|
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 5, tweede lid, 8, tweede
lid, 9, onderdeel d, en 22 van de Wet arbeid vreemdelingen;
Besluit:
Artikel 1
De bevoegdheid inzake het afgeven, verlengen en intrekken van
tewerkstellingsvergunningen wordt overgedragen aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 2
Bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 1, neemt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, naast de in de Wet
arbeid vreemdelingen, het Besluit ter uitvoering van de Wet arbeid
vreemdelingen en in dit besluit gestelde regels, de nadere regels in
acht inzake de wijze van toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen
zoals die zijn neergelegd in de uitvoeringsregels behorende bij dit
besluit.
Artikel 3
[Vervallen.]
Artikel 4
Voor aanvragen die geschoold werk betreffen, dienen bij de personalia
van de werknemer de gewaarmerkte diploma’s en getuigschriften dat aan
de vereiste kwalificaties is voldaan, bij de vergunningaanvraag te
worden gevoegd. De waarde van deze documenten dient te kunnen worden
geverifieerd aan de hand van een door een deskundige instantie afgegeven
verklaring met welk Nederlands diploma of welke graad van vakbekwaamheid
deze documenten vergelijkbaar zijn.
Artikel 5
De houder van de tewerkstellingsvergunning is verplicht hiervan
onverwijld mededeling te doen indien van de tewerkstellingsvergunning
langer dan een maand geen gebruik wordt gemaakt.
Artikel 6
Afwijking van artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet arbeid
vreemdelingen vindt slechts plaats in geval er sprake is van
buitengewone omstandigheden die een spoedige vervulling van de
arbeidsplaats noodzakelijk maken en die niet door de werkgever waren te
voorzien of door hem te beïnvloeden waren.
Artikel 7
Afwijking van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid
vreemdelingen vindt slechts plaats ten behoeve van de bevordering van
internationale handelscontacten als omschreven in de bij dit besluit
behorende uitvoeringsregels.
Artikel 8
Afwijking van artikel 8, eerste lid, onder a, b en d, van de Wet
arbeid vreemdelingen vindt slechts plaats in het kader van scholing,
opleiding, internationale uitwisseling en andere internationale
culturele contacten alsmede ten behoeve van vreemdelingen die beschikken
over een voor het verrichten van arbeid geldige vergunning tot verblijf,
voor zover dit in de bij dit besluit behorende uitvoeringsregels is
omschreven.
Artikel 9
Een tewerkstellingsvergunning kan worden geweigerd ten aanzien van
een niet eerder toegelaten vreemdeling die jonger is dan 18 jaar of
ouder dan 45 jaar.
Artikel 10
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt jaarlijks aan
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verslag uit omtrent de
wijze waarop de bevoegdheid, bedoeld in artikel 1, is uitgeoefend.
Dit verslag betreft in ieder geval:
a. een opgave van het aantal tewerkstellingsvergunningen dat is
aangevraagd;
b. een opgave van het aantal tewerkstellingsvergunningen dat is
verleend onderscheidenlijk geweigerd, onder vermelding van de
weigeringsgrond;
c. een opgave van het aantal personen waarop de verleende
tewerkstellingsvergunningen betrekking hebben;
d. een opgave van het aantal malen dat aan de verleende
tewerkstellingsvergunningen beperkingen dan wel voorschriften zijn
verbonden;
e. een opgave van het aantal tewerkstellingsvergunningen dat is
ingetrokken, onder vermelding van de intrekkingsgrond;
f. een opgave van het aantal bezwaarschriften dat tegen de
onderscheiden beslissingen is ingediend, van het aantal malen dat
deze zijn ingewilligd onderscheidenlijk afgewezen, en van het aantal
malen dat tegen de beslissing op het bezwaarschrift beroep bij de
rechter is ingesteld;
g. een opgave van de termijnen waarbinnen de onder b en f
bedoelde beslissingen zijn genomen.
Artikel 11
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verplicht aan de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de door deze aangewezen
ambtenaren desgevraagd binnen een daartoe gestelde termijn en op de
aangegeven wijze alle opgaven en inlichtingen te verstrekken betreffende
de wijze waarop de bevoegdheden, bedoeld in artikel 1, zijn uitgeoefend.
Artikel 12
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet
arbeid vreemdelingen in werking treedt en wordt aangehaald als
Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen.
’s-Gravenhage, 17 augustus 1995.
De
Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
Uitvoeringsregels Wet arbeid
vreemdelingen behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet
arbeid vreemdelingen
1. Inleiding
In de Wet arbeid vreemdelingen is bepaald
op welke wijze het toelatingsbeleid van vreemdelingen tot de Nederlandse
arbeidsmarkt zal plaatsvinden. Met het Delegatie- en uitvoeringsbesluit
Wet arbeid vreemdelingen wordt onder ander uitvoering gegeven aan
artikel 5, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Ingevolge
genoemd artikel kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
bevoegdheid inzake het afgeven, verlengen en intrekken van
tewerkstellingsvergunningen onder door hem te stellen nadere regels
geheel of gedeeltelijk overdragen aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft tot taak om middels registratie en
bemiddeling aansluiting te zoeken tussen vraag en aanbod op de
arbeidsmarkt en beschikt ook over instrumenten waarmee binnen de
Europese Unie kan worden bemiddeld. Zij is derhalve bij uitstek in de
positie om aan de hand van de arbeidsmarktsituatie te kunnen beoordelen
of een aanvrager al dan niet voor vergunningsverlening in aanmerking
komt. Alle bevoegdheden worden overgedragen aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Hierdoor blijft de eenheid in het
uitvoeringsbeleid behouden. Met dit besluit wordt tevens uitvoering
gegeven aan artikel 22 van de Wet arbeid vreemdelingen, voor zover dit
verplichtingen van anderen dan de uitvoerder van deze wet betreft. In
artikel 4 van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid
vreemdelingen staat de verplichting de vereiste kwalificaties in geval
van geschoolde arbeid aan te tonen; artikel 5 van dit besluit verplicht
de houder van een vergunning zelf aan te geven wanneer van een
vergunning geen gebruik wordt gemaakt. Andere regels die een goede
uitvoering moeten bevorderen, zijn in deze uitvoeringsregels opgenomen.
Met dit besluit wordt eveneens invulling gegeven aan artikel 8, derde
lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. In de artikelen 6 tot en met 8 van
dit besluit is bepaald dat in een aantal in de wet omschreven
omstandigheden mag worden afgeweken van de desbetreffende dwingende
weigeringsgronden. In deze uitvoeringsregels is ter zake een limitatieve
opsomming en een uitwerking opgenomen van de gevallen waarin op grond
van artikel 8, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen mag worden
afgeweken van het in artikel 8 eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen bepaalde. In artikel 9 van dit besluit zijn ingevolge
artikel 9, eerste lid, onder d, van de Wet arbeid vreemdelingen de
leeftijdsgrenzen gesteld op grond waarvan niet eerder toegelaten
vreemdelingen kunnen worden geweigerd. Hieraan wordt in het onderstaande
eveneens een nadere uitwerking gegeven.
2. Consequente uitvoering
Uitgangspunt voor de uitvoering van de
Wet arbeid vreemdelingen is een consequente toepassing van het
restrictieve toelatingsbeleid. Dit houdt in dat in beginsel alle
toepasselijke weigeringsgronden waarin de Wet arbeid vreemdelingen
voorziet, zullen worden tegengeworpen. De Wet arbeid vreemdelingen richt
zich op alle arbeid ongeacht de rechtsvorm waarin deze is gegoten.
In het navolgende is zoveel mogelijk de
volgorde en systematiek van de wet gevolgd, zodat de eventuele
toepasselijkheid van de nadere regels gemakkelijk is terug te vinden.
Artikel 2
3. Werknemers van andere werkgevers
In artikel 2, tweede lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen is bepaald dat indien een werkgever arbeid laat
verrichten door een vreemdeling voor wie een andere werkgever beschikt
over een tewerkstellingsvergunning niet opnieuw een vergunning is
vereist. De eerstgenoemde werkgever dient dan wel in het bezit te zijn
van een kopie van de tewerkstellingsvergunning. In dit geval vermeldt de
tewerkstellingsvergunning naast de omschrijving van de werkzaamheden de
mogelijkheid van tewerkstelling bij andere werkgevers, de aard van de
aldaar te verrichten werkzaamheden en een aanduiding van de plaats van
de feitelijke tewerkstelling. De verplichting op grond van artikel 7 van
de Wet arbeid vreemdelingen om de aard van de werkzaamheden en de plaats
van feitelijke tewerkstelling te vermelden op de
tewerkstellingsvergunning is niet van toepassing indien deze vergunning
is verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onder a en b,
van de Wet arbeid vreemdelingen en zonder toets op de aard van de
werkzaamheden.
Bij de toetsing ingevolge artikel 8 en 9
van de Wet arbeid vreemdelingen of de vacature voor vervulling door een
vreemdeling in aanmerking komt, wordt uitgegaan van de werkzaamheden te
verrichten bij de feitelijke werkgever. Alleen als het gaat om
werkzaamheden die niet behoren tot de bedrijfseigen activiteiten van die
werkgever vindt toetsing, of voldaan is aan de verplichte
vacaturemelding en wervingsinspanningen, plaats bij de uitlenende
werkgever. De te verlenen tewerkstellingsvergunning is dan niet beperkt
tot één project/inlenende onderneming. Of werkzaamheden behoren tot de
bedrijfseigen activiteiten van een werkgever is veelal af te leiden uit
de aard van het werk in relatie tot de aard en doelstelling van de
onderneming van de werkgever.
Toetsing of voldaan is aan het wettelijke
minimumloon (artikel 8, eerste lid, onder d, van de Wet arbeid
vreemdelingen) en een marktconforme beloning (artikel 9, eerste lid,
onder b, van de Wet arbeid vreemdelingen) vindt plaats bij de werkgever
die verantwoordelijk is voor de beloning van de vreemdeling.
Artikel 3
4. Overeenkomsten met andere mogendheden
Indien ingevolge een internationaal
verdrag bij de tewerkstelling van een vreemdeling geen
tewerkstellingsvergunning mag worden verlangd, zal de betreffende
vreemdeling steeds beschikken over een door de minister van Justitie of
de minister van Buitenlandse Zaken afgegeven legitimatiebewijs, waarop
dit is aangetekend.
Van de in dit verband relevante
internationale verdragen is ter voldoening aan artikel 3, tweede lid,
van de Wet arbeid vreemdelingen in de bijlage een lijst opgenomen.
5. Zelfstandigen
Indien een vreemdeling arbeid verricht
als zelfstandige en voor die werkzaamheden als zelfstandige ingevolge
artikel 8, onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig
verblijf in Nederland heeft, is het verbod van artikel 2 van de Wet
arbeid vreemdelingen niet van toepassing. Bij de toelating tot Nederland
is immers al getoetst of er met de toelating van de betreffende
vreemdeling een voldoende Nederlands belang is gemoeid.
Als werkgevers (opdrachtgevers, aannemers
en onderaannemers) vreemdelingen die in hun vrije termijn of op basis
van een visum rechtmatig in Nederland verblijven, arbeid als
zelfstandige willen laten verrichten, is een tewerkstellingsvergunning
vereist. Daarbij is de normale toetsingsprocedure van toepassing, tenzij
bij verdrag anders is bepaald.
Indien een werkgever een tot Nederland
toegelaten zelfstandige arbeid wil laten verrichten buiten de
beperkingen van de vergunning tot verblijf als zelfstandige, dient voor
deze arbeid eveneens een tewerkstellingsvergunning te worden
aangevraagd. Deze wordt niet getoetst aan artikel 8, eerste lid, onder
d, van de Wet arbeid vreemdelingen.
6. Directeuren-aandeelhouders
(Groot)aandeelhouders van bedrijven die
in het kader van hun bedrijfsuitoefening in Nederland arbeid willen
verrichten zijn veelal te beschouwen als zelfstandigen, vanwege de
positie die zij binnen de onderneming innemen.
Voor zover zij een belang van 25% of meer
in het bedrijf hebben, ondernemersrisico lopen en de hoogte van hun
salaris direct kunnen beïnvloeden, kunnen zij een vergunning tot
verblijf als zelfstandige aanvragen.
7. Uitgezonderde werkzaamheden
Bij het Besluit uitvoering Wet arbeid
vreemdelingen is bepaald dat het verbod van artikel 2 van de Wet arbeid
vreemdelingen niet van toepassing is op een aantal nauw omschreven
werkzaamheden van vreemdelingen. Indien de werkzaamheden de inperking
van dit besluit te buiten gaan, zal steeds een vergunning vereist zijn,
waarbij de normale procedure dient te worden gevolgd, inclusief de
toetsen ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen.
Artikel 5
8. Wijziging van omstandigheden
De afgifte van een nieuwe
tewerkstellingsvergunning is noodzakelijk indien in de (rechts)persoon
van de werkgever of in de aard van de door de vreemdeling te verrichten
werkzaamheden enige verandering optreedt. Bij de aanvraag om de nieuwe
tewerkstellingsvergunning is de normale toetsingsprocedure van
toepassing.
Artikel 7
9. Personalia werknemer
Voor aanvragen die geschoold werk
betreffen dienen de personalia van de werknemer alsmede gewaarmerkte
diploma’s en getuigschriften dat aan de vereiste kwalificaties is
voldaan, onmiddellijk bij de vergunningaanvraag te worden gevoegd. De
waarde van deze documenten dient te kunnen worden geverifieerd aan de
hand van een door een deskundige instantie afgegeven verklaring met welk
Nederlands diploma of welke graad van vakbekwaamheid deze documenten
vergelijkbaar zijn.
Voor aanvragen die ongeschoold werk
betreffen dienen de personalia van de vreemdeling uiterlijk twee weken
na het indienen van de vergunningaanvraag te worden overgelegd.
Artikel 8, eerste lid
10. Prioriteitgenietend aanbod
Een tewerkstellingsvergunning wordt
ingevolge artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet arbeid
vreemdelingen geweigerd als voor de desbetreffende arbeidsplaats
prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt beschikbaar is.
Bij de aanvraag wordt nagegaan of deze
weigeringsgrond van toepassing is. Daarbij moet niet alleen naar de
beschikbaarheid in de eigen vestigingsplaats of regio worden gekeken,
maar ook naar de beschikbaarheid in andere regio’s binnen Nederland en
in andere landen van de Europese Unie. Als arbeidsaanbod beschikbaar is,
zal geen vergunning kunnen worden verleend, ook als het effectueren van
dit aanbod extra inspanningen van de zijde van de werkgever vergt.
11. Werknemers in de sportsector
Ook ten aanzien van werknemers in de
sportsector geldt het restrictieve toelatingsbeleid. Alleen voor het
incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die
hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben, is in artikel 1, eerste lid
van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen een uitzondering
gemaakt, evenals voor het incidenteel onbeloond deelnemen aan
proeftrainingen voetbal in het kader van een sollicitatieprocedure.
Vacaturevervulling door het
prioriteitgenietend aanbod uit Nederland en de bij de Europese
Economische Ruimte aangesloten landen is alleen in uitzonderlijke
gevallen niet mogelijk. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich normaliter
uitsluitend voor in de hoogste competitie-afdeling van de betreffende
tak van sport. Bij het betaalde voetbal wordt in het kader van de Wet
arbeid vreemdelingen daarbij niet alleen gerekend de Eredivisie, maar
ook de Eerste Divisie.
In lagere klassen zal vergunningverlening
aan spelers van buiten Nederland en de bij de Europese Economische
Ruimte aangesloten landen slechts bij hoge uitzondering mogelijk zijn,
omdat in de regel vervulling binnen het prioriteitgenietend aanbod
mogelijk is, hetzij via doorstroming uit de amateursport en
jeugdopleidingen, hetzij door aanwerving van spelers uit de hoogste
competitieklasse in Nederland of uit andere landen binnen de Europese
Economische Ruimte.
De geboden beloning zal steeds in
overeenstemming moeten zijn met wat topsporters in de betreffende sport
verdienen.
Een tewerkstellingvergunning voor
beroepssporters zal daarom in de regel worden geweigerd:
– als het een arbeidsplaats in een
lagere dan de hoogste afdeling van de betreffende sportbond betreft
en/of:
– als de beloning niet marktconform
is. Hierbij moet de waarde van gebruikelijke transfersommen worden
verdisconteerd. Van het ontbreken van een marktconforme beloning zal
doorgaans sprake zijn als de beloning lager is dan de gebruikelijke
beloning voor spelers die behoren tot de top 20% in de hoogste
afdeling van de betreffende tak van sport.
Voor een marktconforme beloning in
het betaald voetbal moet de gegarandeerde beloning tenminste 150%
bedragen van de gemiddelde beloning in de Eredivisie in het
voorgaande seizoen inclusief de premies, die afhankelijk zijn van
het in dat seizoen behaalde resultaat van de club die de
tewerkstellingsvergunning aanvraagt. Voor spelers in de
leeftijdsgroep van 18 tot 20 jaar is in de regel sprake van een
marktconforme beloning als de gegarandeerde beloning tenminste 75%
van de vorenbedoelde gemiddelde beloning in de Eredivisie bedraagt
en/of:
– als het een speler betreft die
niet direct voorafgaande aan de tewerkstelling op geregelde basis
heeft deelgenomen aan een competitie die ten minste even sterk is
als de hoogste afdeling van de Nederlandse competitie of die niet op
andere wijze, zoals door deelname aan wereldkampioenschappen, heeft
bewezen over tenminste vergelijkbare kwaliteiten te beschikken.
12. Belemmeringen voor vacaturevervulling
Op grond van artikel 9, eerste lid, onder
i, van de Wet arbeid vreemdelingen kan een tewerkstellingsvergunning
worden geweigerd als de werkgever belemmeringen opwerpt waardoor de
arbeidsplaats niet met prioriteitgenietend aanbod kan worden vervuld.
Gedacht kan worden aan irreële functie- of taaleisen.
Voor tewerkstelling in de horecasector is
het restrictieve toelatingsbeleid onverkort van toepassing.
Het beheersen van een andere taal dan het
Nederlands als voorwaarde voor vacaturevervulling voor keukenpersoneel
dient steeds beschouwd te worden als een beletsel in de zin van artikel
9, eerste lid, onder i, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Ten aanzien van tewerkstelling in
Chinees-Indische restaurants alsmede grillrooms, pizzeria’s,
shoarma-zaken, koffie- en eethuizen en dergelijke zal een vergunning in
de regel geweigerd dienen te worden indien algemeen bedienend- of
keukenpersoneel op de arbeidsmarkt beschikbaar is.
Ook voor andere restaurants met een
specifieke keuken zal getoetst moeten worden of voor het bereiden van de
specifieke gerechten met een korte opleiding kan worden volstaan, dan
wel of eventuele specialiteiten ook door reeds beschikbaar personeel
kunnen worden vervaardigd.
Gespecialiseerd personeel dient te
beschikken over gewaarmerkte diploma’s en getuigschriften aangaande
hun vakbekwaamheid. Ingevolge artikel 4 van het Delegatie- en
uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen dienen deze gewaarmerkte
diploma’s en getuigschriften bij de vergunningaanvraag te worden
gevoegd.
13. Verblijfsvergunning
Alvorens een tewerkstellingsvergunning
kan worden afgegeven dient een bewijsstuk te zijn overgelegd dat door de
vreemdeling een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid is
aangevraagd. Met een verblijfsvergunning kan worden gelijkgesteld een
machtiging tot voorlopig verblijf als bedoeld in artikel 1, onder h, van
de Vreemdelingenwet 2000.
Bij arbeid met een duur van maximaal 12
weken kan in geval van visumplichtige vreemdelingen met het bewijsstuk
van het aangevraagde visum worden volstaan en in geval van
niet-visumplichtige vreemdelingen met een door het IND-loket aan de
vreemdeling afgegeven verklaring van bekendheid met diens verblijf.
In het geval van grensarbeiders die
woonachtig zijn in België of Duitsland en die in die landen een legaal
verblijfsrecht hebben, kan worden volstaan met een bewijsstuk van dit
verblijfsrecht. In geval van studenten die arbeid van bijkomende aard
willen verrichten, als beschreven in paragraaf 26, kan worden volstaan
met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de
beperking verband houdende met het volgen van studie.
14. Minimumloon
In artikel 8, eerste lid, onder d, van de
Wet arbeid vreemdelingen is bepaald dat een tewerkstellingsvergunning
wordt geweigerd indien de vreemdeling met de betreffende arbeid minder
verdient dan het wettelijk minimummaandloon. Aanvragen voor vergunningen
voor kortere perioden dan een maand of voor deeltijdarbeid komen
derhalve slechts voor inwilliging in aanmerking indien de totale
beloning ten minste het wettelijk minimummaandloon bedraagt.
Uitzonderingen op deze regel zijn uitsluitend mogelijk indien dit
ingevolge artikel 8, derde lid, onder ten derde van de Wet arbeid
vreemdelingen is toegestaan.
15. Geen vergunning
In artikel 3 van het Besluit uitvoering
Wet arbeid vreemdelingen is bepaald dat voor werkzaamheden geheel of ten
dele bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of
voor derden een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd.
Onder deze dwingende weigeringsgrond
dienen alle werkzaamheden te worden begrepen waarvan het niet
ongebruikelijk is dat het verrichten van seksuele handelingen of het
verlenen van seksuele diensten daarvan onderdeel uitmaakt.
Artikel 8
16. Buitengewone omstandigheden
Afwijking van artikel 8, eerste lid,
onder b, van de Wet arbeid vreemdelingen kan in individuele gevallen
slechts plaatsvinden in geval er sprake is van buitengewone
omstandigheden die een spoedige vervulling van de arbeidsplaats
noodzakelijk maken en die niet door de werkgever waren te voorzien of
door hem te beïnvloeden waren. De toepassing van deze
uitzonderingsmogelijkheid dient zich te beperken tot duidelijke gevallen
van overmacht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan
eveneens afwijken van artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet arbeid
vreemdelingen indien vanwege het specifieke karakter van de
werkzaamheden het op voorhand duidelijk is dat prioriteitgenietend
arbeidsaanbod voor de desbetreffende functie niet beschikbaar is.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan met betrekking tot bepaalde categorieën
functies besluiten dat de verplichte vacaturemelding bedoeld in artikel
8, eerste lid, onder b, van de Wet arbeid vreemdelingen, gedurende een
termijn van maximaal één jaar achterwege blijft, indien zij van
oordeel is dat prioriteitgenietend aanbod niet bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als werkzoekende is
geregistreerd of op korte termijn geregistreerd zal worden. Na ommekomst
van deze termijn beslist het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of een nieuwe termijn van maximaal één jaar,
waarin de verplichte vacaturemelding achterwege blijft, gesteld zal
worden.
17. Geestelijk bedienaren
Een tewerkstellingsvergunning kan zonder
toepassing van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid
vreemdelingen worden verleend ten behoeve van een vreemdeling die een
geestelijke, godsdienstige of levensbeschouwelijke functie uitoefent,
waarvoor een specifieke opleiding, kennis of ervaring vereist is en die
van wezenlijk belang is voor de eredienst of het functioneren van een
kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of
levensbeschouwelijke grondslag.
18. Internationale handelscontacten
In artikel 8, derde lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen is bepaald dat ten behoeve van de bevordering van
internationale handelscontacten afwijking mogelijk is van artikel 8,
eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen.
In de navolgende gevallen zal deze
mogelijkheid kunnen worden toegepast:
a. in geval van werkzaamheden die in
samenhang met de levering van goederen worden verricht kan,
voorzover artikel 1, eerste lid, onder a, 1 van het Besluit
uitvoering Wet arbeid vreemdelingen niet van toepassing is, zonder
toepassing van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet
arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning worden verleend
indien de totale waarde van de geleverde arbeid, gemeten naar in
Nederland gebruikelijk (CAO-)loonniveau, niet groter is dan de
waarde van de geleverde goederen. Voorwaarde is bovendien dat de
goederen gefabriceerd zijn in het land waaruit ook het personeel
afkomstig is en dat de werknemers reeds meer dan een jaar in vaste
dienst zijn van de leverancier van de goederen.
b. in geval van internationale
dienstverlening door bedrijven voor zover daarop verdragsbepalingen
aangegaan in het kader van de General Agreement on Trade in Services
(GATS) van toepassing zijn en die hun eigen personeel ter uitvoering
van de dienst in Nederland willen laten werken, zal zonder toets aan
de arbeidsmarktsituatie in Nederland een tewerkstellingsvergunning
worden verstrekt, indien aan de navolgende voorwaarden wordt
voldaan:
– de personen die op tijdelijke
basis diensten verlenen, zijn in dienst van een rechtspersoon,
die geen commerciële vestiging in een van de Lidstaten van de
Europese Unie heeft;
– de
dienstverleningsovereenkomst overschrijdt niet de duur van drie
maanden, en is tot stand gekomen na een openbare
aanbestedingsprocedure of een publieke bekendmaking om die
overeenkomst te sluiten, indien dat voortvloeit uit het
Nederlands recht of dat van de Europese Unie;
– de hiervoor bedoelde personen
behoren tot het vaste personeel van de desbetreffende
buitenlandse werkgever en hebben reeds meer dan een jaar in
dienst van die werkgever de werkzaamheden verricht, waarop de
dienstverleningsovereenkomst betrekking heeft;
– de verblijfsduur is beperkt
tot de duur van het contract, met een maximum van drie maanden
in een periode van 24 maanden;
– de hiervoor bedoelde personen
verrichten uitsluitend de werkzaamheden waarvoor de
tewerkstellingsvergunning is verleend;
– het aantal personeelsleden
dat voor de rechtspersoon de contractueel overeengekomen
werkzaamheden verricht, bedraagt ten hoogste het aantal personen
dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de
overeenkomst;
– de overeenkomst heeft
betrekking op een van de navolgende categorieën van
dienstverlening:
a. accountantsdiensten;
b. fiscaal adviserende
diensten;
c. diensten op het gebied van
architectuur, stadsplanning/stedenbouwkunde en
landschapsarchitectuur;
d. technische diensten (zgn.:
’engineering’);
e. diensten op het gebied van
geïntegreerde techniek (zgn.: ’integrated engineering’);
f. diensten op het gebied
van, cq gerelateerd aan computers: informatici,
systeemanalysten, programmeurs, deskundigen op het gebied
van functionele documentenanalyse en onderhoudsdeskundigen;
g. diensten in de bouw (zgn.:
’construction services’);
– de desbetreffende
personeelsleden beschikken over een voltooide universitaire
opleiding en drie jaar beroepservaring op het desbetreffende
werkterrein;
– met uitzondering van de
hiervoor onder f genoemde diensten voldoen de desbetreffende
personeelsleden aan de voor het uitoefenen van dat beroep in
Nederland bestaande beroepseisen.
c. in geval het ten behoeve van de
levering van goederen door een in Nederland gevestigd bedrijf
noodzakelijk is dat:
1°. de afnemer van die goederen
de desbetreffende goederen voorafgaand aan de feitelijke
levering laat controleren, certificeren, inspecteren dan wel
anderszins laat onderzoeken door personen afkomstig uit het land
van de afnemer of in dienst van de afnemer;
2°. specifieke kennis of
ervaring aan personen in dienst van de afnemer wordt
doorgegeven, die voor de afnemer nodig is om met de geleverde
goederen te kunnen werken.
De duur van de periode van
tewerkstelling van de vreemdeling is niet langer dan noodzakelijk
doch in ieder geval maximaal één jaar en de werkzaamheden worden
uitgevoerd met behulp van een aantal vreemdelingen dat niet hoger is
dan noodzakelijk. Het inschakelen van de desbetreffende personen
dient noodzakelijk te zijn voor het uitvoeren van de desbetreffende
werkzaamheden dan wel voor werkzaamheden die in verband met de
uitvoering van die werkzaamheden noodzakelijk zijn.
19. Internationalisering bedrijfsleven en
non-profit organisaties
a. Grote internationale concerns
Voor vreemdelingen die door hun werkgever
tijdelijk naar Nederland worden overgeplaatst kan in het kader van de
bevordering van internationale handelscontacten worden afgeweken van
artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen,
voor zover het gaat om personeel op sleutelposities in een groot
zelfstandig op winst gericht bedrijf of complex van bedrijven. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt met betrekking tot de
grootte van het bedrijf of complex van bedrijven een omzetcriterium
vast. Onder een sleutelpositie wordt verstaan een leidinggevende of
specialistische functie op ten minste HBO-niveau met een
bruto-jaarsalaris van € 51.239,00 of meer. Voor vreemdelingen die als
directeur-grootaandeelhouder een leidinggevende positie binnen een
Nederlandse vestiging willen gaan innemen, wordt in acht genomen wat in
paragraaf 6 terzake is vermeld.
Voor vreemdelingen die binnen grote
internationale bedrijven als trainee worden tewerkgesteld kan worden
afgeweken van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid
vreemdelingen indien:
– de trainee beschikt over een
opleiding op HBO- of universitair niveau;
– een trainee-programma wordt
overgelegd, waaruit de noodzaak van tewerkstelling in Nederland
blijkt;
– de tewerkstelling onder
marktconforme arbeidsvoorwaarden plaatsvindt, en
– de periode van tewerkstelling
minder bedraagt dan 3 jaar.
Daarnaast kan ten aanzien van werknemers
die naar Nederland worden overgeplaatst in verband met de overdracht van
specifieke kennis en technieken, voorzover de tewerkstelling van deze
vreemdelingen in Nederland de duur van één jaar niet overschrijdt en
de vreemdelingen beschikken over een voltooide opleiding op ten minste
HBO-niveau, worden afgeweken van artikel 8, eerste lid, onder a en b,
van de Wet arbeid vreemdelingen.
b. Vestiging kleinere bedrijven
Ten behoeve van het starten, wijzigen of
uitbreiden van bedrijfsactiviteiten wordt alleen een
tewerkstellingsvergunning afgegeven indien uit een door een deskundige
instantie opgesteld ondernemingsplan blijkt dat deze
bedrijfsactiviteiten en de onderneming voldoende levensvatbaar en
economisch haalbaar zijn. In dat geval kan ten aanzien van een
vreemdeling die binnen het bedrijf een sleutelpositie heeft, worden
afgeweken van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid
vreemdelingen. De beloning van het sleutelpersoneel is marktconform.
c. Sleutelpersoneel
Ten behoeve van sleutelpersoneel
(personeel in leidinggevende of specialistische functies), zoals genoemd
in de Associatieakkoorden die de Europese Unie en haar Lidstaten hebben
afgesloten, zijn de bepalingen uit deze Akkoorden van toepassing. Dit
houdt in dat voor de tewerkstelling van dit personeel kan worden
afgeweken van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid
vreemdelingen en van het in onderdeel a van deze paragraaf genoemde
inkomenscriterium.
d. Non-profit organisaties
Ten behoeve van de tewerkstelling van
sleutelpersoneel voor de duur van minder dan drie jaar van grote
internationaal georiënteerde non-profit organisaties kan worden
afgeweken van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid
vreemdelingen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt
met betrekking tot de grootte van de internationaal georiënteerde
non-profitorganisaties een criterium vast. Onder sleutelpersoneel wordt
in dit verband verstaan: vreemdelingen in leidinggevende of
specialistische functies op ten minste HBO-niveau, die voor de
organisatie van direct belang zijn vanwege de internationale
activiteiten van de organisatie. De beloning van het sleutelpersoneel is
marktconform.
e. Echtgenoten/partners
Indien ten behoeve van de hierboven
genoemde vreemdelingen zonder toets aan artikel 8, eerste lid, onder a
en b, van de Wet arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning
wordt verleend, kan ten behoeve van de tewerkstelling van zijn/haar
echtgeno(o)t(e)/ partner eveneens zonder toets aan artikel 8, eerste
lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen een
tewerkstellingsvergunning worden afgegeven voor maximaal dezelfde duur
als de tewerkstellingsvergunning die op genoemde vreemdeling van
toepassing is.
f. Inkomenscriterium kennismigranten
Op grond van artikel 1d, derde lid, van
het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen herziet de Minister van
SZW de inkomenscriteria die gelden om voor de kennismigrantenregeling in
aanmerking te komen telkens per 1 januari met het indexcijfer van de
CAO-lonen, zoals gepubliceerd door het CBS, over het aan dat jaar
voorgaande tijdvak van oktober tot oktober.
Het inkomenscriterium dat geldt om in
aanmerking te komen voor de kennismigrantenregeling bedraagt per 1
januari 2012€ 51.239,00 bruto per jaar voor kennismigranten van 30
jaar en ouder. Voor kennismigranten jonger dan 30 jaar bedraagt het
inkomenscriterium per 1 januari 2012 € 37.575,00 bruto per jaar.
Voor kennismigranten die zijn
afgestudeerd in Nederland en instromen binnen een zoekperiode die
aansluitend aan het afstuderen maximaal een jaar mag duren, bedraagt het
inkomenscriterium per 1 januari 2012 € 26.931,00 bruto per jaar.
h. Pilot kort verblijf kennismigranten
In het kader van de bevordering van
internationale handelscontacten kan worden afgeweken van artikel 8,
eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen ten behoeve
van vreemdelingen die maximaal 3 maanden binnen een periode van zes
maanden arbeid verrichten voor een werkgever die is toegelaten tot de
kennismigrantenprocedure en:
a. op grond van hun nationaliteit:
1°. geen visum nodig hebben;
2°. een visum voor kort verblijf
nodig hebben; of
3°. een visum voor lang verblijf
(D-visum) hebben dat is afgegeven door een ander Schengenland;
b. van wie het overeengekomen vaste,
naar tijdruimte en in geld vastgestelde loon als vergoeding voor
zijn arbeid dat hij van de werkgever ontvangt naar rato ten minste
overeenkomt met het loon voor de persoon van dertig jaar of ouder,
bedoeld in artikel 1d, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van het
Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen; en
c. wie een functie zal bekleden
waarvan aangenomen kan worden dat het om een kenniswerker gaat,
zoals bijvoorbeeld een specialistische functie, een sleutelfunctie,
een wetenschappelijke functie of een leidinggevende functie.
20. Asielzoekers in procedure en
vreemdelingen met een vergunning voor bepaalde tijd onder de beperking
voor (voortgezet) verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling
In afwijking van artikel 8, eerste lid,
onderdelen a, b en d, van de Wet arbeid vreemdelingen mag een
vreemdeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van die wet arbeid
verrichten indien: die vreemdeling een verblijfsvergunning asiel,
bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft aangevraagd en
deze aanvraag blijkens een verklaring van de Minister van Justitie
tenminste zes maanden in behandeling is en de vreemdeling op basis van
artikel 8, onderdelen f of h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in
Nederland verblijft.
De vreemdeling mag binnen een tijdsbestek
van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden een arbeidsperiode
van in totaal 24 weken niet overschrijden, en de in de
vergunningsaanvraag bedoelde werkzaamheden zullen onder marktconforme
voorwaarden worden verricht. Conform artikel 2a, eerste lid, onderdeel
e, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, is in de
arbeidsperiode van in totaal 24 weken ten hoogste een arbeidsperiode van
14 weken gelegen, waarin werkzaamheden worden verricht als artiest,
musicus, filmmedewerker of in de vorm van technische ondersteuning van
optredens van een artiest of musicus.
De vreemdeling die een
verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de
Vreemdelingenwet 2000 (asielaanvraag) heeft aangevraagd dient
overeenkomstig artikel 2a, eerste lid, onder a, van het Besluit
uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in het bezit te zijn van een
verklaring van de Minister van Justitie. Deze verklaring kan betrekking
hebben op drie categorieën asielzoekers, te weten:
a. asielzoekers aan wie met
toepassing van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) door het Centraal orgaan
opvang asielzoekers (COA) opvang wordt geboden;
b. asielzoekers aan wie met
toepassing van de Regeling opvang asielzoekers (ROA) door gemeenten
opvang wordt geboden, tot deze categorie behoren ook asielzoekers
die onder de ROA vallen maar wier opvang door gemeenten op basis van
een overeenkomst tot overdracht en mandateringsregeling is
overgedragen aan het COA;
c. asielzoekers die onder de
verantwoordelijkheid van de door de Minister van Justitie erkende
voogdij- en gezinsvoogdij-instelling voor vluchtelingen en
asielzoekers stichting Nidos opvang wordt geboden.
Bovenvermelde verklaring van de Minister
van Justitie houdt tenminste het volgende in:
1. aan de vreemdelingen wordt met
toepassing van de Rva 2005, ROA dan wel onder de
verantwoordelijkheid van de stichting Nidos opvang geboden;
2. de asielaanvraag is tenminste zes
maanden in behandeling;
3. de vreemdeling verblijft op grond
van artikel 8, onderdelen f of h, van de Vreemdelingenwet 2000
rechtmatig in Nederland.
Teneinde te kunnen verklaren hetgeen is
opgenomen onder 1 baseert de Minister van Justitie zich op informatie
van het COA (Rva 2005/ROA voor zover de uitvoering daarvan is
overgedragen aan het COA) dan wel de gemeente (ROA), dan wel de
Immigratie- en Naturalisatiedienst voor de vreemdeling aan wie opvang
wordt geboden door de stichting Nidos.
De verklaring wordt door de Minister van
Justitie verstrekt aan de vreemdeling en in kopie verstrekt aan het COA
dan wel de gemeente, dan wel aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst
die de verklaring doorstuurt naar de stichting Nidos.
De werkgever die ten behoeve van de
vreemdeling bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
tewerkstellingsvergunning aanvraagt, overlegt tezamen met de aanvraag de
originele verklaring van de Minister van Justitie. De
tewerkstellingsvergunning wordt verstrekt aan de werkgever en in
afschrift verzonden aan het COA, de gemeente, dan wel de Immigratie- en
Naturalisatiedienst die het afschrift doorstuurt naar de stichting Nidos.
De vreemdeling die houder is van een op
grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet
2000 verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking
voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling kan, in
afwijking van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b en d, van de Wet
arbeid vreemdelingen arbeid verrichten indien binnen een tijdsbestek van
52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden een arbeidsperiode van in
totaal 24 weken niet wordt overschreden, en de in de vergunningsaanvraag
bedoelde werkzaamheden onder marktconforme voorwaarden worden verricht.
Ook op deze arbeidsperiode van in totaal 24 weken is artikel 2a, eerste
lid, onderdeel e, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen
van toepassing.
21. Onvrijwillige werklozen
Ten aanzien van personen die gedurende de
looptijd van een voor hun verstrekte tewerkstellingsvergunning
onvrijwillig werkloos worden en die rechtmatig in Nederland verblijven
in de zin van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, kan
worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder a, b
en d, van de Wet arbeid vreemdelingen, indien zij als werkloos staan
ingeschreven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
voor zover de duur van de aangevraagde tewerkstellingsvergunning niet
langer is dan de resterende termijn van rechtmatig verblijf in de zin
van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
22. Stagiairs
Voor vreemdelingen die arbeid verrichten
die noodzakelijk is ter voltooiing van hun opleiding, kan voor maximaal
een jaar een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing
van artikel 8, eerste lid, onder a, b en d, van de Wet arbeid
vreemdelingen. Voorwaarde voor toepassing van deze
uitzonderingsmogelijkheid is dat deze stagiaires reeds een voldoende
vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd in hun herkomstland.
Op grond van artikel 1g van het Besluit
uitvoering Wet arbeid vreemdelingen is geen tewerkstellingsvergunning
vereist voor vreemdelingen die beschikken over een W-document en die in
Nederland een beroepsopleiding volgen, zoals beschreven onder b. van dit
artikel.
Voor vreemdelingen die beschikken over
een W-document en een andersoortige opleiding volgen kan een
tewerkstellingsvergunning met een geldigheidsduur van langer dan een
jaar worden afgegeven, mits de duur van de werkzaamheden niet meer
bedraagt dan 50% van de duur van de opleiding
Voor vreemdelingen met de Surinaamse
nationaliteit die als assistent geneeskundige in opleiding (agio) ten
behoeve van hun specialisatie stage gaan lopen in Nederland, kan
eveneens een tewerkstellingsvergunning met een geldigheidsduur van
langer dan een jaar worden afgegeven, mits de betreffende specialisatie,
dan wel onderdelen daarvan, in Suriname niet aanwezig is en er sprake is
van een boventallige opleidingsplaats. Per tijdvak van 24 maanden kunnen
tewerkstellingsvergunningen worden afgegeven voor maximaal 12
opleidingsplaatsen en de daaraan verbonden op te leiden agio’s.
De periode van 24 maanden gaat in op de
datum van de afgifte van de eerste tewerkstellingsvergunning in de reeks
van maximaal 12 opleidingsplaatsen. Na de periode van 24 maanden start
weer een nieuwe termijn ten bate van maximaal 12 opleidingsplaatsen.
Een aanvraag voor een
tewerkstellingsvergunning voor de desbetreffende agio dient te worden
gedaan door het ziekenhuis in Nederland waar de opleiding, dan wel delen
daarvan, plaatsvindt. Daarbij dient dit ziekenhuis te verklaren dat
sprake is van een boventallige opleidingsplaats.
Voor vreemdelingen met de Servische
nationaliteit die ten behoeve van hun opleiding stage lopen op de
Nederlandse binnenvaartschepen, kan ook een tewerkstellingsvergunning
met een geldigheidsduur van langer dan een jaar worden afgegeven, indien
voldaan wordt aan de voorwaarden die vermeld staan in de Memorandum of
Understanding tussen de regeringen van Nederland en Servië aangaande de
tewerkstelling van Servische stagiairs op Nederlandse
binnenvaartschepen. Voor matrozen in opleiding geldt een maximale
stageperiode van twee jaar en voor stuurlieden in opleiding geldt nog
een additionele maximale stageperiode van twee jaar.
Voor alle hiervoor bedoelde stages dient
uit een door de desbetreffende onderwijsinstelling afgegeven verklaring
te blijken dat de stage een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van het
onderwijsprogramma. Tevens dient een gefaseerd stageprogramma te worden
overgelegd, afgegeven door de onderwijsinstelling, waaruit blijkt wat de
inhoud van de stage is. Het aantal stagiaires per werkgever dient
beperkt te blijven tot 10% van het vaste personeelsbestand, met een
minimum van 2 stagiairs. Deze beperking is niet van toepassing op
vreemdelingen die beschikken over een W-document.
De werkgever dient aan de stagiair een
stagevergoeding te verstrekken die niet lager mag zijn dan 50% van het
minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. In verband met een toets op de
stagevergoeding dient door de werkgever een afschrift van de
stageovereenkomst te worden overlegd, met daarin opgenomen de te
verstrekken stagevergoeding aan de stagiair.
22a. Stagiairs in het kader van
internationale uitwisselingsprogramma’s tussen MBO-instellingen
Voor vreemdelingen die arbeid verrichten
in het kader van internationale uitwisselingsprogramma’s tussen
MBO-instellingen en hiervoor kortdurende stages volgen bij werkgevers in
Nederland, kan voor maximaal drie maanden een tewerkstellingsvergunning
worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onder a, b
en d, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Voorwaarde voor toepassing van deze
uitzonderingsmogelijkheid is dat deze stagiaires een opleiding volgen
aan een MBO-instelling in hun herkomstland en in het kader van een
MBO-uitwisselings/-mobiliteitsproject stages lopen bij bedrijven in
Nederland. Voor deze stages dient uit een door de onderwijsinstelling in
het land van herkomst afgegeven verklaring te blijken dat de stage een
onderdeel uitmaakt van de studie. Tevens dient een uitgewerkt
stageprogramma te worden overlegd, goedgekeurd door de
onderwijsinstelling in het land van herkomst, waaruit blijkt wat de
inhoud van de stage is en bij welke bedrijven stage wordt gelopen. Bij
de stage(s) staat het werkend leren voorop en niet het verrichten van
productieve arbeid.
De ontvangende MBO-instelling is
verantwoordelijk voor de huisvesting, de begeleiding tijdens de stage en
het verblijf van de deelnemers aan het uitwisselingsprogramma. Ook is de
ontvangende MBO-instelling ervoor verantwoordelijk dat de vreemdeling
een stagevergoeding zal ontvangen die niet lager mag zijn dan 50% van
het voor hem geldende wettelijk minimumjeugdloon, bedoeld in artikel 8
van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
De tewerkstellingsvergunning zal worden
verleend aan de Nederlandse MBO-instelling. De MBO-instelling draagt er
zorg voor dat een kopie van de tewerkstellingsvergunning wordt verstrekt
aan de werkgever(s) waar de stage wordt gelopen.
23. Practicanten
Voor vreemdelingen die naar Nederland
komen om werkervaring op te doen, die voor hun toekomstig functioneren
in hun herkomstland van belang is, kan een tewerkstellingsvergunning
worden verleend voor in de regel maximaal 24 weken zonder toepassing van
artikel 8 lid 1, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat
deze practicanten reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben
gevolgd en op basis van een overeenkomst tussen een in het buitenland
gevestigde onderneming en een in Nederland gevestigde onderneming in de
laatstgenoemde bij wijze van onderricht bedrijfservaring opdoen.
Bij de aanvraag dient het leerplan te
zijn bijgevoegd, alsmede een verklaring van de Nederlandse werkgever
inhoudende dat de practicant geen reguliere arbeidsplaats inneemt en een
verklaring van de buitenlandse werkgever dat hij de practicant na
ommekomst van de praktijkperiode weer daadwerkelijk in dienst zal nemen.
Het aantal practicanten staat in een redelijke verhouding tot het aantal
werknemers dat bij een werkgever werkzaam is.
24. Arbeid van bijkomende aard door
studenten
Toetsing aan de voorwaarden vervat in
artikel 8, eerste lid, onder a, b en d, van de Wet arbeid vreemdelingen
behoeft niet plaats te vinden voor buitenlandse studenten in het bezit
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de
beperking verband houdende met het volgen van studie, indien de arbeid
onder marktconforme voorwaarden plaatsvindt en:
a. uitsluitend in de maanden juni,
juli en augustus plaatsvindt, of
b. niet meer dan 10 uur per week
beslaat
èn indien bij de aanvraag tevens een
verklaring van de onderwijsinstelling is gevoegd, inhoudende dat de
betreffende persoon als student bij de desbetreffende
onderwijsinstelling staat ingeschreven.
Voor alle andere arbeid geldt de normale
procedure inclusief het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen.
25. Gastdocenten
Voor gastdocenten aan een universiteit,
hogeschool of instelling voor hoger internationaal onderwijs, of aan een
onderzoeksinstelling die gelieerd is aan of werkzaam is op het terrein
van een universiteit, hogeschool of instelling voor hoger internationaal
onderwijs behoeft toetsing aan artikel 8, eerste lid, onder a en b, van
de Wet arbeid vreemdelingen niet plaats te vinden, indien de aanvraag
een periode van tewerkstelling van ten hoogste een jaar omvat. Zodra
deze periode, inclusief eventuele verlengingen, wordt overschreden geldt
de normale toetsingsprocedure inclusief het bepaalde in artikel 8,
eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.
26. Wetenschappelijk personeel aan
universitaire, HBO- en onderzoeksinstellingen
Toetsing aan de in artikel 8, eerste lid,
onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen genoemde weigeringsgronden
behoeft niet plaats te vinden:
a. voor promovendi bij een
universitaire instelling;
b. voor vreemdelingen die na het
behalen van het afsluitend examen van een opleiding in het
wetenschappelijk onderwijs voor de duur van minder dan 3 jaar
wetenschappelijk onderzoek verrichten;
c. voor hooggekwalificeerde
onderzoekers die op voordracht van de Koninklijke Nederlandse
Academie voor Wetenschappen op basis van een tijdelijke aanstelling
onderzoekswerkzaamheden komen verrichten.
Toetsing aan de in artikel 8, eerste lid,
onder a, b en d, van de Wet arbeid vreemdelingen genoemde
weigeringsgronden behoeft niet plaats te vinden voor onderzoekers die
geen in Nederland gevestigde werkgever hebben, maar in dienst zijn van
een Universitaire of HBO-instelling in hun land van herkomst en die voor
maximaal twee jaar in Nederland onderzoek verrichten.
Indien ten behoeve van het onder sub a
tot en met c genoemde wetenschappelijk personeel zonder toets aan de in
artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen
genoemde weigeringsgronden een tewerkstellingsvergunning wordt verleend,
kan ten behoeve van zijn/haar echtgen(o)t(e)/partner eveneens zonder
toets aan artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid
vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning worden verleend voor
maximaal dezelfde duur als de tewerkstellingsvergunning die op het
wetenschappelijk personeel van toepassing is.
27. Musici en artiesten
Voor musici en artiesten geldt een
tewerkstellingsvergunningplicht met uitzondering van arbeid met een
maximale duur van 4 aaneengesloten weken, binnen een tijdsbestek van 13
weken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 7°, jo.
tweede lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. Voor
zover de tewerkstellingsvergunningsplicht wel geldt wordt bij een aantal
specifieke artistieke functiegroepen in een beperkt aantal branches, te
weten dans, klassieke muziek, opera, musical, theater, toneel en
cultuurwerkplaatsen in afwijking van artikel 8, eerste lid, onderdeel a
en b, van de Wet arbeid vreemdelingen niet getoetst op de aanwezigheid
van prioriteitgenietend aanbod en de verplichte vacaturemelding bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze vrijstelling, op grond van artikel
8, derde lid, onder 3, van de Wet arbeid vreemdelingen, betreft
uitsluitend arbeidsplaatsen boven de zogenoemde ‘zaaglijn’ die het
geheel aan arbeidsplaatsen in de cultuursector in twee segmenten
verdeelt. Boven de ‘zaaglijn’ bevindt zich het topsegment
gedefinieerd met het van het bruto jaarinkomen afgeleide maandinkomen.
De genoemde salarissen zijn gebaseerd op
de CAO Nederlandse Orkesten, de CAO Dans, de CAO Nederlands Theater en
ontleent aan de arbeidsvoorwaardenregeling analoog aan de sector Rijk en
sector Onderwijs. Daarbij is de meest recente CAO het uitgangspunt. In
2007 ging het om de onderstaande bedragen:
|
Beroepen/functie topsegment |
Bruto- maandsalaris
¹ vanaf |
|
Aanvoerder 2de violen, altviolen en
contrabassen |
€ 2.383 |
|
Acteur |
€ 4.233 |
|
Artistiek (adjunct) directeur
dans/musical/cultuurwerkplaats |
€ 2.987 |
|
Artistiek leider of artistiek
adviseur muziek/opera |
€ 4.020 |
|
Artistiek projectcoördinator
cultuurwerkplaats |
€ 2.118 |
|
Choreograaf |
€ 3.200 |
|
Danser/musical artiest |
€ 2.071 |
|
Dirigent |
€ 4.000 |
|
Eerste concertmeester |
€ 4.077 |
|
Eerste- of soloblazer, eerste
harpist en eerste paukenist |
€ 2.383 |
|
Kernbegeleiding afdelingen
cultuurwerkplaats |
€ 2.536 |
|
Ontwerper/vormgever (waaronder
decor, kostuum, licht, geluid, video) |
€ 1.921 |
|
Plaatsvervangend eerste
concertmeester |
€ 2.683 |
|
Regisseur |
€ 4.233 |
|
Solist muziek/opera |
€ 4.000 |
|
Solocellist |
€ 3.017 |
|
Technische (project)specialist
cultuurwerkplaats |
€ 2.118 |
|
Zanger/musical artiest |
€ 2.971 |
1. Bruto maandsalaris wordt van het
jaarinkomen herleid.
28. Internationale jeugduitwisselingen
Voor vreemdelingen die naar Nederland
komen in het kader van jeugd-uitwisselingsprogramma’s teneinde kennis
te maken met de Nederlandse samenleving kan voor maximaal 24 weken een
tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel
8, eerste lid, onder a, b en d, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat
voor deze vreemdelingen arbeid niet het hoofddoel van hun verblijf in
Nederland is.
29. Au pairs
Wanneer een au pair naar Nederland komt
met als hoofddoel het verrichten van huishoudelijk werk en/of
werkzaamheden ten behoeve van het gezin zal, gelet op dat hoofddoel, een
tewerkstellingsvergunning zijn vereist.
Artikel 9
30. Voldoende inspanningen
Op grond van artikel 9, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet arbeid vreemdelingen kan een aanvraag voor een
tewerkstellingsvergunning worden geweigerd, als de werkgever niet kan
aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd om
prioriteitgenietend aanbod te vinden. Er is in ieder geval sprake van
onvoldoende inspanningen indien een werkgever zonder ernstige redenen
niet of niet volledig deelneemt aan gezamenlijke of door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen georganiseerde wervings- of
scholingsprojecten in zijn branche gericht op het bevorderen van de
beschikbaarheid van prioriteitgenietend aanbod.
Ook indien de werkgever geen
wervingsinspanningen via het EURES-systeem in andere landen van de
Europese Economische Ruimte (EER) heeft verricht, of vergelijkbare
inspanningen heeft gedaan om binnen de EER arbeidskrachten te werven,
zal een tewerkstellingsvergunning op grond van dit artikel in de regel
worden geweigerd.
31. Gebreken in de arbeidsvoorwaarden,
-omstandigheden en verhoudingen
Op grond van artikel 9, eerste lid, onder
b, van de Wet arbeid vreemdelingen kan een tewerkstellingsvergunning
worden geweigerd, indien de geboden beloning lager is dan de
gebruikelijke beloning voor dezelfde of een vergelijkbare functie. Ook
ingeval in de secundaire arbeidsvoorwaarden gebreken bestaan, zoals het
ontbreken van een adequate vergoeding voor de te maken vervoers- of
logieskosten bij tijdelijke verplaatsingen, of indien de secundaire
arbeidsvoorwaarden slechter zijn dan in de markt gebruikelijk is, zal
een vergunning in de regel worden geweigerd. Terzake van gebreken in de
arbeidsomstandigheden zal normaliter een vergunning worden geweigerd,
indien sprake is van situaties die voor de veiligheid of de gezondheid
schadelijk zijn. Alleen indien sprake is van minder ernstige gebreken in
de arbeidsomstandigheden die door te nemen maatregelen op korte termijn
kunnen worden verholpen zal doorgaans kunnen worden volstaan met het
stellen van voorwaarden met toepassing van artikel 10 van de Wet arbeid
vreemdelingen. Gebreken in de arbeidsverhoudingen kunnen onder andere
blijken uit een ongebruikelijk hoog verloop bij de werkgever of het niet
voldoen aan wettelijke bepalingen ter zake.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder i,
van de Wet arbeid vreemdelingen, kan de tewerkstellingsvergunning ook
worden geweigerd als door de werkgever anderszins belemmeringen zijn
opgeworpen waardoor de arbeidsplaats niet overeenkomstig het bij of
krachtens deze wet bepaalde door aanbod op de arbeidsmarkt vervuld kon
worden. Tot deze gebreken wordt uitdrukkelijk gerekend de illegale
tewerkstelling van vreemdelingen. Het weigeren van de
tewerkstellingsvergunning kan slechts plaatsvinden, nadat de werkgever
onherroepelijk is beboet of veroordeeld wegens overtreding van de Wet
arbeid vreemdelingen.
32. Leeftijdsgrenzen
Artikel 9, eerste lid, onder d, van de
Wet arbeid vreemdelingen biedt de mogelijkheid middels een ministeriële
regeling leeftijdsgrenzen te stellen. Op grond daarvan is in artikel 9
van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen
bepaald dat een tewerkstellingsvergunning kan worden geweigerd ten
aanzien van een niet eerder toegelaten vreemdeling die jonger is dan 18
jaar of ouder dan 45 jaar.
Gezien het grotere risico dat oudere
werknemers langdurig een beroep doen op de openbare kas, dient bij
vreemdelingen die ouder zijn dan 45 jaar in de regel een
tewerkstellingsvergunning te worden geweigerd als er sprake is van:
a. een aanvraag om een
tewerkstellingsvergunning die getoetst wordt aan artikel 8, eerste
lid, onder a, van de Wet arbeid vreemdelingen, en waardoor de
vreemdeling recht kan krijgen op de aantekening van de Minister van
Justitie als bedoeld in artikel 4 van de Wet arbeid vreemdelingen,
en
b. aan het vereiste
kwalificatieniveau door personen jonger dan 46 jaar normaliter kan
worden voldaan.
Een tewerkstellingsvergunning zal niet
worden geweigerd voor de vreemdeling die minimaal 16 jaar is en voor wie
een tewerkstellingsvergunning kan worden verleend op grond van paragraaf
22a voor het volgen van een stage van maximaal drie maanden in het kader
van internationale uitwisselingsprogramma’s tussen MBO-instellingen.
33. Niet naleven voorschrift
Indien de aanvraag een werkgever betreft
aan wie in de voorafgaande vijf jaar een tewerkstellingsvergunning is
afgegeven, waaraan een voorschrift als bedoeld in artikel 10 van de Wet
arbeid vreemdelingen is verbonden, zal steeds moeten worden nagegaan of
de in die eerdere vergunning gestelde voorschriften geheel zijn
nagekomen. Indien de voorschriften in betekenende mate niet zijn
nagevolgd, dient een vergunning in de regel te worden geweigerd. Indien
de voorschriften wel in aanzienlijke mate maar niet geheel zijn
nagevolgd, zal in de regel geen vergunning op grond van artikel 11,
eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen worden afgegeven.
34. Huisvesting
Op grond van artikel 9, eerste lid, onder
f, van de Wet arbeid vreemdelingen kan een tewerkstellingsvergunning
worden geweigerd, indien er geen passende huisvesting voor de
vreemdeling beschikbaar is. De beoordeling dient in eerste instantie
plaats te vinden op grond van de bij de aanvraag verstrekte informatie.
Zonodig zal de aanvrager de gemeente door middel van een
standaardformulier om een oordeel over de huisvesting dienen te
verzoeken.
Deze beoordeling behelst zowel de
beschikbaarheid van de huisvesting, inclusief de rechtmatigheid van het
betrekken van de huisvesting, alsook een kwalificatie van de
geschiktheid van de huisvesting voor de behuizing van vreemdelingen
gedurende de periode van tewerkstelling. Ook het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de gemeente om dit oordeel verzoeken.
35. Sectorale convenanten
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan een tewerkstellingsvergunning weigeren
indien niet is voldaan aan bepalingen die zijn opgenomen in een
sectoraal convenant als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel h,
van de Wet arbeid vreemdelingen.
Als sectoraal convenant in de zin van
artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wet arbeid vreemdelingen
wordt slechts in aanmerking genomen een convenant dat voldoet aan de
volgende vereisten:
a. partijen bij het convenant zijn in
ieder geval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
representatieve werkgeversorganisaties;
b. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in kennis gesteld van het voornemen het convenant
tot stand te brengen;
c. het convenant is erop gericht dat
binnen een redelijke termijn meer prioriteitgenietend arbeidsaanbod
beschikbaar is door middel van onder meer extra wervings- of
scholingsinspanningen;
d. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft het convenant, nadat het tot stand is
gekomen, in de Staatscourant gepubliceerd.
Artikel 10
36. Voorschriften
Ingevolge artikel 10, aanhef en onder a,
b en d, van de Wet arbeid vreemdelingen kunnen aan de vergunning
voorschriften worden verbonden, die de werkgever verplichten
inspanningen te verrichten gericht op het vervullen van arbeidsplaatsen
met prioriteitgenietend aanbod en het wegnemen van gebreken.
De mogelijkheid voorschriften aan de
vergunning te verbinden dient uitsluitend te worden toegepast, indien de
werkgever desgevraagd bereid is gevraagde inspanningen te verrichten en
indien de werkgever reeds enige inspanningen heeft verricht om
prioriteitgenietend aanbod te mobiliseren of de gesignaleerde beletselen
te verhelpen.
In alle andere gevallen dient met
toepassing van artikel 9, eerste lid, onder a en/of b en/of c, van de
Wet arbeid vreemdelingen de tewerkstellingsvergunning te worden
geweigerd.
Artikel 11
37. Tijdelijk werk
Op grond van artikel 11, derde lid, van
de Wet arbeid vreemdelingen worden tewerkstellingsvergunningen verleend
ten behoeve van werkzaamheden die binnen een periode van 24 weken worden
afgerond. Het is noodzakelijk bij de vergunningverlening de werkgever er
op te wijzen dat deze vergunning niet kan worden verlengd.
Ten aanzien van personen voor wie een
tewerkstellingsvergunning wordt aangevraagd dient steeds nagegaan te
worden of zij in een periode van 28 weken voorafgaand aan de
vergunningverlening niet over een voor het verrichten van arbeid geldige
vergunning tot verblijf hebben beschikt, dan wel ten behoeve van hen een
tewerkstellingsvergunning van kracht is geweest, onder gebruikmaking van
de uitzonderingsmogelijkheden als hierboven onder paragraaf 13
beschreven ten aanzien van artikel 8, eerste lid, onderdeel c, onder
1°, van de Wet arbeid vreemdelingen. Ook in die gevallen zal een
tewerkstellingsvergunning moeten worden geweigerd.
Artikel 11, vierde lid, van de Wet arbeid
vreemdelingen maakt het mogelijk om bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te bepalen dat voor categorieën van vreemdelingen of
categorieën van werkzaamheden een tewerkstellingsvergunning die voor
minder dan drie jaar is verleend, niet wordt verlengd. In artikel 4a van
het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen is vervolgens bepaald
dat behoudens bij ministeriële regeling te bepalen gevallen een
verlenging van een tewerkstellingsvergunning die voor minder dan drie
jaar is verleend, wordt geweigerd als de geldigheidsduur daarvan
inclusief de verlenging de maximale duur van drie jaar heeft bereikt of
de maximaal toegestane duur van de arbeid wordt overschreden. Op dit
moment is dit voorbehoud in ieder geval noodzakelijk in verband met de
in 1980 tot stand gekomen associatieovereenkomst tussen de EEG en
Turkije (Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980).
In artikel 6 van voornoemd besluit is onder meer bepaald dat Turkse
werknemers die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoren na
een jaar arbeid in die lidstaat recht hebben om de werkzaamheden voort
te zetten bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft.
Artikel 12
38. Intrekking tewerkstellingsvergunning
In artikel 12, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet arbeid vreemdelingen is bepaald dat de
tewerkstellingsvergunning wordt ingetrokken indien er geen gebruik van
wordt gemaakt. Teneinde dit te kunnen effectueren zal bij de
vergunningverlening de werkgever er steeds op moeten worden gewezen dat
hij ingevolge artikel 5 van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet
arbeid vreemdelingen verplicht is onverwijld ervan mededeling te doen
indien van de tewerkstellingsvergunning langer dan een maand geen
gebruik wordt gemaakt.
De tewerkstellingsvergunning wordt
vervolgens ingetrokken, tenzij de vreemdeling een aaneengesloten
verlofperiode van niet langer dan drie maanden geniet, dan wel
ziekteverlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof of ouderschapsverlof
heeft en de arbeidsrelatie blijft voortbestaan.
Artikel 13
39. Verlenging
Bij verlenging van een vergunning zal
steeds moeten worden nagegaan of de gestelde voorschriften geheel zijn
nagekomen. Indien de voorschriften in overwegende of ernstige mate niet
zijn nagevolgd wordt een verlenging steeds geweigerd.
Een tewerkstellingsvergunning kan niet
met terugwerkende kracht worden verleend. Een uitzondering hierop kan
worden gemaakt indien er sprake is van verlenging van een eerder
toegekende tewerkstellingsvergunning en deze verlenging tijdig is
aangevraagd voor de expiratiedatum van de eerder toegekende vergunning.
Bijlage Mededeling als bedoeld in artikel
3, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen
Ten aanzien van de hierna te noemen
vreemdelingen mag ingevolge de daarbij vermelde bepalingen, vastgesteld
bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland
verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, geen
tewerkstellingsvergunning worden verlangd:
1. Onderdanen van een Lid-Staat van
de Europese Economische Gemeenschap dan wel gezinsleden van
dergelijke onderdanen waarop artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het
recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de
lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot
wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de
Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148 EEG, 75/34
EEG, 75/35 EEG, 90/364 EEG, 90/365/EEG en 93/96 EEG (PB 2004 L158)
van toepassing is;
2. Onderdanen van een Staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte (Trb. 1992, 132 en Trb. 1993, 69 en 156) waarop artikel 7 dan
wel gezinsleden van dergelijke onderdanen waarop artikel 23 van
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29
april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het
grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun
familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot
intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG,
73/148 EEG, 75/34 EEG, 75/35 EEG, 90/364 EEG, 90/365/EEG en 93/96
EEG (PB 2004 L158) van toepassing is;
3. Personeelsleden van het Europees
Ruimte-Agentschap voor de werkzaamheden in dienst van ESTEC; artikel
XV, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van een Europees
Ruimte-Agentschap (Trb. 1975, 123);
4. Personeelsleden van het Europees
Octrooibureau; artikel 7 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Europese Octrooi-organisatie betreffende het
onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage (Trb.
1978,16);
5. Stafleden van de Internationale
Thee Promotie Associatie; artikel 15 van de Overeenkomst tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Thee Promotie
Associatie (ITPA) betreffende de zetel van de organisatie (Trb.
1980, 49);
6. Stafleden van de Internationale
Dienst voor Nationaal Landbouwkundig Onderzoek (ISNAR); artikel 13
van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Internationale Dienst voor Nationaal Landbouwkundig Onderzoek
betreffende de zetel van de Organisatie (Trb. 1980, 110);
7. Stafleden van het Technisch
Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling CTA;
artikel 13 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en
plattelandsontwikkeling (Trb. 1984, 99);
8. Personeelsleden van het Instituut
voor Nieuwe Technologieën (INTECH); artikel XV van de Overeenkomst
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de
Verenigde Naties inzake het Instituut voor nieuwe technologieën van
de Universiteit van de Verenigde Naties (Trb. 1989, 74);
9. Gezinsleden van diplomaten,
consulaire ambtenaren en van het administratieve, technische en
dienstverlenende personeel dat werkzaam is bij diplomatieke,
consulaire en permanente vertegenwoordigingen van de Verenigde
Staten van Amerika in Nederland; artikel V van de Overeenkomst
tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering
van de Verenigde Staten van Amerika inzake de tewerkstelling van
gezinsleden van diplomaten (Trb. 1986, 145);
10. Gezinsleden van diplomaten,
consulaire ambtenaren en van het administratieve-, technische- en
dienstverlenende personeel dat werkzaam is bij diplomatieke-,
consulaire-en permanente vertegenwoordigingen van Canada in
Nederland; Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der
Nederlanden en de Regering van Canada inzake de tewerkstelling van
gezinsleden van diplomaten (Trb. 1991, 86);
11. Een vreemdeling, zoals bedoeld in
artikel 2, onder b, van de Richtlijn (EG) 2003/109(PB L 16 van
23.1.2004), betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen
van derde landen, die gedurende ten minste één jaar legaal in
Nederland verblijf heeft gehad.
12. Stafleden van de African
Management Services Company (AMSCO); artikel 11 van het Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale
Financieringsmaatschappij (IFC) inzake het ‘African Training and
Management Services (ATMS) Project’ van het Ontwikkelingsprogramma
van de Verenigde Naties (Trb 1989, 61), alsmede de gezinsleden die
deel uitmaken van het huishouden (Trb 2007, 214);
13. Personeelsleden van de
Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en
tekeningen of modellen) (BOIE) alsmede de inwonende gezinsleden;
artikel 8 en artikel 9 van de Zetelovereenkomst voor de
Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en
tekeningen of modellen) (Trb 2007, 202);
14. Stafleden van het
Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen; artikel 17 van de
Zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het
Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (Trb 1992, 8) (CFC),
alsmede de inwonende gezinsleden; artikel 19A van de Notawisseling
houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het
Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen inzake de invoeging van
artikel 19 A in de Zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen, met
betrekking tot de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen
van het Fonds om in Nederland betaald werk te verrichten (Trb 2002,
35);
15. Stafleden van het Technisch
Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA);
artikel 13 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en
plattelandsontwikkeling (Trb 1984, 99), alsmede de inwonende
gezinsleden; Notawisseling houdende een verdrag tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en het Technisch Centrum voor
Landbouwsamenwerking en Plattelandsontwikkeling inzake de
tewerkstelling van gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden
van de functionarissen van het Technisch Centrum voor
Landbouwsamenwerking en Plattelandsontwikkeling (Trb 2007, 132);
16. Personeelsleden van het Europees
Octrooi Bureau (EOB) alsmede de inwonende gezinsleden; artikel 7 van
de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese
Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees
Octrooibureau in ’s-Gravenhage (Trb 2006, 155);
17. Gezinsleden van stafleden van
Europees Ruimte Agentschap (ESA-ESTEC), bepaald in artikel 18 van
het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees
Ruimte Agentschap inzake het Europees Centrum voor onderzoek en
technologie-ontwikkeling op ruimtevaartgebied (Trb 1999, 41);
18. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van de functionarissen van EUROCONTROL; Notawisseling
houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart inzake de
toevoeging van een artikel aan de Overeenkomst tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de
luchtvaart ‘EUROCONTROL’ inzake de vestiging van ‘EUROCONTROL’
te Beek (Limburg) van 10/31 oktober 1975, met betrekking tot de
mogelijkheid van gezinsleden van functionarissen van de Europese
Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart om in Nederland
betaald werk te verrichten (Trb 2002, 144);
19. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van bepaalde functionarissen van EUROJUST; artikel 17
van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Eurojust (Trb
2006, 68);
20. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van de EUROPOL-functionarissen genoemd in artikel
XVII van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Europese Politiedienst (Europol) betreffende de zetel van Europol (Trb
1998, 241) art. XII, alsmede gezinsleden die deel uitmaken van het
huishouden van EUROPOL-verbindingsofficieren die niet de
nationaliteit van een EU-zendstaat hebben. Het betreft de
gezinsleden van de officieren uit de volgende landen: België (Trb
1999,49); Bulgarije (Trb 2004, 199); Cyprus (Trb 2004, 136);
Denemarken (Trb 1999, 25); Duitsland (Trb 1999, 57); Estland (Trb
2002, 212); (Trb 1999, 26); Frankrijk (Trb 1999, 63); Griekenland (Trb
1999, 64); Hongarije (Trb 2002, 77); Ierland (Trb 1999, 42); Italië
(Trb 1999, 67); Letland (Trb 2004, 301); Litouwen (Trb 2004, 165);
Luxemburg (Trb 1999, 82); Malta (Trb 2004, 312); Noorwegen (Trb
2002, 40); Oostenrijk (Trb 1999, 73); Polen (Trb 2004, 311);
Portugal (Trb 1999, 96); Roemenië (Trb 2006, 63); Slovenië (Trb
2004, 53); Spanje (Trb 1999, 32); Tsjechië (Trb 2004, 45); Verenigd
Koninkrijk (Trb 1999, 65); Zweden (Trb 1999, 40) en Zwitserland (Trb
2006, 115);
21. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van functionarissen van de Hoge Commissaris inzake
Nationale Minderheden (HCNM); artikel 13 van het Besluit van 18
november 2002, houdende vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding van de Wet HCNM (Stb 2002, 581);
22. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van functionarissen van het Internationaal
Joegoslavië Tribunaal (ICTY); Notawisseling tussen de Regering van
het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Joegoslavië
Tribunaal (ICTY) houdende een verdrag inzake de toevoeging van
artikel XV bis aan het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Verenigde Naties betreffende de zetel van het ICTY, met
betrekking tot de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen
van het Tribunaal om in Nederland betaald werk te verrichten; ’s-Gravenhage,
20 juli 2001 (Trb 2001, 148);
23. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van functionarissen van het Internationale
Gerechtshof (IGH); Notawisseling houdende een verdrag tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en het Internationale Gerechtshof inzake
de aanvulling van de notawisseling nopens de voorrechten en
immuniteiten van het Internationale Gerechtshof, met betrekking tot
de mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het
Internationale Gerechtshof om in Nederland betaald werk te
verrichten (Trb 2002, 51);
24. Stafleden van de Internationale
Organisatie voor Migratie (IOM); artikel 14 van de Overeenkomst
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale
Organisatie voor Migratie betreffende de juridische status, de
voorrechten en immuniteiten van de Organisatie in Nederland (Trb
1990, 81);
25. Gezinsleden van functionarissen
van het Iran-United States Claim Tribunal; Briefwisseling tussen de
Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de President van het
‘Iran-United States Claims Tribunal’ inzake het toekennen van
voorrechten en immuniteiten aan het Tribunaal (Trb 2004, 158);
26. Burgerpersoneel van het Regionale
Hoofdkwartier Allied Forces North (JFC HQ) zoals bedoeld in artikel
3 van het Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen gesloten
Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch
Verdrag – nopens de rechtspositie van internationale militaire
hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord – Atlantisch
Verdrag (Trb 1953, 111); artikel 9 van de Overeenkomst tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de
Geallieerde Mogendheden in Europa inzake de bijzondere voorwaarden
die toepasselijk zijn op de vestiging en het functioneren van
internationale militaire hoofdkwartieren binnen het Europese
grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden (Trb 1969, 165);
27. Gezinsleden van personeelsleden
van de NATO Consultation, Command and Control Agency (NC3A); artikel
9 van de Briefwisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
betreffende de voorrechten en immuniteiten van de NATO Consultation,
Command and Control Agency (NC3A) (Trb 2004, 5);
28. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van functionarissen van het NATO Airborne Early
Warning and Control Programme Management Agency (NAPMA); artikel 1
van de Briefwisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Noord Atlantische Verdragsorganisatie inzake de
mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het NATO
Airborne Early Warning and Control Programme Management Agency (NAPMA)
om in Nederland betaald werk te verrichten (Trb 2007, 124);
29. Echtgenoten en ten laste komende
leden van de huishoudens van functionarissen van de Organisatie voor
het Verbod van Chemische Wapens (OVCW); artikel 23 van het Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie voor het
Verbod van Chemische Wapens (OVCW) (Trb 1997, 114);
30. Gezinsleden van functionarissen
van het Permanente Hof van Arbitrage (PHA) opgenoemd in artikel 13
van het Verdrag inzake de zetel van het Permanente Hof van Arbitrage
(Trb 1999, 68);
31. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van functionarissen van het Milieu Programma van de
Verenigde Naties (UNEP); artikel 12 Notawisseling houdende een
verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Milieu
Programma van de Verenigde Naties (UNEP) inzake de wijziging van
artikel 12 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en
het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) betreffende de
zetel van het coördinatiekantoor van het ‘Wereldomvattend
Programma van actie tot bescherming van het mariene milieu tegen
activiteiten die op het land plaatsvinden’, met betrekking tot de
mogelijkheid voor gezinsleden van functionarissen van het Milieu
Programma van de Verenigde Naties (UNEP) om in Nederland betaald
werk te verrichten (Trb 2002, 70);
32. Gezinsleden die deel uitmaken van
het huishouden van functionarissen van de Organisatie der Verenigde
Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur; artikel 11 van het
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie der
Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur inzake de
zetel van het UNESCO-IHE instituut voor wateropleiding (Trb 2003,
49);
33. Personeelsleden van het Instituut
voor nieuwe technologieën van de Universiteit van de Verenigde
Naties; artikel XV van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties inzake het
Instituut voor nieuwe technologieën van de Universiteit van de
Verenigde Naties (UNU) (Trb 1989, 74); alsmede de gezinsleden die
deel uitmaken van het huishouden van functionarissen van het
Instituut; artikel X.1 van de Notawisseling houdende een verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de
Verenigde Naties inzake de toevoeging van een artikel aan de
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Universiteit van de Verenigde Naties inzake het Instituut voor
nieuwe technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties,
met betrekking tot de mogelijkheid voor gezinsleden van
functionarissen van het Instituut voor nieuwe technologieën van de
Universiteit van de Verenigde Naties om in Nederland betaald werk te
verrichten (Trb 2002, 46);
34. Afhankelijke gezinsleden van
diplomaten, consulaire ambtenaren en van het administratieve,
technische en dienstverlenende personeel dat werkzaam is bij
diplomatieke, consulaire en permanente vertegenwoordigingen van de
volgende staten:
– Argentinië (Trb 1996, 250)
– Australië (Trb 1997, 309)
– Brazilië (Trb 1996, 236)
– Chili (Trb 1997, 16)
– Hongarije (Trb 1995, 131)
– Kroatië (Trb 2005, 174)
– Peru (Trb 2005, 283)
– Tsjechië (Trb 1996, 232)
– Venezuela (Trb 1995, 95)
– Verenigde Staten (Trb 1986,
145);
35. Stafleden van de diplomatieke
vertegenwoordiging als bepaald in artikel 7 van het Verdrag van
Wenen inzake het diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 101);
36. Consulaire stafleden als bepaald
in artikel 19 van het Verdrag inzake consulaire betrekkingen (Trb
1965, 40);
37. Bulgaarse onderdanen die op de
datum van toetreding legaal in Nederland werken, en wier toelating
tot de arbeidsmarkt van die lidstaat voor een ononderbroken periode
van 12 maanden of meer geldt en Bulgaarse onderdanen die na de
toetreding gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of
meer tot de arbeidsmarkt van die lidstaat zijn toegelaten, Bijlage
VI bij het Protocol betreffende de voorwaarden en nadere regels voor
de toelating van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie (PB
2005 L 157/104);
38. Roemeense onderdanen die op de
datum van toetreding legaal in Nederland werken, en wier toelating
tot de arbeidsmarkt van die lidstaat voor een ononderbroken periode
van 12 maanden of meer geldt en Roemeense onderdanen die na de
toetreding gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of
meer tot de arbeidsmarkt van die lidstaat zijn toegelaten, Bijlage
VII bij het Protocol betreffende de voorwaarden en nadere regels
voor de toelating van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie
(PB 2005 L 157/138);
39. Zwitserse onderdanen en hun
gezinsleden. Artikel 4 en artikel 7 aanhef en onder e van de
Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten,
enerzijds, en de Zwitserse bondstaat anderzijds, over het vrije
verkeer van personen (Pb 2002, L 114);
40. Vertegenwoordigers van
organisaties van raadslieden van juridische verenigingen, media en
vertegenwoordigers van non-gouvernementele organisaties die voor
werkzaamheden verbonden aan het Internationaal Strafhof in Nederland
verblijven (Trb. 2007, 125).
|