| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
LOZING AFVALWATER HUISHOUDENS
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 15 november 2007, houdende regels met
betrekking tot het lozen vanuit particuliere huishoudens (Besluit
lozing afvalwater huishoudens)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 21 maart 2006, nr. DJZ2006244854, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op Richtlijn nr. 2006/11/EG van 15
februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde
gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap
worden geloosd (PbEU L 64), Richtlijn nr. 80/68/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979 betreffende de
bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de
lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L 020), Richtlijn
nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei
1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135),
Richtlijn nr. 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het
grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU
L 371) en Richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader
voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG
L 327), de artikelen 10.2, tweede en derde lid, 10.30, derde lid, en
10.32 van de Wet milieubeheer, de artikelen 6, 15, 17, 65, 67, 92 en 97
van de Wet bodembescherming en de artikelen 1, derde lid, 2a,
eerste en tweede lid, 2b, eerste en tweede lid, en 2c,
tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 28 juni
2006, nr. W08.06.0084/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 13 november
2007, nr. DJZ2007111899, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving,
uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. bevoegd gezag: burgemeester en wethouders van de gemeente waar
het lozen plaatsvindt of de beheerder indien het lozen betreft als
bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet;
b. gebouw: een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, van de Woningwet, waaronder mede wordt verstaan een
woonschip dat uit hoofde van zijn feitelijke bestemming plaatsgebonden
is;
c. lozen: het brengen van:
1°. afvalwater of andere afvalstoffen,
verontreinigende of schadelijke stoffen in een
oppervlaktewaterlichaam;
2°. afvalwater of overige vloeistoffen op of
in de bodem;
3°. afvalwater of andere afvalstoffen in een
openbaar hemelwaterstelsel;
4°. afvalwater of andere afvalstoffen in een
openbaar ontwateringsstelsel;
5°. afvalwater of andere afvalstoffen in een
openbaar vuilwaterriool;
6°. afvalwater of andere afvalstoffen in een
andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater,
of
7°. afvalwater of andere afvalstoffen met
behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en
het transport van afvalwater op een zuiveringtechnisch werk;
d. maatwerkvoorschrift: voorschrift als bedoeld in de artikelen 17,
tweede lid, en 65 van de Wet bodembescherming en 6.6, tweede lid, van
de Waterwet, inhoudende:
1°. een beschikking waarbij het bevoegd
gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
2°. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag
de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan
niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden;
e. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
f. voorziening voor het beheer van afvalwater: openbaar
vuilwaterriool, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar
ontwateringsstelsel, andere voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, zuiveringtechnisch werk of
zuiveringsvoorziening;
g. vuilwaterriool:
1°. openbaar vuilwaterriool;
2°. andere voorziening voor de inzameling en
het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten op een
zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als bedoeld in
artikel 6.2, tweede lid, van de Waterwet mede voor het zuiveren van
stedelijk afvalwater is bedoeld, of aangesloten op een
zuiveringtechnisch werk; of
3°. werk, niet zijnde een voorziening voor
de inzameling en het transport van afvalwater, aangesloten op een
zuiveringtechnisch werk;
h. woonruimte: ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan
de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om
afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;
i. zuiveringsvoorziening: werk voor het zuiveren van afvalwater,
dat geen zuiveringtechnisch werk is.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
een particulier huishouden mede verstaan:
a. een woonschip dat uit hoofde van zijn feitelijke bestemming
plaatsgebonden is, en
b. een voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte die geen
onderdeel uitmaakt van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1,
vierde lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 1a
Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerst lid, onderdeel b,
en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7 van de Waterwet.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen ten aanzien van het lozen vanuit
particuliere huishoudens
Artikel 2
1. Vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste
lid, van de Wet milieubeheer, wordt verleend voor het lozen vanuit een
particulier huishouden op of in de bodem.
2. De verboden, bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet, gelden
niet voor het lozen vanuit een particulier huishouden in een
oppervlaktewaterlichaam.
3. Vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste
lid, van de Wet milieubeheer, wordt verleend voor het lozen vanuit een
particulier huishouden in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, met uitzondering van het lozen van afvalwater
als bedoeld in artikel 10.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
4. Degene die loost vanuit een particulier huishouden, voldoet
aan de regels die bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
5. Dit besluit is niet van toepassing op:
a. het lozen vanuit een inrichting;
b. het in een oppervlaktewaterlichaam:
1°. in een werk aanbrengen of houden van
bouwstoffen;
2°. aanbrengen, verspreiden of tijdelijk
opslaan van grond of baggerspecie alsmede het houden van die
aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie;
c. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van
reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere
onderhoudswerkzaamheden aan vaste objecten en sloop-, renovatie- of
nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten als bedoeld in de artikelen
3.10 en 3.11 van het Besluit lozen buiten inrichtingen;
d. het lozen vanuit een proefbronnering in het kader van een
saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming en het lozen
vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming.
Artikel 3
1. Lozen op of in de bodem vanuit een particulier huishouden is
verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of
ondergrond in het grondwater geraken.
2. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het
eerste lid niet van toepassing is en dat lozen in de bodem is
toegestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich
gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het lozen
daartegen niet verzet.
3. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid kunnen
voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:
a. de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van het te lozen
afvalwater;
b. de voorafgaand aan het lozen van het afvalwater te treffen
maatregelen, en
c. de plaats van het lozingspunt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op lozen in de bodem
waaraan in een vergunning op grond van artikel 6.4 of artikel 6.5,
onderdeel b, van de Waterwet, dan wel een vergunning op grond van een
verordening van het waterschap voorschriften zijn gesteld.
Artikel 4
1. Onverminderd het bij of krachtens hoofdstuk 3 bepaalde wordt
vanuit een particulier huishouden uitsluitend geloosd, indien door de
samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van de lozing de nadelige
gevolgen voor de kwaliteit van de bodem en een oppervlaktewaterlichaam
zoveel mogelijk worden beperkt en de doelmatige werking van de
voorzieningen voor het beheer van afvalwater niet wordt belemmerd.
2. Onverminderd artikel 11, derde lid, kan het bevoegd gezag met
het oog op de bescherming van de kwaliteit van de bodem en een
oppervlaktewaterlichaam maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot:
a. de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van het te lozen
afvalwater;
b. de voorafgaand aan het lozen van het afvalwater te treffen
maatregelen, en
c. de plaats van het lozingspunt.
Artikel 5
Indien bij of krachtens dit besluit is bepaald dat een daarbij
aangegeven maatregel ter bescherming van het milieu moet worden
toegepast, kan een andere maatregel worden toegepast, indien het bevoegd
gezag heeft beslist dat met die maatregel ten minste een gelijkwaardig
niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.
Hoofdstuk 3. Bepalingen ten aanzien van het lozen van huishoudelijk
afvalwater en zwembadwater
§ 1. Algemeen
Artikel 6
Huishoudelijk afvalwater, afkomstig van het bereiden van
voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen
bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of
vermalen, wordt niet geloosd.
§ 2. Lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem
Artikel 7
1. Huishoudelijk afvalwater wordt niet op
of in de bodem geloosd, indien de afstand tot het dichtstbijzijnde
vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop aansluiting kan
plaatsvinden, 40 meter of minder bedraagt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de afstand
berekend:
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk
afvalwater vrijkomt; en
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder
overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag, indien
het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet,
op een daartoe strekkende aanvraag bij maatwerkvoorschrift het lozen op
of in de bodem toestaan voor een door hem vast te stellen termijn,
gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn
van de voor de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch
werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening.
Artikel 8
1. Voorafgaand aan het lozen op of in de bodem wordt
huishoudelijk afvalwater door een zuiveringsvoorziening geleid.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de zuiveringsvoorziening, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9
1. Lozen op of in de bodem vindt plaats door middel van een
infiltratievoorziening.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de infiltratievoorziening, bedoeld in het eerste lid.
§ 3. Lozen van huishoudelijk afvalwater in een
oppervlaktewaterlichaam
Artikel 10
1. Huishoudelijk afvalwater wordt niet in
een oppervlaktewaterlichaam geloosd, indien de afstand tot het
dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop
aansluiting kan plaatsvinden, 40 meter of minder bedraagt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de afstand
berekend:
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk
afvalwater vrijkomt; en
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder
overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag, indien
het belang van de bescherming van een oppervlaktewaterlichaam zich
daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag bij
maatwerkvoorschrift het lozen in een oppervlaktewaterlichaam toestaan
voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet
verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de voor de aanleg van
het vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch werk reeds bestaande
zuiveringsvoorziening.
Artikel 10a [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 11
1. Voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam
wordt huishoudelijk afvalwater door een zuiveringsvoorziening geleid.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
worden regels gesteld met betrekking tot de zuiveringsvoorziening,
bedoeld in het eerste lid.
3. Het bevoegd gezag kan, bij lozen in een niet aangewezen
oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is aangewezen, indien het
belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt in afwijking
van de regels bedoeld in het tweede lid bij maatwerkvoorschrift bepalen
dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven
zuiveringsvoorziening dient te worden geleid.
4. In afwijking van de regels, bedoeld in het tweede lid, kan het
bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van een
oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet verzet, op een daartoe
strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn bij
maatwerkvoorschrift het lozen toestaan:
a. door middel van een minder vergaande zuiveringsvoorziening; of
b. zonder een zuiveringsvoorziening.
5. Een toestemming als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b,
blijft achterwege, indien niet binnen een afzienbare periode alsnog op
het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk wordt aangesloten.
§ 4. Lozen van zwembadwater
Artikel 12
Afvalwater afkomstig uit een zwembad waaraan desinfectiemiddelen of
andere chemicaliën zijn toegevoegd wordt, indien dit mogelijk is, in
een openbaar vuilwaterriool geloosd.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
§ 1. Meldingsplicht
Artikel 13
1. Degene die voornemens is huishoudelijk
afvalwater vanuit een particulier huishouden op of in de bodem of in een
oppervlaktewaterlichaam te lozen, meldt dat voornemen ten minste zes
weken voorafgaand aan het plaatsen van een zuiveringsvoorziening aan het
bevoegd gezag.
2. Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk
gedaan en omvat in elk geval:
a. de naam en het adres van degene die voornemens is huishoudelijk
afvalwater te lozen;
b. het adres van het gebouw waaruit het lozen zal gaan
plaatsvinden;
c. gegevens waaruit kan worden afgeleid hoeveel meter de afstand
tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch werk
bedraagt, en
d. gegevens met betrekking tot de zuiveringsvoorziening waardoor
het huishoudelijk afvalwater voorafgaand aan het lozen wordt geleid.
§ 2. Wijziging van andere regelgeving
Artikel 14
[Wijzigt het Besluit lozingsvoorschriften niet-inrichtingen
milieubeheer]
Artikel 15
[Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming]
Artikel 16
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet
verontreiniging oppervlaktewateren]
Artikel 17
[Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer]
Artikel 18
[Wijzigt het Besluit glastuinbouw]
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 19
1. Een ontheffing als bedoeld in artikel
5, derde lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming ten aanzien van
het lozen vanuit een particulier huishouden, wordt gelijkgesteld met een
maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 7, derde lid.
2. Een nadere eis als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het
Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater ten aanzien van het lozen
vanuit een particulier huishouden, wordt aangemerkt als een
maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11, derde lid.
3. Indien op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit
het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater was
toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo
huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de
termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.
Artikel 20
Voor het lozen vanuit een particulier huishouden waarvoor
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren in werking en onherroepelijk was, worden de
voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften op
grond van dit besluit, mits de voorschriften vallen binnen de
bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van
maatwerkvoorschriften.
Artikel 21
1. In afwijking van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, wordt
bij lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1
juli 1990 regelmatig plaatsvond de afstand berekend vanaf het gedeelte
van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een
zuiveringtechnisch werk bevindt.
2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, onderdeel a, wordt
bij lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater dat voor
1 maart 1997 plaatsvond de afstand berekend vanaf het gedeelte van het
gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een
zuiveringtechnisch werk bevindt.
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008, met
uitzondering van artikel 16, dat met ingang van 1 januari 2009 in
werking treedt.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit lozing afvalwater
huishoudens.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 november 2007
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
Uitgegeven de negenentwintigste november 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|