| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet arbeid
vreemdelingen (Wav)
BESLUIT
UITVOERING WET ARBEID VREEMDELINGEN
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wet
arbeid vreemdelingen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19
december 1994, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden
nr. ABA/AM/SCV/94/1957b;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel c,
4, tweede lid, onderdeel c, en 8, eerste lid, onderdeel e,
van de Wet arbeid vreemdelingen;
De Raad van State gehoord (advies van 6
februari 1995, nr. W12.94.0767);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 augustus 1995, nr. AM/AAB/95/9326;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling:
a. die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en die
incidentele arbeid verricht uitsluitend bestaande uit:
1°. het monteren of repareren van door zijn, buiten
Nederland gevestigde, werkgever geleverde werktuigen, machines
of apparatuur, dan wel het installeren en aanpassen van zijn,
buiten Nederland gevestigde, werkgever geleverde software of
uit het instrueren in het gebruik daarvan;
2°. het voeren van zakelijke besprekingen of het sluiten
van overeenkomsten met bedrijven en instellingen;
3°. het voorbereiden, inrichten, houden of afbreken van
een tentoonstelling of stand voor een buiten Nederland
gevestigde opdrachtgever;
4°. het verzorgen van rapportages of het maken van
documentaires voor een buiten Nederland gevestigd
publiciteitsmedium;
5°. het werkzaam zijn in de huishouding van toeristen;
6°. het deelnemen aan sportwedstrijden;
7°. het werkzaam zijn als artiest, musicus, beeldend
kunstenaar, conservator of restorator;
8°. het onbeloond deelnemen aan proeftrainingen, die in
het kader van een sollicitatieprocedure met een werkgever in
het betaald voetbal schriftelijk zijn overeengekomen en
waarvan de exacte periodevoorafgaande aan de feitelijke
deelname aan de proeftrainingen eveneens schriftelijk is
vastgelegd.
b. die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en geen
arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde
werkgever en uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland
geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer;
c. die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en als lid van
de bemanning schepelingendienst verricht aan boord van een
zeeschip in de zin van de Zeebrievenwet, voor zover het zeeschip
niet uitsluitend als binnenschip wordt geëxploiteerd op de
Nederlandse binnenwateren, dan wel als werktuig voor weg en
waterbouw binnen Nederland;
d. die houder is van een door Onze Minister van Buitenlandse
Zaken afgegeven legitimatiebewijs voor de in het legitimatiebewijs
genoemde functie;
e. die als correspondent werkzaam is in dienst van een
publiciteitsmedium dat zijn hoofdzetel buiten Nederland gevestigd
heeft;
f. die als militair behoort tot de krijgsmacht van een vreemde
mogendheid;
g. die als burger werkzaam is in dienst van een Geallieerd
Hoofdkwartier of de Noordatlantische Verdragsorganisatie;
h. die als burger werkzaam is in dienst van een vreemde
mogendheid ten behoeve van een Geallieerd Hoofdkwartier, de
Noordatlantische Verdragsorganisatie dan wel een vreemde
krijgsmacht;
i. die als burger werkzaam is in dienst van een vreemde
mogendheid ten behoeve van een instelling die in verband met de
aanwezigheid van een Geallieerd Hoofdkwartier in Nederland is
gevestigd;
j. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
k. die met een door of vanwege de Europese Unie, een instituut
of instelling voor internationaal onderwijs of onderzoek dat door
het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt
gesubsidieerd, de Nederlandse overheid, of een Nederlandse
onderwijs- of onderzoeksinstelling verstrekte beurs in Nederland
tijdelijk onderzoek verricht voor de duur van de beurs en degene
die in het kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst
waarbij Nederland partij is onderzoek verricht voor de duur zoals
is bepaald in de bilaterale of multilaterale overeenkomst;
l. die gastcolleges geeft aan een universiteit, hogeschool of
instelling voor hoger internationaal onderwijs, of aan een
onderzoeksinstelling die gelieerd is aan of werkzaam is op het
terrein van een universiteit, hogeschool of instelling voor hoger
internationaal onderwijs, voor de duur van maximaal één jaar;
m. die tot Nederland wordt toegelaten om arbeid te verrichten
in het kader van een actieprogramma van de Europese Unie dat
bekend gemaakt is in het publicatieblad van de Europese Unie voor
de duur zoals is bepaald in het programma;
n. die als slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel als
bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, onder a en b, van het
Vreemdelingenbesluit 2000, beschikt over een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, onder a, van de
Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking verband houdend met de
vervolging van mensenhandel als bedoeld in artikel 3.4, eerste
lid, onder s, van het Vreemdelingenbesluit 2000;
o. die in het kader van een ontwikkelingssamenwerkingsproject
voor maximaal vier aaneengesloten weken per kalenderjaar naar
Nederland komt om in samenwerking met Nederlandse ondernemers,
vakspecialisten of experts van het project uitzending managers
kennis en ervaring op te doen inzake de bedrijfsvoering van
bedrijven, en zich door hen laat adviseren.
2. Onder incidentele arbeid als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, wordt verstaan:
a. onder 1° en 3°, arbeid met een maximale duur van 12
aaneengesloten weken binnen een tijdbestek van 36 weken;
b. onder 2°, 4° en 6°, arbeid met een maximale duur van 4
weken binnen een tijdbestek van 13 weken;
c. onder 5° en 7°, arbeid met een maximale duur van 4
aaneengesloten weken binnen een tijdbestek van 13 weken;
d. onder 8°, arbeid met een maximale duur van 4 aaneengesloten
weken binnen een tijdsbestek van 52 weken.
3. Het eerste lid, onderdeel a, onder 8°, is niet van toepassing
met betrekking tot een vreemdeling die de leeftijd van 17 jaar nog
niet heeft bereikt.
Artikel 1a
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
die:
a. rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8,
onder a, c of l, van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel rechtmatig in
Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onder f, g of h, van
de Vreemdelingenwet 2000, in verband met een aanvraag van een
verblijfsvergunning asiel of een aanvraag om voortgezette toelating,
en
b. naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als vrijwilliger deelneemt aan arbeid die
gebruikelijk onbetaald wordt verricht, geen winstoogmerk heeft en
een algemeen maatschappelijk doel dient.
Artikel 1b
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
van wie de krachtens de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning met
daarop de aantekening, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen, is ingetrokken en die met instemming van Onze
Minister van Justitie in Nederland verblijft en beschikt over een
geldige sticker in het paspoort met de aantekening «arbeid is vrij
toegestaan».
Artikel 1c
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling, die beschikt over een vergunning tot verblijf op grond van
artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 1d
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel
8, onderdelen a, b, c, d, e, k of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of
een vreemdeling die in het bezit is van een machtiging tot voorlopig
verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel «kennismigrant»
waarvoor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is aangevraagd en die:
a. als kennismigrant als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid,
onder y, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in Nederland wordt
tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of een
ambtelijke aanstelling en:
1°. van wie het overeengekomen vaste, naar tijdruimte en
in geld vastgestelde loon als vergoeding voor zijn arbeid dat
hij van de werkgever ontvangt, indien hij de leeftijd van
dertig jaar niet heeft bereikt, ten minste € 33.000 [Red:
per 1 januari 2013: € 38.141,-] per jaar bedraagt, dan wel
indien hij dertig jaar of ouder is, ten minste € 45.000[Red:
per 1 januari 2013: € 52.010,-] per jaar bedraagt,
2°. die binnen een jaar voorafgaand aan de tewerkstelling
een geaccrediteerde opleiding aan een hoger
onderwijsinstelling in Nederland heeft afgerond en van wie het
overeengekomen vaste, naar tijdruimte en in geld vastgestelde
loon als vergoeding voor zijn arbeid dat hij van de werkgever
ontvangt, ten minste € 25.000 [Red: per 1 januari 2013: €
27.336,-] per jaar bedraagt,
b. in Nederland wordt tewerkgesteld in het kader van het doen
van wetenschappelijk onderzoek bij een bekostigde of aangewezen
onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect,
geheel of gedeeltelijke bekostigde of gesubsidieerde
onderzoeksinstelling, of
c. in Nederland wordt tewerkgesteld als arts in opleiding tot
specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie
Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de
Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen
opleidingsinstituut,
en van wiens werkgever Onze Minister voor Vreemdelingenzaken &
Integratie een door hem bij ministeriële regeling vastgestelde
verklaring heeft ontvangen betreffende op de werkgever rustende
verplichtingen.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, blijft
het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen van toepassing met betrekking tot de vreemdeling die:
a. werkzaam is als beroepssporter in het betaald voetbal;
b. werkzaam is als geestelijke, of
c. werkzaamheden als bedoeld in artikel 3verricht.
3. Onze Minister herziet, met ingang van 1 januari van elk
kalenderjaar, de in het eerste lid genoemde bedragen, met de
procentuele wijziging van het meest recente indexcijfer der CAO-lonen,
gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Artikel 1e
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening
tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die
buiten Nederland is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese
Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, mits
a. de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze
werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever
gevestigd is,
b. de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan
schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen
heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en
bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en
c. er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het
ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onder b, dienen,
indien de desbetreffende vreemdeling beschikt over een andere
nationaliteit dan die van een lidstaat van de Europese Unie, een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, bewijsstukken te worden verstrekt waaruit
blijkt dat de vreemdeling gerechtigd is in het land alwaar de
werkgever gevestigd is te verblijven en er de arbeid te verrichten, en
dient te worden overgelegd:
a. een volledig ingevulde en voor de desbetreffende arbeid
geldige E101-verklaring, waarbij wordt vermeld waar de werknemer
in Nederland de arbeid zal verrichten, of
b. een door de werkgever schriftelijk en naar waarheid
afgelegde verklaring, opgesteld op een daartoe door de Centrale
organisatie voor werk en inkomen verstrekt formulier, waarin
worden vermeld de naam en het adres van de werkgever, een
aanduiding van de aard van zijn onderneming en de
registratiegegevens in het land van vestiging, de naam en het
adres van degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend, de
aard van de te verlenen dienst, waar en wanneer de vreemdeling de
arbeid zal verrichten, alsmede de identiteitsgegevens van de
vreemdeling.
3. Onder E101-verklaring, als bedoeld in het tweede lid, wordt
verstaan: het bewijs, bedoeld in artikel 11 van verordening(EEG)574/72.
Artikel 1f
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
die in Nederland wordt tewerkgesteld als stagiair en rechtmatig verblijf
heeft op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, dan
wel die beschikt over een vergunning tot verblijf voor studie als
bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder n, van het
Vreemdelingenbesluit 2000.
Artikel 1g
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen, is niet van toepassing op de vreemdeling die:
a. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft aangevraagd,
aanspraken op voorzieningen geniet voorzien bij of krachtens de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk
voorschrift dat aanspraken op voorzieningen regelt en op basis van
artikel 8, onderdeel f of h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig
in Nederland verblijft; dan wel
b. minderjarig is en houder is van een op grond van artikel 14,
eerste lid, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking voor
verblijf om redenen van medische nood of vanwege medische
behandeling, en
in Nederland een beroepsopleiding volgt bij een instelling als
bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs of een instelling die een beroepsopleiding verzorgt
waarvan op grond van artikel 1.4.1. Wet educatie en beroepsonderwijs aan
de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens een
diploma of certificaat is verbonden, en in het kader van die
beroepsopleiding te werk wordt gesteld op grond van een
beroepspraktijkvormingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8. van de
Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 1h
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling
die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als
bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een
beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van
richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 (PbEU L 289) of een
vreemdeling die in het bezit is van een machtiging tot voorlopig
verblijf die overeenkomt met voornoemd verblijfsdoel, die in Nederland
wordt tewerkgesteld bij een aangewezen onderzoeksinstelling als bedoeld
in artikel 3.56a, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit
2000.
Artikel 1i
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen is niet van toepassing met betrekking tot een
vreemdeling die houder is van een door Onze Minister van Justitie ter
uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25
mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van
onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde
baan (PbEU L 155) afgegeven Europese blauwe kaart, dan wel van een
geldige machtiging tot voorlopig verblijf onder een beperking verband
houdend met verblijf als houder van een Europese blauwe kaart, voor
zover die vreemdeling:
a. een opleiding aan een geaccrediteerde opleiding aan een
instelling voor hoger onderwijs in Nederland of een vergelijkbare
opleiding aan een buitenlandse hogeronderwijsinstelling met goed
gevolg heeft afgerond, en
b. van de werkgever een vast bruto-loon voor de arbeid ontvangt
van ten minste€ 60.000 [Red: per 1 januari 2013: € 60.952,-]
per jaar.
2. Onze Minister herziet met ingang van 1 januari van elk
kalenderjaar het in het eerste lid, onder b, genoemde bedrag.
Artikel 2
Een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen wordt afgegeven aan:
a. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of
gezinsvorming met:
1°. een kennismigrant als bedoeld in artikel 3.4, eerste
lid, onder y, van het Vreemdelingenbesluit 2000, of
2°. een houder van een door Onze Minister van Justitie
afgegeven Europese blauwe kaart als bedoeld in artikel 1i;
b. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de
zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, en is
toegelaten voor verblijf bij:
1. een in Nederland woonachtige Nederlander of
gemeenschapsonderdaan die rechtmatig in Nederland verblijft, in
de zin van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, of
2. een vreemdeling aan wie een aantekening als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen is
afgegeven;
c. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of
gezinsvorming met een onderzoeker, als bedoeld in artikel 3.4,
eerste lid, onder bb, van het Vreemdelingenbesluit 2000;
d. een vreemdeling, met uitzondering van de vreemdeling, genoemd
in de onderdelen a en f, die in het verleden heeft beschikt over een
krachtens de Vreemdelingenwet of Vreemdelingenwet 2000 afgegeven
vergunning met daarop een aantekening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen en die nadien zijn
hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd;
e. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de
zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, indien de
vreemdeling gedurende ononderbroken periode van zeven jaar direct
voorafgaande aan de vergunning tot verblijf werkzaam is geweest op
zeeschepen die onder Nederlandse vlag varen en in Nederland zijn
geregistreerd of op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat
als bedoeld in artikel 1, onderdelen o en c, van de Mijnbouwwet;
f. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft in de
zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en niet
langer dan een jaar na het afronden van een geaccrediteerde
opleiding aan een hoger onderwijsinstelling in Nederland verblijft.
Artikel 2a
1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b en d,
van de Wet arbeid vreemdelingen mag een vreemdeling als bedoeld in
artikel 8, tweede lid, van die wet arbeid verrichten indien:
a. die vreemdeling een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft
aangevraagd en welke aanvraag blijkens een verklaring van Onze
Minister van Justitie tenminste zes maanden in behandeling is,
aanspraken op voorzieningen geniet voorzien bij of krachtens de
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk
voorschrift dat aanspraken op voorzieningen regelt en de
vreemdeling op basis van artikel 8, onderdelen f of h, van de
Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verblijft;
b. die vreemdeling houder is van een op grond van artikel 14,
eerste lid, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder beperking voor
verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling;
c. die vreemdeling houder is van een op grond van artikel 14,
eerste lid, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking van
voortgezet verblijf, verband houdend met eerder verblijf als
alleenstaande minderjarige vreemdeling;
d. de vreemdeling, bedoeld in onderdeel a, b en c, de in de
vergunningsaanvraag aangegeven werkzaamheden onder marktconforme
voorwaarden zal verrichten, en
e. de vreemdeling, bedoeld in onderdeel a en b, binnen een
tijdsbestek van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden een
arbeidsperiode van in totaal 24 weken, waarin ten hoogste een
arbeidsperiode van 14 weken is gelegen waarin werkzaamheden worden
verricht als artiest, musicus, filmmedewerker of in de vorm van
technische ondersteuning van optredens van een artiest of musicus,
niet overschrijdt.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 3
Een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd voor werkzaamheden
geheel of ten dele bestaande in het verrichten van seksuele handelingen
met derden of voor derden.
Artikel 4
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen is gedurende zes en twintig weken na het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op een vreemdeling
die reeds vóór de inwerkingtreding daarvan:
a. uitsluitend arbeid verricht op vervoermiddelen in het
internationale verkeer;
b. als stagiaire hier te lande werkzaam is in het kader van een
met een vreemde mogendheid gesloten overeenkomst;
c. optreedt als gastdocent aan een Nederlandse instelling voor
wetenschappelijk onderwijs;
d. is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn;
e. arbeid verricht in dienst van de Europese Gemeenschap voor
Atoomenergie.
Artikel 4a
Behoudens bij ministeriële regeling te bepalen gevallen wordt een
verlenging van de tewerkstellingsvergunning die voor minder dan drie
jaar is verleend, geweigerd indien:
a. de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning, inclusief
de verlenging van de tewerkstellingsvergunning de maximale duur van
drie jaar heeft bereikt;
b. de maximale toegestane duur van de arbeid wordt overschreden.
Artikel 4b
1. Na een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding
wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 17b, eerste lid,
van de wet en indien een herhaling van die of een soortgelijke
overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet,
wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de
door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode
worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
2. Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in
afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel
17b, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en
wordt, indien opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is
geconstateerd die eveneens ernstig is, een bevel opgelegd door de
daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden
voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet
mogen aanvangen.
3. Als een ernstige overtreding als bedoeld in het eerste of tweede
lid wordt aangemerkt de overtreding waarbij ten minste 20 werkenden
zijn betrokken.
4. Indien de aard van de overtreding of de met de overtreding
samenhangende omstandigheden dan wel de gevolgen van een stillegging
van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van
een waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid en kan worden
afgezien van een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid. Een
dergelijke waarschuwing wordt niet gegeven of een dergelijk bevel
wordt niet opgelegd, indien de overtreding een handelen of nalaten
betreft in strijd met de artikelen 2a, eerste lid, en 15 van de wet.
Artikel 4c
Als ernstige overtreding in de zin van artikel 19d, derde en vijfde
lid, van de wet wordt aangemerkt de overtreding, genoemd in artikel 4b,
derde lid.
Artikel 4d
Bij ministeriële regeling kan het aantal werkenden, bedoeld in
artikel 4b, derde lid, worden aangepast.
Artikel 4e
1. Als soortgelijke verplichtingen en verboden als bedoeld in
artikel 19d, tweede en vierde lid, van de wet worden aangewezen de
verplichtingen en verboden op grond van de artikelen 2, eerste lid, en
18, tweede lid, van de wet.
2. Als een soortgelijke overtreding als bedoeld in artikel 4b,
eerste en tweede lid, wordt beschouwd een overtreding van de artikelen
2, eerste lid, en 18, tweede lid, van de wet.
Artikel 4f
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Wet arbeid
vreemdelingen.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet
arbeid vreemdelingen in werking treedt.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
Surabaya, 23 augustus 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de eenendertigste augustus 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|