De
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 1 van het Interimbesluit
vergunningplicht installaties ter zee en artikel 5, eerste lid, van de
Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Stb. 1996, 645);
Besluit:
Overwegende, dat gelet op de artikelen
3 en 5 van de Wet installaties Noordzee, per 6 oktober 1999 het besluit
van 20 september 1999, houdende van toepassingverklaring van enige
voorschriften van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken met betrekking
tot installaties ter zee (Interimbesluit vergunningplicht installaties
ter zee, Stb. 1999, 412) in werking is getreden;
Aan te wijzen als ambtenaren belast met
het toezicht op de naleving van het bepaalde bij het Interimbesluit
vergunningplicht installaties ter zee, de ambtenaren van de
Rijkswaterstaat, werkzaam bij:
De regionale directie Noordzee:
A. de hoofdingenieur-directeur;
B. de hoofdafdelingshoofden;
C. de afdelingshoofden;
D. de plaatsvervangers van de onder A tot en met C genoemde
functionarissen;
E. de onder de afdelingshoofden ressorterende functionarissen
belast met handhaving.
Dit besluit wordt geplaatst in de Staatscourant
en treedt in werking met ingang van twee dagen volgend op die van de
bekendmaking.
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.M. de Vries.