Artikel 2
Indien verschillende verspreid liggende gebieden als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, tot eenzelfde gemeente behoren, worden zij te
zamen in één besluit van het college van burgemeester en wethouders
opgenomen.
Artikel 3
1. De bij het besluit van het college van burgemeester en
wethouders gevoegde kaart wordt ingericht met inachtneming van de
volgende voorschriften:
a. de kaart wordt vervaardigd op een schaal van 1 op 10.000;
b. de begrenzing van het in het besluit van het college van
burgemeester en wethouders begrepen gebied wordt met een duidelijke
ononderbroken lijn op de kaart aangegeven;
c. uit de kaart moet de kadastrale sectie-indeling blijken door
middel van een onderbroken lijn;
d. uit de kaart moet de aansluiting van het in het besluit van het
college van burgemeester en wethouders begrepen gebied aan het
daaromheen gelegen gebied blijken;
e. op de kaart wordt een noordpijl alsmede de naam van de gemeente
aangegeven.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, mag
de kaart worden vervaardigd op een schaal van:
a. 1 op 25.000, indien de uitgestrektheid van de gemeente daartoe
aanleiding geeft;
b. 1 op 5.000, indien de bijzondere kadastrale situatie van het
gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dit noodzakelijk maakt.
3. Onze Minister kan met betrekking tot de technische uitvoering
van de kaarten nadere voorschriften geven.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 16 oktober 1981
BEATRIX
De Minister van Landbouw en Visserij,
J. de Koning
Uitgegeven de vijfde november 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter