| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet belastingen op
milieugrondslag (Wbm)
UITVOERINGSBESLUIT
BELASTINGEN OP MILIEUGRONDSLAG
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 december 1994 tot vaststelling van het
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 3 december 1992,
nr. WM92-19, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Afdeling Wetgeving
Milieubelastingen, gedaan mede namens de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 6, derde lid, 10a,
zesde lid, 13, zevende lid, 18a, derde lid, 28, achtste lid, 30,
tweede lid, en 38, eerste lid, van de Wet belastingen op
milieugrondslag;
De Raad van State gehoord (advies van 18
december 1992, nr. W06.92.0614);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 21 december 1994, nr. WM94-71M,
Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Afdeling Wetgeving
Milieubelastingen, uitgebracht mede namens de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 20, derde lid, 33,
derde en vierde lid, 34, derde lid, 35, tweede lid, 44, vierde lid,
45, derde lid, 51, eerste lid, 54, vijfde lid, 59, zesde lid, 64,
vijfde lid, 67, derde lid, 68, derde lid, 69, zevende lid, 70, vierde
lid, 88a en 88b, van de Wet belastingen op milieugrondslag.
2. In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet belastingen
op milieugrondslag.
Hoofdstuk II [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater
Artikel 3
1.Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van
de wet kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin recht
op teruggaaf is ontstaan, en dient uiterlijk te worden gedaan binnen
dertien weken na afloop van de verbruiksperiode van twaalf maanden.
2.Teruggaaf wordt alleen verleend indien de eindfacturen worden
overgelegd.
Hoofdstuk IV [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9b [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9c [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9d [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9e [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9f [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Artikel 12
1.Het vervoer van kolen, bedoeld in artikel 33, derde lid,
onderdeel a, b of c, van de wet, naar een inrichting, een andere
lidstaat via Nederland of een derde land, alsmede het brengen van
kolen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de
wet, vanuit een inrichting naar een andere inrichting, een ondernemer
in een andere lidstaat, een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als
ondernemer, in een andere lidstaat of een derde land, wordt aangetoond
met een bescheid.
2.In het bescheid, bedoeld in het eerste lid, worden vermeld:
a. de naam en het adres van degene van wie de kolen afkomstig
zijn;
b. de naam en het adres van degene naar wie de kolen worden
vervoerd dan wel overgebracht;
c. de naam en het adres van degene die de kolen vervoert dan
wel overbrengt;
d. de hoeveelheid kolen, en
e. de datum waarop het vervoer dan wel de overbrenging van de
kolen is aangevangen.
Artikel 13
De in artikel 33, tweede lid, en artikel 34, eerste lid, van de wet
bedoelde personen of publiekrechtelijke lichamen richten hun
administratie zodanig in dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor
de heffing van kolen van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
Artikel 14
1.Het brengen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdelen a en
d, van de wet, van kolen vanuit een derde land of vanuit een plaats
voor tijdelijke opslag naar een inrichting, alsmede het brengen,
bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel c, van de wet, van kolen
die zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling naar een
inrichting, wordt bij het aangeven voor het vrije verkeer van de kolen
op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste
en tweede lid, van de Algemene douanewet, aangetoond met een
vervoersopdracht. De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de
vergunninghouder van de inrichting waarnaar de kolen worden
overgebracht, dan wel in diens opdracht.
2.Op de in het eerste lid bedoelde vervoersopdracht wordt een
verklaring gesteld van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar
de kolen zullen worden overgebracht dat de kolen worden overgebracht
naar zijn inrichting en in de administratie van zijn inrichting worden
opgenomen.
3.De in het eerste lid bedoelde kolen moeten hun bestemming hebben
bereikt binnen één maand na het tijdstip waarop de vereiste aangifte
op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste
en tweede lid, van de Algemene douanewet, is gedaan.
Artikel 15
Het brengen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel a, van de
wet, van kolen vanuit een derde land naar een plaats voor tijdelijke
opslag, het in Nederland plaatsen onder een communautaire douaneregeling
van vanuit een derde land binnengebrachte kolen, bedoeld in artikel 35,
tweede lid, onderdeel b, van de wet, alsmede het onder ambtelijk
toezicht vernietigen van kolen die onder een communautaire
douaneregeling zijn geplaatst, bedoeld in artikel 35, tweede lid,
onderdeel e, van de wet, geschiedt met inachtneming van de formaliteiten
die op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1,
eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, moeten worden vervuld.
Artikel 16
1.In de vervoersopdracht, bedoeld in artikel 14, worden vermeld:
a. de naam en het adres van degene die de vervoersopdracht
opmaakt dan wel van degene in wiens opdracht zij wordt opgemaakt;
b. de naam en het adres van degene die de kolen overbrengt;
c. de naam en het adres van de vergunninghouder van de
inrichting waarnaar de kolen worden overgebracht en het adres van
die inrichting;
d. de hoeveelheid kolen, en
e. de datum waarop de overbrenging van de kolen aanvangt.
2.De vervoersopdracht is gedagtekend en ondertekend.
3.Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid vergunninghouder
is van een inrichting, wordt tevens het nummer van zijn vergunning
vermeld.
4.De vergunninghouder van de inrichting die de vervoersopdracht
heeft opgemaakt of heeft doen opmaken, bewaart afschriften van de
vervoersopdrachten op overzichtelijke wijze bij zijn administratie.
Artikel 17
1.De vrijstellingen, bedoeld in artikel 44, eerste, tweede en derde
lid, van de wet, worden verleend, indien:
a. degene die de kolen gebruikt, verklaart dat de aan hem te
leveren kolen worden gebruikt op de in artikel 44, eerste, tweede
of derde lid, van de wet bedoelde wijze;
b. de verklaring geschiedt met gebruikmaking van een door de
vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid in geval van
uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering
verricht opgesteld bescheid in geval van invoer;
c. degene die de kolen gebruikt, de verklaring heeft
ondertekend, en
d. de verklaring op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de
administratie van de vergunninghouder van de inrichting in geval
van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot
plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer
doet, in geval van invoer.
2.De vrijstelling, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet,
wordt niet verleend indien de kolen worden gebruikt in een installatie
voor het opwekken van elektriciteit met een elektrisch vermogen van
minder dan 60 kW.
3.Degene die de kolen gebruikt, richt zijn administratie zodanig in
dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent
alle voor de vrijstellingen, bedoeld in artikel 44, eerste, tweede en
derde lid, van de wet, van belang zijnde bedrijfshandelingen.
Artikel 18
1. Het tijdvak waarover een teruggaaf van belasting als bedoeld in
artikel 45, eerste of tweede lid, van de wet, wordt verleend is het
kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak
aanwijzen.
2. Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken:
a. na het einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak
waarin de kolen zijn gebruikt op een in artikel 44, eerste tot en
met derde lid, van de wet bedoelde wijze;
b. nadat de kolen de in artikel 45, tweede lid, van de wet
bedoelde bestemming hebben gevolgd.
3. Bij het verzoek om teruggaaf worden de aankoopfactuur en de van
belang zijnde gegevens over de bestemming van de kolen waarop de
teruggaaf betrekking heeft overgelegd.
4. Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de
teruggaaf, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet met
betrekking tot kolen die worden gebruikt op een in artikel 44, tweede
lid, van de wet bedoelde wijze.
5. De administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet
aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Artikel 18a
1. Het verbruik van aardgas, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van
de wet, dient te blijken uit de administratie.
2. Artikel 6c, tweede tot en met vijfde lid, van het
Uitvoeringsbesluit accijns is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
1.Het verzoek om een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger,
bedoeld in artikel 54, derde lid, van de wet, bevat de volgende
gegevens:
a. naam en adres van de verzoeker;
b. het beoogde tijdstip van aanvang van het
fiscaal-vertegenwoordigerschap;
c. naam en adres van de degene die de levering aan de
verbruiker verricht en die niet in Nederland is gevestigd en
aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt
verricht (in dit artikel: buitenlandse leverancier).
2.Een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger wordt slechts
verleend indien de verzoeker:
a. in Nederland woont of is gevestigd;
b. in de afgelopen vijf jaren niet wegens overtreding van de
wettelijke bepalingen inzake rijksbelastingen dan wel douane
onherroepelijk is veroordeeld;
c. een administratie voert die voldoet aan bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden;
d. naar het oordeel van de inspecteur voldoende solvabel is.
3.De verlening van een vergunning voor een fiscaal
vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de voorwaarde dat de
verzoeker optreedt voor alle leveringen als bedoeld in artikel 54,
eerste lid, van de wet. De inspecteur kan op verzoek hiervan afwijken.
4.De inspecteur kan de vergunning intrekken of wijzigen:
a. op verzoek van de fiscaal vertegenwoordiger met
schriftelijke instemming van de buitenlandse leverancier;
b. op verzoek van de buitenlandse leverancier;
c. indien de fiscaal vertegenwoordiger niet meer voldoet aan de
aan de vergunning gebonden voorwaarden.
De buitenlandse leverancier wordt van de intrekking van de
vergunning in kennis gesteld, alsmede van de gronden waarop deze
berust.
Artikel 20
1.De tarieven voor zakelijk verbruik, bedoeld in artikel 59, eerste
lid, onderdelen a en c, van de wet, zijn van toepassing indien de
verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die het aardgas
of de elektriciteit aan hem levert, dat het verbruik van dat aardgas
of die elektriciteit zakelijk verbruik betreft als bedoeld in artikel
47, eerste lid, onderdeel t, van de wet.
2.De verbruiker dient:
a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op
overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor
de toepassing van het tarief voor zakelijk verbruik van belang
zijnde bedrijfshandelingen;
b. ter vaststelling van de hoeveelheid aardgas of elektriciteit
waarop de tarieven bedoeld in het eerste lid zien, deze
hoeveelheid te meten met behulp van meters indien het aardgas of
de elektriciteit mede betrokken wordt voor niet-zakelijk verbruik
als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel u, van de wet.
3.Wijzigingen in de situatie die van invloed zijn op de toepassing
van de tarieven, bedoeld in het eerste lid, worden onmiddellijk gemeld
aan degene die het aardgas of de elektriciteit levert.
Artikel 21
1. Het tarief als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel b,
van de wet is van toepassing indien de verbruiker een verklaring heeft
overgelegd aan degene die het aardgas aan hem levert, dat het aardgas
uitsluitend wordt aangewend in een CNG-vulstation.
2. De verbruiker dient overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde
verklaring te handelen. Indien niet meer overeenkomstig de verklaring
gehandeld wordt, meldt de verbruiker dat onmiddellijk aan degene die
het aardgas levert.
Artikel 21a
1. De uitzondering in artikel 59, derde lid, van de wet voor
installaties voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt
gemaakt van restwarmte, is mede van toepassing gedurende de eerste
periode van maximaal twee jaar na de ingebruikneming van een
installatie voor stadsverwarming die is ontworpen om grotendeels
gebruik te maken van restwarmte.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op het moment
waarop de levering van warmte door middel van de installatie een
aanvang neemt.
3. Het eerste lid is slechts van toepassing als de houder van de
installatie aan degene die het aardgas aan hem levert een verklaring
heeft overgelegd:
a. dat sprake is van een installatie voor stadsverwarming;
b. dat de stadsverwarming is ontworpen om grotendeels gebruik
te maken van restwarmte;
c. wanneer de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt en
eindigt.
Artikel 22
1.De vrijstelling, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de wet,
wordt verleend indien degene die aardgas of elektriciteit gebruikt,
een verklaring heeft overgelegd aan degene die dat aardgas of die
elektriciteit aan hem heeft geleverd, dat hij dat aardgas of die
elektriciteit gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, van de wet
bedoelde wijze.
2.Geen vrijstelling wordt verleend indien de in artikel 64, eerste
lid, van de wet bedoelde installatie een elektrisch vermogen heeft van
minder dan 60 kW.
3.De vrijstelling, bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet,
wordt verleend indien degene die de elektriciteit gebruikt een
verklaring heeft overgelegd aan degene die die elektriciteit aan hem
heeft geleverd, dat hij die elektriciteit gebruikt op de in artikel
64, derde lid, van de wet bedoelde wijze.
4.De vrijstelling, bedoeld in artikel 64, vierde lid, van de wet,
wordt verleend indien degene die het aardgas gebruikt een verklaring
heeft overgelegd aan degene die dat aardgas aan hem heeft geleverd,
dat hij dat aardgas gebruikt op de in artikel 64, vierde lid, van de
wet bedoelde wijze.
5.Degene die aardgas of elektriciteit gebruikt op een wijze
waarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 64, eerste, derde of
vierde lid, van de wet wordt verleend dient:
a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op
overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor
de desbetreffende vrijstelling van belang zijnde
bedrijfshandelingen;
b. ter vaststelling van de hoeveelheid product waarop de
vrijstelling ziet, deze hoeveelheid te meten met behulp van meters
indien het desbetreffende product mede betrokken wordt voor andere
doeleinden.
6.Wijzigingen in de situatie die van invloed zijn op de toepassing
van een vrijstelling als bedoeld in artikel 64, eerste, derde of
vierde lid, van de wet worden onmiddellijk gemeld aan degene die het
aardgas of de elektriciteit levert.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 24
1. Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van
de wet, wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de
verbruiksperiode.
2. Ter vaststelling van de hoeveelheid verbruikte warmte meet de
gebruiker van de onroerende zaak deze hoeveelheid met behulp van een
warmtehoeveelheidsmeter.
3. Bij het verzoek om de in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt
de afrekening overgelegd die door de exploitant van de installatie
voor blokverwarming of in diens opdracht is opgemaakt.
Artikel 25
1. Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van
de wet, kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin
recht op teruggaaf is ontstaan, en wordt uiterlijk gedaan binnen
dertien weken na afloop van de verbruiksperiode.
2. De in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend
indien de aankoopfacturen worden overgelegd en indien de administratie
van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden.
3. Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van
de wet, kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin
recht op teruggaaf is ontstaan, en wordt uiterlijk gedaan binnen
dertien weken na afloop van de verbruiksperiode.
Artikel 26
1. Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 69, eerste tot en
met derde lid, van de wet, wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken
na afloop van de verbruiksperiode.
2. De in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend
indien de eindfactuur wordt overgelegd.
Artikel 27
1.Het tijdvak waarover een teruggaaf van belasting als bedoeld in
artikel 70, eerste tot en met vierde lid, van de wet wordt verleend is
het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak
aanwijzen.
2.Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na het
einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak waarin het aardgas of
de elektriciteit is gebruikt op een in artikel 64, eerste, derde of
vierde lid, van de wet bedoelde wijze.
3.Teruggaaf wordt alleen verleend indien de aankoopfactuur en de
van belang zijnde gegevens en verklaringen over de bestemming van het
aardgas of de elektriciteit waarop de teruggaaf betrekking heeft,
worden overgelegd en indien de administratie van degene die om
teruggaaf verzoekt voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden.
4.Artikel 22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de
teruggaaf, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk VIa [Vervallen per 29-12-2010]
Artikel 27a [Vervallen per 29-12-2010]
Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 1. Sierteelt
Artikel 28
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. sierteeltproducten: snijbloemen beginnend met GN-code 0603 en
planten met GN-code 06029091 en 06029099, telkens inclusief het
daarbij behorende uitgangsmateriaal, en
b. verpakte sierteeltproducten: sierteeltproducten die verpakt
zijn in voor eenmalig gebruik bestemde verpakkingen.
Artikel 28a
De regels, genoemd in deze afdeling, gelden voor de producent van
sierteeltproducten die valt onder de werkingssfeer van het
Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw, niet zijnde een in Nederland
gevestigde detailhandelaar, en voor de producent van sierteeltproducten
die ter beschikking stelt in de hoedanigheid van veilingcoöperatie of
bloemenveiling.
Artikel 28b
Voor zover de producent, genoemd in artikel 28a, verpakte
sierteeltproducten voor het eerst aan een ander ter beschikking stelt in
Nederland of bij de eerste terbeschikkingstelling exporteert vanuit
Nederland, geeft hij alle hiermee verband houdende kilogrammen
verpakking op bij zijn aangifte en past vervolgens een
kortingspercentage toe in verband met kilogrammen verpakking van
producten die direct of indirect worden geëxporteerd. Het
kortingspercentage, genoemd in de eerste volzin, bedraagt 70%.
Artikel 28c
Voor zover de producent verpakte sierteeltproducten bij de eerste
terbeschikkingstelling exporteert vanuit Nederland, is hoofdstuk VIII,
met uitzondering van afdeling 5a, van de wet voor hem van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 28d
Op de producent, bedoeld in artikel 28a, is de exportvermindering,
bedoeld in hoofdstuk VIII, afdeling 5a van de wet, niet van toepassing.
Afdeling 2. Groenten en fruit
Artikel 28e
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. verse groenten en vers fruit: de producten, genoemd in artikel
1, lid 1, onderdeel i, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de
Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening
van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal
landbouwproducten («Integrale-GMO-verordening»), al dan niet
bewerkt en bananen met GN-code 0803 00 19, al dan niet bewerkt;
b. bewerkte verse groenten en bewerkt vers fruit: de producten,
bedoeld in onderdeel a, die zijn gesneden, gewassen, gemengd of
verpakt;
c. verpakte verse groenten of verpakt vers fruit: verse groenten
of vers fruit, verpakt in voor eenmalig gebruik bestemde
verpakkingen; en
d. producentenorganisatie: de producentenorganisatie in de sector
groenten en fruit die op grond van de artikelen 15, 19 en 23 van de
Landbouwwet in verbinding met artikel 2, onderdeel e, sub 1, van de
Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid door het
Productschap Tuinbouw als zodanig is erkend in Nederland.
Artikel 28f
De regels, genoemd in deze afdeling, gelden voor de producent van
verse groenten of vers fruit die valt onder de werkingssfeer van het
Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw, niet zijnde een in Nederland
gevestigde detailhandelaar, en voor de producent van verse groenten of
vers fruit die ter beschikking stelt in de hoedanigheid van
producentenorganisatie.
Artikel 28g
1. Voor zover de producent, bedoeld in artikel 28f, verpakte verse
groenten of verpakt vers fruit voor het eerst aan een ander ter
beschikking stelt in Nederland of bij de eerste terbeschikkingstelling
exporteert vanuit Nederland, geeft hij alle hiermee verband houdende
kilogrammen verpakking op bij zijn aangifte en past vervolgens een
kortingspercentage toe in verband met kilogrammen verpakking van
producten die direct of indirect worden geëxporteerd. Het
kortingspercentage, genoemd in de eerste volzin, bedraagt 73%.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het kortingspercentage
voor de producent, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze verpakte
verse uien ter beschikking stelt, 69%.
Artikel 28h
Voor zover de producent verpakte verse groenten of verpakt vers fruit
bij de eerste terbeschikkingstelling exporteert vanuit Nederland, is
hoofdstuk VIII, met uitzondering van afdeling 5a, van de wet voor hem
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28i
1. Ingeval een producent tevens de teler is van de verse groenten
of het vers fruit, en hij deze producten in een verpakking aan een,
bij ministeriële regeling aangewezen producentenorganisatie, ter
beschikking stelt, wordt de verpakkingenbelasting met betrekking tot
die terbeschikkingstelling geheven van deze producentenorganisatie.
2. Ingeval het eerste lid toepassing vindt, kan de
producentenorganisatie de belastingvermindering, bedoeld in artikel 87
van de wet, één maal toepassen.
Artikel 28j
Op de producent, bedoeld in artikel 28f, is de exportvermindering,
bedoeld in hoofdstuk VIII, afdeling 5a van de wet, niet van toepassing.
Hoofdstuk VIII [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Artikel 30
Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum waarop de
bepalingen van de Wet belastingen op milieugrondslag, waarin dit besluit
zijn grondslag vindt, in werking treden.
Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit belastingen op
milieugrondslag.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 23 december 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de negenentwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|