|
De minister van
Landbouw en Visserij;
Gelet op artikel 29, derde lid, van de Wet
agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248);
Gehoord de centrale landinrichtingscommissie en
de commissie beheer landbouwgronden;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
landinrichtingsgebieden in uitvoering: gebieden waar ingevolge de
Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299) het landinrichtingsplan of
een deel daarvan dan wel het aanpassingsplan is vastgesteld en het
besluit tot herinrichting, ruilverkaveling of aanpassingsinrichting is
genomen;
materieel beheer: het treffen van regelingen met betrekking tot
gebruik en onderhoud van land in landinrichtingsgebieden in uitvoering
waarvan het bureau zakelijke of persoonlijke rechten heeft verworven;
landinrichtingscommissie: de in artikel 27, eerste lid, dan wel
artikel 99, eerste lid, van de Landinrichtingswet bedoelde
landinrichtingscommissie;
landinrichtingsplan: het plan, bedoeld in artikel 73, eerste lid,
dan wel artikel 86 van de Landinrichtingswet;
aanpassingsplan: het plan, bedoeld in artikel 101 van de
Landinrichtingswet;
plan van toedeling: het plan van toedeling, bedoeld in artikel
196, eerste lid, van de Landinrichtingswet;
akte van toedeling: de akte van toedeling, bedoeld in artikel
207, eerste lid, van de Landinrichtingswet.
Artikel 2
1. Het materieel beheer dient zodanig te
worden gevoerd dat:
a. het land niet met persoonlijke of zakelijke rechten wordt belast
die een zo spoedig mogelijke vervreemding ten behoeve van de gewenste
bestemming kunnen bemoeilijken of vertragen;
b. wordt zorggedragen voor een regelmatige wisseling van degenen
aan wie het land in gebruik wordt gegeven.
2. Voor ingebruikneming van land dat in materieel beheer bij het
bureau is, kunnen gegadigden zich door middel van een inschrijving bij
het bureau melden.
3. Bij het in gebruik geven van het land wordt een vergoeding
gevraagd ter grootte van de hoogst toelaatbare pachtprijs.
Artikel 3
1. Voor landinrichtingsgebieden in
uitvoering voert het bureau het materieel beheer gedurende het tijdvak
dat begint op de datum van verwerving van het land en eindigt met ingang
van het kalenderjaar volgende op het jaar waarin het plan van toedeling
van het betreffende blok ter visie is gelegd.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid voert:
a. het bureau het materieel beheer tot aan de datum waarop de akte
van toedeling in de openbare registers wordt overgeschreven ten
aanzien van land en de daarop aanwezige opstallen:
welke worden aangewend voor niet agrarisch gebruik, voor
zover niet opgenomen in het landinrichtingsplan dan wel het
aanpassingsplan;
welke gelegen zijn binnen als zodanig aangewezen
reservaatsgebieden;
welke worden aangewend voor uitgifte in erfpacht;
b. de landinrichtingscommissie gedurende het tijdvak dat begint met
het kalenderjaar volgende op het jaar waarin het landinrichtingsplan
of een gedeelte daarvan dan wel het aanpassingsplan is vastgesteld en
eindigt op de datum bedoeld in het derde lid, het materieel beheer ten
aanzien van het land dat per kalenderjaar aangewend wordt voor:
uitvoering van werken;
tijdelijke compensatie van grondgebruikers op wier grond
werken worden uitgevoerd;
blijvende compensatie van grondgebruikers op wier grond
werken zijn uitgevoerd als gevolg waarvan het gebruik niet meer
mogelijk is;
oplossing van incidentele problemen bij de uitvoering van een
landinrichtingsproject welke geen verband behoeven te hebben met de
uitvoering van werken.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid voert de
landinrichtingscommissie het materieel beheer gedurende het tijdvak dat
begint met het kalenderjaar volgende op het jaar waarin het plan van
toedeling van het betreffende blok ter visie is gelegd en eindigt op de
datum waarop de akte van toedeling in de openbare registers wordt
overgeschreven.
4. In die delen van het landinrichtingsgebied in uitvoering waar
geen herverkaveling zal plaatsvinden, voert het bureau het materieel
beheer zolang het bureau het land in eigendom of pacht heeft, met dien
verstande dat dit land aan de landinrichtingscommissie in materieel
beheer kan worden gegeven ten behoeve van doeleinden genoemd in het
tweede lid, onderdeel b.
Artikel 4
1. In afwijking van het gestelde in
artikel 3 geldt voor landinrichtingsgebieden waarvan de stemming vσσr
1 maart 1983 heeft plaatsgevonden, dat de landinrichtingscommissie het
materieel beheer voert tot de datum waarop de akte van toedeling in de
openbare registers wordt overgeschreven.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid voert het
bureau het materieel beheer tot aan de datum waarop de akte van
toedeling in de openbare registers wordt overgeschreven ten aanzien van
land en de daarop aanwezige opstallen:
welke worden aangewend voor niet agrarisch gebruik, voor zover
niet opgenomen in het landinrichtingsplan;
welke gelegen zijn binnen als zodanig aangewezen
reservaatsgebieden;
welke worden aangewend voor uitgifte in erfpacht.
Artikel 5
Met betrekking tot het land dat de landinrichtingscommissie in
materieel beheer heeft:
a. betaalt zij aan het bureau een vergoeding ter grootte van de
hoogst toelaatbare pachtprijs;
b. brengt zij voor het gebruik door derden maximaal een bedrag in
rekening ter grootte van de hoogst toelaatbare pachtprijs;
c. legt zij jaarlijks verantwoording af aan het bureau.
Artikel 6
1. De uit het materieel beheer
voortvloeiende afwikkeling van de financiλle gevolgen en de daarbij
behorende administratie wordt door het bureau verricht vanaf de datum
van verwerving van het land tot aan de datum waarop de akte van
toedeling in de openbare registers wordt overgeschreven dan wel tot aan
het moment waarop het land van het bureau, in het geval bedoeld in
artikel 3, vierde lid, vervreemd wordt.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid voert de
landinrichtingscommissie de administratie over het haar in materieel
beheer gegeven land in de gevallen bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onderdeel b, derde lid, en vierde lid, en artikel 4, eerste lid.
Artikel 7
Het in een landinrichtingsgebied in uitvoering gelegen land wordt op
de volgende wijze vervreemd:
a. uitgifte in erfpacht als bedoeld in artikel 57 van de wet,
voor zover het betreft landbouwgrond;
b. vestiging van zakelijke rechten anders dan bedoeld in artikel
57 van de wet;
c. overdracht in eigendom aan de Staat;
d. overdracht in eigendom aan andere openbare lichamen dan de
Staat;
e. overdracht in eigendom aan particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisaties;
f. overdracht in eigendom aan ondernemers in de landbouw, voor
zover het landbouwgrond betreft op voordracht van de
landinrichtingscommissie;
g. overdracht in eigendom aan derden dan wel de vestiging van een
zakelijk recht ten behoeve van derden, niet ressorterend onder af,
ter oplossing van incidentele problemen bij de uitvoering van een
landinrichtingsproject.
Artikel 8
De Beschikking van 23 februari 1983, nr. J. 747 (Stcrt. 1983,
41), wordt ingetrokken
Artikel 9
1. Deze regeling treedt in werking met
ingang van de dag na de datum van haar bekendmaking in de
Nederlandse Staatscourant
en werkt terug tot en met 15 oktober 1985.
2. Zij kan worden aangehaald als: Regeling beheer en vervreemding
in landinrichtingsgebieden in uitvoering:.
's-Gravenhage, 18 juni 1987.
De minister van Landbouw en Visserij,
voor deze,
de secretaris-generaal,
T.H.J. Joustra.
|