St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet ambulancevervoer (WAV)

 

EISENBESLUIT  AMBULANCEVERVOER

Tekst zoals deze geldt op 9 mei 2008

Vervallen m.i.v. 1 april 1996

 

  
 

 

 
BESLUIT van 6 juli 1976, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3 van de Wet ambulancevervoer

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 28 januari 1976, DG Vgz/Inrw, nr. 65346, en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
     Gelet op artikel 3 van de Wet ambulancevervoer (Stb. 1971, 369);
     De Raad van State gehoord (advies van 10 maart 1976, nr. 20);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 17 juni 1976, DG Vgz/VKG, nr. 67361, en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 1

Degene die ambulancevervoer uitoefent - in dit besluit verder ook als "vervoerder" aangeduid - is gehouden ervoor zorg te dragen dat bij gebruik van de door hem beheerde ambulance-auto's voor zodanig vervoer aan de eisen, geldende ingevolge de paragrafen 2 t/m 4, wordt voldaan.

§ 2. Eisen met betrekking tot de uitvoering en inrichting

Artikel 2

Een ambulance-auto dient voor wat de uitvoering betreft aan de volgende eisen te voldoen:

a. hij moet een achtercompartiment hebben, dat van de chauffeurscabine is gescheiden door een scheidingsschot met schuiframen;

b. hij moet ten minste de belasting kunnen dragen van de ingevolge deartikelen 3 en 7 vereiste voorzieningen alsmede van het gewicht aan personen en goederen dat met gebruikmaking van de vereiste voorzieningen kan worden meegevoerd;

c. de afmetingen van het achtercompartiment moeten voldoen aan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister te stellen eisen, welke tenminste waarborgen, dat de ingevolge deartikelen 3 en 7 vereiste voorzieningen doeltreffend kunnen worden opgesteld en gebruikt;

d. in het achtercompartiment moet zich een nader door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister aan te geven, regelbare verlichting bevinden, die op brancardhoogte voldoende lichtsterkte geeft voor een doeltreffend gebruik van de zich in de auto bevindende medische apparatuur en behandelings-, verplegings- en verzorgingsartikelen;

e. in het achtercompartiment moet tochtvrije ventilatie zijn;

f. in het achtercompartiment moet zich regelbare verwarming bevinden;

g. in de rechter zijwand van het achtercompartiment dient zich een draai- of schuifdeur te bevinden, en in de achterwand hetzij een of meer soortgelijke deuren hetzij een opklapdeur.

Artikel 3

Een ambulance-auto dient voor wat de inrichting betreft aan de volgende eisen te voldoen:

a. in het achtercompartiment moeten zich ten minste twee vast aangebrachte opklapbare zitplaatsen bevinden, waarvan één aan het hoofdeinde van de ingevolge artikel 7 vereiste brancard;

b. in het achtercompartiment moet zich een 12 volt stekkerdoos voor gelijkstroom voor het aansluiten van een transportcouveuse bevinden;

c. in het achtercompartiment moeten voorzieningen aanwezig zijn voor de bevestiging van tenminste één brancard;

d. de auto moet voorzien zijn van een mobilofooninstallatie.

Artikel 4

De zich in een auto bevindende voorzieningen welke tot de inrichting of tot de vaste uitrusting behoren, moeten doeltreffend zijn aangebracht of opgesteld en moeten zijn aangepast aan de ruimte waarin zij zich bevinden.

Artikel 5

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, in overeenstemming met Onze Minister, met het oog op het deugdelijk en veilig vervoer, verdere eisen betreffende de uitvoering en inrichting vaststellen.

Artikel 6

Een ambulance-auto moet voldoen aan de bij of krachtens het Voertuigreglement gestelde eisen.

§ 3. Eisen met betrekking tot de uitrusting

Artikel 7

1. De uitrusting van een ambulance-auto moet ten minste één brancard omvatten, alsmede de medische apparatuur en de behandelings-, verplegings- en verzorgingsartikelen, die in de meest voorkomende gevallen vereist zijn om de patiënt zo goed mogelijk van het nodige te voorzien.

2. Onze Minister stelt nadere regelen vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. Deze regelen kunnen verschillende eisen inhouden voor verschillende categorieën van ambulancevervoer.

§ 4. Eisen met betrekking tot het begeleidende personeel

Artikel 8

Tijdens het verrichten van ambulancevervoer dient het begeleidende personeel van een ambulance-auto te bestaan uit twee personen, te weten een chaffeur en een begeleider.

Artikel 9

1. De chauffeur en de begeleider zijn in het bezit van een geldig rijbewijs.

2. De chauffeur

a. is in het bezit van een geldig eenheidsdiploma EHBO en

b. heeft binnen vier jaar na indiensttreding bij een vervoerder met goed gevolg een opleiding tot ambulancechauffeur gevolgd, waarna de eis, genoemd onder a ., vervalt.

3.

a. is bevoegd de titel van verpleegkundige te voeren en

b. heeft binnen vier jaar na indiensttreding bij een vervoerder met goed gevolg een opleiding tot ambulanceverpleegkundige gevolgd.

4. Onze Minister kan bepalen dat voor door hem aangewezen categorieën van vervoer de begeleider, onverminderd het bij of krachtens de vorige leden bepaalde, een naar zijn oordeel voor zodanige categorie genoegzame cursus moet hebben gevolgd.

Artikel 10

1. Elk lid van het begeleidende personeel dient in het bezit te zijn van een gedagtekende verklaring, hoogstens twee jaar tevoren afgegeven door een arts, niet zijnde de behandelend arts van de betrokkene, waaruit blijkt dat hij uit medisch oogpunt geschikt is bevonden voor zijn functie.

2. Elk lid van het begeleidende personeel dient in het bezit te zijn van een door een arts afgegeven verklaring waaruit blijkt dat hij hoogstens vijf jaar geleden volledig tegen poliomyelitis is gevaccineerd, en van een door een arts afgegeven verklaring, dat hij hoogstens een jaar geleden volgens door Onze Minister gestelde regels met gunstig resultaat op tuberculose is onderzocht.

§ 5. De keuring

Artikel 11

Onverminderd het in artikel 1 bepaalde mag een ambulance-auto voor ambulancevervoer slechts worden gebruikt indien:

a. het voertuig blijkens een op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs vermelde aanduiding als bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, als ambulance-auto is toegelaten tot het verkeer op de weg, welk kentekenbewijs zijn geldigheid niet heeft verloren en niet is ingevorderd overeenkomstig artikel 60 van die wet, en

b. voor zover na de onder a bedoelde toelating een periode van ten minste een jaar is verstreken, voor het voertuig een keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven, dat zijn geldigheid niet heeft verloren.

Artikel 12

Ten behoeve van de afgifte van het kentekenbewijs en het keuringsbewijs, bedoeld in artikel 11, dient de ambulance-auto, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, te voldoen aan de eisen ingevolge paragraaf 2.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 16

1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat doet zo spoedig mogelijk opgave aan het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en aan de betrokken colleges van gedeputeerde staten van:

a. elke afgifte of teruggave van een kentekenbewijs voor een ambulance-auto, en

b. elke invordering of ongeldigverklaring van een kentekenbewijs van een ambulance-auto.

2.

De vervoerder doet zo spoedig mogelijk opgave aan het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en aan de betrokken colleges van gedeputeerde staten van elke weigering om een keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994 voor een ambulance-auto waarvoor hem een vergunning voor het verrichten van ambulancevervoer is verleend, af te geven.

Artikel 17

Elk lid van het begeleidende personeel dient de in artikel 10 bedoelde verklaringen tijdens het ambulancevervoer bij zich te hebben en op de eerste vordering aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 20 van de Wet ambulancevervoer, ter inzage te geven.

§ 6. Eisen met betrekking tot de paraatheid

Artikel 18

Degene die ambulancevervoer uitoefent, is gehouden al het nodige te verrichten om te verzekeren dat de door hem beheerde ambulance-auto's ten getale, hiertoe aangegeven in de hem krachtens artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet ambulancevervoer verleende vergunning, voor ambulancevervoer met inachtneming van de bepalingen van dit besluit kunnen worden gebruikt.

Artikel 19

Gedurende de tijd waarin een ambulance-auto ingevolge de door gedeputeerde staten gestelde regels voor ambulancevervoer beschikbaar moet zijn, is de vervoerder gehouden de auto en het begeleidende personeel in zodanige staat van paraatheid te hebben dat zij - uitgezonderd omstandigheden waarin zulks niet van de inspanningen van de vervoerder afhangt - binnen vijftien minuten na ontvangst van de opdracht tot het aangevraagde vervoer ter plaatse kunnen zijn.

§ 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, onder a en b, 4 en 5 is gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op ambulance-auto's die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds in gebruik zijn.

Artikel 21

Een krachtens artikel 9, vierde lid, vastgestelde regeling treedt niet in werking binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 22

Dit besluit kan worden aangehaald als: Eisenbesluit ambulancevervoer.

Artikel 23

Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidende artikelen of onderdelen hiervan verschillend kan worden gesteld.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

 

Soestdijk, 6 juli 1976

 

JULIANA

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
Hendriks

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Westerterp

 

Uitgegeven de vijfde augustus 1976
De Minister van Justitie a.i.,
Trip

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WAV | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x