| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
AANWIJZINGSBESLUIT
WET KENBAARHEID PUBLIEKRECHTELIJKE BEPERKINGEN
ONROERENDE ZAKEN
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 19 maart 2007, houdende aanwijzing van
categorieën van beperkingenbesluiten waarop de Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken van toepassing is (Aanwijzingsbesluit
Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 8 december 2005, nr. DJZ2005203925, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wet
kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, artikel 28
van de Wet voorkeursrecht gemeenten en artikel 39b van de Wet
bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 1
februari 2006, nr. W08.05.0574/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 maart 2007,
nr. DJZ2007015942, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Artikel 2
1. Aangewezen overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet
worden de categorieën van beperkingenbesluiten, genoemd in de bijlage
bij dit besluit.
2. Van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, is uitgezonderd
een tot de betreffende categorie behorend beperkingenbesluit waaruit
een gedoogplicht voortvloeit die minder dan zes maanden van kracht is.
Artikel 3
[Wijzigt het Besluit voorkeursrecht gemeenten]
Artikel 4
[Wijzigt het Besluit uniforme saneringen]
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken van de bijlage
bij dit besluit of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 19 maart 2007
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de negenentwintigste maart 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage behorende bij artikel
2, eerste lid, van het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (aangewezen categorieën
van beperkingenbesluiten)
Hoofdstuk I. Categorieën van beperkingenbesluiten krachtens wetten
op het gebied van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties
Gemeentewet
– (artikel 149) besluit krachtens gemeentelijke verordening tot
aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument, voor zover
geen beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder
6°, van de wet is dan wel moet worden genomen;
– (artikel 174a) besluit van de burgemeester tot het sluiten van
een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij
die woning of dat lokaal behorend erf;
– (artikel 222, zoals dit artikel tot 1 januari 1995 heeft
geluid) gemeentelijk bekostigingsbesluit strekkend tot het heffen van
een gemeentelijke bouwgrondbelasting krachtens verordening;
– (artikel 222, zoals dit artikel tot 1 januari 1995 heeft
geluid, juncto artikel 216) vaststelling verordening tot het heffen
van een gemeentelijke bouwgrondbelasting;
– (artikel 222, zoals dit artikel vanaf 1 januari 1995 luidt)
gemeentelijk bekostigingsbesluit strekkend tot het heffen van een
gemeentelijke baatbelasting krachtens verordening;
– (artikel 222, zoals dit artikel vanaf 1 januari 1995 luidt,
juncto artikel 216) vaststelling verordening tot het heffen van een
gemeentelijke baatbelasting.
Provinciewet
– (artikel 145) besluit krachtens provinciale verordening tot
aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument, voor zover
geen beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder
6°, van de wet is dan wel moet worden genomen.
Hoofdstuk II. Categorieën van beperkingenbesluiten krachtens wetten
op het gebied van defensie
Belemmeringenwet Landsverdediging
– (artikelen 6 en 7) een door of namens de Minister van Defensie of
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgelegde
gedoogplicht voor een ieder inzake het duurzaam of tijdelijk gebruik van
onroerende zaken voor de aanleg, de instandhouding of het gebruik van
een werk ten behoeve van de landsverdediging, met inbegrip van, voor
zover van toepassing, het in artikel 7 van de Belemmeringenwet
Landsverdediging bedoelde mandaatbesluit.
Hoofdstuk III. Categorieën van beperkingenbesluiten krachtens wetten
op het gebied van landbouw, natuur en voedselkwaliteit
Boswet
– (artikel 13) bij besluit van de Ministers van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit opgelegd
kapverbod in een daarbij aangewezen gebied.
Flora- en faunawet
– (artikel 19) aanwijzing van een plaats als beschermde
leefomgeving door gedeputeerde staten;
– (artikel 24) voorlopige aanwijzing van een plaats als
beschermde leefomgeving door gedeputeerde staten.
Natuurbeschermingswet 1998
– (artikel 10, eerste lid) aanwijzing door de Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van een natuurmonument als
beschermd natuurmonument;
– (artikel 10a, eerste lid) aanwijzing door de Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van een gebied ter uitvoering van
richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn (EEG) nr. 92/43;
– (artikel 12) voorlopige aanwijzing van een natuurmonument als
beschermd natuurmonument, respectievelijk voorlopige aanwijzing van
een gebied ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn
(EEG) nr. 92/43, door de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
– (artikel 27) aanwijzing door de Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit van een gebied ter uitvoering van verdragen of
andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en
landschapsbehoud met uitzondering van de richtlijn (EEG) nr. 79/409 en
de richtlijn (EEG) nr. 92/43, voor zover die verdragen of
verplichtingen zulks met zich brengen.
Wet agrarisch grondverkeer
– (artikel 7) aanwijzing als landgoed door de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in overeenstemming met de Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
– (artikel 37, derde lid) vestiging van een voorkeursrecht bij
koninklijk besluit.
Hoofdstuk IV. Categorieën van beperkingenbesluiten krachtens wetten
op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschap
Monumentenwet 1988
– (artikel 3, eerste lid) aanwijzing door de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van een niet binnen het grondgebied
van enige gemeente gelegen onroerend monument als beschermd monument;
– (artikel 42) door de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap opgelegde gedoogplicht inhoudend dat een rechthebbende ten
aanzien van een terrein moet dulden dat een overheid of instelling in
het belang van archeologisch onderzoek dat terrein betreedt, daarop
metingen verricht dan wel daarin opgravingen doet;
– (artikel 49, eerste lid) voorschriften van de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met betrekking tot de uitvoering van
werken dan wel een last tot stillegging van die werken.
Hoofdstuk V. Categorieën van beperkingenbesluiten krachtens wetten
op het gebied van verkeer en waterstaat
Belemmeringenwet Privaatrecht
– (artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid) door de Minister
van Verkeer en Waterstaat opgelegde gedoogplichten;
– (artikel 5) bevel van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot
verplaatsing van een werk.
Ontgrondingenwet
– (artikel 21g) door de Minister van Verkeer en Waterstaat of
gedeputeerde staten opgelegde gedoogplicht.
Waterwet
– (artikel 5.15 juncto artikel 30 van de Wet bodembescherming)
maatregel (bevel) van de beheerder bij een ongewoon voorval;
– (artikel 5.16) bevel van de beheerder tot het verrichten van
onderzoek en tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen;
– (artikelen 5.21 en 5.24) door de beheerder opgelegde
gedoogplichten.
Hoofdstuk VI. Categorieën van beperkingenbesluiten krachtens wetten
op het gebied van volksgezondheid, welzijn en sport
Opiumwet
– (artikel 13b, eerste lid) besluit van de burgemeester tot
oplegging van een last onder bestuursdwang, indien dat besluit strekt
tot sluiting van het betreffende object.
Hoofdstuk VII. Categorieën van beperkingenbesluiten krachtens wetten
op het gebied van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
Huisvestingswet
– (artikelen 2, 33 en 34) vaststelling huisvestingsverordening
(aanwijzing categorie gebouwen waarvoor het in artikel 33 bedoelde
vergunningenstelsel inzake splitsing in appartementsrechten geldt);
– (artikel 40) besluit (last) van het college van burgemeester en
wethouders tot vordering van het gebruik als woonruimte van een
gebouw.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
– (artikel 5.2 juncto het bepaalde bij of krachtens de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.18) besluit tot
oplegging van een last onder bestuursdwang, respectievelijk besluit
tot oplegging van een last onder dwangsom van het bevoegd gezag,
gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht, voor zover bij dat besluit met toepassing
van artikel 5.18, eerste volzin, van die wet is bepaald dat het
besluit mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene aan wie het
besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger;
– (artikel 5.24 juncto het bepaalde bij of krachtens de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht) vorderingsbesluit van de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot
oplegging van een last onder bestuursdwang, respectievelijk last onder
dwangsom door het bevoegd gezag gericht op naleving van het bepaalde
bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Wet bodembescherming
– (artikel 29, eerste lid, juncto artikel 37, eerste lid)
beschikking van gedeputeerde staten dat sprake is van een geval van
ernstige verontreiniging, al dan niet met zodanige risico’s dat
spoedige sanering noodzakelijk is;
– (artikel 30 juncto artikel 31) maatregel (bevel) van
gedeputeerde staten (artikel 30) (eventueel vooruitlopend daarop: van
de commissaris van de Koning (artikel 31)) bij een ongewoon voorval;
– (artikel 39b juncto artikel 14 van het Besluit uniforme
saneringen) beschikking van gedeputeerde staten houdende instemming
met het verslag van een uniforme sanering als bedoeld in artikel 39b,
indien sprake is geweest van de saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onder c, van het Besluit uniforme saneringen, of van een
combinatie van de saneringsaanpakken, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onder b en c, van het Besluit uniforme saneringen;
– (artikel 39d, derde lid) beschikking van gedeputeerde staten,
houdende instemming met het nazorgplan;
– (artikel 43) bevel van gedeputeerde staten tot tijdelijke
beveiligingsmaatregelen, tot het verrichten van onderzoek, tot het
beheren of saneren van de bodem en overige daar genoemde
beschikkingen;
– (artikel 49) maatregel (bevel) van gedeputeerde staten;
– (artikel 50) vordering van eigendom of gebruik van onroerende
zaken, of van beperkte rechten waaraan onroerende zaken zijn
onderworpen, dan wel het gebruik daarvan, door de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
– (artikel 88) uitoefening bevoegdheden als bedoeld in de
artikelen 29, 30, 31, 37, 39b, 39d, 43 en 49, door de gemeenten
Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht of een andere
gemeente die is aangewezen op grond van artikel 88, achtste lid, dan
wel door een plusregio als bedoeld in artikel 88, tweede lid.
Wet inzake de luchtverontreiniging
– (artikel 60) door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer opgelegde gedoogplicht voor zover deze betreft
het gebruik maken van onroerende zaken ten behoeve van het bepalen van
luchtverontreiniging.
Wet ruimtelijke ordening
– (artikel 6.12 juncto artikel 6.25) door het bevoegd gezag,
bedoeld in artikel 6.12 dan wel 6.25, vastgesteld exploitatieplan,
voor zover op grond daarvan de verplichting bestaat aan een
omgevingsvergunning een voorschrift tot betaling van een
exploitatiebijdrage te verbinden.
Wet voorkeursrecht gemeenten
– (artikel 2, in samenhang met artikel 3, 4 of 5) aanwijzing van
gronden bij besluit van de gemeenteraad;
– (artikel 6) voorlopige aanwijzing van gronden bij besluit van
burgemeester en wethouders.
Woningwet
– (artikel 13) door het bevoegd gezag opgelegde plicht tot het
treffen van voorzieningen tot op ten hoogste nieuwbouwniveau met
betrekking tot een bestaand gebouw of ander bouwwerk, niet zijnde een
gebouw;
– (artikel 13a) door het bevoegd gezag opgelegde plicht tot het
treffen van voorzieningen om een bouwwerk in overeenstemming te
brengen met redelijke eisen van welstand;
– (artikel 14) door het bevoegd gezag opgelegde plicht om een in
dat artikel genoemd object aan een ander in gebruik of beheer te
geven;
– (artikelen 14, 15, 15a, 16, 17, 17a, 17b, 18 en 20, zoals deze
artikelen tot 1 april 2007 luiden) aanschrijving door het college van
burgemeester en wethouders;
– (artikel 17) besluit van het bevoegd gezag tot het sluiten van
een gebouw, open erf of terrein;
– (artikel 92 juncto de hoofdstukken I tot en met III van de
Woningwet en artikel 5.18 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht) besluit tot oplegging van een last onder
bestuursdwang, respectievelijk besluit tot oplegging van een last
onder dwangsom van het bevoegd gezag, gericht op naleving van het
bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I, II of III van de
Woningwet, voor zover bij dat besluit met toepassing van artikel 5.18,
eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
bepaald dat het besluit mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene
aan wie het besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere
rechtsopvolger;
– (artikel 92 juncto de hoofdstukken I tot en met III van de
Woningwet en artikel 5.24 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht) vorderingsbesluit van de Minister voor Wonen, Wijken
en Integratie tot oplegging van een last onder bestuursdwang,
respectievelijk last onder dwangsom door het bevoegd gezag gericht op
naleving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I, II of
III van de Woningwet.
|
|
|