| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
GLASTUINBOUW
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 februari 2002, houdende regels voor
glastuinbouwbedrijven en voor bepaalde akkerbouwbedrijven (Besluit
glastuinbouw)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 25 juni 2001, nr. MJZ 2001064015 Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, de Staatssecretaris van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op Richtlijn nr. 76/464/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de
verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het
aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEG L 129),
Richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG
L 135), Richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van 12 december
1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraat
uit agrarische bronnen (PbEG L 375) en Richtlijn nr.
91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG
L 377), de artikelen 8.19, 8.40, 8.41, 8.42, 8.44 en 21.8 van de
Wet milieubeheer, de artikelen 1, 1a, 2a, 2b, 2c
en 31, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de artikelen 72 en 93
van de Wet bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van
3 december 2001, nr. W01.01.0291/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 15 januari
2002, nr. MJZ 2002013892, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat, de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
ADR: op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese
Overeenkomst betreffende het internationale vervoer voor
gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van
bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of
naar een andere voorziening voor de inzameling en het transport
van afvalwater;
bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel of biocide als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
bijlage 1: de bij dit besluit behorendebijlage 1;
bijlage 2: de bij dit besluit behorendebijlage 2;
bijlage 3: de bij dit besluit behorendebijlage 3;
drainagewater: water dat wordt afgevoerd via een stelsel van
geperforeerde buizen die in de grond zijn aangebracht;
drainwater: voedingswater dat bij substraatteelt niet wordt
opgenomen door het gewas;
gasfles: verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet
meer dan 150 liter;
gasolie: gasolie in de zin van de Wet op de accijns;
gevaarlijke stoffen: stoffen, preparaten en voorwerpen, waarvan
het vervoer volgens ADR is verboden of slechts onder daarin
opgenomen waarden is toegestaan;
gewas: een in lijst 1 behorende bij bijlage 1 opgenomen gewas
of een in lijst 2 behorende bij die bijlage bij een gewasgroep
ingedeeld gewas;
gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en
biociden;
gewasgroep: een groep waarvan in lijst 2 behorende bij bijlage
1 is aangegeven welke gewassen erbij zijn ingedeeld;
inrichting-bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is,
onderscheidenlijk zou zijn, een omgevingsvergunning te verlenen
voor een glastuinbouwbedrijf of een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf
met open grondteelt waarop het Besluit akkerbouwbedrijven
milieubeheer niet van toepassing is in verband met artikel 1,
onder a, onder 11°, van dat besluit;
kunstmeststoffen: meststoffen van niet organische oorsprong;
lozen: lozen op een oppervlaktewaterlichaam of lozen op een
riolering;
lozen op een oppervlaktewaterlichaam:brengen van afvalstoffen,
verontreinigende of schadelijke stoffen in een
oppervlaktewaterlichaam;
lozen op een riolering: al dan niet door middel van een
bedrijfsriolering brengen van afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen in een openbaar riool of een andere
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die
is aangesloten op een zuiveringstechnisch werk;
maatwerkvoorschrift: voorschrift als bedoeld in artikel 8.42,
eerste lid, van de Wet milieubeheer, inhoudende:
a. een beschikking waarbij het Wtw- of het inrichting-
bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
b. een ontheffing waarbij het Wtw- of het inrichting-
bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van
toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van
beperkingen of voorwaarden;
meststoffen: dierlijke meststoffen, overige organische
meststoffen en andere meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel e, f, onderscheidenlijk g, van de Meststoffenwet,
voor zover zij stikstof of fosfor bevatten;
NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI)
uitgegeven norm;
NVN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI)
uitgegeven voornorm;
object categorie I:
1°. aaneengesloten woonbebouwing, bestaande uit drie of
meer woningen die op telkens minder dan 5 meter afstand van
elkaar zijn gelegen, gerekend van gevel tot gevel;
2°. een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat bestemd
is voor het verblijf van personen of een object of terrein dat
bestemd is voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een
van een agrarisch bedrijf deel uitmakend kleinschalig object
of terrein dat ter beschikking wordt gesteld voor het plaatsen
van enkele kampeermiddelen, waarbij onder kampeermiddelen
worden verstaan onderkomens of voertuigen die bestemd of
geschikt zijn voor recreatief nachtverblijf en die geen
bouwwerk zijn in de zin van de Woningwet;
object categorie II:
1°. woningen van derden;
2°. restaurants;
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een inrichting;
openbaar riool: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en
het transport van afvalwater;
PGS 7: publicatie nr. 7 van de «Publicatiereeks Gevaarlijke
stoffen», getiteld «Opslag van vaste minerale anorganische
meststoffen», uitgave oktober 2007;
riolering: bedrijfsriolering of een voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater;
spuiwater: water dat vanuit het recirculatiesysteem geloosd
wordt, omdat het niet meer geschikt is om als voedingswater te
worden toegepast;
stookinstallatie: stookinstallatie als bedoeld in het Besluit
emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer;
substraatteelt: wijze van telen waarbij gewassen groeien op een
bodem die los van de ondergrond is;
vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie als
bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns;
voedingswater: water dat aan het gewas wordt toegediend en waar
eventueel meststoffen aan zijn toegevoegd;
vooronderzoek: onderzoek uit te voeren op een wijze als
aangegeven in NVN 5725 «Bodem– leidraad voor het uitvoeren van
vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek»,
uitgave 1999, dan wel een door de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen norm;
warmtekrachtinstallatie: stookinstallatie, bestemd voor het
gelijktijdig opwekken van warmte en kracht waarbij de warmte
nuttig wordt aangewend;
woning: een gebouw of gedeelte van een gebouw, dat voor
bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering
van een dienst- of bedrijfswoning behorende bij een inrichting als
bedoeld in artikel 2 onder a;
watervergunning: vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de
Waterwet;
Wtw-bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot
vergunningverlening ingevolge artikel 6.2 van de Waterwet.
2. Voor de toepassing van artikel 2, onder e, en bijlage 3, wordt
het aantal inwonerequivalenten van een lozing van huishoudelijk
afvalwater berekend door:
a. het aantal kubieke meters gebruikt water per 365 dagen te
vermenigvuldigen met de factor 0,023 of
b. het aantal mandagen per 365 dagen te vermenigvuldigen met de
factor 0,001.
3. Dit besluit berust mede op de artikelen 78 tot en met 80 van de
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Artikel 2
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts
verstaan onder:
a. glastuinbouwbedrijf: een inrichting die tot een krachtens
artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie
behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder
een permanente opstand van glas of van kunststof telen van gewassen,
met uitzondering van een zodanige inrichting die uitsluitend of in
hoofdzaak is bestemd tot het onder een zodanige opstand telen van
eetbare paddestoelen of witlof;
b. glastuinbouwbedrijf type A: glastuinbouwbedrijf, waar:
1°. gedeputeerde staten het inrichting-bevoegd gezag voor
zijn;
2°. een of meer installaties aanwezig zijn voor het
verstoken of verbranden van andere stoffen dan aardgas,
propaangas, butaangas, gasolie of biodiesel, die voldoen aan
NEN-EN 14.214, met een individueel nominaal vermogen van meer
dan 20 kilowatt;
3°. een andere brandstof dan aardgas, propaangas of
butaangas dan wel in een combinatie van deze brandstoffen wordt
gestookt ten behoeve van een warmtekrachtinstallatie;
4°. een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren
aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd vermogen van 15 MW
of meer;
5°. activiteiten of handelingen plaatsvinden, als bedoeld in
categorie 21 van bijlage I, onder C, bij het Besluit
omgevingsrecht;
6°. in een specifieke daartoe ingerichte ruimte behandeling
voor derden van bloembollen of knollen met
gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt;
7°. kunstmeststoffen worden opgeslagen behorende tot groep 3
of groep 4 als bedoeld in PGS 7 of meer dan 50 ton
kunstmeststoffen behorende tot groep 2 wordt opgeslagen als
bedoeld in PGS 7;
8°. verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde
kunstmeststoffen, worden opgeslagen in een opslagvoorziening met
een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram;
9°. windenergie in elektrische energie wordt omgezet met
één of meer windturbines, tenzij:
aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding
hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale
draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de
dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige
bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een
gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
10°. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare brandstoffen
of afgewerkte olie in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is
van:
a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of
afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke
inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte
stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse
tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten
hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte
stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse
tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste
15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse
tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse
tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5
kubieke meter;
11°. gassen of gasmengsels in tanks worden opgeslagen,
tenzij sprake is van de opslag van propaan waarop het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is
of van de opslag van vloeibare kooldioxide;
12°. aflevering van brandstoffen ten behoeve van
tractiedoeleinden plaatsvindt aan motorvoertuigen van derden;
13°. per transportmiddel meer dan één wisselreservoir met
een waterinhoud van ten hoogste 150 liter aanwezig is;
14°. bloemen en planten worden geverfd;
15°. vee bedrijfsmatig wordt gehouden;
16°. koel-en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn
met een inhoud per installatie van meer dan 1500 kg ammoniak of
van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengels van propaan en
butaan;
17°. het Besluit externe veiligheid inrichtingen op van
toepassing is;
18°. de oprichting van heeft plaatsgevonden:
aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is
gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een
object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25
meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met
inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is
gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een
object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10
meter van een object categorie II, of het
glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele
uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te
liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig
object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig
object categorie II,
waarbij geldt dat voor de bepaling van de afstanden wordt
gemeten vanaf het onderdeel van het glastuinbouwbedrijf dat het
dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een
waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open
erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd;
c. glastuinbouwbedrijf type B: glastuinbouwbedrijf, niet zijnde
glastuinbouwbedrijf type A;
d. glastuinbouwactiviteiten: het bedrijfsmatig of in een omvang
alsof het bedrijfsmatig was onder een permanente opstand van glas of
van kunststof telen van gewassen, met uitzondering van eetbare
paddestoelen of witlof;
e. lozen type I: het ten gevolge van glastuinbouwactiviteiten of
activiteiten die daar direct mee verband houden, lozen op:
1°. een oppervlaktewaterlichaam van:
aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk
drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994
nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10
inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de
dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten,
gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder
bedraagt dan:
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch
niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
2°. een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in
artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is
aangesloten op een inrichting, in gebruik bij een provincie, een
gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het
zuiveren van afvalwater;
f. lozen type II: het lozen ten gevolge van
glastuinbouwactiviteiten of daarmee direct verband houdende
activiteiten, niet zijnde lozen type I.
Artikel 2a
Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b,
en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7 van de Waterwet.
Artikel 3
De verboden, bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet, gelden niet ten
aanzien van lozen type II.
Paragraaf 2. Voorschriften voor glastuinbouwbedrijven type B
Artikel 4
1. De voorschriften, opgenomen in bijlagen 1 en 2, gelden voor een
ieder die een glastuinbouwbedrijf type B drijft.
2. De voorschriften, opgenomen in bijlage 3, gelden voor een ieder
die loost type II vanuit een glastuinbouwbedrijf type B.
3. De voorschriften, opgenomen in bijlage 2, zijn niet van
toepassing op drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarop het
Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is, voorzover de
voorschriften betrekking hebben op het ontwerp, de vervaardiging, de
overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en het gebruik bedoeld
in dat besluit.
4. De voorschriften opgenomen in bijlage 1, voor zover zij
betrekking hebben op meststoffen, gelden niet indien geen emissie van
meststoffen naar bodem, lucht of een oppervlaktewaterlichaam
plaatsvindt.
5. De verbruiksdoelstellingen genoemd in bijlage 1, lijst 1,
onderdelen C en D, gelden niet voor substraatteelt.
6. Vanaf 1 januari 2011 gelden de voorschriften 3.1.1, onderdelen b
en c, 3.1.2, onderdelen b en c, en 3.1.3, onderdelen b en c, van
bijlage 1 niet voor substraatteelt.
Artikel 5
1. Degene die een glastuinbouwbedrijf type B drijft, draagt er zorg
voor dat de voor het betrokken glastuinbouwbedrijf geldende artikelen
en voorschriften worden nageleefd.
2. Indien een voorschrift dat is opgenomen in bijlage 2,
hoofdstukken 1 tot en met 3, inhoudt dat daarbij aangegeven middelen
ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast, meldt degene
die de inrichting drijft en die voornemens is andere middelen toe te
passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die andere
middelen wil toepassen aan het inrichting-bevoegd gezag, onder
overlegging van de in artikel 7, achtste lid, bedoelde gegevens. Het
inrichting-bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen
middel.
3. Indien een voorschrift dat is opgenomen in bijlage 3, inhoudt
dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van een
oppervlaktewaterlichaam of ter bescherming van de doelmatige werking
van de betrokken zuiveringstechnische werken moeten worden toegepast,
meldt degene die loost type II en die voornemens is andere middelen
toe te passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die
andere middelen wil toepassen aan het Wtw-bevoegd gezag, onder
overlegging van de in artikel 8, zesde lid, bedoelde gegevens. Het
Wtw-bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel.
Artikel 6
1. Het inrichting-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen
met betrekking tot:
a. de in bijlage 2 opgenomen voorschriften ten aanzien van
geluid, afvalstoffen, afvalwater, waterbesparing,
assimilatiebelichting, bestrijdingsmiddelen, bodembescherming,
lucht, opslag vloeibare kooldioxide, opslag vaste mest en gebruikt
substraatmateriaal en het composteren en de opslag van afgedragen
gewas, voor zover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is
aangegeven, of
b. de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid
van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de
veiligheid van de opslag van stoffen, het verbruik van
grondstoffen, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen
van en naar de inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu
die de inrichting kan veroorzaken waarop paragraaf 1.9 van bijlage
2 betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het
belang van de bescherming van het milieu.
2. Het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met
betrekking tot de in bijlage 3 opgenomen voorschriften ten aanzien van
het volume van lozen, buffervoorzieningen, voorzieningen voor de
gespreide afvoer van afvalwater, voorzieningen voor de individuele
behandeling van afvalwater, controlevoorzieningen, samenstelling en
hergebruik van afvalwater, toediening van meststoffen alsmede metingen
en analyses, voor zover dat in die bijlage is aangegeven.
3. De maatwerkvoorschriften gelden voor een ieder die het
glastuinbouwbedrijf type B drijft. Deze draagt er zorg voor dat de
maatwerkvoorschriften worden nageleefd.
4. De maatwerkvoorschriften, bedoeld in het eerste lid, kunnen
worden gewijzigd of ingetrokken, indien het belang van de bescherming
van het milieu zich daartegen niet verzet.
5. De maatwerkvoorschriften, bedoeld in het tweede lid, kunnen
worden gewijzigd of ingetrokken, indien het belang van de bescherming
van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de
betrokken zuiveringstechnische werken zich daartegen niet verzetten.
6. Van de beschikking waarbij een maatwerkvoorschrift wordt gesteld
krachtens dit besluit, wordt kennisgegeven in één of meer dag-,
nieuws- of huis-aan-huisbladen.
Artikel 7
1. Degene die een glastuinbouwbedrijf type B opricht, meldt dit ten
minste acht weken voor de oprichting aan het inrichting-bevoegd gezag.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot het veranderen van een glastuinbouwbedrijf type B en het
veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist,
indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door
dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van het
glastuinbouwbedrijf geen afwijking ontstaat van de bij die melding
eerder verstrekte gegevens.
3. Bij een melding wordt vermeld:
a. het adres van het glastuinbouwbedrijf;
b. de naam en het adres van degene die het glastuinbouwbedrijf
opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en,
indien dat iemand anders is, van degene die het
glastuinbouwbedrijf drijft of zal drijven;
c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in het
glastuinbouwbedrijf;
d. de indeling en de uitvoering van het glastuinbouwbedrijf;
e. het tijdstip waarop het glastuinbouwbedrijf of de
verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de
verandering van de werking verwezenlijkt zal zijn;
f. de aard, omvang en frequentie van de transportactiviteiten
en
g. de plaats waar wordt geladen en gelost en
h. [vervallen.]
4. Bij de melding worden voorts gevoegd
a. een rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de
bodem, gericht op het in beeld brengen van de toestand van de
bodem voor het tijdstip waarop het glastuinbouwbedrijf of de
verandering daarvan in werking is gebracht, dan wel de verandering
van de verwerking is verwezenlijkt. Het onderzoek naar de
nulsituatie richt zich uitsluitend op de stoffen die door de
werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit
vormen, en op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen
plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden;
b. een rapportage van een vooronderzoek. Het vooronderzoek
richt zich op de gehele inrichting;
c. indien assimilatiebelichting wordt toegepast: de
verlichtingssterkte, uitgedrukt in lux, alsmede het type lamp, het
aantal Watt per vierkante meter en het totale vermogen van de
geïnstalleerde lampen in Watt.
5. Indien bij de melding geen rapport van een onderzoek naar de
nulsituatie van de bodem is gevoegd, kan het bevoegd gezag besluiten
dat een zodanig onderzoek niet is vereist, indien aannemelijk is dat
de kans op toekomstige bodemverontreiniging afwezig is.
6. Indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau of het piekniveau veroorzaakt door de in de
inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de
inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten hoger zal zijn dan
de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van
bijlage 2, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de
melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de
akoestische situatie moet worden overgelegd.
7. Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of
geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus en
op maatregelen en voorzieningen die ertoe kunnen leiden dat de
geluidniveaus de waarden bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of
4.1.1 van bijlage 2 niet zullen overschrijden.
8. De in het derde en vierde lid vermelde gegevens behoeven niet te
worden verstrekt, indien degene die het glastuinbouwbedrijf type B
drijft, deze gegevens reeds aan het inrichting-bevoegd gezag heeft
verschaft en het inrichting-bevoegd gezag over die gegevens beschikt.
9. Degene die de melding doet, geeft in voorkomend geval bij de
melding aan welke gegevens hij reeds aan het inrichting-bevoegd gezag
heeft verschaft.
10. Bij de melding overeenkomstig artikel 5, tweede lid, worden aan
het inrichting-bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met
de toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige
bescherming voor het milieu wordt bereikt.
Artikel 8
1. Degene die voornemens is vanuit een glastuinbouwbedrijf type B
te lozen type II, meldt dit ten minste acht weken voordat met dat
lozen wordt aangevangen aan het Wtw-bevoegd gezag.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot het veranderen van het lozen, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij een melding wordt vermeld:
a. de naam en het adres van degene die loost;
b. de aard en omvang van de glastuinbouwactiviteiten;
c. de indeling en de uitvoering van de gebouwen waar vanuit het
lozen plaatsvindt;
d. de plaats van in de gebouwen aanwezige lozingspunten;
e. het volume en de samenstelling van het te lozen afvalwater;
f. een opgave van de afstand tussen de plaats waar het
afvalwater ontstaat en de dichtstbijzijnde voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater, bedoeld in artikel
10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
g. een opgave van het aantal inwonerequivalenten van
huishoudelijk afvalwater, dat wordt geloosd;
h. een opgave van de voorzieningen, bedoeld in de voorschriften
4, eerste en zesde lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, 7, derde
lid, 8, derde lid, 9, tweede en vierde lid , 10, tweede lid, 11,
tweede en vierde lid, 12, tweede lid, en 14, achtste lid opgenomen
in bijlage 3 en
i. [vervallen.]
4. De in het derde lid vermelde gegevens behoeven niet te worden
verstrekt, indien degene die loost, deze gegevens reeds aan het
Wtw-bevoegd gezag heeft verschaft en het Wtw-bevoegd gezag over die
gegevens beschikt.
5. Degene die een melding doet, geeft in voorkomend geval bij de
melding aan welke gegevens hij reeds aan het Wtw-bevoegd gezag heeft
verschaft.
6. Bij de melding overeenkomstig artikel 5, derde lid, worden aan
het Wtw-bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de toe
te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming
voor een oppervlaktewaterlichaam of de doelmatige werking van de
betrokken zuiveringtechnische werken wordt bereikt.
Artikel 9
De meldingen bedoeld in de artikelen 7 en 8 worden gedaan op een
formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Paragraaf 3. Voorschriften voor glastuinbouwbedrijven type A en voor
akkerbouwbedrijven met een permanente opstand van glas of kunststof van
meer dan 2500 m2
Artikel 10
1. De voorschriften opgenomen in bijlage 1 gelden voor een ieder
die een glastuinbouwbedrijf type A drijft of een akkerbouw- of
tuinbouwbedrijf met open grondteelt, waarop het Besluit landbouw
milieubeheer in verband met artikel 3, eerste lid, onder i, van dat
besluit, niet van toepassing is. Artikel 5, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. De voorschriften, opgenomen in bijlage 3, gelden voor een ieder
die loost type II vanuit een bedrijf als bedoeld in het eerste lid. De
artikelen 5, eerste en derde lid, 6, tweede, derde, vijfde en zesde
lid, en 8 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 4, vierde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 4. Voorschriften voor lozen type II, anders dan vanuit een
glastuinbouwbedrijf of een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open
grondteelt met een permanente opstand van glas of kunststof van meer dan
2500 m2.
Artikel 11
1.De voorschriften, opgenomen in bijlage 3, gelden voor een ieder
die loost type II anders dan vanuit een glastuinbouwbedrijf of een
akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt als bedoeld in
artikel 10, eerste lid.
2.Op lozen type II als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen
5, eerste en derde lid, 6, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 8
van overeenkomstige toepassing.
3.Bij een melding als bedoeld in artikel 8, wordt voorts een opgave
van de teelt of teelten en teeltwijze of teeltwijzen overgelegd.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 12
[Wijzigt het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer]
Artikel 13
[Wijzigt het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij]
Artikel 14
1. Voor een glastuinbouwbedrijf type B dat op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit was opgericht en waarvoor
onmiddellijk daaraan voorafgaand een Wm-vergunning in werking en
onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in
verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de
aanvraag voor zover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens
bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gelden
als nadere eis, bedoeld in artikel 6, eerste lid, behoudens eerdere
wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na
het tijdstip van toepassing worden van dit besluit op die inrichting,
mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd
in artikel 6, eerste lid, onder a.
2. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de Wm-vergunning dan
wel krachtens het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt
milieubeheer, blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, mits
het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in
artikel 6, eerste lid, onder a.
3. Degene die een glastuinbouwbedrijf type B drijft waarop het
eerste lid van toepassing is, legt de gegevens, bedoeld in artikel 7,
derde lid, onderdelen a tot en met g en vierde lid, over aan het
inrichting-bevoegd gezag. Artikel 7, vijfde, zesde en zevende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Voor zover de gegevens nog niet eerder in het kader van de
Wm-vergunning behoefden te worden overgelegd, legt degene die het
glastuinbouwbedrijf drijft, die gegevens over aan het
inrichting-bevoegd gezag, ten hoogste twaalf weken na het tijdstip
waarop dit besluit in werking treedt.
4. Degene die een glastuinbouwbedrijf type B drijft waarop
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer
van toepassing was, legt de gegevens bedoeld in artikel 7, derde lid,
onderdelen f en g, en vierde lid, over aan het inrichting-bevoegd
gezag. Artikel 7, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15
1. Voor lozen type II, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van
dit besluit reeds plaatsvond en waarvoor onmiddellijk daaraan
voorafgaand een Wvo-vergunning in werking en onherroepelijk was,
blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de
gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag die deel
uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor
opname of omzetting in voorschriften, gelden als nadere eis, bedoeld
in artikel 6, tweede lid, behoudens eerdere wijziging of intrekking
van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van
toepassing worden van dit besluit op dat lozen, mits het voorschrift
betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 6, tweede
lid.
2. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de Wvo-vergunning
dan wel krachtens het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw voor lozen type
II, blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 6, tweede lid,
na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit mits het
voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in
artikel 6, tweede lid.
3. Degene die loost type II waarop het eerste lid van toepassing
is, legt de gegevens, bedoeld in artikel 8, derde lid, over aan het
Wtw-bevoegd gezag. Artikel 8, vierde en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Degene die loost type II waarop onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het Lozingenbesluit Wvo
glastuinbouw van toepassing was, legt de gegevens bedoeld in artikel
8, derde lid, onderdeel h, over aan het Wtw-bevoegd gezag. Artikel 8,
vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een
glastuinbouwbedrijf type B reeds is opgericht en voor dat bedrijf
onmiddellijk voor dat tijdstip geen Wm-vergunning in werking en
onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit
tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer, meldt degene die de
inrichting drijft, aan het Wm-bevoegd gezag dat hij de inrichting in
werking heeft.
2.De melding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt ten hoogste
twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt.
Artikel 7, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing op een melding als bedoeld in het eerste lid.
3.Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een
glastuinbouwbedrijf type B reeds is opgericht en voor dat bedrijf
onmiddellijk voor dat tijdstip een melding was gedaan krachtens het
Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer, legt degene
die het glastuinbouwbedrijf drijft, ten hoogste twaalf weken na het
tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, de gegevens, bedoeld in
artikel 7, derde lid, onderdelen f en g, en vierde lid, over aan het
Wm-bevoegd gezag. Artikel 7, vijfde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een
aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een
glastuinbouwbedrijf type B is ingediend en dit besluit op de
inrichting van toepassing is of zal zijn, zijn het eerste en tweede
lid, niet van toepassing. De aanvraag wordt in dat geval aangemerkt
als een melding overeenkomstig artikel 7.
Artikel 17
1. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt
lozen type II reeds plaatsvond en voor dat lozen onmiddellijk voor dat
tijdstip geen Wvo-vergunning gold of geen melding was gedaan krachtens
het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw, meldt degene die loost, aan het
Wtw-bevoegd gezag dat hij loost.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt ten hoogste
twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt.
Artikel 8, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing op een melding als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt
lozen type II reeds plaatsvond en voor dat lozen onmiddellijk voor dat
tijdstip een melding was gedaan krachtens het Lozingenbesluit Wvo
glastuinbouw, legt degene die loost type II, ten hoogste twaalf weken
na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, de gegevens,
bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdelen f en h, over aan het
Wtw-bevoegd gezag. Artikel 8, vierde en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 17a
1. Met voorzieningen, toestellen en installaties genoemd in dit
besluit of de bijlagen worden gelijkgesteld voorzieningen, toestellen
en installaties die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn
gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel
rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel gebracht in een staat,
niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een
daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland
bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat
ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen
wordt nagestreefd.
2. Met een verklaring, keuring of erkenning als bedoeld in dit
besluit of de bijlagen wordt gelijkgesteld een verklaring van
goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in
een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een
daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland
bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die
een beschermingsniveau bieden dan ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
3. Met de beroepseisen ter zake van controle, beoordeling,
inspectie, onderhoud of afstelling als bedoeld in dit besluitof de
bijlagen worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde
een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe
strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en
die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan
het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Artikel 18
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer zendt in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen vijf jaar na
de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.
Artikel 19
1. Ingetrokken worden:
a. het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer
en
b. het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw.
2. [Vervallen]
3. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling
slibvangputten en vet- of olie-afscheiders mede op het in bijlage 2
opgenomen voorschrift 1.3.6, onder b en c.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het wordt geplaatst, met uitzondering van voorschrift 1.1.6, opgenomen
in bijlage 1 en voorschrift 2.5.1 opgenomen in bijlage 2, die op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit glastuinbouw.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 februari 2002
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P. Pronk
De Minister van Verkeer en
Waterstaat,
T. Netelenbos
De Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtentwintigste
februari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|