| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet bodembescherming
(Wbb)
LOZINGENBESLUIT
BODEMBESCHERMING
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 8 december 1997, houdende regels met betrekking tot het
in de bodem lozen van vloeistoffen (Lozingenbesluit bodembescherming)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 7 november 1997, nr. MJZ97570259, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 6, 15, 17, 65, 67, 70, 71, 92, 97 en 98 van de
Wet bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, nr.
W08.97.0725);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 december 1997, nr. MJZ
97579463, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK I. ALGEMEEN
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
|
wet: |
de Wet bodembescherming; |
| |
|
|
lozing in de bodem: |
het definitief in de bodem brengen
of doen brengen van vloeistoffen; |
| |
|
|
bestaande lozing in de bodem: |
lozing in de bodem die voor 1 juli
1990 regelmatig plaatsvond in het kader van een op die datum reeds
bestaande activiteit en waarvan het aantal lozingseenheden -
indien het een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in
de bodem betreft - sedert 1 juli 1990 met ten hoogste 20 procent
is toegenomen; |
| |
|
|
gemiddeld hoogste grondwaterstand: |
het gemiddeld hoogste niveau van de
grondwaterstand gemeten over een tijdvak van ten minste 8 jaar; |
| |
|
|
riolering: |
een gemeentelijk rioolstelsel; |
| |
|
|
woonruimte: |
een ruimte die blijkens haar
inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in
woongelegenheid; |
| |
|
|
lozingseenheid: |
berekeningseenheid voor de
hoeveelheid huishoudelijk afvalwater die per dag in de bodem wordt
geloosd; |
| |
|
|
beperkte lozing in de bodem: |
lozing in de bodem van 10
lozingseenheden of minder per dag; |
| |
|
|
omvangrijke lozing in de bodem: |
lozing in de bodem van meer dan 10
lozingseenheden per dag; |
| |
|
|
huishoudelijk afvalwater: |
afvalwater afkomstig van
particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en
samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een
particulier huishouden; |
| |
|
|
koelwater: |
water dat uitsluitend is gebruikt
voor koelingsdoeleinden, indien daaraan geen verontreinigende
stoffen zijn toegevoegd en de concentratie van verontreinigende
stoffen in het water niet door een bewerking van het water is
toegenomen; |
| |
|
|
overige vloeistoffen: |
vloeistoffen niet zijnde
huishoudelijk afvalwater of koelwater; |
|
omgevingsvergunning: |
omgevingsvergunning voor een
activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht. |
Artikel 1a [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 2
1. Dit besluit is niet van toepassing op een lozing in de bodem:
a. van water onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, indien
daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn
toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door
een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen
verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van
verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en
daaraan geen warmte is toegevoegd;
c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als
waar het werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen
verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van
verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en
daaraan geen warmte is toegevoegd;
d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met
uitsluitend grondwater betreft met het oog op:
1. de vochtvoorziening van gewassen;
2. het schoonmaken van gewassen op het veld;
3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte
materialen;
e. via een vloeiveld, bezinkveld, biezenveld of rietveld;
f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van
voertuigen op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het
toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding
van ziekten en plagen;
h. voor zover sprake is van artikel 15, eerste, dan wel tweede
lid, van de Wet op de openluchtrecreatie;
i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog
op het bouwrijp maken daarvan;
j. [vervallen;]
k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening
van kunstmeststoffen met het oog op de gewasproduktie.
2. Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de
bodem:
a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond
van artikel 8.40 ter zake van lozingen in de bodem in het belang
van de bescherming van de bodem voorschriften gelden;
b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van
de bodem voorschriften gelden die krachtens artikel 7 van de wet
zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of
zuiveringsslib;
c. vanuit een particulier huishouden;
d. waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing
is.
Artikel 3
1. Behoudens het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid
zijn voor de toepassing van dit besluit burgemeester en wethouders van
de gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt, het bevoegd gezag.
2. Gedeputeerde staten van de provincie waar een lozing in de bodem
plaatsvindt, zijn het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem
betreft:
a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel
1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor
krachtens artikel 2.4, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening
krachtens die wet bevoegd gezag zijn;
b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een
vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet;
c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden
het maaiveld en ten aanzien waarvan niet ingevolge het vierde lid
Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is.
3. Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de
bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens
artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens
artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd
gezag is.
4. Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag indien
dit besluit bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 49 van de Mijnbouwwet geheel of gedeeltelijk van
toepassing wordt verklaard op mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 1,
onder n, van de Mijnbouwwet, die krachtens artikel 1.1, derde lid, van
de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen zijn, waarvoor op grond
van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.4, derde lid, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht Onze Minister van Economische Zaken
het bevoegd gezag is voor de verlening van een omgevingsvergunning,
dan wel waarvoor een vergunning krachtens artikel 40 van de
Mijnbouwwet is vereist.
5. Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet
deel uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is
aangewezen krachtens artikel 21.5 van de Wet milieubeheer, het bevoegd
gezag en worden de door dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren
belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit
besluit bepaalde.
Artikel 4
1.Voor de berekening van het aantal lozingseenheden van een lozing
van huishoudelijk afvalwater in de bodem wordt voor de toepassing van
dit besluit uitgegaan van:
a. 3 lozingseenheden voor een woonruimte;
b. 1 lozingseenheid per slaapplaats voor een hotel, pension,
kazerne, ziekenhuis, internaat en daarmee gelijk te stellen
instellingen;
c. 7 lozingseenheden voor zover een vrijstelling is verleend op
grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op
de openluchtrecreatie en 4 lozingseenheden voor zover een
vrijstelling is verleend op grond van artikel 8, tweede lid,
aanhef en onder b of c, van die wet;
d. 1 lozingseenheid per 50 m3 water dat jaarlijks wordt
gebruikt in de overige gevallen.
2.Indien meer dan 20 procent van het gebruikte water niet in de
bodem wordt geloosd, of wordt geloosd op een wijze als bedoeld in
artikel 2, bepaalt het bevoegd gezag op daartoe strekkende aanvraag
dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder d, in
plaats van de hoeveelheid gebruikt water wordt uitgegaan van de
hoeveelheid geloosd water.
HOOFDSTUK II. BEPERKTE LOZINGEN VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER IN DE
BODEM
§ 1. Lozingen in de bodem
Artikel 5
1. Het is verboden een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater
in de bodem - niet zijnde een bestaande lozing in de bodem - uit te
voeren.
2. Het verbod geldt niet, indien de afstand van de kadastrale grens
van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de
dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter en tevens wordt
voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
3. Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan
binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op
een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen
termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke
afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds
bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande
infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid
bedoelde verbod, indien:
a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het
huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde
riolering 40 meter of minder is, en
b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand
tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar
de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden
aangelegd.
Artikel 5a
1. Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan
dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen
dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5, eerste lid, een
lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 5, derde lid,
bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
2. Artikel 5, vierde lid, en de artikelen 6 tot en met 9 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1.Voorafgaand aan een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 5
moet het huishoudelijk afvalwater door een zuiveringssysteem bestaande
uit een septic tank worden geleid.
2.Een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 5 moet worden
uitgevoerd in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel
opgehoogd infiltratiebed.
3.De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het
tweede lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn
gelegen.
4.Voorafgaande aan de lozing in de bodem moet door middel van een
onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te
stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van
de lozing en de dimensionering van de infiltratievoorziening zijn
vastgesteld.
Artikel 7
1.Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de
daarbij behorende leidingen moeten van een zodanige constructie zijn
en van zodanige materialen zijn vervaardigd, dat zij duurzaam bestand
zijn tegen vervorming en corrosie.
2.Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de
daarbij behorende leidingen moeten zodanig zijn aangelegd en
uitgevoerd dat:
a. zij te allen tijde bereikbaar zijn,
b. alle onderdelen gemakkelijk te herstellen en te vervangen
zijn en
c. alle vorstgevoelige onderdelen tegen vorst zijn beschermd.
3.Een infiltratievoorziening en de afgesloten onderdelen van een
zuiveringssysteem moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat een voldoende en
ongehinderde afvoer van gevormde gassen kan plaatsvinden.
Artikel 8
1.Een zuiveringssysteem en de daarmee verbonden leidingen moeten
vloeistofdicht zijn uitgevoerd en moeten vloeistofdicht zijn verbonden
met een infiltratievoorziening.
2.Een zuiveringssysteem en een infiltratievoorziening moeten in
dimensionering en uitvoering op elkaar zijn afgestemd.
3.Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot
zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen.
Artikel 9
Zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen moeten, zolang zij in
gebruik zijn voor lozingen in de bodem, zodanig worden onderhouden, dat
hun goede werking gewaarborgd is.
Artikel 10
Indien een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem
definitief wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de
infiltratievoorziening worden verwijderd, of na volledige verwijdering
van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal.
Artikel 10a
1.Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 5,
derde lid, worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit
behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag
om een vergunning als bedoeld in artikel 5a.
§ 2. Bestaande lozingen in de bodem
Artikel 11
1.Het is verboden een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk
afvalwater in de bodem uit te voeren.
2.Het verbod geldt niet indien de afstand van het dichtstbijzijnde
gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de
dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter.
3.De afstand tot de dichtstbijzijnde riolering als bedoeld in het
tweede en vierde lid wordt berekend langs de kortste lijn waar de
afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
4.Artikel 5, derde lid, is ten aanzien van het in het eerste lid
bedoelde verbod van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
het in artikel 5, derde lid, onder a, gestelde voor de toepassing van
dit lid wordt vervangen door: de afstand van het dichtstbijzijnde
gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de
dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is.
Artikel 11a
1. Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan
dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen
dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 11, eerste lid,
een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 11, vierde
lid, juncto artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de
inrichting voordoet.
2. Artikel 11, derde lid, is op het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 12
1. Met ingang van 1 januari 2005 zijn de artikelen 6 tot en met 9
voor een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de
bodem van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 6 tot en met 9
voor een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de
bodem van overeenkomstige toepassing met ingang van 1 juli 1995,
indien de lozing plaatsvindt bij een horecabedrijf als bedoeld in het
Besluit horecabedrijven milieubeheer.
Artikel 13
Indien een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in
de bodem definitief wordt beëindigd is artikel 10 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 13a
1.Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 11,
vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, worden de gegevens verstrekt
die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze
Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te
verstrekken gegevens.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in
artikel 11a bedoelde aanvraag om afwijking van het in artikel 11,
eerste lid, bedoelde verbod.
HOOFDSTUK III. OMVANGRIJKE LOZINGEN VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER IN
DE BODEM
§ 1. Lozingen in de bodem
Artikel 14
1. Het is verboden een omvangrijke lozing van huishoudelijk
afvalwater in de bodem - niet zijnde een bestaande lozing in de bodem
- uit te voeren.
2. Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan
binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op
daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn
van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste
lid bedoelde verbod indien:
a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het
huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde
riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste
bedraagt:
- tot 25 lozingseenheden 100 meter
- van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter
- van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter
- van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter,
b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200
lozingseenheden,
c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd
overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de
gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing en de
dimensionering van de infiltratievoorziening is vastgesteld en
d. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van
afvoer van het huishoudelijk afvalwater redelijkerwijs niet
mogelijk is.
3. Aan een ontheffing worden ten minste de voorschriften verbonden,
bedoeld in de artikelen 15 tot en met 19.
4. Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders
dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist,
op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen
termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke
afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds
bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in artikel 15 , en van de
infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van
het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het
huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde
riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid,
onder a, vereist is, en
b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de
artikelen 15 tot en met 19.
5. Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt de afstand
tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar
de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden
aangelegd.
Artikel 14a
1. Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan
dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen
dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in
artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d, dan wel in gevallen als
bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a en b.
2. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is
toegestaan en het in artikel 14, tweede lid, bedoelde geval zich
binnen de inrichting voordoet, zijn artikel 14, derde en vijfde lid,
alsmede de artikelen 15 tot en met 19 van overeenkomstige toepassing.
Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan
en het in artikel 14, vierde lid, bedoelde geval zich binnen de
inrichting voordoet, is artikel 14, vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15
1.Het huishoudelijk afvalwater moet, alvorens een lozing in de
bodem als bedoeld in artikel 14 plaatsvindt worden gezuiverd door
middel van:
a. een opgehoogd infiltratiebedsysteem,
b. een opgehoogd filtratiebedsysteem,
c. een zandfiltersysteem,
d. een oxydatiebedsysteem of
e. een biorotorsysteem.
2.Bij toepassing van een opgehoogd infiltratiebed - een opgehoogd
filtratiebed - dan wel een zandfiltersysteem moet het huishoudelijk
afvalwater achtereenvolgens worden voorbehandeld en biologisch
behandeld.
3.Bij toepassing van een oxydatiebed - dan wel een biorotorsysteem
moet het huishoudelijk afvalwater achtereenvolgens worden
voorbehandeld, biologisch behandeld en nabehandeld.
Artikel 16
1.Een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 dient te worden
uitgevoerd in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel
opgehoogd infiltratiebed.
2.De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het
eerste lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn
gelegen.
Artikel 17
Met betrekking tot zuiveringssystemen bedoeld in artikel 15 en
infiltratievoorzieningen bedoeld in artikel 16 zijn de artikelen 7 tot
met 9 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18
1.Degene die een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14
uitvoert, moet het zuiveringssysteem vóór in gebruikname en
vervolgens tenminste eenmaal per twee jaar, door een deskundig bedrijf
doen keuren op de goede werking ervan.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de in het eerste lid genoemde keuring en het deskundig
bedrijf.
3.De schriftelijke resultaten van een keuring als bedoeld in het
eerste lid moeten door degene die de lozing in de bodem uitvoert
gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard.
Artikel 19
Indien een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 definitief
wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de
infiltratievoorziening worden verwijderd of, na volledige verwijdering
van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal.
Artikel 20
Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 14 en bij
een in artikel 14a bedoelde aanvraag om afwijking van het in artikel 14,
eerste lid, bedoelde verbod worden de gegevens verstrekt die in de bij
dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan
nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.
§ 2. Bestaande lozingen in de bodem
Artikel 21
1. Het is verboden een omvangrijke bestaande lozing van
huishoudelijk afvalwater in de bodem uit te voeren.
2. Het verbod geldt niet indien:
a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het
huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde
riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste
bedraagt:
- tot 25 lozingseenheden 100 meter
- van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter
- van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter
- van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter,
b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200
lozingseenheden,
c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd
overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de
gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing in de
bodem en de dimensionering van de infiltratievoorziening is
vastgesteld en
d. wordt voldaan aan de voorschriften, vermeld in de artikelen
15 tot en met 18, en de krachtens artikel 30 gestelde nadere
eisen.
3. Het bevoegd gezag kan op een daartoe strekkende aanvraag voor
een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet
verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de bij de
aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssystemen, bedoeld in
artikel 15, en de infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16,
ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het
huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde
riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid,
onder a, vereist is, en
b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b, c en d.
4. Artikel 20 is op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in
het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand
tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar
de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden
aangelegd.
Artikel 21a
1. Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan
dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen
dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 21, eerste lid,
een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 21, derde
lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
2. De artikelen 15 tot en met 20 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 22
1.Degene die een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 21
uitvoert en die voornemens is de gebezigde lozingswijze te wijzigen,
geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan het bevoegd gezag.
2.Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de
gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn
aangegeven. De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het
model wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan daarbij
nadere regels stellen met betrekking tot de in bijlage II bedoelde
gegevens.
Artikel 23
Ter zake van het definitief beëindigen van een lozing in de bodem
als bedoeld in artikel 21 is artikel 19 van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK IV. KOELWATER EN OVERIGE VLOEISTOFFEN
Artikel 24
1. Het is verboden een lozing van koelwater in de bodem uit te
voeren.
2. Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan
binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op
daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn
van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste
lid bedoelde verbod.
Artikel 24a
1. Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan
dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen
dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 24, eerste lid,
een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen
termijn van ten hoogste tien jaar.
2. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
1. Het is verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem
uit te voeren.
2. Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan
binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op
daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn
van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste
lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:
a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van
afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en
b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als
bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze
stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van
lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie,
of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe
schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor
verontreiniging van de bodem bestaat.
3. Indien Onze Minister van Economische Zaken op grond van artikel
3, vierde lid, dient te beslissen over een besluit inzake een
ontheffing, stelt hij de directeur-generaal Milieubeheer van het
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
in de gelegenheid ter zake advies uit te brengen. De
directeur-generaal Milieubeheer brengt een advies uit binnen vier
weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
Artikel 25a
1. Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan
dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen
dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 25, eerste lid,
een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in
artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door hem vast te
stellen termijn van ten hoogste vier jaar.
2. Artikel 25, derde lid, en artikel 26 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 26
1. Aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 24 en 25 worden
ten minste voorschriften verbonden met betrekking tot:
a. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek moet
worden verricht naar de samenstelling van de vloeistof die in de
bodem wordt geloosd en naar de hoedanigheden van de bodem ter
plaatse,
b. de samenstelling en de hoeveelheid van de vloeistof die in
de bodem wordt geloosd,
c. de wijze waarop de lozing in de bodem plaats moet vinden en
d. voor zover het geen lozing in de bodem van koelwater
betreft, de wijze van definitieve beëindiging van de lozing in de
bodem.
2. Bij een aanvraag om een ontheffing worden de gegevens verstrekt
die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven.
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te
verstrekken gegevens.
HOOFDSTUK V. VERDERE BEPALINGEN
Artikel 27
1. Degene die ingevolge de uitvoering van de artikelen 14, tweede
lid, 14a, eerste lid, juncto artikel 14, tweede lid, 21, tweede lid,
24a, tweede lid, juncto 26 en 25a, tweede lid, juncto 26, 26, eerste
lid, dan wel 34, eerste lid, onderzoek dient te verrichten op of in
een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige
bevoegdheid ontbreekt, kan het bevoegd gezag verzoeken de
rechthebbenden een gedoogplicht op te leggen als bedoeld in artikel 70
van de wet.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat:
a. de vermelding van de naam en het adres van de aanvrager en
de rechthebbenden;
b. de vermelding van de plaats waar het onderzoek moet
plaatsvinden;
c. de vermelding van de aard, de omvang en het tijdstip van het
voorgenomen onderzoek;
d. de vermelding van de handelingen die de rechthebbenden in
het belang van het onderzoek moeten nalaten.
3. Het bevoegd gezag kan, indien een verzoek als bedoeld in het
eerste lid is gedaan, de rechthebbenden ten aanzien van het betrokken
gedeelte van de bodem de in dat lid bedoelde verplichting opleggen.
Artikel 28
1. Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem
geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot
verlening van vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet, wordt
in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp
van de beschikking op de aanvraag om ontheffing krachtens de artikelen
14, 24, en 25, en omtrent het voorlopige voornemen tot het geven van
een beschikking krachtens artikel 66 van de wet, anders dan op verzoek
van de houder van de ontheffing, alsmede omtrent een beslissing tot
afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens de artikelen
14a, 24a, en 25a.
2. Indien burgemeester en wethouders van een gemeente waar de
lozing in de bodem plaatsvindt of zal plaatsvinden, ingevolge artikel
3 niet het bevoegd gezag zijn worden zij in de gelegenheid gesteld
advies uit te brengen omtrent de onderwerpen bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 29
In gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld
in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk14a, 24a of 25a wordt
ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de
hoedanigheden van de bodem van een andere lidstaat van de Europese
Gemeenschappen, wordt desgevraagd met de betrokken lidstaat overleg
gevoerd alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt
toegestaan.
Artikel 30
1. Het bevoegd gezag kan, ten aanzien van de voorschriften, bedoeld
in de artikelen 14, derde lid, 15 tot en met 19, 21, tweede lid, onder
d, en 23 en 26, eerste lid, nadere eisen stellen. Degene tot wie een
nadere eis wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 14a, tweede lid, 24a,
tweede lid, of 25a, tweede lid.
HOOFDSTUK VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 33
1.De artikelen 11, 13, 21 juncto 15 tot en met 18, 22 en 23 zijn
niet van toepassing gedurende drie jaar na 1 juli 1990.
2.De artikelen 24 tot en met 26 zijn, voor zover deze betrekking
hebben op bestaande lozingen in de bodem, niet van toepassing
gedurende twee jaar na 1 juli 1990.
3.Indien binnen de in het tweede lid bedoelde periode een verzoek
om ontheffing als bedoeld in artikel 24 of artikel 25 is ingediend,
gelden de onderscheidenlijk in die artikelen gestelde verboden niet
tot 3 maanden nadat het besluit, waarbij op dat verzoek is beslist,
van kracht is geworden.
4.De artikelen 25 en 26 zijn gedurende twee jaar na 1 juli 1990
niet van toepassing met betrekking tot lozingen in de bodem tengevolge
van de substraatteelt binnen inrichtingen, die tot een in het
Hinderbesluit (Stb. 1980, 445) aangewezen categorie behoren.
Artikel 34
1.Degene die een omvangrijke bestaande lozing van huishoudelijk
afvalwater in de bodem uitvoert, die voldoet aan de vereisten vermeld
in artikel 21, tweede lid, onder a en b, dient binnen drie jaar na 1
juli 1990:
a. een onderzoek, verricht met grondboringen, overeenkomstig
door Onze Minister vast te stellen regels, te doen uitvoeren naar
de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing in
de bodem en de dimensionering van de infiltratievoorziening en
b. van deze lozing in de bodem een kennisgeving te doen aan het
bevoegd gezag.
2.Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de
gegevens verstrekt, die in de bij dit besluit behorende bijlage II
zijn aangegeven. De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan
het model wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan
daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de in bijlage II
bedoelde gegevens.
Artikel 35
Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de krachtens het
Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) vastgestelde regels en
andere besluiten gelijkgesteld met regels onderscheidenlijk besluiten,
vastgesteld met toepassing van dit besluit.
Artikel 36
Het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) wordt
ingetrokken.
Artikel 37
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken
zijn verstreken sedert de dag van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Artikel 38
Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit bodembescherming.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 8 december 1997
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer a.i.,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de achttiende december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage I, behorende bij de artikelen 10a, 13a,
20 en 26 van het Lozingenbesluit bodembescherming
Ontheffing of afwijking van in het Lozingenbesluit bodembescherming
gestelde verboden, als bedoeld in de artikelen 5, 5a, 11, 11a, 14, 14a,
21, 21a, 24, 24a, 25 en 25a van dat besluit
1. Bij een aanvraag om ontheffing als bedoeld in de artikelen 5, 11,
14, 21, 24 en 25 en bij een aanvraag om afwijking van in het besluit
gestelde verboden, als bedoeld in de artikelen 5a, 11a, 14a, 21a, 24a en
25a, worden de volgende gegevens verstrekt:
a. naam en adres van degene die ontheffing vraagt;
b. een opgave van het adres waar de lozing in de bodem
plaatsvindt of zal moeten plaatsvinden;
c. de kadastrale aanduiding en een plattegrondtekening van het
terrein waar is of zal worden geloosd;
d. de voorgenomen tijdsduur van de lozing in de bodem, en
e. indien het betreft een verandering van de gebezigde werkwijze,
het voorgenomen tijdstip van deze wijziging.
2. Bij een aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke lozing van
huishoudelijk afvalwater in de bodem, als bedoeld in artikel 14, tweede
lid, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 14a, tweede
lid, worden tevens de volgende gegevens verstrekt:
a. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het
bepaalde in artikel 4;
b. de resultaten van een onderzoek naar de gemiddeld hoogste
grondwaterstand ter plaatse en de dimensionering van de
infiltratievoorziening;
c. een omschrijving van het toe te passen zuiveringssysteem en de
toe te passen infiltratievoorziening;
d. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar de
vloeistof vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering;
e. de resultaten van een onderzoek naar de andere wijzen van
afvoer van het huishoudelijk afvalwater, en
f. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de
lozing in de bodem.
3. Bij een aanvraag om ontheffing voor een beperkte lozing, als
bedoeld in artikel 5, derde lid, en artikel 11, vierde lid, bij een
aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, en artikel
11a, eerste lid, bij een aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke
lozing, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, en 21, derde lid, en bij
een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, en
artikel 21a, eerste lid, worden naast de gegevens zoals aangegeven onder
punt 1 van deze bijlage tevens de volgende gegevens verstrekt:
a. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het
bepaalde in artikel 4;
b. de resultaten van een onderzoek naar de gemiddeld hoogste
grondwaterstand ter plaatse van de dimensionering van de
infiltratievoorziening;
c. een omschrijving van het toegepaste zuiveringssysteem en de
toegepaste infiltratievoorziening alsmede het tijdstip van
installatie, en
d. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de
lozing in de bodem.
4. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van koelwater in de
bodem, als bedoeld in artikel 24, en bij een aanvraag om afwijking als
bedoeld in artikel 24a worden tevens de volgende gegevens verstrekt:
a. de samenstelling en temperatuur van het koelwater;
b. de hoeveelheid van het koelwater;
c. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek wordt
gedaan naar de samenstelling en temperatuur van het koelwater;
d. de resultaten van een onderzoek naar de te verwachten effecten
van de lozing op de hoedanigheden van de bodem op de korte en lange
termijn, en
e. de wijze waarop de lozing in de bodem plaatsvindt.
5. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van overige
vloeistoffen in de bodem, als bedoeld in artikel 25, en bij een aanvraag
om afwijking als bedoeld in artikel 25a worden tevens de volgende
gegevens verstrekt:
a. de samenstelling van de vloeistof;
b. de hoeveelheid van de vloeistof;
c. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek wordt
gedaan naar de samenstelling van de vloeistof;
d. de resultaten van een onderzoek naar de te verwachten effecten
van de lozing op de hoedanigheden van de bodem op de korte en lange
termijn;
e. de wijze waarop de lozing in de bodem plaatsvindt;
f. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar de
vloeistof vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering;
g. de resultaten van een onderzoek naar de andere wijzen van
afvoer van de vloeistof, en
h. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de
lozing in de bodem.
Bijlage II bij het Lozingenbesluit bodembescherming
Kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 van het
Lozingenbesluit bodembescherming
Bij een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 moeten de
volgende gegevens worden verstrekt:
a. naam en adres van degene die kennis geeft,
b. een opgave van het adres waar in de bodem wordt geloosd,
c. de kadastrale aanduiding en een plattegrondtekening van het
terrein waar wordt geloosd,
d. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het
huishoudelijk afvalwater vrijkomt en de dichtstbijzijnde riolering,
e. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het
bepaalde in artikel 4,
f. de resultaten van het in artikel 21, tweede lid, onder c, dan
wel het in artikel 34, eerste lid, onder a, bedoelde onderzoek naar
de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse en de
dimensionering van de infiltratievoorziening,
g. een omschrijving van het toe te passen zuiveringssysteem en de
infiltratievoorziening en
h. indien het betreft een verandering van de lozingswijze, het
voorgenomen tijdstip van deze wijziging.
Bijlage III bij het Lozingenbesluit bodembescherming
Lijsten I en II als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder b, van
het Lozingenbesluit bodembescherming
LIJST I. Families en groepen van stoffen
1. Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit dergelijke
verbindingen kunnen ontstaan.
2. Organische fosforverbindingen.
3. Organische tinverbindingen.
4. Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene
werking hebben.
5. Minerale oliën en koolwaterstoffen.
6. Cyaniden.
7. De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen
daarvan:
- kwik
- cadmium
- lood
- arsenicum
- antimoon
- tin
- beryllium
- uranium
- thallium
- tellurium
- zilver
LIJST II. Families en groepen van stoffen
1. De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen
daarvan:
- zink
- koper
- nikkel
- chroom
- selenium
- molybdeen
- borium
- vanadium
- kobalt
- barium
- titaan
2. Biociden en derivaten daarvan, die niet onder lijst I vallen.
3. Stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van
het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het
water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke
consumptie maken.
4. Organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn
en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan, met
uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die snel
worden omgezet in onschadelijke stoffen.
5. Anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor.
6. Ammoniak, nitrieten en nitraten.
7. Chloriden, bromiden, fluoriden.
8. Sulfaten.
|
|
|