BESLUIT van 9 juni 1972, houdende regeling van de
vergoeding voor staatsraden in buitengewone dienst
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 1972,
nr. AB72/U241, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie
Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden,
Afdeling Beleidsvoorbereiding en Regelingen/I;
Gelet op artikel 3 van de Wet van 11 september
1964 (Stb. 1964 387), houdende vaststelling van een nieuwe
regeling van de bezoldiging van de vice-president en de leden van de
Raad van State, alsmede van de voorzitter en de leden van de Algemene
Rekenkamer;
De Raad van State gehoord (advies van 3 mei
1972, nr. 3);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 1 juni 1972, nr. AB72/1296, Directoraat-Generaal
Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken,
Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden, Afdeling
Beleidsvoorbereiding en Regelingen/I;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
De vergoeding voor de staatsraden in buitengewone dienst bedraagt €
414 voor elke vergadering van de Raad van State of van een van zijn
afdelingen, die zij als zodanig bijwonen, met dien verstande, dat
vergaderingen, op dezelfde dag gehouden, als één vergadering worden
beschouwd.
Artikel 2
Bij toepassing van artikel 1 ten aanzien van staatsraden in
buitengewone dienst, die een hoofdfunctie vervullen, waaraan een
bezoldiging uit een openbare kas of uit een van overheidswege
gesubsidieerde kas is verbonden, welke lager is dan het bedrag, dat
wordt gevonden door de bezoldiging, welke een lid van de Raad van State
ingevolge de artikelen 1, eerste lid en 2, eerste lid van de Wet van 11
september 1964 (Stb. 1964, 387), per maand kan genieten, met tien
procent te verhogen, bedraagt de vergoeding per maand niet meer dan het
verschil tussen evenbedoeld bedrag en de bezoldiging in de hoofdfunctie.
Artikel 3
In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
indien toepassing van de artikelen 1 en 2 niet leidt tot een redelijke
uitkomst, na overleg met Onze Minister van Financiën, een hogere
vergoeding vaststellen.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die
waarop het in het Staatsblad is geplaatst en werkt terug tot 1
mei 1971.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is
belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 9 juni 1972
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
W.J. Geertsema
Uitgegeven de zesde juli 1972
De Minister van Justitie,
Van Agt