|
BESLUIT van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van
de bodem (Besluit bodemkwaliteit)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2007, nr. DJZ2007057947, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op Richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake
de voor de bouw bestemde produkten (PbEG L 40), zoals gewijzigd bij
Richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
22 juli 1993 (PbEG L 220);
Gelet op Richtlijn nr. 06/12/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEG L 114),
ter vervanging van Richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194),
zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Verordening nr. 1882/2003 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 29
september 2003 (PbEU L 284);
Gelet op de artikelen 1.1, zevende lid, 8.1, tweede lid, 8.5, 8.40,
8.45, 8.49, vijfde lid,10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.17,
eerste lid, 10.52, 11.1, 11.2 en 11.3 van de Wet milieubeheer, de
artikelen 6, 7, 8, 12a, 12b, 15, 16a, 17, 36, 38,
39b, 70, 71, 72, 76o
en 91 van de Wet bodembescherming, de artikelen 1 derde lid, 2a, eerste
en tweede lid, 2b en 2c van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 12, tweede lid,
van de Wet belastingen op milieugrondslag en artikel 40a van de
Woningwet;
De Raad van State gehoord (advies van 10 september 2007, nr.
W08.07.0189/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 november 2007, nr. DJZ2007113029,
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens
de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers
vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede
bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door
lokale verontreinigingsbronnen;
Accreditatie: bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie kenbaar
maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen
bestaat dat de hierin genoemde persoon of instelling competent is voor
het uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid;
Baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of
oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen
met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in
een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature
worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen
en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;
Beheerder: bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening
ingevolge artikel 6.2 van de Waterwet;
Bodembeheergebied: aaneengesloten, door het bestuursorgaan,
bedoeld in artikel 44, 45 of 46, afgebakend deel van de oppervlakte van
een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders;
Bodemfuncties: gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem of
oever van een oppervlaktewaterlichaam, zoals dat is vastgesteld door de
gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers
vastgestelde indeling;
Bodemfunctieklassen : bij
regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties in
de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid;
Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium,
calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat
materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond
of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast;
Certificaat: verklaring waarmee een door Onze Minister en Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat erkende certificeringsinstelling
kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd
vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor
de certificering geldende normdocument;
Erkende kwaliteitsverklaring :
schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling die
daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de
bijbehorende partij die afkomstig is van een persoon of instelling die
is erkend voor het produceren op basis van een nationale
Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit
gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits
toegepast op de in de verklaring aangegeven wijze;
Erkenning: beschikking van Onze Ministers waarbij wordt
vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid
voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende voorwaarden;
Fabrikant-eigenverklaring :
schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een bouwstof,
grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij
voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met
betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit de verklaring blijkt
op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of
krachtens dit besluit gestelde eisen;
Grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een
maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een
verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden
aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en
grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde
baggerspecie;
IBC-bouwstof: bouwstof die vanwege de mate van emissie alleen
met isolatie-, beheers-, en controlemaatregelen mag worden toegepast;
Instelling: certificeringsinstelling, inspectie-instelling,
laboratorium of andere instelling, die beoordeelt of een persoon, een
stof, een product, een installatie, een voorziening of een ander object
overeenstemt met een normdocument;
Interventiewaarden : bij
regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven
dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering
van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier
heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet bodembescherming;
Isolatie, beheers- en controlemaatregelen: maatregelen
waardoor bij toepassing van een bouwstof nagenoeg geen contact optreedt
van die bouwstof met hemelwater en grondwater;
Kwaliteitsklasse : bij
regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling in categorieën van de
kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie;
Landbouwbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel i, van de Meststoffenwet;
Milieuhygiënische verklaring:
a. voor bouwstoffen, grond of baggerspecie: partijkeuring,
fabrikant-eigenverklaring of erkende kwaliteitsverklaring, en
b. voor grond, baggerspecie of
de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast:
verklaring omtrent de milieuhygiënische kwaliteit van een
specifieke partij of de bodem, die is afgegeven op basis van een
kaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid of een
bij regeling van Onze Ministers aangewezen normdocument of
onderzoeksprotocollen;
Normdocument: een voor een werkzaamheid op grond van artikel
25 aangewezen beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code,
aanbeveling of norm die of dat eisen bevat ter bevordering van de
kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
met dien verstande dat het bepaalde in artikel 14 van toepassing is;
Parameter: chemische stof of een fysische eigenschap;
Partij : identificeerbare
hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare
milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden
verhandeld of toegepast;
Partijkeuring: schriftelijke verklaring op basis van een
eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling
die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een
partij onder het regime van het besluit kan worden toegepast en hoe dit
is vastgesteld;
Persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;
Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad voor Accreditatie te
Utrecht;
Toepassen van bouwstoffen :
in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede het laten
verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit
besluit gestelde regels wordt onder «het toepassen van bouwstoffen in
een oppervlaktewaterlichaam» mede verstaan het toepassen van
bouwstoffen op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;
Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen,
verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld
in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk opgeslagen
grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten
daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde
regels wordt onder het toepassen van grond of baggerspecie in een
oppervlaktewaterlichaam mede verstaan het toepassen van grond of
baggerspecie op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;
Vestigingsplaats: adres en woonplaats van een persoon of adres
en woonplaats waar een instelling zetelt;
Vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste
eenheid van ten minste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een
duurzame vormvastheid heeft;
Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins
functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of
het dempen van een oppervlaktewaterlichaam en het ophogen van de bodem
ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen.
Werkzaamheid: een bij regeling van Onze Minister en Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in
artikel 11.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, die wordt uitgevoerd
met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen.
Artikel 1a
Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b,
6.6 en 6.7 van de Waterwet.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid,
6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen zijn,
behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente
waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte
van degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de
bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam.
2. Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem,
uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, binnen
een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is
aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en
op grond van artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de
vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning
voor de inrichting te verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat
andere orgaan het bevoegd gezag.
3. De beheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die
een bouwstof toepast in een oppervlaktewaterlichaam.
4. Onze Minister is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die
de handelingen, genoemd in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met
uitzondering van het toepassen van bouwstoffen.
Artikel 3
1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid,
6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en de daarop berustende bepalingen zijn,
behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente
waarin grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem
of oever van een oppervlaktewaterlichaam, wordt toegepast, het bevoegd
gezag.
2. Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd
de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, wordt toegepast
binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen,
die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet
milieubeheer, en op grond van artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd
gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.
3. De beheerder is het bevoegd gezag voor degene die grond of
baggerspecie toepast in een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 4
1. Onze Minister treft de noodzakelijke voorzieningen voor een
doelmatig toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit
gestelde verplichtingen, na afstemming met de bestuursorganen, bedoeld
in het tweede tot en met derde lid, voorzover het daar andere
bestuursorganen dan Onze Minister betreft. De voorzieningen hebben
betrekking op de strategische, programmatische en onderling afgestemde
uitoefening van de handhavingsbevoegdheden.
2. Ingeval van
toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem,
uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, binnen
een of meer bodembeheergebieden, waarvoor meerdere bestuursorganen
bevoegd gezag zijn, wordt door de desbetreffende bestuursorganen één
bevoegd gezag aangewezen dat namens de betrokken bestuursorganen
zorgdraagt voor een gecoördineerd toezicht op de naleving van de bij of
krachtens dit besluit gestelde verplichtingen.
3. Burgemeester en wethouders hebben tot
taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit
besluit gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op:
a. het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de
bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;
b. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem,
uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, als
bedoeld in artikel 35;
c. het verstrekken van een
milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 28, derde lid;
d. het melden van een toepassing als bedoeld in de artikelen 32 en
42.
4. Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de handhaving
van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voor zover
zij betrekking hebben op:
a. het in opdracht aanbrengen van bouwstoffenop of in de bodem,
uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;
b. het in opdracht verrichten van de handelingen, genoemd in
artikel 35, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een
oppervlaktewaterlichaam.
5. Aan de artikelen 28, derde
lid, 32, eerste en tweede lid, 42, eerste, negende en elfde lid, en 58,
eerste lid, wordt geacht te zijn voldaan, indien door één van de
daartoe verplichte personen aan de desbetreffende verplichting is
voldaan.
Artikel 5
1. Dit besluit is van toepassing op het
toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover:
a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of
baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is
voor het functioneren van de toepassing,
b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats
waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze
plaatsvindt; en
c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige
toepassing in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de
Waterwet, geldt niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of
baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam die voldoen aan het bepaalde
in het eerste lid.
3. Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit
waarbij wordt afgeweken van de bepalingen in dit besluit is
vergunningplichtig als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en
onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister
respectievelijk de Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.
Artikel 6
Het stellen van regels als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid,
onder b, 30, eerste en tweede lid, en 31, tweede lid, en het toetsen aan
de maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste
lid, 46, 55, tweede lid, 57, eerste lid, 60, eerste lid en 63, eerste
lid, onderdeel a, onder i, geschiedt met inachtneming van de voorwaarde
dat toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie voldoen aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.
Artikel 7
Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of
redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten
nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam ontstaan of kunnen
ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door
naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt
die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk voor zover voorkomen niet
mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
Artikel 8
1. Degene die ingevolge de bij of krachtens dit besluit
gestelde regels onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte
van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt,
kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen als bedoeld in artikel
71 van de Wet bodembescherming.
2. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het
verzoek de volgende gegevens:
a. zijn naam en adres;
b. de naam en het adres van de rechthebbenden;
c. de plaats waar het onderzoek zal plaatsvinden;
d. de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen
onderzoek, en
e. de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het
onderzoek moeten nalaten.
Hoofdstuk 2. Kwaliteit van de uitvoering van een werkzaamheid
Afdeling 1. Erkenning van personen en instellingen
Artikel 9
1. Onze Ministers kunnen op aanvraag voor een werkzaamheid een
erkenning verlenen aan een persoon of een instelling.
2. De beschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of
instelling, de werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van
toepassing, de naam van de natuurlijk persoon die werkzaam is voor de
erkende persoon of instelling en die een van de bij regeling van Onze
Ministers aangewezen handelingen uitvoert.
3. Een erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.
4. Onze Ministers stellen lijsten met erkende personen en
instellingen beschikbaar via een door hen aangewezen website. Het
besluit tot aanwijzing van de website wordt in de Staatscourant
geplaatst.
5. Een erkenning is niet overdraagbaar.
Artikel 10
1. Een aanvraag voor een erkenning wordt door middel van een
door Onze Ministers vastgesteld formulier, ingediend bij Onze
Ministers.
2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens
verstrekt:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de werkzaamheid waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. het certificaat of de accreditatie voor de werkzaamheid;
d. de vestigingsplaats van de persoon of instelling;
e. indien van toepassing, de
naam en een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is
dan zes maanden, van de natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 9,
tweede lid.
3. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
de in het tweede lid bedoelde gegevens.
Artikel 11
1. Onze Ministers beslissen binnen acht weken na de datum van
ontvangst van de aanvraag.
2. Onze Ministers verlenen de erkenning geheel of gedeeltelijk,
indien de desbetreffende persoon of instelling:
a. niet in staat van faillissement of surseance van betaling
verkeert; en
b. heeft voldaan aan artikel 10, tweede lid.
3. Bij regeling van Onze Ministers wordt aangegeven of een
erkenning voor een werkzaamheid wordt gebaseerd op een certificaat of
een accreditatie.
4. Een erkenning kan geheel of
gedeeltelijk worden geweigerd, indien de desbetreffende persoon of
instelling of een bestuurder van deze persoon of instelling, in de drie
jaren voorafgaande aan de aanvraag een wettelijk voorschrift heeft
overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of krachtens
één van de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van het
Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met een
werkzaamheid.
5. Een erkenning kan worden geweigerd in
het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel 12
1. Op verzoek van de erkende persoon of instelling kan de
erkenning worden gewijzigd. Artikel 9, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Het verzoek wordt, door middel van een door Onze Ministers
vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers. Artikel 10, tweede
en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Ministers beslissen binnen vier weken na de datum van
ontvangst van het verzoek. Artikel 11, tweede en vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
1. Met een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel
10, tweede lid, onder e, wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent
het gedrag afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend
of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van
onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten
minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de
nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden, mits die
verklaring niet ouder is dan zes maanden.
2. Met een certificaat of accreditatie als bedoeld bij of
krachtens dit besluit of in een normdocument wordt gelijkgesteld een
certificaat of accreditatie afgegeven door een daartoe bevoegde
instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij
een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland
bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een
beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of de
normdocumenten wordt geboden.
3. Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning of een
vergelijkbare beschikking afgegeven door een daartoe bevoegde instantie
in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe
strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op
basis van voorwaarden die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de voorwaarden,
genoemd in artikel 10, tweede lid, wordt geboden. De artikelen 9, vierde
lid, en 24 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
Voor toepassing van de artikelen in Hoofdstuk 2 wordt onder «Onze
Ministers» verstaan: Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
Afdeling 2. Verboden en verplichtingen
Artikel 15
1. Het is verboden een werkzaamheid uit
te voeren zonder daartoe verleende erkenning.
2. De in artikel 9, tweede lid, bedoelde handelingen kunnen
slechts worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon die staat vermeld
op de erkenning.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover
de werkzaamheid wordt uitgevoerd voor het verkrijgen van een certificaat
of een accreditatie.
Artikel 16
Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een
werkzaamheid te gebruiken of aan een ander ter beschikking te stellen
indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit
resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen
betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of
samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.
Artikel 17
1. Een bij regeling van Onze
Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij
ministeriële regeling aangewezen handeling met betrekking tot bodem,
grond, baggerspecie of bouwstof, waarop deze instelling of persoon een
persoonlijk of zakelijk recht heeft.
2. Een bij regeling van Onze
Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij
ministeriële regeling aangewezen handeling ten aanzien van een persoon,
een stof, een bouwstof, een product, een installatie, een voorziening of
ander object, waarmee deze instelling of persoon een organisatorische,
financiële of juridische binding heeft, tenzij deze binding alleen
voortvloeit uit de overeenkomst tot uitvoering van de werkzaamheid.
3. Het eerste lid geldt niet voor degene
die door middel van organisatorische maatregelen, op aantoonbare,
transparante en controleerbare wijze, ervoor zorg heeft gedragen dat de
werkzaamheid uitsluitend wordt verricht door een onderdeel van de
organisatie dat of een persoon die:
a. geen financieel belang heeft bij de uitkomst van de
werkzaamheid;
b. onder een andere bestuurlijke verantwoordelijkheid valt dan
degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem, grond,
baggerspecie of bouwstof, en
c. onder de directe aansturing van een andere leidinggevende valt
dan degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem,
grond, baggerspecie of bouwstof.
4. Indien een normdocument eisen bevat ten aanzien van
organisatorische maatregelen als bedoeld in het derde lid voldoet de
persoon of instelling die voor de desbetreffende werkzaamheid is erkend
aan het derde lid, indien hij aan het normdocument voldoet.
Artikel 18
1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met
het daarvoor geldende normdocument.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
het afwijken van het normdocument bij wettelijk voorschrift is
toegestaan.
Artikel 19
De houder van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze
Ministers aangewezen instantie zijn door de rechtbank uitgesproken
faillissement of surseance van betaling. De melding geschiedt door
middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.
Artikel 20
Een certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een
schorsing of intrekking van een certificaat, onderscheidenlijk een
accreditatie, voor een werkzaamheid onverwijld aan een door Onze
Ministers aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van een
door Onze Ministers vastgesteld formulier.
Artikel 21
1. Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een beschikking,
die bij of krachtens wettelijke voorschriften wordt gegeven, niet in
behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd die afkomstig zijn
van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze
gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede
lid.
2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn
de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en 2.6 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht en 8.49 van de Wet milieubeheer, en
de artikelen 29, eerste lid, en 39, tweede lid, 39b, 39c, tweede lid,
39d, derde lid, en 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming.
Artikel 22
1. Het is een ieder verboden om, ter voldoening aan bij of
krachtens wettelijke voorschriften, gegevens te verstrekken aan een
bestuursorgaan, indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden
dat deze gegevens afkomstig zijn van een persoon of instelling die
voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met
artikel 15, eerste of tweede lid.
2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn
de artikelen 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de artikelen 6.6
en 6.7 van de Waterwet en de artikelen 6 tot en met 12, 27, eerste lid,
39, eerste en vierde lid, 39b, tweede lid, onderdelen b en c, 70 en 72
van de Wet bodembescherming.
Afdeling 3. Sancties
Artikel 23
1. Onze Ministers kunnen een erkenning geheel of gedeeltelijk
intrekken:
a. op verzoek van de erkende persoon of instelling;
b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn
verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een
andere beslissing zou hebben geleid;
c. indien het bewijs van certificatie of accreditatie voor de
desbetreffende werkzaamheid is ingetrokken of niet meer geldig is;
d. indien de erkende persoon of instelling in staat van
faillissement verkeert of surseance van betaling heeft verkregen, of
e. indien de erkende persoon of instelling of de natuurlijk
persoon, bedoeld in artikel 9, tweede lid, een wettelijk voorschrift
heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of
krachtens de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van
het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt
met een werkzaamheid.
2. Onze Ministers kunnen een erkenning voor een periode van ten
hoogste twee jaren, geheel of gedeeltelijk schorsen, indien:
a. het bewijs van certificatie of accreditatie voor de
desbetreffende werkzaamheid is geschorst, of
b. sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onder e.
3. Onze Ministers kunnen een erkenning intrekken in het geval en
onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4. Indien een besluit tot intrekking of schorsing betrekking
heeft op een certificeringsinstelling blijven de door deze instelling
afgegeven certificaten gedurende zes maanden geldig.
5. Ingeval van aanwijzingen
dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel e, kunnen Onze Ministers de desbetreffende persoon of
instelling verzoeken binnen een redelijke termijn een verklaring omtrent
het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens over te leggen, die niet ouder is dan twee
maanden. Indien de desbetreffende persoon of instelling niet binnen de
gestelde termijn aan dit verzoek voldoet of kan voldoen, kunnen Onze
Ministers de erkenning voor een periode van ten
hoogste twee jaren geheel of gedeeltelijk schorsen.
Artikel 24
Onze Ministers verwerken de schorsing en intrekking van de erkenning
in de lijsten, bedoeld in artikel 9, vierde lid.
Artikel 25
1. Onze Ministers kunnen normdocumenten aanwijzen voorzover
deze:
a. niet in strijd zijn met een wettelijk voorschrift;
b. zijn vastgesteld door organen waarin alle betrokken partijen
zich konden laten vertegenwoordigen;
c. zowel qua inhoud als qua strekking voldoende duidelijk zijn, en
d. voldoende draagvlak hebben bij de betrokken partijen.
2. Met de normdocumenten worden gelijkgesteld documenten die zijn
vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij
een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland
bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is
aan het beschermingsniveau dat met de normdocumenten wordt geboden.
Hoofdstuk 3. Bouwstoffen
Artikel 26
1. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze
waarop het percentage van de totaalgehalten aan silicium, calcium of
aluminium in een materiaal wordt vastgesteld.
2. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze
waarop het volume per kleinste eenheid van een materiaal, alsmede de
duurzame vormvastheid daarvan, wordt vastgesteld.
3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder bouwstof mede
verstaan, een bouwstof die is vermengd met ten hoogste 20
gewichtsprocenten grond of baggerspecie, voor zover deze grond of
baggerspecie daar geen functioneel onderdeel van uitmaakt.
Artikel 27
1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. bouwstoffen die binnen een gebouw als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder c. van de Woningwet worden toegepast;
b. bouwstoffen die vallen onder een douaneregeling en bestemd zijn
voor douanevervoer, plaatsing in douane-entrepot of voor tijdelijke
invoer als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16 van verordening (EEG)
nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober
1992, tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L
302).
2. Het tijdelijk verplaatsen of uit een werk wegnemen van
bouwstoffen is toegestaan zonder inachtneming van de artikelen 28 tot en
met 32, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij
dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk worden
aangebracht.
Artikel 28
1. Het vervaardigen, invoeren, voor toepassing in Nederland of
voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben,
vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen of toepassen van
bouwstoffen is verboden, tenzij:
a. de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn
bepaald aan de hand van de parameters, die in bijlage 1 van dit
besluit zijn vermeld en bij regeling van Onze Ministers zijn
aangewezen, overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde
methoden door of onder toezicht van een persoon of instelling die
daartoe beschikt over een erkenning;
b. een bij regeling van Onze Ministers aangewezen persoon of
instelling op een bij regeling van Onze Ministers voorgeschreven wijze
heeft vastgesteld dat de waarden, bedoeld onder a, de bij regeling van
Onze Ministers vastgestelde maximale samenstellings- en emissiewaarden
niet overschrijden;
c. uit een milieuhygiënische
verklaring, die is afgegeven onder bij regeling van Onze Ministers
vastgestelde voorwaarden, blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in
onderdeel a en b; en
d. een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de
bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gegevens bevat.
2. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald in welke
gevallen een afleveringsbon als bedoeld in het eerste lid, onder d niet
vereist is.
3. Degene die de bouwstoffen
toepast bewaart de bijbehorende milieuhygiënische verklaring en de
afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstoffen
zijn toegepast en verstrekt die verklaring of afleveringsbon op verzoek
van het bevoegd gezag.
4. Bij regeling van Onze Ministers worden
regels gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van
partijen bouwstof.
5. Het is verboden om bouwstoffen toe te passen in strijd met de
artikelen 5, eerste lid en 7 van dit besluit.
Artikel 29
1. In afwijking van artikel
28, eerste lid, onder a en c, worden de samenstellings- en
emissiewaarden van de toe te passen bouwstof niet bepaald en is geen
milieuhygiënische verklaring vereist, indien sprake is van de volgende
handelingen:
a. het toepassen van metselmortel of natuursteenproducten, met
uitzondering van breuksteen en steenslag;
b. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen
van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en
bakstenen;
c. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen
van bouwstoffen, waarvan de eigendom niet wordt overgedragen;
d. het opnieuw toepassen van niet
teerhoudend asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen indien
overeenkomstig de CROW-publicatie, 210 «Richtlijn omgaan met
vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet
teerhoudend is;
e. het toepassen van bouwstoffen door natuurlijke personen anders dan
in de uitoefening van beroep of bedrijf.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien
degene die de bouwstof toepast op grond van kennis of organoleptische
waarneming kan aannemen of redelijkerwijs had moeten aannemen dat niet
is voldaan aan artikel 28, eerste lid, onder b.
Artikel 30
1. Een bouwstof die de maximale emissiewaarden, bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onder b overschrijdt, kan als IBC-bouwstof
worden toegepast, indien:
a. de bouwstof voldoet aan de bij regeling van Onze Ministers
gesteld maximale emissiewaarden voor IBC-bouwstoffen;
b. de bouwstof ten minste het bij regeling van Onze Ministers
bepaalde volume heeft en aaneengesloten in een werk wordt toegepast;
c. isolatie-, beheers- en controlemaatregelen worden getroffen, die
voldoen aan de daarvoor bij regeling van Onze Ministers gestelde eisen
en die zijn goedgekeurd door een bij regeling van Onze Ministers
aangewezen persoon of instelling.
2. Het is verboden IBC-bouwstoffen in een oppervlaktewaterlichaam
toe te passen.
Artikel 31
1. Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de
eis, gesteld in artikel 30, eerste lid, onder c, voor zover anders dan
door toepassing van die regel ten minste dezelfde mate van bescherming
van de bodem wordt geboden, als is beoogd met de betrokken eis.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent:
a. de beoordeling van de gelijkwaardigheid; en
b. de bij de aanvraag te verstrekken gegevens, waaruit onder meer
blijkt dat sprake is van bescherming als bedoeld in het eerste lid.
3. Een aanvraag wordt, door middel van een door Onze Minister
vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Minister.
Artikel 32
1. Degene die voornemens is een bouwstof toe te passen als
bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder c, meldt dit voornemen ten
minste vijf werkdagen voor het toepassen aan Onze Minister.
2. Degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als
bedoeld in artikel 30 meldt dat voornemen tenminste vier weken voor het
toepassen aan Onze Minister.
3. Bij een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid,
worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam en het adres van de toepasser;
b. de datum waarop de toepassing zal plaatsvinden;
c. de toepassingslocatie ;
d. de beoogde toepassing;
e. het soort en de hoeveelheid toe te passen bouwstof.
Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt voorts vermeld:
f. het werk, en
g. de plaats van herkomst van de toe te passen bouwstof.
Bij een melding als bedoeld in het tweede lid worden voorts
verstrekt:
h. een milieuhygiënische
verklaring; en
i. de beschrijving van de isolatie, controle- en beheersmaatregelen,
alsmede de vermelding van de persoon of instelling die deze maatregelen
heeft goedgekeurd.
4. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
de in het derde lid bedoelde gegevens.
5. Indien bij een voorgenomen
toepassing van een IBC-bouwstof de milieuhygiënische verklaring nog
niet beschikbaar is op het tijdstip waarop de melding wordt gedaan,
wordt deze uiterlijk vijf werkdagen voor de toepassing van de
desbetreffende IBC-bouwstof aan Onze Minister verstrekt.
6. De melding wordt elektronisch of
schriftelijk gedaan door middel van een formulier waarvan het model door
Onze Ministers wordt vastgesteld. Onze Ministers kunnen nadere regels
stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.
7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende
gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.
Artikel 33
Degene die een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die
bouwstof:
a. niet met de bodem wordt vermengd;
b. kan worden verwijderd; en
c. wordt verwijderd in geval het werk of het deel van het werk
waarvan de bouwstof deel uitmaakt niet meer als functionele
toepassing kan worden beschouwd, tenzij het verwijderen leidt tot
een grotere aantasting van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam
dan het niet verwijderen.
Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 34
1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de wijze bepaald
waarop wordt vastgesteld of een materiaal aan te merken is als grond
of baggerspecie.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder grond of
baggerspecie mede verstaan, grond of baggerspecie die is vermengd met
ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal.
3. Op grond van
milieuhygiënische overwegingen kunnen onze Ministers voor een
toepassing van grond of baggerspecie een lager gewichtspercentage
bodemvreemd materiaal vaststellen dan genoemd in het derde lid en
hierover en over soorten toegestaan bodemvreemd materiaal nadere regels
stellen.
Artikel 35
Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:
a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en weg
constructies, waaronder mede worden begrepen wegen, spoorwegen en
geluidswallen;
b. toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem, met
uitzondering van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam,
in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en
landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de
bodemgesteldheid;
c. toepassing van grond of baggerspecie voor het afdekken van een
locatie die wordt gesaneerd als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 3
van de Wet bodembescherming, als afdeklaag voor een stortplaats als
bedoeld in artikel 8.47, eerste lid respectievelijk derde lid, van
de Wet milieubeheer, of als afdeklaag voor een voormalige
stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor
de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier
heeft als gevolg van contact met het onderliggende materiaal;
d. toepassing van grond of baggerspecie in ophogingen in
waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van
een oppervlaktewaterlichaam met het oog op de hoogwaterbescherming,
de doelstellingen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, de
bevordering van de natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling
van de scheepvaart;
e. toepassing van grond of baggerspecie in aanvullingen,
waaronder mede wordt verstaan de herinrichting en stabilisering van
voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud
en herstel van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met d;
f. verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de
watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of
verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen;
g. verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam,
met het oog op de duurzame vervulling van de ecologische en
morfologische functies van het sediment, behoudens op of in
uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met uitzondering
van de daarbinnen gelegen aangrenzende percelen van watergangen met
het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen;
h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de
toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met e gedurende maximaal
drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van de bodem of oever
van een oppervlaktewaterlichaam, of gedurende maximaal tien jaar in
een oppervlaktewaterlichaam;
i. tijdelijke opslag van
baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen, bedoeld in
onderdeel a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen
gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.
Artikel 36
1. Het is verboden grond of baggerspecie die gevaarlijke
afvalstoffen zijn toe te passen.
2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende
handelingen:
a. het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de samenstelling
de interventiewaarde overschrijdt, tenzij artikel 44, tweede lid, of
artikel 45, tweede lid van toepassing is;
b. het op of in de bodem brengen van producten die overeenkomstig
de krachtens artikel 4 van de Meststoffenwet gestelde regels als
meststof mogen worden verhandeld;
c. handelingen waarop het Besluit uniforme saneringen van
toepassing is, tenzij bij of krachtens dat besluit anders is bepaald.
3. Het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van
grond of baggerspecie is toegestaan zonder inachtnemening van de
artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens, zonder te zijn
bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw
in die toepassing wordt aangebracht.
Artikel 37
1. Het is verboden om grond of baggerspecie toe te passen in
strijd met de artikelen 5, eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45, 46, 52, 59,
60, 63 en 64 van dit besluit.
2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten
aanzien van de wijze waarop een overschrijding wordt vastgesteld van
waarden, gesteld bij of krachtens de artikelen, genoemd in het eerste
lid.
Paragraaf 2. Algemene voorschriften voor degene die grond of
baggerspecie toepast
Artikel 38
1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen
laat overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde
methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een
erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met
inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel
63.
2. De kwaliteit van de grond
of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een
milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig
is.
3. Bij regeling van Onze
Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de milieuhygiënische
verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag worden afgegeven.
4. De toe te passen grond of baggerspecie
kan worden ingedeeld in de bij regeling van Onze Ministers vast te
stellen kwaliteitsklassen.
5. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met
betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen grond of
baggerspecie.
6. Het eerste tot en met het vijfde lid geldt niet voor:
a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of
bedrijf; en
b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen
binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig
is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een
vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of
baggerspecie wordt toegepast.
Artikel 39
Op het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de
bij regeling van Onze Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet
overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit hoofdstuk niet van
toepassing.
Artikel 40
1. Het vaststellen van de kwaliteit van de bodem, waarop of
waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, geschiedt
overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden
door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning
krachtens artikel 9, eerste lid.
2. De kwaliteit van de bodem
en het gestelde in het eerste lid, blijkt uit een milieuhygiënische
verklaring.
Artikel 41
Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald welke van de in bijlage
1 van dit besluit genoemde parameters voor de toepassing van dit
hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden gemeten ten behoeve
van:
a. de vaststelling van de kwaliteit van grond of baggerspecie,
met inbegrip van de emissiewaarden voor toepassingen voor zover
vereist op grond van artikel 63, en
b. de vaststelling van de kwaliteit van de bodem, waarop of
waarin grond of baggerspecie wordt toegepast.
Artikel 42
1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen
als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met i, met uitzondering
van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf werkdagen van
tevoren aan Onze Minister.
2. Bij de melding van een toepassing als bedoeld in artikel 35,
onder a tot en met e en g, worden ten minste de volgende gegevens
verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die voornemens is grond of
baggerspecie toe te passen;
b. het toetsingskader waarbinnen de toepassing wordt uitgevoerd;
c. de milieuhygiënische
verklaring van de toe te passen grond of baggerspecie;
d. de plaats van herkomst van de toe te passen grond of baggerspecie;
e. de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie;
f. de toepassingslocatie;
g. voor zover het een toepassing betreft krachtens afdeling 2,
paragraaf 2, de bodemkwaliteitsklasse;
h. voor zover het een toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de
bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, betreft krachtens
afdeling 2, paragraaf 2, de bodemfunctieklasse.
3. Op de melding van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder
h en i, is het tweede lid, onder a, c tot en met f, van overeenkomstige
toepassing en op meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35,
onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen van de toepassing,
bedoeld in artikel 35, onder h en i, wordt ook de voorziene duur van de
toepassing vermeld.
4. Indien de voorziene duur van de toepassing, bedoeld in artikel
35, onder h en i, langer is dan zes maanden, wordt de eindbestemming van
de grond of baggerspecie binnen die termijn gemeld.
5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
de in het tweede lid bedoelde gegevens.
6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door
middel van een formulier waarvan het model bij regeling van Onze
Ministers wordt aangewezen. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen
met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.
7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende
gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.
8. Het eerste lid geldt niet voor:
a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of
bedrijf;
b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen
binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig
is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een
vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of
baggerspecie wordt toegepast;
c. degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in
artikel 39 in een omvang van minder dan 50 m3 toe te passen.
9. Degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in
artikel 39 in een omvang van ten minste 50 m3 toe te passen, meldt in
afwijking van het tweede en derde lid eenmalig de gegevens, genoemd in
het tweede lid, onder a en f.
10. Het achtste lid, onder c, en het negende lid zijn niet van
toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de Nederlandse
territoriale zee.
11. De volgende toepassers van grond of baggerspecie bewaren de
in het tweede, onder a, c tot en met f, genoemde gegevens gedurende ten
minste vijf jaren:
a. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als
bedoeld in artikel 39, uitgezonderd degene, bedoeld in het achtste
lid, onder a en b;
b. degene die baggerspecie verspreidt uit een watergang over de aan
de watergang grenzende percelen.
Artikel 43
1. Voor het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35,
onder g, kan de beheerder met betrekking tot de
oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer verspreidingsvakken
aanwijzen en vaststellen hoeveel baggerspecie er maximaal kan worden
verspreid.
2. Het is verboden om baggerspecie toe te passen buiten een
krachtens het vorige lid aangewezen verspreidingsvak en boven de daarbij
aangegeven maximale hoeveelheid.
Afdeling 2. Toetsingskaders voor het toepassen van grond en
baggerspecie
Paragraaf 1. Gebiedsspecifiek toetsingskader voor de algemene
toepassing
Artikel 44
1. De gemeenteraad kan voor het toepassen van grond of
baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met e en h
op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een
oppervlaktewaterlichaam, voor een door hem aangewezen
bodembeheergebied lokale maximale waarden vaststellen voor de bodem,
waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede een
percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage,
bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid tot een maximum van 20
gewichtsprocenten.
2. De lokale maximale waarden kunnen boven de maximale waarden
voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid,
worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd materiaal
kan worden vastgesteld, indien:
a. de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door stoffen die
verspreid in dat bodembeheergebied voorkomen als gevolg van diffuse
verontreiniging;
b. die waarden en dat percentage overeenkomen met de kwaliteit van
de bodem in het bodembeheergebied; en
c. die waarden niet de waarden overschrijden die worden vastgesteld
op grond van de beoordelingssystematiek die wordt gehanteerd voor het
vaststellen van de noodzaak van een spoedige sanering als bedoeld in
artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming.
Artikel 45
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen
bestuur van het waterschap kan met betrekking tot rijkswateren,
onderscheidenlijk regionale wateren voor het toepassen van grond of
baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 35,
onderdeel a, c tot en met e en h voor een door hem aangewezen
bodembeheergebied lokale maximale waarden vaststellen voor de bodem of
oever van een oppervlaktewaterlichaam, waarop of waarin de grond of
baggerspecie wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd
materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34,
tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.
2. De lokale maximale waarden kunnen voor het toepassen van
baggerspecie boven de interventiewaarden en voor het toepassen van grond
niet boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie
worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd materiaal
kan worden vastgesteld, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 44, tweede lid.
Artikel 46
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen
bestuur van het waterschap kan met betrekking tot rijkswateren,
onderscheidenlijk regionale wateren voor toepassingen als bedoeld in
artikel 35, onderdeel g, voor een door hem aangewezen
bodembeheergebied, maximale waarden vaststellen voor de kwaliteit van
de toe te passen baggerspecie die afwijken van de waarden, die
krachtens artikel 60, eerste lid, voor die toepassing zijn
vastgesteld, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt
van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot
een maximum van 20 gewichtsprocenten.
2. Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald dat het
bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, voor daarbij aan te geven
parameters geen hogere maximale waarden kan vaststellen dan de krachtens
artikel 60, eerste lid vastgestelde waarden.
3. Voor toepassingen als bedoeld in het eerste lid in de
Nederlandse territoriale zee kan het bestuursorgaan, bedoeld in het
eerste lid, geen hogere maximale waarden vaststellen dan de krachtens
artikel 60, eerste lid, vastgestelde waarden.
Artikel 47
Een besluit op grond van de artikelen 44, eerste lid en 45, eerste
lid, bevat:
a. een of meer kaarten, opgesteld overeenkomstig de bij regeling
van Onze Ministers gestelde protocollen, waarop zijn aangegeven de
begrenzing van het bodembeheergebied, de kwaliteit van de bodem en,
bij toepassingen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever
van een oppervlaktewaterlichaam, de bodemfuncties;
b. de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste
lid, en 45, eerste lid;
c. voor zover van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd
materiaal, bedoeld in artikel 34, derde en vierde lid;
d. een motivering van het besluit aan de hand van de lokale
maximale waarden en, voor zover van toepassing, het
gewichtspercentage bodemvreemd materiaal in relatie tot de kwaliteit
van de bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en het
gewichtspercentage bodemvreemd materiaal en een beschrijving van de
overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden
bepaalde gevolgen van de uitvoering van het besluit voor de
kwaliteit van de bodem in het bodembeheergebied.
Artikel 48
Een besluit op grond van artikel 46, eerste lid, bevat:
a. een of meerdere kaarten waarop de begrenzing van dat
bodembeheergebied is aangegeven;
b. de maximale waarden en het percentage bodemvreemd materiaal,
bedoeld in artikel 46, eerste lid;
c. een motivering van het besluit aan de hand van de maximale
waarden en het percentage bodemvreemd materiaal in relatie tot de
gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam en de
maatschappelijke noodzaak van die waarden.
Artikel 49
Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 44,
45 en 46 wordt toepassing gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 50
Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 kan beroep
worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
Artikel 51
Op een besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in de
artikelen 44, 45 en 46, zijn de artikelen 47 tot en met 50 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
1. Bij toepassing in een bodembeheergebied overschrijdt de
kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie niet de lokale
maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44 en 45, en de maximale
waarden, bedoeld in artikel 46.
2. Grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale maximale
waarden, bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, kan
uitsluitend worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze
afkomstig is.
3. Indien de grond of baggerspecie, bedoeld in het vorige lid, de
kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt
toegepast, overschrijdt, kan deze grond of baggerspecie alleen worden
toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.
4. Het eerste tot en met derde lid geldt niet voor:
a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke
personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;
b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een
landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een
tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar
gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie
wordt toegepast.
Artikel 53
Het bestuursorgaan, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46,
overweegt ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre een aldaar
bedoeld besluit herziening behoeft.
Paragraaf 2. Generiek toetsingskader voor de algemene toepassing
Artikel 54
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing, indien geen besluit als
bedoeld in de artikelen 44, 45 of 46 is genomen.
Artikel 55
1. Burgemeester en wethouders leggen uiterlijk een half jaar na
inwerkingtreding van dit besluit op een kaart de bodemfunctieklassen,
zijnde industrie of wonen, van het gebied binnen hun gemeente, waarop
of waarin de grond of baggerspecie zal worden toegepast, vast.
2. Bij regeling van Onze Ministers worden voor de
bodemfunctieklassen, bedoeld in het eerste lid, maximale waarden
vastgesteld.
3. Bij regeling van Onze Ministers worden de eisen vastgesteld
waaraan de kaart, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen.
4. Indien geen kaart is vastgesteld als bedoeld in het eerste
lid, kan alleen grond of baggerspecie worden toegepast, die de
achtergrondwaarden niet overschrijdt.
5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond
of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 56
1. Indien de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond
of baggerspecie wordt toegepast, voldoet aan de achtergrondwaarden,
dan wel voor deze bodem niet de bodemfunctieklasse wonen of industrie
geldt, is uitsluitend het toepassen van grond of baggerspecie
toegestaan, waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden niet
overschrijdt.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke
personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;
b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een
landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een
tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar
gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie
wordt toegepast;
c. het toepassen van baggerspecie, als bedoeld in artikel 35, onder
f en i;
d. het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam,
als bedoeld in artikel 35, onder g.
Artikel 57
1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de bodem ingedeeld in
bodemkwaliteitsklassen en worden voor de bodemkwaliteitsklassen
maximale waarden vastgesteld.
2. Het bevoegd gezag kan de bodemkwaliteitsklassen, bedoeld in
het eerste lid, vastleggen op een kaart.
Artikel 58
1. Indien het bevoegd gezag de bodemkwaliteitsklasse niet heeft
vastgelegd op een kaart, stelt degene die voornemens is grond of
baggerspecie toe te passen de bodemkwaliteitsklasse vast op de bij
regeling van Onze Ministers bepaalde wijze. Hierbij worden gegevens
gebruikt die afkomstig zijn van een persoon of een instelling die
beschikt over een erkenning.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of
bedrijf;
b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen
binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig
is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een
vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of
baggerspecie wordt toegepast;
c. degene die voornemens is baggerspecie toe te passen, als bedoeld
in artikel 35, onder f, g en i.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van
grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder h,
met een duur van korter dan 6 maanden.
Artikel 59
1. Voor het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in
artikel 35, onder a tot en met e, op of in de bodem, uitgezonderd de
bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, overschrijdt de
kwaliteit van de grond of baggerspecie niet:
a. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen of
industrie; en
b. de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen.
2. Voor het op of in de bodem of oever van een
oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld
in artikel 35, onder a en c tot en met e, en het op of in de bodem
toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder h,
overschrijdt de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet de waarden,
bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, overschrijdt bij
toepassing in een oppervlaktewaterlichaam de kwaliteit van de grond niet
de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie.
Artikel 60
1. Bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35,
onder f, g en i, overschrijdt de kwaliteit van de baggerspecie de
daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale waarden
niet.
2. Voor toepassing van het eerste lid worden erven en gronden die
door een weg, voetpad of andere constructie of door een te smalle
grondstrook om de baggerspecie te ontvangen van de watergang gescheiden
zijn, als aan de watergang grenzend perceel aangemerkt.
Artikel 61
Onze Ministers overwegen ten minste eenmaal in de tien jaar in
hoeverre de waarden, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, en 57,
eerste lid, herziening behoeven en stellen de Staten-Generaal in kennis
van hun bevindingen daaromtrent.
Paragraaf 3. Toetsingskader voor grootschalige toepassingen
Artikel 62
Deze paragraaf is niet van toepassing op het toepassen van grond of
baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.
Artikel 63
1. Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in
artikel 35, onder a, c tot en met e, in een laagdikte van minimaal
twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft niet te voldoen
aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden
gesteld, mits
a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet aan:
i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen maximale
emissiewaarden, en
ii. bij toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of
oever van een oppervlaktewaterlichaam, de maximale waarden voor de
bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid;
iii. bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam, de maximale
waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55,
tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden, en
b. op de desbetreffende grond of baggerspecie een leeflaag of een
laag bouwstoffen wordt aangebracht.
2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking
van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst
aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling van Onze Ministers te
bepalen gevallen.
3. De leeflaag, bedoeld in het
eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve meter. Bij
regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische
overwegingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte
van de leeflaag of de laag bouwstoffen.
4. Op het aanbrengen van een leeflaag zijn
de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan het toepassen van
grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor de
toepassingen, bedoeld in artikel 35, onder a, een laagdikte van minimaal
een halve meter, indien:
a. het de aanleg of het wijzigen van Rijkswegen, provinciale en
gemeentelijke wegen en spoorwegen betreft; en
b. op de desbetreffende grond of baggerspecie in afwijking van het
eerste lid, onder b, een aaneengesloten laag bouwstoffen wordt
aangebracht, met uitzondering van de bijbehorende bermen en taluds.
6. In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet de kwaliteit
van de grond of baggerspecie in de bermen of taluds van Rijkswegen,
provinciale wegen of spoorwegen tot aan een fysieke afscheiding met een
maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het ballastbed,
aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie.
Artikel 64
1. Bij regeling van Onze Ministers kunnen aan de toepassing van
grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid,
nadere regels worden gesteld ter bescherming van de kwaliteit van de
omliggende bodem, het grondwater of oppervlaktewaterlichamen.
2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot beheersmaatregelen met het oog op de instandhouding
van de toepassing, bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid.
Hoofdstuk 5. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 65
1. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming wordt ingetrokken, met dien verstande
dat de intrekking voor gedeelten van dat besluit op verschillende
tijdstippen kan geschieden welke tijstippen nader worden bepaald in
het besluit tot inwerkingtreding van het besluit bodemkwaliteit als
bedoeld in artikel 83, eerste lid.
2. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
blijft van toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 12, tweede
lid, van de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie.
Artikel 66
1. Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer wordt
ingetrokken, met uitzondering van artikel 21, met dien verstande dat
in dat artikel in plaats van Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer,
wordt gelezen: Besluit bodemkwaliteit.
2. Hoofdstuk 2 van dit besluit is niet van toepassing op:
a. een werkzaamheid die voor inwerkingtreding van het Besluit
uitvoeringskwaliteit bodembeheer is aangevangen;
b. een werkzaamheid die wordt verricht ter uitvoering van een
wettelijke taak door of in opdracht van een bestuursorgaan, of
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Artikel 67 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 68 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 69 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 70 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 71 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 72 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 73 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 74 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 75
Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 65 blijft van toepassing op het houden van bouwstoffen,
waaronder grond en baggerspecie, in een werk, indien de bouwstoffen voor
dat tijdstip in het betreffende werk waren toegepast.
Artikel 76
De Vrijstellingsregeling grondverzet blijft van toepassing indien
voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor het gebied
waarop of waarin de grond wordt gebruikt een bodemkwaliteitskaart is
vastgesteld krachtens die regeling, voor de duur waarvoor de
bodemkwaliteitskaart geldt met een maximum van vijf jaar na het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 77
Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 65 blijft voor partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen
en andere bewijsmiddelen, die krachtens het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming, zoals dat gold op het tijdstip van
inwerkingtreding, zijn afgegeven, van toepassing voor de duur van de
desbetreffende verklaring, maar ten hoogste voor drie jaar na de
inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 78
Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 65 blijft voor maximaal drie jaar na dat tijdstip van
toepassing, indien voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11,
eerste lid, 18, tweede lid, of 21, tweede lid, van het
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en
binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met de toepassing.
Artikel 79
1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 65 blijft geldig, indien voor dat
tijdstip, dan wel uiterlijk een half jaar na dat tijdstip een
vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer of artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, voor de duur van de vergunning
maar ten hoogste voor drie jaar na dat tijdstip.
2. Voorzover een vergunning op grond van artikel 1, eerste of
derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren betrekking
heeft op een handeling als bedoeld in artikel 35, onder g, vervalt het
desbetreffende deel van de vergunning.
3. In afwijking van het tweede lid vervallen de voorschriften van
een vergunning waarbij verspreidingsvakken worden aangewezen een half
jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 80 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 81 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 82
Onze Minister zendt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat binnen drie jaar
na inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.
Artikel 82a
Dit besluit berust mede op artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.
Artikel 83 [Vervallen per 26-10-2010]
Artikel 84
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bodemkwaliteit.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 november 2007
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer,
J.M. Cramer
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg
Uitgegeven de derde december 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage 1, behorende bij artikel 28,
eerste en tweede lid en 41
|
Parameterlijst voor
bouwstoffen, grond en baggerspecie |
|
|
1. Metalen |
CAS-nummers |
|
Antimoon (Sb) |
7440-36-0 |
|
Arseen (As) |
7440-38-2 |
|
Barium (Ba) |
7440-39-3 |
|
Beryllium (Be) |
7440-41-7 |
|
Cadmium (Cd) |
7440-43-9 |
|
Chroom (Cr) |
7440-47-3 |
|
Kobalt (Co) |
7440-48-2 |
|
Koper (Cu) |
7440-50-8 |
|
Kwik (Hg) |
7439-97-6 |
|
Lood (Pb) |
7439-92-1 |
|
Molybdeen (Mo) |
7439-98-7 |
|
Nikkel (Ni) |
7440-02-0 |
|
Seleen (Se) |
7782-49-2 |
|
Tellurium (Te) |
13494-80-9 |
|
Thallium (Tl) |
7440-28-0 |
|
Tin (Sn) |
7440-31-5 |
|
Vanadium (V) |
7440-62-2 |
|
Zilver (Ag) |
7440-22-4 |
|
Zink (Zn) |
7440-66-5 |
| |
|
|
2. Overige anorganische stoffen |
|
|
Bromide |
n.v.t |
|
Chloride |
n.v.t |
|
Cyanide (vrij) |
n.v.t |
|
Cyanide-complex (ph < 5) |
n.v.t |
|
Cyanide-complex (ph ≥ 5) |
n.v.t |
|
Fluoride |
n.v.t |
|
Thiocyanaten (som) |
n.v.t |
|
Sulfaat |
n.v.t |
| |
|
|
3. Aromatische stoffen |
|
|
Benzeen |
71-43-2 |
|
Ethylbenzeen |
100-41-4 |
|
Tolueen |
108-88-3 |
|
Ortho-xyleen |
95-47-6 |
|
Meta-xyleen |
108-38-3 |
|
Para-xyleen |
106-42-3 |
|
Styreen |
100-42-5 |
|
Fenol |
108-95-2 |
|
Catechol |
120-80-9 |
|
Resorcinol |
108-46-3 |
|
Hydrochinon |
123-31-9 |
|
Ortho-Cresol |
95-48-7 |
|
Meta-cresol |
108-39-4 |
|
Para-Cresol |
106-44-5 |
|
Dodecylbenzeen |
123-01-3 |
|
1,2,3-trimethylbenzeen |
526-73-8 |
|
1,2,4-trimethylbenzeen |
95-63-6 |
|
1,3,5-trimethylbenzeen |
108-67-8 |
|
2-ethyltolueen |
611-14-3 |
|
3-ethyltolueen |
620-14-4 |
|
4-ethyltolueen |
622-96-8 |
|
Isopropylbenzeen |
98-82-8 |
|
Propylbenzeen |
103-65-1 |
| |
|
|
4. Polycyclische aromatische
koolwaterstoffen (PAK's) |
|
|
Naftaleen |
91-20-3 |
|
Fenantreen |
85-01-8 |
|
Antraceen |
120-12-7 |
|
Fluorantheen |
206-44-0 |
|
Chryseen |
218-01-9 |
|
Benzo(a)antraceen |
56-55-3 |
|
Benzo(a)pyreen |
50-32-8 |
|
Benzo(k)fluorantheen |
207-08-9 |
|
Indeno(1,2,3cd)pyreen |
193-39-5 |
|
Benzo(ghi)peryleen |
191-24-2 |
|
Pyrene |
129-00-0 |
|
Acenaphthene |
83-32-9 |
|
Benzo(b)fluoranthene |
205-99-2 |
|
Benzo(j)fluoranthene |
205-82-3 |
|
Dibenz(a,h)anthracene |
53-70-3 |
|
9H-Fluorene |
86-73-7 |
|
Acenaphthylene |
208-96-8 |
| |
|
|
5. Gechloreerde koolwaterstoffen |
|
| |
|
|
A. (vluchtige)
chloorkoolwaterstoffen |
|
|
Monochlooretheen |
75-01-4 |
|
Dichloormethaan |
75-09-2 |
|
1,1-dichloorethaan |
75-34-3 |
|
1,2-dichloorethaan |
107-06-2 |
|
1,1-dichlooretheen |
75-35-4 |
|
Cis-1,2-dichlooretheen |
156-59-2 |
|
Trans-1,2-dichlooretheen |
156-60-5 |
|
1,1-dichloorpropaan |
78-99-9 |
|
1,2-dichloorpropaan |
78-87-5 |
|
1,3-dichloorpropaan |
142-28-9 |
|
Trichloormethaan |
67-66-3 |
|
1,1,1-trichloorethaan |
71-55-6 |
|
1,1,2-trichloorethaan |
79-00-5 |
|
Trichlooretheen |
79-01-6 |
|
Tetrachloormethaan |
56-23-5 |
|
Tetrachlooretheen |
127-18-4 |
| |
|
|
B. Chloorbenzenen |
|
|
Monochloorbenzeen |
108-90-7 |
|
1,2-dichloorbenzeen |
95-50-1 |
|
1,3-dichloorbenzeen |
541-73-1 |
|
1,4-dichloorbenzeen |
106-46-7 |
|
1,2,3-trichloorbenzeen |
87-61-6 |
|
1,2,4-trichloorbenzeen |
120-82-1 |
|
1,3,5-trichloorbenzeen |
108-70-3 |
|
1,2,3,4-tetrachloorbenzeen |
634-66-2 |
|
1,2,3,5-tetrachloorbenzeen |
634-90-2 |
|
1,2,4,5-tetrachloorbenzeen |
95-94-3 |
|
Pentachloorbenzeen |
608-93-5 |
|
Hexachloorbenzeen |
118-74-1 |
| |
|
|
C. Chloorfenolen |
|
|
2-chloorfenol |
95-57-8 |
|
3-chloorfenol |
108-43-0 |
|
4-chloorfenol |
106-48-9 |
|
2,3-dichloorfenol |
576-24-9 |
|
2,4-dichloorfenol |
120-83-2 |
|
2,5-dichloorfenol |
583-78-8 |
|
2,6-dichloorfenol |
87-65-0 |
|
3,4-dichloorfenol |
95-77-2 |
|
3,5-dichloorfenol |
591-35-5 |
|
2,3,4-trichloorfenol |
15950-66-0 |
|
2,3,5-trichloorfenol |
933-78-8 |
|
2,3,6-trichloorfenol |
933-75-5 |
|
2,4,5-trichloorfenol |
95-95-4 |
|
2,4,6-trichloorfenol |
88-06-2 |
|
3,4,5-trichloorfenol |
609-19-8 |
|
2,3,4,5-tetrachloorfenol |
4901-51-3 |
|
2,3,4,6-tetrachloorfenol |
58-90-2 |
|
2,3,5,6-tetrachloorfenol |
935-95-5 |
|
Pentachloorfenol |
87-86-5 |
| |
|
|
D. Polychloorbifenylen (PCB's) |
|
|
PCB 28 |
7012-37-5 |
|
PCB 52 |
35693-99-3 |
|
PCB 101 |
37680-73-2 |
|
PCB 118 |
31508-00-6 |
|
PCB 138 |
35065-28-2 |
|
PCB 153 |
35065-27-1 |
|
PCB 180 |
35065-29-3 |
| |
|
|
E. Overige gechloreerde
koolwaterstoffen |
|
|
2-chlooraniline |
95-51-2 |
|
3-chlooraniline |
108-42-9 |
|
4-chlooraniline |
106-47-8 |
|
2,3-dichlooraniline |
608-27-5 |
|
2,4-dichlooraniline |
554-00-7 |
|
2,5-dichlooraniline |
95-82-9 |
|
2,6-dichlooraniline |
608-31-1 |
|
3,4-dichlooraniline |
95-76-1 |
|
3,5-dichlooraniline |
626-43-7 |
|
2,3,4-trichlooraniline |
634-67-3 |
|
2,3,5-trichlooraniline |
18487-39-3 |
|
2,4,5-trichlooraniline |
636-30-6 |
|
2,4,6-trichlooraniline |
634-93-5 |
|
3,4,5-trichlooraniline |
634-91-3 |
|
2,3,4,5-tetrachlooraniline |
634-83-3 |
|
2,3,5,6-tetrachlooraniline |
3481-20-7 |
|
Pentachlooraniline |
527-20-8 |
|
EOX |
n.v.t. |
|
2,3,7,8-TCDD |
1746-01-6 |
|
1,2,3,7,8-PeCDD |
40321-76-4 |
|
1,2,3,6,7,8-HxCDD |
57653-85-7 |
|
1,2,3,7,8,9-HxCDD |
19408-74-3 |
|
1,2,3,4,7,8-HxCDD |
39227-28-6 |
|
1,2,3,4,6,7,8-HpCDD |
35822-46-9 |
|
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD |
3268-87-9 |
|
2,3,7,8-TCDF |
51207-31-9 |
|
1,2,3,7,8-PeCDF |
57117-41-6 |
|
2,3,4,7,8-PeCDF |
57117-31-4 |
|
1,2,3,6,7,8-HxCDF |
57117-44-9 |
|
1,2,3,7,8,9-HxCDF |
72918-21-9 |
|
1,2,3,4,7,8-HxCDF |
70648-26-9 |
|
2,3,4,6,7,8-HxCDF |
60851-34-5 |
|
1,2,3,4,6,7,8-HpCDF |
67562-39-4 |
|
1,2,3,4,7,8,9-HpCDF |
55673-89-7 |
|
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF |
39001-02-0 |
|
α-Chloornaftaleen |
90-13-1 |
|
β-Chloornaftaleen |
91-58-7 |
|
C10-13-chlooralkanen |
85535-84-8 |
| |
|
|
6. Bestrijdingsmiddelen |
|
| |
|
|
A. Organochloorbestrijdingsmiddelen |
|
|
Aldrin |
390-00-2 |
|
Dieldrin |
60-57-1 |
|
Endrin |
72-20-8 |
|
Isodrin |
465-73-6 |
|
Telodrin |
297-78-9 |
|
Cis-chloordaan |
5103-71-9 |
|
Trans-chloordaan |
5103-74-2 |
|
2,4-DDT |
789-02-6 |
|
4,4-DDT |
50-29-3 |
|
2,4-DDE |
3424-82-6 |
|
4,4-DDE |
72-55-9 |
|
2,4-DDD |
53-19-0 |
|
4,4-DDD |
72-54-8 |
|
α-Endosulfan |
959-98-8 |
|
Endosulfansulfaat |
1031-07-8 |
|
Endosulfan |
115-29-7 |
|
α-HCH |
319-84-6 |
|
β-HCH |
319-85-7 |
|
γ-HCH |
58-89-9 |
|
δ-HCH |
319-86-8 |
|
ε-HCH |
6108-10-7 |
|
Heptachloor |
76-44-8 |
|
Cis-Heptachloorepoxide |
280044-83-9 |
|
Trans-Heptachloorepoxide |
1024-5703 |
|
Hexachloorbutadieen |
87-68-3 |
| |
|
|
B. Organofosforpesticiden |
|
|
Azinfos-methyl |
86-50-0 |
| |
|
|
C. Organotin bestrijdingsmiddelen |
|
|
Tributyltin |
688-73-3 |
|
Trifenyltin |
892-20-6 |
|
Tributyltin-kation |
36643-28-4 |
| |
|
|
D. Chloorfenoxy-azijnzuur
herbiciden |
|
|
MCPA |
94-74-6 |
| |
|
|
E. Overige bestrijdingsmiddelen |
|
|
Atrazine |
1912-24-9 |
|
Carbaryl |
63-25-2 |
|
Carbofuran |
1563-66-2 |
|
Maneb |
1247-38-2 |
|
4-chloor-3-methylfenol |
59-50-7 |
|
4-chloor-2-methylfenol |
1570-64-5 |
|
Propazine |
139-40-2 |
|
Simazine |
122-34-9 |
|
Terbutryn |
886-50-0 |
|
Bromofos-ethyl |
4824-78-6 |
|
Bromofos-methyl |
2104-96-3 |
|
Chloorpyrifos-ethyl |
2921-88-2 |
|
Dichloorvos |
62-73-7 |
|
Disulfoton |
298-04-4 |
|
Fenthion |
55-38-9 |
|
Malathion |
121-75-5 |
|
Parathion-ethyl |
56-38-2 |
|
Parathion-methyl |
298-00-0 |
|
Alachloor |
15972-60-8 |
|
Chloorfenvinfos |
470-90-6 |
|
Diuron |
330-54-1 |
|
Isoproturon |
34123-59-6 |
|
Trifluraline |
1582-09-8 |
| |
|
|
7. Overige parameters |
|
|
Acrylonitril |
107-13-1 |
|
Asbest |
n.v.t. |
|
Butanol |
71-36-3 |
|
Butylacetaat |
123-86-4 |
|
Cyclohexanon |
108-94-1 |
|
Diethyleenglycol |
111-46-6 |
|
Ethylacetaat |
141-78-6 |
|
Ethyleenglycol |
107-21-1 |
|
Formaldehyde |
50-00-0 |
|
Dimethylftalaat |
131-11-3 |
|
Diethylftalaat |
84-66-2 |
|
Di-isobutylftalaat |
84-69-5 |
|
Dibutylftalaat |
84-74-2 |
|
Butylbenzylftalaat |
85-68-7 |
|
Dihexylftalaat |
84-75-3 |
|
Di(2-ethylhexyl)ftalaat |
117-81-7 |
|
Di-n-octylftalaat |
117-84-0 |
|
Isopropanol |
67-63-0 |
|
Methanol |
67-56-1 |
|
Methylethylketon |
78-93-3 |
|
MTBE |
1634-04-4 |
|
Minerale olie |
n.v.t. |
|
Vertakte en onvertakte alkanen
bestaande uit minimaal 5 en maximaal 40 koolstofatomen(1) |
n.v.t. |
|
Nutriënten |
n.v.t. |
|
pH |
n.v.t. |
|
Pyridine |
110-86-1 |
|
Reducerend vermogen |
n.v.t. |
|
Tetrahydrofuran |
109-99-9 |
|
Tetrahydrothiofeen |
110-01-0 |
|
Tribroommethaan |
75-25-2 |
|
Zwevende stof |
n.v.t. |
|
Nonylfenolen |
25154-52-3 |
|
4-para-nonylfenol |
104-40-5 |
|
Octylfenolen |
1806-26-4 |
|
Para-tert-octylfenol |
140-66-9 |
(1) De vertakte en onvertakte alkanen
kunnen zowel als individuele stof als in verschillende deelverzamelingen
in somparameters worden genormeerd.
|