St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer

 

BESLUIT  VERGOEDING  STAATSRADEN  IN  BUITENGEWONE  DIENST

Tekst zoals deze geldt op 11 mei 2008

Vervallen m.i.v. 13 februari 2009

 

  
 

 

 
BESLUIT van 9 juni 1972, houdende regeling van de vergoeding voor staatsraden in buitengewone dienst

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 1972, nr. AB72/U241, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden, Afdeling Beleidsvoorbereiding en Regelingen/I;
     Gelet op artikel 3 van de Wet van 11 september 1964 (Stb. 1964 387), houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president en de leden van de Raad van State, alsmede van de voorzitter en de leden van de Algemene Rekenkamer;
     De Raad van State gehoord (advies van 3 mei 1972, nr. 3);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 1 juni 1972, nr. AB72/1296, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden, Afdeling Beleidsvoorbereiding en Regelingen/I;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

De vergoeding voor de staatsraden in buitengewone dienst bedraagt € 414 voor elke vergadering van de Raad van State of van een van zijn afdelingen, die zij als zodanig bijwonen, met dien verstande, dat vergaderingen, op dezelfde dag gehouden, als één vergadering worden beschouwd.

Artikel 2

Bij toepassing van artikel 1 ten aanzien van staatsraden in buitengewone dienst, die een hoofdfunctie vervullen, waaraan een bezoldiging uit een openbare kas of uit een van overheidswege gesubsidieerde kas is verbonden, welke lager is dan het bedrag, dat wordt gevonden door de bezoldiging, welke een lid van de Raad van State ingevolge de artikelen 1, eerste lid en 2, eerste lid van de Wet van 11 september 1964 (Stb. 1964, 387), per maand kan genieten, met tien procent te verhogen, bedraagt de vergoeding per maand niet meer dan het verschil tussen evenbedoeld bedrag en de bezoldiging in de hoofdfunctie.

Artikel 3

In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, indien toepassing van de artikelen 1 en 2 niet leidt tot een redelijke uitkomst, na overleg met Onze Minister van Financiën, een hogere vergoeding vaststellen.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die waarop het in het Staatsblad is geplaatst en werkt terug tot 1 mei 1971.

 

 

     Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

 

Soestdijk, 9 juni 1972

 

JULIANA

 

De Minister van Binnenlandse Zaken,
W.J. Geertsema

 

Uitgegeven de zesde juli 1972
De Minister van Justitie,
Van Agt

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x