| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (Wbbo)
BESLUIT
RECHTSPOSITIE LEDEN GERECHTSBESTUREN EN
RAAD VOOR DE RECHTSPRAAK
Tekst zoals deze geldt op
11 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 10 december 2001, houdende nadere regels
met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de gerechtsbesturen
en de leden van de Raad voor de rechtspraak (Besluit rechtspositie
leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 november 2001, Directie
Wetgeving, nr. 5134463/01/6;
Gelet op de artikelen 16, eerste en zesde lid,
25, derde lid, en 86, eerste, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet
op de rechterlijke organisatie, 3 van de Beroepswet en 4 van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 28
november 2001, nr. W03.01.0619/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 6 december 2001, nr. 5137764/01/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van
voorzitter onderscheidenlijk lid, anders dan voorzitter, van de Raad
voor de rechtspraak is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in
artikel 7, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren in categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 zijn
ingedeeld.
2. Het bruto maandsalaris behorende bij de functies van
voorzitter van het bestuur van een gerechtshof, voorzitter van het
bestuur van de Centrale Raad van Beroep en voorzitter van het bestuur
van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat
behorende bij de ambten die in artikel 7, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 3 zijn ingedeeld,
vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
3. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter
van het bestuur van de rechtbank te Amsterdam, 's-Gravenhage of
Rotterdam onderscheidenlijk voorzitter van het bestuur van een andere
rechtbank is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7,
eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in
categorie 3 onderscheidenlijk categorie 4 zijn ingedeeld, vermeerderd
met een bedrag van € 181,51.
4. Het bruto maandsalaris behorende bij de functies van
sectorvoorzitter van een gerechtshof, lid van het bestuur, anders dan
voorzitter of niet-rechterlijk lid, van de Centrale Raad van Beroep, en
lid van het bestuur, anders dan voorzitter of niet-rechterlijk lid, van
het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan het maximum
bruto maandsalaris behorende bij het ambt dat in artikel 7, eerste lid,
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 5 is
ingedeeld.
5. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van
sectorvoorzitter van een rechtbank is gelijk aan het maximum bruto
maandsalaris behorende bij de ambten die in artikel 7, eerste lid, van
de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 7 zijn
ingedeeld.
6. Voor de directeuren bedrijfsvoering bij de gerechtshoven te
Amsterdam en 's-Gravenhage, de directeuren bedrijfsvoering bij de
rechtbanken te Amsterdam, Arnhem, Breda, 's-Gravenhage, Groningen,
Haarlem, 's-Hertogenbosch, Leeuwarden, Maastricht, Rotterdam, Utrecht,
Zutphen en Zwolle, en de directeur bedrijfsvoering bij de Centrale Raad
van Beroep geldt salarisschaal 16 van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
7. Voor de directeuren bedrijfsvoering bij de andere
gerechtshoven, de andere rechtbanken en het College van Beroep voor het
bedrijfsleven geldt salarisschaal 15 van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
8. Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die
onderscheidenlijk het lid met rechtspraak belast dat is aangesteld voor
het vervullen van een gedeeltelijke taak, bedraagt het salaris behorende
bij een in het eerste tot en met vijfde lid genoemde functie, een met
zijn taak overeenkomend deel van het voor die functie ingevolge het
eerste tot en met vijfde lid geldende salaris.
9. Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 is,
met uitzondering van de artikelen 1, tweede en derde lid, 5, tweede,
derde en vijfde lid, onderdeel b, 5a, 7, zevende lid, 8, vierde lid, en
24, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de
niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en de
directeuren bedrijfsvoering bij de gerechten.
Artikel 2
Voor de toepasselijkheid van het bij en krachtens de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde, uitgezonderd de
artikelen 7, 8, 13 tot en met 15 en 17, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, 38a en 38da van het Besluit
rechtspositie rechterlijke ambtenaren en 7 en 8 van het Sociaal
beleidskader reorganisaties zittende magistratuur, wordt ten aanzien van
de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd
als lid van een gerechtsbestuur of van de Raad voor de rechtspraak,
onder «salaris» en «bezoldiging» mede verstaan de toelage die in
verband met het verrichten van de werkzaamheden als lid van het
gerechtsbestuur of van de Raad voor de rechtspraak wordt genoten, met
dien verstande dat:
a. in artikel 38e, derde lid, van het Besluit rechtspositie
rechterlijke ambtenaren in plaats van «krachtens artikel 8 van de
wet» wordt gelezen: krachtens artikel 8 van de wet en artikel 1,
achtste lid, van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en
Raad voor de rechtspraak; en
b. in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke
uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren in plaats
van «op grond van artikel 38a of de artikelen 38d en 38e» wordt
gelezen: op grond van de artikelen 38d en 38e.
Artikel 3
1. Voor de toepasselijkheid van hoofdstuk 3 van het Besluit
rechtspositie rechterlijke ambtenaren en de artikelen 27 en 33, eerste
lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren respectievelijk
artikel 38g, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke
ambtenaren wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met
rechtspraak belast die tevens is benoemd als lid van een
gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak,
onder «rechterlijk ambtenaar» respectievelijk «betrokkene»
verstaan: rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een gerechtsbestuur
onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak.
2. Voor de toepasselijkheid van hoofdstuk 3 van het Besluit
rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt ten aanzien van de gewezen
rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die op de dag voorafgaand
aan zijn ontslag als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast tevens
als lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor
de rechtspraak was benoemd, onder «gewezen rechterlijk ambtenaar»
verstaan: gewezen rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een
gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 4
1. Ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de Raad voor
de rechtspraak worden de bevoegdheden in de op de Ambtenarenwet
berustende bepalingen, met uitzondering van de aan Ons, Onze
Minister-President, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën toegekende
bevoegdheden, alsmede met uitzondering van de bevoegdheden tot
aanstelling, disciplinaire bestraffing, schorsing en ontslag,
uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
2. Ten aanzien van de directeuren bedrijfsvoering bij de
gerechten worden de bevoegdheden in de op de Ambtenarenwet berustende
bepalingen, met uitzondering van de aan Ons, Onze Minister-President,
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze
Minister van Financiën toegekende bevoegdheden, alsmede met
uitzondering van de bevoegdheden tot aanstelling, disciplinaire
bestraffing, schorsing en ontslag, uitgeoefend door het bestuur van het
gerecht, uitgezonderd de directeur bedrijfsvoering, met dien verstande
dat de bevoegdheid in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement wordt uitgeoefend met inachtneming van het
derde lid.
3. Het bestuur van een gerecht, uitgezonderd de directeur
bedrijfsvoering, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om
advies uit te brengen inzake een ten aanzien van de directeur
bedrijfsvoering voorgenomen besluit tot schadeloosstelling,
kostenvergoeding of verlening van een geldelijke tegemoetkoming als
bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, in het geval de schadeloosstelling,
kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan €
5000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft
uitgebracht, zendt het bestuur van het gerecht, uitgezonderd de
directeur bedrijfsvoering, een afschrift van het vervolgens genomen
besluit aan de Raad voor de rechtspraak.
4. In afwijking van het tweede lid worden de in de op de
Ambtenarenwet berustende bepalingen aan Onze Minister toegekende
bevoegdheden tot het stellen van regels, de daarin aan Onze Minister
toegekende bevoegdheden tot het verlenen van mandaat van een bevoegdheid
tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter, de daarin
aan Onze Minister toegekende bevoegdheden tot het doen van een
voordracht voor een regeling, alsmede de in de artikelen 113 tot en met
117 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement aan Onze Minister
toegekende bevoegdheden, ten aanzien van de directeuren bedrijfsvoering
uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
5. Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden in de ingevolge artikel
1, negende lid, overeenkomstig toepasselijke bepalingen van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
6. Artikel 98, eerste lid, onderdeel g, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement is niet van toepassing op de
niet-rechterlijkeleden van de Raad voor de rechtspraak en de directeuren
bedrijfsvoering bij de gerechten.
Artikel 5
Ten aanzien van de rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak
worden de in het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan de
functionele autoriteit toegekende bevoegdheden, met uitzondering van die
in de artikelen 9c, tweede lid, 38, vierde lid, en 38d van dat besluit,
uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 6
De directeur bedrijfsvoering die of het niet-rechterlijk lid van de
Raad voor de rechtspraak dat niet op basis van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement in vaste dienst is aangesteld en ten gevolge
van een ontslag, anders dan op grond van artikel 81, eerste lid, onder l,
94a, eerste lid, of 97,
eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk
ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, wordt
aangemerkt als betrokkene in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Rijk.
Artikel 7
1. Het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk de Raad voor
de rechtspraak besteedt een keer per jaar aandacht aan het
functioneren van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de
rechtspraak alsmede aan het functioneren van de afzonderlijke leden
daarvan.
2. De artikelen 71 en 71a van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement zijn niet van toepassing op de directeuren
bedrijfsvoering bij de gerechten en de niet-rechterlijke leden van de
Raad voor de rechtspraak.
Artikel 8
1. Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast
onderscheidenlijk de gerechtsambtenaar die belast is met de vervanging
van de voorzitter van het gerechtsbestuur of een ander rechterlijk lid
van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk van een directeur
bedrijfsvoering, wordt, wanneer de vervanging ten minste dertig dagen
heeft geduurd, voor de duur van de vervanging een toelage toegekend.
2. Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, bedoeld
in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil
tussen het salaris dat hij geniet en het salaris dat hij, met inbegrip
van de toelage, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie, zou genieten indien hij met ingang van de dag
waarop de vervanging is ingegaan tevens als voorzitter of ander
rechterlijk lid van het gerechtsbestuur zou zijn benoemd. Voor de
gerechtsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de
toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij geniet en het
salaris dat hij zou genieten indien hij met ingang van de dag waarop de
vervanging is ingegaan als directeur bedrijfsvoering zou zijn benoemd.
Artikel 9
1. Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of
het lid met rechtspraak belast dat tevens is benoemd als lid van de
Raad voor de rechtspraak, voorzitter van het bestuur van een gerecht,
sectorvoorzitter bij een gerechtshof, lid van het bestuur, anders dan
voorzitter of niet-rechterlijk lid, van de Centrale Raad van Beroep of
het College van Beroep voor het bedrijfsleven, onderscheidenlijk
sectorvoorzitter bij een rechtbank wordt, in plaats van de
onkostenvergoeding overeenkomstig artikel 1 van het Besluit
onkostenvergoeding rechterlijke ambtenaren, een onkostenvergoeding
toegekend van € 4023,79,
€ 2319,67,
€ 1545,67,
€ 1545,67
onderscheidenlijk € 1418,54
per jaar.
2. Aan de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak
wordt een representatiekostenvergoeding toegekend van € 3946,20 per
jaar. Het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel is op
deze leden niet van toepassing.
Artikel 9a
In afwijking van artikel 9 hebben de in dat artikel bedoelde personen
in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte,
geen aanspraak op een onkostenvergoeding en een representatievergoeding
na ommekomst van het kalenderjaar waarin de ongeschiktheid is
aangevangen en het kalenderjaar daaropvolgend.
Artikel 9b
Bij regeling van Onze Minister kunnen de in dit besluit genoemde
vergoedingen worden aangepast door middel van toepassing van het
geldende prijsindexcijfer, waarbij de bedragen worden afgerond naar de
eerstvolgende euro.
Artikel 9c
1. Te rekenen vanaf de datum waarop de benoeming van de
directeur bedrijfsvoering, die op basis van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement in vaste dienst is aangesteld, op grond van
het verstrijken van de benoemingsduur van zes jaar en het achterwege
blijven van een herbenoeming, is geëindigd, worden door het bestuur
van het gerecht waarbij hij benoemd was als directeur bedrijfsvoering,
gedurende een periode van achttien maanden inspanningen verricht om te
komen tot plaatsing van hem in een andere passende functie.
2. De directeur bedrijfsvoering, bedoeld in het eerste lid,
blijft gedurende de periode dat hij nog niet is geplaatst in een andere
passende functie in het genot van het bij zijn benoeming als directeur
bedrijfsvoering behorende salaris.
3. Onverminderd het eerste lid is de directeur bedrijfsvoering,
bedoeld in het eerste lid, verplicht al het mogelijke te doen om een
passende functie te vinden. Hij is bovendien verplicht een hem
aangeboden passende functie te aanvaarden. Indien nog geen passende
functie is gevonden, kunnen aan hem door het bestuur van het gerecht,
bedoeld in het eerste lid, tijdelijk andere werkzaamheden worden
opgedragen. Hij is verplicht deze werkzaamheden te verrichten.
4. Aan de directeur bedrijfsvoering, bedoeld in het eerste lid,
kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslag
worden verleend indien hij heeft geweigerd te voldoen aan een in het
derde lid bedoelde verplichting. Ontslag als bedoeld in de eerste volzin
wordt verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie
maanden. Artikel 16, vijfde lid, tweede volzin, van de Wet op de
rechterlijke organisatie is van toepassing.
5. Het bestuur van het gerecht, bedoeld in het eerste lid, kan de
directeur bedrijfsvoering, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding
toekennen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen, indien aan hem
binnen de in het eerste lid bedoelde periode van achttien maanden op
zijn verzoek ontslag wordt verleend.
6. Aan de directeur bedrijfsvoering, bedoeld in het eerste lid,
wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslag
verleend, indien hij niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn
van achttien maanden is geplaatst in een nieuwe functie. Artikel 16,
vijfde lid, tweede volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie is
van toepassing.
7. In geval van ontslag als bedoeld in het zesde lid wordt aan de
directeur bedrijfsvoering een uitkering ten laste van het bestuur van
het gerecht, bedoeld in het eerste lid, toegekend. Deze uitkering
bedraagt 110% van het voor hem geldende totaal van uitkeringen berekend
op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke
uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg
van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in
artikel 24 van de Werkloosheidswet. Op deze uitkering zijn de
Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing. Indien
de directeur bedrijfsvoering tevens recht heeft op een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen
bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in de eerste volzin
bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
8. Onder passende functie wordt in dit artikel verstaan: een
functie ten aanzien waarvan de directeur bedrijfsvoering beschikt over
de voor het naar behoren vervullen hiervan noodzakelijk geachte kennis
en kunde dan wel waarvoor hij binnen redelijke termijn om-, her- of
bijgeschoold kan worden, en die hem in verband met zijn persoonlijkheid,
zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten
redelijkerwijs kan worden opgedragen.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden
gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 december 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de twintigste december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|