| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet arbeid
vreemdelingen (Wav)
BESLUIT
UITVOERING WET ARBEID VREEMDELINGEN
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wet
arbeid vreemdelingen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19
december 1994, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden
nr. ABA/AM/SCV/94/1957b;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel c,
4, tweede lid, onderdeel c, en 8, eerste lid, onderdeel e,
van de Wet arbeid vreemdelingen;
De Raad van State gehoord (advies van 6
februari 1995, nr. W12.94.0767);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 augustus 1995, nr. AM/AAB/95/9326;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen is niet van toepassing met
betrekking tot een vreemdeling:
a. die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en die incidentele
arbeid verricht uitsluitend bestaande uit:
1°. het monteren of repareren van door zijn,
buiten Nederland gevestigde, werkgever geleverde werktuigen, machines
of apparatuur, dan wel het installeren en aanpassen van zijn, buiten
Nederland gevestigde, werkgever geleverde software of uit het
instrueren in het gebruik daarvan;
2°. het voeren van zakelijke besprekingen of
het sluiten van overeenkomsten met bedrijven en instellingen;
3°. het voorbereiden, inrichten, houden of
afbreken van een tentoonstelling of stand voor een buiten Nederland
gevestigde opdrachtgever;
4°. het verzorgen van rapportages of het
maken van documentaires voor een buiten Nederland gevestigd
publiciteitsmedium;
5°. het werkzaam zijn in de huishouding van
toeristen;
6°. het deelnemen aan sportwedstrijden;
7°. het werkzaam zijn als artiest, musicus,
beeldend kunstenaar, conservator of restorator;
8°. het onbeloond deelnemen aan
proeftrainingen, die in het kader van een sollicitatieprocedure met
een werkgever in het betaald voetbal schriftelijk zijn overeengekomen
en waarvan de exacte periodevoorafgaande aan de feitelijke deelname
aan de proeftrainingen eveneens schriftelijk is vastgelegd.
b. die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en geen
arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever en
uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde
vervoermiddelen in het internationale verkeer;
c. die zijn hoofdverblijf buiten
Nederland heeft en als lid van de bemanning schepelingendienst
verricht aan boord van een zeeschip in de zin van de Zeebrievenwet,
voor zover het zeeschip niet uitsluitend als binnenschip wordt
geëxploiteerd op de Nederlandse binnenwateren, dan wel als werktuig
voor weg en waterbouw binnen Nederland;
d. die houder is van een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken
afgegeven legitimatiebewijs voor de in het legitimatiebewijs genoemde
functie;
e. die als correspondent werkzaam is in dienst van een
publiciteitsmedium dat zijn hoofdzetel buiten Nederland gevestigd heeft;
f. die als militair behoort tot de krijgsmacht van een vreemde
mogendheid;
g. die als burger werkzaam is in dienst van een Geallieerd
Hoofdkwartier of de Noordatlantische Verdragsorganisatie;
h. die als burger werkzaam is in dienst van een vreemde mogendheid
ten behoeve van een Geallieerd Hoofdkwartier, de Noordatlantische
Verdragsorganisatie dan wel een vreemde krijgsmacht;
i. die als burger werkzaam is in dienst van een vreemde mogendheid
ten behoeve van een instelling die in verband met de aanwezigheid van
een Geallieerd Hoofdkwartier in Nederland is gevestigd;
j. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
k. die met een door of vanwege de Europese Unie, een instituut of
instelling voor internationaal onderwijs of onderzoek dat door het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt gesubsidieerd,
de Nederlandse overheid, of een Nederlandse onderwijs- of
onderzoeksinstelling verstrekte beurs in Nederland tijdelijk onderzoek
verricht voor de duur van de beurs en degene die in het kader van een
bilaterale of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is
onderzoek verricht voor de duur zoals is bepaald in de bilaterale of
multilaterale overeenkomst;
l. die gastcolleges geeft aan een
universiteit, hogeschool of instelling voor hoger internationaal
onderwijs, of aan een onderzoeksinstelling die gelieerd is aan of
werkzaam is op het terrein van een universiteit, hogeschool of
instelling voor hoger internationaal onderwijs, voor de duur van
maximaal één jaar;
m. die tot Nederland wordt toegelaten om arbeid te verrichten in het
kader van een actieprogramma van de Europese Unie dat bekend gemaakt is
in het publicatieblad van de Europese Unie voor de duur zoals is bepaald
in het programma;
n. die als slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel als
bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, onder a en b, van het
Vreemdelingenbesluit 2000, beschikt over een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet
2000, onder een beperking verband houdend met de vervolging van
mensenhandel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het
Vreemdelingenbesluit 2000;
o. die in het kader van een ontwikkelingssamenwerkingsproject voor
maximaal vier aaneengesloten weken per kalenderjaar naar Nederland komt
om in samenwerking met Nederlandse ondernemers, vakspecialisten of
experts van het project uitzending managers kennis en ervaring op te
doen inzake de bedrijfsvoering van bedrijven, en zich door hen laat
adviseren.
2. Onder incidentele arbeid als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, wordt verstaan:
a. onder 1° en 3°, arbeid met
een maximale duur van 12 aaneengesloten weken binnen een tijdbestek
van 36 weken;
b. onder 2°, 4° en 6°, arbeid
met een maximale duur van 4 weken binnen een tijdbestek van 13 weken;
c. onder 5° en 7°, arbeid met
een maximale duur van 4 aaneengesloten weken binnen een tijdbestek van
13 weken;
d. onder 8°, arbeid met een
maximale duur van 4 aaneengesloten weken binnen een tijdsbestek van 52
weken.
3. Het eerste lid, onderdeel
a, onder 8°, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
die de leeftijd van 17 jaar nog niet heeft bereikt.
Artikel 1a
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
die:
a. rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8,
onder a, c of l, van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel rechtmatig in
Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder f, g of h, van
de Vreemdelingenwet 2000, in verband met een aanvraag van een
verblijfsvergunning asiel of een aanvraag om voortgezette toelating,
en
b. naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als vrijwilliger deelneemt aan arbeid die
gebruikelijk onbetaald wordt verricht, geen winstoogmerk heeft en
een algemeen maatschappelijk doel dient.
Artikel 1b
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
van wie de krachtens de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning met
daarop de aantekening, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen, is ingetrokken en die met instemming van Onze
Minister van Justitie in Nederland verblijft en beschikt over een
geldige sticker in het paspoort met de aantekening «arbeid is vrij
toegestaan».
Artikel 1c
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling, die beschikt over een vergunning tot verblijf op grond van
artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 1d
1. Het verbod, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, is niet van
toepassing met betrekking tot een vreemdeling die rechtmatig in
Nederland verblijft op grond van artikel 8, onderdelen a, b, c, d, e, k
of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of een vreemdeling die in het bezit
is van een machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het
verblijfsdoel "kennismigrant" waarvoor een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000 is aangevraagd en die:
a. als kennismigrant als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder
y, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in Nederland wordt tewerkgesteld
op basis van een arbeidsovereenkomst of een ambtelijke aanstelling en:
1°. van
wie het overeengekomen vaste, naar tijdruimte en in geld vastgestelde
loon als vergoeding voor zijn arbeid dat hij van de werkgever
ontvangt, indien hij de leeftijd van dertig jaar niet heeft bereikt,
ten minste € 33.000 per jaar bedraagt, dan wel indien hij dertig
jaar of ouder is, ten minste € 45.000 per jaar bedraagt,
2°. die
binnen een jaar voorafgaand aan de tewerkstelling een geaccrediteerde
opleiding aan een hoger onderwijsinstelling in Nederland heeft
afgerond en van wie het overeengekomen vaste, naar tijdruimte en in
geld vastgestelde loon als vergoeding voor zijn arbeid dat hij van de
werkgever ontvangt, ten minste € 25.000 per jaar bedraagt,
b. in Nederland wordt tewerkgesteld in het kader van het doen van
wetenschappelijk onderzoek bij een bekostigde of aangewezen
onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel
of gedeeltelijke bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling, of
c. in Nederland wordt tewerkgesteld als arts in opleiding tot
specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie,
de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en
Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut,
en van wiens werkgever Onze
Minister voor Vreemdelingenzaken & Integratie een door hem bij
ministeriële regeling vastgestelde verklaring heeft ontvangen
betreffende op de werkgever rustende verplichtingen.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef
en onderdeel a, blijft het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
de Wet arbeid vreemdelingen van toepassing met betrekking tot de
vreemdeling die:
a. werkzaam is als beroepssporter in het betaald voetbal;
b. werkzaam is als geestelijke, of
c. werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 verricht.
3. Onze Minister herziet, met ingang van 1 januari van elk
kalenderjaar, de in het eerste lid genoemde bedragen, met de procentuele
wijziging van het meest recente indexcijfer der CAO-lonen, gepubliceerd
door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Artikel 1e
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening
tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die
buiten Nederland is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese
Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, mits
a. de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de
arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is,
b. de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan
schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen heeft
gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als
bedoeld in het tweede lid, en
c. er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onder b, dienen,
indien de desbetreffende vreemdeling beschikt over een andere
nationaliteit dan die van een lidstaat van de Europese Unie, een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, bewijsstukken te worden verstrekt waaruit blijkt
dat de vreemdeling gerechtigd is in het land alwaar de werkgever
gevestigd is te verblijven en er de arbeid te verrichten, en dient te
worden overgelegd:
a. een volledig ingevulde en voor de desbetreffende arbeid geldige
E101-verklaring, waarbij wordt vermeld waar de werknemer in Nederland
de arbeid zal verrichten, of
b. een door de werkgever schriftelijk en naar waarheid afgelegde
verklaring, opgesteld op een daartoe door de Centrale organisatie voor
werk en inkomen verstrekt formulier, waarin worden vermeld de naam en
het adres van de werkgever, een aanduiding van de aard van zijn
onderneming en de registratiegegevens in het land van vestiging, de
naam en het adres van degene ten behoeve van wie de dienst wordt
verleend, de aard van de te verlenen dienst, waar en wanneer de
vreemdeling de arbeid zal verrichten, alsmede de identiteitsgegevens
van de vreemdeling.
3. Onder E101-verklaring, als bedoeld in het tweede lid, wordt
verstaan: het bewijs, bedoeld in artikel 11 van verordening(EEG)574/72.
Artikel 1f
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
die in Nederland wordt tewerkgesteld als stagiair en rechtmatig verblijf
heeft op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, dan
wel die beschikt over een vergunning tot verblijf voor studie als
bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder n, van het
Vreemdelingenbesluit 2000.
Artikel 1g
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing op de vreemdeling die:
a. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft aangevraagd,
aanspraken op voorzieningen geniet voorzien bij of krachtens de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk
voorschrift dat aanspraken op voorzieningen regelt en op basis van
artikel 8, onderdeel f of h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig
in Nederland verblijft; dan wel
b. minderjarig is en houder is van een op grond van artikel 14,
eerste lid, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking voor
verblijf om redenen van medische nood of vanwege medische
behandeling, en
in Nederland een beroepsopleiding volgt bij een instelling als
bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs of een instelling die een beroepsopleiding verzorgt
waarvan op grond van artikel 1.4.1. Wet educatie en beroepsonderwijs aan
de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens een
diploma of certificaat is verbonden, en in het kader van die
beroepsopleiding te werk wordt gesteld op grond van een
beroepspraktijkvormingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8. van de
Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 1h
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als
bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een
beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van
richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 (PbEU L 289) of een
vreemdeling die in het bezit is van een machtiging tot voorlopig
verblijf die overeenkomt met voornoemd verblijfsdoel, die in Nederland
wordt tewerkgesteld bij een aangewezen onderzoeksinstelling als bedoeld
in artikel 3.56a, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit
2000.
Artikel 1i
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling die houder is van een door Onze Minister van Justitie ter
uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25
mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van
onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde
baan (PbEU L 155) afgegeven Europese blauwe kaart, dan wel van een
geldige machtiging tot voorlopig verblijf onder een beperking verband
houdend met verblijf als houder van een Europese blauwe kaart, voor
zover die vreemdeling:
a. een opleiding aan een geaccrediteerde opleiding aan een
instelling voor hoger onderwijs in Nederland of een vergelijkbare
opleiding aan een buitenlandse hogeronderwijsinstelling met goed
gevolg heeft afgerond, en
b. van de werkgever een vast
bruto-loon voor de arbeid ontvangt van ten minste € 60.000 per jaar.
2. Onze Minister herziet met ingang van 1 januari van elk
kalenderjaar het in het eerste lid, onder b, genoemde bedrag.
Artikel 2
Een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen wordt afgegeven aan:
a. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of
gezinsvorming met:
1°. een kennismigrant als bedoeld in
artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Vreemdelingenbesluit 2000,
of
2°. een houder van een door Onze Minister
van Justitie afgegeven Europese blauwe kaart als bedoeld in artikel
1i;
b. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de
zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, en is
toegelaten voor verblijf bij:
1. een in Nederland woonachtige Nederlander of
gemeenschapsonderdaan die rechtmatig in Nederland verblijft, in de
zin van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, of
2. een vreemdeling aan wie een aantekening als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen is
afgegeven;
c. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of
gezinsvorming met een onderzoeker, als bedoeld in artikel 3.4,
eerste lid, onder bb, van het Vreemdelingenbesluit 2000;
d. een vreemdeling, met uitzondering van de vreemdeling, genoemd
in de onderdelen a en f, die in het verleden heeft beschikt over een
krachtens de Vreemdelingenwet of Vreemdelingenwet 2000 afgegeven
vergunning met daarop een aantekening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen en die nadien zijn
hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd;
e. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de
zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, indien de
vreemdeling gedurende ononderbroken periode van zeven jaar direct
voorafgaande aan de vergunning tot verblijf werkzaam is geweest op
zeeschepen die onder Nederlandse vlag varen en in Nederland zijn
geregistreerd of op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat
als bedoeld in artikel 1, onderdelen o en c, van de Mijnbouwwet;
f. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft in de
zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en niet
langer dan een jaar na het afronden van een geaccrediteerde
opleiding aan een hoger onderwijsinstelling in Nederland verblijft.
Artikel 2a
1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b en
d, van de Wet arbeid vreemdelingen mag een vreemdeling als bedoeld in
artikel 8, tweede lid, van die wet arbeid verrichten indien:
a. die vreemdeling een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft aangevraagd
en welke aanvraag blijkens een verklaring van Onze Minister van
Justitie tenminste zes maanden in behandeling is, aanspraken op
voorzieningen geniet voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan
opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat aanspraken
op voorzieningen regelt en de vreemdeling op basis van artikel 8,
onderdelen f of h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in
Nederland verblijft;
b. die vreemdeling houder is van een op grond van artikel 14,
eerste lid, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder beperking voor verblijf
als alleenstaande minderjarige vreemdeling;
c. die vreemdeling houder is van een op grond van artikel 14,
eerste lid, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking van
voortgezet verblijf, verband houdend met eerder verblijf als
alleenstaande minderjarige vreemdeling;
d. de vreemdeling, bedoeld in onderdeel a, b en c, de in de
vergunningsaanvraag aangegeven werkzaamheden onder marktconforme
voorwaarden zal verrichten, en
e. de vreemdeling, bedoeld in onderdeel a en b, binnen een
tijdsbestek van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden een
arbeidsperiode van in totaal 24 weken, waarin ten hoogste een
arbeidsperiode van 14 weken is gelegen waarin werkzaamheden worden
verricht als artiest, musicus, filmmedewerker of in de vorm van
technische ondersteuning van optredens van een artiest of musicus,
niet overschrijdt.
2. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid,
onderdeel a.
Artikel 3
Een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd voor werkzaamheden
geheel of ten dele bestaande in het verrichten van seksuele handelingen
met derden of voor derden.
Artikel 4
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen is gedurende zes en twintig weken na het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op een vreemdeling
die reeds vóór de inwerkingtreding daarvan:
a. uitsluitend arbeid verricht op vervoermiddelen in het
internationale verkeer;
b. als stagiaire hier te lande werkzaam is in het kader van een
met een vreemde mogendheid gesloten overeenkomst;
c. optreedt als gastdocent aan een Nederlandse instelling voor
wetenschappelijk onderwijs;
d. is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn;
e. arbeid verricht in dienst van de Europese Gemeenschap voor
Atoomenergie.
Artikel 4a
Behoudens bij ministeriële regeling te bepalen gevallen wordt een
verlenging van de tewerkstellingsvergunning die voor minder dan drie
jaar is verleend, geweigerd indien:
a. de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning, inclusief
de verlenging van de tewerkstellingsvergunning de maximale duur van
drie jaar heeft bereikt;
b. de maximale toegestane duur van de arbeid wordt overschreden.
Artikel 4b
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Wet arbeid
vreemdelingen.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet
arbeid vreemdelingen in werking treedt.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
Surabaya, 23 augustus 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de eenendertigste augustus 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|