| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet bescherming
persoonsgegevens (Wbp)
VASTSTELLINGSBESLUIT
BESLUIT ZITTINGSDUUR EN VERGOEDING KOSTEN
LEDEN RAAD VAN ADVIES EN BESLUIT
RECHTSPOSITIE LEDEN COLLEGE BESCHERMING
PERSOONGEGEVENS
Tekst zoals deze geldt op
11 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 15 augustus 2001 tot vaststelling van
enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de
inwerkingtreding van de Wet bescherming persoonsgegevens
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 januari 2001, Directie
Wetgeving, nr. 5075615/01/6;
Gelet op de artikelen 53, vierde lid, en 55,
eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
De Raad van State gehoord (advies van 27 maart
2001, nr. W03.01.0050/I);
Gezien het nader rapport van de Minister van
Justitie van 6 augustus 2001, nr. 5113108/01/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Het Besluit zittingsduur en vergoeding kosten leden Raad van advies
komt te luiden:
Artikel 1.
De leden van de Raad van advies ontvangen een vacatiegeld alsmede een
vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens de bij het Ministerie van
Justitie gebruikelijke regels.
Artikel 2.
De leden van de Raad van advies worden door Onze Minister benoemd
voor een tijdvak van vier jaar. De leden kunnen terstond worden
herbenoemd.
Artikel II
Het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens
komt te luiden:
Artikel 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. andere leden: de andere leden, bedoeld in artikel 53, eerste
lid, van de wet;
b. wet: de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 2.
1. Aan de voorzitter, de andere leden en de
buitengewone leden wordt afschrift verstrekt van het koninklijk besluit
waarbij zij tot voorzitter, lid onderscheidenlijk buitengewoon lid van
het College bescherming persoonsgegevens zijn benoemd of herbenoemd.
2. Aan de voorzitter en de andere leden
wordt bovendien schriftelijk mededeling gedaan van de standplaats, de
bezoldiging, alsmede van de omvang van de werktijd uitgedrukt in uren
per week, waarbij een benoeming voor de in artikel 21, tweede lid, van
het Algemeen Rijksambtenarenreglement genoemde arbeidsduur geldt als
volledige werktijd.
Artikel 3.
1. Indien Onze Minister voornemens is de
voorzitter, een ander lid of een buitengewoon lid na het verstrijken van
diens benoemingstermijn, bedoeld in artikel 53, derde lid, van de wet,
niet voor herbenoeming voor te dragen, doet Onze Minister daarvan aan
betrokkene uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van die termijn
schriftelijk mededeling.
2. Indien de voorzitter, een ander lid of
een buitengewoon lid na het verstrijken van zijn benoemingstermijn niet
voor herbenoeming in aanmerking wenst te komen, geeft hij hiervan
uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van zijn benoemingstermijn
kennis aan Onze Minister.
3. Aan de voorzitter, een ander lid of een
buitengewoon lid wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht
eervol ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is
verstreken.
Artikel 4.
1. Het salaris van de voorzitter wordt, bij
benoeming voor de volledige werktijd, vastgesteld op het maximum van
salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984.
2. Het salaris van de andere leden wordt,
bij benoeming voor de volledige werktijd, vastgesteld op het maximum van
salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984.
3. Bij benoeming voor een gedeeltelijke
werktijd wordt het salaris, bedoeld in het eerste en tweede lid, naar
evenredigheid vastgesteld.
Artikel 5.
1. Boven en behalve het salaris, bedoeld in
artikel 4, genieten de voorzitter en de andere leden een
vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een ziektekostenvergoeding
en een vergoeding van verplaatsingskosten met overeenkomstige toepassing
van de regels die gelden voor de ambtenaren in de sector Rijk.
2. Indien aan de ambtenaren in de sector
Rijk een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de voorzitter en
de andere leden deze op gelijke voet.
3. Voorts genieten de voorzitter en de
andere leden een gratificatie bij ambtsjubileum op de tijdstippen en tot
de bedragen als voor de ambtenaren in de sector Rijk gelden. Bij de
bepaling van de diensttijd wordt rekening gehouden met de tijd in
overheidsdienst doorgebracht, zulks met overeenkomstige toepassing van
de regels die gelden voor de ambtenaren in de sector Rijk.
Artikel 6.
Aan de buitengewone leden wordt een vergoeding toegekend met
overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de
rechters-plaatsvervangers.
Artikel 7.
1. De voorzitter of een ander lid kan
worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de
gemeente waarin het College bescherming persoonsgegevens is gevestigd,
indien dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband
met de goede vervulling van zijn functie.
2. Aan deze verplichting moet worden
voldaan binnen twee jaar nadat zij is opgelegd.
Artikel 8.
Ten aanzien van de voorzitter en de andere leden zijn de hoofdstukken
V (Vakantie en verlof) en VI (Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en
voorzieningen in verband met ziekte) van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement en de Suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector Rijk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.
De voorzitter die wegens ziekte of om andere redenen verhinderd is
zijn werkzaamheden te verrichten, geeft daarvan zo spoedig mogelijk
kennis aan Onze Minister. Indien een ander lid wegens ziekte of om
andere redenen verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft hij
daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de voorzitter.
Artikel 10.
Aan de voorzitter, een ander lid of buitengewoon lid wordt op diens
aanvraag op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit eervol
ontslag verleend.
Artikel 11.
1. Aan de voorzitter die of een ander lid
dat ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de Regeling
flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale
vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het
Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds Abp wordt ontslag
verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd
uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting
pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben
vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een
uitkering op grond van die regeling.
2. Het ontslag gaat niet eerder in dan met
ingang van de dag waarop het recht op de in het eerste lid genoemde
uitkering bestaat.
Artikel 12.
De voorzitter die of een ander lid dat, zonder een mededeling als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, te hebben gedaan, niet wordt
herbenoemd, heeft recht op wachtgeld overeenkomstig de bepalingen van
het Rijkswachtgeldbesluit 1959, behoudens wanneer hij een direct ingaand
recht heeft op een pensioen of op een uitkering, bedoeld in artikel 11.
Artikel 13.
1. De bezoldiging van de voorzitter of een
ander lid wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van zijn
overlijden.
2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden
van de voorzitter of een ander lid wordt een overlijdensuitkering
uitbetaald met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor
de ambtenaren in de sector Rijk in vaste dienst.
Artikel 14.
Degenen die tot het tijdstip waarop de Wet bescherming
persoonsgegevens in werking treedt, werkzaam waren als voorzitter of lid
van de Registratiekamer, worden geacht te zijn benoemd als voorzitter
onderscheidenlijk lid van het College bescherming persoonsgegevens voor
de op dat tijdstip nog resterende duur van de termijn waarvoor zij waren
benoemd als voorzitter onderscheidenlijk lid van de Registratiekamer.
Artikel III
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
bescherming persoonsgegevens in werking treedt.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij bijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 augustus 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de drieëntwintigste augustus 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|