| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet bodembescherming
(Wbb)
BESLUIT
GEBRUIK MESTSTOFFEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 1 december 1997, houdende regels
betreffende het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen (Besluit
gebruik dierlijke meststoffen 1998)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van
25 juni 1997, nr. J. 975376, gedaan mede namens Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 6, 7, 15 en 65 van de Wet
bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 14
oktober 1997, nr. W11.97.0391);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 20 november 1997, nr. J. 9712655,
uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder grond, meststoffen, bedrijf, landbouwgrond, fosfaat, hectare,
veengrond, zand- of lössgrond en kleigrond hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet, wordt
verstaan onder zuiveringsslib, compost en overige organische
meststoffen hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid,
van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en wordt verstaan onder:
a. dierlijke meststoffen: uitwerpselen van dieren, daaronder
begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- of darminhoud
van deze dieren en mengsels van strooisel met de uitwerpselen,
alsook producten daarvan;
b. gebruiken van meststoffen: meststoffen op of in de bodem
brengen;
c. grasland: grond die voor ten minste 50 procent is beteeld
met gras dat blijkens het gebruik van de grond is bestemd om te
worden gebruikt als veevoer door beweiding van de grond met dieren
of door de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren;
d. bouwland: grond waarop ten minste een deel van het jaar een
gewas wordt geteeld, niet zijnde grasland;
e. natuurterrein: grond met een houtopstand die de hoofdfunctie
natuur heeft, heideveld, ven, hoogveenterrein, zandverstuiving,
duinterrein, kwelder, schor, gors, slik, riet- en ruigtland,
griend en laagveenmoeras, alsmede grasland of bouwland dat de
hoofdfunctie natuur heeft;
f. beheer: beheer, gericht op de instandhouding van
natuurwaarden, dat
1°. is vastgesteld krachtens de Natuurbeschermingswet
1998,
2°. geldt als voorwaarde voor de verlening van een
subsidie op grond van de Kaderwet LNV-subsidies, of
3°. tot stand is gekomen met instemming van Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
g. overige grond: andere grond dan natuurterrein en dan
landbouwgrond die tot een bedrijf behoort;
h. stikstofkunstmest: anorganische meststoffen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van het Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet, die meer dan 0,5 gewichtsprocenten van de droge
stof aan stikstof bevatten;
i. vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;
j. drijfmest: dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn;
k. steekvast zuiveringsslib: zuiveringsslib dat niet
verpompbaar is;
l. vloeibaar zuiveringsslib: zuiveringsslib dat verpompbaar is;
m. fruitteelt: bedrijfsmatige teelt op bouwland van vruchten,
bestemd voor menselijke consumptie en groeiend aan houtige
gewassen;
n. emissiearm aanwenden: gebruiken overeenkomstig de
voorschriften die voor de desbetreffende situatie zijn opgenomen
in de bij dit besluit behorende bijlage I;
o. veenkoloniaal bouwplan: bouwplan met de teelt van
fabrieksaardappelen ten behoeve van de zetmeelindustrie met een
teeltfrequentie van ten minste éénmaal per drie jaar, met dien
verstande dat geen sprake is van een veenkoloniaal bouwplan in de
periode dat op de desbetreffende grond bloembollen worden geteeld
of gras wordt geteeld;
p. hellingspercentage: quotiënt van het hoogteverschil en de
horizontale afstand, uitgedrukt in procenten, volgens de in
bijlage II bij dit besluit aangegeven meetmethode;
q. niet-beteelde grond: grond waarvan niet kan worden
waargenomen dat deze gelijkmatig met een gewas is bedekt.
2. Voor de toepassing van artikel 1b, derde lid, is de situatie op
15 mei van het jaar waarin zuiveringsslib wordt gebruikt, bepalend
voor de vraag of sprake is van bouwland of grasland, met dien
verstande dat indien op 15 mei van het desbetreffende jaar
landbouwgrond niet wordt beteeld, deze grond wordt aangemerkt als
bouwland, tenzij de grond het gehele jaar niet wordt beteeld, in welk
geval de grond wordt aangemerkt als overige grond.
3. Voor de toepassing vanartikel 4b wordt onder grasland verstaan:
grond die voor ten minste 50 procent uit gras bestaat dat is of wordt
gebruikt voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas
voor vervoedering aan dieren.
4. Voor de toepassing van de artikelen 4, 4a, 5 en 6d wordt onder
bouwland niet verstaan grond waarop tuinbouw in glasopstanden wordt
uitgeoefend, of waarop een anderszins bedekte teelt plaatsvindt.
5. Dit besluit berust, voor zover het de artikelen 4b, 6a, 6b, 6c,
6d en 8a betreft, mede op de artikelen 10 en 11 van de Wet
bodembescherming.
6. Dit besluit berust mede op de artikelen 6.6 en 6.7 van de
Waterwet met betrekking tot de bodem en oever van
oppervlaktewaterlichamen.
Artikel 1a
1.Het is verboden meststoffen te gebruiken.
2.Onverminderd de overige bepalingen in dit besluit geldt het in
het eerste lid gestelde verbod niet indien de meststoffen voldoen aan
de bij of krachtens hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet gestelde regels of indien het meststoffen betreft
waarvan het verhandelen ingevolge artikel 77 van het
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet is toegestaan.
3.Indien het meststoffen betreft ten aanzien waarvan in de
krachtens artikel 21, eerste lid, onderdeel h, van het
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, gestelde regels is bepaald dat de
artikelen 11, 14 en 15 van dat besluit geheel of gedeeltelijk niet van
toepassing zijn, geldt het in het eerste lid bedoelde verbod, in
zoverre in afwijking van het tweede lid, niet indien de gebruikte
hoeveelheid van die meststoffen niet groter is dan de bij
ministeriële regeling vast te stellen hoeveelheid.
§ 1a. Gebruik van zuiveringsslib en overige organische meststoffen
Artikel 1b
1.Het is verboden zuiveringsslib en overige organische meststoffen
te gebruiken.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het gebruik
van overige organische meststoffen op landbouwgrond.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het gebruik
van zuiveringsslib op percelen landbouwgrond waarvan overeenkomstig de
krachtens artikel 1cgestelde regels is vastgesteld dat een of meer van
de in de bodem aanwezige stoffen de in bijlage III opgenomen
toetsingswaarden niet overschrijden, en voor zover:
a. indien het vloeibaar zuiveringslib betreft, de gebruikte
hoeveelheid niet groter is dan:
i. twee ton droge stof per hectare per jaar op bouwland; of
ii. één ton droge stof per hectare per jaar op grasland;
of
b. indien het steekvast zuiveringslib betreft, de gebruikte
hoeveelheid niet groter is dan:
i. vier ton droge stof per hectare per twee jaren op
bouwland; of
ii. twee ton droge stof per hectare per twee jaren op
grasland.
4.Gedurende de in het derde lid bedoelde perioden blijft het
grondgebruik voor het desbetreffende aantal hectaren ongewijzigd.
5.In zoverre in afwijking van de aanhef van het derde lid, geldt
het in het eerste lid gestelde verbod niet voor het gebruik van
zuiveringsslib op percelen landbouwgrond waarvan overeenkomstig de
krachtens artikel 16 van het Besluit kwaliteit en gebruik overige
organische meststoffen gestelde regels, zoals deze luidden op het
tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden, is vastgesteld dat
een of meer van de in de bodem aanwezige stoffen de in bijlage III
opgenomen toetsingswaarden niet overschrijden, voor zover de
geldigheidsduur van deze vaststelling niet is overschreden.
Artikel 1c
1.Voordat op landbouwgrond zuiveringsslib wordt gebruikt, wordt de
bodem bemonsterd en geanalyseerd.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
in het eerste lid bedoelde bemonstering en analyse, die onder meer
betrekking kunnen hebben op de methode van bemonstering en analyse, de
frequentie waarin de bemonstering en analyse moeten plaatsvinden, de
bevoegdheid tot het verrichten van de bemonstering en analyse, alsmede
het bewaren en overleggen van de analyseresultaten.
Artikel 1d
Het is verboden zuiveringsslib te gebruiken:
a. op weideland: gedurende de periode van beweiding;
b. op grond die wordt gebruikt voor de teelt van voedergewassen:
minder dan drie weken voor de oogst;
c. op grond die wordt gebruikt voor groente- of fruitaanplant,
met uitzondering van fruitbomen: gedurende de groeiperiode van de
groente onderscheidenlijk het fruit;
d. op grond die is bestemd voor de teelt van groenten of
vruchten, die gewoonlijk in rechtstreeks contact met de bodem staan
en rauw worden geconsumeerd: minder dan tien maanden voor de oogst
alsmede tijdens de oogst.
§ 2. Gebruik van dierlijke meststoffen of compost op natuurterrein
en overige grond
Artikel 2
1.Het is verboden dierlijke meststoffen of compost te gebruiken op
natuurterrein of op overige grond.
2.Het in het eerste lid gesteld verbod is niet van toepassing op
natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd, indien aan het beheer
beperkingen zijn verbonden ten aanzien van de gebruikte hoeveelheid
dierlijke meststoffen of compost en het gebruik daarmee in
overeenstemming is.
3.Het in het eerste lid gesteld verbod is niet van toepassing op
natuurterrein, indien op dat terrein geen beheer wordt gevoerd waaraan
beperkingen ten aanzien van de gebruikte hoeveelheid dierlijke
meststoffen zijn verbonden en ten minste aan één van de volgende
voorwaarden is voldaan:
a. het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke
meststoffen en compost, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, is niet
groter dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar;
b. het natuurterrein is grasland en het totaal van de daarop
gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost, uitgedrukt
in kilogrammen fosfaat en stikstof, is niet groter dan 70 kilogram
fosfaat, onderscheidenlijk 170 kilogram stikstof per hectare per
jaar.
4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
overige grond indien ten minste aan één van de volgende voorwaarden
is voldaan:
a. het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke
meststoffen en compost, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, is niet
groter dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar;
b. de overige grond is grasland of bouwland en het totaal van
de daarop gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost,
uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en stikstof, is niet groter dan
85 kilogram fosfaat, onderscheidenlijk 170 kilogram stikstof per
hectare per jaar.
5.Bij de bepaling van de in het derde en vierde lid bedoelde
hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid fosfaat in compost
slechts voor het krachtens artikel 12, vijfde lid, van de
Meststoffenwet bepaalde deel in aanmerking genomen.
Artikel 2a
1.In afwijking van artikel 2, vierde lid, is het toegestaan op
overige grond compost te gebruiken bij wijze van eenmalige gift in een
hoeveelheid van ten hoogste 200 ton droge stof per hectare, indien
tenminste voorafgaande aan het gebruik een melding daarvan aan Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft
plaatsgevonden.
2.De in het eerste lid bedoelde melding bevat:
a. naam en adres van de gebruiker;
b. een kadastrale of topografische aanduiding van het
desbetreffende perceel alsmede een opgave van de oppervlakte
ervan;
c. naam en adres van de leverancier van het product; en
d. de te gebruiken hoeveelheid.
3.Met het in het eerste lid bedoelde gebruik mag eerst worden
aangevangen, zodra een bevestiging van ontvangst van de melding door
de gebruiker is ontvangen.
4.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
wijze waarop de melding wordt gedaan.
§ 3. Gebruik van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest,
zuiveringsslib, compost en overige organische meststoffen
Artikel 3
1. Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest,
zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken indien
de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk
is bedekt met sneeuw.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
het gebruik van vaste mest op grasland waarop een beheer wordt
gevoerd, indien het gebruik van vaste mest onderdeel is van het op het
desbetreffende grasland van toepassing zijnde beheersregime.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod is, voor zover het betreft
het gebruik indien de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren, niet
van toepassing op het gebruik van stikstofkunstmest op kleigrond
waarop graan wordt geteeld, mits in het algemeen weerbericht, bedoeld
in artikel 5 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch
Instituut, voor de desbetreffende regio van het land is voorspeld dat
de maximumtemperatuur op de dag waarop de meststoffen worden gebruikt
ten minste 5° Celsius bedraagt en dat de minimumtemperatuur gedurende
het etmaal volgend op die dag ten minste 0° Celsius bedraagt.
Artikel 3a
Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest,
zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel
met deze meststoffen te gebruiken indien de bovenste bodemlaag met water
verzadigd is.
Artikel 3b
1.Het is verboden in de periode van 1 september tot en met 31
januari dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib,
compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze
meststoffen te gebruiken indien de bodem tegelijkertijd wordt
bevloeid, beregend of geïnfiltreerd.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder infiltreren
verstaan: aanvoeren van water op of onder het grondoppervlak door
middel van een buizen- of slangenstelsel.
Artikel 4
1. Het is verboden in de periode van 1 september tot en met 31
januari vaste dierlijke meststoffen of steekvast zuiveringsslib te
gebruiken.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op:
a. grasland, gelegen op kleigrond of veengrond, in de periode
van 1 september tot en met 15 september;
b. bouwland, gelegen op kleigrond of veengrond;
c. bouwland, gelegen op zandgrond of lössgrond, indien op de
desbetreffende grond bomen worden geteeld, voor zover het gebruik
direct voorafgaand aan de aanplant van de bomen plaatsvindt.
3. Het is verboden in de periode van 1 augustus tot en met 15
februari drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib te gebruiken.
4. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing op:
a. grasland, gelegen op kleigrond of veengrond, in de periode
van:
1° 1 februari tot en met 15 februari in de jaren 2010 en
2011;
2° 1 augustus tot en met 15 september in de jaren 2010 en
2011;
3° 1 augustus tot en met 31 augustus in de jaren 2012 en
volgende;
b. grasland, gelegen op zandgrond of lössgrond, in de periode
van:
1° 1 februari tot en met 15 februari in de jaren 2010 en
2011;
2° 1 augustus tot en met 31 augustus in de jaren 2010 en
en volgende;
c. bouwland, gelegen op kleigrond of veengrond, in de periode
van:
1° 1 februari tot en met 15 februari in de jaren 2010 en
volgende;
2° 1 augustus tot en met 15 september in de jaren 2010 en
2011;
3° 1 augustus tot en met 31 augustus in de jaren 2012 en
volgende, indien uiterlijk op 31 augustus van het
desbetreffende jaar op de desbetreffende grond een gewas wordt
geteeld dat behoort tot de in de krachtens artikel 10, eerste
lid, van de Meststoffenwet, vastgestelde ministeriële
regeling onderscheiden gewasgroep«groenbemesters» of indien
in de desbetreffende grond in het daarop aansluitende najaar
bloembollen worden geplant;
d. bouwland, gelegen op zandgrond of lössgrond, in de periode
van:
1° 1 februari tot en met 15 februari in de jaren 2010 en
volgende;
2° 1 augustus tot en met 31 augustus in de jaren 2010 en
2011;
3° 1 augustus tot en met 31 augustus in de jaren 2012 en
volgende, indien uiterlijk op 31 augustus van het
desbetreffende jaar op de desbetreffende grond een gewas wordt
geteeld dat behoort tot de in de krachtens artikel 10, eerste
lid, van de Meststoffenwet, vastgestelde ministeriële
regeling onderscheiden gewasgroep«groenbemesters» of indien
in de desbetreffende grond in het daarop aansluitende najaar
bloembollen worden geplant.
5. Het in het eerste en derde lid gestelde verbod is niet van
toepassing op het gebruik van zuiveringsslib dat niet meer dan 70 gram
stikstof per kilogram droge stof bevat, indien:
a. het zuiveringsslib door de producent of namens hem door
tussenkomst van ten hoogste één vervoerder rechtstreeks aan de
gebruiker is afgeleverd;
b. het zuiveringsslib wordt gebruikt op de dag waarop het aan
de gebruiker is afgeleverd; en
c. het zuiveringsslib, nadat overeenkomstig de krachtens
artikel 21, eerste lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet gestelde regels, de samenstelling ervan is bepaald,
niet is gemengd met ander zuiveringsslib of andere stoffen.
6. Bij ministeriële regeling kan het gebruik van dierlijke
meststoffen of zuiveringsslib in de periode van 1 augustus tot 15
augustus, dan wel in de periode van 1 september tot 15 september
indien het het gebruik van drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib op
grasland, gelegen op kleigrond of veengrond betreft, van het bij die
regeling te bepalen jaar en in het bij die regeling te bepalen gebied
worden toegestaan, indien naar het oordeel van Onze Minister, de
Technische commissie bodembescherming gehoord:
a. daarvoor een landbouwkundige noodzaak bestaat; en
b. dit in het desbetreffende gebied door extreme
weersomstandigheden is gerechtvaardigd.
Artikel 4a
1. Het is verboden in de periode van 16 september tot en met 31
januari stikstofkunstmest te gebruiken op bouwland en op grasland.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
bouwland dat gelijkmatig is beteeld met een vollegrondsgroente.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16
september tot en met 15 oktober niet van toepassing op bouwland waarop
uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend of op bouwland dat
gelijkmatig is beteeld met winterkoolzaad of dat gelijkmatig is
beteeld met graszaad behorend tot de rassen roodzwenkgras of
veldbeemdgras, ten behoeve van een tweede of latere zaadoogst in het
daaropvolgende jaar.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
het gebruik van ureum op bouwland waarop uitsluitend fruitteelt wordt
uitgeoefend.
5. Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16
januari tot en met 31 januari niet van toepassing op bouwland dat
gelijkmatig is beteeld met hyacinten of tulpen.
Artikel 4b
1. Het is verboden op grasland de graszode te vernietigen.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:
a. in de periode van 1 februari tot en met 15 september op
grasland, gelegen op kleigrond of veengrond;
b. in de periode van 1 februari tot en met 31 mei op grasland,
gelegen op zand-of lössgrond, indien direct aansluitend op de
vernietiging van de graszode op de desbetreffende grond de teelt
van gras aanvangt; en
c. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei op grasland,
gelegen op zand- of lössgrond, indien direct aansluitend op de
vernietiging van de graszode op de desbetreffende grond de teelt
van een bij ministeriële regeling aangewezen relatief
stikstofbehoeftig gewas aanvangt.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 1
augustus tot en met 15 augustus niet van toepassing op grasland,
indien in de desbetreffende grond uiterlijk in het daarop volgende
voorjaar lelie of gladiool wordt geplant, mits direct na de
vernietiging van de graszode de desbetreffende grond wordt ontsmet en
uiterlijk op 15 september op de desbetreffende grond de teelt van een
krachtens het tweede lid, onderdeel c, aangewezen relatief
stikstofbehoeftig gewas aanvangt.
4. Het gebruik van stikstofhoudende meststoffen op de grond,
beteeld met de in het tweede lid en derde lid bedoelde gewassen, vindt
slechts plaats voorzover uit een representatief grondmonster blijkt
dat de aanwezige hoeveelheid stikstof, rekening houdend met de
minerale stikstof en met de toevoer van stikstof door
netto-mineralisatie van voorraden organische stikstof in de bodem,
onvoldoende is om te voldoen aan de behoefte van het desbetreffende
gewas. Het representatieve grondmonster wordt genomen, bemonsterd en
geanalyseerd door een laboratorium dat blijkens accreditatie door Raad
voor Accreditatie te Utrecht aantoonbaar voldoet aan de norm
NEN-EN-ISO/IEC 17025.
5. Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16
september tot en met 30 november niet van toepassing op grasland,
indien direct na de vernietiging van de graszode in de desbetreffende
grond tulp, krokus, iris of muscari wordt geplant.
6. Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 1
november tot en met 31 december niet van toepassing op grasland,
gelegen op kleigrond, indien na de vernietiging van de graszode als
eerstvolgend gewas een ander gewas dan gras wordt geplant of gezaaid.
7. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
het vernietigen van de graszode op grasland als onderdeel van
kavelinrichtingswerken die worden verricht na vaststelling van een
plan van toedeling, op basis van:
a. een landinrichtingsplan dat is vastgesteld overeenkomstig
artikelen 73 tot en met 83 van de Landinrichtingswet, waarin is
voorzien in herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk VII van de
Landinrichtingswet,
b. een herinrichtingsplan dat is vastgesteld overeenkomstig de
artikelen 16 tot en met 20 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen
en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, waarin is voorzien in
herverkaveling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b,
van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën,
c. een plan van voorzieningen dat is vastgesteld overeenkomstig
de artikelen 39 tot en met 44 van de Reconstructiewet
Midden-Delfland,
d. een reconstructieplan dat is vastgesteld overeenkomstig
hoofdstuk 2 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, waarin
is voorzien in herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 6
van de Reconstructiewet concentratiegebieden, of
e. een inrichtingsplan dat is vastgesteld overeenkomstig de
artikelen 17 tot en met 20 van de Wet inrichting landelijk gebied.
8. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag tot accreditatie als bedoeld in het
vierde lid.
Artikel 5
1. Het is verboden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een
mengsel met deze meststoffen te gebruiken op grasland of bouwland,
tenzij de dierlijke meststoffen of het zuiveringsslib emissiearm
worden aangewend.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
bouwland gelegen op Texel.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
het gebruik van vaste dierlijke meststoffen onderscheidenlijk
steekvast zuiveringsslib op grond waarop gras wordt geteeld of waarop
uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend, tenzij de grond een
hellingspercentage heeft van 7 of meer.
Artikel 6
Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest,
zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel
met deze meststoffen te gebruiken anders dan door een zo gelijkmatig
mogelijke verspreiding over het perceel waarop de meststoffen worden
gebruikt.
§ 4. Gebruik van dierlijke meststoffen en stikstofkunstmest op
steile hellingen
Artikel 6a
1.Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest,
zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel
met deze meststoffen te gebruiken op grond met een hellingspercentage
van 7 of meer indien de desbetreffende grond is aangetast door
geulenerosie.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder geulenerosie
verstaan: de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig
afstromend water, waarbij geulen van meer dan 30 centimeter diepte
zijn ontstaan.
Artikel 6b
1.Het is verboden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost,
overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te
gebruiken op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of
meer.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
niet-beteelde grond met een hellingspercentage van minder dan 18
indien deze grond uiterlijk acht dagen na het gebruik van de dierlijke
meststoffen gelijkmatig is ingezaaid met een ander gewas dan maïs,
aardappelen of bieten.
3.De in het tweede lid genoemde uitzondering voor maïs,
aardappelen of bieten geldt niet voor een perceel met een
aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 meter dat aan beide einden
over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens is
afgebakend, dan wel over de volle breedte wordt begrensd door grond
die gelijkmatig is bedekt met een ander gewas dan maïs, aardappelen
of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 meter.
4.Voor de toepassing van het derde lid wordt verstaan onder:
a. lengte van een perceel: zijde van een perceel die de
grootste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen;
b. breedte van een perceel: zijde van een perceel, die de
kleinste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen.
Artikel 6c
Het is verboden stikstofkunstmest te gebruiken op niet-beteelde grond
met een hellingspercentage van 7 of meer.
Artikel 6d
Het verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest,
zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel
met deze meststoffen te gebruiken op bouwland met een hellingspercentage
van 18 of meer.
§ 5. Ontheffingen
Artikel 7
1.Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan in
overeenstemming met Onze Minister, op aanvraag en gehoord de
Technische commissie bodembescherming, ten behoeve van onderzoek
ontheffing verlenen van de in de artikelen 4, 4a, 4b, 5, 6, 6b en 6d
gestelde verboden, op basis van een ingediend onderzoeksplan.
2.Een ontheffing kan slechts worden verleend indien naar het
oordeel van Onze Ministers:
- de ontheffing noodzakelijk is voor het te verrichten
onderzoek,
- het onderzoeksplan voldoende duidelijk en onderbouwd is,
- het voldoende aannemelijk is dat het onderzoek daadwerkelijk
zal leiden tot het in het onderzoeksplan geformuleerde
onderzoeksresultaat,
- het onderzoek voldoende innovatief is,
- het onderzoek voldoende beperkt in duur en omvang is, en
- het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet
tegen de ontheffing.
Artikel 8
1.Gedeputeerde staten kunnen voor de periode van 1 tot en met 15
september ten behoeve van experimenten met het gebruik van dierlijke
meststoffen op bouwland of niet-beteelde grond, gelegen op zand- of
lössgrond, of ten behoeve van experimenten met het gebruik van
compost, zuiveringsslib of overige organische meststoffen op bouwland,
gelegen op zand- of lössgrond, op aanvraag, ontheffing verlenen van
het in artikel 4 gestelde verbod, op basis van een ingediend voorstel
voor een experiment.
2.De ontheffing kan slechts worden verleend na kennisgeving door
gedeputeerde staten aan Onze Minister van de in het eerste lid
bedoelde aanvraag en nadat Onze Minister ter zake de Technische
commissie bodembescherming heeft gehoord.
3.Artikel 7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 8a
1.Op zand- en lössgronden wordt na de teelt van maïs direct
aansluitend een bij ministeriële regeling aangewezen gewas geteeld.
2.De gewassen die na maïs worden geteeld, bedoeld in het eerste
lid, mogen niet worden vernietigd voor 1 februari van het daarop
volgende jaar.
Artikel 9
Met een laboratorium als bedoeld in artikel 4b, derde lid, wordt
gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere
lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is
bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een
verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een
kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau
dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 11
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gebruik meststoffen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 1 december 1997
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de negende december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage I, behorende bij het
Besluit gebruik meststoffen
Beschrijving van emissiearm aanwenden als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel n, van het Besluit gebruik meststoffen
1. Algemeen
Het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib
vindt uitsluitend plaats door toepassing van de in de punten 2 en 3
beschreven methoden.
2. Emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib
op grasland
Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of
zuiveringsslib op grasland, gelegen op zand- of lössgrond, wordt tot 1
januari 2012 de mest of het slib onmiddellijk op of in de grond
gebracht.
Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of
zuiveringsslib op grasland, gelegen op zand- of lössgrond, wordt na 31
december 2011 de mest of het slib onmiddellijk in de grond gebracht.
Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of
zuiveringsslib op grasland, gelegen op kleigrond of veengrond wordt de
mest of het slib onmiddellijk op of in de grond gebracht.
Indien de mest of het slib op de grond wordt gebracht, geschiedt dit
door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend in
strookjes tussen het gras wordt gebracht, waarbij het gras tevoren wordt
opgelicht of zijdelings wordt weggedrukt. De strookjes hebben geen
grotere breedte dan 5 centimeter en de afstand van het midden van een
strookje tot het midden van het naastliggende strookje is minimaal 15
centimeter.
Indien de mest of het slib in de grond wordt gebracht, geschiedt dit
door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend in de
grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen grotere
breedte dan 5 centimeter.
3. Emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib
op bouwland
a. Bij het emissiearm aanwenden van drijfmest of vloeibaar
zuiveringsslib wordt de drijfmest of het zuiveringsslib:
1°. op beteeld bouwland, onmiddellijk in de grond gebracht
door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend
in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen
grotere breedte dan 5 centimeter, of
2°. op niet-beteeld bouwland, onmiddellijk in de grond
gebracht door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib
uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes
hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en zijn minimaal 5
centimeter diep, of
3°. in één werkgang aangewend, waarbij de mest of het slib
met één machine op het grondoppervlak wordt gebracht en
ondergewerkt, op zodanige wijze dat de mest of het slib direct
nadat deze op het grondoppervlak is gebracht ofwel in de grond
wordt gebracht, ofwel intensief met de grond wordt vermengd, met
als gevolg dat de mest of het slib als zodanig niet meer zichtbaar
op het grondoppervlak ligt.
b. Bij het emissiearm aanwenden van vaste mest of steekvast
zuiveringsslib wordt de mest of het slib in maximaal twee direct
opeenvolgende werkgangen op het grondoppervlak gebracht en
ondergewerkt, en wel op zodanige wijze dat de mest of het slib direct
nadat deze op het grondoppervlak is gebracht ofwel in de grond wordt
gebracht, ofwel intensief met de grond wordt vermengd, met als gevolg
dat de mest of het slib als zodanig niet meer zichtbaar op het
grondoppervlak ligt.
Bijlage II, behorende bij het Besluit gebruik
meststoffen
I Bepaling hellingspercentage van gewaspercelen met één hoogste
en één laagste punt
1. Bepaling van de richting van de steilste helling in het
gewasperceel (L = lengte van het gewasperceel).
De steilste helling in het gewasperceel is maatgevend voor L.
Figuur A

L van gewasperceel a = 400 meter
L van gewasperceel b = 200 meter
2. Bepaling van het gemiddelde hellingspercentage over de in 1
vermelde L (lengte gewasperceel).
Figuur B

Gemiddeld hellingspercentage = 1.
Figuur C

Gemiddeld hellingspercentage: 300/500 x 6 + 200/500 x 1 = 4
Figuur D

Gemiddeld hellingspercentage: 150/500 x 2 + 200/500 x 12/500 +
150/500 x 2 = 6
II Bepaling hellingspercentage van gewaspercelen met meer dan
één hoogste punt of laagste punt (holle en bolle percelen)
1. Holle percelen: vanuit het laagste punt het gemiddelde van twee
hellingen bepalen.
Figuur E

Gemiddeld hellingspercentage van helling 1: 200/300 x 6 + 100/300 x 9
= 7
helling 2: idem
Gemiddeld hellingspercentage gewasperceel:
300/600 x 7 + 300/600 x 7 = 7
2. Bolle percelen: vanuit het hoogste punt het gemiddelde van twee
hellingen bepalen.
Bijlage III, behorende bij het Besluit
gebruik meststoffen
Toetsingswaarden voor de bodem bij het gebruik van zuiveringsslib
|
Cd (Cadmium)
|
ten hoogste 0,4 + 0,007 (L + 3H) mg/kg ds
|
|
Cr (Chroom)
|
ten hoogste 50 + 2 L mg/kg ds
|
|
Cu (Koper)
|
ten hoogste 15 + 0,6 (L + H) mg/kg ds
|
|
Hg (Kwik)
|
ten hoogste 0,2 + 0,0017 (2 L + H) mg/kg ds
|
|
Ni (Nikkel)
|
ten hoogste 10 + L mg/kg ds
|
|
Pb (Lood)
|
ten hoogste 50 + L + H mg/kg ds
|
|
Zn (Zink)
|
ten hoogste 50 + 1,5 (2 L + H) mg/kg ds
|
|
As (Arseen)
|
ten hoogste 15 + 0,4 (L + H) mg/kg ds
|
L = % Lutum
H = % organische stof
Bijlage IV
[Vervallen per 01-01-2008]
|
|
|