|
BESLUIT van 15 december 2005, houdende uitvoering van
financiële bepalingen van de Wet bodembescherming ter zake van sanering
van de bodem (Besluit financiële bepalingen bodemsanering)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 6 januari 2005, nr. MJZ2004133913,
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 39f, tweede lid,
55b, derde lid, 76a, tweede en derde lid, 76b, 76c,
eerste lid, 76d, 76e, 76g, tweede lid, 76j,
eerste en tweede lid, 76n, tweede lid, 86b, 87a,
derde lid, en 87b, tweede lid, van de Wet bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van
29 maart 2005, nr. W08.05.0006/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 14 december 2005, nr. DJZ 2005210938, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
– wet: Wet bodembescherming;
– budgethouder: gedeputeerde staten en daarmee op grond van
artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen;
– subsidiabele saneringskosten: de werkelijk gemaakte kosten
voor de uitvoering van de sanering, overeenkomstig het
saneringsplan, die voor subsidie in aanmerking komen;
– werkvoorraad landbodems: vastgestelde kosten van onderzoek en
sanering van verontreinigde landbodems;
– werkvoorraad landbodems landelijk gebied: vastgestelde kosten
van onderzoek en sanering van verontreinigde landbodems in het
landelijk gebied;
– apparaatskosten: kosten van personeel, informatievoorziening,
organisatie, financieel beheer en automatisering verbonden aan de
uitvoering van de taken van de wet;
– bedrijfsterrein: bedrijfsterrein als bedoeld in artikel 55a
van de wet.
Hoofdstuk 2. Verstrekken van budget aan overheden
Artikel 2
1.Het aan de budgethouder bekend te maken indicatieve budget wordt
gevormd door het totaal van de volgende onderdelen van het landelijk
op grond van artikel 76 en 76n van de wet uit te keren
bodemsaneringsbudget:
a. de op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit
bestaande toezeggingen aan de budgethouder;
b. het door Onze Minister te berekenen bedrag dat gelijk is aan
30% van de bijdrage die ten behoeve van bodemsanering op grond van
de wet is verleend aan de budgethouder voor de budgetperiode 2002
tot en met 2004;
c. een door Onze Minister voor de budgethouder gereserveerd
bedrag bestemd voor onderzoek en sanering van gasfabrieken;
d. het op grond van een ministeriële regeling te bepalen
budget ter tegemoetkoming in de kosten van het onderzoek van
onderzoeksgevallen en van het saneringsonderzoek en de sanering
van gevallen van ernstige verontreiniging van regionale
waterbodems zoals bedoeld in artikel 76n van de wet;
e. het op grond van een ministeriële regeling te bepalen
bedrag voor de budgethouders, gebaseerd op het relatieve aandeel
van de budgethouder in de werkvoorraad landbodems landelijk
gebied.
2.Voor de verlening van het budget bedoeld in artikel 76a, derde
lid, van de wet, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels
worden gesteld. De artikelen 4, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 5
en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1.Voor gemeenten, genoemd in het Besluit aanwijzing
bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, komen apparaatskosten
verbonden aan de uitvoering van de wet voor een vergoeding in
aanmerking op grond van artikel 76b van de wet. Deze vergoeding
bestaat uit een door Onze Minister te bepalen bedrag per
formatieplaats vermenigvuldigd met:
a. een door Onze Minister te bepalen aantal vaste
formatieplaatsen;
b. het relatieve aandeel van de gemeente in de werkvoorraad
landbodems vermenigvuldigd met het door Onze Minister te bepalen
aantal formatieplaatsen voor variabele taken.
2.Andere niet-projectgebonden kosten dan apparaatskosten als
bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking voor vergoeding op
grond van bij ministeriële regeling vast te stellen regels.
Artikel 4
1.De aanvraag tot verlening van het budget, bedoeld in artikel 76c
van de wet, wordt, vergezeld van het in dat artikel bedoelde programma
dat is vastgesteld door de budgethouder, voor 15 november voorafgaand
aan de budgetperiode ingediend bij Onze Minister.
2.In het programma worden aan de orde gesteld:
a. de doorloop van prestaties uit eerdere budgetperioden,
b. de terugloop van de werkvoorraad landbodems,
c. de regionale waterbodems,
d. andere bij ministeriële regeling te benoemen onderwerpen.
3.In het programma wordt aan de hand van bij ministeriële regeling
aan te geven toetsbare grootheden inzicht gegeven in de doelstellingen
die met het te verlenen budget zullen worden gerealiseerd in deze
periode, alsmede de werkzaamheden met betrekking tot waterbodems.
Tevens wordt aangegeven wat hierbij het aandeel is van onderzoek en
saneringen op initiatief van anderen dan de budgethouder.
4.In het programma wordt een financiële paragraaf opgenomen,
waarin inzicht wordt geboden in de mate waarin het indicatieve budget,
de eigen middelen van de budgethouder en de inzet van anderen dan de
budgethouder, bijdragen aan het realiseren van de in het programma
opgenomen doelstellingen en prestaties. Tevens beschrijft de
budgethouder de te nemen maatregelen om bijdragen van derden in de
financiering van het programma te bewerkstelligen.
5.Bij ministeriële regeling wordt het model van het programma
vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot
het bepaalde in dit artikel.
Artikel 5
Onze Minister verleent het budget voor zover het programma, bedoeld
in artikel 76c van de wet, voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 en
de in het programma weergegeven doelstellingen voldoende invulling geven
aan de onderwerpen genoemd in artikel 4, tweede lid.
Artikel 6
Afwijkingen van het programma, bedoeld in artikel 76c van de wet, en
de voortgang van de uitvoering daarvan worden door de budgethouder elk
jaar voor 1 mei in het kader van de toepassing van artikel 87b van de
wet gemeld.
Artikel 7
1.De aanvraag tot vaststelling van het budget, bedoeld in artikel
76g van de wet, wordt voor 15 juli van het jaar na afloop van de
budgetperiode bij Onze Minister ingediend.
2.Verantwoordingsinformatie over de besteding van het verleende
budget wordt verstrekt op de wijze bedoeld in artikel 27 van het
Besluit financiële verhouding 2001. In de bijlage bij de
jaarrekening, bedoeld in artikel 58a, van het Besluit begroting en
verantwoording provincies en gemeenten, wordt na afloop van de
budgetperiode een vergelijking opgenomen waarin de doelstellingen uit
het in artikel 76c van de wet genoemde programma en de aan het budget
verbonden verplichtingen worden vergeleken met de bereikte resultaten
en de verschillen worden toegelicht.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven
omtrent de aanvraag en de bij te voegen stukken.
Artikel 7a
1.Het bedrag, bedoeld in artikel 76o, eerste lid, onder a, van de
wet, bedraagt € 0,45.
2.Als maximum, bedoeld in artikel 76o, tweede lid, van de wet,
geldt een bedrag van € 226 890,11.
3.Het eerste en tweede lid werken terug tot en met 1 januari 2006.
Hoofdstuk 3. Verstrekken subsidies aan derden
§ 1. Algemeen
Artikel 8
Waar in dit hoofdstuk en volgende hoofdstukken wordt gesproken over
gedeputeerde staten wordt daaronder mede verstaan de daarmee op grond
van artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen.
§ 2. Subsidieverlening
Artikel 9
Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan de eigenaar of
indien op het bedrijfsterrein een recht van erfpacht rust de erfpachter
van een bedrijfsterrein voor het saneren van een geval van ernstige
verontreiniging van een bedrijfsterrein met inachtneming van de
navolgende artikelen.
Artikel 10
Indien een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 9 op
verschillende momenten wordt gesaneerd in afzonderlijke delen, die zich
onderscheiden doordat de verontreiniging daarbinnen door aanwijsbaar te
onderscheiden oorzaken is ontstaan, kan Onze Minister voor ieder deel
afzonderlijk subsidie verstrekken.
Artikel 11
1.Om voor subsidie in aanmerking te komen dient te worden voldaan
aan de volgende voorwaarden:
a. door Onze Minister is vastgesteld dat, en voor welk deel, de
verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein voor 1
januari 1975, is veroorzaakt;
b. de eigendom onderscheidenlijk de erfpacht voor 1 januari
1995 is verworven;
c. de aanmelding, bedoeld in artikel 12, plaatsvindt voor 1
januari 2008, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat door bijzondere
omstandigheden aanmelding voor die datum niet mogelijk was;
d. de sanering wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wet;
e. in de beschikking bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de
wet, is vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige
verontreiniging dat spoedig dient te worden gesaneerd, dan wel de
noodzaak tot sanering is ontstaan naar aanleiding van voorgenomen
activiteiten op het desbetreffende bedrijfsterrein, en
f. er op grond van artikel 75, eerste, derde en zesde lid van
de wet door de Staat geen kosten verhaald zullen worden op de
aanvrager van de subsidie.
2.Indien het bedrag van de subsidie hoger zal zijn dan het bedrag
van de kosten die verhaald zullen worden, geldt de voorwaarde in het
eerste lid, onder f, niet voor dat deel van de subsidie dat het
kostenverhaal te boven gaat.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten aanzien van het bepalen van de ouderdom van de
bodemverontreiniging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
4.De subsidie voor het saneren van een bedrijfsterrein kan, onder
de voorwaarden genoemd in het eerste lid, met uitzondering van het
eerste lid, onder b, worden verleend aan de opvolgend eigenaar
respectievelijk erfpachter van een bedrijfsterrein indien:
a. de gegevens bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid van
eerdere overdrachten, worden verstrekt, en
b. eigendom of erfpacht van een bedrijfsterrein wordt
overgedragen na een aanmelding, op grond van artikel 12.
Artikel 12
1.De aanvraag tot subsidieverlening, gedaan op of na 1 januari
2008, wordt voor dat tijdstip aangemeld bij Onze Minister waarbij de
volgende gegevens worden overgelegd:
a. naam en adresgegevens van de eigenaar respectievelijk de
erfpachter;
b. kadastrale gegevens van het desbetreffende perceel;
c. de resultaten van bodemonderzoek op tenminste het niveau van
een verkennend onderzoek als bedoeld in artikel 1, onder d, van
het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen, dan wel,
indien reeds nader onderzoek is verricht, de resultaten van dat
onderzoek met betrekking tot het geval van ernstige
verontreiniging dat zich op het betreffende perceel bevindt.
2.Aan de aanmelder wordt onverwijld een bericht van ontvangst
gezonden, waarin de datum van ontvangst van de aanmelding wordt
vermeld.
Artikel 13
1.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de wet, met
daarbij de resultaten van een nader onderzoek indien deze niet bij
de aanmelding, bedoeld in artikel 12zijn overgelegd, dan wel een
melding op grond van artikel 39b van de wet,
b. een gewaarmerkte kopie van de koopovereenkomst en een kopie
van de akte van eigendomsoverdracht van het bedrijfsterrein en,
indien van toepassing, een kopie van de akte tot vestiging van het
erfpachtrecht en van de akte tot overdracht van het erfpachtrecht,
en
c. bij wijziging van de gegevens die zijn verstrekt op grond
van artikel 12, eerste lid, onder a, een actualisering van deze
gegevens;
d. een begroting van de saneringskosten.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot gegevens die bij de aanvraag tot subsidieverlening
worden verstrekt.
3.De aanvrager ontvangt onverwijld een bericht van ontvangst van de
aanvraag tot subsidieverlening, waarin de datum van ontvangst van de
aanvraag wordt vermeld.
Artikel 14
1.Onze Minister neemt binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag tot subsidieverlening een beslissing op de aanvraag, waarbij
het percentage van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van de
artikelen 17 tot en met 19, onder vermelding van een maximumbedrag.
2.Onze Minister kan de termijn als bedoeld in eerste lid met ten
hoogste dertien weken verlengen.
3.Voorafgaand aan de verlenging wordt daarvan schriftelijk
mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 15
Onze Minister weigert de subsidie indien:
a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld
voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op
grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het
geval van verontreiniging;
b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de
bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt;
c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een
aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor
subsidie is aangevraagd.
Artikel 16
1.Aan de verleningsbeschikking worden de volgende verplichtingen
verbonden:
a. de sanering heeft niet tot gevolg dat de bodem geschikt
wordt gemaakt voor gevoeliger gebruik dan gebruik als
bedrijfsterrein en
b. het bedrijfsterrein wordt niet binnen vijf jaar nadat
gedeputeerde staten hebben ingestemd met het verslag, bedoeld in
artikel 39c van de wet, ten behoeve van gevoeliger gebruik dan
gebruik als bedrijfsterrein benut of vervreemd.
2.Indien zich binnen vijf jaar na subsidievaststelling een situatie
voordoet als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, meldt de
eigenaar of erfpachter die onverwijld aan Onze Minister.
Artikel 17
1.De hoogte van de subsidie is bij directe of indirecte
betrokkenheid, als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b van
de wet, van de eigenaar of de erfpachter bij de veroorzaking van de
verontreiniging dan wel in het geval van een duurzame rechtsbetrekking
tussen de eigenaar of de erfpachter enerzijds en de veroorzaker van de
verontreiniging anderzijds
a. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de
verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1
januari 1983 of
b. 15 % van de subsidiabele saneringskosten indien de
verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1
januari 1983 en voor 1 januari 1995.
2.De hoogte van de subsidie bedraagt bij het ontbreken van de in
het eerste lid bedoelde betrokkenheid of duurzame rechtsbetrekking:
a. 60 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de
verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1
januari 1983;
b. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de
verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1
januari 1983 en voor 1 januari 1987;
c. 15% van de subsidiabele saneringskosten, indien de
verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1
januari 1987 en voor 1 januari 1995.
3.In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, bedraagt de
subsidie 30% indien de eigenaar of de erfpachter blijkens de
verwervingsdocumenten op de hoogte was van de verontreiniging.
4.In afwijking van het tweede lid, onder b en c, wordt indien de
eigenaar of de erfpachter, blijkens de verwervingsdocumenten in
verband met de sanering van een bodemverontreiniging een bedrag in
mindering heeft gebracht op de koopprijs van het bedrijfsterrein, dat
bedrag in mindering gebracht op de subsidiabele saneringskosten.
5.De hoogte van de subsidie wordt berekend naar evenredigheid van
het door Onze Minister op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel
a, juncto artikel 11, derde lid, vastgestelde deel van de
verontreiniging dat is ontstaan voor 1 januari 1975.
6.In het geval van een subsidieverlening als bedoeld in artikel 11,
vierde lid, is de hoogte van het subsidiepercentage ingevolge dit
artikel, gelijk aan de hoogte van het subsidiepercentage dat aan de
eigenaar of erfpachter zou zijn verleend als geen overdracht zou
hebben plaatsgevonden.
Artikel 18
Onder verwerving als bedoeld in artikel 17 wordt niet verstaan:
a. de omzetting van de rechtsvorm van de onderneming als bedoeld
in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting door de eigenaar dan
wel de erfpachter van het bedrijfsterrein van de onderneming;
b. de overdracht van de onderneming binnen het familieverband van
de eigenaar tot de tweede graad in de rechte lijn;
c. de verwerving binnen een opvolging onder algemene titel.
Artikel 19
1.Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10
verhoogd, indien de eigenaar respectievelijk de erfpachter een
onderneming is en voldaan wordt aan de definitie van kleine en
middelgrote ondernemingen overeenkomstig de Aanbeveling van de
Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine,
middelgrote en micro-ondernemingen (PbEG L124), dan wel daarvoor in de
plaats tredende regelgeving.
2.Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10
verhoogd, indien de eigenaar of de erfpachter onderneming noch
overheid is.
3.Het maximumbedrag van de door Onze Minister te verlenen subsidie
wordt bepaald door de uitkomst van de subsidiabele saneringskosten van
de gekozen saneringsvariant tegen het van toepassing zijnde
subsidiepercentage te vermenigvuldigen met 1,15.
4.Indien met de gekozen saneringsvariant niet de beoogde effecten
worden bereikt, kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is
vastgesteld, op verzoek van de aanvrager in een herziene beslissing op
de aanvraag het maximumbedrag als bedoeld in het derde lid verhogen,
waarbij het derde lid in acht wordt genomen.
Artikel 20
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend en de
verplichtingen voor de subsidie-ontvanger.
§ 3. Subsidievaststelling
Artikel 21
1.De aanvraag tot subsidievaststelling wordt bij Onze Minister
ingediend gelijktijdig met de indiening van het verslag, bedoeld in
artikel 39c van de wet, of uiterlijk dertien weken daarna.
2.De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is
opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond
waarvan subsidie is verleend.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag bedoeld in het
eerste lid worden verstrekt.
4.Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van
getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing
van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit
besluit en de daarop berustende regelgeving.
Artikel 22
1.Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag tot subsidievaststelling op de aanvraag, in elk geval nadat
is beslist op het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet.
2.Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten
hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk
mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 23
1.Indien de uitvoering van de sanering van het bedrijfsterrein
overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de wet, in fasen geschiedt
of ingevolge artikel 39, eerste lid, onderdeel h, van de wet,
tijdstippen zijn bepaald waarop tussentijds wordt gerapporteerd aan
gedeputeerde staten, kan de aanvraag om vaststelling bedoeld inartikel
21, eerste lid, eerder worden ingediend, na voltooiing van een aantal
fasen van de sanering, of, indien tussentijds over de voortgang wordt
gerapporteerd en daaruit blijkt dat de tussentijdse effecten zijn
bereikt.
2.Indien de aanvraag om subsidievaststelling op grond van het
eerste lid is ingediend, wordt de hoogte van de subsidie berekend over
de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van
de sanering voor zover deze is voltooid.
§ 4. Voorschot
Artikel 24
1. Op aanvraag van de subsidie-ontvanger kan Onze Minister ten
hoogste eenmaal een voorschot verlenen, indien de aanvrager
financiële zekerheid heeft gesteld voor het nog te voltooien gedeelte
van de sanering.
2. De hoogte van het voorschot wordt berekend naar rato van het
gedeelte van de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de
uitvoering van de sanering voor zover deze is voltooid.
§ 5. Betaling
Artikel 25
Het subsidiebedrag wordt betaald binnen acht weken nadat de
beschikking tot subsidievaststelling op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt.
Hoofdstuk 4. Verdeling van de rijksbijdrage
Artikel 26
1.De bestuursorganen aan wie Onze Minister de uitvoering van
bepalingen van dit besluit krachtens artikel 76j, vierde lid, van de
wet heeft gedelegeerd, melden een aanvraag als bedoeld inartikel 13,
eerste lid, voorafgaand aan de beslissing omtrent verlening van de
subsidie bij Onze Minister.
2.De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat:
a. een concept van de beschikking tot subsidieverlening op de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, die een bestuursorgaan als
bedoeld in het eerste lid, voornemens is af te geven;
b. de bij ministeriële regeling voorgeschreven gegevens.
Artikel 27
1.De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, dienen jaarlijks een
aanvraag in tot verstrekking van een bijdrage ter vergoeding van
subsidie en betaling van voorschotten aan derden ten behoeve van de
sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van in gebruik
zijnde en blijvende bedrijfsterreinen als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, onderdeel e.
2.De aanvraag om een bijdrage, bedoeld in het eerste lid:
a. wordt schriftelijk uiterlijk 31 maart na het kalenderjaar
waarover de bijdrage wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister,
en
b. bevat de bij ministeriële regeling voorgeschreven gegevens
en de gegevens, bedoeld in artikel 28 alsmede de verklaring
bedoeld in artikel 29, eerste lid.
3.Onze Minister stelt de bijdrage aan de bestuursorganen, bedoeld
in artikel 26, vast indien de aanvraag voldoet aan de voorwaarden
bedoeld in het tweede lid.
4.De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, kunnen schriftelijk
een gemotiveerde aanvraag voor een voorschot op de bijdrage, bedoeld
in het eerste lid, indienen. Deze aanvraag moet voldoen aan de
voorwaarden gesteld in het tweede lid, onder b, en kan worden
ingediend indien en voor zover bedoelde bestuursorganen voorzien dat
er onvoldoende financiële middelen op grond van de uitvoering van de
wet zijn om de subsidie aan derden, ten behoeve van sanering van
gevallen genoemd in het eerste lid, tijdig te kunnen uitbetalen.
Artikel 28
Van de besteding van de bijdrage bedoeld in artikel 27, eerste lid,
wordt een bestedingsverantwoording opgesteld overeenkomstig de bij
ministeriële regeling te stellen regels.
Artikel 29
1.De bestedingsverantwoording bedoeld inartikel 28, gaat vergezeld
van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt opgesteld met
inachtneming van de bij ministeriële regeling gestelde regels.
Hoofdstuk 5. Collectieve saneringen
Artikel 30
Onze Minister kan coördinerende rechtspersonen aanwijzen, die belast
zijn met de uitvoering en coördinatie van de bodemsaneringactiviteiten
met betrekking tot bedrijfsterreinen van bij de rechtspersoon
aangesloten eigenaren of erfpachters van die bedrijfsterreinen. Van de
aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 31
1.Onze Minister kan op aanvraag een projectsubsidie verstrekken aan
de coördinerende rechtspersoon, voor het collectief saneren van een
aantal gevallen van ernstige verontreiniging van bedrijfsterreinen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van de bevoegdheid in
het eerste lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 32
1.De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie wordt uiterlijk
dertien weken voor de aanvang van de activiteiten waarvoor subsidie
wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister.
2.De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie omvat:
a. een omschrijving van de activiteiten en de daarmee beoogde
doelstellingen,
b. een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven.
Artikel 33
1.De ontvanger van een projectsubsidie voert een zodanig ingerichte
administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van
de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de
betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2.Deze administratie wordt gedurende zeven jaren bewaard.
Artikel 34
1.Binnen dertien weken na afloop van de activiteiten waarvoor
subsidie is verleend dient de subsidie-ontvanger een aanvraag tot
vaststelling van de projectsubsidie in.
2.De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is
opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond
waarvan subsidie is verleend.
3.Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van
getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing
van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit
besluit en de daarop berustende regelgeving.
4.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot
vaststelling van de projectsubsidie.
Artikel 35
Onze Minister kan per boekjaar subsidie verstrekken aan de
coördinerende rechtspersoon, bedoeld in artikel 30 ten behoeve van de
exploitatielasten van diens bureau. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing.
Artikel 36
1.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot
verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 35.
2.Onze Minister kan de termijn bedoeld in het eerste lid met ten
hoogste dertien weken verlengen.Van die verlenging wordt schriftelijk
mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 37
1.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot
vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 35.
2.Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, voor ten
hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk
mededeling gedaan aan de aanvrager.
3.De aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in
artikel 35, gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd
overeenkomstig de begroting van de exploitatiekosten op grond waarvan
subsidie is verleend.
4.Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van
getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing
van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit
besluit en de daarop berustende regelgeving.
Artikel 37a
Onze Minister weigert de subsidie voor het deel waarvoor:
a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld
voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op
grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het
geval van verontreiniging;
b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de
bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt;
c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een
aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor
subsidie is aangevraagd.
Hoofdstuk 6. Financiële zekerheid
Artikel 38
1. Financiële zekerheid als bedoeld in artikel 55b, derde lid van
de wet, wordt door de opvolgende eigenaar of erfpachter ten behoeve
van gedeputeerde staten gesteld door middel van:
a. een bankgarantie, of
b. een hypotheek- of een pandrecht of,
c. het treffen van een andere voorziening, waarbij de
financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten
gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in de
onderdelen a en b.
2. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden totdat
gedeputeerde staten hebben ingestemd met het saneringsplan, bedoeld in
artikel 39 van de wet.
3. Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële
zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde
zekerheid.
4. Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in
het derde lid, invorderen bij dwangbevel.
Artikel 39
1. Gedeputeerde staten kunnen financiële zekerheid laten stellen
in een geval als bedoeld in artikel 39f van de wet, indien de
saneringskosten van het te saneren geval, dan wel de kosten van nazorg
na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van tenminste vijf
jaar zullen worden gerealiseerd.
2. Indien gedeputeerde staten de verplichting tot het stellen van
financiële zekerheid opleggen, kunnen zij bepalen op welke wijze aan
die verplichting uitvoering wordt gegeven. Daarbij kunnen de volgende
vormen worden opgelegd:
a. een borgtocht of een bankgarantie
b. een hypotheek- of een pandrecht,
c. het deelnemen aan een fonds dat naar het oordeel van
gedeputeerde staten voldoende waarborg biedt dat de desbetreffende
kosten zijn gedekt, of
d. het treffen van een andere voorziening, waarbij de
financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten
gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in a tot en
met c.
3. Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële
zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde
zekerheid.
4. Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in
het derde lid, invorderen bij dwangbevel.
5. De verplichting financiële zekerheid in stand te houden
vervalt:
a. Met betrekking tot de uitvoering van het saneringsplan als
bedoeld in artikel 39, eerste lid: wanneer gedeputeerde staten
overeenkomstig artikel 39c, derde lid, hebben ingestemd met het
daarin bedoelde verslag;
b. Wanneer gedeputeerde staten aan degene aan wie de
verplichting was opgelegd te kennen hebben gegeven dat naar hun
oordeel financiële zekerheid niet langer vereist is.
6. Gedeputeerde staten bepalen de hoogte van het bedrag waarvoor
financiële zekerheid wordt gesteld op basis van de te verwachten
kosten van sanering of nazorg na een periode van 5 jaar. Het bedrag
kan op verzoek van degene die de zekerheid heeft gesteld tussentijds
worden bijgesteld indien een deel van de maatregelen waarvoor
zekerheid is gesteld, is uitgevoerd.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
Artikel 40
1.Het bepaalde in het tweede tot en met vierde lid is van
toepassing op een sanering, voor zover de verontreiniging op of in de
bodem van het bedrijfsterrein voor 1 januari 1975 is veroorzaakt, dan
wel voor zover de verontreiniging op of na 1 januari 1975 is
veroorzaakt en de eigenaar of erfpachter van het bedrijfsterrein niet
op grond van artikel 75, eerste lid, van de wet aansprakelijk is voor
de gevolgen daarvan.
2.Indien naar het oordeel van Onze Minister de levensvatbaarheid
van een bedrijf als gevolg van de handhaving van de verplichting tot
sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf
onzeker is, neemt Onze Minister op verzoek van de eigenaar of
erfpachter de uitvoering van de sanering op zich.
3.De eigenaar of erfpachter vergoedt in het geval, bedoeld in het
tweede lid, aan Onze Minister een naar draagkracht te bepalen bedrag
waarvan de hoogte wordt bepaald volgens de bijlage bij dit besluit.
4.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wederzijdse bevoegdheden en verplichtingen van
eigenaar of erfpachter en Onze Minister bij de uitvoering van de
sanering in het in het tweede lid bedoelde geval.
Artikel 40a
1.Voor zover de verontreiniging op of in de bodem van het
bedrijfsterrein op of na 1 januari 1975 is veroorzaakt en de eigenaar
of erfpachter van het bedrijfsterrein op grond van artikel 75, eerste
lid, van de wet aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan, is artikel
40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing indien voldaan
wordt aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening (EG) nr.
69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari
2001 betreffende de toepassing van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag
op de de minimis-steun (PbEG L10),dan wel daarvoor in de plaats
tredende Europese regelgeving. Daarbij wordt afgeweken van de bijlage
behorende bij artikel 40 van dit besluit voor zover de regels gesteld
bij of krachtens de genoemde verordening of de daarvoor in de plaats
tredende regelgeving daartoe verplichten.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter
uitvoering van het eerste lid. Artikel 40, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
1.Onze Minister kan aan een organisatie zonder winstoogmerk per
boekjaar subsidie verstrekken voor bij ministeriële regeling
aangewezen activiteiten op het gebied van onderzoek en sanering.
2.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
Artikel 42
Indien op grond van artikel 86b van de wet, het bedrag dat uit ’s
Rijks kas beschikbaar is, wordt verhoogd of anderszins budgettaire
ruimte ontstaat en Onze Minister het budget verhoogt, kan Onze Minister
andere criteria dan de in artikel 4, tweede lid genoemde, laten gelden.
Voorafgaand aan de verhoging van het budget wordt door de budgethouder
een aanvulling van het programma, bedoeld in artikel 76c, eerste lid,
van de wet ingediend. De artikelen 3, 4, tweede tot en met vijfde lid,5
en 7 zijn van toepassing.
Artikel 43
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de gegevens bedoeld in artikel 87a, tweede lid, van de wet en de wijze
waarop het verslag bedoeld in 87b van de wet wordt gedaan en de gegevens
die daarbij worden verstrekt.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 44
Een aanvraag om subsidieverlening, ingediend op een tijdstip gelegen
vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wordt afgehandeld
overeenkomstig de op dat tijdstip geldende regelgeving.
Artikel 45
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bepalingen
bodemsanering.
Artikel 46
1. Indien het bij koninklijke boodschap
van 11 maart 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet
bodembescherming en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in
het beleid inzake bodemsaneringen (29 462) tot wet wordt verheven,
treedt die wet in werking met ingang van 1 januari 2006. Indien het
Staatsblad waarin die wet of dit besluit wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 31 december 2005, treedt zij in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt
geplaatst.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 11 maart 2004
ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bodembescherming en
enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het beleid inzake
bodemsaneringen (29 462) nadat het tot wet is verheven, in werking
treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking, met
uitzondering van artikel 40 en de daarbij behorende bijlage, die in
werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De
artikelen 2, 3, 4, 5, 41 en 43 werken terug tot en met 1 januari 2005.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 december 2005
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de tweeëntwintigste
december 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage behorende bij artikel 40 van het
Besluit financiële bepalingen bodemsanering
Draagkrachtinstrument
Ter bepaling van de vergoeding naar
draagkracht door een bedrijf aan het bevoegd gezag Wbb in het geval het
bevoegd gezag op verzoek van het bedrijf de uitvoering van de sanering
op zich neemt
Van deze bijlage wordt afgeweken voor
zover de regels gesteld bij of krachtens artikel 40a van het Besluit
financiële bepalingen bodemsanering daartoe verplichten.
| |
Begrippenlijst: |
|
1. |
Inleiding |
|
2. |
Doelgroep |
|
3. |
Doelstelling draagkrachtinstrument |
|
4. |
Aanpak en criteria |
|
5. |
Stappen vaststellen vergoeding |
|
6. |
Condities lening door het bevoegd
gezag |
| |
|
|
Bijlage 1. Rekenvoorbeeld |
|
|
Bijlage 2. Dienstenpakket IMK
Intermediair |
|
Begrippenlijst
betaalcapaciteit: de vrije financiële
ruimte van de onderneming of groep van ondernemingen die beschikbaar is
om aan de verschuldigde rente en aflossing van eventueel nieuw te
verstrekken leningen te kunnen voldoen.
bestendige gedragslijn: een constant
gehanteerde wijze van kosten- en opbrengstentoedeling, afschrijvingen,
en winstpolitiek over de verslagjaren.
groep van ondernemingen: onder groep
wordt, naar analogie van artikel 24 lid b Burgerlijk Wetboek 2, verstaan
een economische eenheid waarin natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen organisatorisch zijn verbonden.
minimale vergoeding door het bedrijf aan
het bevoegd gezag: de waardestijging van het terrein minus 0,15 x de
kosten van sanering.
«genormaliseerde»herinvesteringen: de
afschrijvingskosten minus de afschrijving op onroerende zaken, voor
zover dit geen afschrijvingen op verbouwingen betreffen.
«genormaliseerde»exploitatierekening:
een exploitatierekening waarin afwijkingen van een bestendige
gedragslijn alsook afwijkingen van de gebruikelijke fiscale
afschrijvingsregimes worden geëlimineerd/gecorrigeerd.
overigens gezond bedrijf: de onderneming
of groep van ondernemingen die, afgezien van een eventuele sanering, in
staat wordt geacht aan de normale kosten van bedrijfsvoering inclusief
ondernemersbeloning uit het resultaat van de onderneming(en) te kunnen
voldoen.
voorliggende voorzieningen: interne
financieringsbronnen en externe financieringsmogelijkheden, waarbij:
• interne financieringsbronnen:
beschikbare activa die niet noodzakelijk worden geacht voor de
normale bedrijfsuitoefening.
• externe
financieringsmogelijkheden: door derden te verstrekken
kredietfaciliteiten onder normale marktconforme condities op basis
van de beschikbare zekerheden (solvabiliteit) en de winstgevendheid
(rentabiliteit) binnen de onderneming of groep van ondernemingen.
waarde in schone staat: de onderhandse
verkoopwaarde van het terrein (grond en opstallen).
De waarde wordt ontleend aan een door een
ter zake deskundige vastgestelde waarde in een taxatierapport. Dit
rapport dient niet ouder te zijn dan 6 maanden voorafgaande aan de
indiening van de aanvraag.
waarde in verontreinigde staat: (de
waarde vóór de noodzakelijke sanering van de grond en opstallen): de
waarde in schone staat onder aftrek van de geschatte kosten van de
sanering. Bij een negatief saldo bedraagt de waarde in verontreinigde
staat €1,=.
waardestijging door sanering: waarde in
schone staat minus waarde in verontreinigde staat, waarbij als minimum
een bedrag van € 1,= geldt (zie definitie waarde in verontreinigde
staat).
winstpolitiek: de directiebeloningen,
dividendpolitiek en overige onttrekkingen aan de bedrijfsvoering ten
gunste van eigenaren en aandeelhouders.
1. Inleiding
De minister van VROM heeft toegezegd dat
zoveel mogelijk zal worden voorkomen dat «overigens gezonde» bedrijven
failliet gaan als gevolg van een verplichte bodemsanering. In deze
notitie wordt ingegaan op de wijze waarop aan deze wens invulling
gegeven wordt, in situaties waarin sprake is van een ernstige
verontreiniging waarvan het bevoegd gezag de sanering noodzakelijk acht.
Over de bodemsanering vanin gebruik
zijnde en blijvende bedrijfsterreinen hebben het ministerie van VROM,
het ministerie van Economische Zaken, de provincies en de gemeenten die
bevoegd gezag Wet bodembescherming zijn in 2001 een convenant gesloten
met VNO-NCW en MKB-Nederland. Hoofdafspraken zijn:
1. een saneringsplicht voor eigenaren
en erfpachters van urgent te saneren ernstig verontreinigde grond,
2. een recht op subsidie voor de
saneringsplichtigen en
3. draagkrachtondersteuning voor
overigens gezonde bedrijven die failliet zouden gaan als gevolg van
de saneringsplicht.
De saneringsplicht is opgenomen in
artikel 55b van de Wet bodembescherming (Wbb). De subsidiegrondslag is
in artikel 76j van de Wbb opgenomen en wordt bij AMvB geregeld in
hoofdstuk 3 van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering (bedrijvenregelingdeel).
De grondslag voor draagkrachtondersteuning is opgenomen in artikel 40
van dit besluit. Het artikel stelt dat indien naar het oordeel van het
bevoegd gezag de levensvatbaarheid van het bedrijf als gevolg van de
verplichting tot sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan
van het bedrijf onzeker is, het bevoegd gezag Wbb op verzoek van de
eigenaar of erfpachter de uitvoering van de sanering op zich kan nemen.
De eigenaar of erfpachter vergoedt in dat geval aan het bevoegd gezag
een naar draagkracht te bepalen bedrag en het bevoegd gezag wordt
opdrachtgever van de sanering.
Genoemd artikel in het Besluit
financiële bepalingen is niet alleen van toepassing op ernstig
verontreinigde bedrijfsterreinen die bedrijfsterrein blijven. Immers:
bodemverontreiniging zal ook financiële gevolgen hebben voor de
eigenaren en erfpachters van bedrijfsterreinen die moeten worden
gesaneerd in het kader van stedelijke vernieuwing of natuurontwikkeling.
Hoewel in die gevallen de kosten van de bodemsanering veelal worden
meegewogen in een afspraak over beëindiging of uitplaatsing van het
bedrijf, kan het draagkrachtinstrument een rol vervullen bij de bepaling
van de verdeling van de kosten over de belanghebbenden bij het project.
De hoogte van de bijdrage van de eigenaar of erfpachter is bepalend voor
de «multiplier» van de bodemsaneringsmiddelen van de overheid.
Teneinde de vergoeding naar draagkracht
van een bedrijf te kunnen bepalen is een draagkrachttoets ontwikkeld. Op
grond van deze toets kan geobjectiveerd onderzoek worden uitgevoerd naar
de draagkracht van een bedrijfsmatige eigenaar van vervuilde grond die,
naar het oordeel van het bevoegd gezag, zijn bodem dient te saneren.
Door te onderzoeken hoeveel kosten redelijkerwijs ten laste van het
bedrijf te brengen zijn, wordt gestreefd zoveel mogelijk te voorkomen
dat «overigens gezonde» bedrijven failliet gaan ten gevolge van een
opgelegde bodemsanering.
Aan de hand van de toets wordt de hoogte
en samenstelling van de vergoeding door het bedrijf vastgesteld. De
overige saneringskosten komen voor rekening van het bevoegd gezag.
Voorzover deze niet uit de subsidieregeling voor bodemsanering van in
gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen gedekt kunnen worden,
brengt het deze ten laste van zijn ISV- of Wbb-bodemsaneringsbudget.
2. Doelgroep
Dit instrument is bedoeld voor
«overigens gezonde» bedrijfsmatige eigenaars/erfpachters van ernstig
verontreinigde bedrijfsterreinen. Voorwaarde om in aanmerking te komen
is een noodzaak tot sanering. Door het bevoegd gezag moet zijn
vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging
dat spoedig dient te worden gesaneerd.
Bij de beoordeling of van een
bedrijfsmatige eigenaar of erfpachter van vervuilde grond zijn sanering
op verzoek kan worden overgenomen, wordt de groep van ondernemingen in
aanmerking genomen.
Een bedrijfsmatig eigenaar of erfpachter
die een bedrijfsterrein verhuurt aan een«derde» huurder, niet
behorende tot de groep van ondernemingen, die de bodemverontreiniging
heeft veroorzaakt komt niet afzonderlijk in aanmerking. Hij dient de
huurder aansprakelijk te stellen. Het bevoegd gezag kan evt. een
saneringsbevel opleggen aan de huurderveroorzaker. Wanneer de
eigenaar/erfpachter en huurder tezamen niet in staat zijn de
bodemsanering te financieren, zullen zij voor de draagkrachttoets worden
behandeld als behorend tot een groep. Ook een particuliere eigenaar die
een bedrijfsterrein verhuurt aan een huurder die bodemverontreiniging
heeft veroorzaakt dient de huurder aansprakelijk te stellen.
De uitvoering van de voorliggende methode
voor vaststelling van de hoogte en samenstelling van de vergoeding die
een bedrijf dient bij te dragen is niet zonder meer toepasbaar bij
bedrijven waarvan de zeggenschap ligt bij niet voor de Nederlandse wet
belastingplichtige rechtspersonen. De regelgeving ten aanzien van
financiële verslaglegging en de gehanteerde winstpolitiek kan immers
verschillen van wat in Nederland gebruikelijk is. In die gevallen zal
het bevoegd gezag een opdracht verstrekken aan een terzake kundig
bureau, met als doel om op gelijkwaardige wijze de vereiste bijdrage van
het bedrijf vast te stellen.
3. Doelstelling draagkrachtinstrument
Doelstelling is zoveel mogelijk te
voorkomen dat – overigens gezonde – bedrijven failliet gaan ten
gevolge van de hen opgelegde verplichting tot het saneren van hun
bedrijfsterrein. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de
levensvatbaarheid van het bedrijf als gevolg van deze verplichting
zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf onzeker is,
kan het bevoegd gezag op verzoek van de eigenaar of erfpachter de
uitvoering van de sanering op zich nemen.
Voor de berekening van de minimale
vergoeding die een bedrijf zelf moet betalen is een formule afgeleid van
het Milieusteunkader: het door het bevoegd gezag te financieren deel mag
in totaal niet hoger zijn dan 115% van de saneringskosten minus de
waardestijging van het betreffende terrein. Anders zou er – conform
het EG-verdrag en dit beleidkader van de Europese Commissie –sprake
zijn van ongeoorloofde staatssteun. Hierbij moet ook rekening worden
gehouden met eventuele verstrekte subsidies in het kader van
bodemsanering. Volgens het milieusteunkader geldt:
Maximale bijdrage bevoegd gezag:
= 115% van de saneringskosten minus
de waardestijging door sanering van het
betreffende terrein
Door middel van het draagkrachtinstrument
wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld, die het bedrijf aan het
bevoegd gezag betaalt als afkoop van de saneringsplicht. Omdat bij het
vaststellen van de vergoeding ook rekening moet worden gehouden met
dezelfde Europese regelgeving, betekent dit dat bovenstaande formule als
volgt gelezen dient te worden:
Minimale vergoeding van het bedrijf aan
het bevoegd gezag:
= de waardestijging door sanering van het
betreffende terrein
minus 0,15 x de saneringskosten
Indien voor de kosten van sanering
onvoldoende voorliggende voorzieningen aanwezig zijn kan de onderneming
het bevoegd gezag verzoeken de uitvoering van de sanering op zich te
nemen. De vergoeding die het bedrijf hiervoor aan het bevoegd gezag
betaalt, mag niet lager zijn dan het volgens de formule vastgestelde
minimum.
4. Aanpak en criteria
Het draagkrachtinstrument is gebaseerd op
de werkwijze die ook is toegepast bij het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het Bbz 2004 ondersteunt ondernemers die
– door welke oorzaak dan ook – tijdelijk in financiële problemen
zijn geraakt of dreigen te raken. Voorwaarde is, dat het bedrijf na
financiële ondersteuning naar verwachting levensvatbaar is, en dat de
ondernemer het wil voortzetten. Bij de bepaling van de grondslagen voor
de draagkrachttoets is, waar mogelijk en/of voor zover van toepassing,
uitgegaan van de regels en gebruikelijke praktijk die wordt gehanteerd
bij de toetsing van ondernemers die in aanmerking wensen te komen voor
een financiering in het kader van het Bbz 2004.
IMK Intermediair is als adviesorganisatie
betrokken bij de uitvoering van het Bbz en heeft in samenwerking met
VROM de draagkrachttoets ontwikkeld en zal als uitvoerende instantie
door het bevoegd gezag worden ingeschakeld voor de toetsing van de
draagkracht i.c. de uitvoering van deze draagkrachttoets. In bijlage 2
bij deze notitie wordt een overzicht gegeven van het relevante
dienstenpakket van IMK Intermediair.
Het draagkrachtinstrument draagt een
sluitstuk karakter. Om in aanmerking te komen dient– naast het
primaire criterium dat de eigenaar/erfpachter verplicht wordt zijn grond
te saneren – voldaan te worden aan de volgende (basis)criteria.
A. Overigens gezond
Onder een «overigens gezond bedrijf»
wordt verstaan de onderneming of groep van ondernemingen die, indien er
geen sanering zou moeten plaatsvinden, in staat wordt geacht de normale
kosten van bedrijfsvoering inclusief ondernemersbeloning uit de
exploitatie van de onderneming(en) te kunnen dekken. Indien de
levensvatbaarheid van het bedrijf als gevolg van de verplichting tot
sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf
onzeker is, kan het bevoegd gezag op verzoek van de eigenaar of
erfpachter de uitvoering van de sanering op zich nemen.
B. Noodzakelijkheidcriterium
Indien een bedrijfsmatige eigenaar of
erfpachter van een ernstig verontreinigd bedrijfsterrein dat spoedig
dient te worden gesaneerd, ten gevolge van de saneringskosten niet meer
aan haar normale verplichtingen t.a.v. rentekosten, aflossingen en de
«genormaliseerde»herinvesteringen kan voldoen, voldoet de aanvrager
aan het noodzakelijkheidcriterium. Onder eigenaar wordt de onderneming
of groep van ondernemingen verstaan.
C. Complementair karakter
De regeling heeft een aanvullend
karakter. Een bedrijf zal eerst zijn voorliggende voorzieningen moeten
aanspreken.
D. Eigen verantwoordelijkheid
Onder eigen verantwoordelijkheid wordt
verstaan dat de onderneming op grond van redelijkheid en billijkheid
maximale inspanningen heeft gepleegd om niet in de omstandigheden te
geraken dat een beroep gedaan dient te worden op het bevoegd gezag de
uitvoering van de sanering op zich te nemen en dat de onderneming
voldoende inspanning heeft gepleegd om zelf maximaal bij te dragen in de
kosten van sanering.
Deze draagkrachttoets is opgesteld ten
behoeve van de objectivering van de bepaling van de vergoeding naar
draagkracht. Vaststelling vindt plaats op basis van algemeen geldende
bedrijfseconomische criteria.
5. Stappen vaststellen vergoeding
De hoogte van vergoeding naar draagkracht
van een eigenaar of erfpachter te betalen aan het bevoegd gezag voor het
overnemen van de uitvoering van de sanering, wordt aan de hand van de
volgende stappen berekend:
I. Bepalen van de totale saneringskosten
|
• |
op basis van een offerte of andere,
voldoende betrouwbare schatting van de saneringskosten |
|
|
II. Bepalen van de waardestijging van het
terrein door de sanering
|
• |
waarde terrein in schone staat
(volgens taxatie) |
|
|
| |
saneringskosten |
|
–/– |
| |
=waarde terrein in verontreinigde
staat (minimaal € 1, nooit negatief) |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
• |
en vervolgens: |
waarde terrein schoon |
|
|
| |
|
waarde terrein verontreinigd |
–/– |
|
| |
|
=waardestijging van het terrein
door de sanering |
|
|
III. Bepalen van de minimale vergoeding
van een bedrijf aan het bevoegd gezag
|
• |
waardestijging van het terrein door
de sanering |
|
|
| |
(0,15 × saneringskosten) |
|
–/– |
| |
=minimale vergoeding van een
bedrijf aan het bevoegd gezag |
|
|
IV. Bepalen van de vergoeding van het
bedrijf
Om te kunnen bepalen welk bedrag een
eigenaar of erfpachter dient te vergoeden, worden twee sub-stappen
genomen.
Sub i. normaliseren van gegevens
Teneinde objectief te toetsen welk bedrag
een eigenaar of erfpachter dient te vergoeden, wordt beoordeeld of er
sprake is van:
• een overigens gezond bedrijf,
• noodzakelijkheid,
• complementair karakter van de
gevraagde ondersteuning,
• voldoende besef van eigen
verantwoordelijkheid (is er geen sprake van aantoonbaar
opportunistisch gedrag).
De beoordeling van de financiële positie
van een eigenaar of erfpachter vindt plaats op basis van de door hem te
overleggen jaarrekeningen van de onderneming of groep van ondernemingen
over de vijf boekjaren die vooraf gaan aan het jaar van de
draagkrachttoets. Voor de toetsing of een bestendige gedragslijn is
gevolgd in kostenpatroon en winstuitkeringen dient tevens de
jaarrekening overgelegd te worden van het boekjaar voorafgaand aan de
inwerkingtreding van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering.
De financiële positie en de exploitatie
van de onderneming(en) van aanvrager wordt beoordeeld op de volgende
criteria:
1. bestendige gedragslijn in kosten,
afschrijvingsregime, winstpolitiek en investerings- en
financieringsmethodiek;
2. solvabiliteit, rentabiliteit en
liquiditeit.
Op grond hiervan wordt in eerste
instantie beoordeeld of voorliggende voorzieningen aanwezig worden
geacht. De regeling heeft immers een complementair karakter. Ook wordt
beoordeeld of in de historie voldoende besef van verantwoordelijkheid is
getoond om zelf maximaal te kunnen bijdragen in de kosten van sanering.
Vervolgens wordt op grond van deze eerste
beoordeling en op basis van de aanname van de bestendige gedragslijn een
genormaliseerde exploitatierekening opgesteld. Indien bijvoorbeeld
sprake is van een uitzonderlijke bovenmatige winstuitkeringspolitiek dan
wel van aantoonbaar opportunistisch gedrag, zullen ook deze kosten
worden gecorrigeerd tot hetgeen dat in de betreffende sector algemeen
gebruikelijk en bedrijfseconomisch verantwoord is.
Sub ii. vaststellen betaalcapaciteit van
het bedrijf
De genormaliseerde exploitatierekening
zal uitwijzen of de betaalcapaciteit van de onderneming toereikend is om
de kosten van de sanering geheel dan wel gedeeltelijk uit de normale
exploitatie te financieren. Op grond van de genormaliseerde
betaalcapaciteit worden de mogelijkheden bezien voor rente en aflossing
van eventueel te verstrekken financieringen door de huisbankier en/of
door het bevoegd gezag.
De vervangingsinvesteringen worden
gelijkgesteld aan de afschrijvingen minus de afschrijvingen op de
onroerende zaken, voor zover dit geen afschrijvingen op
verbouwingskosten betreft, waarbij wordt uitgegaan van de algemene
fiscale beginselen ten aanzien van het afschrijvingsregime.
Op grond van de betaalcapaciteit die
resteert na aftrek van de verplichtingen die voortvloeien uit een
eventuele aanbieding van de bank (externe financiering) zal de looptijd
van een te verstrekken lening door het bevoegd gezag worden bepaald. De
betaalcapaciteit wordt gelijk gesteld aan de annuďteit bij een
financiering op basis van een krediet met een looptijd van 10 jaar bij
de rentevoet die op dat moment van toepassing is krachtens het Bbz 2004
of daarvoor in de plaats tredende regelgeving. Op deze wijze wordt de
vergoeding door het bedrijf aanhet bevoegd gezag vastgesteld.
Indien de betaalcapaciteit ontoereikend
blijkt om de kosten van een financiering ten behoeve van de verplichte
sanering te dragen, zal worden berekend of het bedrijf door middel van
een verlenging van de aflossingstermijn met maximaal 10 jaar wel boven
het bedrag van de minimale vergoeding kan uitkomen. In bijzondere
gevallen kan de termijn worden verlengd tot maximaal 20 jaar.
N.B.: In de draagkrachttoets wordt in
eerste instantie uitsluitend rekening gehouden met het bedrijfsmatige
vermogen. Indien echter uit onderzoek blijkt dat door de eigenaar van de
onderneming, in de voorliggende jaren bovenmatige onttrekkingen zijn
gepleegd, behoudt het bevoegd gezag zich, op grond van het criterium
eigen verantwoordelijkheid, het recht voor het privé vermogen van de
ondernemer(s) mede in aanmerking te nemen voor het bepalen van de
voorliggende voorzieningen en de draagkracht.
V. Definitief bepalen van de vergoeding
door het bedrijf aan het bevoegd gezag
De vergoeding die bij stap IV is
berekend, mag niet lager zijn dat het bedrag dat uit de formule bij stap
III komt.
In het geval dat uit het doorlopen van
deze stappen blijkt dat de vergoeding door het bedrijf onder het minimum
uitkomt, kan het bevoegd gezag overwegen de constructie ter beoordeling
voor te leggen aan de Europese Commissie. Een andere mogelijkheid is dat
het bevoegd gezag bereid is het terrein tegen de op dat moment geldende
waarde aan te kopen (= waarde in schone staat minus kosten van sanering)
en te verhuren aan de voormalige eigenaar tegen de normaal geldende
huurwaarde in schone staat.
In bijlage 1. van deze notitie wordt
bovenstaande met een rekenvoorbeeld toegelicht.
6. Condities lening door het bevoegd
gezag
Een financiering door het bevoegd gezag
wordt verleend onder de volgende condities:
• Leningsvorm: annuďteit
• Looptijd: in beginsel 10 jaar,
eventueel aan te passen naar draagkracht (zie paragraaf 6, stap IV)
• Aflossing en rentebetaling
(annuďteit): per kwartaal achteraf
• Rente: de vigerende rente in het
jaar van toekenning conform de Bbz regeling + 1,5%.
• Rentevaste periode: de rente is
vast gedurende de gehele looptijd
• Inning: dient plaats te vinden
door het bevoegd gezag of een door haar aangewezen instantie als
ware er sprake van inning door een normale bank.
Naar analogie van het Bbz 2004 (artikel
41) kunnen de aflossingsverplichtingen maximaal 3 jaar worden
uitgesteld. Indien een eigenaar of erfpachter geheel of gedeeltelijk
niet in staat is aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen,
kan hij een met redenen omkleed verzoek om uitstel van betaling bij het
bevoegd gezag indienen. Uitstel van aflossing en betaling van rente
wordt ten hoogste voor een periode van een jaar verleend en kan zonodig
tweemaal met ten hoogste een jaar worden verlengd. Na het einde van de
aflossingsvrije periode kan het bevoegd gezag besluiten een hertoetsing
uit te (laten) voeren naar de draagkracht op grond waarvan nieuwe
afspraken zullen worden gemaakt.
Zekerheden
Als zekerheid voor de kredietfaciliteit
wordt een hypothecaire inschrijving vereist op het terrein.
Als sprake is van één of meer
hypotheekhouders van hogere rang, wordt van hen verlangd dat zij de
opbrengst van eventuele uitoefening van het recht op verkoop van het
terrein met de overheid delen conform de verhouding van de op dat moment
uitstaande kredieten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het belang dat
de hypotheekhouder heeft bij het herstel van de waarde van zijn
onderpand.
In het geval het bevoegd gezag zelf ook
een deel van de financiering voor zijn rekening neemt, wordt –
teneinde ongerechtvaardigde verrijking te voorkomen – als aanvullende
voorwaarde een vervreemdingsclausule opgenomen, waarin de onderneming
bij vervreemding van de onroerende zaak binnen 3 jaar na uitvoering van
de sanering, de meeropbrengst boven de waarde die is vastgesteld als
waarde in schone staat tot een maximum van het bedrag dat door het
bevoegd gezag is ingebracht dient te restitueren aan het bevoegd gezag.
Bijlage 1. Rekenvoorbeeld
| |
|
Bedrijf Z (x€
1000) |
|
stap I. bepalen van de totale
saneringskosten |
|
|
|
saneringskosten |
€ 180,00 |
volgens offerte of betrouwbare
schatting |
| |
|
|
|
stap II. bepalen van de
waardestijging van het terrein door de sanering |
|
|
|
waarde schoon |
€ 100,00 |
volgens taxatie |
|
waarde vervuild |
€ – |
schoon minus saneringskosten
(eigenlijk € 1) |
|
waardestijging |
€ 100,00 |
|
| |
|
|
|
stap III. bepalen van de minimale
vergoeding van een bedrijf aan het bevoegd gezag |
|
|
|
saneringskosten |
€ 180,00 |
|
|
saneringskosten x (0,15 –/–waardestijging) |
€ 107,00 |
|
|
Minimale vergoeding door het
bedrijf |
€ 73,00 |
|
| |
|
|
|
stap IV. bepalen van de draagkracht
van het bedrijf |
|
|
| |
|
|
|
sub i: normaliseren van gegevens |
|
|
|
interne financieringsbronnen |
€ – |
conform berekening IMK |
|
externe fiancieringsmogelijkheden |
€ 35,00 |
toezegging (huis)bankier |
|
annuďteit bank |
€ 5,00 |
conform offerte bank |
| |
|
|
|
sub ii: vaststellen
betaalcapaciteit van het bedrijf |
|
|
|
berekening betaalcapaciteit |
€ 9,00 |
volgens berekening IMK (bestendige
gedragslijn) |
|
Af: annuďteit banklening |
€ 5,00 |
conform offerte bank |
|
Overgebleven betaalcapaciteit |
€ 4,00 |
betaalcapaciteit t.b.v.
annuďteitenlening |
|
Rentepercentage |
6% |
Bbz rente + 1,5% (2004: 4,5% +
1,5%) |
|
Looptijd (jaren) |
15 |
Standaard termijn 10 jaar*[1] |
|
lening door het bevoegd gezag |
€ 38,85 |
annuďteitenlening bij een rente
van 6% over 10 jaar |
|
vergoeding door het bedrijf |
€ 73,85 |
bancaire financiering + lening
bevoegd gezag |
| |
|
|
|
stap V. definitief bepalen van de
vergoeding door het bedrijf aan het bevoegd gezag |
|
|
|
vergoeding door het bedrijf |
€ 73,85 |
akkoord indien groter dan de
minimale vergoeding |
| |
|
|
|
Annuiteitberekening |
|
|
|
rentepercentage |
6,0% |
|
|
looptijd |
15 |
|
|
betaalcapaciteit |
€ 4,00 |
|
| |
1,06 |
|
|
maximale lening |
€ 38,85 |
|
Bijlage 2. Dienstenpakket IMK
Intermediair
A. Intake toets: voorbereidingsfase
Door aanvrager (eigenaar of erfpachter)
dienen de volgende documenten te worden overlegd:
– Beschikking inzake
saneringsnoodzaak;
– Het door een kamer toegekend
uniek nummer, bedoeld in artikel 9, onder a, van de
Handelsregisterwet 2007, van de betreffende onderneming en alle
ondernemingen die organisatorisch en economisch verbonden zijn (tot
de groep behoren);
– Document waaruit instemming van
het bevoegd gezag blijkt (bijvoorbeeld een door het bevoegd gezag
goedgekeurde offerte saneringskosten);
– Jaarrekeningen betreffende
onderneming alsook de tot de groep behorende ondernemingen alsook de
geconsolideerde jaarrekeningen, voor zover aanwezig over de
voorliggende 5 jaar, waarbij de laatste jaarrekening niet ouder mag
zijn dan 18 maanden. N.B.: Gedurende de draagkrachttoetsing kan het
onderzoeksbureau verzoeken om de (voorlopige) jaarrekening(en) van
het jaar –1 te verstrekken;
– Jaarrekening betreffende
onderneming van het boekjaar voorafgaand aan de publicatie van
onderhavige regeling. Deze eis is van toepassing tot 8 jaar na
publicatie van de regeling;
– Kopie hypothecaire geldleningen
op de grond en opstallen;
– Verklaring van de (huis)bankier
inzake de maximale kredietfaciliteit die zij wenst te verstrekken
ten behoeve van de saneringskosten en de voorwaarden waaronder zij
de kredieten bereid is te verstrekken;
– Taxatierapport onroerende zaken.
Op grond van bovengenoemde bescheiden
wordt een tweetal criteria getoetst:
1. formele criteria
• Zijn alle vereiste documenten
overgelegd?
• Bestaat een verplichting tot
saneren binnen 12 maanden?
• Behoort aanvrager tot de
doelgroep?
2. Indicatief voorbereidend onderzoek
• Onderzoek naar
organisatorische en economische verbanden (handelsregister)
• Analyse laatste beschikbare
jaarrekening op hoofdlijnen (overigens gezond criterium;
toetsing redelijkheid voorstel huisbankier)
De intake wordt afgesloten door middel
van een advies aan het bevoegd gezag, inhoudende:
I. Is aan de formele criteria
voldaan?
II. Welke bescheiden ontbreken?
III. Welke aanvullende bescheiden
worden gewenst?
IV. Conclusie: In behandeling nemen
JA, onder welke aanvullende condities/NEE op grond van….)
B. Draagkrachttoetsing: feitelijk
onderzoek
(Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)
• Beoordeling offerte (huis)bankier
t.b.v. additioneel financieringsvoorstel;
• Bespreking beoordeling met
(huis)bankier onderneming;
• Bepaling van de groep van
ondernemingen;
• Analyse van de overlegde
jaarrekeningen volgens vaste methodiek en vastlegging in een
rekenmodel;
• Opstellen genormaliseerde
exploitatierekening;
• Vastlegging mogelijke afwijkingen
bij bepaling van genormaliseerde exploitatie (bestendige
gedragslijn);
• Beoordeling financiële positie
onderneming en/of groep voor zover van toepassing
• Bepalen betaalcapaciteit;
• Beoordeling mogelijk te
verstrekken zekerheden;
• Definitieve vaststelling
genormaliseerde exploitatie;
• Bepalen verstrekking bevoegd
gezag (lening);
• Vaststellen minimale vergoeding
door het bedrijf;
• Bespreking analyse en mogelijke
afwijkingen met bevoegde directie aanvrager;
• Bepaling hoogte voorliggende
voorzieningen (advies);
• Bepaling zekerheden (advies);
• Bepaling aflossingstermijn
(advies);
• Bepaling vergoeding door het
bedrijf (advies);
• Voorstel voor de wijze van
(onderbrenging van de) inning.
C. Ondersteuning bevoegd gezag
(Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)
Diverse opties:
• Toelichting draagkrachttoetsing
in commissie;
• Nadere onderhandelingen met
aanvrager inzake voorliggende voorzieningen, zekerheden;
• Nadere onderhandelingen met
(huis)bankier aanvrager inzake hoogte kredietverstrekking en
zekerheden;
• Opstellen conceptbeschikking
verstrekking;
• Deskundige in bezwaar- of
beroepsprocedures;
• Beoordeling noodzaak tot
tijdelijke opschorting inperkingsverplichtingen.
D. Heronderzoek na verlopen termijn
vrijstelling aflossingen (3 jaar)
(Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)
• Hertoetsing betaalcapaciteit op
grond van de laatste 3 jaarrekeningen;
• Vaststellen nieuwe
betaalcapaciteit (advies).
E. Aanvullend onderzoek bij overschrijden
budget
(Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)
• Indicatieve hertoetsing
betaalcapaciteit;
• Vaststellen deel saneringskosten
voor rekening bevoegd gezag;
• Vaststellen kredietverstrekking;
• Vaststellen termijn.
Voetnoot:
|