De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Handelende in overeenstemming met de Ministers
van Economische Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op de artikelen 2, 3 en 6 van de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken en de artikelen 3:14, 4:2, tweede lid, en
4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a. vergunning
een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken;
b. installatie
een werk, niet zijnde een kabelleiding, een buisleiding, een schacht
of een dijk;
c. wet
de Wet beheer rijkswaterstaatswerken;
d. minister
de Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. In deze beleidsregels wordt onder milieu mede verstaan:
natuur.
Artikel 2
Deze beleidsregels betreffen de toepassing van de artikelen 2, 3 en 6
van de wet op installaties in de exclusieve economische zone.
Artikel 3
1. Geen vergunning wordt verleend voor een installatie in een
gebied dat voor andere functies wordt vrijgehouden.
2. Tot een nader te bepalen tijdstip wordt geen vergunning
verleend voor een installatie ten behoeve van de opwekking van
elektriciteit met behulp van windturbines.
Hoofdstuk 2. Aanvraag vergunning en voorbereiding beschikking
Artikel 4
1. Voor de beslissing op een aanvraag om vergunning tot het
maken en behouden van een installatie zijn in elk geval de volgende
door de aanvrager te verschaffen gegevens en bescheiden nodig:
a. de door middel van coördinaten aangegeven beoogde buitengrens
van de installatie;
b. de aard en het ontwerp van de installatie;
c. gegevens over nut en noodzaak van de installatie in de
exclusieve economische zone, tenzij uit een plan of gebiedsaanwijzing
als bedoeld in artikel 5, blijkt dat nut en noodzaak reeds zijn
afgewogen;
d. gegevens over de gevolgen voor rechtmatig gebruik van de zee
door derden;
e. gegevens over de gevolgen voor het milieu;
f. een oprichtings- en constructieplan;
g. een onderhoudsplan;
h. een veiligheidsplan;
i. een verlichtingsplan;
j. een calamiteitenplan;
k. de beoogde gebruiksduur, en
l. een verwijderingsplan.
2. Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het
eerste lid, is in geval de aanvraag is ingediend voor het tijdstip van
inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Awb, afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Op
een na dat tijdstip ingediende aanvraag is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing
3. De vergunning tot het maken en behouden van een installatie
ten behoeve van de opwekking van elektriciteit kan mede betrekking
hebben op kabelleidingen ten behoeve van de installatie.
4. In geval een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, een
installatie ten behoeve van de opwekking van elektriciteit met behulp
van windturbines betreft is tevens een certificaat nodig van het ontwerp
van de windturbines volgens het oprichtings- en constructieplan, bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onder f, afgegeven door een
certificeringsbureau dat is geaccrediteerd voor het afgeven van
certificaten betreffende voor windturbines in aanmerking komende
technische eisen bij de Raad voor Accreditatie of bij een accrediterende
instantie die is erkend door een andere staat, aangesloten bij de
Multilateral Agreement van de European cooperation for Accreditation.
Hoofdstuk 3. Beschikking inzake vergunningverlening
Artikel 5
Bij de voorbereiding en de vaststelling van een beschikking inzake
het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning wordt
rekening gehouden met:
a. het behouden van mogelijkheden voor een doelmatig en veilig
gebruik van de Noordzee door anderen dan de vergunninghouder,
b. de op de Noordzee betrekking hebbende onderdelen van de Nota
Ruimte waarvoor het regeringsstandpunt op 27 april 2004 aan de
Voorzitter van de Tweede Kamer is toegezonden (Kamerstukken II
2003/04, 29 435, nrs. 1-2), en
c. andere op de Noordzee betrekking hebbende plannen en
gebiedsaanwijzingen op grond van de Wet op de waterhuishouding, de
Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Natuurbeschermingswet 1998, de
Flora- en faunawet en de Wet milieubeheer.
Artikel 6
1. De toepassing van artikel 3 van de wet kan ertoe leiden dat
aan een vergunning voorschriften worden verbonden met een
overeenkomstige strekking als die van hoofdstuk 4 van de Mijnbouwwet
en de daarop gebaseerde regelingen.
2. De toepassing van artikel 3 van de wet kan ertoe leiden dat
aan een vergunning het voorschrift wordt verbonden dat financiële
zekerheid wordt gesteld voor het nakomen van de verplichting de
installatie te verwijderen als de installatie niet langer wordt gebruikt
voor het doel waarvoor vergunning is verleend, of na verstrijken van de
periode waarvoor vergunning is verleend.
Artikel 7
Aan een vergunning worden voorschriften verbonden ter bescherming van
het milieu.
Hoofdstuk 4. Veiligheidszone
Artikel 8
1. De minister verbiedt in een gebied rondom een installatie,
onder toepassing van artikel 6 van de wet, de toegang tot een
veiligheidszone, waarbij elk punt op de grens van de veiligheidszone
ten hoogste 500 meter verwijderd is van een overeenkomstig punt op de
buitengrens van de installatie.
2. Het verbod is gericht tot wie niet uit hoofde van zijn
wettelijke taak dan wel een vergunningvoorschrift toegang moet hebben
tot de zone.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 9
De Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken met betrekking tot installaties in de exclusieve
economische zone worden ingetrokken.
Artikel 10
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst.
Artikel 11
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels inzake de
toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in
de exclusieve economische zone.
Deze beleidsregels zullen met de toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.