BESLUIT van 6 juli 1976, houdende vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3 van de Wet
ambulancevervoer
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne
van 28 januari 1976, DG Vgz/Inrw, nr. 65346, en van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 3 van de Wet ambulancevervoer
(Stb. 1971, 369);
De Raad van State gehoord (advies van 10 maart
1976, nr. 20);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 17 juni 1976,
DG Vgz/VKG, nr. 67361, en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 1
Degene die ambulancevervoer uitoefent - in dit besluit verder ook als
"vervoerder" aangeduid - is gehouden ervoor zorg te dragen dat
bij gebruik van de door hem beheerde ambulance-auto's voor zodanig
vervoer aan de eisen, geldende ingevolge de paragrafen 2 t/m 4, wordt
voldaan.
§ 2. Eisen met betrekking tot de uitvoering en inrichting
Artikel 2
Een ambulance-auto dient voor wat de uitvoering betreft aan de
volgende eisen te voldoen:
a. hij moet een achtercompartiment hebben, dat van de
chauffeurscabine is gescheiden door een scheidingsschot met
schuiframen;
b. hij moet ten minste de belasting kunnen dragen van de
ingevolge deartikelen 3 en 7 vereiste voorzieningen alsmede van het
gewicht aan personen en goederen dat met gebruikmaking van de
vereiste voorzieningen kan worden meegevoerd;
c. de afmetingen van het achtercompartiment moeten voldoen aan
door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met
Onze Minister te stellen eisen, welke tenminste waarborgen, dat de
ingevolge deartikelen 3 en 7 vereiste voorzieningen doeltreffend
kunnen worden opgesteld en gebruikt;
d. in het achtercompartiment moet zich een nader door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze
Minister aan te geven, regelbare verlichting bevinden, die op
brancardhoogte voldoende lichtsterkte geeft voor een doeltreffend
gebruik van de zich in de auto bevindende medische apparatuur en
behandelings-, verplegings- en verzorgingsartikelen;
e. in het achtercompartiment moet tochtvrije ventilatie zijn;
f. in het achtercompartiment moet zich regelbare verwarming
bevinden;
g. in de rechter zijwand van het achtercompartiment dient zich
een draai- of schuifdeur te bevinden, en in de achterwand hetzij een
of meer soortgelijke deuren hetzij een opklapdeur.
Artikel 3
Een ambulance-auto dient voor wat de inrichting betreft aan de
volgende eisen te voldoen:
a. in het achtercompartiment moeten zich ten minste twee vast
aangebrachte opklapbare zitplaatsen bevinden, waarvan één aan het
hoofdeinde van de ingevolge artikel 7 vereiste brancard;
b. in het achtercompartiment moet zich een 12 volt stekkerdoos
voor gelijkstroom voor het aansluiten van een transportcouveuse
bevinden;
c. in het achtercompartiment moeten voorzieningen aanwezig zijn
voor de bevestiging van tenminste één brancard;
d. de auto moet voorzien zijn van een mobilofooninstallatie.
Artikel 4
De zich in een auto bevindende voorzieningen welke tot de inrichting
of tot de vaste uitrusting behoren, moeten doeltreffend zijn aangebracht
of opgesteld en moeten zijn aangepast aan de ruimte waarin zij zich
bevinden.
Artikel 5
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, in overeenstemming met
Onze Minister, met het oog op het deugdelijk en veilig vervoer, verdere
eisen betreffende de uitvoering en inrichting vaststellen.
Artikel 6
Een ambulance-auto moet voldoen aan de bij of krachtens het
Voertuigreglement gestelde eisen.
§ 3. Eisen met betrekking tot de uitrusting
Artikel 7
1. De uitrusting van een ambulance-auto moet ten minste één
brancard omvatten, alsmede de medische apparatuur en de behandelings-,
verplegings- en verzorgingsartikelen, die in de meest voorkomende
gevallen vereist zijn om de patiënt zo goed mogelijk van het nodige
te voorzien.
2. Onze Minister stelt nadere regelen vast met betrekking tot het
bepaalde in het eerste lid. Deze regelen kunnen verschillende eisen
inhouden voor verschillende categorieën van ambulancevervoer.
§ 4. Eisen met betrekking tot het begeleidende personeel
Artikel 8
Tijdens het verrichten van ambulancevervoer dient het begeleidende
personeel van een ambulance-auto te bestaan uit twee personen, te weten
een chaffeur en een begeleider.
Artikel 9
1. De chauffeur en de begeleider zijn in het bezit van een
geldig rijbewijs.
2. De chauffeur
a. is in het bezit van een geldig eenheidsdiploma EHBO en
b. heeft binnen vier jaar na indiensttreding bij een vervoerder met
goed gevolg een opleiding tot ambulancechauffeur gevolgd, waarna de
eis, genoemd onder a ., vervalt.
3.
a. is bevoegd de titel van verpleegkundige te voeren en
b. heeft binnen vier jaar na indiensttreding bij een vervoerder met
goed gevolg een opleiding tot ambulanceverpleegkundige gevolgd.
4. Onze Minister kan bepalen dat voor door hem aangewezen
categorieën van vervoer de begeleider, onverminderd het bij of
krachtens de vorige leden bepaalde, een naar zijn oordeel voor zodanige
categorie genoegzame cursus moet hebben gevolgd.
Artikel 10
1. Elk lid van het begeleidende personeel dient in het bezit te
zijn van een gedagtekende verklaring, hoogstens twee jaar tevoren
afgegeven door een arts, niet zijnde de behandelend arts van de
betrokkene, waaruit blijkt dat hij uit medisch oogpunt geschikt is
bevonden voor zijn functie.
2. Elk lid van het begeleidende personeel dient in het bezit te
zijn van een door een arts afgegeven verklaring waaruit blijkt dat hij
hoogstens vijf jaar geleden volledig tegen poliomyelitis is
gevaccineerd, en van een door een arts afgegeven verklaring, dat hij
hoogstens een jaar geleden volgens door Onze Minister gestelde regels
met gunstig resultaat op tuberculose is onderzocht.
§ 5. De keuring
Artikel 11
Onverminderd het in artikel 1 bepaalde mag een ambulance-auto voor
ambulancevervoer slechts worden gebruikt indien:
a. het voertuig blijkens een op het voor het voertuig afgegeven
kentekenbewijs vermelde aanduiding als bedoeld in artikel 28, vierde
lid, van de Wegenverkeerswet 1994, als ambulance-auto is toegelaten
tot het verkeer op de weg, welk kentekenbewijs zijn geldigheid niet
heeft verloren en niet is ingevorderd overeenkomstig artikel 60 van
die wet, en
b. voor zover na de onder a bedoelde toelating een periode
van ten minste een jaar is verstreken, voor het voertuig een
keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72 van de Wegenverkeerswet
1994 is afgegeven, dat zijn geldigheid niet heeft verloren.
Artikel 12
Ten behoeve van de afgifte van het kentekenbewijs en het
keuringsbewijs, bedoeld in artikel 11, dient de ambulance-auto,
onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, te
voldoen aan de eisen ingevolge paragraaf 2.
Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat doet zo spoedig mogelijk opgave aan het Staatstoezicht op de
Volksgezondheid en aan de betrokken colleges van gedeputeerde staten
van:
a. elke afgifte of teruggave van een kentekenbewijs voor een
ambulance-auto, en
b. elke invordering of ongeldigverklaring van een kentekenbewijs
van een ambulance-auto.
2.
De vervoerder doet zo spoedig mogelijk opgave aan het Staatstoezicht
op de Volksgezondheid en aan de betrokken colleges van gedeputeerde
staten van elke weigering om een keuringsbewijs als bedoeld in artikel
72 van de Wegenverkeerswet 1994 voor een ambulance-auto waarvoor hem een
vergunning voor het verrichten van ambulancevervoer is verleend, af te
geven.
Artikel 17
Elk lid van het begeleidende personeel dient de in artikel 10
bedoelde verklaringen tijdens het ambulancevervoer bij zich te hebben en
op de eerste vordering aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 20 van de
Wet ambulancevervoer, ter inzage te geven.
§ 6. Eisen met betrekking tot de paraatheid
Artikel 18
Degene die ambulancevervoer uitoefent, is gehouden al het nodige te
verrichten om te verzekeren dat de door hem beheerde ambulance-auto's
ten getale, hiertoe aangegeven in de hem krachtens artikel 2, eerste
lid, onder a, van de Wet ambulancevervoer verleende vergunning,
voor ambulancevervoer met inachtneming van de bepalingen van dit besluit
kunnen worden gebruikt.
Artikel 19
Gedurende de tijd waarin een ambulance-auto ingevolge de door
gedeputeerde staten gestelde regels voor ambulancevervoer beschikbaar
moet zijn, is de vervoerder gehouden de auto en het begeleidende
personeel in zodanige staat van paraatheid te hebben dat zij -
uitgezonderd omstandigheden waarin zulks niet van de inspanningen van de
vervoerder afhangt - binnen vijftien minuten na ontvangst van de
opdracht tot het aangevraagde vervoer ter plaatse kunnen zijn.
§ 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, onder a en b,
4 en 5 is gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit niet
van toepassing op ambulance-auto's die op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit reeds in gebruik zijn.
Artikel 21
Een krachtens artikel 9, vierde lid, vastgestelde regeling treedt
niet in werking binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 22
Dit besluit kan worden aangehaald als: Eisenbesluit ambulancevervoer.
Artikel 23
Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip,
dat voor de onderscheidende artikelen of onderdelen hiervan verschillend
kan worden gesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 6 juli 1976
JULIANA
De Staatssecretaris van Volksgezondheid en
Milieuhygiëne,
Hendriks
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Westerterp
Uitgegeven de vijfde augustus 1976
De Minister van Justitie a.i.,
Trip