| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet bodembescherming
(Wbb)
BESLUIT
UNIFORME SANERINGEN
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 1 februari 2006, houdende regels voor
uniforme saneringen (Besluit uniforme saneringen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2005, nr. MJZDJZ2005159565,
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 39b van de Wet
bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 8
september 2005, nr. W08.05.0360/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 30 januari 2006, nr. DJZ 2005202055, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Wet bodembescherming;
b. bevoegd gezag: gedeputeerde staten en daarmee op grond van
artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen, dan wel Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat in gevallen als bedoeld in
artikel 63a, eerste lid, van de wet;
c. saneringslocatie: het gedeelte van het grondgebied van het
geval van verontreiniging van een land- of waterbodem waarop de
melding, bedoeld in artikel 6 betrekking heeft;
d. terugsaneerwaarde: de getalsmatige invulling van het
concentratieniveau voor stoffen in de bodem dat met een sanering
moet worden gerealiseerd;
e. isolatielaag: een leeflaag of een andere duurzame
aaneengesloten afdeklaag.
Artikel 2
1.Dit besluit is van toepassing op een sanering die behoort tot een
krachtens artikel 39b van de wet bij ministeriële regeling aangewezen
categorie van uniforme saneringen, indien met betrekking tot die
sanering een voornemen kenbaar is gemaakt overeenkomstig artikel 39b,
derde lid, van de wet.
2.Degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering
feitelijk uitvoert, voeren de sanering uit overeenkomstig de regels
gesteld bij of krachtens dit besluit.
Artikel 3
1.Degene die saneert, maakt in geval van een landbodem gebruik van
een saneringsaanpak bestaande uit:
a. het verplaatsen van verontreinigde grond;
b. het saneren van verontreinigde grond door middel van een
open ontgraving;
c. het aanbrengen van een isolatielaag;
d. het saneren van verontreinigd grondwater;
e. een combinatie van a, b, c of d.
2.Degene die saneert, maakt in geval van een waterbodem gebruik van
een saneringsaanpak bestaande uit:
a. het verplaatsen van verontreinigd sediment;
b. het ontgraven of baggeren van verontreinigd sediment;
c. het aanbrengen van een isolatielaag;
d. een combinatie van a, b of c.
3.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
de saneringsaanpak.
Artikel 4
1.Bij ministeriële regeling worden per categorie uniforme
saneringen regels gesteld omtrent aspecten van de sanering, waartoe
onder meer behoren:
a. de grootte van de verontreinigde bodemoppervlakte van de
saneringslocatie;
b. de aard en omvang van de verontreinigingen;
c. de hoeveelheid, kwaliteit en afvoerbestemming van bij de
sanering vrijkomende verontreinigde grond, grondwater en
baggerspecie;
d. de hoeveelheid en kwaliteit van de aan te voeren grond of
baggerspecie.
2.Bij ministeriële regeling worden in geval van een landbodem per
categorie uniforme saneringen regels gesteld omtrent het
saneringsresultaat, waartoe onder meer kunnen behoren:
a. de dikte, aard, constructie en kwaliteit van de aan te
brengen isolatielaag;
b. de terugsaneerwaarde.
3.Bij ministeriële regeling worden in geval van een waterbodem per
categorie uniforme saneringen regels gesteld omtrent het
saneringsresultaat, waartoe onder meer kunnen behoren:
a. de dikte, aard, constructie en kwaliteit van de aan te
brengen isolatielaag;
b. de kwaliteit van de waterbodem na het ontgraven of baggeren
van het verontreinigde sediment.
Artikel 5
1.Voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 6, wordt onderzoek
gedaan met betrekking tot de kwaliteit van de bodem van de
saneringslocatie.
2.Bij ministeriële regeling worden per categorie van uniforme
saneringen nadere regels gesteld met betrekking tot het
bodemonderzoek, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 2. Melding uniforme sanering
Artikel 6
1.Degene die het voornemen heeft te saneren overeenkomstig dit
besluit verstrekt bij de melding, bedoeld in artikel 39b, derde lid,
van de wet in ieder geval met betrekking tot de saneringslocatie aan
het bevoegd gezag gegevens over:
a. de van toepassing zijnde categorie van uniforme saneringen,
bedoeld in artikel 2;
b. de van toepassing zijnde saneringsaanpak, bedoeld in artikel
3;
c. de invulling van de te realiseren aspecten van de sanering
en het saneringsresultaat, bedoeld in artikel 4;
d. het uitgevoerde bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.
2.De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder d, betreffen,
afhankelijk van de categorie van uniforme saneringen, onder meer
gegevens omtrent:
a. het vroegere, huidige en toekomstige gebruik;
b. de bodemopbouw en geohydrologische situatie;
c. de aard en omvang van de verontreinigingen van de
saneringslocatie;
d. de verspreiding van verontreinigende stoffen uit de
bovengrond;
e. de kwaliteit van de af te voeren grond.
3.Bij ministeriële regeling kunnen per categorie van uniforme
saneringen nadere regels worden gesteld omtrent de te verstrekken
gegevens.
4.De gegevens worden verstrekt op een formulier waarvan het model
bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
Artikel 6a
Het bevoegd gezag doet uiterlijk twee weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in artikel 6, kennisgeving daarvan in één of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen. De kennisgeving wordt achterwege
gelaten in het geval de melding een sanering betreft waarbij zich de
omstandigheden voordoen, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
Paragraaf 3. Saneringswerkzaamheden
Artikel 7
1.Met de sanering kan worden begonnen nadat vijf werkdagen zijn
verstreken vanaf de datum van ontvangst van de melding, bedoeld in
artikel 6, indien de volgende omstandigheden zich voordoen:
a. toegepast wordt de saneringsaanpak verplaatsen van
verontreinigde grond, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid,
onder a;
b. het verplaatsen betreft het tijdelijk uitplaatsen van grond,
waarbij de grond na ontgraving weer wordt teruggebracht in het
profiel van ontgraving;
c. de bodem is tot ontgravingsdiepte verontreinigd, en
d. er is geen isolatielaag op de saneringslocatie aanwezig.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
de saneringsaanpak in de omstandigheden, genoemd in het eerste lid.
Artikel 8
1. De saneringswerkzaamheden vangen aan uiterlijk twaalf maanden
nadat het bevoegd gezag de melding, bedoeld in artikel 6, heeft
ontvangen.
2. De melding vervalt indien de saneringswerkzaamheden niet binnen
de termijn van twaalf maanden zijn aangevangen.
3. Degene die saneert dan wel degene die de sanering feitelijk
uitvoert, meldt de datum van aanvang van de saneringswerkzaamheden
binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn schriftelijk
aan het bevoegd gezag.
Artikel 9
Bij ministeriële regeling kunnen per categorie van uniforme
saneringen regels worden gesteld omtrent:
a. de wijze waarop de saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd;
b. het verstrekken van gegevens tijdens de sanering aan het
bevoegd gezag en de termijn waarbinnen deze gegevens worden
verstrekt;
c. de milieukundige begeleiding;
d. de in het kader van de milieukundige begeleiding verzamelde
gegevens over de saneringsuitvoering.
Artikel 10
1.Degene die saneert dan wel degene die de sanering feitelijk
uitvoert, meldt wijzigingen ten opzichte van de gegevens verstrekt bij
de melding, bedoeld in artikel 6 schriftelijk aan het bevoegd gezag.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de melding van de wijzigingen. Deze regels hebben onder meer
betrekking op:
a. de wijze waarop de wijzigingen worden gemeld;
b. de termijn waarbinnen de wijzigingen worden gemeld.
Artikel 11
1.De datum van voltooiing van de sanering dient binnen een bij
ministeriële regeling vast te stellen termijn na beëindiging van de
saneringswerkzaamheden aan het bevoegd gezag schriftelijk te worden
gemeld.
2.De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan per categorie van
uniforme saneringen verschillen.
Paragraaf 4. Evaluatieverslag en nazorg
Artikel 12
In afwijking van artikel 39c van de wet, gelden voor saneringen als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, de artikelen 13 en 14.
Artikel 13
1.Na de uitvoering van de sanering doet degene die de landbodem of
waterbodem heeft gesaneerd daarvan binnen acht weken na beëindiging
van de saneringswerkzaamheden schriftelijk verslag aan het bevoegd
gezag.
2.Het verslag bevat de volgende gegevens:
a. de vermelding van de gerealiseerde aspecten van de sanering
en het saneringsresultaat, bedoeld in artikel 4, en
b. de in het kader van de milieukundige begeleiding verzamelde
gegevens, bedoeld in artikel 9.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de te verstrekken gegevens, waarbij per categorie uniforme
saneringen kan worden bepaald dat de vermelding van gegevens, bedoeld
in het tweede lid, achterwege kan blijven.
4.Het verslag wordt verstrekt op een formulier waarvan het model
bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
Artikel 14
1.Het verslag, bedoeld in artikel 13, behoeft de instemming van het
bevoegd gezag, dat slechts met het verslag instemt indien de sanering
voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 4.
2.Het bevoegd gezag beslist met betrekking tot de instemming binnen
acht weken na de indiening van het verslag.
Artikel 15
1.In afwijking van artikel 39d van de wet, behoeft met betrekking
tot saneringen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, geen nazorgplan
als bedoeld in dat artikel te worden ingediend.
2.De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de saneringslocatie waar
het aanbrengen van een isolatielaag, bedoeld in artikel 3, eerste en
tweede lid, onder c, heeft plaatsgevonden:
a. treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het in stand
houden en onderhouden alsmede waar nodig het herstellen,
verbeteren of vervangen van de isolatielaag, en
b. neemt de noodzakelijke beperkingen in het gebruik van de
bodem of het watersysteem in acht.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de maatregelen en beperkingen, bedoeld in het tweede lid.
Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 16
Dit besluit is niet van toepassing op saneringen waarvoor, voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, overeenkomstig artikel 39
van de wet is ingestemd met een daarop betrekking hebbend saneringsplan.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking met ingang van de vijfde dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 18
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uniforme saneringen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 1 februari 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus
Uitgegeven de negende februari 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|